Monday, March 5, 2012

De Aarde en haar volken: Jaargang 1877 - Full Text (Dalmatie)

Dalmatië.

(Vervolg van bladz. 136).


Fontein bij Ragusa.

XI.

Ons verblijf te Spalato en te Salona had lang geduurd: een oponthoud trouwens, volkomen gewettigd door het bij uitstek belangrijke dezer plaatsen. Nu wilden wij, naar onze gewoonte, de kust verlatende, het land in zijne gansche breedte tot nabij de turksche grenzen doortrekken, om vervolgens weder naar de kust terug te keeren. De plaats onzer bestemming was thans Sign.

Wij vertrekken van Spalato en begeven ons in de eerste plaats naar Clissa, een klein dorp aan den voet eener steile rotsvesting, die in de geschiedenis van Dalmatië eene zeer belangrijke rol heeft gespeeld. Het dorp begint beneden in het dal, en klautert tegen de steile, hoekige rotswanden op; de huizen zijn gebouwd op een reeks kleine terrassen, die zich als de treden van een reuzentrap boven elkander verheffen; elk huis heeft zijn eigen tuintje, dat door ontzaglijke cyclopische muren gedragen wordt. Hoog boven het laatste terras verrijst de vesting, waarvan de gekanteelde muren zich tegen de heldere lucht afteekenen. Toen ik voor het eerst Clissa bezocht, was de vesting onbezet; toen ik in de daarop volgende lente terugkeerde, nadat de opstand der rajas in Bosnië was uitgebroken, lag er bezetting. Clissa beheerscht de passen, die uit Bosnië naar de zee voeren; in vroeger eeuwen hebben de Turken, de Venetianen en de Hongaren beurtelings om het bezit dezer vesting gestreden. Bij den vrede van 1669 bleef de plaats voor goed aan Venetië.

Zoodra men Salona achter den rug heeft, verliest het landschap zijn bekoorlijk karakter: de steenwoestijn, die wij reeds vroeger tusschen Zara en Knin en tusschen Knin en Sebenico ontmoet hebben, keert weder, maar ditmaal zoo mogelijk nog doodscher en dorder. Hier en daar, waar de natuur voor eenige bunders bebouwbare aarde gezorgd heeft, vindt men een armoedig dorp; toch moet men aannemen, dat er, tusschen de rotsen verscholen, nog enkele andere vruchtbare plekjes te vinden zijn, want de vlakte is niet onbewoond. Mijlen achtereen ziet ge echter niets dan eindelooze reeksen van steenachtige heuvels, aan wier voet bladzijde 234nu en dan eenige huizen zijn gegroept; de plantengroei is zoo schraal en weinig beteekenend, dat het bijna een raadsel mag heeten, hoe hier menschen hun onderhoud vinden kunnen.

Eindelijk bereiken wij toch de grenzen van deze doodsche heuvelen: de wijde vlakte van Sign breidt zich voor ons uit; de stad zelve schuilt nog achter een vooruitspringenden heuvel weg. Deze vlakte is de grootste, die wij tot dusver in Dalmatië gezien hebben; zij is geheel groen, maar bevat hier en daar nog uitgestrekte plassen, waarop het zonlicht speelt. Aan den horizon wordt dit wijde dal begrensd door vrij hooge bergen; deze groene, malsche vlakte, waarin talrijke kudden grazen en lange rijen populieren hunne slanke kruinen wiegelen, maakt een eigenaardigen indruk, te sterker door het contrast met de woestijn, die men zoo pas verlaten heeft. Dit geheele terrein was in vroeger tijden meer dan waarschijnlijk de bodem van een meer, waarvan nog hier en daar de sporen overig zijn.

Sign, aan den voet van een wanstaltige rots gelegen, heeft niets schilderachtigs, ondanks de ruïnen van eene oude citadel, uit den tijd der venetiaansche heerschappij. Rijen populieren verbergen de huizen, die in denzelfden stijl zijn gebouwd als de nieuwerwetsche dorpen langs de kust; en zonder de kerken en kloosters, zouden er hier geen sporen te vinden zijn van de heerschappij van Venetië. De straten zijn buitengewoon breed; het stadje beslaat dan ook eene aanzienlijke oppervlakte. Men zou op het eerste gezicht niet vermoeden, dat de turksche grens maar eenige uren verwijderd is; maar onophoudelijk trekken er karavanen door de stad, die de verschillende koopwaren, welke zij van de kust hebben gehaald, naar het binnenland van Bosnië brengen.

Toen wij te Sign kwamen, was het juist marktdag: voor een vreemdeling altijd een buitenkansje. De landlieden uit den omtrek waren in vrij aanzienlijken getale toegestroomd; en hoewel de kleederdracht in hoofdzaak onveranderd blijft, ondergaat zij toch, naarmate wij de grenzen naderen, enkele wijzigingen, die niet aan onze opmerkzaamheid mogen ontsnappen.

Hier wordt bovenal onze aandacht getrokken door het eigenaardig hoofddeksel der slavische vrouwen: de okrouga, een wonderlijke witte muts, die voorover op het hoofd wordt gezet, en waarvan doorgaans alleen het voorste gedeelte zichtbaar is, want in den regel dragen de vrouwen over de okrouga een grooten witten sluier, die tot midden op den rug af hangt en ook gedeeltelijk de armen bedekt, maar het fraaie borduursel van het hemd zichtbaar laat. Te Sign is de okrouga eenvoudig een witte doek; iets verder naar de grenzen, is het voorste gedeelte opengewerkt, bij wijze van kant. In Herzegowina is dit hoofddeksel rood van kleur, en neemt meer den vorm aan van een fez; in de omstreken van Trebinje wordt de okrouga voor goed door de fez vervangen; maar ook dan nog blijft de breede sluier, die de schouders en de armen bedekt. In Herzegowina, en met name in de streek tusschen Montenegro en Mostar, wordt die sluier van fijne zijde vervaardigd; overigens ondergaat het kostuum weinig verandering. Ook dat der mannen verschilt niet merkbaar van de kleederdracht uit de omstreken van Knin; met dit onderscheid alleen, dat in Dalmatië over het algemeen de tulband gedragen wordt, terwijl in de turksche provinciën dit hoofddeksel het uitsluitend kenmerk is der Muzelmannen.

De kerken van Sign zijn zeer ruim en rijk versierd; vermoedelijk behoort hier de overgroote meerderheid der bevolking tot de katholieke Kerk, want ik heb nergens een grieksche kapel gezien. De kerken van Sign dagteekenen voor het meerendeel uit de zeventiende en achttiende eeuw, en dragen allen het italiaansche karakter; de versiering is blijkbaar afkomstig uit den tijd der venetiaansche heerschappij.

Mijn verblijf te Sign heeft niet langer dan een dag geduurd, maar ik heb er behoorlijk kunnen eten en slapen, en dit is geen klein kompliment voor een dalmatisch stadje, aan de grenzen van Herzegowina. Later heb ik meermalen, aan gene zijde der bergen, honger geleden; en zelfs aan deze zijde van den Velebit was de kost dikwijls schraal en het nachtleger van twijfelachtig gehalte. Te Sign vindt men ten minste eene behoorlijke herberg; en een blik op den weelderigen vruchtbaren omtrek geeft u de overtuiging dat het u althans niet aan voedsel behoeft te ontbreken.

Op het marktplein bewaart eene fraaie fontein, die te Padua of te Treviso niet misplaatst zou zijn, de herinnering aan den tijd der venetiaansche heerschappij. Toen wij daar langs kwamen, stonden er eenige boerinnen bij de fontein gegroept, om water te putten; en hare kleederdrachten, die ons aan het Oosten deden denken, vormden een eigenaardig contrast met den italiaanschen renaissance-stijl van het kleine, maar fraaie monument, waarvan onze lezers de afbeelding vinden op bladz. 136.

Na den dag te hebben gebruikt voor eenige bezoeken en voor wandelingen door de stad en hare omstreken, die niets bijzonders opleveren, besloot ik den volgenden morgen naar de kust te vertrekken, om mij te Spalato in te schepen naar Ragusa. Ik zou zoodoende tweemaal denzelfden weg afleggen; maar men moet wel rekening houden met de middelen van vervoer; en men is van zelve verplicht telkens naar de Adriatische-zee terug te keeren, waar men zeker is de stoombooten van Lloyd te zullen aantreffen. Er schoot dus geene andere keuze over. Zonder ongeval te Spalato aangekomen, vertrokken wij den volgenden morgen ten zes uur, en liepen, na een kalme zeereis van zes-en-twintig uren, in de haven van Gravosa, bij Ragusa, binnen.

Deze zeetochtjes van de eene stad naar de andere zijn niet van belang ontbloot. Van het dek der boot volgen wij de kronkelende, bochtige lijn van de pittoreske, bergachtige kust; wij houden telkens op in een der vele kleine havens, Piëtro di Brazza, Almissa1, Macarsca en Curzala. Wij hebben dan juist den tijd, om, terwijl reizigers in- en ontscheept worden, vluchtig enkele schetsen van het omringende landschap te maken.

Gravosa is als het ware de buitenhaven van Ragusa; bladzijde 235de schepen kunnen hier gemakkelijker aanleggen dan in de haven der stad zelve; de reede is dieper, veiliger en beter gelegen. De haven van Ragusa, die te zeer voor den zuid-oostenwind open ligt, wordt bijna alleen door de visschers en de kleine kustvaarders gebruikt. Deze stad, die eens een zoo belangrijken handel dreef en eene zoo gewichtige rol speelde, dat zij den naijver opwekte van de trotsche republiek van Sint-Marcus, had eigenlijk moeten gebouwd zijn op de plaats, waar nu Gravosa staat, en niet op dat eng begrensde, tusschen de zee en de rotsen ingesloten terrein, waar iedere uitbreiding onmogelijk is. Deze zoo moeilijk te genaken plek werd aanvankelijk veiligheidshalve gekozen; later, toen de stad, na velerlei rampen, herbouwd moest worden, waren de burgers te zeer aan hunne vroegere woonplaats met al haar herinneringen en traditiën gehecht, om een plek te verlaten, die van het eerste oogenblik slecht gekozen was, niettegenstaande zij in de onmiddellijke nabijheid een uitgezocht terrein hadden om eene groote stad te bouwen.

De afstand tusschen Gravosa en Ragusa bedraagt niet meer dan een halve mijl.

Een fraaie, in de rotsen uitgehouwen weg, ter wederzijde door smaakvolle villas in italiaanschen stijl omzoomd, voert naar de stad. Aan alle zijden treft ons de weelderige, zuidelijke plantengroei: aloës en cactus groeien in de spleten der rotsen; de lucht, de zee, de berg, de vorm der huizen, de geheele omringende natuur, herinneren aan de rots van Monte-Carlo en het prachtige panorama van Monaco; de donkere cypressen, die zich loodrecht verheffen uit de dichtbegroeide heesters met hun goudgele bladeren en gekleurde vruchten, voeren ons ook in onze verbeelding naar de landschappen van zuidelijk Italië. Gravosa is een stedeke van eenige beteekenis door zijn haven; daar vindt men de timmerwerven van Ragusa, waarop evenwel niet meer de bedrijvigheid van vroeger heerscht. Tusschen Gravosa en Ragusa, vlak langs den weg, bouwden de rijke kooplieden der republiek hunne landhuizen, door bekoorlijke tuinen omringd, waar zij het volle genot van het buitenleven konden smaken.

Wie de geschiedenis van Ragusa kent, zal niet zonder een gevoel van eerbied deze stad betreden; ik durf zelfs beweeren, dat het zonderlinge voorkomen der stad, zoo hoogst eigenaardig en karakteristiek ten gevolge van het gekozen terrein, in allen deele beantwoordt aan de verwachting, die de kenner harer historie zich van Ragusa gevormd heeft.

Op de tuinen en landhuizen langs den weg, volgt de voorstad Pille, waar men eenige logementen voor de reizigers vindt; vlak tegenover den weg verrijst de poort der vesting, die de gansche stad omvat. Ge ziet niets dan bedekte wegen, ophaalbruggen, diepe droge grachten, waarin, tusschen de rotsen, vijgeboomen groeien; esplanaden, waarop soldaten exerceeren; hooge gekanteelde muren, die de golvingen van den grond volgen, met zware torens en valpoorten, die aan de middeleeuwsche burchten denken doen. Boven den hoofdingang prijkt een wapenschild in bas-relief, voorstellende Sint-Biagio (Blasius), bisschop, met myter en kromstaf, en daarachter een burcht. Dit is het wapen der stad en het zegel der republiek van Ragusa; zij koos den heiligen bisschop tot haar patroon, omdat, bij zekere gelegenheid, toen de Venetianen zich door een krijgslist van de stad wilden meester maken, een priester voor den Senaat verklaarde, dat San-Biagio hem in den droom verschenen was en de plannen van den vijand had ontdekt (971). Hebt ge de smalle poort achter u, dan moet ge nog eene drie-dubbele omwalling met wachthuizen doorgaan, eer ge den Stradone bereikt.

