Saturday, March 3, 2012

Aan de kust van Malabar: De Aarde en haar Volken, 1909 - Emile Deschamps - Full text (4)

IV.—Uitstapjes langs de kust.—Aanzien van het land.—De rijst.—In een mohammedaansch dorp.—De Mopla’s.—Cannanore.—Ontspanning voor het engelsche garnizoen.—Reis in een bootje.—De kokospalm en de kokosnoten.—Aankomst te Elatur.—Terugkeer naar Pondichéry.

Van Mahé is over een lengte van zeven kilometer de weg schilderachtig. Nu eens is hij ingesloten tusschen ware wanden van groen, dan weer gaat hij over zandige stranden langs hagen en reeksen van kokospalmen. Of wel het zijn onder water staande streken, waar de boomen op stelten schijnen te staan of liever op voetstukken, die vierkant zijn en door diepe geulen van elkaar zijn gescheiden, open terreinen, hutten, schuren, waar de basten van kokosnoten liggen te drogen, en lage heuvels, waar een armelijke vegetatie op de weelderigste tuinen volgt. Van tijd tot tijd staan groote ficusboomen met eerwaardige stammen, omringd door hun hooge luchtwortels, langs den weg als getuigen uit een andere eeuw. Ik kwam nog juist bijtijds, om in de Club te ontbijten, waar ik vriendelijk werd ontvangen, nadat een mooie Hindoe met prachtigen witten tulband zich had overtuigd, dat ik in het vreemdelingenboek ingeschreven en dat ik gepresenteerd was.

Ik vertrok zonder verwijl in den namiddag, mij niet ophoudend om de stad te bezoeken, die niets bijzonders kan vertoonen dan een ouden muur dichtbij de zee, door de Portugeezen opgericht. Het groote, groene plein vóór de Club was brandend heet; er was geen wind, en de straten waren zoo goed als verlaten. Wij verlieten de stad langs een weg aan zee, ingesloten door een soort van snijding, die wel een overblijfsel leek van oude vestingwerken, en daarna daalden we in de tuinen af, die elkander opvolgden en waarin hutten verborgen lagen onder het frissche groen.

We gingen door Kodowellé. In de rijstvelden bewogen witte figuren met langzame bewegingen. Ze waren bukkend bezig, waarschijnlijk aan het verplanten der kleine plantjes, en het scheen alsof ze de aarde aanbaden, die hen voedt. Weer groote ficussen, wier stammen door wortels zijn omgeven, dan onbebouwde terreinen, die steenachtig zijn en waar men zich bij verbaast, dat ze zoo dicht op de prachtigste landen volgen. Te Manneada waren we aan de monding van de rivier Kuda-Kadawe, die wij overtrokken over een mooie ijzeren brug. Er lagen prauwen op het zand, en in de buurt der manden vol visch die er stonden, zoowel als in de heele omgeving, rook het naar een visschersdorp, die goede reuk van algen, terwijl men aan de vischnetten, overal langs de hutten gespannen, het visschersdorp kon herkennen. Rechts zagen we op den top van een kaal heuveltje de ruïnen van een kasteel, de oude residentie van een radjah.

Weer een rivier en een dorp, de Koendji en het dorp Dharmadhom. Boven het lage en zandige strand zag men de toppen der hooge kokospalmen, die op het zuivere blauw des hemels hun fijn gebladerte afteekenden. Er lag een lange slang van groen aan weerszijden van het grijze effen water van den stroom. Men ontmoet slechts Mopla’s in dit dorp, dat als alle bestaat uit twee rijen winkeltjes, waar men vruchten, droge visch, arecanoten, betel en alles, wat men onderweg kan noodig hebben, verkoopt, evenals lendendoeken van allerlei kleur, glaswerk en het aardewerk van de streek. Daarachter liggen enkele hutten en de tuinen of landen. Op den gewitten muur van een huisje kan men op een groote, cylindervormige, ijzeren bus het woord “letters” (brieven) lezen. Het is de brievenbus, en de hut is het postkantoor. Maar men moet er den postdirecteur niet zoeken. Voor zijn vier francs per maand kan hij geen uren op het kantoor zitten, en dat wordt ook niet van hem geëischt.

Hier passeert de wagen, die den dienst onderhoudt tusschen Cannanore en Calicut, verscheiden keeren per dag. De weg loopt recht uit, en de horizon getuigt [98]in het minst niet van de veel bewonderde natuur van Indië. Het is alles zand aan den rechterkant in de buurt van de zee, die hier niet te zien is, en links ligt een reeks lage, kale heuvels, met enkele kokospalmen boven een dorren plantengroei. Wij hadden nog eenmaal een oase van tuinen, waar groote jacquinia’s schaduw gaven.

