Saturday, March 3, 2012

Aan de Zuidpool: From "De Aarde en haar volken," Jaargang 1913 - Roald Amundsen - Full Text (2)

We passeeren den poolcirkel.—In het pakijs.—De groote Barrière.—Op het terrein van onze werkzaamheid.—Eerste uitgang van de honden.—De beide eerste tenten.—Bouw van onze woning.—Zielkundige beschouwing over de honden.—Het vraagstuk van de verwarming.—De tenten van de honden.—De Terra Nova van Scott brengt ons een bezoek.

Wij leggen het er nu op aan, den 65sten parallel te kruisen op den 175sten graad O. L. Zoodra mogelijk willen we het pakijs doorkomen, dat den toegang tot de Rosszee afsluit. Sommige schepen zijn daar zes weken in het ijs opgehouden, en andere zijn er in eenige uren doorheen gekomen, juist langs den weg, dien wij gaan. Op 31 December waren wij op 62.15 Z. B. Op den Oudejaarsavond kunnen we elkander met een glas grog gelukwenschen bij de komst van 1911; allen zijn we volmaakt gezond en vol goeden moed voor onze groote onderneming.

Den 1sten Januari om drie uur 's morgens wekt mij de officier van de wacht. De eerste ijsberg is in het gezicht! Onmiddellijk ga ik naar dek, om dien schildwacht op vooruitgeschoven post te zien van het leger, dat wij gaan bekampen. Het is in de verte een schitterend punt in de bleeke stralen van de opgaande zon. 't Is een groot blok in tafelvorm, als zooveel antarctische ijsbergen. Gewoonlijk doet de ontmoeting met zulk een reusachtige ijsmassa den zeeman niet prettig aan; maar wij waren er bepaald blij mee. Is die ijsberg niet de aankondiging van de nabijheid van het pakijs? Dat willen wij zoodra mogelijk ontdekken. De vaart door het ijs zal wat afwisseling brengen in het eentonig leven, dat we sinds vijf maanden leiden en dat ons begint te vervelen. Eens op een ijsschots te loopen lijkt ons het grootste genot. Bovendien zullen we op het pakijs zeehonden vinden, en we zullen kunnen smullen, allen, menschen zoowel als dieren.

In den namiddag en den volgenden nacht neemt het aantal ijsbergen toe. Gelukkig kan men zich, daar het voortdurend dag is, voor een aanvaring hoeden. We zouden geen beter weêr kunnen wenschen, heldere lucht en een lichte, gunstige wind.

Den tweeden Januari om acht uur in den avond bereikten we den poolcirkel, en enkele uren later kondigde de man op wacht het pakijs aan. Het water zakt en het schip ligt stil. Den volgenden morgen om negen uur wordt de jacht geopend. Een groote zeehond ligt juist op een schots vlak voor ons. Bij onze nadering beweegt het dier niet; eerst als hij verscheiden kogels heeft gekregen, begint hij den ernst van den toestand in te zien en tracht, zich in zee te gooien. Te laat! Twee man zijn al op het ijs en maken zich van hem meester. Een kwartier later werd de zeehond op dek gesneden en leverde ons ongeveer tweehonderd pond vleesch voor de honden en buitendien nog vrij wat voor onze tafel. Driemaal dien dag hebben we de jacht met hetzelfde gunstige gevolg kunnen herhalen. Nu hebben we dus weer voorraad, en de gelukkige gebeurtenis wordt naar haar waarde gevierd. De honden eten, tot ze haast bersten, en ze verdienen het wel om het uithoudingsvermogen, dat ze op deze reis hebben getoond. Wij zijn ook vlug door onze zeehondragoût heen, en na de eerste proef heeft dit antarctisch gerecht dadelijk vrienden gewonnen, die snel in aantal toenemen. De zeehondsoep met groenten wordt nog geestdriftiger ontvangen.

Het ijs was nog zoo los, dat we verder konden varen in onze gewone snelheid, maar den 4den en 5den Januari lagen de schotsen soms zoo dicht, dat we ze moeten wegduwen of er omheen varen; maar ze houden ons niet op, en altijd vinden we nog openingen, die wijd genoeg zijn. Den 6den echter worden Bladzijde 114de ijsmassa's smaller en de kanalen breeder; de open zee ligt in wijde ruimte vóór ons. We zijn het ijs, dat den toegang tot de Rosszee verspert, door! Plaats op den middag 180 O.L. en 70 graden Z.B. In vier dagen zijn we zonder moeite door het pakijs gekomen. Toen de open zee weer een mooie gelegenheid gaf aan de Fram, om haar talent van rollen te toonen, was er meer dan één onder ons, die de kalme vaart door het ijs betreurde. Het laatste deel van de vaart wordt ook door de omstandigheden begunstigd. Het is altijd prachtig weêr, en gedurende de vier dagen, die we in de Rosszee doorbrengen, zijn er bijna geen ijsbergen, enkel wat kleinere brokken.

