Monday, March 5, 2012

De Aarde en haar volken: Jaargang 1877 - Full Text (Reis door Australie)

Reis door Australië.


Ontdekking van een bron.

I.

Een reisverhaal door Australië heeft voor den nederlandschen lezer iets aantrekkelijks en belangwekkends. De naam toch, dien zich de onsterfelijke Genuëes Columbus ten opzichte van Amerika heeft verworven, komt, wat Australië aanbelangt, aan onze landgenooten toe: van den eersten bodem die de Eilandenzee kliefde, woei de nederlandsche vlag.—En al moge op dit oogenblik diezelfde driekleur slechts nog wapperen op een gedeelte van het eiland Nieuw-Guinea, en overigens nog slechts enkele namen van kusten op Nieuw-Holland en eilanden hier en daar in Polynesië aan Hollanders herinneren, toch roepen die namen ons dat heldentijdvak onzer historie voor den geest, toen onze landgenooten zich baan braken langs vroeger onbekende wegen en van den hollandschen naam deden gewagen, zoowel in de Poolstreken als onder de Evenachtslijn.

Dit woord meenden wij te moeten laten voorafgaan, alvorens mededeeling te doen van een ontdekkingstocht door West-Australië, door twee rijke bewoners van het zuidelijk deel van dat werelddeel, de heeren Elder en Hughes, in het jaar 1872 georganiseerd. De leiding van den tocht was opgedragen aan een oud officier van het britsch-indische leger, den kolonel Egerton Warburton. Een verhaal van die reis heeft in Engeland het licht gezien, en wij zullen trachten in de volgende bladzijden van dit verhaal een kort overzicht te geven.

De expeditie bestond uit zeven reizigers: kolonel Warburton, geboren in 1813; zijn zoon Richard, geboren in 1840; den heer I.M. Lewis; twee kameeldrijvers uit Afghanistan, Sahleh en Halleem; een kok, die tevens kameeldrijver was, Dennis White, en Charley, een jonge Australiër.

Een der bijzonderheden van dezen ontdekkingstocht was het gebruik van kameelen.

Eerst in 1866 zijn deze dieren in vrij grooten getale in Australië inheemsch gemaakt door den heer bladzijde 354Elder zelven, die hen met afghaansche kameeldrijvers uit Indië had doen overkomen. De uitstekende diensten, die zij aan kolonel Warburton bewezen hebben, zullen er voorzeker het hunne toe bijbrengen, om deze poging van acclimatatie aan te moedigen.

De karavaan telde zeventien kameelen: vier om op te rijden, twaalf om de bagages en het voor zes maanden aangeschafte proviand te dragen; éen diende als reserve.

Den 15den April 1873 verlieten de reizigers de Alice-bronnen (Alice Springs), een station in het midden van Nieuw-Holland gelegen. Dit was het eigenlijke uitgangspunt der expeditie, die zich ten doel stelde de westkust van Australië te bereiken, door het hart van het land heen, eene streek die het nog geen reiziger gelukt was door te trekken.

Reeds in de eerste dagen leed de karavaan gebrek aan water, waarmede zij telkens te kampen zou hebben. Door nasporingen in verschillende richtingen te doen, gelukte het den reizigers bronnen of kleine beken te ontdekken, die hun gelegenheid gaven hunnen watervoorraad te ververschen, hetgeen vooral voor de kameelen onontbeerlijk was.

Terwijl men in noordwestelijke richting voorttrok, vertoonde zich weldra de spinifex, de plant die zoo herhaaldelijk vermeld wordt door alle reizigers in centraal Australië. Het is een met stekels voorzien kruid, dat in dichte bossen groeit, van achttien duim tot vijf voet diameter. Als de loten jong zijn, zijn zij groen; maar naar gelang zij ouder worden, nemen zij een tint aan die aan stroo herinnert, en in plaats van het landschap leven bij te zetten, geven zij er een nog treuriger en doodscher voorkomen aan. Zelfs de kameelen willen er niet van eten, en terwijl zij zich met moeite een weg banen door het dicht bewassen doolhof, passen zij er toch op niet op de planten te trappen. De hoogte der scherpe stekels wisselt zoodanig af, dat de kleine punten de paarden of kameelen even boven den hiel treffen, en de lange dorens in de knieschijf doordringen. Deze stekelige spinifex, ook triodia genoemd, is eene der grootste plagen, die men bedenken kan, en het behoeft geene vermelding, dat waar deze plant groeit de streek ongeschikt is voor veeteelt.