Een groot aantal vrouwen ging ons voorbij in groepjes, kuisch in haar betrekkelijke naaktheid, die snel den afgegleden doek over haar borst trokken, of er haar armen voor hielden als een schild bij mijn voorbijgaan. Ze kwamen van het werk op het veld terug, praatten onder het loopen; anderen waren er nog bezig. De rijst groeit veertig dagen, dan wordt ze bij kleine handen vol uitgerukt, en de wortels worden zorgvuldig gewasschen met kleine herhaalde onderdompelingen, waarna de voorraad wordt opgestapeld.

Den volgenden dag zal men weer aan het planten gaan in hoopjes van enkele voeten oppervlakte, door de plantjes één voor één in de slijkerige aarde te drukken onder de waterlaag. Dat is het voornaamste werk van de vrouwen, dat bukken in het rijstveld en het verplanten, waarbij ze met de beenen in het water staan. De kleeding wordt opgeschort en babbelend en zingend zijn ze bezig. Hier is men aan den oogst of die heeft reeds plaats gehad, en de omgewoelde aarde, die onder water staat, van het rijstveld ruikt naar een moeras; daar wachten hooge stapels op hun beurt; iets verder is het werk al gedaan en de nieuwe rijst biedt den aanblik aan van een mooi groen tapijt, waardoorheen men hier en daar den waterspiegel kan waarnemen.

Men onderscheidt aan de kust van Malabar twee-en-dertig soorten van rijst, die ieder een eigen naam hebben, en zeven ervan bezitten een kleinen en fijnen korrel. Te Mahé brengen de rijstvelden twee oogsten voort per jaar, in Januari en in September; maar te Mangalore evenals ten zuiden van Mané op een twintigtal mijlen afstands, kan men drie keeren per jaar oogsten, in Januari, April en September.

Des avonds waren we te Hekadod, een muzelmansch dorp, een weinig belangrijker dan de andere, die we al waren gepasseerd. Wij hielden stil aan den politiepost. Een ambtenaar met rooden tulband, donkerblauwe broek en tunica, met een gordel en bloote voeten, Nr. 826 volgens het nommer, dat hij op zijn borst droeg op de plaats van de medaille, gaf ons inlichtingen; maar hij was in slecht humeur en daar hij mij midden op den weg liet staan, noodigde ik mijzelven in den politiepost. Ik had groote behoefte aan dat donkere hoekje, want den geheelen dag was de zon achter een koepel van witte wolken verstikkend heet geweest. De adigari, of het hoofd van het dorp, een Naïr, die het nog al verdelend vond, dat men hem dérangeerde op een halve mijl afstands, kwam in niet al te beste stemming aan, maar met hem kon ik mij toch eindelijk onderhouden.

Het was nacht, toen ik, verlicht door het schijnsel van een walmend lantarentje en gevolgd door een menigte, die achter mij aan drong, eindelijk een onderkomen kon vinden. Het was een leegstaand huis van mohammedaanschen stijl met kamers, die zoo laag waren, dat men er in stikte en lage houten divans, die aan honderden geslachten van ratten en vleermuizen tot speelplaatsen schenen te hebben gediend. Massieve deuren met of zonder hengels, zonder sloten, maar die er nieuw uitzien, zijn even talrijk als de kasten. Een hoop steenen, sinds het bouwen van het huis vergeten in een hoek, verbeeldt de keuken. Maar er ontstaan groote moeilijkheden om het noodige voor een maaltijd bijeen te krijgen, want ik heb het gebrek, of mogelijk is het een verdienste voor een reiziger, die alles wil zien, dat ik niets meeneem dan linnengoed en een couvert. De Mopla is evenmin als de mier bereid tot leenen, en wat de kaste der Naïrs betreft, zij laat de Europeanen niet aan de voorwerpen van huiselijk gebruik raken.

De adigari bepaalt er zich toe, mij aan te kijken. Ik heb rondom mij staan al wat er maar aan menschen geborgen kan worden in het huisje, waar ik ben en waar ik een schuilplaats vind op een der houten divans. Mijn minste bewegingen werden met de oogen gevolgd; als er een kist werd geopend, bogen twintig hoofden naar het mijne. Dat was afschuwelijk! Eindelijk bevrijdde ik mij van al die lastige kijkers, door hen buiten de deur te dringen; maar het was midden in den nacht, eer ik erin slaagde wat rijst te eten uit gebroken schotels, die mijn bediende eindelijk had gevonden bij een oude vrouw van zijn kaste, daar de Mopla’s hem allen de deur voor den neus hadden dicht gedaan.

De Mopla’s aan deze kust, die van hun voorouders een godsdienst hebben overgenomen, maar dien hebben doorspekt met allerlei geloof en bijgeloof, zijn de plaag van het land. Ze heeten gierig, zelfzuchtig, hard en wreed. Ze hebben hun rastrots en hun dweepzucht. Ze nemen alles en geven niets.... dan kinderen aan de Tiven, die ze onderdrukken en aan de Macqueezen, die ze tot hun slaven maken. Ze hebben den geheelen handel in handen, en men ziet ze overal; ze bezitten alle winkels en ze vormen geheele dorpen door hun talrijke gezinnen. Jagen doen ze op roepijen en vrouwen. Ze zijn los van zeden en leven tehuis in weerzinwekkende onzindelijkheid, ondanks hun belachelijke wasschingen, die dan ook in vuile en stinkende poelen plaats hebben.