Den 11den Januari tegen den namiddag wijst een witachtige helderheid in het Zuiden ons aan, dat we dichtbij ons doel zijn, en om half twee verschijnt eindelijk de Groote Barrière. Na zich langzaam boven de zee te hebben opgeheven, doet ze zich in al haar majesteit voor. Het is moeilijk, den eersten indruk te beschrijven, die door den machtigen ijsmuur wordt teweeggebracht. In ieder geval laat het zich gemakkelijk begrijpen, dat met zijn hoogte van 30 tot 35 meter die muur zeventig jaar geleden nog beschouwd werd als een onoverkomelijke slagboom. In dien muur opent zich een deur naar het onbekende, de Walvischbaai, zoowat honderd mijlen oostelijker gelegen dan het punt, waar wij ons nu bevinden. Dus wordt daarheen de steven gewend, en vier-en-twintig uren lang varen we langs de Barrière, den kolossalen muur van ijs bewonderend, die een der vreemdste dingen is, die men op aarde kan aanschouwen. Niet zonder vrees naderen we de baai, het doel van onze heele vaart. Zullen we er open water vinden of zal er afsluiting zijn door ijs? Zullen we gemakkelijk kunnen landen?

De eene landpunt na de andere gaat ons voorbij; maar altijd weer dezelfde witte muur. Eindelijk op den middag van den 12den Januari buigt de rots naar binnen op 164 graden W.L., juist op de plaats, door onze voorgangers aangegeven. Vóór ons breidt zich een wijde baai uit, zoo lang, dat we het einde niet kunnen zien. Voor het oogenblik kunnen we er niet aan denken, binnen te varen. De baai is gevuld met groote brokken ijs, resten van een hoop pakijs, die versplinterd is. We gaan daarop een weinig meer oostelijk, om de gebeurtenissen af te wachten. Den volgenden morgen keeren we naar den ingang van onze baai terug. Een paar uren later beginnen de schotsen te bewegen, en weldra glijden ze de eene na de andere naar de open zee. Spoedig is de passage vrij. Eenmaal in de baai, zien we, dat men overal zal kunnen landen. Het komt er maar op aan, het beste punt te kiezen.

Om kort te gaan, den 14den Januari 1911, dat is één dag vroeger, dan ik had voorzien, hebben wij het eerste deel van ons programma afgewerkt. Het is ons gelukt, den heelen troep in goeden staat naar het terrein van onze werkzaamheid te transporteeren. En nog meer, er zijn onderweg meer bijgekomen. Negentien geboorten hebben het aantal honden op 116 gebracht. Bijna allen zijn gezond en zullen kunnen worden gebruikt voor onze groote onderneming, die binnen twee maanden zal kunnen beginnen.

Voor het oogenblik hebben we te zoeken naar een geschikte plek voor de oprichting van het winterstation op de Groote Barrière. Mijn bedoeling was eerst geweest, mij te vestigen op een vrij grooten afstand van de zee, zoodat als de gletscher begon te “kalven”, wij geen gevaar zouden loopen, ons op een drijvend eiland te bevinden en door den oceaan te worden her en der gevoerd naar het believen van wind en stroom. Om tegen iets dergelijks beveiligd te wezen, wil ik onze kwartieren opslaan ongeveer 18 kilometer van het laagste uiteinde van de Groote Barrière. Maar zoodra we in de Walvischbaai zijn, zie ik, dat we niet zoover zullen behoeven te gaan. Rondom de ankerplaats is de gletscher zeer afwisselend in hoogte.

Vlug wordt de Fram vastgelegd aan een ijsveld, dat zich over een afstand van twee kilometer vóór den rand van den gletscher uitstrekt, en niet minder haastig worden de toebereidselen gemaakt voor de voorloopige verkenning, die ons zal moeten zeggen, waar ons hoofdkwartier zal zijn, van waar we naar het Uiterste Zuiden zullen vertrekken. Al lang zijn reeds de dingen daarvoor in orde gebracht. Na een korten maaltijd vertrekken we om vier uur 's middags. Een beslissend oogenblik! Van de resultaten van deze eerste onderneming hangt voor een goed deel de toekomst der expeditie af.