Toen de maand Juni was aangebroken, hadden de reizigers op verre na niet den weg afgelegd, dien zij zich hadden voorgesteld. De strijd met de woestenij nam nu een meer dramatisch karakter aan; wij zullen verder het woord laten aan kolonel Warburton, en een en ander uit zijn dagboek mededeelen.

II.

Den 12den Juni liet ik halt houden om de kameelen wat rust te gunnen. Den volgenden morgen ging ik met twee metgezellen op verkenning uit naar een heuvelrij, maar het uitzicht dat zich van alle zijden, behalve van die waarvan wij gekomen waren, voor ons opdeed, was niet geschikt om ons op te vroolijken. Wij zagen niets dan een vlakke, zandige streek, hier en daar met eenige groepen van casuarinas bedekt, en verder overal met de noodlottige spinifex. Er moest ergens in de buurt water zijn, maar het gelukte ons niet te ontdekken waar.

Op de volgende dagen begon zich de spinifex in nog grooter hoeveelheid te vertoonen; zij bedekte het land zoover men zien kon. Het was noodeloos in die richting onzen tocht verder voort te zetten, en wij keerden terug. Op dien terugweg bemerkten wij eene inboorlinge, met een kleinen jongen en een pasgeboren kind. Mijne makkers wilden haar achtervolgen: maar de kameelen lieten zich niet zoo gemakkelijk mennen, en in dien tusschentijd was de vrouw ons te vlug af; zij nam de vlucht, terwijl zij alles wegwierp, uitgezonderd het kleine kind, dat zij in hare armen had. Zoo gelukte het haar, te ontkomen. Charley kreeg echter den kleinen jongen in zijn macht, die niet de minste vrees toonde; hij keek ons en onze kameelen aan, als ware hij volkomen aan dat gezicht gewend. Wij plaatsten hem voor Charley op zijn kameel, en gaven hem door gebaren te verstaan, dat hij ons een plek zou aanwijzen, waar wij ons water zouden kunnen verschaffen. Deze nieuwe manier van reizen scheen den kleinen schalk niet bang te maken: in zijne taal en door zijne gebaren wees hij ons in westelijke richting. Wij gingen in die richting voort: maar nu ontdekte de scherpe blik van Charley eenige kleine vogels die van den grond opvlogen; hij liep naar de plek, en vond inderdaad twee natuurlijke putten vol water.

Deze natuurlijke putten, van welke zoo dikwijls het leven der reizigers in Australië afhangt, en die het alleen mogelijk maken dit land te doorreizen, zijn niets meer dan zeer kleine holten of kuilen in het zand, waar het water, als niet aan den invloed der zon blootgesteld, ook niet zoo sterk verdampt. De diepte is gewoonlijk vijf voet, somtijds echter ook meer. Zelfs over dag zou men dicht langs deze zoogenaamde putten kunnen trekken, zonder ze op te merken; des nachts is het volslagen onmogelijk ze te ontdekken.

Den 26sten rukten wij voort naar het westen; aan den gezichteinder in het noordwesten werden lage heuvels zichtbaar; het terrein begon langzamerhand eene zacht golvende gedaante aan te nemen.

Ik beklom een heuveltop, om het omliggende land te overzien: een weinig bemoedigende aanblik. Op dien top vonden wij dunne steenplaten, breed vijftien duim en lang zes duim, die aan de hoeken afgerond waren en bedekt met krabbels, waaraan wij geene beteekenis konden hechten; en een kogel, evenzeer van steen, zoo groot als een sinaasappel. Wat deze voorwerpen moesten beduiden, en met welk doel zij daar waren neergelegd, konden wij niet begrijpen.

6 Juli.—Sahleh schijnt stervende; zijne beenen en armen weigeren hem reeds de dienst; bijna kan hij zich niet meer bewegen, en het spreken gaat met groote moeite; zijn eenig voedsel bestaat nog uit rijstewater. De krachten begeven hem geheel; om hem verder te vervoeren, zou men hem op een kameel dienen te plaatsen, hetgeen hem waarschijnlijk het leven zou kosten;—derhalve zie ik mij verplicht mijn tocht te staken.

7 Juli.—Ik zend twee onzer makkers, Lewis en Dennis, op verkenning uit, met drie kameelen, een bladzijde 355goeden voorraad water, en proviand voor tien dagen. Het doel van hun verkenningstocht is, in alle richtingen, behalve in de oostelijke, nasporingen te doen naar water, want denzelfden weg teruggaan willen wij niet.

