Saturday, March 3, 2012

Aan de kust van Malabar: De Aarde en haar Volken, 1909 - Emile Deschamps - Full text (3)

III. Ceremoniën bij het volwassen worden, het huwelijk en bij het begraven.—De Pandel.—De fauna van Malabar, visschen, krokodillen, jakhalzen, otters, enz.—De flora, arecapalmen, kokospalmen, jacquinia’s enz.—Klimaat.—De oogst en de dieven.

De plechtigheden buiten de praktijk van het leven van elken dag bepalen zich tot de groote evenementen van het bestaan, de zwangerschap, de geboorte, het maagd worden der jonge meisjes, het huwelijk, den dood, en lijken alle een weinig op elkander, daar deze arme menschen geen pracht kunnen ten toon spreiden, zooals de beter bedeelde bevolkingen der andere streken zich kunnen veroorloven. Er zijn blijkbaar verschillen naar de kasten, en de kleinste bijzonderheden worden angstvallig in acht genomen en mogen onder geen enkel voorwendsel verwaarloosd worden.


Versiering der moskee bij het Moharramfeest.

Vóór het maagd worden van het meisje heeft een belangrijke plechtigheid plaats, namelijk de toekenning van het symbolische sieraad, dat thali heet. Het meisje wordt bij een brandende lamp in nieuwe kleeren gestoken en behangen met alle mogelijke sieraden, die men heeft kunnen bijeenbrengen. Als er dan iemand is, die haar later wil huwen, zendt die haar een bloedverwante, die de thali brengt en die het versiersel zelf het meisje om den hals hangt. Dat is dan een soort van verloving. Is de plechtigheid afgeloopen, dan wordt de thali opgeborgen tot op den dag van het huwelijk.

Vóór het feest gaan onder de Tiven de moeder of enkele bloedverwanten de uitnoodigingen doen, en de pandel wordt gereed gemaakt. Dat is een lichte veranda, opgeslagen aan den ingang van het huis of op het erf, bestaande uit een dakje van stof, katoen meestal, of van bladeren, met gekleurde zijde versierd, soms ook met bloemen en altijd met groen, en gedragen door elf of twaalf houten pilaren, die afwisselend zijn behangen met roode of witte banden. Onder de pandel hebben de meeste feestelijkheden plaats. De oprichting gebeurt met staatsie, en het plaatsen van den middenpaal brengt het godsdienstig gebruik mee van de poedja of het offer aan de goden van water, wierook, rijst, bloemen, sandalpoeder, suiker, betel en andere zaken, plechtigheid, die geschiedt onder de tonen van de onvermijdelijke trommel.

Wat het jonge-meisjesfeest aangaat, op het vastgestelde uur komen de genoodigden. De mannen zijn uitgesloten van het feest, met uitzondering van de broeders en den vader van de hoofdpersoon. De laatste blijft in een hoek zitten; ze is onrein en niemand komt dicht bij haar of spreekt met haar. Als allen bijeen zijn, gaat men naar het bad in den naburigen vijver. Na de afwasschingen en het insmeren met de bladeren van een boompje met roode bloemen, dat in de meeste tuinen te vinden is, of met het sap ervan, dat van te voren in een kokosnootschaal is toebereid, wordt het jonge meisje gekleed in een nieuwen lendendoek, met sieraden behangen en van armbanden en thali voorzien, waarna men naar de hut terugkeert. Daar wordt de rijst voorgediend in banaanbladeren, die in een kring op den grond liggen vóór iederen genoodigde, en na het eten, na de uitreiking van de onvermijdelijke betelpruim, gaat ieder naar zijn huis. [89]


Molen voor de bereiding van kokosolie.

Laat ons overgaan tot de plechtigheid van het huwelijk, de belangrijkste. Iedereen trouwt in Indië, want de tradities van ras, kaste en familie over te dragen op een zoon, is de eerste plicht. Er zijn dus zoo goed als geen oude vrijers en vrijsters.

Bij de Brahmanen van Malabar, een vrij rijke kaste, is het huwelijk een ceremonie, die tallooze verplichtingen meebrengt, maar ongeveer als voorgeschreven in geheel Indië. De kinderen, die trouwen, worden niet geraadpleegd als in de andere kasten; de gunstige maand, dag en uur worden vastgesteld, de echtgenoot brengt een zekere som gelds aan de ouders van het jonge meisje; het orakel wordt ondervraagd. De verloving en het huwelijk worden afzonderlijk gevierd, en dan spelen beurtelings een meer of minder belangrijke rol de pandel, de huisgoden, de offeranden, de giften, de planeten, de reiniging, het bad, de aanroeping der voorouders, de gewijde kruiden, de beschermgoden uit de acht hoeken der wereld, de processie, de gebeden, de gaven aan de goden en aan de aanwezigen, en het ter hand stellen van de thali; en dat alles met een zoo groote massa voorschriften, dat ze te vermelden een boekdeel zou vullen.

In de andere kasten is men minder veeleischend, daar dat alles zeer duur is, maar het gaat met evenveel omslag.