Heerlijk weêr; geen zuchtje wind, een schitterende zon, die echt warm is aan een helderen hemel, die bleekblauw is en gestreept met lichte vederwolkjes. Te midden van die zachte omgeving honderden zeehonden op de ijsvelden, wat een geluk is, want met zoo geregeld versch vleesch zullen we zeker onze honden gezond houden. Een half uur, nadat we het schip hebben verlaten, staan we aan den voet van die beroemde Groote Barrière, die door de legende met een aureool is omgeven. Van Sir James Ross af, die haar ontdekte in 1841, hebben alle ontdekkingsreizigers er slechts met eerbied, gemengd met vrees, over gesproken als over een vreemd en dreigend ding. Aangestoken door de besmetting van al die schrifturen, dacht ik reeds lang met angst aan de verrassingen, die deze buitengewone gletscher ons kon brengen. Hoe zullen wij van het pakijs komen op die zee van vast ijs? Wat heeft die gedachte mij vaak benauwd! Misschien eindigt de Groote Barrière in een formidabele rots, die we met haken zullen moeten beklimmen! Misschien is ze van het zee-ijs gescheiden door een breede en gevaarlijke spleet, waardoor we lange en moeilijke omwegen moeten maken! En zie daar, één, twee, drie...een klein sprongetje in de hoogte, en we zijn op de Barrière. Al dadelijk is de bekoring gebroken. Hier eindigt de verschrikkelijke gletscher eenvoudig aan zee in een bescheiden talud van zes tot zeven meter hoog, en het gedeelte tusschen die kleine hoogte en het pakijs wordt aangevuld door een flinke sneeuwlaag op een hellend vlak; men zou geen gemakkelijker toegang hebben kunnen begeeren.

Eenmaal op de Groote Barrière, gingen wij aan het exploreeren en volgden een klein dal tusschen twee heuveltjes, gevormd door de drukking van het ijs tegen een oneffenheid van den ondergrond. Aan het eene gaven we den naam van Mont Nelson en aan het andere dien van Mont Rönnicken. Het Bladzijde 115terrein, dat de beide heuvels scheidde, is vlak, en wat meer is we kunnen van hier de Fram zien liggen. Om al die gunstige omstandigheden is mijn besluit spoedig genomen. We zullen hier de honden installeeren.

Verder naar het Zuiden bereikten we na eene kleine depressie een groote vlakte, aan alle kanten omringd door hoogten, een soort van kom. Die ruimte geeft een indruk van vrede en rust; men moet er veilig en kalm kunnen worden. Geen spleten, alleen kleine oneffenheden. Allen zijn van oordeel, dat de plek de voorwaarden in zich vereenigt, wenschelijk voor de oprichting van het winterstation, en eenstemmig wordt besloten, dat het huis hier zal worden gebouwd. Op de gekozen plaats slaan we een stok in het ijs, en vroolijk keeren we naar de Fram terug. Aan boord wekte de gelukkige uitslag van onzen verkenningstocht groote blijdschap. We hadden allen verwacht dat we verplicht zouden zijn, ons station ver van de zee te moeten oprichten, en dus ons zwaar materiaal ver te moeten vervoeren, een vermoeienis, die ons nu bespaard wordt....

Een prachtige avond. De zon schittert nog hoog aan den hemel; en van de geheel verijsde aarde straalt een wit licht uit als helder maanlicht. Rondom het schip is de zee lichtblauw, en terwijl in het Zuiden het vreemde daglicht nog wijlt, maakt in het Noorden de donkere lucht reeds een nachtelijken indruk. Het droomlicht schijnt op de geheimzinnige werelden, en om den sluier te lichten, die erover hangt, zijn wij bereid, desnoods ons leven te offeren.


Het lossen van de Fram in de Walvischbaai.

Den volgenden dag was het Zondag en even mooi weêr; maar van de wekelijksche rust kan geen sprake zijn. De bemanning is in twee ploegen verdeeld, die aan boord en die van den wal. De eerste bestaat uit Nilsen, Gjertsen, Beck, Sundbeck, Ludv. Hansen, Kristensen, Rönne, Nödtvedt, Kutschin en Olsen. De andere is samengesteld uit den leider der expeditie met Presterud, Johansen, Helmer Hansen, Haasel, Bjaaland, Stubberud en Lindström, dus acht man. Zes van ons zullen zich installeeren tusschen den Nelson en den Rönnicken, terwijl de beide timmerlui Bjaaland en Stubberud, onmiddellijk zullen beginnen met het in elkaar zetten van het huis.

