Saturday, March 3, 2012

Aan de kust van Malabar: De Aarde en haar Volken, 1909 - Emile Deschamps - Full text (2)

II.—Godsdienstige en andere feesten.—Dansen, liefdegaven en vasten.—Het hanenoffer.—Dat van de schapen.—De 14de Juli te Mahé.—Kleeding, haartooi.—De ringen in de oorlellen.—De versierselen van goud, zilver of lood.—Verschillende gebruiken.—Enkele van de reinigende stoffen.

De kust van Malabar is een van die gebieden in Indië, die de eigenaardigste zeden en gebruiken hebben en ook een der minst bekende en bezochte. Men kan zich niet voorstellen, hoeveel er in de bergachtige districten, waaraan ze grenst, nog te ontdekken valt uit het oogpunt der wetenschap.

In de feesten kan men de meest belangwekkende zijden van het leven der inboorlingen herkennen, omdat daarbij, hier nog meer dan elders, de bijzonderheden wortelen in den godsdienst. Er worden veel feesten gevierd; de geboorten, de sterfgevallen, de volwassen leeftijd der jonge meisjes, de verloving, de oogst geven aanleiding tot verschillende plechtigheden, dikwijls met bepaalde tusschenpoozen herhaald. Enkele daarvan zijn alleen hier in gebruik; andere worden gevierd over het geheele schiereiland van het Noorden tot het Zuiden door de Mohammedanen en de onderscheiden kasten van inboorlingen. Zonder te gewagen van de feesten, eigen aan Indië in zijn geheel, gelden er bij de Malayali zes hoofdfeesten in het jaar, die door alle kasten worden in acht genomen.

Het eerste is dat van het Nieuwe Jaar, dat den eersten van hun maand Medon (11, 12 of 13 April) begint. Het duurt twee dagen; maar de kaste van de Macqueezen begint de viering tien dagen vroeger, van acht tot tien uur des avonds in de kleine pagode te Mahé.

Op den vooravond van dien eersten dag van het jaar worden er, òf binnen de hut òf onder de varanda neergezet een kandelaar met aangestoken kaarsen, rijst, rijpe kokosnoten, komkommers, een kruik vol water, gouden en zilveren sieraden, een stuk gevouwen wit linnen, een goudstuk met de beeltenis van den een of anderen god, bloemen, een godsdienstig boek, en bij het aanbreken van den dag moet ieder inwoner van de hut die voorwerpen hebben bekeken onder het prevelen van gelegenheidsgebeden en eer hij of zij nog tot iemand heeft gesproken. Als die kleine bedevaart is volbracht, gaat men baden, om zich te reinigen en begeeft zich dan naar de pagode, waarna de armen gaan bedelen en de anderen hun bloedverwanten en vrienden op het feest noodigen. [81]


De vrouwen dragen een kegeltje van haar op het hoofd.

Het Bahoefeest, dat dan volgt, valt op den avond vóór volle maan van de maand Karkadon, omstreeks 14 Juli. Op dien dag schiep volgens de Sastrom, het samenstel van alle godsdienstige en maatschappelijke voorschriften op de kust van Malabar, God den man en de vrouw, van wie hij lichaam en geest genadiglijk in het Paradijs wilde ontvangen. Toen de beide eerste menschen dezelfde gunst vroegen voor hun afstammelingen, antwoordde hun de Schepper, dat al degenen, die op den Bahoedag vurig voor hen zouden bidden en ook ter herinnering van de dooden, het Paradijs zouden winnen. Daarom beschouwen de Malabaren het Bahoefeest, dat beteekent “feest der dooden”, als een van hun hoofdfeesten; slechts zeer weinigen zouden eraan denken het niet te vieren. In een expresselijk daarvoor bestemden pot koken ze de rijst voor het feest, en na de schimmen der gestorvenen te hebben aangeroepen, geven ze de rijst aan de raven. Evenals het vorige feest moet ook dit aan aalmoezen worden gewijd.


De parasolhoed.

Dan is er het Onomfeest, verjaardag van de geboorte van Maa-Velly, den eersten vorst, die door den Schepper was afgezonden, om de wereld te regeeren. Het valt in de maand Tsjingon, (13 tot 16 Augustus). Het wordt vooruit wiskundig vastgesteld. Tien dagen lang zet men in de meeste huizen op den drempel bloemen neer en linten van verschillende kleuren schikt men er. Dan baadt men zich ter reiniging, gaat bidden in de pagode, trekt nieuwe kleederen aan, en zij, die het kunnen doen, deelen aalmoezen uit.

Hier moet worden opgemerkt, dat aalmoezen geven en ze ontvangen een voorrecht is van de kaste der Brahmanen. Bedelen heeft dus voor hen volstrekt niets vernederends, en dat is gemakkelijk waar te nemen, zoowel aan de vrijmoedige manier, waarop ze vragen, als aan de onverschilligheid, die ze aan den dag leggen, nadat ze iets hebben ontvangen en zelfs nadat ze niets hebben gekregen. Het zijn trouwens niet enkel arme Brahmanen, die giften in ontvangst nemen; de vijf goede gaven, dat zijn koeien, kleeren, grond, graan en goud, worden met evenveel genoegen aangenomen door de rijken; ze vragen er wel om, als het noodig is. Dansers verschijnen op het Onomfeest, door van hut tot hut te gaan dansen ter herinnering aan het bevel, gegeven door Maa-Velly, zich aan die kunst te wijden. Dit deel van de plechtigheden wordt zelfs aanbevolen in de Sastrom.