Laat mij hier een en ander meedeelen over het huwelijk, zooals het wordt gevierd in de kasten, die speciaal zijn voor de kust van Malabar. Bij de Tiven wordt eerst een verzoek gedaan door de beide partijen aan den tandean of het hoofd der kaste, die zijn toestemming geeft op een strook ola, dat is een reep van een palmblad. Hij krijgt daarvoor een pakje betelbladeren, wat tabak, eenige arecanoten en tweemaal twee malabarsche fanons, wat te zamen zoowat zeven stuivers holl. is in geld. Dan worden de uitnoodigingen gedaan van elken kant, door een man en een vrouw, bloedverwanten van de verloofden. Als de dag is gekomen, begeeft de bruidegom zich met zijn ouders en zijn vrienden, een trommel voorop, naar zijn toekomstige vrouw. Hij brengt de geldsom mee, die de prijs is voor het meisje, want trouwen is hier zich een vrouw koopen, en tevens 150 tot 200 betelbladen, tien of vijftien arecanoten en stukken tabak, welke ingrediënten in de eerstvolgende vier-en-twintig uren door de gasten zullen worden genoten.

Als de koopprijs geteld en goed bevonden is door den vader en de moeder, wordt er rauwe rijst gebracht in een stuk van een banaanblad; men steekt een lamp, waarin kokosolie brandt, aan, een stukje gedraaid katoen in een of ander vat met olie gestoken, en alles wordt neergezet midden in de kamer, waar de aanwezigen zich ophouden.

Er wordt rijst geworpen op de hoofden van de aanstaande echtgenooten en daarna wordt alles opgeruimd. Dan wordt er gegeten en braaf wordt er geschranst, want maaltijden behooren evenals ten onzent bij alle feesten; eerst rijst met boter, bananen en paplom, een soort van koekjes, die bij de rijst worden gegeten, daarna kary en opnieuw rijst. Elke gast moet voor het maal minstens twee fanons betalen.

Den volgenden morgen gaat de echtgenoot bij zijn vrouw eten, die bij haar ouders is gebleven. Men slijt den dag met vrienden, praat wat, pruimt veel, en de eerstvolgende nacht wordt daar doorgebracht. Dan keeren den volgenden dag de jonggehuwden in hun eigen huis terug; er worden nog uitnoodigingen gedaan, en alles is afgeloopen. [90]

Jongens trouwen al van hun zestiende jaar af, en meisjes wel reeds op tienjarigen leeftijd, dikwijls zelfs eer de maagdelijkheid is ingetreden.

Bij de Naïrs begeeft de bruidegom zich, vergezeld van bloedverwanten en vrienden, des avonds naar het huis van het meisje, dat hij gaarne wil huwen.

Onder de veranda zijn matten gelegd, om iedereen te ontvangen; de jonge man wascht zich de voeten in een bak met water, door een dienstvrouw voor dat doel gebracht, en ieder neemt plaats, de vrienden en bloedverwanten ter zijde. Dan vertoont zich de oom van het jonge meisje en hem wordt dan het aanzoek gedaan door een oom van den jongeling. Is het aanzoek aangenomen, dan haalt de laatste uit een pakje een stuk katoen, waar hij een lap van afknipt, die hij ter hand stelt aan diegene, wier hand is gevraagd. Er wordt een lamp gebracht en een maat rauwe rijst, die vóór de deur wordt neergezet, waarna de aanwezigen bij beurten de rijstkorrels op den jongen man en het meisje strooien, dat intusschen is aangekomen. De plechtigheid is geëindigd. De jongeling treedt het huis binnen met zijn vrouw, gaat zitten en praat een oogenblik. Dat gesprek is de bezegeling van de vereeniging. Des avonds neemt men gezamenlijk aan een maaltijd deel. De aangestoken lamp is de meest onmisbare getuige van de ceremonie. De Brahmanen worden vooraf geraadpleegd en geven hun toestemming tegen een overeengekomen geschenk.

Den volgenden morgen zendt de vader van het jonge meisje haar naar haar nieuwe domicilie in gezelschap van een dienstbode en een wasch vrouw. Als men aan het huis van den echtgenoot is aangekomen, wordt de waschvrouw teruggezonden met een geschenk, en de dienstbode, die vaak een slavin is, blijft. Bij rijke menschen komen er nog eenige bijzonderheden bij deze essentiëele formaliteiten.

De belangrijkheid van de lamp, die men aantreft bij alle plechtigheden, is een gevolg van het feit, dat de Malayali allen in meerdere of mindere mate vuuraanbidders zijn. Ze moeten de zon aanbidden bij haar opkomst, en de kleine aangestoken lamp, die soms in den nacht flakkert aan de deur der hutten, dient als symbool van een eeredienst, die bij hun plechtige feesten behoort. De spaarzaamheid doet het gebruik van het nachtelijke branden van het lampje in onbruik komen.

Bij de Mopla’s is het de vrouw, die den man koopt; ze brengt hem geen bruidschat aan, maar den prijs van den koop, waarover de niet al te bescheiden man naar welgevallen beschikt. De plechtigheid heeft plaats des nachts in het huis der verloofde. Het contract, dat de te betalen som vaststelt, is vooraf in de tegenwoordigheid van getuigen opgemaakt. De som kan 50 roepijen (85 francs) bedragen, maar ook tot verscheiden duizenden roepijen stijgen. Als de avond is gekomen en de priester of kadi, de notabelen, bloedverwanten en vrienden tegenwoordig zijn, reikt de vader of de oom van den bruidegom het contract aan den kadi, die het leest en de voltrekking van het huwelijk uitspreekt. De oom ontvangt de som in een zakje en voor ontvangst teekent hij op een reep kokosblad. Dan beginnen muziek en gezang, die duren tot tegen den morgen. Bij het aanbreken van den dag trekken de gehuwde man en zijn vrienden zich terug. Op den dag of nog denzelfden morgen komt de vader van de getrouwde vrouw den man uitnoodigen, naar zijn vrouw terug te keeren, en de gasten worden weggezonden.

