Sunday, March 4, 2012

De Aarde en haar volken: Jaargang 1877 - Full Text (Montenegro)


Montenegro.

(Vervolg van bladz. 280).


Montenegrijn van de grenzen van Herzegowina.

VI.

De geheele oppervlakte van het vorstendom bedraagt vierduizend-vierhonderd-zeven-en-twintig vierkante mijlen; het getal inwoners beloopt, volgens opgave van den Vorst zelven, in zijn brief aan den groot-vizier, van April 1877, honderd-drie-en-negentigduizend-drie-honderd-negen-en-twintig zielen. Het vorstendom, in twee groote deelen, het eigenlijke Montenegro en de Berda, gesplitst, bevat acht provincies of nahye. Vier daarvan, Katounska, Tzernitza, Rjetchka, Ljechanska, behooren tot het eigenlijke Tzernagora of Montenegro; de vier andere, tot de Berda behoorende, zijn Bjelopavitzka, Piperska, Moratcha, en Vasojevici. De nahye zijn, voor de administratie, weder verdeeld in plemenas, die met onze kantons overeenkomen; de plemenas bestaan uit dorpen, die soms niet meer zijn dan eene verzameling van enkele armoedige hutten.

Wij zijn aan de zuidwestzijde, door de provincie Katounska, het land binnengetrokken: deze provincie is eene der belangrijkste, want binnen hare grenzen liggen de hoofdstad Cettinjé en Njégosch, de bakermat bladzijde 386van de regeerende familie. Maar zoo de reiziger deze provincie tot maatstaf nam, om zich een oordeel over het geheele land te vormen, zou hij zich zeer vergissen: want deze streek is de dorste en meest misdeelde van allen, en het wordt iemand waarlijk bang te moede, als hij denkt aan het lot van een volk, dat zijn levensonderhoud aan eene zoo onbarmhartige natuur ontwringen moet. De vlakte van Grahovo, waar de Turken in 1858 verslagen werden, behoort ook tot deze bergachtige provincie. In het westelijk gedeelte, naar de grenzen van Herzegowina, vindt men enkele vlakten, en het plateau van Njégosch toont hier en daar sporen van bebouwing.

De Rjetchka-Nahia ligt tusschen de vlakte van Cettinjé en het meer van Skutari, op anderhalf uur afstands van de hoofdstad; het klimaat is hier zeer zacht; het land is veel minder woest en dor dan in Katounska: de wijnstok en granaatboom bloeien hier. De provincie ontleent haar naam, die stroom beteekent, aan de beek, die op drie mijlen afstands van Rjeka, in het meer van Skutari valt. De streek in de onmiddellijke nabijheid van het meer is laag en moerassig; daar heerschen veelvuldige koortsen.

De Tzernitza-Nahia ligt ingesloten tusschen het meer van Skutari en de oostenrijksche grens; deze provincie is de rijkste en best bebouwde; haar klimaat komt overeen met dat van Italië; zij levert een overvloed van saprijke en smakelijke vruchten.

De Ljechanska-Nahia loopt van de punt van het meer van Skutari naar de grenzen van Herzegowina. Deze streek is bij uitnemendheid woest en verlaten; de wijd verspreide dorpen verschuilen zich zooveel mogelijk voor de blikken der reizigers; de veeteelt is de eenige bron van bestaan, en overal vindt men de sporen van armoede en ontbering. Nevens de rotsen van Cattaro, is dit het wildste en ongenaakbaarste deel des lands, een chaos van naakte, steile rotsen.

Bjelopavitzka ligt tusschen Niksich en Podgoritza; de hoofdplaats is Danilograd, tusschen Albanië en Herzegowina. Deze provincie is zeer vruchtbaar, met bosschen bedekt, rijk aan stroomende wateren en aan schoone natuurtafreelen, die aan Zwitserland doen denken. Dit is het oude Zeta, waaraan de voormalige hertogen, vazallen van Servië, hun titel ontleenden. In den omtrek van Danilograd heeft men pogingen aangewend om den grond te verbeteren; de regeering heeft over de Rjeka-Zeta een houten brug doen bouwen, die ruim tweehonderd el lang is. De vlakte is uitnemend geschikt voor bebouwing; maar in het belang der verdediging houdt men de bosschen en het dichte kreupelhout in stand, die een natuurlijk bolwerk vormen zoowel naar de zijde van Niksich als naar die van Spouz. Dit is het smalste gedeelte van het vorstendom: een turksch legerkorps, dat van Niksich in Herzegowina uitging, zou, met een stouten marsch, de hand kunnen reiken aan een ander korps, van Spouz in Albanië vertrokken. Nog in 1862 was daarop de taktiek der Turken gericht; het is dus niet zonder reden, dat men, met veronachtzaming der belangen van den landbouw, de dichte bosschen in stand houdt, die van zoo groote beteekenis zijn voor de verdediging.

Te Orza-Louka, in deze nahia Bjelopavitzka, bezit Vorst Nikolaas eene kleine villa, waar hij in den zomer eenigen tijd doorbrengt; en te Ostrog, in deze zelfde provincie, staat het beroemdste klooster van het geheele land. Tegen een steilen rotswand geleund, waarboven de berg trotsch oprijst, is een der kapellen in de rots zelve uitgehouwen. Dit klooster is eene druk bezochte bedevaartsplaats voor de Serviërs, die van alle zijden naar herwaarts komen om te bidden op het graf van den Vladika Basilius, beurtelings monnik en krijgsman, die in strenge afzondering in zijne kluis leefde, welke hij van tijd tot tijd verliet, om de montenegrijnsche scharen ten strijde te voeren tegen de Turken.

De Piperi of bewoners van de Piperska-Nahia zijn langs de oevers der Moratcha gevestigd; zij zijn herders, en hebben door de onbillijke grensregeling van 1858 een deel hunner voormalige weilanden verloren; hun land is zeer bergachtig, en de bevolking leeft in de uiterste armoede.

Aan alle zijden is Montenegro als door een ijzeren muur ingesloten: de naaste, direkte uitweg naar de Adriatische-zee, Cattaro, is in handen van Oostenrijk, dat niet altijd gunstig gezind is jegens het vorstendom, en dat naar goedvinden dien eenigen weg, waardoor Montenegro met het overige Europa gemeenschap kan oefenen, opent of sluit. Bovendien heeft de natuur tusschen de golf van Cattaro en het vorstendom dien bijna ontoegankelijken wal van rotsen opgeworpen, dien wij, van Cattaro komende, hebben moeten beklimmen. Men moet deze omstandigheid wel in het oog houden, als men den toestand, waarin Montenegro verkeert, juist wil beoordeelen. Voor zijn handel, voor den uitvoer zijner voortbrengselen, heeft het geen anderen uitweg dan Cattaro, dat bijna niet te genaken is, ondanks den kunstweg, dien men met inspanning van alle krachten tracht te banen; en willen de Montenegrijnen over het turksche gebied bij Skutari de Adriatische-zee bereiken, dan zijn zij overgeleverd aan de genade van hun trouweloozen erfvijand. Zulk een toestand zou nog eenigszins dragelijk kunnen zijn voor een van nature vruchtbaar land; men zou dan ijverig den grond bebouwen, daardoor in zijne eigene behoeften voorzien, en het overschietende, zoo goed en zoo kwaad als het ging, naar Cattaro voeren, om ruilhandel te drijven;—maar iedereen weet dat Montenegro volstrekt geen vruchtbaar land is. Wel beweeren sommigen, dat, ondanks de armoede van den grond, het vorstendom, over het geheel genomen, in de behoeften zijner inwoners kan voorzien; maar dit beweeren wordt door anderen tegengesproken, en zeker is het, dat zoo de maïs en de aardappelen mislukken, het volk onfeilbaar aan gebrek ten prooi is. Vandaar de telkens herhaalde aandrang om het bezit eener haven aan de Adriatische-zee, voor Montenegro in vollen nadruk eene levensvraag. Reeds vroeger was er sprake van den afstand van de kleine turksche haven van Spitza, boven Antivari, en ook van de kanalisatie van de Bojana, een stroompje, dat het meer van Skutari met de Adriatische-zee verbindt. Maar de onbeschrijfelijk kleingeestige, cyniek-zelfzuchtige politiek van Engeland, ten deze door Oostenrijk gesteund, heeft bladzijde 387deze pogingen om aan het meest billijke verlangen te voldoen, steeds weten te verijdelen. Natuurlijk dat de Porte, wetende dat zij op den steun dier beide mogendheden rekenen kan, telkens als er sprake van was, den afstand van grondgebied en het verschaffen van een uitweg naar de zee, weigerde. En Europa berustte langmoedig in die weigering. Zal de tegenwoordige oorlog, waarin de Montenegrijnen weder nieuwe lauweren gewonnen hebben, hun eindelijk recht doen wedervaren?

De Moratcha-Nahia ontleent haar naam aan het rivierke, dat haar besproeit. Deze provincie ligt tusschen Bosnië en Herzegowina; haar bewoners vertoonen den montenegrijnschen type in al zijne zuiverheid en kenmerkende eigenaardigheid. Zij zijn met vurige liefde aan hun land gehecht, trouw aan hun Vorst, zeer gesteld op hunne voorvaderlijke zeden en traditiën, dapper en eerlijk, en de oude servische gastvrijheid nog in eere houdende. Zij leven van de opbrengst hunner kudden, en houden zich niet met landbouw bezig; met hunne schapen trekken zij van de eene weide naar de andere, en voorzien alzoo in hunne behoeften, die zeer weinigen zijn. Naar men zegt, leven hier in den mond des volks nog de oude zangen, waarin de geheele geschiedenis des lands is nedergelegd.—Nabij de bronnen van de Moratcha verheft zich het klooster van gelijken naam, naar de overlevering wil, gesticht door Douchan, den beroemden Koning van Servië. Men toont u daar nog een buffelhoorn, die in de dagen van dezen koning bij de heilige communie werd gebruikt, en eene menigte nog geheel ongeschonden graven, waaruit blijkt dat het heiligdom tot dusver aan de vernielende handen der Turken ontsnapte.

De Vasojevici, door Bosnië en Albanië begrensd, hebben dezelfde natuur als Moratcha en zijn, evenals deze provincie, rijk aan prachtige wouden, die niet geëxploiteerd worden. Het land vertoont hier hetzelfde karakter als het naburige Albanië, vanwaar de Venetianen het noodige hout haalden voor hunne galeien en de behoeften van hun tuighuis en werven.

Verreweg de meeste reizigers, die Montenegro bezoeken, beginnen hun tocht te Cattaro, trekken over de bergen naar Cettinjé, begeven zich vandaar naar Rjeka, en zakken vervolgens de Moratcha af naar het meer van Skutari, waar zij zich inschepen op groote sloepen, loudras genaamd, die met twaalf roeiers zijn bemand, om eindelijk te Antivari weder aan boord van eene of andere stoomboot te gaan. Op die wijze trekken zij het land door van de dalmatische grens tot de grenzen van Albanië. Om de meer binnenwaarts gelegen provinciën te bereizen, moet men eene karavaan organiseeren, en zulk eene reis blijft toch altijd een min of meer avontuurlijke tocht, die zeer veel tijd vordert uithoofde van den ongeloofelijk slechten staat der wegen. Men moet te Cettinjé gidsen nemen, de noodige levensmiddelen medevoeren, zich van paarden of muilezels voorzien, en wel zorgen dat men het geschikte jaargetijde kiest. Is men van goede aanbevelingsbrieven of officieele dokumenten voorzien, dan geeft de Vorst een of twee krijgslieden zijner lijfwacht mede, die tot gewapend geleide dienen. Met uitzondering van de geneesheeren, die in het land verblijf hebben gehouden, van de ingenieurs en de sekretarissen van den Vorst, zijn er maar zeer weinig reizigers, die al de verschillende provinciën van het vorstendom hebben bezocht; maar wie zich tot een bezoek aan Cettinjé bepaalt, krijgt van het land een zeer onvolkomen en daarbij zeer ongunstigen indruk; wie zich van Montenegro een eenigszins juist denkbeeld wil vormen, moet minstens tot aan het meer gaan. De tocht echter over de bergen naar Rjeka is misschien even bezwaarlijk, als die van Cattaro naar Cettinjé. De reis duurt niet langer dan vijf uren, maar de weg stijgt voortdurend tot Granitza, van waar men een prachtig uitzicht heeft. Vóór zich ziet de reiziger de vallei van de Rjeka; de schitterende, onafzienbare watervlakte van het meer met de citadel van Zabljak, den ouden zetel der Vorsten van Zeta, eer zij hunne residentie naar Cettinjé hadden verlegd; voorts de turksche eilanden Vranina, Monastir en Lesendria; de bergen van Albanië en het land der Mirditen.—Voorbij Granitza begint de weg te dalen, en wordt de tocht hoogst bezwaarlijk; de paarden glijden bij iederen voetstap uit, en de bij uitnemendheid woeste omgeving draagt er niet toe bij, om de ongemakken en gevaren van de reis te doen vergeten.

VII.

Montenegro bezit noch ruïnen, noch gedenkteekenen; men treft er nauwelijks enkele sporen van vroegere tijden aan: maar de bewoners des lands mogen op onze volle belangstelling aanspraak maken, en in deze schier ontoegankelijke bergen vindt men nog in al hare zuiverheid en ruwheid de zeden van lang vervlogen eeuwen terug.

In dezen kleinen, half patriarchalen staat heeft ieder het recht, wapenen te dragen en zijne stem uit te brengen in de volksvergaderingen. Alle onderdanen zijn voor de wet gelijk; men kent hier geen klassen of standen, hetgeen niet belet, dat deze of gene familie, sedert langen tijd gewoon aan het hoofd van haar stam of clan te staan, daardoor van zelve een zeker traditioneel aanzien heeft verworven. Met uitzondering van de vorstelijke waardigheid, is echter geen enkel ambt erfelijk, en de geringste onderdaan kan naar de hoogste betrekkingen dingen:—echter, onder drie voorwaarden. Heeft hij zich door eigen arbeid en inspanning, door bekwaamheid en talent, fortuin verworven, dan vestigt zich de keus zijner medeburgers als van zelve op hem; ditzelfde is ook het geval, indien hij zich in den oorlog door bijzondere dapperheid of door een of ander schitterend wapenfeit heeft onderscheiden; eindelijk is meerdere kennis en ontwikkeling, door studie of reizen verkregen, bekendheid met vreemde talen en andere landen, eene zeer sterke aanbeveling voor ieder, die naar openbare ambten dingt.