Hun vrouwen zijn, met uitzondering van den sluier, dien ze op het hoofd dragen, bijna evenzoo gekleed als de andere inboorlingen. Ze hebben altijd bovendien een parasol bij zich, om zich te verbergen en bezigen het instrument zoowel tegen de zon als tegen den dauw, den maneschijn en den regen. Als ze zich naar het werk begeven, dragen ze een grooten parasolhoed, waarin ze des avonds allerlei dingen mee naar huis brengen, levensmiddelen en dergelijke. Oorspronkelijk was dat groote hoofddeksel een sieraad, maar langzamerhand is het onmisbaar geworden.

Den volgenden morgen bij het aanbreken van den dag zag ik gelukkig niemand, en ik kon heengaan zonder de aandacht te trekken. Wij gingen door een reeks heuvels van een dor en kaal aanzien, die, naar men mij vertelde, vroeger met jungle waren bedekt. Een ervan, de chimmeniyen, is nog altijd berucht om de rooverbenden, die er huisden, de reizigers aanhielden, diefstal en moord pleegden, en tot voor een jaar of tien was die plek een gevreesd oord. [99]Het waren Mopla’s, en een van hen, die zeer bekend en rijk was geworden, werd gevangen genomen. De geheele heuvel werd tien jaar geleden gekocht door een inboorling, die er landbouw is gaan uitoefenen. Men ziet er nu overal den grond bebouwen, en kleine buffels trekken er den ploeg.

Oponthoud in het dorp Chalen, bewoond door rijstpellers. In alle hutten, die aan één zijde open zijn, ziet men den zwaren, houten stamper aan het werk, die een oorverdoovende muziek maakt. Die stamper is een groot stuk vierkant hout met een kegelvormigen hamer eraan. Hij wordt met den voet aan het eene uiteinde in beweging gebracht door den inboorling, die hem steunt aan een bamboe, bevestigd aan het dak van het huis. Hij valt neer in een hollen bamboekoker, die een mortier vormt, waar de rijst warm in wordt geworpen en heen en weer gestampt. Daarnaast wordt de rijst droog gewarmd in een grooten aarden ketel. Die gekookte en gepelde rijst is gemaakt tot een soort van harde koek, die zoo verkocht wordt. Men gebruikt die vooral op reis als proviand, gemakkelijk koud te gebruiken met palmsuiker en geschaafde kokosnoot.

Ik hield een poosje stil in een hut, waar niemand mij scheen op te merken; men keek even naar mij, de vrouwen dekten zich het hoofd, en men ging met het werk voort, terwijl ik twee rijpe kokosnoten liet halen, om het sap te drinken, den geliefden drank van den reiziger, omdat hij zoo verkoelend en gezond is. Met een paar hamerslagen maakt men een gat in den bast en men kan maar gaan drinken. Welk een wondervrucht!

We vervolgden onzen weg. De weg over de heuvels of door de vlakte volgde steeds de zee, waar het strand zandig was, bedekt met schitterend wit fijn zand, waarboven de kokospalmen uitstaken. Naarmate men Cannanore nadert, verandert langzamerhand het landschap, voorbijgangers vervangen de grazende buffels; er verschijnen meer winkels en ze zijn goed voorzien, de tuinen liggen weer aan den weg, de huisjes verschuilen zich in het groen en plotseling komen we, na een kleine helling te hebben bestegen, uit op een groot plein, een groene vlakte. We waren te Cannanore.

Die vlakte was een manoeuvreveld, en inderdaad zagen we aan den anderen kant van een rij hutten een andere rij lange “barracks”, de kazerne van de Cipayers, rozenkrans van alle gelijke kamers, waar aan de deuren de zwarte soldaten op dat oogenblik bezig waren, hun wapens schoon te maken. Wij begaven ons aan de overzij naar het dak-bungalow, de plaats van onderdak voor vreemdelingen. Daar kan de reiziger een schuilplaats vinden tegen een geringe vergoeding, aan den bewaker te betalen, die tevens de concessionaris is. Deze heer verscheen terstond en stelde zich te mijner beschikking, bood mij een kok aan, een vrouw, die water kon aandragen, en was zeer vriendelijk. Hij was een Hindoe in europeesch buis en witten tulband op het hoofd, die volmaakt Engelsch sprak.

Het vreemdelingenhotel te Cannanore is gebouwd naar hetzelfde model als alle andere europeesche bouwwerken in dit land, met een groot vierkant pyramidevormig dak, veranda’s, ruime kamers, die zeer eenvoudig gemeubeld zijn, stores, rieten leunstoelen naast een bananenaanplanting, waar een hutje de keuken voorstelt. Ervoor breiden zich grasvelden uit en bloemperken, en achter het huis vindt men sesam-aanplantingen.

