Saturday, March 3, 2012

Aan de Zuidpool: From "De Aarde en haar volken," Jaargang 1913 - Roald Amundsen - Full Text (8)

In het Slachtingskamp.—Van het eene dépôt naar het andere over goed ijs en in mooi weer.—Terugkomst in Framheim.—De Fram is aangekomen.—We zeggen ons kwartier vaarwel.—Op weg naar Tasmanië.—Aankomst te Hobarttown.

Op 3 Januari 1912 hebben we een volkomen helderen hemel en windstilte bij een temperatuur van slechts 19 graden vorst, echt zomerweder. We dragen dan ook niet meer dan de allernoodzakelijkste kleedingstukken. Gelukkig, dat er hier geen gevaar bestaat, dat we dames ontmoeten. Wat is het interessant in deze atmosfeer de streken te zien, die we eenige weken geleden passeerden in een sneeuwstorm! We trokken toen langs den voet van de enorme bergketen, zonder eenig vermoeden te hebben hoe ze eruit zag en van haar nabijheid. Het is wel gelukkig, dat er in deze buurt geen spleten zijn in den gletscher, en God weet wat er zou gebeurd zijn, als we de sneeuwbruggen hadden moeten passeeren bij zulk een hooge temperatuur.

Er moet nu nog een flinke bestijging volgen, want het Slachtingskamp ligt 804 meter boven het punt, waar we ons op 4 Januari bevinden. Vandaag zullen we het dépôt aantreffen dichtbij het kamp waar zich onze kostbare voorraad hondenvleesch bevindt. Het komt er op aan, het niet te missen. Niet alleen geven de honden de voorkeur aan dat vleesch boven het pemmikan, maar wat van meer gewicht is, het houdt hen in een goeden toestand. Bij een langdurige expeditie als de onze is verandering in het voedsel naar mijn ervaring nog noodiger voor de honden dan voor de menschen. Ik heb honden het pemmikan zien weigeren, omdat ze er beu van waren, en ze snel zien verzwakken. Let wel, dat hier sprake was van pemmikan, dat voor ons was klaargemaakt en dus van uitstekende hoedanigheid was.

Om half twee in den morgen vertrekken wij na een slaap van maar een paar uren. We moeten gebruik maken van het heldere weêr; bij ondervinding weten we, dat in deze streken het weêr uiterst veranderlijk is. Vanaf den cairn, waarbij we hebben gekampeerd, naar het dépôt van het Slachtingskamp is de afstand maar 22 kilometers. In die tusschenruimte zijn er slechts twee signalen opgericht; het had ons onmogelijk geschenen, dat er op den terugweg een vergissing kon gebeuren. Toch was dat het geval.

Dank zij den goeden oogen van Hansen, vinden we na elkander de beide cairns; maar we herkennen volstrekt niet de naburige bergen. Zooals ik reeds heb verteld, had het weêr, toen we het Slachtingskamp hadden bereikt, ons helder geleken. Ik had toen, dien 20sten November, den weg verkend, dien we hadden gevolgd om op het plateau te komen, en ik had er een nauwkeurige beschrijving van in mijn aanteekenboekje geschreven. Toen de laatste cairn voorbij was en we het dépôt meenden te naderen, bleek het niet mogelijk ons te oriënteeren, we wisten niet waar we waren! Den 20sten November hadden we hooge bergen gezien in het Westen en Noorden, maar op grooten afstand. En nu bemerkten we aan dien kant van den horizon dicht in onze buurt enorme bergtoppen. Ik kreeg den indruk, dat we dit landschap voor het eerst aanschouwden.

We hebben de 27 kilometers afgelegd, die ons van morgen van het Slachtingskamp scheidden; bovendien moesten we er zijn aangekomen, afgaande naar de plaatsing van de signaalposten, die we achter ons hebben gelaten. Dat wordt in werkelijkheid vreemd; in de richting van de helling, die we in het heengaan bestegen, zien we nu de helling van een volkomen onbekende hoogte. Alleen in het Noordwesten schijnt Bladzijde 162er een depressie naar de Barrière te zijn, die we waarnemen op grooten afstand. Terwijl we de situatie bespreken, zegt Hansen op eens: “Hé, kijk eens hier! Iemand is hier al langs gegaan.”—“Ja,” zegt Wisting. “Ik mag hangen, als daarginds niet de gebroken ski ligt, die ik in de sneeuw heb achtergelaten bij het dépôt.”—Ik richt mijn kijker in de aangewezen richting, en waarlijk, naast een hoop sneeuw kan ik de ski onderscheiden, opgericht in de lucht. Dus dat was de rest van Wisting's ski en zij bracht ons weer op den goeden weg. Onmiddellijk gaat het nu naar den cairn.