Een slede, met acht honden bespannen, wordt beladen met 300 kilo materiaal en levensmiddelen. De dieren huilen en springen rechts en links en hun leidsels raken in de war, zoodat het een herrie wordt van belang; eindelijk is er wat orde gekomen, en het bevel tot vertrekken wordt gegeven. Maar jawel, nauwelijks hebben de honden eenige passen gedaan, of ze gaan allen te zamen op den grond liggen en weigeren, zich te bewegen. Hun houding legt een groote verbazing aan den dag. Gedurende meer dan zes maanden hebben ze niets anders gedaan dan eten en drinken zonder een slag werk te doen, en nu begrijpen de dieren niet, dat die periode van rust voor goed is afgeloopen en dat er een nieuwe tijd voor hen aanvangt. De zweepen klappen, maar in plaats van vliegensvlug te gaan, duwen de honden tegen elkander aan en beginnen een geregeld gevecht. Ik, die zoo trotsch ben op mijn cavalerie, ik voel me zeer teleurgesteld, en eerst na veel geroep en sterke aanmoediging gelukt het, ook door zelf mee te duwen aan de sleden, de aangespannen honden in beweging te brengen. Dit is waarlijk geen schitterend begin.

Tusschen den Nelson en den Rönnicken, 2200 meter van zee verwijderd, wordt een groote tent voor zestien personen opgericht, de eerste, die we op de Barrière opslaan. Er rondomheen wordt een stalen kabel gespannen in een driehoek met vijftig meter zijden, om al de honden aan te kunnen vastleggen. Vervolgens slaan we een tweede tent op, even groot als de eerste, in de kom op de plek, voor ons winterkwartier gekozen. Na een onderzoek wordt besloten, dat het huis zal liggen in oostwestelijke richting met de deur naar het Westen. De toekomst leerde, dat die schikking zeer doelmatig was. De heerschende winden bliezen inderdaad uit het Oosten. Na gedaan werk keeren we naar boord terug en wijzen den gevolgden weg aan door elke vijftien schreden groote, zwarte plekken op het ijs te maken. Dank zij die voorzichtigheid zal het ons mogelijk wezen onzen weg terug te vinden tusschen de beide tenten en tusschen de laagste en de zee. Er ligt een afstand van vier kilometer tusschen de plek van het huis en de ankerplaats.

Op 16 Januari is het werk in vollen gang. Tachtig Bladzijde 116honden sleepen naar de eerste tent het materiaal en de levensmiddelen, en twintig andere brengen naar het winterkwartier lasten van niet geringer gewicht. Dat gaat niet alleen. Herhaaldelijk komen oogenblikken van verzet voor, en om de muiters tot rust te brengen, moeten wij erbij te pas komen; de menschen winnen het altijd in den strijd, maar hoeveel zweepslagen moeten die stumpers van honden hebben.


De eerste ontmoeting met drijfijs (Januari 1911).

Al om vijf uur in den morgen klinkt de reveille, en er worden lange werkdagen gemaakt. Zelden gaat het licht uit vóór elf uur in den avond. Maar het werk gaat ons vlug van de hand, en we hebben allen haast, opdat de Fram weer zee kunne kiezen. Het schip is er in deze haven niet te best aan toe. Ieder oogenblik breekt het ijs, waar het aan vast ligt, en dus moet men telkens weer van plaats veranderen. Behalve die ongeriefelijkheid is de plaats vrij goed; wel doet de golfslag zich soms bemerken en brengt onaangename schokken teweeg, maar gevaarlijk is het niet, en daar de stroom steeds naar buiten gaat, worden de ijsbergen naar zee meegesleept.

De bemanning van de Fram heeft tot taak, het materiaal uit het ruim te halen en dat en de proviand op het pakijs te zetten, en de landbrigade moet de hoopen kisten en vaten opladen. Het werk heeft zoo geregeld plaats, dat zelden de werkers aan boord behoeven te wachten op de sleden of vice versa.


Het pakijs in de noordelijke Ross-zee.

Moeilijk is het de eerste dagen voor de landploeg, om vrede te houden met de onwillige honden; ze moeten onophoudelijk naast hen loopen, om ze op den goeden weg te houden en altijd moet er geschreeuwd en gegild worden, zoodat enkelen van de mannen dagen lang geen stem hebben. Op den 17den Januari werd een begin gemaakt met het huis. De beschrijvingen van de antarctische stormen zijn zoo schrikwekkend, dat, om de fondamenten stevig te leggen, alle mogelijke voorzorgen worden genomen. Met dat doel maakt men gaten in het ijs tot op een diepte van 1.20 meter, om er de steunsels in te planten voor het huis; een zeer moeilijk werk. Op een diepte van 60 centimeter treft men niets dan wit ijs, dat zeer hard is, en waar men met het houweel nauwelijks een krasje op maakt! Daarbij een wind uit het Oosten, die de sneeuw tot groote hoogte doet opstuiven en dan weer in de laagten doet neervallen, zoodat naar gelang onze jongens dieper graven, de kuil zich weer vult. Maar dit zijn geen knapen, die zich laten afschrikken! Met wat palen en zeilen maken ze een soort Bladzijde 117van scherm en zijn zoo goed beschut, dat ze tot den avond doorwerken en gereed komen. Daar is geen moeilijkheid, die zulke werklui kan terneerslaan.