De vrouw woont altijd bij haar ouders, behalve in het geval dat haar familie, die te arm is, den man niets heeft kunnen geven. Dan alleen gaat ze bij hem wonen en onderwerpt zich eraan, te zorgen voor zijn huishouding. De getrouwde Mopla is dus enkel in zijn woning den tijd, dien hij voor zijn zaken noodig heeft; hij woont inderdaad bij de ouders van zijn vrouw, voor wier onderhoud hij zorgt. Natuurlijk krijgt de vrouw haar kleederen en sieraden van haar man, en soms krijgt ze er ook eigendomsrechten op.

Echtscheiding kan plaats hebben. De kadi spreekt die uit. Als de man haar aanvraagt, moet hij de som teruggeven, die hij ontving op den dag des huwelijks. Zijn er kinderen, dan moet de man ze met zich meenemen of voor hun onderhoud door de moeder betalen.

De Mopla’s vieren ook een feest, als de jonge meisjes volwassen zijn geworden, maar terwijl die plechtigheid bij de Malayali in het openbaar wordt gevierd, is ze meer intiem bij de Mopla’s.

Laat ons nu overgaan tot de gebruiken bij sterfgevallen. Voordat ik vertel van de gewoonten aan deze kust, die vooral bewoond wordt door arme volksstammen, waarbij de rijke kasten, die hun dooden verbranden, weinig talrijk zijn vertegenwoordigd, zou ik eraan willen herinneren, dat de gewoonte van de weduwen, om op den brandstapel met den overleden man den dood te zoeken, nog altijd in Indië bestaat, ondanks de pogingen der Engelschen, die al sedert 1829 beproefd hebben haar uit te roeien. Het wordt nog even druk gedaan als vóór honderd jaar, en zelfs nog vaker. Ik heb er geen statistiek van gezien; maar het is bekend, dat in plaats van te verminderen, dit wreede gebruik verder verspreid wordt. In het Noorden van Indië, vooral in Bengalen, dat door den heiligen stroom wordt besproeid, zijn de vrouwen van Brahmanen en radjahs, die op den brandstapel van haar overleden man den vuurdood ondergaan, nog zeer talrijk. Die ongelukkigen worden voor de dweepzieke geloovigen van het land een soort van heiligen, godinnen, die het aantal doen toenemen van de honderdtallen hindoesche godheden.

In het Zuiden is die gewoonte, waartegen zich de mohammedaansche vorsten altijd hebben verzet daar, waar ze regeerden, zeldzamer geworden; maar het verbranden van de weduwen gebeurt toch altijd nog te vaak, dan dat men kan zeggen, dat het is afgeschaft. Vooral de vrouwen, die hun echtgenooten verliezen, zonder dat ze kinderen van hem hebben, onderwerpen zich aan dat lot, waartoe de Brahmanen haar aansporen en dat door de dweepzucht van haar omgeving wordt gewenscht, meer dan dat het eigen overtuiging is.

In de kasten, die hun dooden begraven, heeft men vrouwen gezien, die zich levend lieten begraven; maar dat komt minder voor, daar de niet belangelooze ijver van de Brahmanen zich daar veel minder sterk laat gelden dan in de hoogere kasten.

De plechtigheden met hun duizenderlei kleine, verstandige en onverstandige bijzonderheden, die [91]plaats hebben bij den dood van Brahmanen en die soms logisch en soms bepaald absurd zijn, vormen een onontwarbaar net van vormelijkheden. Gelukkig voor hun familie wordt de noodzakelijkheid, ze alle in acht te nemen, afhankelijk gesteld van het fortuin van den overledene. Hoevelen ook zouden in staat zijn, de tien giften te offeren, die den goden, en vooral den Brahmanen, die ze in ontvangst nemen, aangenaam zijn, te weten, koeien, goud, grond, boter, katoen, suiker, sesamolie, zout, zilver en koren? De reinigingsceremoniën duren het langst en moeten het nauwkeurigst in acht worden genomen, maar ze zijn niet het zindelijkst, want koeienmest en de urine der dieren spelen er een hoofdrol in. De hoogste reiniging van het lijk bestaat daarin, dat men met vloeibare boter de openingen van het lichaam van den overledene overgiet. Het lijk wordt dan door vier Brahmanen gedragen; dezen blijven op de plek der verbranding, tot alles is afgeloopen, terwijl alle overige aanwezigen de plaats moeten verlaten op het oogenblik, dat de brandstapel wordt aangestoken.

Een Brahmaan mag niet sterven op zijn gewone legerstede, maar moet op den grond den geest geven; als hij op het punt van sterven is, moet hij op de aarde worden gelegd op een plek, die te voren gereinigd is met urine van een rund, op een nieuw stuk katoen, en hij gaat naar de andere wereld onder het vasthouden van den staart van een koe, die ervoor is aangebracht, om den stervende den weg te wijzen op zijn laatste reis en hem zonder brandwonden den stroom van vuur door te voeren in het verblijf van Yama, den koning der onderwereld.


Woning van een Europeaan bij Tellicherry.

Na de begrafenis is het huis van den Brahmaan onrein geworden. Het wordt gezuiverd door de besproeiing met mest, in melk opgelost, na welke bewerking men de dingen weer mag aanraken; maar opdat de menschen er weer mogen eten en hun gewone leven hervatten, moeten er nog heel wat gebeden worden opgezonden. Den tienden dag weer besproeiing en uitdeeling van gekookte rijst aan de raven, ten behoeve van den doode. Men mag ten teeken van rouw zich in een geheel jaar niet laten scheren; maar gewoonlijk wordt de barbier al gehaald na den veertigsten dag na de begrafenis. Zooals bekend is, verbiedt de wet in alle malabarsche kasten, dat men zichzelven scheert.