9 en 10 Juli.—Sahleh is veel beter. Wij hebben op den heidegrond eene kleine gele bes ontdekt, die wij hem hebben laten nuttigen, nadat wij ons overtuigd hadden dat de plant niet giftig was.

19 Juli.—Lewis en Dennis zijn van hun verkenningstocht nog niet teruggekeerd, en ik maak mij ongerust over hun wegblijven. Zes inlanders zijn in ons kampement gekomen, maar wij hebben ons niet aan elkander verstaanbaar kunnen maken. Schoon wij deze gauwdieven met de meest mogelijke zorg bewaakt hebben, hebben zij ons toch ongemerkt een bijl ontstolen, hetgeen een einde heeft gemaakt aan hunne bezoeken. Het waren menschen van een schoonen lichaamsbouw, en het ellendige leven dat zij leiden in aanmerking genomen, zagen zij er tamelijk goed uit. Zij waren geheel naakt, gewapend met lansen en “waddies” of korte stokken, die zij gebruiken om de “wallabies”, een soort van kleine kangoeroes, waarvan zij hun hoofdvoedsel maken, te dooden.—Lewis komt, tot onze blijdschap na zonsondergang terug, en brengt goede tijding mede: op honderd mijlen afstand heeft hij een plaats gevonden, waar men zich van water kan voorzien, als men de spade maar in den grond steekt.

Aan den avond van Zondag, 20 Juli, komt Charley ons berichten, dat er drie kameelen in zuidelijke richting zijn ontsnapt. Dat was geene vroolijke tijding, maar Halleem, de kameeldrijver, verzekerde ons, dat indien men hem toestond de dieren achter na te zetten, hij ze wel zou terugbrengen. Ik stond hem Hosee, mijn eigen kameel, af; het was nog geen vijf uren in den namiddag, toen hij vertrok. Tegen den middag van den volgenden dag wachtten wij hem terug, maar hij liet zich wachten. Sahleh zeide ons des avonds, dat hij zeer duidelijke sporen van Hosee, niet ver van ons kampement, had ontdekt; maar tevens vertelde men mij iets, waarvan ik vroeger nooit gehoord had: dat Halleem lijdende was aan zenuwaandoeningen, gedurende welke hij zijn geheele bewustzijn verloor. Ik maakte mij al meer en meer ongerust, en zond den 22sten mijn zoon Richard en Charley met een week proviand uit om Halleem te zoeken met zijne kameelen. Lewis vertrok ook, maar in eene andere richting.

Eindelijk, na bange dagen te hebben doorgebracht, vond men Halleem terug, en op den 29sten kwamen allen in het kampement terug, maar zonder kameelen. Wij hadden niet alleen onzen tijd, maar ook onze lastdieren verloren. Halleem had alles gedaan wat hij had kunnen doen: hij had over bijna honderdvijftig kilometers het spoor der kameelen gevolgd; maar daar zij dag en nacht voortrenden, en hij slechts over dag hun spoor kon waarnemen en volgen, was het hem onmogelijk ze in te halen.

Den 30sten vond Lewis, op een afstand van twintig kilometers, een put, waarheen wij ons begaven. Wij holden dien verder uit, en verwijderden de doode ratten, die er zich in groote menigte in bevonden. Er zijn, zooals men weet, ontelbaar veel ratten in Australië; zij maken hunne nesten in de rotsspleten en zijn over het algemeen kleiner dan de ratten die men in Engeland aantreft. Toen ons werk was voltooid en nog voor wij water hadden geput, viel een der zijwanden in, zoodat wij van voren af aan moesten beginnen.

Ons vaste kamp hebben wij voor goed vaarwel gezegd: het is ons een toevluchtsoord geweest in onzen tegenspoed, maar toch waren wij er niet minder blijde om, het te kunnen verlaten. Sedert verscheidene dagen was het regenachtig weder; wij trokken voort naar het westen; de spinifex groeide in zoo groote hoeveelheid en de grond was zoo glibberig, dat de kameelen niet dan met moeite voortgaan konden.

5 Aug.—Wij zijn in een streek, rijk voorzien met moerassen van zout water, die half uitgedroogd waren. Deze poelen bestaan thans uit natten en slijkerigen grond, bedekt met een zoutkorst. Men vindt ze niet alleen in lage streken, maar ook dikwijls in hooger gelegen plaatsen.

Op den 9den woei er een stevige wind, en van den verzengden bodem stegen dikke zand- en asch-wolken op. Het was een ware woestijn, die wij doortrokken. Wij verscholen ons zoo goed mogelijk achter onze kameelen, en sloegen ons kampement op bij een moeras, waar wij water aantroffen, maar zoo zilt dat het ondrinkbaar was.