Aan het eind van den dag kruipen we in onze slaapzakken, om een welverdiende rust te genieten. Maar dan maken vaak de vetganzen of pingoeïns uit de buurt nog lawaai. Wat zou er gebeurd zijn in de gevleugelde republiek? Uit de tent tredend, staan we plotseling neus aan neus met een keizerpingoeïn. De reusachtige vogel stapt deftig naar voren en groet statig naar rechts en links. Het lijkt wel, dat hij bij ons is gekomen naar de hoogte, om ons een bezoek te brengen. Zulk een blijk van beleefdheid is toch in elk geval roerend; maar de eetlust wint het van die waardeering, en de gast zal zijn leven op onze tafel eindigen.


Framheim.

Den 18den Januari beginnen we met het transport van het bouwmateriaal. Daar de honden weer aan het werk gewend zijn, gaat alles naar wensch. Pas is een slede ontladen, of een andere komt aan, en terstond worden dan de materialen, die gebracht zijn, op hun plaats gezet. Alle stukken zijn genummerd vóór het vertrek en aan boord opgeborgen in de volgorde, waarin ze moeten worden gebruikt. Dus behoeft er nooit te worden gezocht, om dien of dien balk te vinden; men heeft alles bij de hand. Bovendien heeft in Noorwegen een van onze timmerlui ons huisje opgezet op de werf en kent het dus tot in de kleinste bijzonderheden.

Met trots en voldoening denk ik aan die bezige dagen; met vreugde ook, want nooit verneem ik een enkele klacht, hoe moeilijk het werk ook is; wie zou er niet trotsch op wezen, over zulke gezellen te zijn gesteld, die er enkel aan denken, hun plicht te doen?

In den nacht zakt de wind, en den volgenden dag is het weder rustig en helder. Het is een waar genoegen te werken in die zachte lucht en bij dit mooie licht. Op ons heen en weer gaan tusschen het schip en het station maken we jacht op zeehonden. We behoeven ze niet te zoeken; het wild komt maar zoo op ons pad.

Toen den 20sten Januari het transport van de materialen was afgeloopen, moest er worden begonnen met dat van de levensmiddelen. Dat karwei gaat onder groote vroolijkheid van de hand. De eerste reis van den dag van het kamp naar de Fram in den vroegen morgen was bijzonder amusant met de ledige sleden. Bij het ontwaken wordt ieder gewekt door het vroolijk blaffen van zijn span. De heele troep huilt om het hardst en springt en trekt aan de kettingen. O, als ze maar bij hun meesters konden komen! En wij haasten ons dan ook, om onze trouwe dienaren op te zoeken. De équipage-meester gaat tusschen hen door en geeft ieder een liefkoozing, en wie die ontvangt, is er hoogelijk mee ingenomen, terwijl de kameraden zich willen losrukken, om ook aan de beurt te komen. Ze zijn allemaal buitengewoon jaloersch, en die dieren, die toch maar getemde wolven zijn, houden van Bladzijde 118hun meester even veel, zoo niet meer, dan ons huiselijkste huisdier. Na die ontmoeting brengen de koetsiers de zeelen aan, en weer klinken juichtonen. Hoe vreemd dat moge schijnen, de beesten houden van het werk; maar als ze eenmaal zware en moeilijke tochten hebben gedaan, zal dat wel anders worden. Des morgens, als ze verkwikt zijn door het overvloedige maal van den vorigen avond en door den slaap van den nacht, zijn de spannen frisch en opgewekt, en het aanspannen is dan geen gemakkelijke arbeid. Als dat gebeurd is, is men nog niet klaar. Er liggen in het kamp verspreid hier en daar kisten en vaten, die den honden de grootste belangstelling inboezemen, en zoodra is niet het sein tot het vertrek gegeven, of ze vliegen in volle vaart naar die dingen, en men kan ze niet op den goeden weg houden. De dieren storten zich dan op dat speelgoed en willen het voor zich uit rollen, en er moet een echt gevecht tegen hen worden geleverd. Ook op het pakijs is er veel afleiding door de troepen zeehonden, die zich in de zon liggen te warmen. Zoo gauw, als onze honden hen hebben geroken, vliegen ze naar het wild toe, en in zoo'n geval kan alleen een zeer bekwaam koetsier hen vasthouden. Dat zijn de voorvallen van den morgen, en hoewel de thermometer op 20 graden onder nul staat, komt men vaak, druipend van zweet, aan boord terug. Indien bij toeval alles goed gaat, leggen de spannen in een paar minuten de twee kilometer af, die het kamp van de aanleg plaats der Fram scheiden.