Cannanore is niet anders dan een groot dorp van een twaalf duizend inwoners, die groepsgewijze in kleine huisjes wonen.

Als men de bungalow verlaat, om zich naar het fort te begeven, komt men, na door eenige tuinen te zijn gegaan en door mooie lanen te hebben gewandeld, aan een hoop leemen hutten, waar armoede troef is. Dan volgen lange, schaduwrijke lanen, waar men nu en dan op den achtergrond van engelsch aangelegde tuinen de huizen der officieren, met op de pilaren aan den ingang de namen van de huurders en de aanwijzing hunner compagnie. Overal bloemen en vreemde planten, manden vol klimplanten en bonte heggen, waar heerlijke geuren uit opstijgen.

Door breede prachtlanen met reusachtige broodboomen, waar lange luchtwortels van neerhangen, komt men in een uur aan de oude barakken van het fort op een wijde esplanade bij het strand, van waar men de forten kan zien en een vuurtoren met de britsche vlag. Op het oogenblik, toen ik voorbijging, waren enkele engelsche soldaten, die half gekleed waren en languit op den grond lagen, bezig, met een spiegeltje de zonnestralen in de oogen der voorbijgangers te werpen, een werk, dat hen zeer scheen te boeien. Het strand was een zandige vlakte, begrensd door kokospalmen en visschershutten, waar op dat oogenblik de visschersschuiten lagen te rusten onder een looden zon.

Het deel van het dorp, waar ik mij bevond bij het terugkeeren van de forten, waarvan het gescheiden is door een ruime weide, was nog al druk. Ik zag veel kleurlingen, die lastig waren door hun nieuwsgierigheid.

Er was een Hindoetempel, die er nog al armoedig uitzag, waarbij een plek behoorde, die voor de wasschingen diende, een klein bassin met een opening als van een put, beneden aan een reeks van trappen, die zich bevonden achter een breeden ingang in een spits toeloopenden muur, waarin openingen waren gelaten in driehoekvorm voor de illuminatie op feestdagen. Met een ander tempeltje in de buurt, dat merkwaardig was om zijn eenvoud, is dit zoowat het eenige bouwwerk van eenige beteekenis in Cannanore.

Er zijn daar een heele verzameling van radjahs of ten minste de afstammelingen van veel radjahs, die hebben geregeerd, mohammedaansche radjahs, hindoesche radjahs; dan is er Bibi, een koningin in partibus, aan wie de Engelschen goedig hebben toegestaan, den titel van koningin te blijven dragen, waardoor niemand eenige schade lijdt. Die schaduwen van de oude indische potentaten leven tegenwoordig met de herinnering aan hun vroegere grootheid. Hun antieke paleizen zijn eenvoudige bungalows geworden; hun hofhouding bepaalt zich tot enkele bedienden, die ze niet betalen; de rijke ameublementen zijn veranderd in goedkoope engelsche waren; de sieraden en vroegere juweelen komen thans uit den bazar; hun invloed bepaalt zich tot eenige goedmoedige uitspraken tusschen twistende eigenaars, en hun luisterrijke uittochten zijn geworden tot wandelingen te voet tusschen [100]twee rijen winkels in vuile, modderige straten. Ze wonen buiten de stad in eenvoudige woningen en leven van het jaargeld, dat de engelsche regeering hun toestaat. Vroeger was het garnizoen van Cannanore zeer belangrijk, en de drukte en beteekenis van de stad ondervond daar den terugslag van; maar thans gaan de zaken veel minder goed en het geld is schaarscher geworden, nu de barakken ledig zijn en zooveel huizen onbewoond blijven. De stad heeft veel van een doode stad.


Malabarsche kar met koelies.

Ik bleef eenige dagen in het dakbungalow, waar tegen mijn twee francs per dag, den officiëelen prijs, ik het recht kreeg, op de leunstoelen uit te rusten, al waren het maar rieten stoelen zonder armleuningen, en waar ik het genoegen mocht hebben, ’s nachts legers van ratten over mijn bed te zien wandelen. Het was zonder leedwezen, dat ik Cannanore vaarwel zei....


Dorp in de buurt van Calicut.

De weg van Cannanore naar Angerakandi, waarheen wij trokken, om niet denzelfden weg terug te gaan, is niet bijzonder prettig. Er is weinig drukte, en de weg is steenachtig over de geheele lengte en daarbij slecht onderhouden. Lantana’s staan aan beide zijden; aan den horizon ziet men lage heuvels zonder plantengroei; hier en daar ontmoet men buffels en een paar koelies. Geen schaduw en een looden zon over de geheele twintig kilometer, die de beide dorpen scheiden, geen wonder, dat ik de plaats bij aankomst prachtig vond. Ik zag er jungle, hooge aanplantingen, rijstvelden en een rivier, die kalm tusschen groene oevers vloeide. Aan den eenen kant van de brug was het dorp der Tiven, aan den anderen dat der Mopla’s. Welk een vroolijkheid en zachte rust kwamen hier over lichaam en geest in de koele schaduw der lanen met hooge boomen en op de met bloemen omzoomde voetpaden van de tuinen!