Den 11den deden wij verkenningen in verschillende richtingen, die allen vruchteloos waren; ik kwam tot het besluit om terug te keeren, ten einde het spoor te vinden van eenige inlanders, die wij den vorigen dag hadden gezien. Dit was mij het eenige uitzicht op redding. Als dit ons ook ontzinkt, zullen wij ons genoodzaakt zien naar onze laatste halt terug te gaan; en om daar te komen, moeten wij nogmaals die afschuwelijke zandheuvels over, die wij onlangs over getrokken zijn; dit zal ons onze laatste kameelen doen verliezen en ons in een rampzaligen toestand brengen; maar een andere keus rest ons niet.

Op den 12den hebben wij het kamp der inlanders gevonden, en vlak daarbij een put. Wij zijn gered, zonder dat wij wederom de afschuwelijke woestijn door moeten.

Den 14den begeven wij ons verder, naar een andere zijde op weg, waar wij putten vinden en minder woeste oorden; maar weldra begint de zandwoestijn op nieuw.

Den 16den hadden wij nauwelijks acht kilometers afgelegd, toen zich een dikke rook aan ons oog vertoonde, die opsteeg van een vuur, door de zwarten aangestoken. Blijkbaar vermoeden zij niet, dat wij zoo vlak in hunne nabijheid zijn. Wij dringen in hun kamp door, en nemen er bezit van eenen uitmuntenden put. In het kamp vonden wij een lans en een ronde ijzeren tomahawk. Wij besloten daar voor eenige dagen ons verblijf te houden, en in den omtrek verkenningen te doen, ten einde te trachten de rivier en het meer weer te vinden, die A.C. Gregory heeft aangegeven en die het eindpunt zijn geweest van zijn tocht. Hij had niets dan paarden te zijner beschikking, en daar hij eene onmetelijke, volkomen dorre woestijn voor zich zag, geloofde hij niet, dat het mogelijk was verder te gaan. Wij vonden de plaatsen bladzijde 356niet terug, die hij beschreven heeft; maar zij konden niet verder dan dertien of zestien kilometers van ons verwijderd zijn. Van het meer zagen wij niets, omdat zandheuvels het voor ons oog verborgen.

Den 28sten zagen wij voor de eerste maal vluchten van duiven. Zij waren zeer wild, en wij konden er slechts drie of vier van dooden; zij lieten zich zeer goed smaken. Bij een tocht naar het zuiden, had Lewis een dal ontdekt, omringd door heuvels van rood zand, waar vijvers met helder water waren, dikwijls van honderd voet in den omtrek; maar daar wij er zeker van waren, als wij in rechte richting voorttrokken, een meer te vinden, wilden wij liever geen omwegen maken. En inderdaad, wij vonden het meer, en daarbij duiven, musschen en eenden in overvloed; wij doodden er zoo vele van als wij maar konden, maar, daar het meer vrij groot was, was de jacht niet van de gemakkelijkste.

4 September.—Wij kwamen aan een kampement van inboorlingen, waarbij een put was. De zwarten gingen op de vlucht, maar dit belette ons niet, eene zeer leelijke oude vrouw machtig te worden, die een akelig gehuil uitstootte. Twee dagen later lieten wij haar weder gaan.

Eerst op den 11den, na talrijke nasporingen rondom ons kamp, vonden wij een nieuwen put op zes of zeven kilometers afstands. Het was Charley, die ons deze tijding bracht, tevens met het bericht er bij dat zich nevens dezen put een kampement van inlanders bevond. Den 12den, met het krieken van den dag, vertrok ik met het doel hen te overvallen en een hunner gevankelijk mede te voeren, maar toen ik kwam, waren de zwarte vogels gevlogen.—De put gaf ons uitmuntend water.

III.

De veertiende was een Zondag; maar daar wij geen water hadden, waren wij tegen onze gewoonte verplicht, onze reis voort te zetten. Wij trachtten, toen wij de zandheuvels overtrokken, de steilste en lastigste hellingen te vermijden, daar zij zoo vermoeiend waren voor de kameelen. Al die zandheuvels verschilden zeer in hoogte en onderlingen afstand: de meesten waren tachtig voet hoog en tweehonderd-vijftig à driehonderd el van elkander verwijderd.