Het Naravatryfeest valt in de maand Kanny, de zesde van het jaar, van den 15 tot den 17den September. Het duurt negen dagen en wordt vastgesteld als het vorige door berekeningen van hindoesche wiskunde. Het is het feest van de maagd Sarasswady, [82]godin der wetenschap en ook van de welsprekendheid, de muziek en de kunst, de vrouw van Brahma. Van den eersten dag af worden alle boeken van de Sastrom in de huizen op een afzonderlijke plaats neergezet, waar ook alle soorten van wapenen worden bijeengebracht en alle werktuigen van landbouwer en handwerksman. Zoo gebeurt eveneens in de pagoden, en niemand mag die plek naderen, buiten dengene, die er de wacht moeten houden. Aan den persoon, die het grondigst onderlegd is in de kennis van de godsdienstige gebruiken, wordt die zorg toevertrouwd. Men moet gedurende die negen dagen zich voorbeeldig gedragen, zich wijs en godsdienstig toonen, omzichtig in zijn woorden en eerlijk in zijn zaken zijn, wat wel eenigszins doet vermoeden, dat het tegenovergestelde dikwijls voorkomt in gewone tijden. Er zijn ook personen die in de feestdagen vasten. De radja’s of vorsten laten het aanbreken van de negen dagen begroeten met geweerschoten. Alle kasten, waar men aan muziek doet, grijpen naar hun instrumenten. Eindelijk worden weer aalmoezen aanbevolen..... vooral door de Brahmanen, die ze ontvangen.

Het vijfde feest is dat van Pattamoedeon in de maand Toelaon, de zevende van het jaar (15 tot 17 October). Het duurt twee dagen, de tiende en elfde dag van de maand zijn ervoor bestemd. Het is ingesteld ter eere van prins Arjoenein, die, om de gave te erlangen van onkwetsbaarheid in het gevecht, zich had onderworpen aan een langdurige overpeinzing in het bosch. De Schepper nam, om hem op de proef te stellen, de gedaante aan van een jager, die de bosschen afzocht en juist een wild zwijn met zijn pijlen had neergelegd. Deze man kwam zich onder de bescherming van Arjoenein stellen, die, nadat hij zich van het dier had meester gemaakt, weigerde, het terug te geven. Er brak een twist uit, die eindigde met een eigenaardig gevecht van twee dagen, waarna de Schepper, getroffen door de zielskracht en de rechtvaardigheid van den boetvaardige, hem het voorrecht verleende, onkwetsbaar te wezen. Oudtijds vermaakte men zich met de jacht; maar tegenwoordig, nu het bezit van wapenen aan de autoriteiten moet worden opgegeven, wordt er weinig meer gejaagd.

Het zesde en laatste feest is het Oetsjal. Het valt op den 30sten van de maand Magueron, (11 tot 13 Januari) en duurt ook twee dagen, den eersten dag der genoemde maand en den eersten van de volgende, Koembon. De beide dagen worden door de Malabaren Tsangrandi genoemd, dat wil zeggen het eind der maand en het begin der volgende. Ze beweren, dat dan de zon haar loop naar het Noorden hervat, en naar de Sastrom zullen diegenen, die in deze periode sterven, gered worden. Het feest wordt gevierd met een bezoek aan de pagoden, met een reinigingsbad, met het geven van aalmoezen, als bij alle andere feesten. Werklieden en geletterden moeten bij zich tehuis hun gebruiksvoorwerpen welriekend maken, de eersten hun gereedschap en hun werktuigen, de laatsten hun boeken, en niemand mag zich aan eenigen arbeid overgeven. Ook de landbouwers staken den veldarbeid.

Buiten die door de godsdienstige boeken voorgeschreven feesten moet men nog verscheiden door het gebruik verplichte bezoeken brengen aan enkele tempels, bij voorbeeld aan dien van het district Arcalet, op een dagreis afstands van Mahé, waar Tiven en Naïrs, mannen en vrouwen, eenmaal per jaar naar een oud tempeltje moeten gaan en er een gift offeren van minstens een fanon, ongeveer een kwart franc, en naar de drie pagoden van Poutlett te Mahé, gewijd de eene aan de Maagd Bagavady, de andere aan Goelien-Devon, haar bewaker, en de derde aan Koetichatin-Devon, een andere beschermende godheid. Onder alle kasten te Malabar heeft men pagoden, aan die drie goden gewijd, zoowel als aan vele andere, maar die van Poutlett worden door de Tiven hoog vereerd, en elk jaar, op den 22sten Koembon (2 Maart) vieren ze er hun driedaagsch feest; ze komen van zeer ver, om hun offeranden te brengen. Ze beweren op dit stuk, dat als iemand voorbij die tempels gaat na middernacht, wanneer de plechtigheid is afgeloopen, dat dan de god niet verzuimt, met steenen te gooien. Er zijn er op die manier menschen verjaagd, zonder dat ze konden zien, waar de projectielen vandaan kwamen, wat, op den tijd van het etmaal gelet, niets onwaarschijnlijks heeft en wat aantoont, hoe groot de waakzaamheid is der dienaren in de buurt van den god en hoe goed ze zorgen voor de geheimzinnige gebruiken en.... voor hun kas.