De verbranding der lijken heeft alleen in de hoogste kasten plaats; de Tiven worden begraven, niet, naar mij verzekerd wordt, omdat dat zoo is voorgeschreven, maar omdat het nu eenmaal gewoonte is, waarschijnlijk daar begraven minder kosten meebrengt en het verbranden daarentegen zeer duur is. Bij de Soederen wordt het lijk der oude menschen verbrand, en jonge menschen en kinderen worden begraven, zonder dat aan dien regel altijd wordt vastgehouden. Vroeger was de toestemming van den radjah noodig voor de verbranding van een lijk, behalve in de families, die er de vergunning voor hadden gekregen.

Het hout, dat ervoor gebruikt wordt, moet opzettelijk gekapt worden van een mangoboom of een jacquinia, gekocht eer hij bestemd werd voor industrieel of huiselijk gebruik. De stervende zelf wijst de plek aan, waar hij wenscht te worden verbrand en die zijn eigen tuin mag wezen of eenige plaats in de buurt.

Zoodra de dood is ingetreden, wordt het lijk gewikkeld in een laken, dat gedompeld is in met curcuma geel gekleurd water of waarin saffraan is opgelost en dan gebracht naar de verbrandingsplaats. Daar legt men een laag van het uitverkoren hout neer en legt er het lijk op, en daar boven bouwt men den brandstapel met kokosvezels, takken en struikgewas, dat met petroleum in brand wordt gestoken. De bloedverwanten en vrienden staan erbij; maar zoodra de brandstapel ontstoken is, trekt iedereen zich terug zonder plechtigheid. In den nacht wordt de verbranding voltrokken, tegen drie uur in den morgen en ze is gewoonlijk om zeven uur afgeloopen.

Den tienden dag na den dood en na de verbranding of begrafenis heeft er een andere plechtigheid plaats, de Pinom, waaraan verwanten en vrienden deelnemen, een ceremonie, die overeenkomst heeft met de uitdeeling van rijst aan de raven en bestaande in een uitdeeling van dezelfde rijst aan de visschen, een variant, die te verklaren is bij een zeevarend volk.

De bloedverwanten laten rijst koken, waaronder ze bloemen mengen, verder curcuma, betel en òf aarde van het kerkhof òf asch van den brandstapel. Dan leggen ze dat alles in een schotel, een koperen schaal met een doek erover, die een stuk is van het lijkkleed, daar afgenomen op het oogenblik van de begrafenis of de verbranding, en die alles bedekt. Bovenop plaatst men een soort van lont, een opgerolde lap van de eene of andere stof, die met petroleum is gedrenkt. De oudste zoon of, als die er niet is, een neef of broeder of naaste verwant neemt die schaal op het hoofd en, vergezeld door de verwanten en vrienden, voorafgegaan door de trom en de fluit, treedt hij naar buiten, waar voetzoekers worden geworpen. Men begeeft zich naar de rivier. De processie is pas aan den oever aangekomen, of de zoon ontsteekt de lont en stapt in het water, tot zoover, dat het water hem tot de kin reikt. Op dat oogenblik werpt hij alles voor de visschen. Allen gaan heen en samen versterken ze zich in het huis van den overledene....

De rivier van Mahé, die geelachtig water vervoert over een groot deel van haar loop, ontspringt in de Ghats en vormt, als alle rivieren aan de kust van Malabar, veel kronkelingen eer ze zich in zee stort. Zij kan bij hoogen waterstand 40 tot 45 kilometer [92]lang zijn en vertoont zich soms als een watervlakte van 120 meter breedte. Bij de monding wordt tweemaal per jaar, als de moessons wisselen, het strand, dat zandig is, verplaatst, zoodat de rotsen, waar eerst de golven overheen sloegen, bloot komen en een uitgestrekte vlakte omsluiten. Die veranderingen staan in verband met de vereenigde werking van de moessons en de zeestroomingen op het rivierwater. Bij laag water zou een gewoon europeesch vaartuig er niet kunnen binnenloopen.


Kokospalmen.

Er is veel visch. Die geeft zelfs aanleiding tot een eigenaardig verschijnsel. Elk jaar tegen September of October, als het weinig heeft geregend, vervoert de rivier een eindeloos aantal doode visschen, groote en kleine, die van boven komen en zich nu en dan zoozeer aan de monding ophoopen, dat er heele lagen worden gevormd en er ondiepten ontstaan. In jaren, als de regelmatige hoeveelheid regen valt of als het overvloedig regent, doet het verschijnsel zich niet voor. Houdt de regen eenige dagen op, dan verschijnt het weer. Er heeft dan blijkbaar een vergiftiging plaats, die zich uitbreidt over de andere leden van de vischfauna. Maar wat is de oorzaak?