Evenwijdig de zandheuvels volgende, was de tocht door de kleine, tusschenliggende dalen zoo vermoeiend niet; maar was men daarentegen verplicht de heuvels over te trekken, dan hadden de kameelen het zwaar te verantwoorden: hunne pooten zakten diep in het mulle zand, en de pijn, die zij daarbij moesten doorstaan, was werkelijk eene marteling voor de arme dieren.

Moge dit binnenland van Australië ook al, evenals de Sahara, ten eenenmale gebrek hebben aan water, het heeft ten minste dit boven de afrikaansche zandvlakte voor, dat het in den regel eene groote verscheidenheid van struikgewassen, boomen en bloemen aanbiedt. Deze gewassen strekken den kameelen tot voedsel, en geven aan de landstreek een ietwat minder doodsch aanzien. Voor de menschen eetbare vruchten groeien er aan geen dezer struiken; en de boomen zijn wel geen bewijzen van de nabijheid van water, maar zij maken toch den grond, waar zij groeien, minder kaal en minder dor.

Op den 15den waren wij genoodzaakt stil te houden: onze grootste mannelijke kameel had voor hem vergiftige kruiden genuttigd en was zeer ziek. De waarde, die dit beest voor ons had, was onberekenbaar, niet alleen omdat hij zoo buitengemeen sterk was, maar ook omdat wij zonder zijne hulp niet in staat zouden zijn de andere jongere mannelijke kameelen in bedwang te houden, die van nu af aan konden wegloopen, en daardoor onze geheele kudde konden meesleepen. Tengevolge eener dergelijke gebeurtenis, hadden wij op den 20sten Juni reeds drie vrouwelijke kameelen verloren. Zoolang de grootste kameel de kudde onder zijn bedwang houdt, zijn de jongere mannetjes tamelijk rustig; maar zoodra hij door ziekte of eenig ander toeval wordt getroffen, geraakt dadelijk alles in wanorde, en tracht ieder mannetje zich te doen gehoorzamen. Als men hen niet nauwlettend bewaakt, nemen zij zoo veel vrouwtjes als zij kunnen op sleeptouw en loopen weg: de reizigers moeten dan onvermijdelijk ellendig omkomen. Door een wonderbaar instinct hadden onze jonge kameelen reeds bemerkt, dat hun leider ziek was, voor dat zelfs de kameeldrijvers het nog wisten, en zij gaven onmiddellijk teekenen van verzet. Dientengevolge werden alle noodige voorzorgen genomen om hun het wegloopen te beletten, hetgeen ook gelukte.

Den anderen morgen waren wij genoodzaakt onzen zieke achter te laten, die niet meer overeind kon staan. Wij plaatsten hem zoo dat hij het water zou kunnen gaan drinken, als hij aan den dood ontkwam. De warmte neemt hevig toe: de thermometer teekent 40° Celsius in de schaduw, en wij bevinden ons op 122° O.L.

Op den 18den zagen wij ons wederom genoodzaakt twee kameelen, waarop wij reden, achter te laten. Zij konden zich niet meer bewegen. Aanvankelijk dachten wij dat zij vergiftigd waren; maar vervolgens zagen wij dat zij eene nieraandoening hadden, tengevolge van den nachtwind. De kameel van mijn zoon Richard was aangetast door dezelfde kwaal; wij lieten hem niet zijn eigen dood sterven, maar doodden hem vooraf, opdat wij zijn vleesch zouden kunnen eten.

Op den 19den zouten wij het vleesch van onzen kameel zoo goed mogelijk in. Het is een armzalige kost: het beest was oud en versleten. Toch zou dit voedsel ons groote diensten bewijzen. Want in den uitgeputten toestand waarin wij ons weldra bevonden, was dit ellendig voedsel in staat ons leven gedurende verscheidene weken te verlengen, en daaraan zijn wij het verschuldigd dat wij niet zijn omgekomen.

20 September.—Heden is het een jaar geleden, dat wij de zuidkust hebben verlaten; wij hebben nog slechts twee kameelen geschikt om op te rijden; wij moeten onze tenten en het grootste gedeelte van de ons toebehoorende voorwerpen in de steek laten; wij behouden slechts de geweren, proviand, en niet meer kleederen dan de welvoegelijkheid eischt.


Zandstorm.

Charley berichtte ons ten een uur na den middag, dat hij een put had gevonden, waarvan de inboorlingen zich bedienden. Zonder deze ontdekking, zouden wij genoodzaakt zijn geweest, tachtig mijlen terug bladzijde 358te trekken en vervolgens onze tegenwoordige verblijfplaats weder op te zoeken, waardoor onze kameelen een buitengewonen marsch van meer dan honderdvijftig mijlen zouden hebben moeten afleggen. Overigens bevinden wij ons zeer wel; alleen de honger kwelt ons vreeselijk. Te half zes bereikten wij den put, die zeer waterrijk was en ons gelegenheid gaf al onze kameelen te drenken.