Aan het belangrijkste dépôt op den terugweg zijn we nu aangekomen. Niet enkel zijn er de noodige voorraden, maar hier kunnen we ook zien, hoe de helling zal zijn, waarlangs we moeten terugkeeren. Als we dit hulpmiddel niet hadden gehad, zou de terugtocht misschien veel moeilijker zijn geweest. We haalden de lijken van de honden uit de sneeuw en sneden ze in groote stukken voor de honden. Bij het zien van de afmetingen der porties zijn de dieren zeer verbaasd; ze zijn aan een dergelijke royaliteit niet gewend. Drie honden worden nog bewaard, om hun straks nog een maal te kunnen geven. Ook dezen keer was dit gebied niet gastvrij voor ons. Al was het weêr niet zoo afschuwelijk als den eersten keer, het is toch niet aangenaam. Er waait een zeer koude wind bij een temperatuur van 23 graden vorst. Na de warmte van de laatste dagen worden we verkild, en zoodra dan ook de honden hebben gegeten en de sleden geladen zijn, gaan we op weg. Naarmate we verder komen, wordt het dal, waarin we naar beneden gaan, wijder.

Om ons te beschutten voor de rukwinden, die vanaf het bovenste plateau op ons kunnen neerstrijken, trekken we voort onder den berg Engelstad, en aan het eind van de étappe slaan we het kamp op tegen dien berg. Hier is de sneeuw weer evenals op den heenweg zacht, en niet zonder moeite vinden we een plek voor de tent. Nu zijn we al ongeveer duizend meter gedaald, en men bespeurt het aan de ademhaling, ook zonder de instrumenten te raadplegen. Er is geen wind, en brandende zon als in het hartje van den zomer in Noorwegen.

Den volgenden morgen bij het opstaan bood zich een verrukkelijk schouwspel aan. Het kamp is geïnstalleerd in de smalle kloof, die het Frithiof Nansengebergte scheidt van den Ole Engelstad. Door dien laatsten berg beschut, ligt ons bivak in de schaduw, terwijl tegenover ons de verijsde kap van den Nansen verlicht wordt door een stralende zon, de zon van middernacht. De bovenste sneeuwlagen schitteren in een fonkeling van geel licht; lager worden ze blauw gekleurd, en dan gaat het trapsgewijze naar de donkere tinten tot aan den voet van den berg. De Engelstad vertoont eenzelfde tegenstelling; beneden een donkere massa, gestreept door witte gletschers en van boven een aureool van goud rondom den top. Nog verder naar het Oosten verheft de Don Pedro Christophersen zijn grillige toppen naar den vlammenden hemel. Een fantastisch décor te midden van een diepe stilte.

Op de aanzwelling, waar we naar den gletscher Axel Heiberg moeten afdalen, worden de remmen onder de sleden aangebracht. Wij, de skiloopers, gaan voorop. Op die helling, met een laag sneeuw er op, is het ideaal glijden; we gaan als pijlen uit den boog. Enkele minuten later zijn we op den gletscher Axel Heiberg. Dien avond kampeeren we op de plek van het bivak van 18 November ter hoogte van 900 meter. Van hier kunnen we het dal overzien, gevuld door den grooten gletscher, en we kunnen waarnemen hoe hij zich verder met de Barrière vereenigt. Hij lijkt effen, en in die omstandigheden is het beter hem te volgen, dan eromheen te gaan over de bergen, zooals we twee maanden geleden hebben gedaan. De afstand zal langs den nieuwen weg niet veel korter wezen; maar waarschijnlijk zal het veel tijdbesparing geven. Van hier af gaan we nu weer achtereen 28 kilometer afleggen, dan zes uren rusten en daarna, in eens door, de tweede 28 kilometer en zoo verder. Op die manier winnen we veel tijd.

Om zeven uur in den morgen, op den 6den Januari, bivakkeeren we op het voorgebergte, dat de plaats aanwijst, waar de gletscher Axel Heiberg en die van de Barrière samenvloeien. Het dépôt van 85.5 moet niet ver meer verwijderd wezen. In den namiddag vertrekken we weer. Van den top van een bergje, dat we dadelijk na het vertrek uit het kamp bestijgen, meent Bjaaland de cache te zien; een oogenblik later komen we aan den berg Betty en den weg van de heenreis. Van daar kunnen we met den kijker zien, dat Bjaaland zich niet heeft vergist. De kleine sneeuwhoop daar ginds in de verte is wel het dépôt. Terstond wordt daarheen koers gezet en om elf uur in den avond zijn we weer op de Barrière. Ons verblijf in de bergen, die de Zuidpool omringen, had één-en-vijftig dagen geduurd.