De grootste bewoners van de rivieren aan de kust van Malabar zijn de krokodillen, waarvan het er wemelt. Dicht bij de houten brug te Mahé ziet men ze op de zandige en donkere oevers liggen aan den voet der struiken, die met hun voeten in het water staan; ze liggen er zich te zonnen, onbewegelijk en bedriegelijk gelijkend op den grond; zoodra eenig gevaar zich voordoet, komt de heele massa in beweging en stort zich in het water, waaronder alle dieren onmiddellijk verdwenen zijn. Voor de voorbijgangers op de voetpaden aan den stroom zijn ze niet erg gevaarlijk; maar het gebeurt dat nieuwsgierige buffels, die met hun snuit de struiken doorwoelen, waarbij het reptiel zich ophoudt, gepakt worden door de reuzenkaken en in de rivier worden gesleept. Toch is het een zeldzaamheid, en niet ver van den mond der rivier ziet men vaak kudden zwarte runderen in volkomen gerustheid grazen niet ver van de plekken, waar de krokodillen zich graag ophouden.

Onder de dieren, die deel uitmaken van de fauna der vlakten in de nabijheid der kustdorpen, treft men den jakhals aan, een stoutmoedigen roover, die in de tuinen sluipt en van alles eet, vooral groote, roode krabben, waarvan de rijstvelden vol zijn; dan den vos, die grooter en nog brutaler is, en een soort van wilde kat van wel een meter lang, die in de nabijheid der rivier leeft, zich ook met krabben voedt en niet gevaarlijk is. Die laatste, die ik niet heb gezien, moet reeds aan de nabijheid van den mensch gewend zijn en is niet zoo groot als de inboorlingen haar wel beschrijven.

De echte wilde dieren, ten minste de groote, ontbreken aan de kust van Malabar. Maar in die vlakke streek, laag, met maar enkele heuvels zonder bosschen, en zoodra als men komt aan den voet van de eerste uitloopers van het gebergte de Ghats, waar het woud begint, zijn tijgers en panthers algemeen. Eenige jaren geleden bracht echter een tijger onder de bewoners van een dorp, een twaalftal mijlen van Mahé verwijderd, een grooten schrik teweeg. Toen de heele bevolking gemobiliseerd werd, verdween hij, en men was er met den schrik afgekomen en ten koste van enkele stuks vee. Zoo is de panther ook gezien tot bij het fort Saint-Georges.

De otter komt veelvuldig voor in de vischrijke rivieren aan de kust, waar het dier altijd een gedekte tafel gereed vindt en waar het voortdurend de kostelijkste maaltijden kan houden. De vischotter is wel een der vraatzuchtigste dieren, die er bestaan. De inboorlingen eten het vleesch niet; alleen de Polea’s zijn er niet afkeerig van. Overdag houdt de otter zich schuil op onbewoonde plaatsen, in kuilen en gaten, tusschen de rotsen, de aardhoopen en de struiken, en des nachts gaat hij erop uit. Al zwemmend jaagt het dier in de rivieren. Bij hoog water, als het water tot op de oevers reikt, gaat de otter te land, waar hij in de kleinere waterloopen genoeg voedsel kan vinden, en als het water weer zakt, [93]volgt hij de beweging en bereikt zijn element weer.


De rijke kasten houden er olifanten op na.

In Juli en Augustus kan men des nachts op de oevers en zelfs vrij ver van de rivier de dieren vinden langs de kanalen of in de rijstvelden, waar ze spelen en springen en in grooten getale elkander in vroolijkheid achtervolgen. Wee den jager, die op dat oogenblik zijn slag wil slaan en die de gewoonten van dit wild niet kent! Want als zijn schot het dier niet terstond doodt, zoodat het geen doodschreeuw kan geven, is hij een kind des doods, even zeker, als wanneer hij een tijger had gemist in het vlakke veld. Bij het hooren van den kreet komen de andere dieren aan en zoeken den vijand, ontdekken hem en werpen zich op hem met de grootste woede in een vereenigden aanval met hun tienen, als er tien zijn, met hun honderden, als er honderd zijn, en verscheuren den jager. Zoo ten minste vertellen de inlandsche jagers.


Winkel van kokosvezeltouw.

Zoowel het vleesch van den krokodil als dat van [94]den otter is een onthaal voor de Polea’s, de concurrenten van de raven en de jakhalzen. Maar het gerecht, dat het meest hun verhemelte streelt, is een frituur van kariahs, termieten, witte mieren, die een lastige vijand zijn in de huizen. Als in het begin van den moesson, na de eerste regens die larven en poppen uit hun verstijving doen ontwaken, de warmte de eitjes doet uitkomen en bij milliarden de insecten in het leven roept; als de kariahs hun verschijning maken in hun gevleugelden vorm, dien ze slechts vertoonen in den tijd der paring, vieren de Polea’s, de paria’s en de raven feest. Er is mij gezegd, dat te Pondichéry de inboorlingen ook de witte mieren opeten, in boter gebakken; maar ik twijfel eraan, of het vette, glibberige insect ooit onze kolonisten heeft aangelokt.

De schildpadden, die overvloedig in de rijstvelden voorkomen, de vleermuizen, twee soorten van salamanders, een zwarte met groote, gele vlekken en een andere zeer dikke met grijze huid, waarop door honden zeer behendig jacht wordt gemaakt, zijn ook lievelingsgerechten en men kan er heerlijke kerry’s van bereiden. De beet van de laatste soort, die niet gevaarlijk is en alleen zwarte builen en een soort van zweer veroorzaakt, kan enkel genezen naar het zeggen der inboorlingen door het eten van gebakken ratten, een aanwinst voor de culinaire hulpmiddelen van het land.