De Stradone van Ragusa (strada, straat) is het voornaamste deel der geheele stad; bijna aan den ingang staat eene fraaie fontein, sierlijk en smaakvol bewerkt, uit het begin der zestiende eeuw; zij is of niet voltooid, of heeft door een of andere ramp haar bovengedeelte verloren. Tegenover de fontein verrijst de voorgevel van eene mooie kerk, die tot een Franciskaner-klooster behoort. Verbeeld u verder een geplaveiden weg, tusschen de tien en twaalf ellen breed, ter wederzijde omzoomd door eenvormige huizen van graniet; die huizen zijn zeer breed, zeer eenvoudig, zonder eenigen stijl, met zuilengangen voorzien en van elkander gescheiden door smalle steegjes, ter breedte van hoogstens twee el. Ter linkerzijde voert elk dezer steegjes naar een trap van meer dan honderd treden; de huizen, die in deze straatjes uitkomen, volgen natuurlijk de helling van den grond, en verheffen zich vlak boven elkander, zoodat hunne vensters op de trap uitkomen en hunne balkons daarboven zweven. Het is bijna onmogelijk, zich eene duidelijke voorstelling van dit zonderling geheel te maken.

Hoog boven die trap verheffen zich de gekanteelde muren van een op de rots gebouwd fort, dat de stad aan deze zijde verdedigen moet. De straatjes ter rechterhand, niet minder smal, liggen op dezelfde hoogte als de Stradone, en voeren naar dat deel der stad, dat aan de zee uitkomt, of liever aan den zwaren, met geduchte bolwerken versterkten muur, die langs de zee loopt.

De Stradone is zuiver recht, als ware hij met een liniaal getrokken; hij doorsnijdt de stad in hare gansche lengte en voert naar de voorstad Plocce, aan de landzijde op den weg naar Herzegowina.

Houden wij een oogenblik stil op het voornaamste plein, de Piazza dei Signori, aan het einde van den Stradone. Het laatste huis aan onze rechterhand komt met zijn zijgevel op het plein uit; daar is de kathedraal, die zich door niets bijzonders onderscheidt, en in de zeventiende eeuw werd gebouwd. Ter linkerhand verrijst een gebouw, dat door zijn uitnemend schoone vormen aanstonds de aandacht trekt, de Douane. Tegenover ons, op het plein, staat het paleis van den Rector of eersten magistraat der republiek; de fraaie zuilen, waarop spitsbogen rusten, doen u denken aan de portiek van het Dogepaleis te Venetië. Tusschen het paleis en de Douane staat een monumentaal wachthuis, waarboven zich een klokketoren verheft: dit is tevens de poort, die naar de zee voert.

Rechts van den Stradone, ook het Corso genoemd, ligt het grootste gedeelte der stad; daar vindt men bladzijde 236eene vrij ruime groenmarkt, en een aantal smalle straten en stegen, te zamen een klomp dicht opeengedrongen huizen, die voor het meerendeel zeer weinig licht ontvangen door de uiterst geringe breedte der straat, waarop zij uitkomen.

Over het algemeen vertoont Ragusa het voorkomen en karakter eener noord-italiaansche stad: het plaveisel, de balkons, de stijl der openbare gebouwen en monumenten, het buitensporig aantal kerken—alles herinnert aan de venetiaansche architectuur. Er heerscht eene buitengewone zindelijkheid. Ge ontvangt een indruk van eigenaardig leven en vroolijke opgewektheid, ondanks de zeer enge grenzen, waarbinnen ge u beweegt; alles zegt u, dat, niettegenstaande de wisselingen der tijden, hier nog welvaart en rijkdom te vinden is. In den Stradone ziet ge eene menigte winkels van goudsmeden en juweliers, en niet minder magazijnen van kleederen en borduurwerk. De lokale kleederdrachten zijn zeer opmerkelijk: het kostuum van het gilde der pakkedragers of commissionnairs gelijkt sprekend op dat der turksche kooplieden van Smyrna. Deze corporatie heeft niet alleen haar eigen gewoonten en gebruiken, haar eigen keuren en reglementen, maar ook haar eigen rechtspleging. Waarschijnlijk is dit gilde reeds zeer oud: het bestaat nog onveranderd, en de leden zijn beroemd wegens hun onkreukbare eerlijkheid.


Landmeisje uit den omtrek van Salona.

Thans willen wij de voornaamste monumenten van nabij bezien. Inwendig zijn de meesten geheel verbouwd en veranderd; maar het uitwendige voorkomen verdient alleszins de aandacht. Indien Ragusa er nog uitzag als in den bloeitijd der republiek, zou de stad vrij wat belangwekkender zijn; maar weinige steden stonden aan zulke zware beproevingen bloot. Den 21sten Maart 1023, op San-Benedetto-dag, werd bijna de gansche stad door brand vernield; ditzelfde lot trof haar in 1296 en nogmaals in 1459, toen slechts het gebouw der archieven en de Schatkamer gespaard bleven; eindelijk verkeerde, in 1667, eene geduchte aardbeving de geheele stad in een puinhoop. Van deze ramp dagteekent zelfs het verval van Ragusa; nimmer kon zij zich van dien vreeselijken slag herstellen. De burgers toonden eene inderdaad schier onbegrijpelijke hardnekkigheid, om steeds tot dezelfde, zoo slecht gekozen plaats terug te keeren, niettegenstaande het hun niet aan waarschuwingen ontbrak, want van de zeventiende eeuw tot 1843 keerden de aardbevingen periodiek zoo wat om de twintig jaar terug, al behoorde ook een ramp als die van 1667 tot de uitzonderingen.

De Douane is een der weinige monumenten, die aan de verwoesting van dat jaar zijn ontkomen. Het is een fraai gebouw in venetiaanschen stijl, met eene sierlijke portiek in den voorgevel. De ruime binnenplaats is aan alle zijden door zuilengangen omgeven, waaronder zich de winkels en magazijnen bevinden, die allen den naam van een heilige dragen. De opschriften wijzen nog de bestemming van het gebouw aan: “Geef den Keizer wat des Keizers is;” en dit andere, nog merkwaardiger opschrift: ”Pondero cum merces ponderat ipse Deus”. (Als ik de koopwaren afweeg, houdt God ook de weegschaal.) De Munt was in hetzelfde gebouw gevestigd; daar werd het metaal gesmolten en tot geld gestempeld.

In verhouding tot den omvang der stad, is het aantal der kerken buitengewoon groot. Evenals te Venetië, wilde iedere familie haar eigen kapel bezitten, die gaandeweg tot een kerk aangroeide; de Ragusanen waren van oudsher bekend wegens hunne kinderlijke gehechtheid aan de meest ongeloofelijke relieken. De menigte der relieken, in deze onderscheidene kerken bewaard, gaat alle begrip te boven: ieder burger van eenige beteekenis, die verre landen had bezocht, stelde er een eer in, een of andere relikwie mede te brengen. De geschiedschrijvers der republiek geven in hunne werken eene uitvoerige beschrijving van al deze antieke overblijfselen, welke voor een groot deel geschenken waren van de Koningen en Koninginnen van Bosnië en de doorluchtige beschermers der republiek, die van eene bedevaart naar de heilige plaatsen terugkeerden. Zij verhalen ook, dat na de overweldiging van Bosnië, Servië, Bulgarije, Albanië en Griekenland door de Turken, de kooplieden van Ragusa zich zooveel mogelijk beijverden om de relikwiën, die in handen der ongeloovigen waren gevallen, terug te koopen en weder aan kerken of particulieren te verkoopen.


Kleederdrachten uit den omtrek van Ragusa.

De meeste dier relieken worden tegenwoordig bewaard in eene ruime kapel van de kathedraal, het Reliquarium bladzijde 238genoemd. Het kost eenige moeite, toegang tot die verzameling te verkrijgen. De kapel bevat zeer groote rijkdommen, want bijna alle relikwiën worden bewaard in kistjes, bekers, doozen, monstransen van goud, zilver of rotskristal, die te zamen eene zeer aanmerkelijke waarde vertegenwoordigen. In den regel wordt de kapel niet dan op hooge feestdagen geopend, wanneer deze zaken in statigen ommegang worden rondgedragen; tijdens de republiek mocht de kapel niet worden geopend dan in tegenwoordigheid van twee senatoren.

Als men den Stradone ten einde wandelt en de stad door het reeds genoemde wachthuis met den klokketoren verlaat, dan komt men, na wederom door eenige bedekte wegen en vestingwerken te zijn gegaan, aan de Zeepoort. Daar heeft men aan zijne rechterhand de haven van Ragusa, zeer goed beschut en zeer schilderachtig, maar ook zeer klein en alleen dienstig voor de visschersvaartuigen en de kleine kustvaart. De schuiten, waarmede de bewoners der omliggende dorpen op marktdagen de stad bezoeken, liggen ook in deze haven. De Zeepoort uitgaande, komt ge ook in Borgho Plocce, waar de weg naar Trebinje begint; ge zijt slechts op weinige schreden afstands van Herzegowina, en de vrouwen van die streek bezoeken geregeld de markt te Ragusa. Daar bevindt zich ook de karavanserai der Turken, met een omheind park voor het vee, en een kleine loods, waarin aan de karavanen zout verkocht wordt.

XII.

Na een blik op de stad geworpen te hebben, mogen wij niet zwijgen van hare geschiedenis: eene geschiedenis, zoo merkwaardig en in zekeren zin zoo geheel eenig in haar soort, dat vooral om die reden dit kleine plekje gronds alle belangstelling waardig is.

Even als Spalato, dankt ook Ragusa haar stichting aan de invallen der barbaren, die Salona verwoestten. Een deel van de bevolking dier stad nam de wijk naar deze rots, verliet Gravosa, dat te dicht bij de open zee ligt, en zocht een toevluchtsoord aan den zoom der minder toegankelijke baai van Ragusa. Reeds in 265 hadden de Gothen het oude Epidaurum geplunderd; langen tijd daarna hadden eenige inwoners van die stad zich aan dezen inham en de kleine vlakte aan den voet der reusachtige rotsmassa nedergezet. De uitgewekenen van Epidaurum en van Salona smolten samen en vormden alzoo de bevolking der nieuwe stad Ragusa. Zonderling genoeg, werd ook op de plek van het oude Epidaurum weder eene stad gebouwd, die den naam ontving van Ragusa-Vecchia, Oud-Ragusa.

Tusschen 656 en 949 werd de stad driemaal uitgelegd, en nooit kwam het den burgers in de gedachte, een gunstiger en ruimer plek uit te kiezen, want hunne veiligheid ging hun boven alles. De vergrooting der stad wordt vooral toegeschreven aan Paulimir, kleinzoon van Radoslas V, Koning van Kroatië, die door zijn eigen zoon was onttroond. Paulimir had de wijk genomen naar Rome; na den dood van zijn zoon, riepen zijne onderdanen hem terug; hij had langen tijd te Ragusa vertoefd, en om zijne erkentelijkheid te toonen voor de gastvrijheid, waarmede de burgers hem ontvangen hadden, omgaf hij de stad met eene versterkte omwalling, bouwde de kerken van Sint-Sergius en Sint-Stefanus, en wist van den Paus te verkrijgen dat de bisschop van Epidaurum zijn zetel van Breno naar Ragusa overbracht.

De nieuwe stad was van vijanden omringd; op zee had zij te kampen met de piraten, en van de landzijde werd zij door de Slaven van Bosnië bedreigd; niettemin ontwikkelde zij zich; de nood dwong haar burgers tot onverpoosde inspanning en rusteloozen arbeid. Weldra toonden zij zich bekwame zeevaarders; zij bouwden twee tuighuizen, rustten een galei uit, benevens een aantal kleinere gewapende vaartuigen, en versterkten hunne vestingwerken met nieuwe torens. In het jaar 788, toen een van haar geduchtste vijanden, de sarraceensche zeeroover Spucento, in de wateren van Ragusa het anker uitwierp, tastten de burgers hem moedig aan, maakten hem gevangen en vermeesterden zijn schepen. Dit was het eerste groote wapenfeit van Ragusa, en die overwinning maakte zoo grooten indruk, dat zij allengs door de legende werd toegeschreven aan Roland, den wijd en zijd beroemden held der sagen van Karel den Groote. Ter eere van dien gewaanden Roland werd zelfs te Ragusa, op het groote plein, tusschen het paleis en de Douane, een kolossaal standbeeld in volle wapenrusting opgericht. Dit beeld, dat van tijd tot tijd werd vernieuwd, staat nog heden op een klein pleintje, naast de poort, van den Stradone naar zee voert, daar waar ook, in de laatste tijden van haar bestaan, de standaard van de republiek werd geplant.