Ik bracht er twee dagen door en scheepte mij op een morgen in de vroegte in op een bootje, dat den avond te voren voor mij was ontboden van een naburig station. De zon was nauwelijks opgegaan, toen ik al lag uitgestrekt op het bed van droge palmbladeren, dat men voor mij onder in de boot had gereed gemaakt, toen mijn twee roeiers, één aan den vóór- en één aan den achterkant met den langen bamboestok in de hand de prauw over het water deden schieten. [101]


Jonge Hindoe-dansers.

[102]

Twee uren lang gleden we onder de koele schaduw langs de rustige oevers, waar kokos- en pandanuspalmen en struikgewas uit het water schenen te komen. Buiten een licht geklater van het water en het schuiven van de bamboestokken langs de randen der boot was alles volkomen stil. Er stegen uit den warmen plantenovervloed en de vochtige lucht allerlei zoete geuren op, die verdoovend op den geest werkten. Van tijd tot tijd waarschuwde mijn Malayalam, die aan den voorsteven werkte en de opdracht had, den horizon in het oog te houden, mij, dat er otters te zien waren. Men bespeurt dan hun zwarte koppen op de glanzige oppervlakte van het kalme water. Dan stuwt de roeier de boot langzaam naar de dieren toe, die vluchten en snel in hun schuwheid onderduiken, terwijl het water hier en daar hoog opspuit.

De zon stijgt hooger en stooft de atmosfeer. Behalve bij den heuvel Mavillaï, dien we vóór ons zien, wordt de achtergrond verborgen door een hoog gordijn van groen, dat van de oevers opstijgt. Enkele kokospalmen hebben een merkwaardigen vorm aangenomen en rekken zich over de oppervlakte van het water, alsof ze daaruit koelte wilden opzuigen. Op den oever, die hier en daar zwart ziet van de schelpen van zoetwaterdieren, ontwaren wij soms een bruine gedaante, die één schijnt met de omgeving en die zich bij onze nadering terugtrekt met een enkele snelle beweging, waardoor we den persoon niet kunnen onderscheiden, zoo het een mensch is. Maar weldra blijken het krokodillen te wezen, en ik verlies verscheiden kogels aan hun ondoordringbare huid.

Bij een hut, bekend aan mijn mannen, hielden we stil, en het deed mij genoegen, eens aan den wal te gaan, om mijn stijf geworden beenen wat te vertreden. Er was daar een winkeltje, waar ik alleen versche kokosnoten kon krijgen, om het nat te drinken. Ik doe als mijn roeiers en ontbijt met bananen en koekjes van arengsuiker, die ik had meegenomen. Daarna gingen we weer op reis. Het was twaalf uur gepasseerd, en de zon in het zenith zond vuurstralen op ons af. Bij die gedwongen onbewegelijkheid beneden in de boot, werd ik door de warmte onweerstaanbaar slaperig en ik zag tusschen mijn half gesloten oogleden niets anders dan de bruine, naakte beenen van de mannen, die spookachtig bewogen. Ze duwen, duwen onophoudelijk met den bamboestok, een betelpruim achter de kiezen, stil en zwijgend als de goden in hun tempels.

We voeren de rivier, de Koendji, binnen, en tegen vijf uur in den avond kwamen we eindelijk aan Tellicherry of liever in de nabijheid bij het dorp Dharmadhon, waar we stilhielden. Ik betaalde mijn roeiers, moest daarna een goed uur wachten om koelies te krijgen, en kwam te Mahé om tien uur in den avond in een inktzwarte nachtelijke duisternis.

Als men buiten Mahé komt en de streek van de tuinen voorbij is, wordt de weg eentonig; het zijn niet anders dan duizenden kokospalmen, die men ziet op een groote, zandige oppervlakte met hier en daar een hutje. Maar het aanzien verandert; te Chambala zijn we weer in tuinen, in aanplantingen van arecapalmen met donkergroen gebladerte, van peperstruiken, die bij de stammen van hooge boomen opklimmen en deze van boven tot onderen zoo smaakvol bekleeden, dat men aan de versiering voor een feest denkt. Aan den rand van den weg, onder geheel open afdaken, zijn Malabaren bezig rijst te stampen en houden met hun werk op, om ons een onderworpen blik toe te werpen. In de schaduw, die het dak op hen doet dalen, ziet men hen als schimmen, wier voorkomen in overeenstemming is met de omgeving en die verdwijnen tegen den achtergrond, terwijl ze den stamper doen neerkomen, die geregeld klinkt onder de stilte van het werk. De jonge vrouwen met ontbloot bovenlijf keeren zich even om met een bevallige beweging van verraste kuischheid, maar zonder van den ketel te wijken, waarbij ze geknield bezig zijn.