Ter vergoeding biedt die laatste salamander zichzelf als remedie aan, ten eerste voor een vrij veel voorkomende ziekte van het tandvleesch, veroorzaakt door een parasiet, en ten tweede om het lang uitgerekte oorlelletje te genezen, als het soms verscheurd is door het dragen van de zware oorhangers. In het eerste geval wordt het dier gebakken gegeten, zoodat het wel lijkt, dat de inboorlingen van dit land er een liefhebberij in hebben, geneesmiddelen te nemen, die tegelijk de maag vullen. In het tweede geval wordt het vleesch versch en wel op de gescheurde deelen gelegd, en trots andere ingrediënten, die eveneens voor deze bewerking worden gebruikt, wordt aan het salamandervleesch toch de aaneenhechting toegeschreven. Men bemerkt, dat de Malayali niet ver ten achter zijn bij het oude Europa ten opzichte van deze speciale chirurgie. Een afzonderlijke kaste, de Korors, die niet zeer talrijk moet wezen, daar ongelukken van dezen aard betrekkelijk zeldzaam zijn, onderneemt de kunstbewerking.

Die kaste der Korors komt uit het bergland. De menschen maken matten, laten apen dansen en eten ravenvleesch. Een andere kaste, die denzelfden naam draagt, komt uit Coïmbatore; ze spreken het Tamoel en maken graag voor hun vrouwen bonte vogels buit, als papegaaien en ijsvogels.

De raaf gaat, om met hem deze dierenserie te besluiten, voor het listigste dier van de schepping door, en hij wordt de paria onder de vogels genoemd, zooals de ezel het is onder de zoogdieren. Er zijn legio in Indië en soms, als ze des morgens in grooten getale bijeen zijn, wordt hun geschreeuw zoo vervelend en scherp, dat het onverdragelijk is. Ze worden niet beschermd door een plaatselijk bijgeloof, zooals het geval is met den arend van Malabar, met slangen, apen en enkele visschen, en dat is eigenlijk een onrechtvaardigheid, want ze bewijzen groote diensten aan de openbare gezondheid door den reinigingsdienst, dien ze in de steden op zich nemen. Men kan ze bijna niet verjagen, en ze zijn van een wel eens amusante brutaliteit, wanneer men hen bij voorbeeld stapje voor stapje de keukenmeid ziet volgen, als ze van de markt komt, om wat uit haar mand te stelen.

De raaf wordt door de Hindoes veracht, hoe nuttig hij ook is en hoewel hij hier wordt beschouwd als de schakel tusschen de levenden en de dooden, zooals men bij de gebruiken in zake sterfgevallen heeft kunnen zien. Daarentegen zijn andere dieren, die inderdaad kwaadaardig zijn, zooals de slangen, hier het voorwerp van een eeredienst en zij zijn dat niet alleen, maar ook aan andere dieren valt die eer te beurt. Maar aan de kust van Malabar hebben de menschen niet veel op met dien dierendienst en vooral uit het binnenland komen Brahmanen, die heilige ossen rondleiden, hier herinneren aan de vereering, die men aan die beesten schuldig is. Die wandelingen zijn wezenlijk niet meer dan een der duizend middelen, door de Brahmanen aangewend, om aan geld te komen. Als de rondreis is gedaan, laten ze de heilige ossen in het veld los, waar ieder er eerbied voor moet hebben, en keeren rustig met den buit naar huis terug.

Die soort van onverschilligheid van de kasten aan de kust van Malabar, vooral voor den os, een der begunstigde goden van de aanhangers van Siva, geeft een goed denkbeeld van hun innerlijke godsdienstigheid. Buiten de vaste gebruiken, de feesten, pelgrimstochten, plichten in de pagoden, waaraan men zich sinds eeuwen trouw houdt, en die door allen worden gevolgd met mechanische regelmatigheid, denken de menschen hier weinig aan hun goden. Toch treft men hier en daar kleine pagoden aan, gewijd aan den dienst der dieren, voornamelijk aan de slangen, en ieder van die heiligdommen heeft zijn eigen jaarlijksch feest, waar bij voorbeeld de slangen zich te goed doen aan de eieren en kannen met melk, die de geloovigen hun geven. De bewaker van de pagode trekt voor dien plechtigen dag een grooten mantel van kokosbladeren aan, die hem geheel omhult en waarop, evenals op zijn lichaam, slangen ruw zijn geteekend.

Om op de slangen in de vrije natuur terug te komen, de engelsche statistiek heeft uitgemaakt, dat jaarlijks ongeveer 25000 personen in Indië door slangen worden gebeten en gedood, en het ware cijfer moet stellig vier maal grooter wezen, want vooral in de kleine dorpen, waar men het met de statistiek niet zoo nauw neemt, komen die ongelukken voor.

De olifant ontmoet men zoowat overal aan de kust van Malabar, waar hij vooral gebruikt wordt voor het vervoer van hout. De regeering onderhoudt olifanten voor de groote werken, en moet nog enkele keeren van particulieren de nuttige dieren leenen. Vooral de hooge en rijke kasten hebben olifanten, de Naïrs meer bepaald. Daar een olifant voor tien roepijen per dag wordt verhuurd of voor een roepij per uit het bosch aangevoerden boom, vertegenwoordigt zoo’n dier een niet onbelangrijk kapitaal voor zijn eigenaar.

Laat ons nu eens kijken naar de plantenwereld, de handelsflora en de industriëele. De kust van Malabar is ten gevolge van het gebrek aan havens ter verscheping, een weinig buiten de handelsbeweging in het overige Indië geraakt. Er zijn slechts drie havens, [95]die men aantreft op ongeveer 500 kilometer afstands van elkander, Cochin, Calicut en Tellicherry, ver van elkander dus en slecht in orde. Dus zijn ook de industrie en de culturen beperkt tot de plaatselijke behoeften, en het aantal der uitgevoerde producten is zeer gering.