Ziehier, waarin die plechtigheid bestaat of liever die plechtigheden, want er zijn twee, één overdag, de andere ’s nachts, beide al even weerzinwekkend. Bij dag heeft het hanenoffer plaats. Het gebeurt vóór het altaar van den god Koetinchatin, die, naar men mij gezegd heeft, de duivel is en tevens een beschermgod. De toeloop is groot, en velen brengen één of meer hanen mee. Op die wijze stellen de geloovigen hun kippen en gevogelte onder de bescherming van den god, die ze moet verdedigen tegen de aanvallen der vijanden, vooral raven, die de kuikentjes stelen. Er worden den god één of verscheiden hanen beloofd tegen het feest.

De Peroe-Bannan, de danser, die den god-duivel voorstelt, treedt al dansend buiten de pagode, schreeuwt en gesticuleert, en gaat op het een paar treden hooge altaar staan, tegenover het gebouw. Hij is geel, zwart, rood en groen geverfd en draagt een mantel met roode strepen. De eerst aangekomenen stellen hem de vogels ter hand, den eenen na den anderen, en na enkele gillen als van een bezetene, vat hij een der vogels bij de pooten aan met de eene en bij den kop met de andere hand, slaat dan de oogen ten hemel en bijt in den hals van het dier, waarvan hij het bloed drinkt. Daarna ontrukken de geloovigen elkander de brokken van het slachtoffer. Er wordt den danser een andere haan toegereikt, de lucht weerklinkt weer van rauwe kreten, en de daad wordt herhaald; de Bannan drinkt of schijnt te drinken het bloed van het tweede offer, dat weer verdeeld wordt. Dat afschuwelijke schouwspel duurt drie of vier uren; al dien tijd slurpt de man zonder ophouden en zonder vermoeienis, zonder weerzin schijnbaar, het warme bloed, en de toeschouwers betwisten elkander de doode dieren. Honderden hanen worden zoo om hals gebracht.

Daarna begint de muziek; de Bannan zet een ronden hoed op met vreemde zilveren versierselen en pauwenveeren, schreeuwt, tiert draait en wendt zich, gooit de booze geesten met steenen, die wel eens terecht [83]komen op het hoofd der Mopla’s en wapent zich met een doosje vol steenen, waarmee hij al springend en gillend naar buiten stort, voorafgegaan door de muziek en gevolgd door de menigte, die hij op een afstand houdt door de bedreiging met de steenen. Na een loopje naar de rijstvelden komt men bij de pagode terug.

Gedurende de geheele plechtigheid hebben de geloovigen offeranden gebracht aan den god, die ze zelf aan den bewaker der pagoden ter hand stelt, volgens de verzekering van een Tive, die mij de zaak uitlegde. De beiden verdeelen den buit, en de geloovigen gaan uiteen.

In den nacht heeft het schapenoffer plaats, dat geschiedt vóór den tempel van de maagd Bagavady, aan den voet van het altaar, op de binnenplaats geplaatst. Alle Tiven van Mahé zijn tegenwoordig. De Bannan, in dezelfde kleeding van overdag, steekt de schapen dood met een mes van eigenaardigen vorm, versierd met kleine afhangende versierselen, zoodat het instrument leven maakt, als het gezwaaid wordt onder het oorverdoovend tromgeroffel. Het bloed wordt in een groot vat opgevangen, en als alle slachtoffers dood zijn, worden er bloemen bijgevoegd, rijstpoeder, santal en kurkuma, ingrediënten, die bij de plechtigheid behooren; vervolgens gaat hij op een bankje zitten tegenover de menigte en met geopende handen laat hij al het bloed uit het vat loopen, terwijl hij het links en rechts en vóór zich uit werpt. Door de vrees voor stolling van het bloed moet de bewerking snel geschieden. Eindelijk laat hij het ledige vat om zich heen rollen en werpt het weg, waarna een helper het opneemt. Hij heeft dan nog slechts een paar woorden tot de menigte te zeggen van af het altaar, om de menschen op te wekken, veel offeranden aan de godheid te brengen, en de plechtigheid is afgeloopen. De plek is, als men denken kan, ruim verlicht met een aantal lampions en er wordt bij geschoten als bij alle feestelijkheden in dit land.

Het is moeilijk, thuis te raken in de verwarring van deze ingewikkelde theogonie, die millioenen goden erkent, van Brahma en zijn vrouw Sarasswady af, de godin der welsprekendheid en der schoone kunsten, tot de kleine huisgoden, die afwisselen naar de streek, tot de dieren en de voorwerpen, die in godheden zijn veranderd en met evenveel vuur worden aangebeden als Brahma zelf, de heer der wereld. Wij bepalen ons tot wat het toeval der reis ons aanwees van de zeden en gebruiken en ceremoniën.