Als algemeenen regel mag men, geloof ik, aannemen, dat de bewoner van Tzernagora donker van uitzicht is, terwijl die van de Berda meer naar het blonde trekt, zoo als sommige Zuid-Slaven. Over het geheel bladzijde 388genomen, zijn beiden mager, slank, rijzig en welgevormd, zeer dikwijls indrukwekkend van voorkomen, en in gang en manieren somwijlen ietwat gemaakt. De inwoners van Tzernitza en Bjelopavitzka onderscheiden zich van alle anderen door hunne hooge gestalte, en herinneren aan de schoone dalmatische typen uit den omtrek van Knin. Daar zij nooit onder elkander trouwen—want de grieksche Kerk verbiedt het huwelijk tusschen bloedverwanten zelfs in zeer verren graad—vernieuwt de type zich zonder ophouden; en dewijl ten gevolge van de weinige zorg voor de kleine kinderen, van het ruwe klimaat en de verwaarloozing van de eenvoudigste gezondheidsregelen, zeer veel kinderen in jeugdigen leeftijd sterven, blijven alleen de gezondsten en krachtigsten in leven. Echter vertoont de montenegrijnsche type zich niet altijd in zijne zuiverheid; en dit is geen wonder: Montenegro was langen tijd eene wijkplaats, waar ieder, die zich aan de turksche dwingelandij wilde onttrekken of zich op turksch gebied niet langer veilig gevoelde, heen trok, dikwijls zonder iets anders dan zijne wapenen mede te brengen.

Groote liefhebbers van alle lichaamsoefeningen, onvermoeide voetgangers, gewend aan eene onophoudelijke worsteling met de onbarmhartige natuur, zijn de Montenegrijnen, om zoo te zeggen, in een voortdurenden staat van overspanning; zij kunnen de zwaarste vermoeienissen trotseeren, en zijn met even weinig tevreden als de Arabieren der woestijn. Wanneer zich de gelegenheid daartoe aanbiedt, vervallen zij echter lichtelijk tot onmatigheid, en dezelfde bergbewoner, die gewoonlijk van brood, van aardappelen, van rijst of tarwe leeft, en zijn dorst lescht met het water der naaste bron, zal, als er een schaap geslacht wordt, ongeloofelijke massaas verslinden; en gaat hij zich eenmaal te buiten aan brandewijn, dan kent hij ook geen perken meer.

Op de grenzen van Herzegowina en Montenegro, in de nabijheid van Grahovo, heb ik een paar dagen gelogeerd bij een Dalmatiër, die een kleinen drankwinkel hield; hij verhaalde mij, dat hij er zich aanvankelijk op had toegelegd, brandewijn te verkoopen van beter kwaliteit en minder met vreemde bestanddeelen vermengd dan die van zijn buurman, in het vertrouwen dat hij daardoor klanten zou trekken. In die verwachting was hij evenwel bedrogen geworden: zijn buurman, die veel slechter brandewijn verkocht, maar waarin meer vitriool was gemengd, had veel meer te doen dan hij. Deze door het gebruik van heete specerijen en sterke oliën bedorven kelen hebben een dergelijken heftigen prikkel noodig.

De krachtige, gezonde Montenegrijn ademt de frissche versterkende berglucht in, en bewaart de harmonie zijner physieke krachten en vermogens door voortdurende oefening, door spelen die aan de antieke wedstrijden en kampgevechten doen denken, waarin kracht en vlugheid om den prijs dingen. Hij is van nature vroolijk van aard, levendig van geest, en begaafd met eene zeer sterke verbeelding. Hij is onstandvastig en veranderlijk: geduld en volharding zijn hem zeer dikwijls vreemd; heeft hij eenmaal een denkbeeld opgevat, dan grijpt hij in zijne verbeelding reeds aanstonds het einddoel, geeft zich niet volledig rekenschap van de moeilijkheden, die te overwinnen zijn, en schat den te behalen prijs dikwijls veel hooger dan hij inderdaad waard is. Er is iets kinderlijks in deze zoo moedige, zoo onverschrokken strijders: slagen zij niet aanstonds in hun vermetelen aanval, dan gebeurt het dikwijls, dat zij eensklaps alle zelfvertrouwen verliezen en beschroomd worden. Ook in het gewone leven slaat de Montenegrijn zeer licht van vreugde tot droefheid, van blijmoedig vertrouwen tot doffe wanhoop over; en met zekeren takt valt het dikwijls niet moeilijk, zijn opgewekte drift weder tot bedaren te brengen of hem tot datgene te bewegen, waartegen hij zich eerst ten sterkste kantte.

Zijne wapenen zijn hem meer dan alles waard; zelfs de armsten getroosten zich elke opoffering om hun gordel te kunnen versieren met een kostbaren handjar of een paar fraai bewerkte pistolen, waarmede zij zeer goed weten te schieten; de meer vermogenden koopen in Albanië die met zilveren knoppen versierde wapenen, die onder den naam van ledenitze bekend zijn; in den laatsten tijd zijn ook onder hen revolvers geene zeldzaamheid. In zeker dorp, waar ik vertoefde, had een der inwoners zich een naaldgeweer aangeschaft, dat hem juist bezorgd werd en zeer waarschijnlijk hier nog geheel onbekend was; de gelukkige bezitter van dit nieuwe wapentuig werd den ganschen dag als het ware bestormd door zijne buren, die het geweer kwamen bekijken en het allen wilde probeeren; uren achtereen was het een schieten zonder ophouden, en op het gelaat van alle aanwezigen was duidelijk te lezen, hoezeer zij hun makker het bezit van een zoo kostbaar wapen benijdden. In de laatste jaren heeft de wapenrusting van de Montenegrijnen eene geheele verandering ondergaan; de geweren, die thans van regeeringswege worden uitgedeeld, zijn allen vervaardigd naar een der verschillende stelsels, bij de europeesche legers in gebruik; maar bovendien schaft ieder zich eigen wapenen aan, geheel overeenkomstig zijn smaak en zijne middelen. Zij, die in de nabijheid der oostenrijksche grenzen wonen, hebben karabijnen en Martini-geweren; naar gelang men verder in het binnenland komt, vindt men des te grooter verscheidenheid in de soort van geweren, die aan eigenaardigheid en sierlijkheid van vormen winnen, wat zij aan juistheid verliezen. Ondanks de onvolkomenheid van hunne vuurwapenen, zijn de Montenegrijnen zeer bekwame schutters. De Turken hebben een instinktmatig besef van afstanden, die zij met groote juistheid berekenen: aan deze eigenschap danken zij hunne bekwaamheid als artilleristen; de Montenegrijnen bezitten dezelfde eigenschap en oefenen zich voortdurend in het schijfschieten. Op de vlakte achter het paleis, ziet men zeer dikwijls den Vorst met de heeren zijner omgeving naar den prijs schieten, waarbij zijne zuster menigmaal, met een pistool in den gordel, de rol van kamprechter vervult.


De doop van den zoon des Vorsten te Cettinjé.

De Montenegrijn heeft van nature een waardig en hooghartig voorkomen en een sierlijken, gemakkelijken gang: hij is zich van deze voorrechten zeer wel bewust bladzijde 390en poseert gaarne. Uit zijn aard is hij zeer hoogmoedig; zijn gevoel van eigenwaarde, het bewustzijn van zijn moed, van zijne bedrevenheid in alles wat tot den wapenhandel en den krijg behoort, heeft althans dit voordeel, dat hij dikwijls de meest roekelooze ondernemingen durft bestaan, die meermalen met goeden uitslag bekroond worden. Dit volk vertoont, over het geheel genomen, eene zonderlinge mengeling van deugden en gebreken. De Montenegrijn spreekt luide en op hoogen toon; hij is trotsch, ongenaakbaar, terugstootend vaak; als hij alleen over straat gaat en bespeurt dat men hem gadeslaat, dan richt hij zich nog meer omhoog en neemt nog fierder houding aan; en niettemin is hij goedhartig en onderdanig tegenover zijn meerderen. Hij heeft bepaald aristokratische airs, en toch is hij in den grond van zijn hart demokraat: want ook aan den nederigsten zijner broederen weigert hij den vredekus niet, en verkeert met hem op een voet van gelijkheid, die allen beleedigenden trots buitensluit.

De nationale kleederdacht strookt uitnemend met die ingeschapen zucht van den Montenegrijn, om zich op zijn voordeeligst voor te doen, met zijn aangeboren liefde voor pracht en schittering, waaraan zelfs de armsten alles ten offer brengen. Ten einde die verderfelijke ijdelheid zooveel mogelijk te beteugelen, gaf Vorst Nikolaas, reeds in het tweede jaar zijner regeering, het voorbeeld van vereenvoudiging in het kostuum: hij trachtte het overmatig gebruik van kostbare stoffen, van gouden borduursels, van prachtige pelterijen, die dikwijls het grootste gedeelte van het vermogen van den eigenaar verslonden, te beperken, en zoo mogelijk af te schaffen. Hij verving toen de fraaie, zware gouden nestels van de djamadan (het over de borst gekruiste vest), door eenvoudige zwarte koorden, die ook goed staan. Deze pronkzucht is trouwens een kenmerk van het ras: de commissionnairs en bestellers te Ragusa, die toch zeker niet tot de gegoede burgers behooren, spreiden in hunne kleeding nog meer pracht en rijkdom ten toon. De vervaardiging van deze gouden en zilveren kwasten, nestels en koorden, waarmede de djamadans en andere kleedingstukken versierd worden, is een der voornaamste takken van bedrijf in de groote steden van Turkije, Servië, Bosnië, Dalmatië en Herzegowina. In de bazars van Serajewo, Belgrado, Banjaloeka, Mostar, in Albanië, en zelfs in die der meeste steden van Dalmatië, vindt men eene geheele straat, uitsluitend ingenomen door de werkplaatsen en winkels der kleermakers, die, den ganschen dag neergehurkt bij hun arbeid, deze prachtvolle sieraden vervaardigen, welke toch voor het meerendeel door armen en onvermogenden worden gedragen.

De Montenegrijn is niet zeer werkzaam van aard, en ziet met zekere minachting neder op allen handenarbeid: werkeloosheid is voor hem het teeken en het bewijs zijner persoonlijke waardigheid. Trouwens, in alle tijden en bij alle volken, was en is nog, ondanks den schijn dien men zich bij wijlen geeft van het tegendeel te willen, ontheffing van persoonlijken arbeid, met name handenarbeid, het teeken en voorrecht der aristokratie: wie met handenarbeid in zijn onderhoud moet voorzien, stond en staat nog, in de schatting aller volken en aller eeuwen, maatschappelijk lager dan hij, die, van deze verplichting ontheven, zijn vermogens en tijd op andere wijze, tot hooger doel kan besteden. In de laatste jaren zijner regeering, had Vorst Danilo, om de schadelijke gevolgen van dezen arbeidschuwen zin te keeren, eenige bekwame jongelieden naar het buitenland gezonden, ten einde daar een of ander ambacht te leeren, waarin zij dan vervolgens anderen zouden hebben kunnen onderrichten. Deze poging is mislukt; maar overigens is in menig opzicht, in den jongsten tijd, het peil der algemeene zedelijkheid zeer gerezen; overal heerscht volkomen veiligheid, en de vreemdeling kan, geheel alleen, het gansche land doortrekken, zonder vrees voor eenig gevaar.

Tot voor weinige jaren ondernamen de bewoners van het vorstendom geregeld strooptochten in Herzegowina, Bosnië en Albanië; deze razzias, tchétas genoemd, waren tot eene vaste gewoonte geworden, waarin niemand iets onbehoorlijks zag. Trouwens, wij moeten billijk zijn: het was niet enkel roofzucht of baldadigheid, die de Montenegrijnen daartoe dreef, maar zeer dikwijls de nood, in den meest letterlijken zin van het woord. Het arme, zoo weinig voor bebouwing geschikte land kon menigmaal zijn bewoners niet voeden: er schoot dan geene andere keus over, dan van honger te sterven of met het zwaard het noodige levensonderhoud te winnen. Die keus was er geene voor den krijgshaftigen Montenegrijn: spoedig was er eene gewapende schaar bijeen, en men toog naar de naburige vlakten en dalen om graan en vee te halen en met buit beladen terug te keeren, of in het gevecht met eere te vallen. Intusschen had reeds Vorst Danilo deze strooptochten afgekeurd, en ze met roof en diefstal gelijk gesteld; toch is er veel inspanning en zelfs de tusschenkomst der europeesche mogendheden noodig geweest, om aan dit schromelijk misbruik een einde te maken. Jammer slechts, dat men, uit kleingeestigen naijver, aan Montenegro onthoudt, wat het volstrekt noodig heeft om te kunnen leven en zich ontwikkelen: bouwgrond in de vlakte en een haven aan de kust.

Nog eene andere eigenaardigheid zou men gaarne voor goed uit de zeden der Montenegrijnen zien verdwijnen: de afschuwelijke gewoonte om de lijken hunner gevallen vijanden te verminken, en hun hoofd, neus of ooren af te snijden. De laatste souvereinen van Montenegro, verlichte en beschaafde mannen, die gereisd hadden en de voornaamste hoofdsteden en hoven van Europa bezocht, verheelden den afkeer niet, dien deze barbaarsche gewoonte hun inboezemde; weldra gingen zij verder: zij verboden de tentoonstelling dezer bloedige zegeteekenen, en bedreigden eindelijk ieder, die betrapt werd op het verminken van lijken of gevangenen, met de strengste straffen. Wilkinson, die in 1840 het vorstendom bezocht, zag op den toren van het klooster te Cettinjé twintig hoofden op kleine palen uitgestald. Na dien tijd spreken de verschillende reizigers, die het land bezocht hebben, nog steeds van de reputatie, die een of ander krijgsman zich kon verdienen door het afslaan van een zeker aantal hoofden; bladzijde 391ook is het zeker, dat in de voortdurende oorlogen gedurende de laatste regeeringsjaren van Danilo en de eerste van Vorst Nikolaas, deze bloedige gewoonte nog steeds in zwang was;—maar sedert eenige jaren durft men toch niet meer op dergelijke heldenfeiten in het openbaar roem dragen.