Toch had Mahé eenige beteekenis in het begin der 18de eeuw. Het was toen de stapelplaats voor de aan de kust voortgebrachte peper, voor het cardamon, de santal, het sapanhout; ook was het de voornaamste haven van de producten van den kokospalm en zelfs van de eetbare vogelnestjes en de vinnen van haaien. Maar toen de Engelschen de stad veroverden in 1779, vernielden ze alles, de openbare en de bijzondere gebouwen en de entrepôts. De handel met Frankrijk schijnt nooit veel te hebben beteekend. Getallen, die van 1821 dagteekenen, geven als totaal van den invoer voor een waarde van 14340 francs en van den invoer een van 58788 francs alleen met de stad Bordeaux; het laatste cijfer vertegenwoordigt enkel de waarde van de peper. In 1899 werd voor 8591 francs aan voortbrengselen uitgevoerd en voor 21564 francs ingevoerd, dus voor den geheelen handel is er een vermindering met de helft van de getallen in het begin der vorige eeuw.

In het bergland wordt de koffie gekweekt, die er door de overvloedige regens tweemaal bloeit, eerst in Maart en dan weer in April, en cardamon, dat een boschrijke omgeving noodig heeft. Zoowat overal groeit de peperboom, een der rijkste culturen. Op goede onderstammen geënt, zooals op den mangoboom en den jacquinia, brengt een peperboom van tien meter hoogte per jaar voor 15 tot 20 roepijen op, dat is 12 tot 17 gulden holl.

In alle tuinen treft men den kokospalm aan; men zou haast kunnen zeggen, dat die boomen de tuinen maken. Die palm is de boom bij uitnemendheid van dit land; hij geeft te eten en te drinken, brengt weefsel op voor de vervaardiging van touw, olie om te branden en om in de spijzen te gebruiken, het vleesch der noten, dat gedroogd uitgevoerd wordt onder den naam van copra, en hij verstrekt materiaal voor de bedekking der hutten. Alle deelen van den boom zijn bij uitstek nuttig; men heeft daar het noodige en het overtollige, van hoeden af tot een gegisten drank, dien de Malayali zeer op prijs stellen. De bladeren voorzien ook in de behoefte aan boeken en schriften van de leerlingen op school. Zelfs maakt men er toortsen van. Wanneer men des nachts een licht ziet, dat afwisselend helder en duister brandt, dat zich in geregelde beweging van beneden naar boven beweegt, is men eerst verbaasd. Het is een inboorling, die een armvol kokosbladeren zwaait van boven naar beneden of horizontaal, om ze aan het vlammen te krijgen. Dat is de landslantaarn, de tsjoeta. Als het donker is, en de maan den weg niet verlicht, is de stad Mahé stikdonker als een graf en even stil. Men ziet wel hier en daar lantaarns met petroleum, maar die schijnen wel aangebracht, om enkel den glimwormen concurrentie aan te doen; ze verlichten niets anders dan den top van hun paal. Het zou zelfs beter wezen dat ze er niet waren en dat het gemeentebestuur, door ze weg te laten, een aanzienlijke besparing vond op het budget.

Ik zag vaak op het marktplein van Mahé in de smalle zijstraatjes, die er als open tunnels uitzagen, de kleine Malayali met hun vuile lendendoeken en hun groote, verbaasde oogen op mij gevestigd, hun boeken en schriften onder den arm dragen in den vorm van kokosbladeren, elk afzonderlijk of aaneengehecht, terwijl ze op weg waren naar de school. Er wordt namelijk nog aan de kust van Malabar op die bladeren geschreven met een stalen punt, die de zonderlinge letters van de taal vormt, welke dan later met wat inkt voor den dag worden gebracht. Verscheiden van de jongste kinderen hadden enkel het alphabet, of liever slechts een deel daarvan, want de plaatselijke taal heeft niet minder dan 483 verschillende teekens voor de klinkers, de voegwoorden, de uitgangen enz. En dan te weten, dat er 130 van die talen in Indië zijn.

De kokospalm levert ook nog het brandhout. Hout is schaarsch en duur aan de kust, en voor de keuken maakt men gebruik van ledige schelpen, die heel goed branden en per honderd worden verkocht in groote netten, die op straat worden aangeboden. De Macqueezen, lieden, die de oude bijgeloofsgebruiken van Indië slecht in acht nemen, hebben de stoutmoedigheid, koeienmest te branden, dien ze eerst hebben gedroogd. Maar de Tiven zouden er een gewetensbezwaar in vinden, zich voor een zoo profaan gebruik te bedienen van de bij uitstek reinigende stof.

Een goede kokospalm in volle opbrengst geeft een honderdtal noten, die voor vijf of zes centimes worden verkocht; dus brengt een enkele boom zoowat vijf francs op per jaar. De mangoboom is voordeeliger. Men kent die vrucht; de vrucht met goudgeel vruchtvleesch heeft een groote, platte pit en smaakt pittig en frisch. Ze kosten van één tot twintig centimes naar de hoedanigheid; als de boom van de goede soort is en dus gewoonlijk twee- tot driehonderd vruchten oplevert, kan hij van 25 tot 40 roepijen inbrengen, dus 42 tot 68 francs. Maar goede mangoboomen zijn zeldzaam.