Weldra ging Ragusa een schitterender toekomst tegemoet. In 831 wordt de stad door de Slaven van Trebinje aangevallen; zij slaat dien aanval zegevierend af; en het vredesverdrag, door bekwame en bedachtzame kooplieden opgesteld, wordt een der grondslagen van den ongeloofelijken voorspoed der republiek. De stad bedingt den vrijen handel met de tegenwoordige turksche provinciën Herzegowina, Bosnië en een deel van Bulgarije; zij verkrijgt den afstand van een strook gronds, om wijngaarden te planten, graan te zaaien en kudden te laten grazen; daar tegenover vergunt zij aan haar vijanden onbeperkten handel met haar kooplieden. In 867 plunderen de Sarraceenen Budua, Pisano en Cattaro, en slaan het beleg voor Ragusa; de stad verdedigt zich gedurende vijftien maanden; Basilius, de Keizer van het Oostersche rijk, zendt honderd schepen tot hare hulp. De Sarraceenen worden gedwongen, het beleg op te breken en zich naar Bari terug te trekken. De Paus, de Koning van Frankrijk en de Keizer van Byzantium sluiten nu een verbond met Ragusa, en deze kleine stad treedt mede op onder de christelijke mogendheden, die de ongeloovigen uit Italië zullen verjagen. Te Ragusa verzamelt zich een machtig leger, waarmede straks Bari wordt aangetast, dat eerst na een beleg van vier jaren (871) vermeesterd wordt.

Tegen het einde der negende eeuw vertoonen zich de eerste sporen van naijver tusschen Venetië en de republiek van Ragusa. De zeeroovers van Narenta, waarvan ik reeds vroeger gesproken heb, teisteren de bladzijde 239kusten der Adriatische-zee; Venetië verklaart hun den oorlog, en vervolgt hen allerwege, en haar scheepsmacht vertoont zich ook, onder dat voorwendsel, te Ragusa. Aanvankelijk is de verhouding zoo vredelievend mogelijk. Eenige venetiaansche galeien bezetten de baai van Gravosa; anderen werpen het anker uit tegenover het eiland Lacroma. De admiraal gaat aan land, en verschijnt in den Senaat: hij heeft geen ander oogmerk dan om zich van de noodige levensmiddelen te voorzien. Maar een Ragusaan, aan wien, zoo hij zegt, eene verschijning van Sint-Blasius is te beurt gevallen, maakt de senatoren met de geheime plannen der Venetianen bekend; men grijpt naar de wapens en spoedt zich naar de wallen. Des morgens vindt de admiraal de Ragusanen geheel ter verdediging toegerust; hij waagt een aanval, die wordt afgeslagen, en licht daarop het anker. De Ragusaan heette Stojco; en sedert dien tijd werd Sint-Blasius de patroon der republiek; men bouwde eene kerk te zijner eer, en zijn beeldtenis prijkte op het zegel van den staat en op de nationale banier.

Omstreeks het begin der elfde eeuw ontvangt het gebied der stad, tot dusver schier tot de naakte rots beperkt, eenige uitbreiding. Stephan, Koning van Dalmatië en Kroatië, geeft aan de republiek eene strook gronds van vijf-en-twintig mijlen lengte, omvattende de vallei van Breno, Ombla, Gravosa en Malfi. Deze Koning had eene bedevaart ondernomen naar de kerk van San-Stefano, en meende daardoor genezing gevonden te hebben van eene ziekte, waaraan hij sinds geruimen tijd leed; de schenking was nu een bewijs zijner dankbaarheid. Hij was zoo zeer met de burgers bevriend en stelde in hen zoo groot vertrouwen, dat na zijn dood zijne weduwe Margaretha de stad Ragusa tot haar verblijf koos.

Meermalen heeft Ragusa de eer gehad, onttroonde vorsten te herbergen, en steeds heeft zij hun niet alleen gastvrijheid, maar dikwijls ook feitelijke bescherming verleend. Dikwerf moest de stad daar voor boeten. Nauwelijks had de Koningin-weduwe Margaretha de wijk genomen naar Ragusa, of de opvolger van haar echtgenoot, Radoslas V, eischte hare uitlevering. Die eisch werd afgewezen; hij sloeg het beleg voor de stad, die hem wel tot den aftocht dwong, maar toch veel van dien aanval te lijden had, want de rijke voorsteden werden vernield.

Bodino, de overweldiger van den troon van Servië, had de wapenen opgevat tegen zijn oom Radoslas en zijne zonen. De bloedverwanten van Radoslas, die het onderspit gedolven hadden, zochten eene schuilplaats, waar zij veilig zouden zijn voor de wraak van Bodino, en kwamen te Ragusa. Nauwelijks waren zij daar aangekomen, of Bodino zond een gezant, en vorderde van den Senaat de onverwijlde uitlevering der bloedverwanten van zijn oom. Indien de Senaat zijn verzoek afsloeg, dan zou de overwinnaar van Bosnië “als een adelaar nederdalen en Ragusa verdelgen.” De Senaat weigerde niettemin, en handhaafde in zijn waardig antwoord de traditie der republiek, om eene wijkplaats te zijn voor alle vervolgden.

Niet zoodra had Bodino van zijn gezant deze weigering vernomen, of hij naderde met een machtig leger, en sloeg zijn kamp op bij den berg Bergato, voor Ragusa. Dit beleg duurde zeven jaren; de burgers verdedigden zich met onwrikbaren moed. Het leger van Bodino kwam in opstand, ten gevolge der wreedheden, waaraan hij zich jegens de bloedverwanten van Radoslas overgaf; de Koning van Servië moest het beleg opbreken, maar niet zonder eene sterke bezetting achter te laten op het versterkte plateau, waar tegenwoordig de Sint-Nicolaaskerk staat. De aartsbisschop van Ragusa en de abt van het klooster van Lacroma onderscheidden zich bij die gelegenheid door een daad van edelen heldenmoed. Zij begaven zich in statigen optocht naar het kamp van Bodino, en verweten hem, in naam van den levenden God, de moorden, die hij in koelen bloede bedreven had. Door hunne ernstige woorden getroffen, deed Bodino boete, en liet op de rots van Lacroma, ter eere van zijne slachtoffers, een grafteeken oprichten, waarvan nog heden de overblijfselen zichtbaar zijn.

Echter was het beleg niet geheel opgebroken, want de Serviërs hielden nog altijd hun fort op den heuvel bezet; op Paaschdag van het jaar 1111, maakten de burgers zich met list van die sterkte meester, en om deze zegepraal te vieren en de herinnering daaraan te bewaren, werd de vesting geslecht, en in de plaats daarvan eene kerk ter eere van Sint-Nicolaas gesticht. Om dien zelfden tijd werd de stad aanmerkelijk uitgelegd; aan het uiteinde van den Stradone, werd een kanaal gedempt en in een plein herschapen; tevens ontving de republiek het eiland Nelada ten geschenke van Ourosh I, Koning van Servië.

In 1159 werd Ragusa op nieuw belegerd, en wel door Barich, den Koning van Bosnië, die met zijne onderdanen ter zake van godsdienstgeschillen over hoop lag; ook nu hadden de uitgewekenen eene schuilplaats gezocht in Ragusa. Barich komt met een leger van tienduizend man, en levert Breno aan de vlammen over; hij trekt zich tijdelijk terug voor den vastberaden tegenstand der burgers, maar kondigt tevens zijn voornemen aan, om het volgende jaar terug te keeren. Ragusa wacht hem niet af; zij sluit een verbond met andere dalmatische steden, en rukt, met een vrij sterk leger, rechtstreeks naar Trebinje; Barich ziet zich weldra gedwongen een vernederenden vrede te teekenen, waarbij de republiek nieuwe handelsvoordeelen bedingt.

De macht van Ragusa was aanmerkelijk gestegen; zij had, ondanks herhaalde pogingen van Venetië om de kleine republiek aan haar gezag of protektoraat te onderwerpen, haar onafhankelijkheid weten te bewaren. Nu echter vinden wij gewag gemaakt van burgertwisten, die den Senaat bewogen, zelf de bescherming in te roepen, welke hij tot dusver volstandig verworpen had. Naar het toen heerschende recht, moest de Rector of eerste overheidspersoon der republiek na verloop van een jaar zijn ambt nederleggen. De Rector Damiano Judas had evenwel de soldaten omgekocht, en was reeds sedert twee jaren aan het bestuur; hij verhinderde de vergaderingen van den Raad en oefende een dictatoriaal gezag uit. Een zijner schoonzoons, Piero Benessa, verbond bladzijde 240zich met eenige edelen, en stelde voor, de tusschenkomst van Venetië in te roepen. Dit stond gelijk met vrijwillig zijne onafhankelijkheid op het spel te zetten; maar toch besloot men den stap te wagen. Benessa ging naar Venetië en trad in onderhandeling met den Senaat; men gaf hem twee galeien, waarmede tevens een gezantschap naar Constantinopel vertrok. Op zijne reize hield hij zich te Ragusa op, en noodigde Damiano uit om aan boord te komen, ten einde de geschenken te zien, die den Keizer zouden worden aangeboden. Nauwelijks had hij den voet op het dek gezet, of de Rector werd in boeien geslagen; hij verbrijzelde zich het hoofd tegen het boord. Intusschen bleek weldra, welk een gevaarlijken stap men gedaan had: de Senaat van San-Marco stelde een gouverneur over Ragusa aan, en dwong de kleine republiek aan al de oorlogen, waarin Venetië gewikkeld werd, deel te nemen.


Pakkedragers te Ragusa.

Van 1216 tot 1357 was Ragusa bijna een vasalstaat van Venetië; zij had wel haar eigen regeeringsvorm, haar eigen vlag en de keuze harer magistraten behouden, maar de invloed van den Senaat van Venetië was oppermachtig. De republiek wist inmiddels, ook door behendig aangeknoopte alliantiën en door een beleidvol gebruik maken van de omstandigheden, langzamerhand hare zelfstandigheid te herwinnen, tot in 1359, in plaats van den door Venetië gezonden gouverneur, drie ragusaansche patriciërs gekozen werden, die den titel van rectoren voerden. De groote republiek van Sint-Marcus, die onbetwist meesteresse was van de Adriatische zee, nam met deze verandering genoegen, en liet hierdoor haar oppergezag over dit schier onmerkbaar plekje gronds varen.


Een turksche karavaan op weg naar Ragusa.

Inmiddels was eene nieuwe macht op het tooneel verschenen, waar zij eene zoo ontzaglijke rol spelen bladzijde 242zou: de Turken hadden den voet in Europa gezet, en een aanvang gemaakt met die reeks van veroveringen, die het grieksche rijk zouden verzwelgen, het duitsche op den rand van den ondergang brengen, en gansch Europa met schrik vervullen. Reeds in 1358 knoopt de republiek van Ragusa betrekkingen aan met deze barbaren, die bereids tot in de aangrenzende landen zijn doorgedrongen en de Slaven tot onderwerping zullen dwingen; in het genoemde jaar zendt zij een gezantschap naar den emir Orcan. Ragusa biedt hem eene schatting aan van vijfhonderd sequinen per jaar, en bedingt daarvoor zoo veel mogelijk voorrechten en privilegiën voor haar handel. Zij ziet in de Turken de machtigste en onverzoenlijke vijanden van haar oude mededingster, de republiek van Venetië; zij is de eerste mogendheid in Europa, die een bondgenootschap sluit met den turkschen Sultan: iets, wat haar juist niet tot eer verstrekt.