Tijdens den jongsten opstand, en gedurende den oorlog van 1875–'76, zijn dergelijke gevallen op nieuw voorgekomen, want tusschen Turken en Montenegrijnen heerscht een doodelijke, onverzoenlijke haat, die alle barmhartigheid buitensluit; maar daar, waar de strijd het karakter aannam van een regelmatigen oorlog, onder de leiding van legerhoofden, die iets anders waren dan de aanvoerders van vrijbuitersbenden, heeft men daarentegen zoo veel mogelijk gevangenen gemaakt, die op dezelfde wijze behandeld werden als de krijgsgevangenen in Europa. In Herzegowina is van dezen regel zeer dikwijls afgeweken; en ik zelf heb, in Bosnië, aan een der turksche voorposten langs de servische grens, twee afgehouwen hoofden van rajas bij de hairen opgehangen gezien. Toen ik eene teekening van dien post met deze afzichtelijke zegeteekenen wilde maken, liep ik zelf ernstig gevaar, door de Turken mishandeld te worden; enkel omdat ik mijn album had geopend, werd ik door turksche soldaten naar de oostenrijksche grenzen gevoerd.

Een engelsch reiziger, Tozer, meent dat de bergbewoner zijn gesneuvelden vijand het hoofd afslaat, met geen ander doel dan om een zichtbaar teeken van zijne overwinning te kunnen toonen. “Maar de Turken hebben ons het voorbeeld gegeven,” zeggen de Montenegrijnen; en mijne eigene ervaring heeft mij geleerd, dat overal waar Mohammedanen en Christenen op het slagveld tegenover elkander staan, in Europa zoowel als in Azië of Afrika, de eersten steeds de afschuwelijke gewoonte van het onthoofden der lijken of gewonden hebben toegepast.

De vreemdeling, die de servische taal niet verstaat, en dus, verstoken van de gelegenheid om met het huiselijk leven bekend te worden, het montenegrijnsche gebied maar in der haast doortrekt of er slechts korten tijd vertoeft, loopt groot gevaar, zich eene geheel valsche voorstelling te vormen van den toestand en den werkkring der vrouw in het vorstendom. Indien hij enkel naar den uiterlijken schijn oordeelt, zal hij kwalijk anders kunnen dan haar beklagen dat zij ooit geboren werd. En inderdaad moet het gezicht dier lange rijen van uitgeputte, afgesloofde vrouwen, die, met zware vrachten beladen, tegen de steile bergpaden op- en afklauteren, alsof zij lastdieren waren, wel bovenal doen denken aan een toestand van slavernij; terwijl ook de houding van den man tegenover haar, zijne minachting of liever volkomen onverschilligheid als hij hare tegenwoordigheid zelfs niet schijnt op te merken, een duidelijk bewijs is voor hare ondergeschikte maatschappelijke stelling. Maar wie niet aan deze uiterlijke teekenen blijft hangen, en inlichtingen vraagt bij de meer verlichte en beschaafde Serviërs, die met den werkelijken toestand goed bekend zijn, zal al spoedig ontwaren, dat de montenegrijnsche vrouw, in den schoot der familie, velerlei vergoeding vindt voor de haar opgelegde taak, die zeker zwaar is, maar toch haar zelve lang zoo zwaar niet valt, als wij, in gansch andere omgeving en geheel anderen kring van denkbeelden opgevoed, dit wel meenen.

Het is niet tegen te spreken, dat de geboorte van eene dochter door het gezin als een ongeluk, of minstens als eene groote teleurstelling wordt beschouwd; men heeft daar, niet zeer lang geleden, nog een merkwaardig voorbeeld van kunnen zien. De Vorst telt onder zijn zeven kinderen maar één zoon; en toen de keizer van Rusland, bij gelegenheid dat de bevalling der Vorstin werd tegemoet gezien, had beloofd peter te zullen zijn van het verwachte kind, werd de adjudant van den Tsaar door het volk vrij koel ontvangen, omdat het jonggeboren kind, tot groote spijt van het publiek, een meisje was.

De geboorte van een jongen verwekt daarentegen de grootste vreugde, die zich op allerlei wijze openbaart: geweerschoten weerschallen door het gebergte; al de buren worden uitgenoodigd tot het feestmaal; overal heerscht opgewekte vroolijkheid, en ieder spreekt de beste wenschen uit: zeer karakteristiek is daaronder zeker de wensch, die den jonggeboren knaap wordt toegebracht, dat hij niet in zijn bed moge sterven. Is er daarentegen eene dochter geboren, dan treedt de vader op den drempel zijner woning, en vraagt, met neergeslagen oogen, verschooning aan zijn vrienden en geburen; hij verontschuldigt zich, hij durft bijna niet bekennen wat er gebeurd is, maar ieder bespeurt het aan zijne blijkbare teleurstelling. Geschiedt het eenige malen achtereen dat de echtgenoote, in plaats van den vurig verlangden erfgenaam en aanstaanden soldaat, haren man slechts dochters schenkt, dan moet zij, volgens eene oude volksoverlevering, zeven priesters tot zich roepen, die gewijde olie door het huis sprenkelen, en den drempel wegnemen van de deur der woning, die op den bruiloftsdag betooverd werd.


Weeklacht over de dooden.

Het jonge meisje wordt in huis opgevoed, waarbij zeker van geenerlei vertroeteling sprake kan zijn; maar dit neemt niet weg, dat ook het dochtertje deelt in al de zegeningen der moederzorg en moederlijke tederheid—en de slavische vrouwen zijn zorgvolle en tedere moeders bij uitnemendheid. Zoo lang zij zelve niet gehuwd en moeder van een gezin is, moet het montenegrijnsche meisje al het huiswerk, ook het zwaarste en ruwste, verrichten en deelen in al de ontberingen en ongemakken van dit aartsvaderlijke, harde leven. Dagelijks moet zij, aan de dikwijls hoog in het gebergte gelegen bron, het watervat gaan vullen; voorts moet zij in het bosch, of langs de hellingen en in de kloven der rotsen, hout gaan kappen; eindelijk moet zij het maal gereedmaken voor haren heer en meester, die in de zon zit te rooken, wandelt of ter jacht gaat. Behalve deze huishoudelijke bezigheden, breit zij kousen en vervaardigt warme kleedingstukken voor den winter; zij spint en borduurt ook, maar haar borduursels zijn veel minder fraai dan die der dalmatische vrouwen. De jonge meisjes zijn hier niet, als bij ons, het voorwerp van allerlei attenties en beleefde hulde; niemand denkt er aan, haar het hof te maken. De natuurlijke aantrekking bladzijde 393tusschen de beide geslachten bestaat hier—het behoeft niet gezegd—zoo goed als elders; maar die zekere aangeboren koketterie, die maakt dat iedere vrouw zich in haar hart gevleid en gestreeld voelt door de hulde welke een man haar bewijst,—ook al meent zij zich voorzichtiglijk daaraan te moeten onttrekken—deze kent de montenegrijnsche vrouw eigenlijk niet. Even als zij zich niet vernederd gevoelt door den toestand van dienstbaarheid, waarin zij verkeert, zoo schijnt zij zich ook niet te verhoovaardigen op de bewondering, die haar somwijlen bewezen wordt; zelfs kwam het mij meermalen voor, dat de schoonste vrouwen zekeren angst en beklemming gevoelden, als een vreemdeling, door hare schoonheid getroffen, zijn oogen op haar gelaat vestigde. De montenegrijnsche vrouw erkent geene andere liefde, dan die door het huwelijk gewettigd en geheiligd wordt; zoo de verleider ongezind mocht zijn, het gepleegde misdrijf weder goed te maken, zou hij zijn vergrijp zwaar, misschien wel met het leven, boeten. Trouwens, zulke gevallen zijn hoogst zeldzaam; de vrouwen worden alom ontzien; ge zult ze overal, op de eenzaamste plaatsen, in de bosschen, op de bergen, alleen ontmoeten, en niemand denkt er aan, hoe jong en weerloos ze ook mogen zijn, haar eenige beleediging aan te doen. En toch treft men onder de montenegrijnsche meisjes typen aan van uitnemende schoonheid: slanke, heerlijk gevormde gestalten, fijn besneden zachte gelaatstrekken, met dien onuitsprekelijk bekoorlijken mat-bleeken tint der oostersche vrouwen, waaraan de groote donkere oogen, door lange zwarte wimpers overschaduwd, eene zoo wondervolle uitdrukking bijzetten.


De metropolitaan van Montenegro.

Vroeger was het vrij algemeen de gewoonte, om de kinderen, reeds in de wieg, met elkander te verloven: daardoor werden tusschen twee bevriende familiën bladzijde 394nieuwe banden, die ook voor de toekomst zouden gelden, gevlochten. Naar men mij verzekert, begint deze gewoonte steeds meer in onbruik te geraken. De montenegrijnsche meisjes huwen tusschen haar zestiende en twintigste jaar; de jonge mannen treden doorgaans tusschen hun twintigste en vijf-en-twintigste jaar in het huwelijk, ondanks het montenegrijnsche spreekwoord, volgens hetwelk zij eene vrouw nemen zoodra zij het zwaard omgorden. Heeft de jonkman zijne aanstaande gekozen, dan moeten zijne ouders en naaste bloedverwanten, in familieraad vereenigd, die keuze goedkeuren; is deze goedkeuring verkregen, dan gaat hij, zeer vroeg in den morgen, in stilte de hand van het jonge meisje vragen: want de Montenegrijnen, ovenals alle Serviërs, zijn zeer teergevoelig en willen niet gaarne dat eene mogelijke weigering in het dorp bekend worde; maar het spreekt van zelf, dat de toestemming der familie niet gevraagd wordt, zoolang de jongelui het onder elkander niet eens zijn geworden. Daarna worden over en weder bezoeken afgelegd; doch eerst bij het derde bezoek ontmoet de verloofde zijne aanstaande vrouw, en mogen zij elkander de gebruikelijke geschenken ter hand stellen. Het jonge meisje krijgt muilen, en de jonkman ontvangt in ruil een door zijne uitverkorene geweven en geborduurd hemd. Tot op den dag der bruiloft mag hij de woning zijner aanstaande niet meer betreden; die dag wordt in eene bijeenkomst der beide familiën bepaald. Deze bijeenkomst, de svila (zijde) genoemd, heeft doorgaans drie weken voor de inzegening plaats; daarbij wordt ook het getal der te noodigen gasten vastgesteld, en de som bepaald, die voor bruidsgeschenken zal worden besteed. De bruigom is daarbij niet tegenwoordig; maar hij weet dat de svila gehouden wordt, en inmiddels moet hij twee kleine vaatjes brandewijn (raki) ten geschenke zenden, een aan zijne bruid, en het andere aan hare ouders. Zoodra do svila is afgeloopen, worden de genomen besluiten ter kennisse van de bruid gebracht door drie afgevaardigden, die haar tevens linnen voor hemden, zijde om te borduren en een klein goudstuk aanbieden; daarop drinken de drie bloedverwanten van den jonkman met die van de bruid van den gezonden raki. Ten slotte worden de ringen gewisseld en de verloving heeft plaats gehad. In sommige streken van Montenegro biedt de jonkman zijner verloofde een appel aan; wanneer zij dien aanneemt, is zij met hem verbonden; van dat oogenblik af danst zij niet meer in eenig gezelschap; zij gaat niet meer alleen uit en leeft teruggetrokken, zich geheel aan het huiswerk wijdende.

Zoo een jong meisje van die gewoonte afweek en na hare verloving voortging, niet met de jonge mannen te koketteeren,—want dat doet zij nooit—maar eenvoudig aan hunne uitspanningen deel te nemen, dan zou dit een voldoenden grond opleveren voor de verbreking van het engagement. En zoo iets kan zeer ernstige gevolgen na zich sleepen. Er zijn enkele gevallen voorzien, zooals, bijvoorbeeld, blindheid, waarin het geoorloofd is, het eenmaal gegeven woord terug te nemen, zonder dat dit aanleiding mag geven tot eene vendetta; maar in dat geval, geeft hij of zij, die door de ramp getroffen wordt, den ander zijne vrijheid weder;—en zeer zeker ligt er iets zeer edels en verhevens in de zwijgende onderwerping van hem of van haar, die, zonder deze vrijwillige kwijtschelding, het gegeven woord gestand zou doen.

Van alle servische landstreken, waar in hoofdzaak dezelfde gebruiken heerschen, zijn het bepaaldelijk Montenegro en Herzegowina, waar een verbreken van het gegeven woord zeer euvel wordt opgenomen. Ik heb eenigen tijd in de Militaire Grenzen doorgebracht, en ik weet dat daar, voor het verbreken van een engagement, eene schadevergoeding in geld kan worden gegeven. Maar hier gaat dat niet: weigert de jonkman zijn eenmaal gegeven woord gestand te doen, dan neemt de beleedigde partij haar toevlucht tot de wapenen, en menigmaal wordt bittere en bloedige wrake geoefend. In sommige streken van Dalmatië moet het jonge meisje, als zij het engagement verbreekt, dubbel de waarde vergoeden der geschenken, die zij ontvangen heeft.

Het is bekend, dat de grieksche Kerk het huwelijk tusschen bloedverwanten tot den vierden graad ingesloten verbiedt; de Montenegrijnen zijn op dit stuk nog strenger dan hunne Kerk: de gewoonte verbiedt bij hen zelfs huwelijken tusschen familieleden in den negenden graad. Jongelieden, die tot denzelfden clan, tot hetzelfde geslacht, behooren, mogen niet met elkander trouwen, al bestaan zij elkander ook slechts in den twintigsten graad.

De huwelijksplechtigheden zijn zeer ingewikkeld, en het volk hecht daaraan zeer groote waarde; zij vertoonen een zeer eigenaardig karakter: alles heeft eene symbolische beteekenis, en deze gebruiken worden sedert eeuwen zeer nauwgezet nageleefd. Eene uitvoerige beschrijving zou ons te veel afleiden en meer ruimte vorderen, dan waarover ik beschikken mag; ik zal slechts op enkele merkwaardige bijzonderheden wijzen, die ons in gedachte terugvoeren tot de alleroudste tijden en een diepen zin hebben. Als de jonggehuwde vrouw den drempel der echtelijke woning betreedt, biedt men haar eene kleine tarweschoof aan en een bord vol broodkruimels, welke voorwerpen zij op de tafel in de eetkamer nederlegt; zij zelve brengt een brood mede, als symbool van den rijkdom, dien de jonge vrouw in hare nieuwe woning aan moet brengen. Bij alle Serviërs, en dus ook in geheel Montenegro, is het de gewoonte dat de jonge vrouw, bij hare intrede in de nieuwe woning een knaapje bij de hand voert, hetwelk zij vervolgens boven haar hoofd in de hoogte heft en driemaal laat omdraaien: met dien knaap worden voorspoed en kracht het deel van het aanstaande gezin.