De jacquinia, die de verbazend groote vruchten oplevert van 7 tot 8 kilogram, maar welke vrucht 25 kilo kan wegen, met zacht, geel vruchtvleesch, waarin veel pitten liggen, en die kwalijk riekt, brengt ten hoogste 16 tot 20 francs op, want hij geeft tot 50 vruchten, die voor 3 tot 4 anna’s per stuk worden verkocht, dat is 30 tot 40 centimes. De arecapalm, die zoo geliefd is in het Uiterste Oosten, is niet voordeelig. De opbrengst is 30 of 40 centimes per jaar, maar men moet er rekening mee houden, dat vier of zes noten slechts één centime kosten, een goedkoopheid, die noodzakelijk is, want ieder heeft de noot noodig bij het betelkauwen, dat ieder doet, mannen, vrouwen en kinderen.

Eindelijk worden de katoenstruiken nog verbouwd, enkel voor de behoeften van het land zelf, ofschoon ze zeer goed gedijen. Dan de muskaat en de kruidnagelen, de sesam om de olie, de tamarinde, die veel gebruikt wordt voor inmaken en de tabak, die gepruimd wordt. Ook doet men aan de cultuur van een soort van hennep, die als opium wordt gerookt in kleine pijpjes, en van de bananen, waarvan er evenals van de mangoboomen veel variëteiten bestaan. De vanilleplant [96]wil zeer goed voort en geeft goede resultaten, maar men doet niet veel aan het kweeken.

De industrie is zeer beperkt. Ze bepaalt zich tot de gewone katoentjes, die ter plaatse worden verkocht en geweven worden op kleine weefgetouwen, die in de hutten hier en daar worden gebruikt; tot de oliebereiding, die ook op de plaats wordt aangewend; tot de vervaardiging van matten, van rijstbrandewijn, aardewerk, voorwerpen van koper, bij de inboorlingen in gebruik, en tot het drogen van visch, waarvan een kleine hoeveelheid naar Colombo wordt uitgevoerd. Het land brengt niet genoeg rijst voort voor de bevolking, en dat hoofdvoedsel wordt nog uit Bengalen ingevoerd.

Het hout van den mango is het voorwerp van een vrij belangrijken handel, want het is uitstekend timmerhout. De Arabieren komen eens per jaar het hier inslaan, namelijk tegen November. Ze komen uit Arabië in hun groote schepen, die met twintig of vijf-en-twintig man bemand zijn, en blijven tot in April. Ze doen aan vrachtvaart tot aan de Perzische Golf en nemen galanteriewaren mee, die ze te Bombay inslaan, evenals dadels en andere vruchten.


Mooie weg tusschen Mahé en Tellicherry.

Het klimaat is niet slecht, het behoort zelfs tot de beste in Voor-Indië. In het vochtige seizoen heerscht er een soort van influenza, maar die is niet kwaadaardig. Aan de kust komt weinig of geen koorts voor, maar zoo is het niet in het bergland, waar de malaria in het warme jaargetijde nog al gevaarlijk is. De moesson, die einde Mei begint of in het begin van de maand Juni, is het frissche en minst droge seizoen, maar meer vochtig dan koel. Het regent in stroomen in opeenvolgende buien, soms afgewisseld met een vluchtigen zonnestraal. Dit jaargetijde wordt met ongeduld verwacht door de bezitters van rijstvelden en door de dieven, want terwijl het de planten doet groeien en de oppervlakte weer met groen bekleedt, doet die moesson ook de dieven te voorschijn komen. Men zou zeggen, dat ze met de rijst uit den grond komen, dat ze een product van het plantenrijk zijn, net als de bloemen; maar het zijn vreesachtige dieven, die alleen hun werk durven ondernemen met de zekerheid dat men hen niet kan zien, daar ze den stok, de vuurwapens en de gevangenis vreezen. Er worden in dezen tijd dan ook zelden dieven betrapt, en die ongestraftheid vergemakkelijkt hun nachtelijke industrie.

En bovendien, bestaat er niet in Indië een kaste van dieven? Ze vormen een kaste op zichzelf, even goed als de barbiers en de wevers, en er zijn zelfs verscheiden kasten, wier levensonderhoud door diefstal wordt gevonden. Zij zijn zeer behendig en een van hun voornaamste methoden is, dat ze den buitenmuur van de hutten doorboren, waar ze willen binnendringen, een werk, dat zoo stil wordt gedaan en zoo netjes en voorzichtig, dat het waarlijk jammer is, hen die behendigheid niet aan een betere zaak te zien besteden. Om te vermijden, dat ze worden gepakt in geval van ontdekking, smeren ze zich het lichaam in met olie; dan wordt het bijna onmogelijk, hen te grijpen, zoo glad voelen ze aan.

Ik vergat nog te zeggen, maar het laat zich wel begrijpen, waarom die dieven alleen in den natten moesson werken. Het is dat dan regen valt, vooral in den nacht, en zoo hevig, zoo kletterend, dat er een helsch lawaai ontstaat, waardoor het werk begunstigd wordt aan deuren en vensters en aan de wanden.

Die moesson eindigt tegen December, wanneer het droge jaargetijde aanvangt met warmte, die het hevigst wordt in Maart en April. De grond is dan de prooi van droogte; het plantenkleed, dat hem bedekte in den regentijd, verdwijnt onder de brandende stralen van de zon. [97]


Sterrewichelaars

Aan de kust van Malabar: De Aarde en haar Volken, 1909 - Emile Deschamps - Full text (4)

No comments:

Post a Comment