Op het dépôt is alles in orde. Ook hier is de warmte zeker groot geweest, en de sneeuwberg, die zeer hoog en zeer massief was, waar de voorraden onder begraven waren geweest, is voor een groot deel gesmolten. De porties pemmikan, die de directe werking van de zon hebben gevoeld, hebben de zonderlingste vormen aangenomen. Dadelijk na onze aankomst verdeelen we de porties over de sleden. In dit bivak laten we, ten teeken van onze passage, eenige van de versleten kleedingstukken achter, die we op reis hebben gedragen. Als de levensmiddelen geladen zijn, gaan twee van ons den berg Betty bestijgen, om er geologische staaltjes in te zamelen. In dien tijd richten wij een grooten cairn op van droge steenen, waarin we een flesch achterlaten met zeventien liter petroleum, veertig kisten lucifers en een verslag van de expeditie. Misschien zal in de toekomst dit kleine dépôt den een of anderen onderzoeker te pas komen!

De verschillende dépôts, die op de Barrière zijn opgericht, bevatten zulk een groote hoeveelheid zeehondenvleesch, dat we er alle dagen van zullen kunnen eten. In geval van scorbuut zou deze voorraad ontzaggelijk veel waard zijn geweest. Frisch en gezond als wij zijn, hebben we er enkel den dienst van, dat onze menu's er afwisseling door krijgen. Sedert onze aankomst op de Barrière is de temperatuur veel hooger geworden; ze blijft nu in de buurt van tien graden vorst. Maar altijd hetzelfde weêr, sneeuw, sneeuw en altijd weer sneeuw. Zal dat dan nooit eindigen? Daarbij een dichte nevel, waarin men geen tien meter van zich af kan zien. Temperatuur acht graden vorst. Wat later begon het zelfs te dooien, en alles werd vochtig op de sleden. Op de dikke sneeuw werd het loopen moeilijk, maar de honden trokken nog best. Dien avond van 9 Januari werd het weêr, om tien uur in den avond, het uur van vertrek, beter en het werd betrekkelijk Bladzijde 163licht. Niet lang daarna merkten we een cairn op zoowat 200 meter westelijker. Daarheen koers gezet! Hij heeft wel wat geleden van de zon en den wind. We vinden er het document in, dat de richting aangeeft voor het vinden van den volgenden cairn op 5 kilometers afstands.

Twee meeuwen! Na in een kring te hebben rondgevlogen, gaan ze op de pyramide zitten. Het gezicht van die vogels maakt op ons een diepen indruk. Brengen ze ons niet een groet uit de levende wereld in dit gebied van den dood? De meeuwen blijven een oogenblik onbewegelijk zitten en gaan dan in zuidelijke richting weg. Thans bevinden ze zich juist halfweg tusschen Framheim en de Pool, en ze zetten hun tocht landwaarts in voort! Wij kampeeren op 84.15 bij een van onze cairns. Den volgenden dag hebben we aan het eind van onze dagtaak 55 kilometers afgelegd. Onze marschmethode vergunt ons, een dergelijke étappe om den anderen dag te doen. Den eenen dag 28 kilometer en den volgenden 55, wel het beste bewijs voor de kracht van onze honden.

Naarmate we ons van het land verwijderen, worden het weêr en de weg beter. Weldra schittert de zon weer aan den helderen hemel en de sneeuw wordt weer vlak. Bjaaland, die sinds de Pool voorhoede is, verricht nauwkeurig zijn functie van verkenner. “Niemand is volmaakt,” zegt het spreekwoord. Als men, om zijn gang te regelen, geen punt heeft aan den horizon, om zich naar te richten, is het onmogelijk de rechte lijn te houden, vooral als de nevel het uitzicht belemmert. In zulk een geval slingert men nu eens naar den eenen kant dan naar den anderen; die vergissingen wisschen elkander uit, en zoo blijft men zoo wat in de richting. Bjaaland nu wijkt altijd naar rechts uit. In het begin wees Hansen hem de richting, die hij moest houden. Dadelijk zette onze kameraad zorgvuldig zijn ski in de richting, die voorgeschreven was, en voort ging het. Zijn bewegingen toonden aan, hoe hij zijn best deed, de gegeven richting te houden. Maar jawel, als Hansen hem niet dikwijls tot de orde had geroepen, zou Bjaaland na ongeveer een uur een volkomen cirkel hebben beschreven en zou weer op het punt van uitgang zijn uitgekomen. Dat gebrek van onzen voorlooper heeft geen slechte gevolgen gehad. Als we onze signaalposten niet terugvinden, weten we zeker, dat we te veel naar rechts zijn afgeweken, en bij gevolg moeten we de cairns meer westelijk zoeken.


Luitenant Gjertsen.