VIII.

De inrichting der familie is bij de Montenegrijnen, in hoofdzaak, dezelfde als bij alle Zuid-Slaven: ook zij leven in groote gezinnen, in groepen van verwanten van zeer onderscheiden graad, die een gemeenschappelijken stamvader hebben; een dorp bestaat uit een zeker aantal dezer groepen. In Slavonië en Kroatië dragen deze familiegroepen den naam van zadruga, bladzijde 395hetgeen in het servisch maatschap of vereeniging beteekent; overigens verschilt de naam eenigszins in de onderscheidene streken van het Balkan-schiereiland. Wij bepalen ons hier tot Montenegro, waar het geslacht of de maatschap zelve den naam draagt van dom (huis), het hoofd van het gezin dien van domacin, en zijne vrouw dien van domacica.

Als een jong meisje, door haar huwelijk, in een ander geslacht, dat van haar man, overgaat, dan heet het geslacht, waaruit zij zelve afkomstig is, niet langer haar dom (huis), maar haar rod (verwantschap). Die gezinnen of familiën bestaan uit een zeker aantal personen, dat niet overal hetzelfde is. De heer Bogisic, die van deze zaak bepaaldelijk zijne studie heeft gemaakt, meent dat in Montenegro eene familie gemiddeld tusschen de twintig en vijf-en-twintig personen telt.

Het hoofd van zoodanig gezin oefent volstrekt geene onbeperkte macht uit; hij wordt door de leden der familie gekozen, zoodat de noodzakelijke onderwerping van ieder lid aan zijn gezag altijd het karakter van vrijwillige gehoorzaamheid behoudt en dit gezag zelf zijne grenzen heeft. In Montenegro, dat nimmer aan de turksche tirannie onderworpen werd, zijn de oude inrichtingen nog bijna geheel ongeschonden in stand gebleven, zoodat men hier de uitnemendste gelegenheid vindt om de antieke organisatie der servische familie te bestudeeren.

Het doel der gemeenschap is in de eerste plaats de exploitatie van aller gemeenschappelijk bezit, ten meesten bate van allen te zamen en van ieder in het bijzonder. De akkers, de weilanden, de tuinen, de landbouwwerktuigen en gereedschappen vormen het gemeenschappelijk en onvervreemdbaar eigendom der familie. Hot opperhoofd, de domacin, wordt door de mannelijke leden der familie gekozen; hij behoeft niet juist altijd de oudste te zijn, want hoewel de Serviërs in hooge mate eerbied voor den ouderdom gevoelen, wordt er toch in het hoofd der familie bovenal kracht, zelfstandigheid en energie vereischt. Niettemin behoudt toch, wanneer een jonger lid der familie, uitmuntende door zijne bekwaamheden, met de leiding der zaak belast is, de oudste in jaren voor het uiterlijke de waardigheid en het officieel gezag. Doorgaans volgt de oudste broeder zijn overleden broeder op, zooals de oudste zoon zijn vader; echter kan zelfs eene vrouw, indien zij de noodige talenten bezit, gekozen worden; nog meer: eene ongehuwde dochter zou, in geval van zeer buitengewone bekwaamheid, met de opperste leiding der zaken belast kunnen worden; maar in dat geval voert zij niet den officieelen titel, die dan gedragen wordt door den zoon, den rechtstreekschen erfgenaam, al is deze ook nog een zuigeling.

De verkiezing van een familiehoofd geschiedt altijd met zekere plechtigheid, waarbij ook de kerkelijke wijding niet ontbreken mag: meestal heeft deze ceremonie plaats op Kerstdag. De domacin presideert de familie-vergaderingen en vertegenwoordigt de algemeene belangen der gemeenschap; hij voert het beheer, oefent het toezicht uit, en is bevoegd te straffen. Hij doet de noodige uitgaven en inkoopen; beheerder van het gemeenschappelijk familiegoed, mag hij daar niets van afnemen, zelfs niet voor zijn onderhoud of dat zijner kinderen. De eer des huizes is aan zijne hoede toevertrouwd; en is bekwaamheid noodig, niet minder is moed een vereischte: want wij zijn in een land, waar familieveeten zeer dikwijls tot bloedige conflicten kunnen leiden. Niettemin moet hij zoo lang mogelijk trachten, den vrede te bewaren, de geschillen uit den weg ruimen, de weduwen en weezen beschermen. Allen bewijzen hem de verschuldigde eer: hij zit op de hoogste plaats aan het hoofd der tafel en bedient al de gasten; als hij de woning binnentreedt, rijzen alle aanwezigen van hunne zitplaatsen op. Geene uitspanning, geen spel of gezang in den kring der familie is geoorloofd zonder zijne toestemming; zelfs mag men in zijne tegenwoordigheid niet rooken, zonder dat hij door een teeken daarin bewilligd heeft. Echter is zijne rechtsmacht over de leden der familie verre van onbeperkt; hij mag geene getrouwde vrouw berispen of straffen; ook behoort hij geen man, in tegenwoordigheid eener vrouw, verwijtingen te doen, ten einde het beginsel des gezags ongerept te handhaven. Begaat een der leden een of ander vergrijp of misdaad, dan wordt de schuldige, die natuurlijk volgens de wet des lands gestraft wordt, in den regel door een besluit der familie uitgeworpen. De vergadering dezer familiehoofden benoemt de kandidaten voor de hooge staatsambten, wanneer de algemeene volksvergaderiug bijeen wordt geroepen.

De domacin kan op eigen gezag geene besluiten van ingrijpenden aard nemen; maar als beheerder van het familiegoed heeft hij eene zeer groote macht; strikt genomen, mag hij van dat goed vervreemden en eerst daarna rekenschap afleggen. Om hem af te zetten, is volstrekte eenstemmigheid in den familieraad noodig. Blijkbare ongeschiktheid, te hooge leeftijd, dronkenschap of wel verregaande verwaarloozing der hem toevertrouwde belangen, mogen als voldoende redenen voor afzetting worden beschouwd. Deze daad moet, uit eerbied voor het karakter der instelling, mede met zekere plechtigheid geschieden. Is eenmaal tot afzetting besloten, dan rijst de oudste der familie, des avonds, na afloop van den maaltijd, in aller tegenwoordigheid op, somt in aller naam de grieven op, die men tegen den domacin heeft, en maant hem aan, zijne waardigheid neder te leggen, opdat daarna een ander in zijne plaats gekozen worde.

De domacica, de vrouw van den domacin, behoudt hare waardigheid ook na den dood van haar echtgenoot, en geniet in haar kring eene hooge onderscheiding. Zij voert het bestuur over de huishouding en ontvangt de opbrengst van de melkerij en van den hoenderhof, die zij vervolgens aan den domacin ter hand stelt; zij verdeelt het door de vrouwen en meisjes te verrichten werk, en wijst ieder hare bepaalde taak aan. Zij heeft ook het oppertoezicht over de opvoeding, leert de kinderen hunne gebeden, onderwijst hen bij hun werk en houdt hun hunne plichten voor; in de lange winteravonden vergadert zij ze om haar schoot en verhaalt hun de wondervolle overleveringen, die zij zelve ook van hare moeder geleerd heeft: de oude volksverhalen, de nationale liederen, die de geschiedenis van het volk van bladzijde 396Montenegro bevatten, en waaraan ieder stamhoofd, iedere Vorst eene bijdrage toevoegt, aldus den schat vermeerderende der zoo geliefde nationale pesmas. Ook jegens de overledenen heeft de domacica plichten te vervullen: elken zaterdag gaat zij naar het kerkhof of naar de mis voor de afgestorvenen; zij is het ook, die het gebed voor de dooden uitspreekt, een der meest aangrijpende tooneelen, die mij tijdens mijn verblijf onder de Zuid-Slaven getroffen hebben.


Stanko Radonich.

Wij willen thans kortelijk de verplichtingen en voorrechten van de leden dezer coöperatieve vereenigingen—want dat zijn die familiën eigenlijk—opnoemen. Elk lid heeft zijn aandeel in de winsten; hij heeft recht op voeding, huisvesting en kleeding, die voor gemeenschappelijke rekening verschaft worden. De vereeniging kent noch graden, noch privilegiën; maar de leeftijd en de sekse kunnen de aan ieder toekomende rechten binnen zekere grenzen beperken. Zoodra hij zijn achttiende jaar volbracht heeft, mag een jonkman mede zijne stem uitbrengen; tevens verkrijgt hij daardoor het recht op het hem toekomende deel van de winst. Gewoonlijk nemen de vrouwen geen deel aan de beraadslagingen; slechts in buitengewone gevallen wordt haar gevoelen gevraagd, zoo als bij voorbeeld, als er sprake is van verhuizing of van den verkoop van het familiegoed. De familieraad wordt steeds des avonds gehouden, na afloop van den maaltijd, als de arbeid geheel ten einde is; des zomers vergadert men in de open lucht. De domacin doet verantwoording van het door hem gevoerde beheer; het gaat in die vergadering doorgaans zeer kalm en rustig toe; de minderheid, zoo zij er is, onderwerpt zich zwijgend aan de beslissing der meerderheid; in den regel wordt er zelfs in het geheel niet gestemd: de overgelegde rekeningen worden goedgekeurd, en de voorstellen omtrent de verdere exploitatie van het gemeenschappelijk kapitaal bladzijde 398bij akklamatie en zonder tegenspraak aangenomen. Maar men verwacht nu ook van den domacin, wien zoo groot vertrouwen geschonken wordt, dat hij niet, zonder vooraf hare toestemming te vragen, bij koop of verkoop tot eenigszins aanzienlijk bedrag, of op andere wijze, de maatschap geldelijk verbinden zal. Daar de huwelijken in Montenegro aan zekeren regel onderworpen zijn—zoodat, bij voorbeeld, de oudere dochter vóór de jongere moet trouwen, en de huwbare dochters vóór de zoons—moet de domacin voor de handhaving van dien regel zorgen en niet al te spoedig en te onbedacht zijne toestemming geven tot eene nieuwe echtverbintenis, omdat elk jonggetrouwd paar een nieuwe last is voor de vereeniging.


Montenegrijnsche pope in krijgsgewaad, met de kerkelijke banier.

Doch ook een nieuwe bron van inkomst: want elke winst die, op welke wijze ook, aan een der leden te beurt valt, moet der geheele vereeniging ten goede komen; en wie op dit stuk bedrog zou willen plegen, zou uit de gemeenschap geweerd kunnen worden. Niemand mag, behoudens in enkele nauwkeurig omschreven gevallen, een eigen spaarpot hebben: zoo behoort, bij voorbeeld, de in den krijg behaalde buit aan den overwinnaar; zoo behouden ook de popen, leden eener familie, wat zij persoonlijk ten geschenke ontvangen, maar hunne vaste inkomsten worden bij het algemeene kapitaal gevoegd. Zoolang echter een lid der vereeniging op reis is, wordt hij beschouwd als tijdelijk daar niet toe te behooren, en hetgeen hij gedurende zijne afwezigheid verdient, blijft zijn persoonlijk eigendom. Even als elke muzelman eenmaal in zijn leven ter bedevaart naar Mekka moet gaan, zoo krijgt ook ieder Montenegrijn van de familie vergunning om naar den berg Athos te trekken, naar die beroemde grieksche kloosters, ten deele door de oude servische koningen gesticht. De bepalingen en regels omtrent de positie der afwezige leden zijn verschillend in de onderscheidene provinciën, en worden doorgaans bij speciale overeenkomst vastgesteld. Wie, in tijd van nood of tegenspoed, uit eigen middelen aan zijne vereeniging geld geeft, mag op de terugbetaling dier som geene aanspraak maken; maar dikwijls geeft de vereeniging, als zij in betere omstandigheden komt, uit eigen beweging het geleende met interest terug.

Welke is nu, met uitzondering altijd van de domacica, de stelling der vrouwen in dit gezin? Ik zeide hierboven reeds, dat men tot het intieme leven van de Montenegrijnen moet doordringen, om zich te overtuigen dat de vrouw, die schijnbaar de taak van een lastdier vervult, toch in zekeren zin met eerbied en verschooning bejegend wordt: haar toekomst is verzekerd, en over hare belangen waakt de familie met groote zorg. De vrouw torscht zware vrachten op de wegen, maar bij den veldarbeid valt haar de lichtste taak ten deel: de man ploegt, maait en dorscht het graan; zij bindt de garven en houdt de nalezing. Binnenshuis neemt zij aan den arbeid deel, zoodra haar leeftijd dit eenigszins toelaat; de bezigheden worden onderling verdeeld; de vrouwen loten onder elkander, wie op het veld en wie in huis zullen arbeiden. Ieder heeft de zorgen voor hare eigene onmiddellijke verwanten: in de eerste plaats voor den echtgenoot, dan voor de kinderen, eindelijk voor de ongehuwde broeders en zusters. Een jong meisje moet noodwendig een bruidschat, hoe gering ook, mede ten huwelijk brengen; en om haar gelegenheid te geven dien te verdienen, mag zij elken dag eenige uren voor zich zelve arbeiden; hetgeen zij met dien arbeid verdient, vormt haar bruidschat. In geen geval mag de echtgenoot zich daarvan meester maken. Zij behoudt evenzeer de erfenis harer ouders, die nooit bij de massa gevoegd wordt. Die fraaie muntstukken, die de vrouwen op de borst dragen, die prachtige, dikwijls smaakvol bewerkte juweelen en sieraden, die zware oorhangers, die rijk versierde gordels, die tot het vrouwelijk kostuum behooren, zijn haar persoonlijk eigendom en gaan bij erfenis van de moeder op hare dochters over. Voor zoo ver de vrouw met en in de vereeniging arbeidt, behoort natuurlijk de vrucht van dien arbeid ook aan de maatschap; maar als deze arbeid stilstaat, en zij elders hare diensten verhuurt, dan blijft hetgeen zij op die wijze verdient haar eigendom. Doorgaans worden ook de regelen der vereeniging met zekere toegevendheid ten aanzien van de vrouwen toegepast; en de domacica kan haar zekere voordeelen en tegemoetkomingen verschaffen, waarop niemand aanmerking maakt. Zij ontvangen haar schoenen, haar hoofddeksel en haar mantel van de vereeniging; bovendien worden alle kleedingstukken in het huis zelf vervaardigd; voor bloote sieraden moet ieder in het bijzonder zorgen.