Dank zij dit bondgenootschap, gelukte het echter der republiek, ondanks voorbijgaande moeilijkheden, haar onafhankelijkheid te bewaren, ook bij de menigvuldige oorlogen, die Turken en Hongaren met elkander voerden, en waarin zij meermalen dreigde betrokken te worden. Eindelijk valt ook Constantinopel in de macht der mongoolsche horde, die bereids Servië, Bosnië, Herzegowina, Albanië en een deel van Hongarije aan haar juk heeft onderworpen. Mohammed II, de veroveraar van Constantinopel, vermeestert voor en na al de havens van Dalmatië, en zijne vloot nadert Ragusa. De burgers zijn door schrik bevangen; de republiek heeft geen bondgenooten; aan weerstand valt tegenover dien vijand niet te denken. Men besluit dus een gezantschap naar den Sultan af te vaardigen. Deze eischte den afstand van al het grondgebied buiten de wallen der stad, die dan hare onafhankelijkheid mocht behouden. De Senaat antwoordde, dat de republiek zich aan den wil van den Sultan onderwerpen zou, maar merkte daarbij op, dat Ragusa, van geheel haar gebied beroofd, zich niet zou kunnen staande houden, en in handen van den Koning van Hongarije zou vallen. Dit hielp: Mohammed zag van zijn eisch af en liet de stad met vrede.

Voortaan door machtige buren aan alle zijden ingesloten, viel er voor Ragusa verder aan geen uitbreiding van grondgebied te denken; voortaan zal zij zich geheel wijden aan handel en nijverheid, aan de beoefening van kunst en wetenschap. Op grond van hunne gehechtheid aan den Heiligen Stoel, weten de burgers van Ragusa van den Paus de vergunning te verkrijgen om met de ongeloovigen handel te mogen drijven; en tegen het einde der vijftiende eeuw, heeft de republiek, ondanks de moeilijkheden van haar politieken toestand, een trap van welvaart en voorspoed bereikt, die de bewondering van Europa en den naijver van Venetië opwekt. Haar kooplieden hebben kantoren in Frankrijk, in Spanje, in Italië, in Engeland, in geheel het Oosten, en onnoemelijke schatten worden binnen hare muren opgestapeld. Omstreeks dien tijd trof de stad een geduchte ramp: een koopman van Ancona bracht de pest naar Ragusa over, die zoo vreeselijke verwoestingen aanrichtte, dat de stad bijna geheel verlaten werd. De Senaat verplaatste zich naar Gravosa; in de stad bleven slechts tweehonderd soldaten en zes edellieden, met twee galeien over, om de haven te kunnen verdedigen. De pest heerschte gedurende zes maanden; naar men zegt, stierven er in dien tijd twintigduizend menschen.

In de eerste helft der zestiende eeuw zien wij de republiek in aanraking met Karel V; getrouw aan hunne oude politiek, vermijden de bedachtzame kooplieden eene botsing met een zoo machtigen vijand, en sluiten liever een verbond met den Keizer, waarbij zij zich verbinden, hem in geval van oorlog met hunne vloot bij te staan. Die verbindtenis kostte der republiek zware offers. Bij den aanval op Tunis verloor zij achttien galeien, bij dien op Algiers acht, en de tocht naar Tripoli kwam haar nogmaals op het verlies van zes schepen te staan. De tweede helft der zestiende eeuw is geheel ingenomen door de groote worsteling tusschen Venetië en de Turken. Zelve als het ware midden tusschen de strijdende partijen geplaatst, bleef de republiek toch met beiden handel drijven; maar toen de geallieerden bij Lepanto de turksche vloot hadden vernield, besefte Ragusa dat zij zeer groot gevaar liep, en vaardigde aanstonds een gezantschap naar Paus Paulus III af. Men eerbiedigde haar neutraliteit, maar toch kon zij niet weigeren, de overwinnaars van Lepanto, Don Juan van Oostenrijk on Vittorio Colonna, binnen hare muren te ontvangen, al werd ook door het onthaal dat zij hun bereidde, de toorn des Sultans opgewekt. Echter trok ook dit onweer af, en Ragusa werd, als neutrale stad, gekozen voor de uitwisseling der gevangenen, die Spanjaarden en Turken op elkander hadden gemaakt.

Zoo hield de republiek zich, onder de bescherming der Porte, metterdaad onafhankelijk, en behartigde met ijver haar handelsbelangen, tot haar, op den 6den April 1667, een vreeselijke ramp trof. Eene geduchte aardbeving, in den namiddag gevolgd door een hevigen orkaan, verwoestte bijna de gansche stad en richtte onnoemelijke schade aan. Slechts weinige gebouwen waren staande gebleven; de schepen in de haven werden verbrijzeld; te midden der grenzenlooze verwarring ontstond er brand, en verschenen benden Morlaken in de vernielde stad, om te plunderen wat zij konden. Naar men zegt, verloren op dien noodlottigen dag omstreeks vijfduizend menschen het leven.

Wel werd Ragusa weder opgebouwd, maar nooit kon zij zich van dien slag herstellen. Bij de welhaast openbaar wordende verzwakking van het turksche rijk, week ook voor de republiek het gevaar, van hetzij door haar overmachtigen nabuur te worden verzwolgen, hetzij betrokken te worden in de oorlogen tusschen Turkije en de andere mogendheden. Maar haar eigen levenskracht was mede uitgeput; toch hield zij zich nog staande tot 1806, toen de Franschen in Dalmatië doordrongen en ook Ragusa bezetten. Bij den vrede van Tilsitt, in 1807, kreeg de republiek wel hare onafhankelijkheid terug, maar om die reeds in het volgende jaar, en nu voor goed, te verliezen. In het begin van 1808 verscheen de maarschalk Marmont te Ragusa, en vaardigde een dekreet uit, waarbij de republiek werd vernietigd; Marmont ontving den titel van hertog van Ragusa. In het voorjaar van 1814 bladzijde 243werd de stad door de Oostenrijkers en de Engelschen belegerd; de fransche bezetting moest kapituleeren. Bij het traktaat van Weenen werd de voormalige republiek bij Dalmatië ingelijfd, dat tot een kroonland van Oostenrijk werd verklaard.

Ragusa is tegenwoordig de hoofdplaats van een district, en heeft een eigen gouverneur, die onder de bevelen staat van den gouverneur-generaal van Dalmatië. De stad telt niet veel meer dan achtduizend inwoners; in 1808, toen Marmont hier resideerde, zou hare bevolking nog vijf-en-dertigduizend zielen hebben bedragen. Ik vermoed echter, dat daaronder ook de bevolking der voorsteden en zelfs van Gravosa begrepen zal zijn.

XIII.

Welke was de regeeringsvorm van Ragusa, gedurende het duizendjarig bestaan dezer republiek? Welke staatsinstellingen hebben het mogelijk gemaakt, dat een staat met zoo uiterst beperkt grondgebied, een zoo belangrijke rol heeft gespeeld?

In zijn Droit public de l'Europe, zegt de abt Mably, sprekende van Ragusa: “Haar republikeinsche regeeringsvorm is ouder dan Venetië.” Wij zullen ons bepalen bij een handelstraktaat, ten jare 997 tusschen de stad en den griekschen Keizer gesloten, en aangegaan in naam van den gonfaloniere, “president der stad Ragusa, verbonden met al de edelen van genoemde stad.” Uit dit traktaat blijkt dus, dat er destijds reeds een raad van edelen bestond. Sedert het tijdstip, waarop, zoo als wij boven reeds zagen, de republiek, in een oogenblik van gevaar (1204), de hulp van Venetië inriep en een venetiaansch patriciër, als rector of president, aan het hoofd der regeering werd geplaatst, deed zich ook in de innerlijke huishouding van Ragusa de invloed der machtige republiek van Sint-Marcus gevoelen; de regeeringsvorm is dan ook, in hoofdtrekken, dezelfde als te Venetië.

Sedert het begin der dertiende eeuw bestonden er te Ragusa drie raden of collegiën, in verband met de splitsing der burgers in drie klassen: de edelen, de eigenlijke burgers (cittadini) en de ambachtslieden. De regeering berust eigenlijk in handen der edelen (nobili), en de republiek is streng aristokratisch: ongetwijfeld een der hoofdoorzaken van haar langdurig bestaan. De burgers zijn verdeeld in twee broederschappen of gilden, dat van Sint-Antonius en dat van Sint-Lazarus; de leden dier gilden zijn voor zekere ambten verkiesbaar: de benoeming geschiedt door den Senaat.

In den Grooten Raad hebben alle edelen zitting, krachtens hun geboorterecht en zoodra zij den ouderdom van achttien jaar hebben bereikt. Deze Groote Raad benoemt den president der republiek of Rector, die slechts ééne maand aan het bewind blijft; op den 25sten van iedere maand heeft eene nieuwe verkiezing plaats. Het spreekt van zelf, dat een president, wiens mandaat na verloop van dertig dagen verstreken was, niet veel invloed kon uitoefenen.

Den 15den December van elk jaar, werden, mede door den Grooten Raad, de overheidspersonen der stad gekozen, de schepenen, die ook met de handhaving der wetten en de rechtspleging waren belast en nog andere regeeringsfunctien uitoefenden.

De tweede raad heet, even als te Venetië, de Raad der Pregati of de Senaat; hij bestaat uit vijf-en-veertig leden. Van zijne beslissingen is geen beroep. Hij stelt de belastingen en alle heffingen vast, spreekt vonnis in civiele zaken, benoemt de gezanten, sluit vrede en verklaart den oorlog; zendt om de drie jaar commissiën van onderzoek naar de verschillende districten, vaardigt de wetten uit, en beraadslaagt over alles wat met de binnen- of buitenlandsche politiek in verband staat. Deze Senaat vergadert viermaal per week, later tweemaal; in geval van nood, kan hij door den Rector worden bijeengeroepen.

De Raad, het derde regeeringscollege, uit zeven senatoren bestaande, onder voorzitterschap van den Rector, vertegenwoordigt het uitvoerend gezag: deze raad heeft geheel dezelfde functiën als de Signoria te Venetië. Hij is belast met de uitvoering der besluiten van den Grooten Raad en den Senaat; elk zijner leden heeft eene bijzondere afdeeling van het bestuur voor zijne rekening. De Raad voert briefwisseling met andere mogendheden, ontvangt de gezanten, den aartsbisschop, Vorsten en andere vreemdelingen van hoogen rang, en onderwerpt belangrijke kwestiën aan de beslissing van den Senaat. De leden van dit college worden voor een jaar benoemd.

De eerste magistraat der republiek, de Rector, voerde aanvankelijk den titel van Prior, daarna dien van Graaf. Vroeger bleef de Rector een jaar in functie, maar na de poging van Damiano Judas om zich in het gezag te handhaven, werd die termijn ingekort en werd de Rector voor een maand benoemd; hij moest gedurende dien tijd het paleis bewonen. Slechts bij sommige gelegenheden mocht hij in het publiek verschijnen. In de openbare uitoefening van zijn ambt, droeg hij een wijden, met bloemen geborduurden mantel van karmozijn damast, benevens een groote pruik met krullen. In het paleis bestond zijne kleeding uit eene eenvoudige toga van roode wollen stof; hij werd door de lakeien van den staat bediend, en mocht zijne vertrekken niet verlaten, dan om ter kerk te gaan. Dan werd hij vergezeld door de leden van den kleinen Raad en de secretarissen van de Staatskanselarij; voor hem uit gingen de lakeien en een troep muziekanten met blaasinstrumenten. Een deurwaarder droeg voor hem een zonnescherm, met karmozijn roode stof bekleed.

Dit laatste herinnert aan het Oosten: het is de zonnescherm der rajahs, der sultans, der emirs, der pasjas; ook Venetië heeft dit symbool van het oppergezag overgenomen. Als Hendrik III, na zijn vlucht uit Polen, te Venetië een bezoek komt afleggen, worden de vier dienstdoende procuratoren aangewezen om hem te vergezellen, en Marc-Antonio Barbaro, om den umbrellino te dragen.

De zonnescherm van Ragusa had een gedraaiden, gebeeldhouwden en vergulden stok: hij werd altijd gebruikt, onverschillig of de zon scheen of niet.

De Rector velt, in zijn paleis, vonnis in sommige geschillen; maar hij is slechts vrederechter, want die bladzijde 244geschillen mogen over niet meer loopen dan de waarde van een sequin. Zijne belooning bedraagt niet meer dan een sequin per dag; hij trekt echter nog eenige inkomsten uit de inkomende rechten op levensmiddelen.

De eerste magistraatspersoon is letterlijk een gevangene in zijn paleis; hij mag alleen des avonds uitgaan, maar incognito en zonder toga, opdat de waardigheid der republiek geen schade zou lijden. Niemand kan tweemaal in het jaar Rector zijn; ieder lid van den Senaat bekleedt die waardigheid op zijne beurt.