De plechtigheden bij de meeste der malabarsche feesten komen met elkander overeen: bezoeken en giften aan de pagode, reiniging door een bad, aalmoezen, gegeven en ontvangen, en eindelijk het vasten. De vastentijden zijn voor hen, die trouw de godsdienstige voorschriften volgen, talrijk in het Brahmaïsme; als ze angstvallig in acht worden genomen, brengen ze de dagen, waarop de geloovigen zich mogen voeden, wel tot de helft terug. Men zou een heel hoofdstuk kunnen vullen met de optelling der dagen en omstandigheden, waarbij een vrome Indiër zich van alle voedsel moet onthouden. De nieuwe en de volle maan, bepaalde dagen van de maan van een bepaalde maand, de dagen van de nachteveningen, het zonnestilstandspunt enz., de talrijke heiligendagen, de verjaardagen van den dood der ouders, ongunstige dagen enz., het zijn alles redenen van vasten. Men stelt zich schadeloos bij de veroorloofde maaltijden en wie het kunnen, maken daar ter wille van de tegenstelling dan ook groote festijnen van.

Op de kust van Malabar erkennen de strenge volgers van de Vedam, het wetboek, dat de Sastrom aanvult, drie voorname vastendagen in het jaar: de Astany-Rohiny, dag van de geboorte van Sry-Kristnine in de maand Tsjingon (13 tot 16 Augustus); er wordt gewaakt en er worden gebeden gelezen; pruimen, zelfs betel kauwen is verboden. De tweede, Goeroevayoer Egadechy is de gedenkdag van den dag, waarop Vishnoe een vrucht van zijn gouden speld liet vallen en dus een dag zonder eten bleef. Voor een god was dat allermoeilijkst, en Vishnoe beloofde daarom het paradijs aan diegenen, die ter herinnering aan de onhandigheid dien dag der maand Virchigon (14 tot 16 November) zouden vasten. De derde heet Tiroevatira in de maand Danon (13 tot 15 December); hij wordt voorgeschreven ter herdenking van Sry-Paramaitsjoerein, derde in de drieëenheid. Het is de niet zeer duidelijke geschiedenis van een jager in het bosch, die op een boom was geklommen, om het wild te bespieden. Daar de bladeren hem hinderden in het zien, begon hij ze af te plukken, en het gebeurde, dat ze vielen op het beeld van een godheid Tsjivalingon, wier beeld onbekend is gebleven. Maar dat feit beviel Brahma zoo goed, dat hij den boozen jager rechtstreeks naar het paradijs zond en dat beloofde aan allen, die den verjaardag van de gebeurtenis met vasten zouden vieren. Het is een der trouwst in acht genomen vastendagen bij de Malayali.

Ik besluit deze optelling van de inlandsche feesten met ons nationaal feest. Ik heb te Mahé een 14 Juli bijgewoond, en ik kan getuigen dat het geen alledaagsch schouwspel is, in de prachtige omlijsting van den weelderigen plantengroei de spelen te volgen van de mooie inlanders met hun zwarte huid; maar er is iets kouds in de uitingen, die niet begrepen, niet gevoeld worden, die uit gewoonte voortkomen, eerder dan uit innerlijken drang, die een artikel zijn van het jaarlijksch programma eerder dan vaderlandsliefde en die geen warmte ontleenen, noch aan de verhitte aangezichten, noch aan den gloed van de atmosfeer.

Den dag te voren heeft er uitdeeling van rijst plaats in het regeeringsgebouw, waar al vroeg vrouwen en kinderen zich verdringen met den zak van kokosvezels in de hand; ze zijn in lompen gehuld of ook wel behoorlijk in wit katoen gekleed, arme drommels, die van de administratieve goedgeefschheid voedsel ontvangen voor één of twee dagen. Het gebeurt langzaam, ongehaast, want ieder weet, dat er is voor iedereen. Op den avond een-en-twintig kanonschoten, die van de kerk afkomstig zijn, want de kleine mortieren behooren aan de kerkelijke gemeente, en die afgevuurd worden aan de rivier, in tegenwoordigheid van veel kleine jongens. Op den morgen van den 14den weer een salvo om half zeven. Men is hier aan de stem van het kruit gewend, die alle feesten aankondigt, de katholieke zoowel als de heidensche, de groote plechtigheden, de groote aanleidingen tot blijdschap zoowel als tot smart, een huwelijk, de [84]canonisaties van heiligen in Rome even goed als de cholera.

Om half negen ontvangt mijnheer de Administrateur het bestuur der kolonie. In de groote zaal van het regeeringsgebouw zitten allen onbewegelijk en vormen een veelkleurig borduursel op zwarten grond. Men kan daar op de aangezichten een heele kleurengamma vinden, van de lichte café au lait tot donkere chocolade en het zwartste bruin; witte tulbanden naast roode, paarse, vergulde of verzilverde; hoeden van allerlei vorm en allerlei leeftijd en allerlei conserveering; menschen in witte overkleederen of gekleurde gewaden, met broeken, vesten en rokken, geschoeid met de kothurnen van het land, met europeesche schoenen of op bloote voeten. Op de borst van een jongen Indiër straalt een decoratietrofee, waaronder de academische palmen en de medaille voor landbouwverdiensten.