Vandaag, 13 Januari, moeten we naar onze berekening het dépôt van 83 graden bereiken. De ligging van alle dépôts, die noordelijker zijn gelegen, is aangegeven door een lijn van signalen, loodrecht op onze richting; dus is dit bij gevolg het laatste kritieke punt van onzen weg. Voor het oogenblik zou het weêr het niet toelaten, dat we het vonden. De nevel is zoo dicht, dat men niets kan onderscheiden op een paar meters afstands. Gedurende de heele étappe krijgen we geen enkelen seinpost te zien. Om vier uur in den namiddag wijzen de afstandswijzers aan, dat de afstand tusschen het laatste kamp en den 83sten graad afgelegd is; maar er is nog niets te zien. Laat ons wachten op beter weêr. Terwijl we het kamp opslaan, trekt de nevel op; op korten afstand, natuurlijk in het Westen, ontdekken we toen het dépôt. Onmiddellijk pakken we weer in, om ons te installeeren in de buurt van ons magazijn.

Op 16 Januari wordt de aankomst aan het dépôt van den 82sten graad gevierd met een extra. Wisting maakt een pudding, een heerlijken chocoladepudding. Tusschen den 82sten en den 81sten graad hebben we de resten teruggevonden van de pakkisten, waarvan we de planken in den grond hebben gestoken, met tusschenruimten van een mijl, ten tijde van de tweede expeditie voor de oprichting van de dépôts. Ze zijn er neergezet in Maart 1911, en nu zijn we in het midden van Januari 1912.

Op 81.20 hebben we een prachtigen, helderen hemel met zwakken wind uit het Zuidwesten. We zijn nu op de hoogte van de reeksen séracs, die we vroeger hebben waargenomen. Ze strekken zich uit, zoo ver het oog reikt van het Noordoosten naar het Zuidwesten. Kort daarna is onze verbazing groot, toen we in dezelfde richting een hoogland ontdekken, dat vrij is van sneeuw, en dan wat verder twee hooge witte toppen, waarschijnlijk gelegen op ongeveer 82 graden Z.B. Het aanzien van de lucht wijst uit, dat dit belangrijke bergland zich in de richting Noordoost-Zuidwest uitstrekt. Het moet hetzelfde wezen, dat we zich aan den horizon hebben zien verliezen dichtbij 84 graden, toen wij ter hoogte van 1200 meter waren en ons boven de Barrière bevonden. We bezitten nu genoeg gegevens, om dat land in zijn geheel te construeeren, en we noemen het Carmenland. Hoewel onze waarnemingen ons doen gelooven, dat het zich van den 86sten graad tot aan zoowat 81.30 uitstrekt, heb ik het niet op de kaart durven voorstellen. Ik heb er mij toe bepaald, een naam te geven aan het land, dat tusschen den 86sten en den 84sten breedtegraad ligt en voor het overige er de formule op toe te passen: “Gelijkenis op land”. Een ontdekkingsreiziger zal er baat bij vinden, deze streek te exploreeren. Vóór dat bergland is de Barrière zeer verbrokkeld; in alle richtingen ziet men spleten, séracs, bergen en dalen.

De volgende étappe is iets nieuws voor ons, hoewel we er al driemaal zijn geweest. Maar telkens hebben we bedekte lucht gehad, en nu stelt een heldere hemel ons in staat, alles goed op te nemen. Deze geaccidenteerde zône, die op 81.12 graden Z.B. begint, is van het Noorden naar het Zuiden zeer smal, ongeveer 5 kilometer; maar in de richting Oost-West strekt ze zich uit, zoover het oog reikt. Enorme brokken van den gletscher zijn losgeraakt en hebben gapende kloven geopend, die heele karavanen Bladzijde 164kunnen verzwelgen; daarbij overal heuvels en kleine bergjes van de afmeting van hooibergen. Dat we driemaal hierlangs zijn getrokken zonder ongelukken, is een wonder. Thans gaan we er zoo vlug mogelijk over en maken ons zoo licht mogelijk. Hansen zakt tot het middel in een spleet, maar redt er zich uit.


Inscheping in de Fram, Januari 1912

Op 21 Januari passeeren we den laatsten cairn op 80.23. Ik zie hem met leedwezen verdwijnen. We hebben die pyramiden lief gekregen, en elken keer dat we zoo'n sneeuwhoop zien, krijgen we den indruk, oude vrienden weer te ontmoeten. Talrijk en belangrijk zijn de diensten geweest, bewezen door die stille bewakers van onzen langen, eenzamen weg. In den loop van den dag bereiken we het groote dépôt van 80 graden. Het bevat een document van luitenant Presterud, het hoofd van de oostelijke groep, waarin hij zijn passage vermeldt met Stubberud en Johansen op 12 November. Dadelijk na onze aankomst maken we de honden los. Terstond werpen ze zich op het stuk zeehondenvleesch, nog niet zoozeer om het op te eten dan wel om te vechten. Nu is er voor hen een reden om te strijden. Na herhaaldelijk in het rond te hebben geloopen om de resten van de zeehonden, kijken ze naar het vleesch, dan gaan hun blikken naar elkander toe en ten slotte werpen ze zich op elkaâr in een verwoed gevecht. Toen de strijd ten einde is en het maal genuttigd, leggen ze zich ieder bij zijn eigen slede te slapen. Het dépôt van 80 graden bevat nog veel voorraden en het is gemakkelijk te ontdekken. Het kan zeker voor een latere expeditie dienen. Voor ons is het harde werk afgeloopen!