De burgers of volburgers (cittadini) mogen eene toga en eene pruik dragen; even als de edelen kunnen zij en hunne zonen door den Senaat benoemd worden tot secretarissen van de Staatskanselarij; bezitten zij bijzondere bekwaamheid, dan kunnen zij tot kanselier opklimmen: ook dit in navolging van het te Venetië heerschende gebruik. In sommige gevallen mogen zij ook met bijzondere vertrouwelijke zendingen belast worden, zoo als bij de pâsjas in Turkije, of bij de regeeringen der staten langs de kust van Afrika. Zij worden gebruikt bij verschillende gelegenheden, waarbij geen edelen gebezigd worden.

Telken jare, op den feestdag van Sint-Blasius, beschermer en patroon der republiek, wordt een burger door den Senaat benoemd tot kapitein der artillerie. In den schouwburg zitten de vrouwen der burgers ter linkerhand van de adellijke dames: een voorrecht, dat haar door de vrouwen van den derden stand zeer benijd wordt.

De volburgers worden door den Senaat benoemd. Om de citadinanza of het burgerrecht te verkrijgen, moet men minstens vijf-en-twintigduizend francs aan vaste goederen bezitten, geen kleinhandel drijven, en nimmer eene onteerende straf hebben ondergaan.

De derde stand bestaat uit de scheepsgezagvoerders, de kleinhandelaars en winkeliers, en eindelijk uit de ambachtslieden. Als de scheepsgezagvoerders op hunne reizen fortuin gemaakt hebben, kunnen zij op hunne aanvrage de citadinanza verkrijgen. De stand der burgers breidt zich op die wijze aanmerkelijk uit; met den adel is dit niet het geval, want de edelen zijn zeer naijverig op hunne voorrechten en hechten zeer aan het prestige van hun stand. In 1790 bericht de consul-generaal van Frankrijk, dat sedert honderd jaren geen brieven van adeldom waren verleend geworden.

Ten slotte vermelden wij nog, dat de burgerlijke rechtspleging, behalve aan de genoemde regeeringscollegiën, was opgedragen aan een rechtbank van vier leden: de consuls der burgerlijke zaken. Het beheer der schatkist was toevertrouwd aan drie administrateurs, de tresoriers van Santa-Martha, uit de senatoren gekozen. Verder bestond er ook nog een soort van rekenkamer, de raad of commissie delle cinque Ragioni genoemd.

Deze staatsregeling is, zonder ingrijpende veranderingen en ook zonder inwendige beroeringen van ernstigen aard, omstreeks tien eeuwen van kracht gebleven. Voor ons, die gewoon zijn dat sommige volken hun grondwet en hun regeeringsvorm zoowat om de tien of twintig jaar veranderen, en voor wie de normale toestand deze is, dat de regeering beschouwd wordt als eene prooi, om welker bezit eenige eerzuchtigen, voor wie het algemeene welzijn wel de allerlaatste zaak is waarom zij zich bekommeren, met elkander worstelen;—voor ons klinkt, in dezen tijd van gedurige spanning en onrust, deze historische getuigenis welhaast als een sprookje. Ongetwijfeld had Ragusa, even als Venetië, deze zeldzame vastheid en stabiliteit—te merkwaardiger in dit geval omdat de republiek naar buiten zoo weinig macht kon ontwikkelen, en voortdurend door elkander bekampende vijanden omringd was—in de allereerste plaats te danken aan het streng aristokratisch karakter harer constitutie. De vaderlandsliefde, de strenge tucht, de voorzichtigheid, de gematigdheid en het zeldzame beleid, waarvan de regeerende klasse van Ragusa zoo doorslaande bewijzen gegeven heeft en waardoor dit miniatuurstaatje het hoofd heeft kunnen bieden aan machtige potentaten, verdienen de hoogste bewondering; maar deze deugden zijn juist het tegenovergestelde van de eigenschappen, waardoor de demokratie zich overal en te allen tijde hoeft gekenmerkt.

Bij het nasnuffelen van de archieven en oude staats-papieren werd mijne aandacht ook getrokken door sommige bepalingen en regelen op het stuk van kleeding, levenswijze, enz., die mij toeschijnen niet zonder belang te zijn.

In April 1763 werden door den raad der Pregati (den Senaat) eenige leden aangewezen, om maatregelen te beramen ter beteugeling der weelde, ten einde de onnoodige en overtollige uitgaven te beperken, waardoor de inkomsten der gezinnen werden verslonden en zij in een toestand gebracht, die hen naar hulp van de overheid deed uitzien. Die commissie stelde een ontwerp-keur voor, waarvan ik de voornaamste bepalingen hier laat volgen:

I. De vrouwen van stand, zelfs de Antoninen en Lazarinen (dat zijn de dames der broederschappen of gilden van Sint-Antonius en Sint-Lazarus) mogen niet meer dan twee soorten van kleederen hebben: een stel staatsiekleederen, en een voor gewoon gebruik.

II. Geene andere dan deze staatsiekleederen mogen gedragen worden in de hoofdkerken, dat wil zeggen in de kathedraal van Sint-Blasius, en in de kerken der Dominicanen en Franciscanen, waar de Zeer Doorluchtige en Zeer Eerwaardige Heer onze Rector mocht verschijnen; en zulks op de bekende straffen.

III. Alle andere vrouwen mogen geen andere kleederen dragen dan van effen zijde, wol, linnen of katoen, waarvan de kleur door haar gekozen mag worden, behalve zwart; ook mogen zij geene queue dragen en ook geen andere dan lederen schoenen; de weduwen alleen moeten in het zwart gekleed gaan, maar uitsluitend in wollen stof; op verbeurte van het vierde harer bezitting.

IV. Verbod aan alle mannen en vrouwen, van welken rang of stand ook, om galon van gouddraad te dragen.

V. Verbod aan alle mannen en vrouwen, van welken stand ook, om de kleederen te versieren met echt of valsch goud of zilver.


Een guzlar in een winkel te Ragusa.

VI. Verbod aan alle vrouwen, onverschillig van welken bladzijde 246stand, om zich nieuwe kleederen te laten vervaardigen van goud- of zilverbrokaat, of van niet effen zijde.

VII. Geen vrouw, met uitzondering der dames van adel en de Antoninen en Lazarinen, zal voortaan een geborduurden sluier of kap, of gefestonneerden mantel mogen dragen; het is haar echter vergund kappen of huiven te dragen van zwarte stof.

VIII. De edelen mogen over dag niet zonder het aan hun rang passend gewaad uitgaan.

IX. Het is den mannen op straffe van verbanning verboden, het beroep van kapper uit te oefenen, of in dat beroep onderricht te geven.

Of deze bepalingen en regelen, waarvan ik hier slechts enkelen heb aangehaald, inderdaad doel hebben getroffen, weet ik niet. Ik zou er bijna aan twijfelen, als ik zie, hoe reeds in Mei 1773 het edict van 1765 wordt vernieuwd, maar nu met bijvoeging eener nieuwe bepaling tegen de fransche kleederdracht, die ook in Ragusa was doorgedrongen en daar navolgers vond. Bij besluit van 18 Mei 1773 verbood de Senaat aan alle heeren en edelen, om zich naar fransche mode te kleeden, en in het publiek te verschijnen anders dan met de toga; op straffe voor eerstgenoemden, om gedurende drie jaren geen zitting in den Senaat te mogen nemen; en voor de anderen, om gedurende dienzelfden tijd geen lid te kunnen worden van den Raad.

Zoo als men ziet, waren deze aristokraten voor zich zelven niet minder streng dan voor anderen, veeleer het tegendeel. Trouwens, ook deze trek heeft Ragusa met Venetië gemeen. De jonge edellieden, die op hun achttiende jaar rechtens in den Grooten Raad zitting mochten nemen, gedurende drie jaar van dat recht te berooven, omdat zij een vreemde mode volgen, is zeker bar genoeg.

XIV.

Voor de eerste maal, in een armoedige herberg tusschen Knin en Sebenico; voor de tweede maal te Ragusa, in een kruidenierswinkel; voor de derde maal eindelijk in een pover kroegje te Borgho-Pille, waar de karavanen een teug van den nationalen drank, de slivovitza (pruimebrandewijn) komen drinken,—heb ik de guzlars de nationale volksliederen van Servië hooren zingen.

De guzla, het instrument dat dezen zang begeleidt, is minder dan eenvoudig: het is bijna barbaarsch: een enkele snaar over een soort van lederen mandoline, met een buitengewoon langen steel, gespannen, ziedaar alles. De strijkstok is een soort van houten boog, waaraan mede een enkele snaar bevestigd is. De guzla hangt in de slavische herberg aan den wand, even als in Spanje de guitaar of pandero aan den wand der posada; en diegene onder de gasten, die de servische zangen het beste uit zijn hoofd kent, neemt het instrument van den muur en begint te zingen. Hij houdt de guzla tusschen de beide knieën, even als een violoncel, en begint met enkele hooge noten; weldra groepeert zich de schare om hem heen; aanvankelijk luistert men met zeer weinig aandacht: men gaat en komt, loopt heen en weer, verricht allerlei bezigheden en hindert den zanger; inmiddels gaat hij voort met zijn lied; de toehoorders worden aandachtig; er vormt zich een kring om hem, die telkens aangroeit; weldra heerscht er algemeene stilte en belangstelling. Sommigen leunen zwijgend tegen den muur; anderen, op zakken liggende, neergehurkt, met de beenen onder het lijf gevouwen, zitten roerloos; niemand spreekt een woord; de voorbijgangers, die een kop koffie of iets anders verlangen, treden voorzichtig naar binnen en geven zwijgend een teeken. De stem van den zanger is al hooger geklommen; hij windt zich op en zijne oogen schitteren; de slavische versregel wordt afgebroken door zonderlinge geluiden, die elke frase van den zang doen uitkomen. Voorzeker is dit geen muziek in den eigenlijken zin des woords; men zou haast zeggen, dat hier noch melodie, noch harmonie, noch maat, noch klank te vinden is; en toch ondanks dit alles, heeft deze eentonige melodie iets bekoorlijks, iets onwederstaanbaars; zij is somber en treurig, maar nu en dan breekt eensklaps, als een bliksemstraal, een wilde zegekreet, een luid gejubel door dien doffen weemoed heen. Dit lied is een beeld van de geschiedenis van het servische volk zelf, zoo vol rouw en smart, en toch ook wederom doortinteld van onsterfelijke hoop; het is hun Ilias, hun Odyssee en hun Romancero: de afspiegeling van het leven der Serviërs, hunne geschiedenis met al haar legenden, de verheerlijking hunner nationale helden.

De millioenen Slaven, die Bosnië, Herzegowina, noordelijk Albanië, Slavonië, Dalmatië, een deel van Istrië, Batchka, Syrmië, het Banaat, Montenegro en Servië bewonen, hebben deze aloude zangen en liederen broksgewijze bewaard; zij worden alom gezongen: te Belgrado, te Agram, te Zwornick, te Banjaloeka, te Knin, te Dernis, aan de golf van Cattaro en in de Zwarte-Bergen. Deze machtige propaganda valt buiten het bereik van wetten en verordeningen, van policie en gendarmerie; deze liederen, van de vaderen geërfd, zijn de heilige verbondsark dezer slavische stammen, die daarin de herinnering van hun grootsch verleden, den troost onder het lijden en den jammer van het heden, en eene profecie van aanstaande verlossing en vrijheid bewaren.

Ook nu, nu langs de boorden van de Drina, de Morawa, de Narenta, weder de heilige krijg is ontbrand; nu andermaal het zwaard is uitgetogen en de Kruisbanier opgeheven om eindelijk, eindelijk de slavische Christenen te bevrijden van het juk der mohammedaansche barbarenhorde; ook nu klinken alom die zangen door het wijde slavische land. Des avonds, als de dalende nacht het kamp in haar sluier hult, als de laatste glans aan den hemel wegsterft, en in het bivouak de nachtvuren worden ontstoken:—dan rijzen uit de groepen der strijders, die zich straks ter ruste zullen begeven, de oude nationale liederen; dan klinken alom de tonen van de guzla, die de krijgslieden medenamen naar hun tent; en luisterende naar die aloude gewijde zangen, zoo vol van der vaderen roem en der vaderen lijden, rijpt te vaster het besluit om het zwaard niet neder te leggen, voor de gevloekte tyran van der vaderen erfgrond zal verdreven zijn. bladzijde 247

Van ganscher harte zij hun de overwinning toegewenscht!