Den 26sten rukten wij vijftien mijlen vooruit. Richard is ziek, en wij sukkelen allen min of meer aan onze ingewanden. De mieren kwellen ons buitengewoon. Den 27sten legden wij nog vijfentwintig mijlen af, zonder water to vinden, zoodat wij ons niet verder van den eersten put durfden verwijderen, zonder verzekerd te zijn dat wij een tweeden vinden zullen. Ook verloren wij nog een kameel, die ziek was en sedert een dag of veertien niets meer kon dragen. Van de zeventien kameelen, die wij bij ons vertrek bezaten, is dit reeds de achtste die ons ontvalt.

28 September.—Niet alleen dat wij door vliegen en mieren gekweld worden, maar ook door bijen, die wel niet steken maar een alleronaangenaamsten geur van zich geven en altijd om onzen neus heen gonzen. Onze ontdekkers komen terug, zonder water te hebben gevonden. Wij zullen alzoo denzelfden weg weer terug moeten gaan. In tien dagen hebben wij slechts een gering aantal mijlen afgelegd. Voorraad hebben wij nog slechts in kleinen getale, en de hongerdood staat voor de deur.

Den 29sten bereiken wij ons laatste kamp. Wij zien de sporen van twee inboorlingen, en zenden den 30sten vroeg in den morgen Lewis en Charley om hen op te sporen; hen vinden zij wel niet, maar wat oneindig meer waard was: een put, op een afstand van acht mijlen ten N.W. Wij gaan er onmiddellijk heen: het is de beste, dien wij in zes maanden tijd hebben aangetroffen. Eigenlijk is het meer eene uitholling in de rots dan een put, ofschoon er toch ongetwijfeld een bron moet zijn, die hem voedt. Bij het vinden van water verlevendigt zich onze hoop. Wat ons nu nog maar het meeste hindert is, dat wij geen kameelen genoeg meer hebben om onze verkenningstochten ver uit te strekken; en aan den anderen kant kunnen wij overdag niet reizen, van wege de hitte, die de kameelen van vermoeienis doet neerzijgen. Zelfs de nachten zijn stikkend heet; de mieren, die zelven nimmer slapen, gunnen ook ons geen rust. Ten einde het ongeriefelijke van eenen nachtelijken tocht eenigszins te verminderen, leggen wij tegenwoordig eenige mijlen des avonds af; dan houden wij halt en vertrekken weder met het krieken van den dag, om voort te gaan tot dat de hitte ondragelijk wordt voor de kameelen; op deze wijze kunnen wij, al voorttrekkende, water trachten te ontdekken. Dat is eigenlijk de spil waar alles om draait: want als wij des nachts voorttrekken, zonder er zeker van te zijn dat wij in de richting naar een put gaan, moeten wij onvermijdelijk weer achteruit, en alzoo onze kameelen nutteloos vermoeien.

De toestand waarin wij ons bevinden, is werkelijk onrustbarend van wege het afnemen der levensmiddelen. Thans staan wij voor dit dilemma: als wij snel voorttrekken, hebben wij alle kans onze kameelen te verliezen en van dorst te sterven; en als wij langzaam voorttrekken, is onze eenige verwachting, met Gods hulp ons leven nog wat te rekken door het eten van in de zon gedroogd kameelenvleesch. Indien God ons nog eens vergunt water te vinden, en wij niet genoodzaakt zijn weer terug te trekken, wil ik een laatste poging wagen, ten einde de Oakover te bereiken, een zijtak van de Grey-rivier. Zoo niet allen, zullen toch eenigen onzer er komen. De streek, waarin wij ons nu bevinden, is niet slechter dan die, welke wij reeds hebben doorgetrokken; maar het toenemen van ons lijden is alleen toe te schrijven aan het verlies onzer kameelen.

IV.

Zondag, den 5den, vertrokken wij kwart voor vier uur in den morgen, en bereikten te half negen een put. Dikwijls zijn wij genoodzaakt geweest uit te rusten, want wij moesten dwars over een rij zandheuvels heentrekken. Deze put geeft ons geene toereikende hoeveelheid water; den ganschen nacht werkten wij door om meer water uit den bodem te doen wellen; drie uren arbeidens kost het, een emmer vol te krijgen: eindelijk gelukt het ons aan elk onzer dieren een emmer water te geven.