Den 25sten Januari, om vier uur in den morgen, zijn we op Framheim terug met twee sleden en elf honden. Allen, dieren en menschen, zijn nog sterk en volkomen gezond. Als we het huis binnentreden, slapen onze kameraden een gerusten slaap. Stubberud, die plotseling wakker wordt, vliegt overeind en staart ons verwonderd aan; blijkbaar houdt hij ons voor de een of andere geheimzinnige verschijning. De een na den ander ontwaken onze vrienden, en hun verblufte houding doet zien, dat ze de zaak nog niet begrijpen... Toen eindelijk ieder bij zijn positieven is gekomen, worden we hartelijk welkom geheeten. “Waar is de Fram?” is onze eerste vraag. Groot is onze vreugde, toen we de behouden aankomst vernemen. Dan pas vragen onze kameraden: “En de pool? Zijt ge er gekomen?”—“Natuurlijk, anders hadt ge ons niet teruggezien.”


Een span honden op de barrière

Dan zet Lindström water op voor de koffie, en weldra verspreidt zich de geur van de koeken, die warm worden opgediend, door de tent evenals vroeger. Het is een weldadig en verkwikkend gevoel en een groote voldoening, aan het eind te zijn van onze lange afwezigheid. De expeditie heeft 99 dagen geduurd, in welken tijd wij een afstand van 3000 kilometers hebben afgelegd. De Fram is den 8sten Bladzijde 166Januari aangekomen, na een reis van drie maanden van Buenos Aires. Thans heeft het slechte weêr het schip genoodzaakt, het ruime sop te kiezen. Den volgenden dag wordt het gesignaleerd, en dadelijk wordt het druk op Framheim. Het bont wordt aangetrokken en de honden worden aangespannen. We zijn erop gesteld, aan onze kameraden de kracht te toonen, die er nog in onze honden is overgebleven. Daar hooren we het zuchten van den motor; vervolgens verschijnt het kraaiennest boven den top van de Barrière en ziedaar den notedop van onze Fram, onze dierbare Fram! Wat klim ik vroolijk aan boord en hoe uitbundig en warm begroet ik de brave bemanning, dat ze hun schip na zooveel gevaren teruggebracht hebben en onderweg vruchtbaren arbeid hebben verricht. Allen zien er gelukkig uit; maar niemand spreekt over de Pool. Ten laatste laat Gjertsen los: “En nu, ben jullie er heengegaan?”


IJsmassa's, tegen het front van de Barrière opgestuwd.

Blijdschap is maar een poover woord voor het gevoel, dat zich toen afspiegelde op de gezichten van onze kameraden; het is iets hoogers... Kapitein Nilsen stelt mij mijn brieven ter hand en geeft mij daarna al het nieuws. Toen ik van alles op de hoogte ben gebracht, treden drie persoonlijkheden meer dan anderen naar voren onder diegenen, dien mij hun steun hebben verleend in de ernstigste omstandigheden, en wel: Zijne Majesteit de Koning van Noorwegen, professor Frithiof Nansen, Don Pedro Christophersen. Altijd zal ik mij met eerbiedige dankbaarheid de diensten herinneren, die deze eminente personen mij hebben bewezen....

Den 30sten Januari zijn we, na twee dagen met het inpakken van de bagage bezig te zijn geweest, gereed, om te vertrekken. Onder de vreugde van het weggaan mengt zich iets van leedwezen. Men verlaat niet zonder spijt wat onze woning is geweest voor een jaar, zelfs als het onder de sneeuw is begraven geweest en onder het ijs. We zijn te zeer slaven van de gewoonte, om ons plotseling zonder droefheid te kunnen losrukken van het milieu, waarin we zooveel maanden hebben geleefd. In de oogen van de meesten onzer landgenooten zou Framheim een afschuwelijk oord wezen; maar voor ons heeft dat huis slechts aangename herinneringen. Gedurende een jaar is het een geriefelijke schuilplaats geweest, waar wij na dagen van harden arbeid rust en kalmte vonden. Den heelen antarctischen winter door, en dat is een winter die meetelt, is het huis voor ons een beschutting geweest tegen de koude. Op hoogere breedten zou menig arme zwerver ons dat nestje hebben benijd. In dat verijsde land, dat door alle levende wezens in den winternacht wordt verlaten, hebben wij geleefd, niet als dieren, die zich in een hol verschuilen, maar als beschaafde menschen, die alles te hunner beschikking hebben, wat een geordende woning noodig heeft.