Deze zoo beroemde servische zangen, die tegenwoordig eene eigene letterkunde vormen, waren voor omstreeks veertig jaar, buiten de slavische landen bijna geheel onbekend. In Frankrijk werden zij voor het eerst bekend gemaakt door Mérimée, die beweerde deze liederen, op een reis door Dalmatië, te hebben opgeschreven uit den mond van een ouden guzlar. Hij gaf eene gansche verzameling daarvan uit, onder den titel van La Guzla, die in Frankrijk grooten opgang maakte; het duurde niet lang, of de zoogenoemde servische volksliederen kwamen in de mode. Eenige jaren later bekende de heer Mérimée, in de voorrede voor eene nieuwe uitgave, dat hij, in overleg met zijn geleerden vriend Ampère, die zangen zelf gemaakt had, en dat zij hoogstens geacht konden worden nabootsingen te zijn van oorspronkelijke liederen, waarvan hij den tekst onder de oogen gehad had. Hij voegde daarbij, dat hij, zeer gaarne een reis naar Dalmatië wenschende te doen, maar niet over de vereischte middelen kunnende beschikken, begonnen was met zijn boek te schrijven, en voor het geld, dat hij daarmede verdiend had, later naar Dalmatië was gegaan om te onderzoeken of het boek juist en getrouw was.

De echte servische zangen hebben ongetwijfeld een zeer sterk sprekend karakter, zoodat het een dichter, die zin heeft voor lokale kleur en zich eenige studie getroosten wil, niet zoo bijster moeilijk kan vallen, ze na te volgen. Maar Vouk Stephanovitch Karadjitch is toch de eerste, die een juist en nauwkeurig denkbeeld van deze zangen gegeven heeft in zijn boek: Servische Volksliederen, Spreekwoorden en Verhalen. Herder is misschien de eerste geweest, die ze in westelijk Europa heeft bekend gemaakt; ook Goethe heeft een enkel dezer liederen in het duitsch vertaald. In 1823 gaf een Serviër, die zijn naam niet heeft bekend gemaakt, te Leipzig een verzameling van servische volksliederen uit, onder den titel Narodné Serbske pesmé; maar aangezien de servische taal zeer weinig bekend is, werden deze zangen eerst opgemerkt en gewaardeerd, nadat Mrs. Robinson, onder den pseudoniem Talvi, daarvan een duitsche vertaling bezorgd had. In 1836 gaf de italiaansche dichter Tommaseo—van Dalmatië geboortig—zijne Canti popolari uit, waaronder hij eene ruime plaats toekende aan de “illyrische zangen.”

Nu was het ijs gebroken, en in Frankrijk, Duitschland en Engeland werd steeds meer de aandacht op dezen dichterlijken schat gevestigd, zagen vertalingen of bewerkingen dezer servische liederen het licht. Mickiewicz, zelf een der grootste dichters van het slavische ras, spreekt aldus, in bezielde taal, over deze liederen:

“Volkszangen, arke des verbonds tusschen den ouden en den nieuwen tijd, in u legt de natie de zegeteekenen harer helden neder, de hoop en verwachting harer innigste gedachten, de bloem harer teederste gevoelens! Heilige arke, niemand kan u slaan, u verbrijzelen, zoolang uw eigen volk de schennende hand niet tegen u heeft opgeheven! O, zang des volks, gij zijt de tempelwachter der nationale herinneringen; uwer zijn de vleugelen en de stem des aartsengels, uwer ook vaak zijne wapenen! De vlam verteert de scheppingen van het penseel, de roovers plunderen de schatten: het lied ontkomt aan het verderf en blijft leven. Als het vernederde en ontaarde volk zijne herinneringen en zijn hoop vergeet en het lied laat kwijnen, dan vlucht het naar de bergen en hecht zich aan de puinhoopen, en van daar klinkt zijn stem, verhalende van den ouden tijd. Zoo vlucht de nachtegaal van het brandende huis en zet zich een oogenblik op het dak; maar als ook het dak bezwijkt, dan vliegt hij heen naar de bosschen, en zingt met luider stem een lied van rouw en smart, te midden van ruïnen en graven.”

Inderdaad leeft in deze liederen de nationale geschiedenis. Even als de rhapsoden der oudheid, zoo hebben ook de rondtrekkende guzlars, dank zij hun dichterlijk instinkt, de namen der helden, de gedachtenis der doorgestane beproevingen, der behaalde overwinningen, voor het servische volk bewaard. Om zijn eersten bundel bijeen te brengen, ging Stephanovitch van dorp tot dorp, overal onderzoekende of er zich daar ook een guzlar of zanger bevond, die om zijn uitstekend geheugen beroemd was.

Op zekeren dag, zoo verhaalt Mickiewicz, vindt hij een ouden marskramer, die een aantal liederen van buiten kent; hij neemt den man mede naar zijn huis, geeft hem te drinken, en beweegt hem zoo doende al zijn liederen, een voor een, op te zeggen, terwijl hij zo middelerwijl opschrijft, en de verminkte regels weer in hun oorspronkelijke zuiverheid herstelt. Een ander maal verhaalt men hem van een man, die een geheel gedicht van buiten kent; om dien man te vinden, riep hij de hulp in van Prins Milosch, een held die niet schrijven kon, maar in wiens ziel niettemin het heilige vuur gloeide en die ten volle de waarde en de beteekenis dezer vaderlandsche liederen begreep. De Prins beveelt dat men dien guzlar opspore. Nu bleek het dat deze beroemde zanger een oude roover was, bedekt met litteekenen, en die zich nog altijd niet had verzoend met de pandoeren en de gendarmen; hij begreep niet wat de Vorst van hem verlangde; hij vreesde dat men hem een strik spande en deed geen mond open. Om hem aan de praat te krijgen, werd hij half dronken gemaakt: nu droeg hij zijn gedicht voor, en de slavische litteratuur telde een meesterstuk te meer.

XV.

Des morgens ten negen uur verliet ik Ragusa, om met een der booten van Lloyd rechtstreeks naar Cattaro te gaan, waar ik omstreeks half vijf aankwam. Deze tocht van zeven en een half uur, op een mooien herfstdag, als de zon iets van haar kracht verloren heeft en men op het dek der boot blijven kan, is zeker een der aangenaamste, die men zich kan denken. Het landschap toch, vooral nadat men kaap Ostro is omgevaren, behoort buiten kijf tot de schoonste der wereld; volgens sommigen, zou de Bocca di Cattaro vergeefs hare wedergade zoeken. bladzijde 248


Gezicht op Cattaro.

Naar den naam te oordeelen, zou men meenen dat de Bocca di Cattaro (Mond van Cattaro) de uitmonding was van eene of andere rivier, die zich daar in zee stort. Intusschen is juist het omgekeerde het geval. Wij hebben hier niet te doen met een riviermond, maar met een inham der zee, met eene gewelddadige opening, die de Aziatische-zee in de haar omzoomende bergketen gemaakt heeft. Die opening is echter niet regelmatig en ook niet op eens gemaakt: de golven hebben om zoo te zeggen langzamerhand den berg ondermijnd en zijn zoo landwaarts ingedrongen; de zee kronkelt zich om de bergwanden heen, vormt hier een breed bekken, ginds een nauw kanaal, dat weder naar een nieuwe baai voert. Elk kanaal, of zoo ge wilt elke engte, die van de eene waterkom naar de andere voert, draagt den naam van Bocca, en het geheel heet Bocche di Cattaro, naar de stad van dien naam, aan de binnenste baai gelegen. De eerste Bocca ligt aan de Adriatische-zee, tusschen kaap Ostro en de rots Zaniza; de tweede, tusschen de landpunt van Cobilla en Lustiza; de derde te Combur; de vierde te Santa-Domenica; de vijfde te Le Cattene, en de zesde te Perzagno. De vaart van den bladzijde 250ingang der Bocca tot Cattaro duurt twee uren. De vijfde zeeëngte is de smalste van allen; de doorvaart is hier zoo eng ingesloten, dat in 1381, toen koning Lodewijk van Hongarije Cattaro tegen de Venetianen wilde verdedigen, op dit punt kettingen van de eene rotspunt naar de andere gespannen werden. Vandaar de naam Le Cattene, de Kettingen.


Op de markt der Montenegrijnen, te Cattaro.

De stoomboot, die tusschen Ragusa en Cattaro vaart, legt onderweg slechts vier keer aan: te Castel-Nuovo, te Perasto, te Risano en eindelijk te Cattaro. Van Gravosa, waar de boot afvaart, tot den ingang der Bocca, is er niets bijzonders te zien dan alleen Ragusa-Vecchia, het aloude Epidaurum in Illyrië, even als het andere Epidaurum in den Peloponnesus beroemd door zijn tempel van Esculaap. De antieke stad werd in de derde eeuw verwoest; men vindt hier nog enkele inscripties, brokken van muren, enz. Ragusa-Vecchia heeft tegenwoordig tusschen de vier- en vijfduizend inwoners. Men vaart verder langs Gilipyri, Popovichi en Poglizza; dan volgt kaap Ostro en de ingang der Bocca.

Aan den oever der eerste baai ligt, tegen de bergen geleund, de niet onbelangrijke stad Castel-Nuovo, vroeger een citadel, in 1373 door Tuartko, koning van Bosnië, gesticht. Zij viel in handen der Genueezen, en werd door hen aan de Spanjaarden overgeleverd, die er bezetting legden en een tweede citadel bouwden, die nog den naam van Spagnuolo voert. In 1687 werd de vesting op nieuw door de Venetianen belegerd; de pâsja van Bosnië verscheen met vierduizend man om de stad te ontzetten, maar hij werd tot den aftocht gedwongen. Sedert dien tijd bleef Castel-Nuovo in de macht van Venetië, tot aan den ondergang der republiek. In 1806 bezetten de Russen met hunne vloot de geheele Bocca van Cattaro, en hielden die in bezit tot aan den vrede van Tilsitt, in 1807. Op hen volgden de Franschen tot 1813, toen Castel-Nuovo door de Engelschen werd bezet. In 1814 kwam de stad, met geheel Dalmatië, aan de oostenrijksche monarchie, waartoe zij nog behoort. Castel-Nuovo is de belangrijkste stad van de geheele Bocca; zij is veel welvarender dan Cattaro, de hoofdstad, en telt, naar men zegt, omstreeks tienduizend inwoners, die voor de helft tot de grieksche Kerk behooren. De vestingwerken maken een grootschen indruk; de natuur is zeer weelderig en de plantengroei overvloedig. Hier kunt ge uw oogen weer verkwikken aan prachtige boomgroepen, kleine bosschen schier; sierlijke witte landhuizen en villa's teekenen zich helder af tegen het donkergroen; maar iets verder houdt eensklaps weer alle plantengroei op: steil en naakt en ongenaakbaar stijgt de schitterend witte bergwand omhoog, aan den top met een lichten nevel omsluierd.

Voorbij Castel-Nuovo verheffen zich langs den zoom dezer schilderachtige waterkommen een aantal dorpjes, weerspiegelende in de diepe wateren. Op schier iederen heuvel prijkt een kapel of een kerkje met klokketoren: ge zoudt meenen, op een der italiaansche meren, op het Lago di Como of het Lago Maggiore, te varen. Toch bevindt ge u nog altijd op de zee; maar ge verliest de wederzijdsche oevers niet uit het oog; ge vaart op prachtige meren, aan alle zijden door hemelhooge bergen omlijst; door eene opeenvolging van wonderschoone baaien, breed en diep genoeg om eene veilige ligplaats te bieden voor de vereenigde vloten der gansche wereld.

Aan gene zijde dezer bergen ligt Turkije: links hebben wij Trebinjé, rechts Grahovo en Montenegro. Eer wij Castel-Nuovo bereikten, zijn wij reeds den turkschen oever bij Suttorina voorbij gevaren: deze strook gronds ten zuiden had de republiek van Ragusa, met een soortgelijke strook ten noorden, aan de Porte afgestaan. Zij was alzoo aan de landzijde geheel door de turksche bezittingen afgesloten van alle aanraking met de heerschzuchtige republiek van Sint-Marcus.

Wij varen door de engten van Curbilla, Combur en Santa-Dominica; nu komen wij in de grootste en regelmatigste kom, die bijna de gedaante van een circus heeft. Wij verlaten deze baai weder door een zoo smal kanaal, dat het op de kaarten te nauwernood zichtbaar is; het schijnt of de beide landtongen elkander zoo dicht naderen dat zij geen doorgang openlaten: dat zijn de Cattene, de Kettingen, waar de zeearm slechts een kilometer breed is.