Daar is op 21 Januari ons schip weg! In den nacht heeft een felle wind met sneeuwbuien het verplicht, het ruime sop te kiezen. Dien morgen sloeg de zee nog met kracht tegen de Barrière. In afwachting van de terugkomst der Fram blijven wij niet werkeloos en gaan voort met het vervoer naar het station van veertig zeehonden, die den vorigen avond door kapitein Nilson zijn geschoten. Terwijl wij ons met dat werk bezighouden, komt het schip in de baai terug. Intusschen wordt ijverig aan het huis gewerkt. Het dak is er op gekomen, en de timmerlui kunnen nu onder beschutting arbeiden. Hoewel ze veel last hebben van de koude, klagen ze nooit. Kom ik na mijn dagtaak in de tent, dan is een van hen met den avondmaaltijd bezig. Er is niet veel afwisseling, altijd flensjes en zwarte koffie. Maar wat smaakt het goed! Tusschen de beide liefhebber-koks ontstond een wedijver, wie de mooiste flensjes en pannekoeken kon bakken, en ieder meende de baas te zijn. Naar mijn meening waren hun talenten gelijk. De mannen in het benedenkamp waren ook niet te beklagen, dank zij Wisting, die een voortreffelijk kok bleek. Hij was een baas in het klaarmaken van pingoeïns en in meeuwen à la Béchamel.

Op 22 Januari is het Zondag en rustdag, welverdiend na den arbeid van de week. We vereenigen ons allen aan boord behalve de weinigen, die voor de bewaking van de tenten moeten zorgen.

Den 23sten gingen we voort met het vervoer van de levensmiddelen. Daar het terrein bij het station heel ongelijk is, brengen wij ze niet geheel tot aan de hut, maar naar een heuvel op zoo wat een 600 meter afstands. Later, als de Fram vertrokken is, zullen we ze dichter bij huis brengen. Daar de tijd ons er later voor ontbrak, bleef een groot deel van den voorraad daar liggen. In den aanvang gaf het transport veel moeilijkheden. De honden, die gewend zijn aan het lagere kamp, weigeren een nieuwen weg in te slaan, en het traject tusschen het dépôt en het schip is soms heel bezwaarlijk met de ledige sleden, want als de honden hun kameraden ergens hooren, trekken ze ons in die richting mee.

Wij hebben ongeveer negenhonderd colli's; op elke reis heeft een slee er zes, van samen 300 kilo's; naar onze berekening moet een week voldoende wezen voor het transport. Inderdaad zijn op Zaterdag 28 Januari op den middag alle lasten ter plaatse. Het dépôt ziet er werkelijk indrukwekkend uit met de lange rijen kisten, elk voorzien van een duidelijk zichtbaar nummer; het zal in het vervolg gemakkelijk wezen, vlug te vinden, wat men noodig heeft.

Thans is ons huis voltooid. Hoeveel verschilt het landschap, dat er nu omheen ligt, van dat, waar het oorspronkelijk is gebouwd. Daarginder groen en kabbelend water, terwijl hier niets dan ijs is. Prachtig is ook hier soms het uitzicht, maar niets haalt toch bij het vaderland. Zooals ik reeds heb gezegd, hebben wij kabels meegebracht, om het huis stevig aan den bodem van de Barrière te bevestigen; maar bij de rustige atmosfeer, die er sinds onze aankomst is geweest, lijkt ons die voorzorg overbodig. Door de fondamenten schijnt het huis voldoende stevig te staan. De voorgevel is geteerd, en het dak bedekt met geteerd papier Het is al uit de verte duidelijk te onderscheiden.

In den namiddag heffen we de beide kampen op, en we installeeren ons in het nieuwe huis, dat Framheim zal heeten. Welk een indruk van comfort, gezelligheid en netheid krijgen we bij het binnentreden! Een blinkend linoleum bedekt den vloer, zoowel in de kamer als in de keuken. Het tweede deel van ons programma is nu afgeloopen, en wel in veel minder tijd, dan ik had durven hopen. De weg, die naar het doel leidt, komt meer en meer open te liggen. We beginnen, in de verte het tooverkasteel te onderscheiden. Ze slaapt nog, de schoone slaapster, die er woont, maar de kus zal komen, die haar zal wekken! Het was een vroolijke avond, de eerste in het nieuwe huis. Bij de tonen van de grammophoon werd er gedronken op de toekomst onder gepraat en gelach en gezang. De honden waren ondergebracht bij het station, aan kabels vastgebonden in een vierkant van 30 meter zijde. Natuurlijk tracteeren onze buren ons op wat muziek. Onder de leiding van een van hen geven ze overdag en 's nachts concerten. Vreemde dieren. Wat willen ze toch te kennen geven door dat gehuil? Plotseling weerklinkt te midden van de diepe stilte, die ons omringt, een gehuil van een enkeling; er volgen twee of drie, en geleidelijk neemt het aantal huilers toe, tot ten slotte de honderd honden van de partij zijn. Gewoonlijk blijven ze bij het concert zitten en heffen den kop zoo hoog op, als ze kunnen. In dien tijd schijnen ze vol aandacht en laten zich niet afleiden door wat het ook zij. Opmerkelijk, hoe het concert eindigt. Plotseling als met één slag houden allen zich stil. Bladzijde 119