Daarbuiten heerschten duisternis en koude en sneeuwstormen; men trad over den drempel van het huis, en dadelijk had men licht en warmte. En dus waren we ontroerd bij het verlaten van dat huisje, waar het leven zoo goed is geweest. De beschaafde wereld roept ons; ze zal ons zeker veel dingen verschaffen, die we lang hebben ontbeerd, maar daarentegen ook veel zaken, waar we wel voor altijd van verlost zouden willen wezen! Wie weet? Als we weer ons gewone leven zullen leiden met zijn stoet van zorgen en verdrietelijkheden en beslommeringen, misschien zal dan de herinnering aan de kalme en rustige dagen, op Framheim gesleten, een verlangen in ons wekken naar het verleden!

Maar die schaduw van droefheid gaat spoedig voorbij. Het verleden, hoe aangenaam het moge geweest zijn, het is het verleden! Wij moeten aan de toekomst denken; ze staat vóór ons, glimlachend en vol beloften. Voor het oogenblik denkt niemand van ons aan de lotwisselingen, die het lot later hem kan brengen. Om het vertrek te vieren, is de Fram met vlaggen getooid, en toen het anker wordt gelicht, is de voldoening algemeen. We verlaten Framheim, trotsch dat we het doel hebben bereikt, dat we ons hadden gesteld; dat gevoel overheerscht in ons. Sinds twee jaren heeft de tijd ons niet lang geschenen, en onze geestdrift is nooit verflauwd, maar dat het zoo is geweest, komt van de afwezigheid van wat ik “doode punten” zou willen noemen. Pas was het eene probleem opgelost, of een ander deed zich voor; het eene doel was nog niet bereikt, of een ander vroeg onze aandacht. Altijd werden we bezig gehouden; en in dergelijke omstandigheden vliegen de uren snel voorbij. Ofschoon onze groote onderneming geëindigd is, toch is de terugreis niet oninteressant. Onze inspanning zal eerst haar volle beteekenis krijgen, als ze aan de beschaafde wereld bekend is geworden; dus is het noodig, de resultaten zoodra mogelijk aan het groote publiek mede te deelen. Het is van het hoogste belang, dat wij het eerst op de markt komen. Wij meenen de Pool te hebben bereikt vóór de engelsche expeditie; maar dat is nog slechts een waarschijnlijkheid.

Van hier tot Hobarttown in Tasmanië hebben we 2400 zeemijlen af te leggen. Verleden jaar is het varen door de Rosszee een echte pleziervaart geweest; maar we waren toen midden in den zomer. Thans is het Februari, dus nadert de herfst, en de vaart kan bezwaren in hebben. Hoe het zij, het pakijs zal ons niet ophouden, verklaart beslist kapitein Nilsen. Hij heeft een onfeilbaar middel gevonden, om erdoor te komen, beweert hij. Zijn zelfvertrouwen lijkt mij wel wat overmoedig; maar de toekomst heeft bewezen, dat Nilsen niet te boud heeft gesproken. Moeilijker zal de vaart zijn in de zône van de westenwinden, waar we den wind op zij zullen hebben.

Uit de brieven, die de Fram heeft meegebracht, heb ik vernomen, dat de Zuidpoolexpeditie onder Dr. Douglas Mawson, die als australische onderneming te Hobarttown wordt uitgerust, gelukkig zou wezen, enkele van onze honden over te nemen, als we die konden afstaan. Het was in mijn macht, dien kleinen dienst te bewijzen aan een collega. Bij het vertrek van Framheim hadden we nog 39 honden. Er waren wel veel honden op reis geboren, maar een groot deel van hen waren toch veteranen uit Groenland; elf van hen waren mee aan de Pool geweest. Mijn plan was eerst geweest, slechts enkele te houden als kern voor een nieuwen troep voor de onderneming naar de Noordpool, waar ik plan op heb; maar met het oog op den wensch van Dr. Mawson scheepte ik ze alle in. Toen dus het laatste colli aan boord was gebracht, was de beurt van inscheping aan de honden. De oudjes hernemen dadelijk op het dek hun gewone plaats, alsof ze den vorigen dag van het schip waren weggegaan. Nadat Bladzijde 167de laatste hond was opgeheschen, wordt de motor aan den gang gebracht.

In het jaar, dat wij op Framheim hebben gewoond, is het aanzien van de Walvischbaai niet in het minst veranderd. Zelfs de meest vooruitstekende punt van den westelijken muur van de Barrière, kaap Manhue, is niet veranderd. Daarentegen is het ijs veel later losgeraakt dan in het vorige jaar. Wat een geluk, dat het in 1911 zoo vroeg al den doorgang toeliet! Als het toen zoo lang dicht was gebleven als in 1912, zou de ontscheping van al het materiaal en de levensmiddelen het dubbele van den tijd hebben gevorderd en veel bezwaarlijker zijn geweest.