Zoodra ge deze engte zijt doorgevaren, verandert de natuur van karakter, en wordt minder bekoorlijk: het is reeds niet meer het vruchtbare, weelderige landschap van Castel-Nuovo. Ter rechterzijde heeft men Stolivo, met zijn nog boschrijke hoogten en zijn tusschen het lommer verscholen kerken. Perasto ligt bijna vlak tegenover de Kettingen, dicht aan den oever, op een landpunt, welke deze baai van de laatste en zesde, die van Cattaro, scheidt. In deze baai van Perasto, vlak aan den uitgang der Cattene, liggen twee kleine, lage eilandjes, het eilandje Sint-George en dat der Madonna van het Skapulier. Op het eerste eilandje staat een grieksch klooster; op het andere eene katholieke kapel, aan Onze-Lieve-Vrouwe gewijd en door den ganschen omtrek beroemd. Deze kapel bevat namelijk eene schilderij van de Madonna, in byzantijnschen stijl, waarvan de vervaardiging aan niemand minder dan aan den evangelist Lucas wordt toegeschreven. Naar de overlevering verhaalt, zou dit heilige beeld, in 1452, door eene onbekende hand op dit rotsig eilandje zijn neergelegd, en op zekeren nacht door visschers zijn ontdekt, stralende van bovenaardschen lichtglans. De visschers namen de schilderij mede, en brachten haar in statigen optocht naar de kerk van Perasto, waar zij de Madonna eerbiedig eene plaats aanwezen:—maar zie, den volgenden morgen was de Madonna, tot aller verbazing, naar haar eiland teruggekeerd. Driemalen werd zij naar de kerk van Perasto overgevoerd; driemaal keerde zij, op wonderdadige wijze, naar haar eerste plaats terug. Men erkende hierin een duidelijken wenk des hemels, en de inwoners van Perasto bouwden een kapel op de plek, waar het beeld gevonden was; ieder eigenaar van een vaartuig moest eene lading steenen aanvoeren, en de kapel van Onze-Lieve-Vrouwe was weldra voltooid. Op den 12den Juli, den dag waarop de schilderij van Sint-Lucas gevonden werd, stroomen nog heden een aantal bedevaartgangers van alle kanten naar het eiland; bladzijde 251op de zondagen in Mei en Juni wordt plechtig de herinnering gevierd der overwinning, in 1654, dank zij de bescherming der Madonna, op de Turken behaald. Ook op 15den Augustus wordt eene groote processie gehouden: het heilige beeld wordt dan uit de kapel op het eiland naar Perasto gebracht. Tot mijn spijt heb ik geen dezer feesten kunnen bijwonen: bezwaarlijk zal men zich iets schilderachtigers kunnen denken, dan zulk eene processie van honderden schuiten, booten en vaartuigen, allen opgevuld met eene feestvierende schare, in de schitterendste kleederdrachten uitgedost, en liederen zingende ter eere der Heilige-Maagd. Denk u daarbij de kleurenpracht van deze half-oostersche natuur, en rondom het heldere water die weergalooze omlijsting van stoute bergen, zilverwit van kruin, en aan hun voet bezaaid met bosschages, met villa's, met dorpjes, wier schilderachtige groepen weerkaatsen in de kabbelende golven!

Aan dezelfde baai, links van Perasto, ligt Rizano, als tusschen de rotsen verscholen; boven de witte huizen van het pittoreske stadje verheffen zich de twee onvoltooide torens van eene fraaie kerk. Nu naderen wij Cattaro. Langzaam vervolgt de boot haar weg door de smalle kanalen; ter wederzijde, op eene smalle strook gronds aan den voet der rotsen, verheffen zich bekoorlijke villa's en landhuizen, wier bijna onafgebroken reeks nu en dan wordt afgewisseld door enkele belangrijke vlekken: Persagno, geheel langs het strand gebouwd, Dobrota, Mulla, Verba, en eindelijk Cattaro. Naarmate wij deze laatste stad, geheel aan het einde der Bocca gelegen, naderen, neemt de natuur een strenger, woester karakter aan. De weelderige plantengroei langs de berghellingen houdt geheel op; ge ziet geen andere boomen, dan enkele rijen, langs den oever geplant; schier loodrecht stijgt de naakte, wilde rots omhoog: het is een ontzaglijk tafreel, dat de ziel bijna met schrik vervult.

Cattaro is de hoofdstad van de kreits, die Castel-Nuovo, Cattaro en Budua omvat, de laatste stad van Dalmatië, aan de grenzen van Albanië. De geheele kreits telt honderd-vier gemeenten: zij is de kleinste van de provincie. De afstand tusschen Dobrota en Cattaro bedraagt niet meer dan anderhalve mijl; de stad ligt tegen den berg geleund, geheel aan het einde van de Bocca, aan de uiterste grens der oostenrijksche monarchie. De afstand tusschen de zee en de montenegrijnsche grens is zoo gering, dat men met een stuk geschut, op de bergtoppen van Montenegro geplaatst, de schepen in de baai voor Cattaro zou kunnen beschieten.

De lezer, die zich een juist denkbeeld wil vormen van de zonderlinge ligging dezer stad, heeft slechts een blik te werpen op de plaat, bladz. 248. Tusschen de zee en de rotsen ingeklemd, waartegen hare vestingwerken opklauteren, schijnt het inderdaad of men, om de noodige ruimte voor de stad te vinden, den berg heeft uitgehouwen en de huizen tegen de rots aangeplakt. Ge ziet hier eene kerk, waarvan de voorgevel op een pleintje uitkomt, dat gelijkvloers met de kaai ligt, maar die geen achtergevel heeft, omdat zij zich daar in den berg verliest, wiens dreigende rotswanden hoog boven hare torens hemelwaarts rijzen. Blijkbaar heeft men, niet zeer lang geleden, eene breede kaai in het water uitgebouwd, om eene geschikte aanlegplaats te verkrijgen. Op die kaai, vóór den muur der eigenlijke stad, staan eenige rijen fraaie boomen; dit is de geliefkoosde wandelplaats, waar altijd drukte en beweging heerscht. Hier komen ook de stoombooten aan, die dezen verloren uithoek in verbinding brengen met de buitenwereld. De laatste baai vormt geen circus, maar een scherpen driehoek; juist aan den top van dien driehoek ligt Cattaro, dat rechts en links ingesloten is door hooge bergen, die de zonnestralen onderscheppen. Als de zon op het hoogst staat, beschijnt zij toch slechts de toppen der rotsen, die zij met purperen goudglans tooit. Cattaro, vlak tegen de kale rots gebouwd, is in den zomer ondragelijk heet; er heerscht dan een temperatuur als in een oven; te beginnen met September, zijn echter de ochtenduren er zeer aangenaam. Toen ik voor de eerste maal de stad bezocht, was het October, en reeds waren de bergen hier en daar met sneeuw bedekt; ook op de helderste dagen scheen de zon niet voor twee uur des namiddags in de stad; als hare stralen eindelijk in de straten doordrongen en alles met nieuw leven bezielden, neigde zij reeds spoedig daarop ten ondergang. Er valt hier zeer veel regen; en daar zich in den berg eeno soort van bedding voor den afvoer van het water gevormd heeft, is er aan de linkerzijde der stad een uitgestrekt terrein onbebouwd gebleven, omdat men daar telkens gevaar loopt voor overstrooming. Indien de kalkbergen, die Cattaro van de Adriatische-zee scheiden, minder hoog waren, dan zou het zonlicht vrij in de stad kunnen doordringen en de nevels verdrijven, die hier nu als in een trechter blijven hangen, en de geheele toestand zou beter zijn. Niettemin is het klimaat gezond: de inwoners zijn eenvoudige, ernstige, onverschrokken lieden, onder wie men zich spoedig op zijn gemak voelt. De haven is zeker een der uitmuntendste van de geheele wereld, die, wat ruimte en veiligheid betreft, door geene andere overtroffen wordt: eene gansche vloot zou zich hier, zonder eenige moeite, kunnen verbergen.

De aanblik der stad aan de zeezijde is zeer uitlokkend; de fraaie, breede kaai is met boomen beplant en maakt een aangenamen indruk; daarachter verheft zich de muur, en men gevoelt dat men zich in eene vesting bevindt, die nog de sporen draagt van de heerschappij der Venetianen. De stad bestaat uit eene opeenvolging van kleine, bochtige, kronkelende straten, omzoomd door hooge huizen, waaronder een aantal winkels. Naarmate ge verder in de stad doordringt, rijst de berg steiler en meer van nabij boven uw hoofd op; ge gevoelt dat licht en lucht gaan ontbreken; maar zeer ver kunt ge niet gaan, want dan houdt de rotswand u tegen. Toch heerscht hier vrij veel leven; in al de andere steden en vlekken van de Bocca zijn scheepvaart en landbouw de hoofdbronnen van bestaan, hier is het de nijverheid. Cattaro is de groote markt en stapelplaats van de geheele golf en van Montenegro, dat slechts enkele uren verwijderd is en alles wat het noodig heeft van hier laat komen. De bevolking bedraagt bladzijde 252tusschen de vier- en vijfduizend zielen, waaronder drieduizend Katholieken. Ik zag hier eenige kleine bekrompen pleintjes, waar de balkons der huizen aan Venetië herinneren: die machtige, trotsche republiek heeft overal den onuitwischbaren stempel harer heerschappij ingedrukt. Op sommige openbare gebouwen ziet ge nog altijd den gevleugelden leeuw, die dreigend zijn klauw opheft. De gansche stad is door muren omgeven; zij heeft drie poorten, waarvan twee bij zonsondergang gesloten worden; de derde, de Zeepoort, die op de kaai uitkomt, een monumentaal gebouw, met wapenschilden en inscripties versierd, blijft op de dagen van aankomst der stoomboot tot middernacht geopend.

Omstreeks vier uur in den middag stapte ik te Cattaro af. Ik had een aanbevelingsbrief bij mij voor den inspecteur van de Lloyd; en ik had het voorrecht gehad, veertien dagen vroeger, de reis van Sebenico naar Spalato te maken in gezelschap van den heer Radamanovich, koopman te Cattaro, en tevens correspondent en agent van den vorst van Montenegro in die stad. Hij bewees mij, op mijne reis door het vorstendom, zeer gewichtige diensten.

Er is te Cattaro geen hotel; men neemt zijn intrek bij enkele partikulieren, die hunne huizen inrichten en meubelen voor de ontvangst van reizigers. Men bracht mij, langs allerlei bochtige straten, naar een vrij donkere steeg, en naar de woning van een zeer ordentelijk man, die mij eene goede kamer aanbood. Sedert ik de boot, had verlaten, was mij voortdurend een reus gevolgd, in montenegrijnsch kostuum, met de ruime bruin gestreepte plaid, die tot de uitrusting dezer bergbewoners behoort, over den rug geworpen. Hij begreep dat ik te Cattaro was gekomen met het doel om naar Cettinjé te gaan; en daar hij paarden verhuurde om de reis over de bergen te doen, wilde hij mij de belofte afpersen, dat ik mij den volgenden morgen tot hem zou wenden. Ik had veel moeite om dien kerel kwijt te raken; daar ik de zorg voor de toebereidselen der reis liefst aan den agent van den Vorst wilde overlaten, liet hij mij eindelijk toch los. Mijn gastheer, een Italiaan, was een klein, kreupel man, met een zwaren zwarten baard en lange hairen; hij was zeer op zijn gemak, geheel in het zwart gekleed, en droeg een breedgeranden hoed op het hoofd. Hij ontving mij als een oud vriend, vroeg hoe ik de reis gemaakt had, onderzocht naar allerlei bijzonderheden met goedmoedige vriendelijkheid, en drukte mij met de grootste hartelijkheid de hand; ik begreep niet waaraan ik deze vriendschapsbewijzen te danken had.

De agent van Lloyd stelde zich met groote welwillendheid tot mijne beschikking en zeide mij hoe ik het moest aanleggen, om hier zoo goed mogelijk te leven. Eene goede restauratie, buiten den muur der stad, aan de kaai gelegen, is de algemeene vereenigingsplaats van de reizigers, de officieren van het garnizoen en de oostenrijksche ambtenaren. Toen ik daar aankwam, was het geheele gezelschap onder den lommer langs de haven vereenigd; en daar de gouverneur-generaal van Dalmatië, baron Rodich, met de stoomboot van Zara moest aankomen, was de halve bevolking naar de kaai gestroomd, om hem te ontvangen. De vrouwen volgen bijna allen de italiaansche mode; de mannen onderscheiden zich door niets bijzonders. De officieren en ambtenaren beschouwen het verblijf te Cattaro als een soort van ballingschap, en zien steeds met verlangen uit naar de aankomst der stoomboot, die hun tijding van hunne vrienden en verwanten en van de buitenwereld brengt.