Wij zien hieruit, dat, ondanks de uiterlijke schijn het tegendeel zou doen vermoeden, het lot der vrouwen in Montenegro niet zoo hard is; dat zij in de familie ongeveer dezelfde rechten genieten als de mannen, en met achting en onderscheiding behandeld worden. Maar de vreemdeling, die zich eensklaps ziet overgeplaatst te midden van geheel andere zeden en gewoonten, loopt altijd groot gevaar door den schijn misleid te worden, en dat te meer wanneer het, zoo als hier, niet gemakkelijk valt tot het intieme leven der bewoners door te dringen. Iemand, die de gave bezat van nauwkeurige waarneming, de reiziger Wilkinson, heeft zijn gevoelen in deze woorden uitgesproken: “In Turkije zoowel als in Montenegro, is de man despoot, en de vrouw slavin; het eenige onderscheid tusschen de beide landen is, dat de vrouw in het eene een voorwerp is van de voorbijgaande gunst des mans, een der noodige meubels van zijn huis, ongeveer gelijk staande met de paarden in zijn stal; terwijl zij in het andere het lastdier is van den man en voor hem den zwaarsten arbeid verricht. Maar de montenegrijnsche vrouw heeft het voorrecht, in eene christelijke maatschappij te leven; en hoe zwaar de taak ook moge zijn, die op hare schouders rust, zij is toch altijd de levensgezellin van haren man, en niet eene der slavinnen in zijn harem. Zij is zijne echtgenoote, de eenige moeder zijner kinderen. Zij vindt eene groote vergoeding voor haar moeilijk lot in de liefde harer zonen, die in dit land misschien inniger aan hunne moeder gehecht zijn dan in eenige andere beschaafde maatschappij.”

Ik durf verder gaan:—en zonder te spreken van zoo menig bewijs van innige liefde, hartelijke gemeenschap en volkomen gelijkheid tusschen man en vrouw, bladzijde 399dat ik gelegenheid had op te merken, durf ik beweeren, dat de stelling der montenegrijnsche vrouw, hetzij gehuwd of ongehuwd, beter gewaarborgd is dan die van hare zusters in Frankrijk en Engeland, of in de meest beschaafde landen van Europa. Ziehier het bewijs. Is de jonge vrouw, bij haar huwelijk, uit het familieverband, waarin zij geboren werd, uitgetreden, om in dat van haren man over te gaan, dan laat daarom haar familie haar niet geheel los. Werden hare rechten in hare nieuwe familie miskend en geschonden, dan zouden de leden harer eigene familie steeds gereed staan om hare belangen te bepleiten, haar te verdedigen, des noods te wreken. Weduwe geworden, kan zij tot hare eerste familie terugkeeren, die haar met vreugde ontvangt. Nooit en in geen geval blijft zij alleen, zonder steun of hulp aan haar lot overgelaten, nooit ontbreekt het haar aan een tehuis, waar zij veilig kan inkeeren; zelfs in weerwil van het nieuw ingevoerde geschreven recht, blijft het volk ten deze de aloude, voorvaderlijke traditiën en inzettingen in eere houden. Elke beleediging, een meisje, eene vrouw of weduwe aangedaan, vordert bloed, tenzij de vergoeding worde gegeven, door de familie geëischt, welke de in haar schoot geboren dochter nooit uit het oog verliest en nooit aan haar lot overlaat. Weeze geworden, vindt zij een vader in iederen huisvader, tot de vereeniging behoorende; haar broeder zal haar uithuwen, en zoo niet, zal hij zelf ongehuwd blijven, om haar het leven aangenaam te maken. Ik zou nog verder kunnen gaan, en nog meer feiten kunnen aanvoeren ter eere van dat servische volk, waarvan niettemin de mannen, als zij van hunne vrouwen spreken, tot onze groote ergernis zich steeds aldus uitdrukken: Da prostite moja xena (Mijne vrouw, met uw verlof!), zoo als een normandische boer ter nauwernood van zijn varken zou spreken. Maar ik meen door het boven aangevoerde der waarheid hulde te hebben gedaan en, naar ik hoop, iets te hebben bijgedragen tot een billijker oordeel over de zeden dezer bergbewoners, waaromtrent zoo velen, zij het ook volkomen te goeder trouw, in zonderlinge dwaling hebben verkeerd, of althans eenzijdig geoordeeld.

Toch, ondanks de dikwijls tedere zorg, waarmede in de familie, krachtens het oude traditioneele gewoonterecht, voor de belangen der vrouw gezorgd wordt, komt het in niemand op, de van God gestelde ordening om te keeren en de vrouw in alles tot de gelijke van den man te maken. Hij is en blijft de meerdere. De montenegrijnsche vrouw mag zich nooit met de zaken van haren man bemoeien; hij zal nooit van haar, zij nooit van hem tegenover derden spreken, noch ook hem bij zijn naam noemen. Zij zal zoo zeer alle betooningen van tederheid en liefde verbergen, dat ge, bij eene familie binnentredende, nooit kunt ontdekken, in welke betrekking de daar aanwezige personen tot elkander staan. De man kan ruw en heftig wezen, en hij zal dit ook somtijds zijn; hij moet zelfs tegenover zijne vrouw eene koude, minachtende onverschilligheid toonen: dat behoort tot zijn rol, dat eischt zijne waardigheid als man. Nooit gaat hij met zijne vrouw uit, tenzij dan dat de geheele familie bijeenkomt. Wat nog zonderlinger is: hij mag haar op weg niet tegenkomen; en wanneer dit onverziens toch gebeurt, houdt de man zich alsof hij zijne vrouw niet ziet, en grijpt een of ander voorwendsel aan om zich niet met haar te bemoeien: hij zal zijn schoenen vastmaken of het een of ander aan zijn kleeding verschikken. Den onbekenden reiziger zal de montenegrijnsche vrouw zonder aarzelen eenige dienst bewijzen: zij zal hem water geven om zijne voeten, van de lange wandeling vermoeid, te verfrisschen; zij zal hem met vriendelijken groet in de woning ontvangen; maar haar man mag zij niet alzoo behandelen. Als haar echtgenoot ziek ter neder ligt, zelfs als hij sterven gaat, mag zij hem niet oppassen, niet tot zijn bed naderen; ter nauwernood mag zij, als het noodlottig oogenblik gekomen is, aan hare smart lucht geven, en nooit is het haar vergund, de weeklacht over den doode aan te heffen.

IX.

De Montenegrijnen behooren genoegzaam allen tot de grieksch-orthodoxe Kerk; naar de zijde van Albanië vond men eenige muzelmannen, die langs de grenzen der Koetschi woonden, doch bij de jongste grensregeling met Turkije voor het grootste gedeelte bij het pâsjalik van Skutari zijn gevoegd.

Het geestelijk opperhoofd der Montenegrijnen is tegenwoordig de Vladika, metropolitaan van Montenegro, van Berda, van Skutari en van de Primoré, die den bisschoppelijken zetel van Cettinjé inneemt en in het groote klooster, het eenige monument der stad, resideert. Het woord vladika was eigenlijk de titel van het geestelijk en wereldlijk opperhoofd der Montenegrijnen, toen deze beide waardigheden nog in één persoon waren vereenigd; tegenwoordig beteekent dit woord, overeenkomstig zijn eigenlijken zin, alleen het kerkelijk opperhoofd, den bisschop. De tegenwoordige titularis, Hilarion Ragonovitch, die sedert 1863 den bisschoppelijken zetel inneemt, oefent bloot geestelijk gezag uit, en houdt zich stipt binnen de perken zijner herderlijke macht. Hij ontvangt geen jaargeld van den staat, maar trekt eene som van vijfduizend francs uit de inkomsten der vaste goederen, tot de kloosters van Cettinjé en Ostrog behoorende. De kerk van Montenegro is onafhankelijk; zij erkent geen opperhoofd en heeft meermalen geprotesteerd zoowel tegen de aanmatigingen van den griekschen patriarch van Constantinopel, als tegen die van de russische Synode; maar de bisschop moet, om zijne wijding te ontvangen, zich naar Moskou begeven. De beide laatste metropolitanen hebben dit althans gedaan. In de stad Ipek resideerde weleer de patriarch der Zuid-Slaven, die tusschen Slavonië, de Sau en de Drau wonen; aan dezen patriarch waren ook vroeger de metropolitanen van Montenegro ondergeschikt. In eene, op den 3den Juli 1804 gehouden algemeene volksvergadering, stelden de Montenegrijnen een adres op, aan den vertegenwoordiger van Rusland, den heer Ivelitch, gericht, en waarin zij de onafhankelijkheid hunner kerk handhaafden. Zij zeggen daarin het volgende:

“Aan de russische Synode is het waarschijnlijk onbekend, bladzijde 400dat de slavo-servische volken, voor hunne grieksch-oostersche-illyrische kerk, een eigen patriarch hadden, resideerende te Ipek, aan wiens gezag de bisschoppen van Montenegro tot in 1769 onderworpen waren. Gedurende den oorlog tusschen Rusland en de Porte, die toen was uitgebroken, trok de servische patriarch, Basilius, over ons land naar Rusland, ter zake van de vervolging der Christenen, en omdat hij persoonlijk aan groote gevaren was blootgesteld. Hij stierf te Sint-Petersburg. Hij was de laatste patriarch van het slavo-servische verbond. De zetel der patriarchen van Ipek bleef tot heden ledig. Derhalve is onze bisschop, meer dan eenig ander prelaat, geheel onafhankelijk. Zoo als de kerkelijke geschiedenis leert, ontvingen wij het Evangelie van de Grieken, en niet van de Russen.... Het bleef ons tot hiertoe onbekend, dat de russische Synode eenig gezag heeft uitgeoefend over de slavo-servische volksstammen, die buiten de grenzen van het russische rijk wonen.”


Petar Voukotitch.

De Montenegrijn is zeer gehecht aan de uiterlijke vormen en plechtigheden der godsdienst: dikwijls ziet men hem nederknielen, het teeken des kruises maken, zich het hoofd ontblooten als de klok luidt. Op den vreemdeling maakt de aanblik van eenige duizenden personen, in eene vlakte of op een plein vereenigd, en allen tegelijk het teeken des kruises makende op het eerste geluid eener klok, dat hij anders niet opgemerkt zou hebben, ontegenzeggelijk een diepen indruk, en als van zelve zal hij tot de overtuiging komen, dat de Montenegrijnen een zeer godsdienstig volk zijn. Tot op zekere hoogte is dat ook werkelijk het geval; maar sommige scherpzinnige opmerkers beschouwen hen toch eenigermate als de vrijdenkers onder de stammen der Zuid-Slaven, want de kerken worden zeer weinig bezocht, en de uiterlijkheden van de godsdienst gaan den Montenegrijnen meer ter harte dan het innerlijk leven des gemoeds. Ook in dit opzicht heerscht hier een zonderling contrast tusschen den uiterlijken schijn en het wezen der zaak. Het getal der kerken, bij voorbeeld, is zeer groot: men telt er vierhonderd in een bladzijde 401land van nog niet ten volle tweehonderdduizend inwoners; het getal der priesters beloopt tusschen de vijf- en zeshonderd; er worden veel aalmoezen gegeven, en de vasten worden streng in acht genomen; de uitoefening van iedere andere godsdienst dan de orthodoxe is verboden;—en toch kan men niet zeggen, dat bij de massa des volks de godsdienstige overtuiging diep geworteld is, of dat het geloof beslissenden invloed op hart en leven uitoefent.

De popen zijn in hooge mate onwetend, en oefenen toch een groot gezag over het volk uit, omdat zij zelven tot het volk behooren, zijn leven medeleven en deel nemen aan zijne worstelingen, met het kruis in de eene en de krijgsbanier in de andere hand. Er zijn enkele kloosters: een in Moratcha, waarvan ik reeds gesproken heb, en dat, naar men wil, gesticht zou zijn door Douchan, Koning van Servië; een, het meest beroemde, te Ostrog, waar men sedert 1873 het seminarie of bogoslavia heeft overgebracht; en een te Kern, waar de kerk staat, waarvan de Vladika Peter II archimandriet was; maar het getal monniken is zeer gering, en de dienst in deze heiligdommen wordt doorgaans door popen verricht.


Bojo Petrowitch.

De montenegrijnsche pope gelijkt, in voorkomen en manieren, op den russischen pope en den servischen pope in Kroatië, Bosnië en Servië; ge herkent hem aan zijn langen baard, aan zijne golvende hairlokken en aan zijne wijde, lang afhangende kleeding, die hem zekere waardigheid geeft; maar toch is het voor den vreemdeling dikwijls moeielijk om het gewijd karakter van deze bedienaren der godsdienst te onderkennen: want men ontmoet in het vorstendom eene menigte priesters, die als alle andere Montenegrijnen gekleed gaan, hun hair afgeknipt dragen, wapenen in hun gordel voeren, geheel een militair voorkomen hebben als de andere bergbewoners, en die niettemin de priesterwijding hebben ontvangen. Ofschoon popen, vindt gij ze in de herbergen en kroegen, hunne pijp rookende en brandewijn drinkende, of zelfs wel de guzla bespelende, zooals die oude pope, dien ik in de herberg bladzijde 402te Cettinjé ontmoette, en van wiens moed mij de dienstmeid verhaalde, terwijl zij op de vele medailles wees, die zijne borst versierden en die hij op het slagveld gewonnen had.