Een dichte nevel omhult de baai; dus kunnen we niets zien van het werk van onze japansche collega's. De storm van 27 Januari had de Kaïnan Maroe evenals de Fram genoodzaakt, het ruime sop te kiezen, en sinds dien tijd hebben we het schip niet weergezien. In de laatste tijden hebben de leden van de japansche expeditie, die hun kamp hebben op den rand van de Barrière, zich nog al op een afstand gehouden van ons.


Zeehonden op het pakijs.

Op den dag van de inscheping ging Presterud de vlag halen, die geplant was op kaap Manhue, om aan de Fram onze aankomst te seinen. Naast dat sein was een tentje opgeslagen, waar een bewaker kon worden geplaatst, in geval ons schip eens niet gauw was binnengekomen. Bij zijn aankomst was Presterud niet weinig verbaasd, plotseling tegenover zich te zien twee Japanners, die bezig waren den inhoud te onderzoeken van de tent in quaestie. De vreemdelingen begonnen het gesprek over de helderheid van de lucht en den overvloed van ijs; na daarmee ingestemd te hebben, beproefde onze vriend belangwekkender inlichtingen te krijgen. De beide mannen zeiden hem toen, dat twee van hun metgezellen meteorologische waarnemingen waren gaan doen op de Barrière en gedurende een week ongeveer afwezig zouden blijven. Wat de Kaïnan Maroe betreft, die was vertrokken in de richting van Koning Eduardsland. Vóór 10 Februari moest hun vaartuig terug wezen; alle leden van de expeditie zouden zich dan inschepen, om naar het Noorden te gaan. Presterud had de beide Japanners uitgenoodigd, ons op Framheim een bezoek te brengen; maar we zagen hen niet opdagen. Als ze later naar het station zijn gegaan, zullen ze hebben gezien, dat wij alle maatregelen hadden genomen, om ons huis zoo prettig mogelijk in te richten voor onze opvolgers.

Bij het optrekken van den nevel zijn we in open zee, in een volkomen vrije zee, om zoo te zeggen. Welk een heerlijk gevoel, die donkerblauwe zee onder ons te hebben en dien open hemel te zien voor onze oogen, die zoolang niets anders dan witheid hebben aanschouwd van sneeuw en ijs. Nu kunnen we weer de buitenwereld bekijken zonder berookte glazen, en zonder dat men met de oogen moet knippen, om niet te worden verblind... Ook dezen keer is de Rosszee ons weer genadig. Door een zuidwestenwind voortgedreven, zijn we twee dagen later reeds 200 mijlen ten noorden van de Barrière. Nilsen heeft een kaart opgemaakt van de grenzen van het pakijs naar de waarnemingen in den loop van de drie reizen, door de Fram in deze streken gedaan. Het voortdurend aanwezig zijn van een doorvaart langs den 150sten graad W.L. schijnt wel voldoende vastgesteld door zijn werk. De verplaatsingen in lengte, die trouwens niet veel beteekenen, van deze opening in de verschillende jaren moeten volgens Nilsen aan de werking van de winden worden toegeschreven. Daar, waar het pakijs te dicht wordt, heeft hij opgemerkt dat, als men zich maar naar den wind richt, er altijd wel een open kanaal is te vinden. Al noodzaakt die methode tot omwegen, ze maakt het daarentegen altijd mogelijk, vooruit te gaan.

Drie dagen na het vertrek ontmoeten we het pakijs bijna op dezelfde plaats, waar het op de drie vorige reizen was te vinden. Eenige uren later wordt het zoo dik, dat het gevaarlijk zou wezen voort te gaan. Nu is het oogenblik gekomen om de methode van Nilsen toe te passen; de zeer zwakke wind blaast uit het Westen; dus zetten we westwaarts koers, en na een paar uren in den wind op te hebben gevaren, krijgen we verscheiden openingen. Indien we in de eerste richting waren doorgegaan, zouden we misschien lang zijn opgehouden, terwijl er op een paar mijlen afstands een passage was. Het is de eenige wat langere omweg, waartoe we zijn genoodzaakt geworden. Weldra vermindert het ijs, en den 6den Februari hebben we het einde van het pakijs.