Ik vroeg: “Wie is de zoo gedecoreerde aanbidder van Brahma daarginds?”

“Dat,” antwoordt mijn buurman met zijn indische pagne, “dat is de secretaris van de regeering, men zou kunnen zeggen, de gouverneur van Mahé.”

Ik keek verbaasd.

“Ja, hij maakt de verkiezingen en de verkiezingen hebben hem gemaakt.”

“O, maar hij lijkt mij wel jong, om reeds voor langdurige diensten aan de regeering zooveel eervolle onderscheidingen te hebben verdiend. Komt hij uit Pondichéry?”

“Neen, hij komt van Tellicherry; hij is de vroegere beambte, die uit een duitsch handelshuis is weggezonden om.... minder mooie handelingen.”

“Dat lijkt mij inderdaad een buitengewone aanspraak op iets bijzonders, maar niet op den post dien hij bekleedt. En het paarse lint en de medaille voor landbouwverdienste, heeft hij die aan verdiensten van denzelfden aard te danken?”


Primitief orkest van eenige Polea’s.

Mijn zegsman ziet mij van ter zijde aan, want ofschoon ik ernstig ben, schijnen mijn woorden voor hem in te houden, dat ik spot met iemand of iets. “Ik weet het niet,” antwoordt hij droogjes.

Werkelijk loopt mijnheer de secretaris heen en weer en voelt zich blijkbaar te huis. Ik verbaas mij niet langer; ik heb zooveel gehoord en zelfs gezien, dat ik het vermogen heb verloren, mij te verwonderen, vooral in onze koloniën.

Ieder zwijgt en zit stil; tegenover ons zit de burgemeester met zijn lint over een buis, dat hij over zijn witten schouderdoek draagt, met bottines aan en een tulband op het hoofd, zeer waardig, zeer zachtmoedig, zelfs onderworpen van gelaatsuitdrukking.

Rechts en links de leden van den gemeentelijken raad en de secretaris van den Raad in rok, maar met zeer donkere gelaatskleur. Dan de politiecommissaris, met een officieel costuum, dat groen lijkt, versierd met galon, en de directeuren van al de kleine diensten, de schatkist, de post, de domeinen enz. en de leden der plaatselijke raden. De uitnemende pater Veaux was met mij meegegaan.

De Administrateur hield zijn toespraakje, goed gevoeld, eenvoudig, en met de zwarte oogen rollend door het wit, dat nog witter lijkt dan anders. Bedienden met witte schouderdoeken, rooden gordel en rooden tulband presenteeren glazen champagne en gebakjes, en ieder drinkt en eet kalm, terwijl de leider op het welzijn van de Republiek drinkt, zonder den geringsten weerklank te vinden of te wekken in die duistere gemoederen, die den grooten dag en de vergadering met angst tegemoet hebben gezien.

Daar het tweede deel van het programma voor den morgen een ontvangst aan het gemeentehuis inhoudt, gaat ieder opstaan en wendt zich naar de deur. De drie trommels en de twee fluiten, die zooeven de gasten ontvingen aan den ingang met helsch rumoer, gaan voorop; de beide boden van het bestuur met een symbolischen staf, omslingerd met linten van de fransche kleuren in de hand, blijven in de buurt van [85]den burgemeester en den Administrateur; de anderen volgen in losse groepen, en bij de tuinpoort scharen zich de zes soldaten met bloote voeten en rooden tulband aan weerszijden van de processie, drie aan elken kant. De smalle weg in de schaduw van de hooge kokos- en mangoboomen is met wat palmtakken versierd; de ingang van het stadhuis is bevlagd en aan den oever der rivier worden de spelen in gereedheid gebracht.


De vrouwen behangen zich graag met juweelen.

Wij stonden stil op twintig meter afstands ongeveer van een huisje van één verdieping, wit aangestreken, waar beneden het politiebureau was en boven het gemeentebestuur zetelde. Het orkest hield stand op eenige schreden afstands, en de heer burgemeester bood met uitgestoken hand een welkom aan al zijn gasten op den drempel van het gemeentehuis. Op eerbiedigen afstand stond de “menigte”, een twintigtal Tiven en drie of vier Mopla’s, nieuwsgierig te kijken naar die ongewone ontplooiing van zwarte jassen, naar den hoed van den Administrateur, het lint van den burgemeester en den onbewogen ernst van al die “hoogen” in de vervulling van hun nationalen plicht. Wij gingen naar boven langs een smal houten trapje, naar het kleine zaaltje met een veranda, en ieder nam plaats tegen den muur.