Alle kerken, die ik bezocht heb, zijn uiterst eenvoudig. Zij zijn meest allen naar hetzelfde model gebouwd: de inwendige inrichting is die van de grieksche kerk, met de gewone indeeling; het ikonostase, dat den dienstdoenden priester voor de oogen der menigte verbergt, wordt op sommige oogenblikken geopend, en gunt dan de aanschouwing van het binnenste heiligdom, waaruit het licht straalt en wierookgeuren stroomen. Gedurende de geheele dienst blijven de geloovigen staan; die regel geldt voor allen, de Vorst niet uitgezonderd. Bij den ingang der kerk worden de wapenen afgelegd en doorgaans aan eene vrouw in bewaring gegeven. De kosten der eeredienst worden gedragen door de geloovigen, die daartoe naar gelang van hun vermogen bijdragen. Te Ostrog, waar men jaarlijks heengaat om in het klooster de relieken van den heiligen Basilius te vereeren, worden gedurende dien tijd soms wel tienduizend francs ontvangen. Het getal feestdagen in den griekschen kalender is zeer groot; en de gewoonte om op die dagen pleizier te maken en buitensporige uitgaven te doen, is een ware ramp en een oorzaak van veel armoede en achteruitgang. In de naburige landstreken, waar de bevolking katholiek is, worden zij, die bij zoodanige gelegenheden op één enkelen dag meer dan de inkomsten van eene geheele maand verteeren, door de geestelijken en Franciskaner monniken openlijk berispt en geschandvlekt. Die kerkelijke feesten, die met de algemeen erkende, groote feest- en heilige dagen, zooals Paschen, Hemelvaart, Pinksteren, Maria-Hemelvaart, Allerheiligen, niets gemeen hebben, gaven aanleiding tot zooveel buitensporigheden en wanorde, dat Vorst Danilo, om daaraan paal en perk te stellen, de medewerking heeft ingeroepen van al de popen van het vorstendom. Over het algemeen moet die zucht tot feestvieren en eindeloos banketteeren tot de volksondeugden gerekend worden; ter gelegenheid van den verjaardag van het familiehoofd, wordt er soms acht dagen achtereen feestmaal gehouden, en het is niet zeldzaam dat dan in weinige dagen de winst van een gansch jaargetijde wordt verteerd, zoodat de familie gedurende den winter gebrek moet lijden. In het nieuwe wetboek van Danilo zijn eenige bepalingen opgenomen, om dergelijke buitensporigheden, als ook het geven van te kostbare geschenken, tegen te gaan.

Daar staat tegenover dat de Montenegrijn met zoo groote gestrengheid de vasten in acht neemt (die, zoo als men weet, in de orthodoxe Kerk zeer talrijk zijn), dat hij gedurende honderd-een-en-negentig dagen in het jaar geen vleeschspijzen gebruikt, en in de groote vasten, die negentien weken duurt, noch eieren, noch boter, noch visch eet. Er zijn zelfs vijftien dagen in het jaar, waarop het drinken van wijn hem verboden is: in dit opzicht volgt hij het voorbeeld van zijne buren, de Turken, die ook den Ramazan streng in acht nemen. De Montenegrijnen zijn overigens tamelijk verdraagzaam, en trachten op de markten en in de bazars, waar zij met de Turken samenkomen, geen propaganda te maken; godsdienstijver geeft bijna nooit aanleiding tot botsingen, en de machthebbers zijn in den regel vrij van alle kerkelijk fanatisme.

Het klooster van Cettinjé, de zetel van den metropolitaan, kan in zekeren zin als het Vatikaan van Montenegro worden beschouwd. Het gebouw doet zich schilderachtig genoeg voor, maar heeft niets monumentaals. Oorspronkelijk zoowel tot vesting als tot klooster aangelegd, bestaat het uit twee verdiepingen met laaggewelfde bogen, rustende op zware gedrongen pilaren, en tegen den rotswand leunende. In het klooster vindt men eene kerk, de voornaamste school van Montenegro, en ook eene gevangenis. Het is tevens de residentie van den metropolitaan en van zijn coadjutor. Betrekkelijk is hier alles modern, want dit palladium van Cettinjé is twee malen een prooi der vlammen geworden; men kan zelfs zeggen dat er, ten gevolge der aardbevingen en der verwoestingen van de Turken, weinig of niets van den derden herbouw overig is: het eenige overblijfsel van het oude, te vuur en te zwaard verwoeste servische klooster is een beeldhouwwerk, waarop nog de servische arend te herkennen is.

De kerk is zeer eenvoudig, maar de dienst wordt met veel pracht gevierd: de rijke versieringen en heilige gereedschappen zijn allen van modernen oorsprong, en door de laatste Vorsten geschonken. Van de gewijde vaten, kleederen en kostbaarheden, waarvan in de oude kronieken en verhalen der venetiaansche reizigers gesproken wordt, is niets meer te vinden; deze schatten, die door de servische Koningen aan de vorsten en primaten van Zèta ten geschenke waren gegeven, zijn tijdens de invallen der Turken verloren en verstrooid geraakt.

Deze kerk, of liever deze kapel, is vooral hierom merkwaardig, omdat zij, behalve de tomben van twee Vorsten, ook het stoffelijk overschot bevat van den Vladika Peter I, door alle Montenegrijnen als heilig vereerd. Daar de montenegrijnsche kerk zich als geheel onafhankelijk beschouwt, en noch het gezag erkent van de russische Synode, noch van den Patriarch van Constantinopel, moet men wel tot het besluit komen, dat de Montenegrijnen zelven hun Vladika Peter, den vierden afstammeling in rechte lijn van de Njégosch, heilig hebben verklaard. Men zeide mij evenwel, dat in dit geval de beslissing der Synode was ingeroepen geworden. Peter I is de eigenlijke grondlegger der tegenwoordige dynastie, hoewel hij de vierde van zijn geslacht was: het was juist uit aanmerking van de groote diensten, door hem aan het vaderland bewezen, dat de waardigheid van Vladika in zijne familie erfelijk werd verklaard. Nadat zijn lijk in het klooster van Stanjevitch ter aarde was besteld, had een jonkman, met zienersgave bedeeld, zoo de overlevering wil, een visioen, waarin hem de overleden Vladika verschenen was, met een lichtglans omgeven, het labarum in de hand, vol heerlijkheid en majesteit. De jonge ziener trok het land door, overal in de dorpen verhalende van het gezichte, dat hem ten deel was gevallen, en heilige liederen zingende; hij vond bladzijde 403allengs bij velen gehoor, vormde een soort van aanhang, en wist het zoo ver te brengen dat, na verloop van zeven jaren, de doodkist van den Vladika geopend werd, waarin men het lijk geheel ongeschonden, zonder eenig spoor van ontbinding, terugvond. Dit feit maakte een geweldigen indruk in het geheele land; de Vladika werd heilig verklaard, en zijn lichaam overgebracht naar de kapel van het klooster van Cettinjé, waarheen in de maand Juli schier alle Montenegrijnen ter bedevaart opgaan.—Rechts en links van den ingang der kapel bevinden zich de graftomben van twee broeders: Danilo I, den laatsten Vorst, die te Cattaro vermoord werd, en Mirko den Dappere, het zwaard van Montenegro, den vader van den regeerenden Vorst. Geen wonder alzoo, dat het klooster van Cettinjé, de zetel van den hoogsten kerkelijken dignitaris, waaraan zich bovendien zoo vele herinneringen hechten, algemeen als het voornaamste heiligdom, het palladium van Montenegro wordt beschouwd. Daar komt nog iets bij: volgens overoude gewoonte is het klooster eene onschendbare wijkplaats, zoodat ieder, die door den bisschop daarin ontvangen en toegelaten wordt, voor zijne vijanden en zelfs voor den arm des gerechts onbereikbaar is.

Ik heb op mijn uiterste gemak door het klooster gewandeld, zonder dat iemand zich om mij bekommerde; op de lage bovengalerij zat Mgr. Hilarion Ragonovitch, in zijn fraai statig kostuum, met zijne zware golvende lokken, zijn langen zijdeachtigen baard afdalende op zijne breede borst; hij koesterde zich in de zonnestralen en rookte rustig zijn tsjiboek. Op een paar schreden afstands van hem zaten enkele inwoners der stad op den vloer, bezig met het schoonmaken en herstellen hunner geweren. De zeer invloedrijke, zeer populaire metropolitaan is een krachtig gebouwd man van athletische gestalte en indrukwekkend voorkomen. Zijn heilig ambt belet den bisschop niet, een geducht en beroemd krijgsman te zijn; in 1862 heeft hij een werkzaam aandeel genomen in den oorlog tegen de Turken, en daar hij uit Herzegowina geboortig is, werd hem het opperbevel opgedragen over de manschappen in het aan die provincie grenzende gebied. De kamers van den metropolitaan zijn vrij comfortabel ingericht, maar geheel zonder karakter: zij zijn gemeubeld even als de vertrekken in de huizen langs de dalmatische kust, dat wil zeggen op zijn italiaansch.

Uit den kleinen tuin van het klooster, waar een groot aantal bijenkorven in rijen staan geschaard, voert een weg bergopwaarts naar den toren, die zich nevens en boven het klooster verheft. Oorspronkelijk moest de oude toren zeker dienen tot verdediging en vooral als wachttoren, maar hij is nooit voltooid en heeft zelfs geen deur; tegenwoordig heeft hij geene andere bestemming dan als klokketoren. Meer dan waarschijnlijk dagteekende de oorspronkelijke toren uit den tijd der servische heerschappij, en zijn de fondamenten nog uit dien tijd afkomstig; maar het gedeelte boven den grond, door Peter II herbouwd, is modern. Tot in 1848 werden rondom dien toren de afgeslagen hoofden opgehangen der gesneuvelde Turken. Dit geschiedt thans niet meer; en hoeveel prijs ik ook stel op oorspronkelijkheid en lokale kleur, de afschaffing van dit gebruik mag ik niet betreuren.

Als men, na met veel moeite tegen de steile hellingen van den Lowchen te zijn omhoog geklauterd, de grenzen bereikt van de streek waar nog het kreupelhout groeit en de geiten grazen, ontvouwt zich naar de zijde van Rjeka een prachtig panorama voor den blik. Hoe hooger ge stijgt, hoe meer de bergen ten zuiden als schijnen weg te zinken; de vlakte breidt zich uit, en diep beneden u, door een prachtvol romantisch landschap omgeven, weerspiegelen de heldere wateren van het meer van Skutari. Hoog boven u, op den top des bergs, schier wegschuilende in de wolken, bevindt zich het grafteeken van den nationalen dichter van Servië, van Peter II, den grooten Vladika, den vijfden Vorst uit het geslacht der Petrowitch. Daar begeerde hij te rusten, op de kruin van den Lowchen, onder het oog Gods, in de stille bergeenzaamheid, waar de Vila rondwaart, de fee van den Yeserski-V'rh, die eene zoo groote rol speelt in de volksverhalen en sagen der Montenegrijnen. Ik heb den top des bergs niet bestegen; men verzekerde mij, dat die beklimming zeer moeilijk is en dat men er minstens een geheelen dag voor noodig heeft. Ik ben niet verder gegaan dan tot de waterbakken van Iwan Tzernojewitch, die, zegt men, de bron ontdekte, waarvan het water, vooral na de tamelijk vermoeiende beklimming, ons zoo heerlijk smaakte. Deze plek is eene oasis midden op den berg: eene kleine vlakte, door den oprijzenden rotswand tegen de schrale noordenwinden gedekt. Voor het eerst sedert langen tijd, kon ik mij onder de schaduw van een boom op het malsche gras nedervleien. De bron wordt bij haar te voorschijn treden uit de rots opgevangen in goten, van uitgeholde boomstammen vervaardigd en op schragen rustende; het water is heerlijk van smaak, maar ijskoud, en het is zeer gevaarlijk er van te drinken, wanneer men door den tocht vermoeid en verhit is.

X.

De Montenegrijn is van nature krijgsman; hij is geboren voor den oorlog; niets wekt meer zijne bewondering op dan persoonlijke moed, en naar niets tracht hij met zooveel ijver als naar den roem van dapperheid. Zijne wapenen zijn zijne dierbaarste bezitting, somwijlen bijna zijne gansche fortuin; zijne geheele geschiedenis is niets dan het verhaal eener onophoudelijke worsteling, die op het slagveld van Kossowo begon en nog steeds voortduurt.

Niemand, die ook maar oppervlakkig met de geschiedenis van dit volk bekend is, zal er zich over verwonderen, dat Turken en Montenegrijnen elkander als doodvijanden beschouwen en elkander haten met dien fellen, bitteren haat, die medelijden noch verschooning kent, die nooit verflauwt, waarvan de uitbarstingen wel tijdelijk door vreemde tusschenkomst, door traktaten en wapenschorsingen kunnen gebreideld worden, maar die zelf onsterfelijk is. Eerst nadat de turksche heerschappij over de omliggende gewesten zal zijn verbroken, als Montenegro niet meer voortdurend bladzijde 404door zijn onverzoenlijken erfvijand in zijn bestaan zal worden bedreigd, zal voor dit onversaagde heldenvolk de tijd van rustiger, vreedzamer, normaler ontwikkeling gekomen zijn. Eerst dan—en niet eerder.

Het is hier de plaats, om een blik te werpen op de militaire organisatie van het vorstendom, op de hulpmiddelen waarover het beschikt, op zijne wijze van oorlog voeren; maar wij willen al dadelijk opmerken, dat ondanks velerlei hervormingen en navolgingen van vreemden bodem, ondanks de moeite, die de regeering zich gegeven heeft om in den krijg de methode der nieuwe taktiek en strategie in te voeren, het den Montenegrijn schier onmogelijk is zich te voegen naar de regelen der europeesche krijgstucbt, naar de afgepaste regelmatigheid onzer bewegingen; onmogelijk vooral, zich te onderwerpen aan dien eisch van volstrekte zwijgende onderwerping, waardoor ook het talrijkste leger een gewillig en wel georganiseerd werktuig wordt, bestuurd door den wil en de gedachte van één enkele, ter bereiking van een door dezen gekozen doel.