Ginds rijzen reusachtige ficusboomen op met verwrongen stammen in de omhelzing van duizend wortels, die eromheen slingeren en ook de takken omklemmen, terug vallend van de takken als een bundel lange en fijne haren. Onze paarden raakten de wortels aan bij het onderdoor rijden in de dichte schaduw. Bij tusschenpoozen lagen smalle rijstvelden tusschen hooge hagen van een weelderigen plantengroei en vormden dan een scherpe tegenstelling met de droogte van het ernaast gelegen land, een vlakken, onbebouwden grond, waar onvruchtbaarheid heerschte te midden van goed onderhouden gronden.

De aarde is hier okergeel. Onderweg kwamen we Tiven tegen, met den grooten parasolhoed hoog op het hoofd, terwijl ze aan beide uiteinden van een langen bamboe groenten of vruchten uit de streek droegen. Verderop zagen we buffelkarren voorbijgaan, langzaam zich voortbewegend met den regelmatigen tred der dieren, die afgepast is naar de warmte, die alles moeilijker maakt. Hun oogen kijken naar den grond, maar krijgen in den naar beneden gebogen kop dadelijk iets wantrouwigs, als ze de vreemden zien. Ze trekken ladingen van trossen bananen met gouden schil, die daar op elkander gestapeld liggen voor de stad Mahé of Tellicherry; ook liepen vrouwen met manden kokosnoten op het hoofd; ze keken natuurlijk om, want het zijn immers vrouwen, en men bespeurt dat het haar hindert, half ongekleed door den vreemdeling te worden gezien. In de slooten grazen de buffels vreedzaam achter hagen van lantana’s.

Maar wat is dat? Een man, een inboorling met een grooten tulband op het hoofd, schijnt midden op den weg op ons te wachten en loopt dan hard onze bendi, het wagentje, met twee kleine paardjes bespannen, achterna en roept onder het harde loopen ons iets toe, waarbij hij wat schijnt aan te bieden. Een woord van den koetsier ten antwoord, en hij zet zijn loop voort, stil en zwijgend; het is eenvoudig een schipper, die zijn boot aanbiedt en zoo een klant hoopt te snappen.

De rijstvelden volgen elkander op, in blokken als van een dambord verdeeld, van elkander gescheiden door kleine dijkjes van aarde, die zoo smal mogelijk zijn gehouden. De oogst is afgeloopen, en groepen vrouwen snijden de stoppels. In andere velden zijn ze bezig, de aardkluiten, die al hard en droog zijn geworden in de zon, stuk te stooten met een houten werktuig met langen steel, dat ze met handigheid gebruiken. [103]

We gingen voorbij een oliemolen. Het was een groote, holle boomstam, waarin een andere stam ronddraait aan een lang stuk hout. Het zijn meestal vrouwen en jonge meisjes, die het toestel in beweging brengen, een bezigheid, waarmee ze haar loopbaan van lastdieren aanvangen. De man brengt de copra aan, de gebruinde en gestampte kokosnoot, zamelt de olie in en maakt met een vlam de pers van den molen warm, maar hij vermoeit zich niet. Buiten zijn twee mannen bezig, de in tweeën gesneden noten op rijen te leggen en het nog versche vruchtvleesch schittert in de felle zon met een witheid van parelmoer tusschen de zwarte kringen van de basten. Als het genoeg gedroogd zal zijn en bruin zal zijn geworden, is het de copra.

Dan vegen op den weg de vrouwen de droge bladeren van de broodboomen op; dat is een brandstof, evenals de ledige notenbasten, want droog hout is er weinig in het land te krijgen. Talrijk zijn de rijen jonge meisjes op haar Zondagsch gekleed, die zich naar het feest der pagoden begeven, in den omtrek gevierd. Gedrapeerd in een fijne stof, die zeer wit is, en die soms de fraaie vormen laat zien bij een slecht berekende beweging, gaan ze voorbij, zonder nieuwsgierig te kijken, met lichten bevalligen tred. Enkelen lijken zwarte godinnen achter een witte wolk.

We kwamen te Badagara, een klein malabarsch stadje, waar als hier overal, datgene wat de natuur aanbrengt, prachtig en rijk is, terwijl al, wat uit de handen van den mensch komt, nederig en armoedig is van aanzien. Aan den eenen kant weelderige tuinen, door de toppen van de schoonste palmen overhuifd, en waar de heerlijke bekoring van het tropenlandschap van uitgaat, en aan den anderen hutten van bladeren of leemen verblijven van het grofste maaksel. Hier pracht en weelde; daar de grootste ellende.