Wie legt hun die plotselinge en onmiddellijke stilte op! Ik ben geneigd te denken, dat het een lied is, dat ze hebben ingestudeerd. Bezitten die dieren het vermogen, elkander hun gedachten door geblaf kenbaar te maken! Na onze langdurige vertrouwdheid met de Eskimohonden twijfelt niemand van ons er meer aan. Wat mij betreft, ik kon zoo goed de beteekenis van de verschillende toonhoogten van hun geblaf onderscheiden, dat, zonder de honden te zien, alleen door ze te hooren, ik ried, wat ze uitvoerden. Elke daad, elk gevoel, ze drukken ze uit door een eigen geluid. Om hun aanhankelijkheid tegenover hun meester aan den dag te leggen, hebben ze een aparten klank. Als een van hen iets verkeerds doet, als bij voorbeeld binnen te gaan in het magazijn, waar het vleesch wordt bewaard, beginnen de anderen, die er niet hebben kunnen binnenkomen, hard te loopen en te gillen.


Voorloopig dépôt bij Framheim.

Van zijn voorvader, den wolf, heeft de Eskimohond veel meer behouden dan onze huishoud; het instinct van den strijd zit hem meer in het bloed. De strijd om het bestaan heeft den Eskimohond van der jeugd af gesterkt en heeft hem in verrassende mate het talent van matigheid en volharding bijgebracht. Daarbij heeft hij een vlug en levendig verstand, als men in aanmerking neemt het werk, waarvoor hij bestemd is en te midden waarvan hij leeft. Men zou verkeerd doen, als men laag neerzag op den Eskimohond, omdat hij niet gemakkelijk leert op te zitten en op bevel een stukje suiker op te vangen; dat zijn kunstjes, te verschillend van zijn ernstige levenstaak, dan dat hij ooit die circusnommers kan aanleeren. In hun onderlinge betrekkingen kennen deze dieren geen andere wet dan die van den sterkste. De sterkste beveelt en doet naar zijn welbehagen. Alles behoort hem, en de zwakste is tevreden met de kruimpjes, die van zijn tafel vallen. De vriendschap ontwikkelt zich gemakkelijk onder deze viervoeters, maar altijd een vriendschap, met vrees gemengd en met eerbied voor de meerdere kracht. Gehoorzamend aan het instinct van zelfbehoud, zoekt de zwakke de hulp en de bescherming van den sterke, die de rol van beschermer op zich neemt, welke hem in geval van nood een trouwen steun belooft. Datzelfde instinct blijkt ook in de betrekkingen tusschen den hond en den mensch. Het dier begrijpt, dat zijn meester voor zijn levensonderhoud zorgt en om die reden schenkt hij hem eerbied en liefde; ik kon zonder vrees een brok uit den muil van mijn twaalf honden nemen, en geen enkele zou gepoogd hebben, mij te bijten. De vrees voor straf, die in onthouding van eten bestond, verklaarde die groote onderworpenheid. Met noorsche honden zou ik die proef niet hebben durven doen. Waarin ligt nu de oorzaak van dat verschil? Ik geloof, dat bij onzen huishond de gehoorzaamheid gegrond is op de vrees voor de zweep en niet, zooals bij den groenlandschen hond, op het instinct van zelfbehoud, zoodat als de eetlust het wint van de vrees voor de karwats, de meester een knauw krijgt.

Eenige dagen later kwam Adolf Hendrik Lindström, die tot nu toe op de Fram was gebleven aan het hoofd van het keukendepartement, bij ons op het station. Zijn komst maakte bij ons het gezelschap compleet. Aan de fornuizen aan boord nam het jongste lid van de expeditie, Karinius Olsen, zijn plaats in. Lindström heeft gedurende veertien maanden zijn verantwoordelijken post ingenomen met een toewijding en bekwaamheid, waaraan ik niet genoeg hulde brengen kan. De rook steeg vroolijk uit den schoorsteen van ons huis en kondigde al uit de verte de aanwezigheid van een woning op de Barrière van de antarctische zee aan. Na een vermoeienden dag van arbeid buitenshuis was de indruk van die kleine rookpluim voor ons weldadig en aangenaam. Het was een symbool.