Ik zal niet verder teruggaan dan tot de reis van Viala de Sommières; hij was, zooals men weet, kolonel in het fransche leger, gouverneur van de provincie Cattaro, chef van den generalen staf van de tweede divisie van het leger van Illyrië te Ragusa, en woonde van 1807 tot 1813 in Dalmatië. Viala heeft over Montenegro een werk in twee deelen geschreven, dat, ondanks latere nasporingen, nog altijd onmisbaar is voor ieder, die zich met dit land grondig bekend wil maken; hij was een zeer geacht officier, en vertrouwende op de loyauteit en gastvrijheid der Montenegrijnen, verscheen hij geheel alleen in hun midden, om hun land te bestudeeren. Het ligt voor de hand, dat alles wat tot het krijgswezen behoorde in de eerste plaats zijne aandacht trok; het resultaat zijner persoonlijke waarnemingen en onderzoekingen deelt hij ons mede in zijn boek, en wij mogen veilig aannemen, dat hierin de staat van zaken, ten jare 1812, naar waarheid geteekend is.

Het aantal krijgslieden, als zoodanig op de registers ingeschreven, bedroeg toen, voor het geheele vorstendom, dertienduizend-driehonderd; maar aangezien ieder, die een geweer voeren kan, van den knaap tot den grijsaard, ook aan den oorlog deel neemt, kon dit getal, in vier-en-twintig uren, allicht tot twintigduizend stijgen. De kloekmoedigsten en krachtigsten gingen vooraan; de grijsaards hielden de bergpassen bezet, zorgden voor de veiligheid der communicatiën, het aanvoeren van proviand en ammunitie, en bespiedden de bewegingen des vijands; de kinderen brachten bevelen over of speurden de marschen der troepen na; de vrouwen eindelijk verzorgden de verwonden en brachten levensmiddelen aan de lieden van haar dorp. Uit de laatste rapporten der proveditoren van Cattaro aan de regeering van Venetië en uit andere onuitgegeven stukken, door den heer Armand Baschet openbaar gemaakt, blijkt dat omstreeks de helft der zeventiende eeuw het totaal der ingeschreven krijgers (aangenomen dat zulke inschrijving toen reeds plaats vond) het getal van achtduizend niet overtrof; een achtste deel daarvan was met haakbussen gewapend, de anderen hadden slechts lans en degen.

De indeeling der krijgsmacht is sedert overoude tijden, in hoofdzaak, onveranderd dezelfde gebleven; de gemeente is de taktische eenheid, en de samenvoeging van verschillende gemeenten vormt eene kompagnie onder aanvoering van een kapitein of hoofdman. De verschillende kompagniën van eene geheele provincie of nahya vormen een regiment, dat echter niet met deze geheel moderne benaming genoemd wordt. Dit regiment staat onder het kommando van een woïwode, aan wien de kapiteins ondergeschikt zijn; de vereenigde krijgsmacht eindelijk van al de nahye en al de woïwoden staat onder het opperbevel van den Vorst.

De Vladika Peter II is de eerste, die een korps geregelde soldaten, eene eigenlijke krijgsmacht, heeft opgericht; vóór hem bestond er in Montenegro eigenlijk geen staand leger. Als de oorlog ontbrandde, werden alle weerbare mannen te wapen geroepen; zij schaarden zich om de dappersten, de oudsten, de aanzienlijksten of beroemdsten, en spoedden zich naar den strijd. Op het slagveld streed ieder op zijn eigen hand en voor zijn eigen rekening, zonder samenwerking, zonder eenheid, zonder vastgesteld doel: het eenige, waar het op aan kwam, was den vijand zooveel mogelijk afbreuk te doen; hij werd op allerlei wijze gekweld, verontrust, uitgeput, telkens opnieuw overvallen;—en deze onophoudelijke guerilla-oorlog, waartoe trouwens het terrein zoo voortreffelijk geschikt, als door de natuur zelve aangewezen is, was misschien voor den vijand veel gevaarlijker en verderfelijker dan een geregelde veldtocht, terwijl de Montenegrijnen daarbij bijna geen gevaar liepen. De nieuwere wijze van oorlogvoeren, de uitvindingen der moderne strategie, de kunstig samengestelde bewegingen, de geduchte artillerie en de ver dragende geweren zijn, in de hier bestaande omstandigheden, van weinig of geen nut. Bovendien waren, tot voor korten tijd, de Turken niet veel beter gewapend dan de Montenegrijnen, alleen de artillerie uitgenomen. Peter II heeft het korps der Perianiki opgericht; maar dit korps is slechts honderd man sterk, die het nationale kostuum dragen en zich van de anderen onderscheiden door een soort van fijne pluim of vederbos aan hunne muts (perianiza); dit is tegelijk eene lijfwacht voor den Vorst, een soort van policiewacht en een gewapend korps ter beschikking van de regeering. Danilo, de opvolger van Peter II, de oom van den regeerenden Vorst, vormde eene soort van keurkorps, meer bepaald tot zijne lijfwacht bestemd. In 1853 liet Danilo, die het leger wilde organiseeren, voor het eerst in al de provinciën registers of stamboeken aanleggen, waarin de namen werden ingeschreven van alle manschappen tusschen de achttien en vijftig jaren; men meene nu echter niet dat de Montenegrijn, die op vijftigjarigen leeftijd nog in het volle bezit zijner krachten is, na dien tijd de wapenen niet meer voert, maar hij is dan niet langer tot de krijgsdienst verplicht.


Montenegrijnen in den strijd.

Bij de samenstelling der kaders gaat men evenzeer van de gemeente uit; in elke gemeente heeft men een tienman, en in iedere groep van gemeenten een hoofdman bladzijde 406over honderd, die eene kompagnie van honderd man onder zijne bevelen heeft; boven de hoofdmannen staan weder de serdars en de woïwoden. Deze, door Danilo ontworpen organisatie had voornamelijk ten doel, aan alle weerbare manschappen eene vaste plaats aan te wijzen, opdat ieder bekend zou zijn met den naam van zijn onmiddelijken chef en met de groep of het korps waartoe hij behoorde; een en ander in het belang eener spoedige en geregelde mobilisatie. De toen gebruikelijke uitrusting bleef, tot de troonsbestijging van den tegenwoordigen Vorst, onveranderd; zij bestond nog altijd uit den yatagan of handjar en het lange albaneesche geweer, met eenige pistolen; de regeering zorgde voor het noodige kruit, maar wat wij eene intendance noemen, bestond niet. Ieder man was verplicht in zijn eigen onderhoud te voorzien; bij wijze van vergoeding, had hij ook aanspraak op een deel van den buit.

Aan deze organisatie, door Danilo ontworpen en door zijn broeder, den dapperen Mirko, ingevoerd en in praktijk gebracht, hadden de Montenegrijnen voor een goed deel de schitterende overwinning te danken, den 13den Mei 1858 in de vlakte van Grahovo op het leger van Hussein-Dahim-Pâsja behaald, waarbij de Turken drieduizend soldaten, acht kanonnen, drieduizend geweren, met al hun ammunitie en proviand, verloren. De ondervinding, in den veldtocht van 1862 opgedaan, toen Omar-Pâsja aan het hoofd der muzelmannen stond, toonde de meerdere voortreffelijkheid der moderne wapenen, waarvan de Turken toen waren voorzien; maar voor een zoo arm land als Montenegro, is eene nieuwe bewapening van zijn leger geene kleinigheid. Gebruik makende van de sympathie, die de Montenegrijnen, door hun heldhaftigen tegenstand tegen de verpletterende overmacht der Turken, zich allerwege in Europa verworven hadden, wist de Vorst van de fransche regeering vergunning te bekomen tot het houden eener groote verloting te Parijs, met het uitgesproken doel om voor dat geld twaalfduizend miniégeweren te koopen, die vervolgens in het vorstendom werden uitgedeeld aan hen, die het meest geschikt werden geacht om met dat wapen om te gaan. Sedert zijn nog enkele andere veranderingen en verbeteringen ingevoerd, maar die miniégeweren vormen nog tegenwoordig het voornaamste bestanddeel der bewapening; men vindt ze overal, want ieder bewaart die wapens met de grootste zorgvuldigheid. Tot op dien tijd was ieder Montenegrijn zijn eigen geweermaker en zwaardveger: hij herstelde zelf zijne wapenen en goot zelf zijn kogels. De heer Xavier Marmier vertelt dat hij eens, te Njégosch, in eene hut, die tevens tot herberg diende, een groep lieden neergehurkt vond bij een vuurpot, bezig met het gieten van kogels en rustig hun pijp rookende, terwijl nevens hen een jong meisje de patronen met kruit vulde, zonder, zoo het scheen, er aan te denken, dat een enkele afgedwaalde vonk voldoende was, om het geheele huis met de bewoners in de lucht te doen springen. De invoering van juistheidswapenen in het vorstendom had natuurlijk de stichting van twee onmisbare inrichtingen ten gevolge: een tuighuis en een kruitfabriek. Het was volstrekt noodzakelijk, zich voor goed te onttrekken aan de ongelukkige verplichting om de vereischte wapenen en ammunitie, over de grenzen der beide naburige rijken, die het vorstendom aan alle zijden insluiten, binnen te smokkelen. De regeerende Vorst vroeg en verkreeg de medewerking en voorlichting van verschillende vreemde officieren, om de organisatie en de bewapening van zijn leger overeenkomstig de eischen van den tegenwoordigen tijd te hervormen. Reeds in 1866 zond Vorst Michael van Servië, sedert vermoord, aan den Vorst van Montenegro een bekwaam wertuigkundige, die te Obod een arsenaal moest helpen tot stand brengen. De Montenegrijn is vlug van begrip en leerzaam, vooral in zaken die met den oorlog in betrekking staan; al vrij spoedig had men een klein korps geschikte werklieden bijeen, die in de wapenfabriek konden worden gebruikt; men bracht het zelfs zoo ver, dat de oude, op de Turken veroverde geweren, die voor niets meer schenen te deugen dan voor zegeteekenen tegen de wanden der hutten, veranderd en weder bruikbaar gemaakt werden.

Maar wapenen alleen waren niet voldoende: men moest ook goede leermeesters hebben, die de Montenegrijnen in het gebruik dier wapenen konden onderrichten. Wederom was het Vorst Michael van Servië, die Vorst Nikolaas te hulp kwam. In het kleine servische leger, dat, helaas, in den jongston oorlog tegen de Turken niet gelukkig is geweest, vond men een uitmuntend onderwezen en voortreffelijk gedrild korps van omstreeks achtduizend man, wier manoeuvres ik menigmaal met bewondering heb aanschouwd; dat leger bezit ook zeer bekwame officieren, die hunne militaire opleiding in Europa ontvangen hebben, en die een beter lot hadden verdiend, dan met ongeoefende en slecht georganiseerde troepen ten strijde te worden gezonden tegen de geweldige turksche overmacht. Drie van deze officieren werden naar Cettinjé gezonden, met het noodige materieel, om het toezicht te houden over de inrichting der militaire etablissementen en onderricht te geven in de moderne taktiek. Tijdens mijn bezoek in Montenegro was alles gereed voor de aanstaande worsteling, en was ieder soldaat van vijfhonderd patronen voorzien. Omstreeks 1869 kocht Vorst Nikolaas, na zijn terugkeer uit Rusland, tweeduizend naaldgeweren, wier reputatie toen door den pruissisch-oostenrijkschen oorlog gevestigd was, en liet in zijn arsenalen de noodige toestellen maken voor de vervaardiging der bij die geweren behoorende patronen.

In 1870 werd de servische kapitein Johan Wlahovitz naar Montenegro gezonden, om de tegenwoordige organisatie van het leger tot stand te brengen, dezelfde, die in den jongsten en nog voortdurenden oorlog op de proef is gesteld. Het leger is thans verdeeld in twee divisiën van tienduizend man, ieder voorzien van eene voor het bergachtige terrein geschikte veldbatterij. Elke divisie bestaat uit twee brigaden, en elke brigade uit vijf bataillons van duizend man elk. Vier van deze bataillons zijn met minié-geweren gewapend; het vijfde heeft naaldgeweren naar het systeem Sederl. Natuurlijk zijn deze wapenen in handen gesteld van de bekwaamste schutters. bladzijde 407

De kaders zijn aldus samengesteld: aan het hoofd van het bataillon staat een kommandant, wien een kapitein als adjudant-majoor is toegevoegd; het bataillon is verdeeld in acht kompagniën van negentig man, elk met een eigen kompagnies-kommandant, een vaandrig (bariaktar), twee onderofficieren, tien korporaals en een trompetter. Voor de artillerie heeft men het stelsel van den generaal Dufour aangenomen: vier stukken per batterij, bediend door acht-en-veertig manschappen, onder het bevel van drie officieren.

Het montenegrijnsche bataillon komt dus, op kleiner schaal, eenigermate overeen met ons regiment. Maar de kompagnies-kommandanten, die in rang ongeveer gelijk staan met onze kapiteins, hebben eene veel grootere mate van vrijheid van handelen en ook meer verantwoordelijkheid: dit is een noodzakelijk gevolg van de grondsgesteldheid; want op dit zoo ongelijke en sterk afwisselende terrein is het bijna onmogelijk, met een sterker legermacht dan eene enkele kompagnie, met voordeel op een bepaald punt te opereeren.

De generale staf van het leger, onder het rechtstreeksch opperbevel van den Vorst geplaatst, bestaat uit een woïwode, den senator Elia Plamenatz, die de functiën van chef van den generalen staf waarneemt, en wien een zeker aantal officieren zijn toegevoegd; voorts uit twee divisie-generaals, die omstreeks tienduizend man onder hunne bevelen hebben en den titel van woïwode voeren, en uit vier andere woïwoden, brigade-generaals.

Tot officieren heeft men natuurlijk de vroegere aanvoerders gekozen, die zich echter op de hoogte der nieuwe dienstregeling en wapening hebben moeten stellen, en te dien einde twee maanden te Cettinjé hebben doorgebracht; allen hebben daar deel moeten nemen aan exercities en manoeuvres, en nadat zij bij een examen bewijs van voldoende bekwaamheid hadden gegeven, is hun de taak opgedragen om de onderofficieren te onderrichten. Eindelijk is een vaste regel voor bevordering vastgesteld. Vroeger gold persoonlijke moed voor voldoende aanbeveling, en een onversaagd of gelukkig soldaat klom soms eensklaps op tot legerhoofd; voor dit stelsel is nu de meer geregelde wijze van bevordering der europeesche legers in de plaats gekomen; maar tegelijk heeft men eereteekens en andere onderscheidingen ingesteld, die zeer gewaardeerd worden en den onderlingen naijver prikkelen. Eene echte karakteristieke bijzonderheid: toen men in de verschillende gemeenten de stamboeken voor het leger zou gaan opmaken, en van zwakke grijsaards de wapenen moesten worden teruggevraagd, om ze aan de krachtiger handen van volwassen jongelingen toe te vertrouwen, smeekten die grijsaards, met tranen in de oogen en bittere verontwaardiging in het hart, dat men hun den smaad niet zou aandoen van te meenen, dat zij niet met de wapenen in de hand zouden kunnen sterven.