Lewis en Charley gaan voort met den omtrek te onderzoeken; op het oogenblik dat ik vreesde naar ons laatste kampement te moeten terugkeeren, komen zij met goed nieuws terug. Zij hebben een put gevonden, die aan twee of drie onzer kameelen het leven redt.

Den 8sten vertrekken wij te zes uur met ons goed, om ons nieuw kampement te bereiken. Ten einde de kameelen te sparen, ging ik te voet. Wij bleven daar verscheidene dagen, om onzen uitgeputten kameelen rust te gunnen en hunne krachten te laten hernieuwen, want ons aller leven hangt er van af of zij al of niet door de woestenij kunnen heentrekken.

Op den 15den kunnen wij van den put in het kamp nog slechts water krijgen voor ons persoonlijk gebruik: wij zijn dus verplicht de kameelen te doen teruggaan tot de vorige halt. Ik laat het spoor volgen der inlanders, maar zij zijn naar het zuidoosten getrokken, en in die richting kunnen wij niet gaan; wij moeten altijd zooveel mogelijk onze reis in westelijke richting voortzetten. De streek die wij doortrekken is dorder en droger dan die wij het laatst hebben doorkruist. Onze pogingen om een nieuwen put te vinden mislukken, en den 19den moeten wij denzelfden weg terug. Wij kunnen ons voor ons maal niet meer gunnen dan een lepel meel, aangelengd met water, daarbij een weinig in de zon gedroogd kameelenvleesch, en geroosterde acaciazaden.

Den 20sten hebben wij een duif geschoten. Des avonds maakten wij een kameel af, die aan den rug gewond was; binnen twee dagen zou hij niet meer kunnen loopen, en wij zouden hem dan moeten achterlaten, ten prooi aan de vliegen, die onmiddellijk, in ongeloofelijk groote menigte en met duizelingwekkende snelheid komen aangonzen.

Op den 22sten zend ik Lewis en Charley naar het zuiden om water op te sporen. Den 26sten kwamen bladzijde 359zij terug: zij hebben op eenigen afstand ten zuiden tamelijk goede putten gevonden. Zoodra onze kameelen wat uitgerust zijn, zullen wij ons daarheen begeven. Maar op den 29sten treft ons een nieuwe ramp: een onzer grootste kameelen wordt ziek; als wij dien verliezen, hebben wij er nog maar vijf over, en van die vijf zijn er twee uiterst zwak, en wel zoo, dat wij geen staat op hun behoud kunnen maken.

4 November.—Wij staan aan den ingang van de woestijn, die ons scheidt van de Oakover-rivier. Moge God ons kracht schenken, die door te komen! Richard is zwaar ziek, en ik ben er even slecht aan toe. De zandheuvels zijn voor ons meer afmattend dan anders, en wij kunnen lang niet zoo spoedig voort als wij dachten.

Op de zandheuvels volgen vlakten, begroeid met spinifex; maar daar, welk eene ontdekking! zagen wij twee of drie waterspranken, die, voor zoo ver wij er in de duisternis over konden oordeelen, van het zuiden naar het noorden loopen. De zon zal spoedig opgaan. Gedurende den nacht kunnen wij slechts een dertigtal mijlen afleggen, en er ligt nog een schier onafzienbare ruimte tusschen de rivier en de plek waar wij ons bevinden. Wij hebben geen meel, geen thee, geen suiker en geen zout meer, en kunnen ons vleesch dus niet meer inzouten. Wij leven alleen nog maar van in de zon gedroogde reepen vleesch, die reuk noch smaak hebben en even weinig voedsel bevatten, als een stuk droge boomschors.

17 November.—Lewis is de rivier gaan opsporen; hij zal zeker vijf dagen uitblijven, en bij zijne terugkomst moeten wij den kameelen een paar dagen rust gunnen. De duur van onzen tocht wordt op deze wijze onophoudelijk verlengd, en van oogenblik tot oogenblik dreigt de gevreesde hongerdood werkelijkheid te zullen worden.

Ons voedsel is even afschuwelijk als karig. De wijfjeskameel, die wij geslacht hebben, was zeer oud en geheel uitgedroogd en taai, zoodat haar vleesch nagenoeg geen voedende bestanddeelen bevat. Maar water hebben wij nu in overvloed, en dat is een onschatbare zegen, die al onze andere ontberingen betrekkelijk gering doet schijnen.