De zaal was versierd; daarvoor heeft de burgemeester een crediet van 8.50 francs ontvangen, heel precies. Er waren palmtakken aangebracht, cycasbladeren en ander groen; er liepen slingers van vlaggedoek naar de zoldering; kleine papieren vlagjes waren tegen de wanden bevestigd, en wijd ontplooid hing er de driekleur. Een ontroerende stilte kondigt het verwachte oogenblik aan. De heer burgemeester haalt uit zijn zak een groot papier en opstaande, leest hij een mooie toespraak over de onveranderlijke toewijding van de kolonie aan Frankrijk sedert twee eeuwen, over de vrijheid, de goede instellingen, de welvaart van het land, de erkentelijkheid jegens den gouverneur, den Administrateur, de Republiek. Hij eindigt met een “Leve!” op alle machten, door geen enkele stem na de zijne overgenomen. Die vivats zijn de herhalingen van het opschrift op een groot doek, dat een geheele zijde van de zaal beslaat, in zwarte, met rood omzoomde letters [86]geteekend, dat luidt: “Leve de Republiek!” “leve de gouverneur!”, “leve de administrateur!”, “leve de kolonie te Mahé!” en nog andere vivats.

Plotseling barst een koor los, dat begonnen is met een geluid als dat van een twist en al gauw op de Marseillaise is gaan gelijken met begeleiding van een accordeon. Het komt uit een aangrenzend vertrek, waarvan de opengelaten deur fraai is versierd. Daar houdt zich de heer burgemeester op en moedigt de zangers met blikken en bewegingen aan. En twee coupletten worden gezongen met bepaald ongebruikelijke volledigheid. Maar dan weer “Aux armes....” en velen blijven achter of kunnen die muzikale hoogten niet bereiken, en zoo goed en zoo kwaad als het gaat, door velerlei veranderingen van den toon komt men aan het eind, terwijl de accompagnateur eenige arabesken in de lucht teekent bij wijze van finale.

Nieuwe stilte, terwijl allen elkander aanzien; de oogen wenden zich naar den Administrateur, die is opgestaan en den burgemeester zal beantwoorden. Maar na enkele gelegenheidswoorden gaat die heer over de vrijheid praten, en in een warme improvisatie schildert hij aan de door het algemeen stemrecht gekozenen wat de vrijheid is, niet het recht voor ieder, om te doen wat hij verkiest, maar den plicht te betrachten, geen vooroordeelen tegen zijn naaste te koesteren; hij schetst haar in haar openhartigen, eerlijken vorm, gewaarborgd door de wetten, die allen hebben na te leven en te eerbiedigen, en waar allen zich op moeten beroepen op den grooten dag van de openbare debatten, zonder zich te bedienen van geheimzinnige en slinksche gedragingen of zijn toevlucht te nemen tot laffe beschuldigingen.

Dienzelfden dag had het hoofd der kolonie weer een anoniemen brief ontvangen, waarin van iedereen kwaad werd gezegd in een ontmoedigende overeenkomst, en hij had zich voorgenomen, de gelegenheid niet te laten voorbijgaan, om den duisterling van een briefschrijver te tuchtigen, die daar ergens moest zitten aan de wanden der zaal achter een der zwarte tronies of der bruine of gele maskers, die verschrikken zouden door de toespeling, te direct, om niet te worden begrepen, daar de zaak te zeer in de zeden lag, om iemand te verbazen. Doch toen het oogenblik der verrassing voorbij was, hervatten allen hun ernst als van standbeelden, tot er kleine glaasjes werden gepresenteerd. De burgemeester stak het zijne uit, en enkele personen kwamen aanstooten. Dat was het eind; bij het uitgaan opnieuw handen schudden met den persoon, die de driekleurige sjerp droeg, en de stoet vormde zich weer aan de deur en kwam aan de rivier onder het geroffel van trommen en fluitenmuziek.

Drie kleine eenden zwommen rustig rond en lieten zich met den stroom mee drijven, tot na de aarzeling van een kwartier de spelen begonnen, doordat een knaap het waagde, zich in het water te begeven, om ze te vangen, daarna een tweede, dan een derde. Maar de toeschouwers moeten een schuilplaats zoeken; van de zee komen zwarte wolken nader, die boven ons hoofd schijnen te zullen losbarsten. De Pater en ik werden door de bui overvallen op den schaduwrijken weg, die totaal donker was geworden, en waar het water langs gudste, dat als een hoos op de stad neerdaalde.

In den namiddag vermaakten enkele kinderen zich met een horizontalen mast, die vóór het regeeringsgebouw lag en uitstak over de rivier; met het steken naar een ton met water, wat velen een bad bezorgde, met een soort van loterij, waar prijzen van enkele centimes waren te trekken en met allerlei dergelijke spelletjes. Des avonds zou er vuurwerk worden afgestoken, maar men was op het goede denkbeeld gekomen, daarvoor in de plaats twee of drie zakken rijst meer uit te deelen den vorigen dag, toen de gewone voor de armen bestemde gaven werden uitgereikt. De één-en-twintig kanonschoten en eenige illuminatie langs de muren van het gouvernementsgebouw besloten de vermakelijkheden van dien gedenkdag, die zoo levendig en druk en in oprechte vreugde wordt gevierd in Frankrijk, en die hier in dit afgelegen hoekje van het vaderland, verloren in de oneindigheid van Engelsch Indië, zoo triest en saai was. De kleine groep Europeanen van de kolonie neemt soms aan de plaatselijke feesten deel. Zoo heeft men hen wel eens mee zien opgaan naar de pagode van Poutlett, gezeten op olifanten, die men niet dikwijls te Mahé ziet. Maar hoe zeldzaam zijn die dagen, waarop er wat afwisseling opdaagt in het stille, eentonige leven van iederen dag!