Op de Rosszee geen van die zuidoosten- en oostenwinden, die zoo vaak in de buurt van Framheim waaien. Meestal waait het uit het Noorden, niet Bladzijde 168krachtig maar sterk genoeg om ons goed, oud scheepje tegen te houden. Gedurende de eerste acht dagen blijft de lucht bedekt, dus kunnen we geen waarnemingen doen. Enkel op 7 Februari kan er een meridiaanshoogte worden genomen, die onze plaats aangeeft ten noorden van kaap Adare. Acht-en-veertig uren van een flinken zuidenwind brengen ons nog al vlug bij de Balleny-eilanden en den 9den Februari verlaten we het Zuidpoolgebied. Ruim een jaar geleden waren we vol vreugde over den poolcirkel gegaan, en thans is onze voldoening niet minder groot, nu we die lijn passeeren, om in de bewoonde wereld terug te keeren. Te midden van de drukte van het vertrek is de samenkomst van de beide groepen van de expeditie niet kunnen gevierd worden, en nu besluiten we die heugelijke gebeurtenis te vieren op den dag van het passeeren van den poolcirkel. Het programma is zeer eenvoudig; het belooft een kopje koffie extra, met punch en sigaren.

De thermometer stijgt aanmerkelijk boven nul, en wie nog bont draagt legt het af, om tot lichtere kleedingstukken over te gaan. De bewoners van Framheim gaan het laatst tot die verandering over. Men vergist zich, als men meent dat een langdurig verblijf in de poolstreken iemand minder last van de koude geeft. In het algemeen is het tegendeel waar. In een streek, waar de temperatuur alle dagen 45 graden onder nul is, of zelfs nog lager daalt, maakt goed en warm bont, dat ge de koude niet gevoelt en men gewent aan het behagelijk warmtegevoel.

Nu we meer naar het Noorden komen en geen last meer hebben van het pakijs, moet er nog rekening worden gehouden met de ijsbergen. In den nacht kan een goede uitkijk van zeer ver het witte licht, dat de groote blokken uitstralen, waarnemen, maar de kleinere komen zeer weinig boven het water uit en stralen dus geen licht uit in de duisternis. En ze zijn precies even gevaarlijk als de groote. De wateren, waarin we ons bevinden, zijn nog niet zeer bekend. Kapitein Colbeck, commandant van een der schepen, die de eerste expeditie van Scott van het noodige moest voorzien, heeft ten oosten van kaap Adare een onbekend eilandje ontdekt, waaraan hij den naam van Scott heeft gegeven. Er kunnen nog best andere in deze buurt wezen.

Na nog veel last van tegenwind te hebben gehad, krijgen we den 4den Maart Tasmanië in 't zicht. De zuidkust van dat eiland heeft drie kapen. Welke van de drie hebben we vóór ons? Wij weten het niet. De nevel belet, de omtrekken van het land te onderscheiden. Toen na een nacht van onzekerheid de dag weer aanbrak, zagen we de kust, en we meenen Tasman Head te herkennen. Gedreven door een sterken wind, nadert de Fram snel het land. Binnen enkele uren denken we in Hobarttown aan te komen. We zetten ons aan tafel, om te ontbijten, toen de officier van de wacht ons bericht, dat we aan den verkeerden kant van de kaap zijn, en toen we allen aan dek komen, zien we, dat we in een dichten regen ons hebben vergist. De punt, die we voor Tasman Head hebben gehouden, is niet in de Storm Bay, en in plaats van daar te zijn, bevinden we ons nog in de Stille Zuidzee. De hevige wind doet ons nog wat rondzwalken en eerst den 7den zijn we in de Storm Bay.

Er schittert een mooie zonneschijn, terwijl er vreugde op ons[*Waarschijnlijk] aller gelaat is te lezen. De oude Fram moet schitteren, zij ook; en de menschen zijn dan ook aan de beurt om wat toilet te maken. Lindström zelfs besluit, in aanraking te komen met het water.

Daar is een loodsstation. Een motorbootje klampt ons aan: “Een loods, kapitein?” Op die vraag van de eerste vreemde stem, die zich tot ons richt, beven we van aandoening. De verbinding met de buitenwereld is hersteld! De loods kijkt met verbazing naar al wat hij ziet bij het aan boord komen. “Ik zou nooit hebben gedacht, dat een poolvaartuig zoo goed kon zijn ingericht; men zou niet zeggen, dat ge uit de poolzee komt; het lijkt er meer op, dat ge een pleziervaart met toeristen hebt gedaan, en dat ge altijd maar pret hebt gemaakt.”


De Fram aan den rand van het ijs.

Over wat we hebben uitgevoerd, willen we ons voorloopig nog niet uitlaten, en de goede man, die dat wel bemerkt, staat ons toch graag te woord met wat hij weet. Hij heeft van de Terra Nova van Scott nog niets gehoord, maar weet, dat het schip van de Mawson-expeditie onder kapitein Davis elken dag te Hobarttown wordt verwacht. In het begin van Februari heeft men zich over de Fram ongerust gemaakt, en toen ze niet kwam, dacht men er niet meer aan. Dus zal onze komst een verrassing zijn.

Daar zijn wij terug! Ik heb het genoegen te hooren, dat geen der andere expedities de Zuidpool heeft bereikt. Aan ons dus de overwinning!

No comments:

Post a Comment