De aankomst van onzen kameraad was niet enkel een verbetering voor onze tafel, maar ook voor ons licht en onze luchtverversching. Hij maakte de Luxlamp Bladzijde 120in orde en ons verblijf straalde van helderheid, en daarna zorgde hij met behulp van Stubberud voor de ventilatie. De installatie van den ventilator was een heel ding, en ondanks alle moeite wou de machine nooit goed functioneeren, vooral niet in stil weer. Als de ventilator stilstond, gaven Lindström en Stubberud zich de grootste moeite, om hem weer aan den gang te helpen; dan werkten ze soms een paar uren op het dak, hoe slecht het weêr ook was, tot alles weer goed liep. Een goede ventilatie is een wezenlijke voorwaarde voor de gezondheid bij een overwintering in de poolstreken. Als een groot aantal expedities van koude hebben geleden en van de vocht en door ziekten zijn geteisterd, dan komt dat hoofdzakelijk, doordat de luchtverversching in hun verblijf niet voldoende was. Als de frissche buitenlucht in genoegzamen overvloed binnenkomt, zal de verbranding der kolen in de kachel vollediger worden en bij gevolg ook de warmte, die ze afstraalt, zich vergrooten. Is daarentegen de ventilatie gebrekkig, dan brandt een groot deel van de kolen niet, en het vertrek wordt koud en vochtig. De Luxlamp en het fornuis in de keuken waren voldoende, om een aangename temperatuur in het huis te onderhouden. Degenen, die in de bovenste slaapplaatsen lagen, klaagden zelfs over de warmte.


Een zeehond, op weg naar ons toe.

Onze gemeenschappelijke kamer heeft tien slaapplaatsen; daar we maar met ons negenen zijn, wordt de eene slaapplaats weggenomen, en daarvoor in de plaats de kist van de chronometers gezet. De weerkundige instrumenten zijn in de keuken opgehangen, de eenige plek, waar wij over beschikken. Lindström nam den post van onderdirecteur op zich en van machinist op het weêrkundig station Framheim. Op den zolder waren geborgen de medicamenten, de siropen, de confituren, de pickles en sausen en de room, en we brachten er ook de bibliotheek onder. Na den 30sten Januari haalden we naar het station de kolen, het hout, de petroleum en den voorraad droge visch. In den zomer wisselde de temperatuur af tusschen vijftien en vijf-en-twintig graden vorst.

Dagelijks schoten we veel zeehonden. We hebben er al zoowat honderd neergelegd, en een groote hoop vleesch is voor de hut gedeponeerd. Op een avond onder den maaltijd kondigt Lindström aan, dat het onnoodig is, voortaan weer naar het pakijs te gaan, om wild te halen, want het komt al van zelf. We gaan allen naar buiten, en werkelijk daar is een zeehond op weg naar ons toe, wien zijn nieuwsgierigheid duur te staan komt.

In de eerste week van Februari nemen we van de Fram de laatste aan boord gebleven honden over, twintig jongen, die nog werden gezoogd. De anderen willen ze wel missen. De temperatuur blijft in de buurt van twintig graden vorst, en met zulke gasten is het onmogelijk, het dek schoon te houden. Het water, dat men erop spoelt, bevriest dadelijk. Pas zijn onze kweekelingetjes vertrokken, of men gaat boenen, en de Fram is weer helder en blinkend. Met den eerbied, aan hun leeftijd verschuldigd, worden de jonge diertjes in kisten vervoerd. Te hunnen behoeve is een tent opgericht, maar ze weigeren beslist erbinnen te gaan, en dus moeten we ze wel buiten laten. Die jonge honden slijten het grootste deel van den winter in de buitenlucht, maar de voor hen ingerichtte toevlucht blijft niet ongebruikt, want Tisper, die jongen zou krijgen, werd erin gebracht, en de tent krijgt den naam van Moedertent.

Wij slaan dan de andere tenten op, acht als kennels voor de spannen honden, twee voor de droge visch, een voor het zeehondenvleesch, een voor de levensmiddelen en een voor de brandstof, in het geheel veertien tenten. Nu ziet het station er als een kamp uit.

Op 4 Februari heeft er een groote gebeurtenis plaats, namelijk een bezoek van de Terra Nova, het expeditieschip van kapitein Scott! Bladzijde 121


De tenten voor de honden op Framheim.
Aan de Zuidpool: From "De Aarde en haar volken," Jaargang 1913 - Roald Amundsen - Full Text (3)

No comments:

Post a Comment