Mannen en vrouwen aan de kust van Malabar dragen een dubbelen lendendoek, een, die meer of minder schoon is boven en een altijd vuilen eronder. De mannen trekken daarbij bovendien, daar de toeni, zooals het kleedingstuk wordt genoemd, vaak doorschijnend is, een smal stuk katoen, dat aan den gordel van voren bevestigd is en daar ook van achteren wordt vastgemaakt, aan. Dat is de langoeti of de konon der inboorlingen. Een ander stuk fijne, witte stof, de moendu, bedekt de borst der vrouwen, als ze die verbergen, maar heel kiesch zijn ze niet op dat punt aan de kust van Malabar. Onderweg, op reis, het grootste deel van den tijd hangt die lap over één schouder of is totaal afwezig; enkele malen bedekken ze zich in de straten der stad of bij het voorbijgaan van een Europeaan; maar veelal loopen ze volkomen onverschillig voort of wel ze draaien zich om. Ik was verbaasd die onverschilligheid waar te nemen te Calicut, een voor deze streek betrekkelijk groote stad en bovendien een engelsche plaats. Men ziet er mooie, jonge meisjes van veertien of vijftien jaar, die aan de deur der woning werken, naar de markt gaan of daarvan terugkeeren en geen de minste bewustheid schijnen te hebben van haar naaktheid; maar over het algemeen kleeden zich de jonge vrouwen nog het meest; bij de oude is het uitzondering.

De Mohammedanen en de Naïrs dragen geen langoeti; de eersten dragen op het hoofd een wit mutsje met of zonder tulband; die laatste is bijna altijd rood. De lendendoek is ook tehuis vrij vaak gekleurd of heeft boven en onder een gekleurden rand, waarin ook het rood overheerscht. Ook hebben ze dikwijls een buis aan. Hun vrouwen bedekken zich het hoofd, niet het gelaat, met een doek en zijn meestal in een wit jakje gekleed.

Het kapsel is zeer eenvoudig; een kegeltje achter op het hoofd of ter zijde, of ze laten de haren samengeknoopt op den rug hangen. Bij de mannen is naar [87]gelang van de kaste het hoofd geheel geschoren, met uitzondering van een langen lok, die op de kruin is ineengedraaid, of wel het hoofd is slechts gedeeltelijk kaal in een kring, met den langen lok, vallend naar één kant of geknoopt op de kruin. Enkele kasten scheren zich het hoofd niet, bij voorbeeld de Maleeërs of trommelspelers. Alle haar wordt afgeschoren van het lichaam bij de Tiven, terwijl de Muzelmannen het hoofd scheren, maar niet het gelaat, behalve de jongleurs, die een geschoren gezicht vertoonen.

Als overal elders leggen de vrouwen de meeste behaagzucht aan den dag in het dragen van sieraden. Die zijn niet overvloedig in deze arme streek, en er is niet veel verscheidenheid; ook zijn ze niet altijd echt, maar hetzij voor de kinderen, die door de ouders soms als kleine heiligenbeeldjes worden opgesierd, hetzij voor de jonge meisjes, er worden altijd wel eenige roepijen uitgegeven voor versiering. Ze dragen zilveren ringen om de enkels, of maar eenvoudig kralen of kleine koperen voorwerpjes om den hals, kunstelooze dingetjes, maar die versiering zijn in haar oogen. Zoo hebben de Polea’s, die al niet armer kunnen zijn dan het geval is, want ze hebben heelemaal geen bezit en missen de vrijheid, in de ooren kleine koperen ringen; hun vrouwen dragen ook koperen sieraden om den hals of glazen kralen, aan een kokosvezel geregen, en hun kinderen eveneens. Intusschen is de thali, een sieraad voor de getrouwden, altijd van goud, zelfs bij de armsten en wordt met een touwtje om den hals gedragen. In de ooren hangt de groote takka, die alleen aan deze kust wordt gedragen. De hanger is niet zoo zwaar, als men zou denken naar de afmetingen te oordeelen, doordat de gouden plaat over een vorm van was is gespannen. De ringen van lood of de stukjes van hetzelfde metaal, die ze vervangen bij de armen en die alle morgen gewreven worden, om ze doen glimmen, zijn veel zwaarder. Ze worden reeds in de kindsheid gedragen, en de ringen worden talrijker, als het meisje grooter wordt, zoodat de opening al wijder wordt en eindelijk de takka kan doorlaten, als die kan worden gekocht. De kleine looden ringen en de gouden, gestoken in de uitgerekte lel van het oor, komen minder dikwijls voor. Als de hangers eruit zijn genomen, is de aanblik van het verlengde oor verschrikkelijk leelijk; het hangt bijna tot op de schouders, en dat ze het zelven ook zoo vinden, blijkt wel hieruit, dat men de vrouwen zelden zonder de hangers ziet. Ook boven in het oor zijn soms sieraden gestoken, kleine langwerpige aan weerszijden, of vastgehecht op de manier van een hemdsknoop in een knoopsgat.