Er loopt een kanaal door de stad, een slijkerig water, aan welks oever men de booten heeft getrokken in rijen op het zwarte, zandige strand. Die prauwen, die lang en spits zijn, zijn over vier vijfden van hun lengte bedekt met een dak van palmbladeren in koepelvorm, zoodat alleen de punten te zien zijn. Een luidruchtige menigte, een heele schare van menschen, kwam op de reizigers af en bood hun van allerlei aan onder heftige bewegingen, die veel op dreigementen geleken. Als een zeldzame prooi kwam ik met mijn wapenen en bagage aan, door allen begeerd, om te worden verscheurd. Waar is de geduldige looper, die onze bendi onderweg heeft opgepikt en die de gunst heeft verdiend door het onafgebroken gedraaf en door den weerstand, dien hij van zijn longen heeft gevergd? Wie kan iets of iemand onderscheiden in dien warboel van zwarte lichamen, van witte kleederen, van lichte hoofddeksels, van roode tulbanden, van blauwe lendendoeken en geschoren hoofden, waarop de toefjes haren zijn als bewogen bladeren in een stormwind, en waarvan de gezichten alle den stempel dragen van de begeerte naar een klein winstje, terwijl ze toch al alle op elkander gelijken?

Eindelijk komt er wat orde, want er is een keuze gedaan, en een politieman is komen opdagen en bevrijdt mij van de opdringerige menigte. Nog wat heen en weer geloop, en al die menschen zijn tot hun gewone bezigheden teruggekeerd. Nu kan men zien en rondkijken. Over het kanaal ligt een steenen brug, zoo hoog en steil, dat men er op handen en voeten op moet klauteren, om aan den overkant te komen. De brug is als een boog over het donkere water; daarnaast zijn vele lage winkeltjes, sommige zijn met pannen gedekt en hebben een veranda, andere hebben een strooien dak, van rijststroo namelijk. Ze liggen vol met de voortbrengselen van het land, vruchten en groenten, die er uitlokkend uitzien, met droge visschen, welker onaangename geur zich verbindt met de stoffige uitwasemingen van de plek, met onbekende zaken, plaatselijk gereedschap, zakken, manden en lappen. Daarvoor een drukte als in een bijenkorf, een onophoudelijk geloop, waarin het rood der tulbanden domineert. Men ruikt een flauwen roet- en muskusgeur, als de wind geen reukjes van gedroogde of bedorven visschen u toezendt.

En van den diepblauwen hemel, uit de diepten van een apotheose van schitterende klaarheid, valt als een stroom van vuurstralen neer, die bestemd schijnen alles te braden, wat leven heeft op dit hoekje gronds.

Ik ben er later langs gegaan in den nacht; het was laat; de gesloten winkels verlichtten den weg niet langer; alles was in een diepe duisternis gehuld, waarin alleen de daaraan gewende oogen van de inboorlingen zich konden terechtvinden, en op den tast van handen en voeten kon ik eerst na een half uur den afstand afleggen, die ons scheidde van de aanlegplaats aan het kanaal.

Ik ben er ook gepasseerd, toen ik van Calicut kwam met het rijtuig van de post, en ik zie nog de beide rivieren, die men op dezen weg moet oversteken, de Kora-poya en de Kota-poya, die laatste op 13 kilometer afstands van Mahé. Ik zie weer de overzetpont, die ons te Moerat opnam, den reiziger en zijn voertuig met de paardjes, terwijl de pont met een stok werd voortgeduwd onder het gezang van de roeiers, dichtbij een brugje in aanbouw en bij een andere grootere brug van de toen aangelegde lijn tusschen Calicut en Cannanore, die niet ver van Mahé langs gaat, waar men een station moest maken.

Laat ons naar Badagara terugkeeren. Nu zijn we onder dak, onder een palmendak, het smalle en lange dakje der prauw. Aan voor- en achterkant is het vol koffers en kisten, mijn slecht vastgebonden colli’s, die de al te geringe ruimte innemen, die er overblijft buiten de plaats, bestemd voor een neergehurkt mensch. Het was er donker, want de opening aan den achterkant is op het laatst nog afgesloten, zoodat men er stikt.

Rechts en links wordt er geroep gehoord en een geluid van beweging en drukte, waaraan het oor niet is gewend. Uit het kanaal stijgen moerasdampen. Wat gebeurt er? Wij vertrekken niet. Ik zie een langen bamboestok heen en weer bewegen vóór de cylindrische opening van mijn gevangenis. Ik voel een schommeling van den eenen kant naar den anderen, die met onze lading niet zonder gevaar is en mij ongerust maakt. Een bad in die zwarte brij, die zoo akelig ruikt, heeft iets afschrikwekkends. Maar dan is alles stil, en men hoort niets dan de geluiden van [104]buiten. Mijn reisgezel achter mij, een Portugees uit Mahé, die met mij mee is gegaan, heeft zijn schoenen uitgetrokken evenals zijn jas; hij legt het geweer op een goed plekje bij de hand, neemt een snuifje, gaat op zijn Turksch zitten en blijft stil afwachten, geduldig en onderworpen, als was hij een aanhanger van Mohammed. Hij heeft gelijk; dat is het eenige wat wij kunnen doen, en ik volg zijn voorbeeld, het snuifje alleen door de sigaret vervangend.