Op den 21sten tegen vijf uur in den namiddag kwam Lewis terug: het is hem gelukt de bronnen van de Oakover-rivier te bereiken; zij liggen toch verder verwijderd dan ik dacht, maar waarschijnlijk is er, als men nog meer in westelijke richting voorttrekt, een nader weg. Daar wij nu allen bij elkander zijn, moeten wij wederom een kameel afmaken, die ons met het hart en de lever een prachtig maal opleverde, en wiens vleesch wij op den volgenden dag toebereidden; de onverdragelijke warmte neemt sedert eenige dagen af, en wij kunnen dus eenigszins tot verademing komen.

Op den 1sten December vertrokken wij te tien uur des avonds; drie onzer waren genoodzaakt te voet te gaan; vandaar dat wij niet dan langzaam konden voorttrekken te midden der afmattende vlakten en zandheuvels. En als wij ophouden om te kampeeren en uitterusten, komen onze oude vijanden, de mieren, die ons beletten te slapen.—Op den 4den werd ik zoo hevig ziek, dat ik niet meer rechtop kon zitten op mijn kameel en men mij in liggende houding achterover op het lastdier moest vastbinden. Men kan zich denken, hoe ik geslingerd en geschokt werd, wanneer het dier de rotsige en steile hellingen der zandheuvels beklom; eindelijk te kwart over twee uur, des nachts, werd ik van die plaag verlost: de zandheuvels lagen achter ons, en wij bereikten eene reeks van rotsen.

Op den 11den bereikten wij eindelijk de Oakover, eene breede en indrukwekkend schoone rivier. Met welk een gevoel van dankbaarheid zochten wij een schuilplaats voor de hitte der zon onder de schaduw der boomen, die aan den oever stonden geplant! Wat schijnen zij ons grootsch toe, die boomen, na zoovele maanden doorgebracht te midden der huiveringwekkende zandheuvels, waar wij schier door de zonnehitte verbrand zijn.

Op den 13den vertrokken Lewis en een Afghaan met de twee beste kameelen, op mijn bevel, ten einde de woning van den heer Harper en C^o. op te zoeken. Schoon ik niet weet op welken afstand die woning zich bevindt, en ik ten eenenmale onkundig ben of mijn vriend nog leeft, grijp ik toch gretig deze eene kans op redding aan, die ons nog rest. Wij zelven, die moeten achterblijven, legeren ons aan de oevers der rivier.

Op den 29sten December was Lewis nog niet terug; indien het blokhuis waarop al mijne berekeningen gegrond waren, verlaten is, en Lewis naar Roeburne heeft moeten gaan, dan zal hij op zijn minst drie weken uitblijven:—en tenzij God ons bijsta, kunnen wij het zoolang niet meer uithouden. Toch heb ik er niet verkeerd aan gedaan, Lewis naar die plaats te zenden: want moge ook al mijn plan mislukken, dan is althans zijn leven gered, en dat der twee hem vergezellende tochtgenooten....

Weinige oogenblikken nadat kolonel Warburton zijn dagboek tot hiertoe gebracht had, kwam Lewis werkelijk terug met een overvloed van levensmiddelen en zes paarden. Hij had de plaats zijner bestemming bereikt, en dadelijk had men zich beijverd alles te zijner beschikking te stellen wat den beklagenswaardigen reizigers ten goede zou kunnen komen.

Op den 3den Januari, verliet kolonel Warburton zijn kamp, en kwam op den 11den bij de heeren Grant, Harper en Anderson aan. Zijne ontdekkingsreis was geëindigd. Uit het hart van Australië uitgegaan, was het hem gelukt, de westkust van het vaste land, dwars door de woestijn heen, te bereiken: hij had den voet gezet in streken, waar vóór hem nog geen Europeaan was doorgedrongen.

Dank zij de goede zorgen, die men aan de reizigers besteede, konden zij den 21sten naar Roeburne vertrekken, eene kleine stad aan de kust der Indische zee, waar zij met groote hartelijkheid werden ontvangen. Trouwens gansch Australië stelde er prijs op, zijn dank te kunnen betuigen aan den onverschrokken reiziger, die weldra ook in Engeland zijne ontberingen en doorgestane gevaren zag beloonen op eene wijze zoo schoon als hij maar had kunnen verlangen: de Royal Society of Geography keurde kolonel Warburton in 1874 haar gouden eerepenning waardig. bladzijde 360


De laatste kameel.

bladzijde 361
De Aarde en haar volken: Jaargang 1877 - Full Text (Reis door Griekenland)

No comments:

Post a Comment