Om den hals is het voornaamste sieraad dat de vrouwen dragen, een arabisch muntstuk of een pond sterling, dat altijd op dezelfde wijze is gevat.

Aan de voeten, het minst edele deel van het lichaam, worden slechts zilveren sieraden gedragen, voornamelijk groote holle ringen, die vaak gevuld zijn met hagel, om door het oor de aandacht van het oog te trekken. Aan den gordel, gedragen onder den rok, dus onzichtbaar, zou men soms een zwaren zilveren ketting vinden, waarvan de aanwezigheid zich openbaart door het geklingel van de holle schakels tegen elkander, alle ook weer met hagel gevuld. Als men er nu nog de zilveren ringen bij voegt, de armbanden aan polsen en om den bovenarm, zal men een volledige lijst bezitten van de luxe uit het land. Men ziet dikwijls ook aan de bovenarmen bij de Mopla’s een klein zilveren doosje, dat door een touwtje wordt vastgehouden; dat is geen voorwerp van behaagzucht, maar het is een porte-bonheur, een geluksdoosje, want het bevat een vers uit den Koran of eenvoudig maar een paar woorden, op een stukje papier geschreven. Of wel men ziet een zwart band van drie draden aan de polsen van de Tiven. Dat is bestemd, om het booze oog te bezweren, waaraan het geloof in Indië al evenzeer verbreid is als in vele beschaafde landen van Europa. Alle mannen, behalve de Mopla’s, hebben in de ooren kleine hangers van zilver, koper of goud van eenvoudig model. Dat is geen zaak van versiering, maar eenvoudig van gebruik, een uitvloeisel van een algemeene gewoonte.

In tegenstelling met de gewoonten aan de tegenoverliggende kust eerbiedigen de malayali-vrouwen haar neuzen, hangen er geen voorwerp in en bevinden zich er goed bij. Maar daarentegen maken de uitgetande gouden banden en de spelden van hetzelfde metaal, die ze vaak op het hoofd dragen, in het kapsel of op het voorhoofd en die door kleine kettinkjes verbonden zijn, een zeer aardig effect.

Zelfs de rijke lieden maken hier niet zooveel misbruik van sieraden als in de overige deelen van Indië; men ziet minder gouden halsketenen of parelsnoeren, minder gouden of zilveren gordels en dergelijke.

In tegenstelling met de inboorlingen der andere districten, waar de mannen op het voorhoofd onderscheidingsteekenen voor hun secte vertoonen en verschillende andere teekeningen als tatouages, beschilderen de Malayali zich het lichaam niet en dragen geenszins de naamam. Dat teeken is het embleem van de aanhangers van Vishnoe en wordt gevormd door drie strepen op het voorhoofd, de eerste een loodlijn van af den neuswortel, de beide andere aan elken kant, schuine lijnen, die er een stompen hoek mee vormen. De eerste is rood, de beide andere zijn wit of wel men ziet een enkele roode verticale lijn.

De lingam is het teeken der adepten van Siva, een reliek in een klein zilveren busje, gedragen om den hals of aan den arm; ook zijn er aanhangers van Siva, die zich ten bewijze van groote vroomheid het heele lichaam insmeren met asch en koemest. Hoogstens zullen de Malayali soms bij plechtige gelegenheden, als vele andere Indiërs, een klein, wit of rood puntje aanbrengen aan den neuswortel, een teeken, dat ze slechts tijdelijk dragen en niet houden. Ook de vrouwen smeren het lichaam niet met curcuma in, als elders geschiedt ter verhooging van de schoonheid, en daar hebben ze gelijk in.

Zooals bekend is, speelt de asch van koemest in Indië een belangrijke rol in het leven. Het is een reinigingsmiddel bij uitnemendheid, zooals ook de urine van het dier; die asch wordt hier koery genoemd en er zijn twee soorten van, bassemon en tsjandanon, wat sandal beteekent. Het eerste is een mengsel van asch van mest met asch van sandelhout. De derde persoonlijkheid van de hindoesche Drieëenheid, Paramaitsjoerein van Malabar, is altijd ingewreven met bassemon; allen dus, die na zich gebaad te hebben, [88]zich voorhoofd, maag en armen met dit poeder insmeren, zijn van hun redding en zaligheid verzekerd. De andere soort is gewijd aan Vishnoe en is niet minder belangrijk. Er wordt tot geen enkele plechtigheid overgegaan, dan nadat de beide koery’s eerst zijn aangebracht, De Vedam is zeer uitvoerig, zoowel over het gebruik van die beide poeders, als over de toekomstige zegeningen, die de geloovigen uit het gebruik zullen trekken.

No comments:

Post a Comment