Misschien zal menigeen onder mijne lezers er vreemd van opzien, als ik van montenegrijnsche kavalerie spreek, en als van zelve zal de vraag rijzen: hoe in een land, als ik getracht heb te beschrijven, de kavalerie met mogelijkheid een rol kan spelen? Toch komt in de legersterkte van het vorstendom ook dit wapen voor. Na den oorlog van 1870 heeft men te Cettinjé een eskadron—het is waar, een eskadron in partibus—opgericht, dat er zeer eigenaardig, zeer zonderling, maar bovenal zeer schilderachtig uitziet en eene merkwaardige verzameling oplevert van de meest uiteenlooponde typen. De ruiters zijn afkomstig uit de onderscheidene provinciën van het vorstendom, en de tuigen der paarden verschillen naar gelang van den smaak, de fantasie en de middelen van den ruiter, of ook naar gelang van de wijze, waarop hij in het bezit dezer voorwerpen is geraakt. Het kommando over dat eskadron, dat tot het dienstdoende leger behoort, is thans opgedragen aan een voormalig oostenrijksch kavalerie-officier, Stanko Radonich. De kosten voor het onderhoud der paarden zijn overigens niet geëvenredigd aan de diensten, die het korps bewijzen kan: want in Tzernagora is de fourrage zoo schaars, dat een paard gemiddeld 's jaars ruim vijfhonderd franken aan voeding kost; in de Berda daarentegen zou dit onderhoud veel minder kosten; maar tot heden is het, bij het gemis van bruikbare wegen, onmogelijk, de fourrage van de eene streek van het vorstendom naar de andere te vervoeren. Om dezelfde reden is de artillerie bij de verdediging des lands van zoo weinig nut; bovendien is het mikpunt schier zonder uitzondering te ver verwijderd of te dicht bij: te ver verwijderd, als men van de hoogte der bergen moet vuren; te dicht bij, als men in de passen en ravijnen, die zich in eindelooze bochten tusschen de rotsen heen winden, moet aanvallen. Berghouwitsers, die op muilezels worden vervoerd, zijn de eenige stukken, die hier werkelijk van dienst kunnen zijn. Men heeft zich dus in de bediening dezer houwitsers moeten bekwamen; tegenwoordig is een der voornaamste en beste officieren van het vorstendom, Macho Verbitza, die in Frankrijk zijne opleiding heeft ontvangen, aan het hoofd van dit wapen geplaatst.

Hiermede heb ik mijn overzicht van de officiëele strijdkrachten van het vorstendom voltooid: dit overzicht was noodig om te weten over welke hulpmiddelen Montenegro kan beschikken; maar hier, minder dan ergens elders, mag het persoonlijk initiatief worden voorbijgezien of gering geschat. Voorzeker heeft men goed gehandeld, door, voor zoover dit mogelijk was, de bewapening en uitrusting te verbeteren, de ordelooze massa aan vaste regelen te onderwerpen en eene doelmatige organisatie in te voeren; maar naar het oordeel van alle deskundigen zou het een bedenkelijke misslag zijn, de Tzernagorsken aan eene al te strenge en stipte krijgstucht te willen onderwerpen. Als de Montenegrijn op het slagveld niet zekere mate van vrijheid behoudt, niet langer de gelegenheid heeft om, althans tot op zekere hoogte, zijne eigene ingevingen te kunnen volgen, dan zou hij zich niet langer in zijn element gevoelen. In het gelid geplaatst en tot een simpel nommer geworden, zou de onversaagde krijgsman minder waard zijn dan een gewoon europeesch soldaat. Een bekwaam legeraanvoerder moet steeds weten te beoordeelen, wanneer en in welke mate hij aan dit persoonlijk initiatief zijner manschappen den vrijen teugel laten kan en mag. bladzijde 408


De bewaarster der wapenen.

bladzijde 409

De dood op het slagveld is voor den Montenegrijn bijna het hoogste ideaal: bij de geboorte van een zoon weet men hem niets beters toe te wenschen, dan dat hij niet in zijn bed moge sterven. Is hij in de vlakte of in een bergengte, tegen den vijand strijdende, met eere gevallen, dan wordt zijn lijk, door zijne makkers, op dezelfde plaats ter aarde besteld. De weduwe, in haar dorp teruggekeerd, zal zijner nagedachtenis de verschuldigde eer bewijzen: zij noodigt hare vriendinnen bij zich; zij heeft de wapenen, de kleederen van den gevallene bewaard, zijne strouka of plaid, die hem tot mantel, tot reiszak en tot bed diende; zij spreidt dien plaid als een tapijt voor hare woning uit, legt er zijne beretta en wapenen op neder, en met ten hemel geheven handen heft zij haar klaagzang aan. Zij wijdt uit in den lof des gestorvene; zij beklaagt hem niet; zij prijst noch zijn zachtmoedigheid, noch zijn goedheid, noch zijn edelmoedigheid, maar wel zijn mannelijken moed, zijne indrukwekkende schoonheid, zijne heldenkracht, zijne koene doodsverachting.

Behalve de officiëele legerhoofden, zijn er nog andere aanvoerders, die een overwegenden invloed op den soldaat uitoefenen: dat zijn de popen, hetzij eenvoudige priesters, hetzij aartspriesters en archimandriten, of zelfs metropolitanen. Ik merkte reeds op, dat de tegenwoordige bisschop ook als krijgsman beroemd is; en de Montenegrijnen vinden er niets stootends of onbehoorlijks in, dat dezelfde hand beurtelings het kruis en het zwaard voert, zich nu eens opheft tot zegenen en straks den dood in de vijandelijke gelederen brengt. In de eerste tijden der middeleeuwen, was dit ook bij ons niets ongewoons. In Kroatië, in Bosnië, in Herzegowina, in Servië, heb ik mij meermalen kunnen overtuigen, welken machtigen invloed die priesters op hunne omgeving uitoefenen; zij deelen in alles de levenswijze des volks; even als hunne parochianen, zijn ook zij echtgenooten en huisvaders en gaan zij gebukt onder allerlei wereldsche zorgen en beslommeringen van het alledaagsche leven. De begeerten, wenschen en hartstochten des volks vinden weerklank in hun gemoed; zij deelen met hetzelfde vuur, in zijn liefde en zijn haat; en zoodra de geschikte gelegenheid zich aanbiedt, treden zij op als de natuurlijke legerhoofden, die de banier verheffen van den heiligen krijg tegen de ongeloovigen en met beproefde dapperheid en vurige geestdrift vóórgaan in den rechtvaardigen, erfelijken, eeuwenouden strijd.

De naam van den pope Zarko is in den jongsten oorlog beroemd geworden, als die van den gelukkigsten en den bedachtzaamsten onder de verschillende legerhoofden. Archimandriet van het klooster te Banja, waar hij ook gewoonlijk verblijf hield, was hij de eerste, die de vaan des opstands plantte; met honderdzestig vrij wel uitgeruste en op kosten der kerk gewapende manschappen, verschanste hij zich in de bergpas van Therina, boven het dorp Rahodina. Zijn eerste wapenfeit was het verslaan van een regiment kavalerie, dat van Constantinopel naar Albanië, en van Albanië naar Bosnië was gezonden. Gedurende de eerste twee maanden van den oorlog, leed hij geene enkele nederlaag; zijn hoofdstreven was steeds gericht op het verbreken van de communicatiën der Turken tusschen Rumelië en Bosnië, en op het openhouden der wegen, die van Servië naar Montenegro voeren. Zarko vatte zelfs het stoute plan op, een aanval te wagen op de vesting Vichgrad, en had met dat doel ruim tweeduizend man onder zijne bevelen vereenigd. Aan moed, onverschrokkenheid en zeldzame tegenwoordigheid van geest paarde hij eene aangrijpende, mannelijke welsprekendheid; door zijne van geestdrift tintelende toespraken en proklamatiën ontvlamde hij allerwege de harten der servische landlieden. Om eenig denkbeeld te geven van den eigenaardigen toon dezer priesterlijke oproepingen, laat ik hier eenige zinsneden volgen uit de proklamatie, die Zarko uitvaardigde, toen hij het klooster van Banja verliet en het teeken tot den opstand zou geven. Deze dokumenten, zoo vaak verwaarloosd en veronachtzaamd, geven doorgaans een trouwer beeld van de zeden, de stemming en denkwijze des volks en van den toestand des lands, dan zelfs eene uitvoerige ethnografische studie doen kan.

“Laat alle de volken het vernemen, en laat de gansche wereld het weten, dat de servische natie bestemd is om in vrijheid te leven. Broeders! het is reeds vele jaren geleden, dat de groote slag geleverd werd in de vlakke velden van Kossowo; maar sedert dien dag lijdt ons volk onophoudelijk allerlei ongerechtigheid, berooving en mishandeling van de zijde der verdorven Osmanlis; iedere voetbreed gronds is gedrenkt met de tranen en het bloed onzer vaderen. De Turken schenden en vertrappen ten allen tijde het geloof, de vrijheid, de eer en de have der kinderen van de Nemantchy, tot schande voor het geheele volk. Nu dan, de ure der wrake heeft geslagen! Luister, o mijn volk! vat de wapenen op, want het loon van den strijd is de vrijheid der gansche natie! Wij zullen het geloof, de rechten, de eer en de have van iedereen eerbiedigen. Maar wie zich in de worsteling vijandig tegen ons zal stellen, die zal zijn verraad met zijn leven boeten. Staat dan op, Serviërs en Montenegrijnen! besproeit de graven en woonsteden onzer vaderen met het bloed der snoode tirannen; aan ons behoort het land; met ons is het recht, met ons is God!”

Het valt niet moeilijk te beseffen, welken indruk zulke woorden, uit den mond van een archimandriet, moesten maken op de hartstochtelijke, prikkelbare, door eeuwenlangen druk verbitterde, en van nature krijgshaftige, christelijke bevolking, die in den priester tevens den soldaat, en in den soldaat een der dignitarissen van de orthodoxe Kerk eerde. Overigens was Zarko niet de eenige, die destijds het kruis voor den degen verwisselde. De pope Milo en de higoumenos Melantya streden mede in de gelederen, en onder de Montenegrijnen was er schier geen enkele priester, die werkeloos toeschouwer wilde blijven. Vooral in de aan Albanië grenzende streken, waar de oude zeden zuiverder bewaard zijn gebleven dan in het meer naar de Adriatische-zee gelegen gedeelte, vertoont zich de echte, oude Montenegrijn in al de eigenaardigheid van zijn karakter. Daar hebben en de kleederdracht, en de gebruiken, en de aloude traditiën en volksmeeningen nog schier al haar oorspronkelijkheid en zuiverheid bladzijde 410behouden; maar hoewel de popen daar, in nog meerdere mate dan elders, aan de worsteling deelnamen, belette dit hun niet, tevens hunne geestelijke bediening waar te nemen. Zij verrichten de gebeden voor de gesneuvelden en zijn dikwijls bij de weeklachten der dooden tegenwoordig.

Maar niet alleen de priesters, ook de vrouwen nemen, naar montenegrijnsche zeden, deel aan den krijg. Niet zelden nemen zij zelven het geweer ter hand, maar haar eigenlijke taak bestaat toch voornamelijk in het aanvoeren van de noodige levensbehoeften voor de troepen, dikwijls van groote afstanden; in het verbinden en verzorgen der gekwetsten; in het laden der geweren tijdens het gevecht of het overbrengen van brieven of bevelen:—zij vormen zoodoende een zeer nuttig hulpleger, zoodat geen enkel man uit het gelid behoeft te worden gemist. In de Pesmas of nationale zangen, waarvan ik reeds meermalen gesproken heb, worden dan ook bij herhaling de moed en toewijding der vrouwen geprezen; en elke nieuwe veldtocht, elke nieuwe krijg tegen de Turken voegt aan die gouden legende den naam toe eener nieuwe heldin, die zich in den strijd onderscheiden heeft, en die nu voortaan blijft leven in de dankbare herinnering haars volks. Tegenwoordig geschieden er geen plaatselijke aanvallen meer; er wordt niet meer, als vroeger, op eigen hand krijg gevoerd: Vorst Nikolaas, het door zijn voorganger begonnen werk voortzettende, heeft eene andere orde van zaken ingevoerd; Montenegro is opgenomen in den kring der europeesche mogendheden; en elke vijandelijke daad, door een stam of dorp of zelfs door eene familie tegen de buren aan gene zijde van de turksche of oostenrijksche grenzen gepleegd, zou niet langer als een persoonlijk vergrijp, maar als eene schending van het grondgebied van een vreemden staat worden beschouwd, en den oorlog ten gevolge kunnen hebben. Zoo als ik reeds zeide, heerschte vroeger vrij algemeen de gewoonte der razzias of zoogenaamde tchetas; op een gegeven oogenblik, zonder dat daarvoor eene bijzondere aanleiding bestond, trokken de manschappen uit een zeker aantal dorpen, tot de tanden gewapend, over de grenzen, deden een inval op turksch grondgebied, voerden de kudden en dikwijls ook de bewoners weg, roofden al wat zij machtig konden worden, en keerden met hun buit naar hunne ongenaakbare bergen terug, waar zij bijna voor elke vervolging veilig waren. Het is ook waar, dat zij zeer dikwijls tot deze strooptochten door den nood, door nijpend gebrek en honger gedreven werden, wanneer de schrale oogst was mislukt, of eene epidemie de bebouwing der akkers onmogelijk had gemaakt. Reeds Danilo had deze razzias ten strengste verboden, en ze strafbaar gesteld als gewapenden diefstal. De regeerende Vorst heeft in dit opzicht nooit met ernstige moeilijkheden te kampen gehad; zoo er nog altijd gewapende invallen op het turksch grondgebied plaats grijpen, dan hebben die toch niet meer het karakter van een geregelden strooptocht, maar slechts van persoonlijke aanslagen tegen eens anders eigendom. bladzijde 414

No comments:

Post a Comment