Maar daar komt verandering. Aan den ingang van de donkere ruimte, die nu wel wat lijkt op de donkere kamer voor photografie, vertoonen zich staande droge, zwarte beenen van een der roeiers, die iets beweegt, dat wij niet kunnen zien. Er worden schokken gevoeld, een geluid van iets, dat schuift tegen de prauwen, waaruit wij ons losmaken, en nu kan ik zien, dat de mannen zich hebben gebukt, en dat de eene een pagaai en de ander een langen bamboestok, den tsjalon, in de hand heeft. Met den stok worden wij geboomd over den slijkerigen bodem van het kanaal.


Een buffelspan.

Eindelijk zijn we dan onderweg, en het wordt stil buiten; vóór ons zien we slechts de toppen der kokospalmen, die onmerkbaar bewegen. Evenals overal aan de rivieren zijn er, die zich over het water buigen en wier pluimen van bladeren dicht boven de oppervlakte van het water wuiven.

Tusschen den rand der prauw en den koepel van het gebladerte is er een ruimte, die precies ter hoogte van onze oogen komt. Het is een toeval, maar het had niet mooier kunnen treffen. Men ziet er de tuinen en onbebouwde gronden voorbijschuiven, de hutten aan den oever in hun aanplantingen, de kalkovens, waar de vele schelpen worden gebrand, die de rivieroevers bedekken. Groote booten passeeren, platte schuiten, vol van die schelpen, verdeeld over kleine kegelvormige mandjes en volkomen uitgebleekt door de zon, hoewel de schelpen oorspronkelijk zwart zijn. Op sommige plaatsen zou men meenen, dat het land druk bevolkt is; men ziet er tusschen de boomen boeren aan den veldarbeid; badende vrouwen in een kleine baai, die afgezet is om het gevaar van krokodillen, en waschvrouwen, die beurtelings met de beide armen het waschgoed slaan op een platten steen. De randen van den oever zijn rood en scherp afgesneden, soms met een dicht struikgewas begroeid en dan weer laag en onbegroeid.

Aan beide uiteinden van de prauw staan de mannen, en al naar de diepte van het kanaal pagaaien ze of duwen met den langen bamboestok. Men komt maar langzaam vooruit bij zulk een primitieve manier van voortbeweging; maar wat is het heerlijk, zoo te glijden over het stille water in het grootsche kader van die van mildheid overvloeiende natuur! Onder onze lichte bladbedekking komt een zachte koelte binnen, die niet warm en niet koel is, maar alleraangenaamst ondanks de zonnehitte. Een enkele maal wordt de stilte afgebroken door het geroep van vogels, weerkaatst door de echo, of de pagaai slaat het water wat forscher, of de bamboe schuift langs den bootrand. Maar de oogen worden vermoeid door de weerkaatsing van al het licht, en langzaam sluiten ze zich, terwijl de poorten van het droomland opengaan....

We gingen aan land bij een zeer drukke landingsplaats. Er bewoog zich een dichte menigte van Mopla’s en Tiven, die schreeuwden en vloekten en gesticuleerden in het opwarrelende zure en vochtige stof. Ik kon nauwelijks een hoop zakken aan den oever onderscheiden en een lange rij met buffels bespannen karren, die er op lading stonden te wachten, terwijl mijn bagage werd uitgeladen. Het lawaai was oorverdoovend, en ik zocht een schuilplaats achter en tusschen twee hoopen zakken. In de verte ontwaarde ik achter de karren een straat met lichten van winkels en een drukte als van een mierenhoop, die er zich bewoog. Naast mij liet de Portugees zijn bagage op een wagentje laden. Inlanders waren bezig met het pakken van koffers in een prauw voor reizigers, die de reis, welke wij gemaakt hadden, in omgekeerde richting ondernamen, want veelal reist men des nachts, om de hitte te ontgaan.

Eindelijk was alles gereed; de mannen waren betaald; ik klom in het kleine wagentje bij mijn bagage. Wij reden naar Calicut, dat nog zes mijlen verwijderd was. De maan was opgegaan, en haar bleeke stralen verlichtten onduidelijk silhouetten van tuinen en woningen; rechts en links hadden we boomen. Bosch wisselde af met bewoonde streken; duisternis volgde op licht van drukke winkels, waar de menschen elkaar verdrongen ondanks het late uur. Dan werd de weg weer stil, en we hoorden enkel het geknars van ossenkarren, die langzaam naderden.

Zestien uren nadat we Mahé hadden verlaten, hield mijn wagentje stil voor het hotel Calicut. Den volgenden morgen voerde de trein mij naar Pondichéry, en de laatste indruk, dien ik bewaarde van deze vreedzame kust, is het prachtige scherm van groen geweest, dat er schijnt te zijn neergezet, om haar te verbergen voor de nabuurschap.

No comments:

Post a Comment