Den volgenden morgen begaf ik mij naar den bazar of de markt der Montenegrijnen: een open veld, of liever een soort van steenen vallei, door het water uitgegraven. De bergbewoners komen daar van Njégosch en Cettinjé; zij leggen een weg van zeven of acht uren af, beladen met zware vrachten, over bergen zoo steil, dan het hart u samenkrimpt bij het gezicht van die arme, schamel gekleede vrouwen, zwoegende onder haar zwaren last. De markt levert niet veel op: wat aardappelen, eenige eieren, eenige magere kippen, en vooral takkebossen—ziedaar alles. Somwijlen brengen de bergbewoners ook schapen ter markt, die zij voor zich uitdrijven.

De politie houdt streng toezicht op deze markt, die des dinsdags, donderdags en zaterdags gehouden wordt, en die dikwijls aanleiding geeft tot twisten en vechtpartijen tusschen de kooplieden en de stedelingen. De montenegrijnsche vrouwen mogen in Cattaro komen, maar van de mannen wordt er, om goede redenen, slechts een bepaald aantal in de stad toegelaten; ook moeten zij bij de poort hunne wapenen afgeven. Deze Montenegrijnen, die voor een paar franken eenige takkebossen komen verkoopen, dragen in hun gordel wapenen van zeer hoogen prijs, die dikwijls hunne gansche bezitting uitmaken.

De stad Cattaro, op de plaats gebouwd waar tijdens de romeinsche heerschappij Ascrivium stond, heeft in de lotgevallen van geheel Dalmatië gedeeld; zij is, in meerdere of mindere mate, onderworpen geweest aan het gezag der koningen van Servië, van Hongarije, van Bosnië, tot zij eindelijk in de macht kwam van Venetië, dat ondanks herhaalde pogingen van de Turken om zich van dit punt meester te maken, Cattaro behield tot aan den ondergang der republiek. In 1806, toen Dalmatië aan Frankrijk werd afgestaan, maakten de Russen zich meester van Cattaro, dat zij evenwel bij den vrede van Tilsitt weder moesten overgeven. In 1813 werd de stad door de Engelschen, onder Sir William Hoste, aangevallen; zij gingen aan land en richtten, voor de oogen van den generaal Gauthier, die het onmogelijk achtte geschut tegen den berg op te voeren, batterijen op, boven de citadel, op de toppen der rotsen. Na een beleg van tien dagen moest de stad zich overgeven; het geheele fransche garnizoen werd gevangen genomen. Ten gevolge van oneenigheden met de Oostenrijkers ontruimden de Engelschen Cattaro, dat in handen viel van den Vladika van Montenegro, toen niet minder dan nu begeerig uitziende naar een haven aan zee. Den 14den Juni 1814 moest hij de stad aan Oostenrijk afstaan, dat haar tot heden behouden heeft. bladzijde 254

De Bocchesi of bewoners der Bocca onderscheiden zich van al de bewoners van Dalmatië door zekere eigenaardigheden; te Zara zal men u, onder eene menigte volks, zonder aarzelen iemand aanwijzen en zeggen: dat is een Bocchese. Zij zijn er in geslaagd, van hun land, dat niet meer is dan eene smalle strook tusschen de rotsen en de zee, een der rijkste distrikten van Dalmatië te maken, dank zij hun ijver, hun lust voor handel en scheepvaart, hun overleg en spaarzaamheid. Zij zijn allen Slaven, ook de kustbewoners, die elders in Istrië en Dalmatië schier zonder uitzondering van italiaanschen oorsprong zijn. Het juiste cijfer der bevolking van de Bocca is mij onbekend; voor twintig jaar bedroeg dit tusschen de vijftien- en twintigduizend zielen; daarvan behoorden er ruim elfduizend tot de grieksche en de anderen tot de roomsche Kerk.


Bergbewoners uit den omtrek van Cattaro.

De Bocchese is van beroep, ik zou zeggen van nature, zeeman; hij is ondernemend, moedig, van een zeer sterk gestel; het ras zelf is van opmerkelijke schoonheid. Zeehandel is zijn voornaamste middel van bestaan; vooral met Venetië, Triëst en de Zwarte-zee wordt een zeer levendige handel gedreven. Als de Bocchesi volstrekt geen middelen van zich zelven hebben, verhuren zij zich als matrozen bij een reeder of gezagvoerder; anders rusten zij voor eigen rekening een klein vaartuig uit en bezoeken daarmede de naburige havens langs de kust. De zee is het groote arbeidsveld der Bocchesi: een jaar van stormen richt dan ook onder de bewoners droevige verwoestingen aan, en somwijlen ziet ge dorpen, waar de halve bevolking in rouwgewaad is gehuld. Maar blijven zij in het leven, dan weten zij dikwijls zeer spoedig eene vrij aanzienlijke fortuin bijeen te brengen. Is dit het geval, dan keeren zij naar de Bocca terug, verfraaien hunne ouderlijke woning of bouwen eene nieuwe, waaraan zij, zoo dit eenigszins mogelijk is, een lapje grond toevoegen, dat zij met enkele olijven beplanten. Zij zijn in het minst niet ijdel; zij trachten volstrekt niet te schitteren en hun buren te toonen hoe rijk zij zijn; zij kennen geen weelde voor zich zelven; ernstig en stil, leven zij rustig in hun eigen kring. Naar men zegt, hebben sommige rijke Bocchesi in hunne woning exemplaren der wapenen van alle landen, die zij bezocht hebben. Waarschijnlijk dankt deze mode haar oorsprong aan de noodzakelijkheid, waarin men althans vroeger verkeerde, om steeds gereed te zijn tot het afweren der aanvallen van Turken en Montenegrijnen.

Tusschen Risano en de grenzen van Herzegowina, op eene aanzienlijke hoogte in de bergen, niet ver van Grahovo, leest men op de kaart den naam van een dorp, beroemd wegens den krijgshaftigen aard zijner bewoners: het dorp Krivoscjé, moeilijk te genaken, volgens de wet aan Oostenrijk behoorende, maar dat, door zijne ligging, feitelijk onafhankelijk is. Ook deze dorpelingen zijn Bocchesi; maar zij wonen in de bergen, en hebben dus andere gewoonten en zeden dan de kustbewoners. De natuur is niet altijd in harmonie met de kunstmatige verdeelingen en schikkingen der menschen: zij zelve heeft voor de verschillende landen der aarde natuurlijke grenzen getrokken, en het karakter van degenen, die aldus, zij het ook slechts door een berg of eene rivier, gescheiden zijn, kan zeer wezenlijk verschillen. Maar als de grenslijn geheel willekeurig is getrokken, hoe zou men dan zoodanig verschil kunnen verwachten? De Krivoscjianen zijn dus inderdaad Montenegrijnen, niet alleen wat hun voorkomen, hun kostuum, hunne gewoonten betreft, maar ook met opzicht tot hun onrustigen, krijgshaftigen aard. Voor den vreemdeling is het uiterst moeilijk, een bewoner van Krivoscjé van een bewoner van Cettinjé of Rjeka te onderscheiden.

In 1869 wilde de oostenrijksch-hongaarsche regeering, die Dalmatië geheel op gelijken voet met de andere gewesten des rijks had gesteld, ook hare onderdanen van Krivoscjé aan de conscriptie onderwerpen. De burgerlijke autoriteit ontving de noodige bevelen; zij bleven onuitgevoerd. De oostenrijksche regeering is allerminst van hardheid te beschuldigen, maar tegenover verzet is zij onverbiddelijk. Krivoscjé moest bezet worden; en daar de dorpelingen de soldaten niet wilden toelaten, moest men tot geweld de toevlucht nemen.

Het verhaal van deze expeditie herinnert aan de schitterende wapenfeiten der Franschen in Algiers. Drie- tot vierhonderd mannen hielden gansche regimenten tegen, en dwongen ze, met schrikkelijk verlies, tot den aftocht, door op de hoofden der soldaten een regen te doen nederdalen van steenen, die zij aan den rand der rotsen van hunne enge bergpassen hadden opgestapeld. Gedurende den geheelen veldtocht verloren de Krivoscjianen slechts elf man, terwijl er drie-en-zeventig gekwetst werden; daarentegen verloren de Oostenrijkers, alleen in het gevecht bij Knyesowatz, vijf officieren, waaronder een majoor. Eindelijk vroeg men te Weenen om nadere instructies, en de oostenrijksche regeering beval de staking van dezen moorddadigen strijd, die haar reeds een gansch regiment en een paar millioen gulden gekost had. Zoo bleven de dorpelingen van Krivoscjé in 't eind overwinnaars; zij verkregen vrijstelling van den militairen dienst buiten hunne woonplaats en vermindering van belasting.



1 Zie de plaat op bladz. 124, waar bij vergissing de naam van het stadje Alnussa is gespeld.

Een bijschrift bij een plaat.

Napels en de Vesuvius, van den Posilippo gezien. Wat zal ik aan deze plaat toevoegen? Eene beschrijving van het panorama, door zoo velen, eeuw aan eeuw, als een der schoonste geroemd, waarop het eens menschen oog gegeven is te rusten? Maar geene beschrijving kan ooit van eenig landschap, welk ook, een eenigszins voldoend denkbeeld, eene eenigermate juiste voorstelling geven aan hem, die het niet zelf gezien heeft. En te minder is dit mogelijk, waar het landschap uitmunt door misschien onovertroffen schoonheid; bovenal wanneer, zoo als hier, deze schoonheid niet zoo zeer het gevolg is van deze of die treffende, sterk in het oog vallende bijzonderheid, maar veel meer van de niet onder woorden te brengen harmonie van het geheel, van den totaal-indruk, dien deze vereeniging en samenstemming bladzijde 255van land en zee, van lucht en kleur en lijn, van hoogte en diepte, op den aanschouwer maakt. Hij gevoelt dat dit schoon is, maar hoogst waarschijnlijk zou het hem moeilijk, indien niet onmogelijk zijn, dien indruk van volkomen schoonheid te ontleden, en te zeggen waarin deze schoonheid eigenlijk bestaat. Trouwens met alles wat, hetzij in de natuur, hetzij op het gebied der kunst, inderdaad en in den vollen zin des woords schoon is, is dit evenzeer het geval. Schoonheid van lagere orde laat zich, juist omdat zij onvolledig, fragmentarisch, min of meer toevallig is, ontleden en beschrijven: de hoogste, de volkomen schoonheid kan alleen worden gevoeld.

Daarom—ook hier geene beschrijving. Laat mij u slechts, als bijschrift bij de plaat, eene bladzijde mogen voorleggen uit Taine's Voyage en Italie, waar hij, in de laatste dagen van Februari 1864 te Napels gekomen, zijn indrukken beschrijft. En moge de lezing dezer bladzijde u opwekken tot kennismaking met het boek.

“Ik heb een halven dag op de Villa-Reale doorgebracht, eene wandelplaats, met eiken en altijd groene heesters beplant, vlak langs het strand. Enkele jonge boomen, doortinteld van licht, ontplooien hunne kleine, teedere blaadjes en ontvouwen alreede hunne gele bloesemkelken. Standbeelden, schoone naakte jongelingsfiguren, Europa op den stier, buigen hun wit marmeren lichamen tusschen het zachte, wazige groen der planten. Op de grasperken speelt het licht in breede plekken; slingerplanten kronkelen zich om de zuilen; hier en daar schittert het levendig purper der jong ontloken bloemen, en de fijne, fluweelige kelken trillen en wiegelen op de zwoele koelte, die tusschen de citroenstammen ruischt. Zee en lucht zijn beiden weldadig; welk een tegenstelling, als ik denk aan de kusten van den Oceaan, aan onze stranden van Normandië en Gaskonje, door de winden geteisterd, door de regenvlagen gegeeseld, waar verschrompelde dwergachtige boomen wegschuilen in de spleten en holten, waar het helm, het korte schrale gras, zich als huiverend aandringt tegen de naakte hellingen! Hier onderhoudt en voedt de nabijheid van het water den plantengroei; ge voelt de frischheid en zachte zwoelte van den ademtocht, die de bloemen koost en doet ontsluiten. Ge vergeet u zelven en alles om u heen: ge luistert naar het geritsel der suizende bladeren; ge volgt het spel hunner schaduwen op het zand. En toch—op zes passen afstands rolt de zee, met een dof gemurmel, haar breede golven, die, met vlokkig schuim overdekt, langzaam uit- en wegvloeien over den zandigen oever. De nevel verdampt onder de zon; tusschen het gebladerte door, bespeurt ge den Vesuvius en zijne geburen, de gansche bergketen, die in steeds duidelijker omtrekken te voorschijn treedt. Zij zijn bleek paars van kleur; en naarmate de dag ter kimme zinkt, wordt dit paars teerder en zachter. Eindelijk gaat die tint over in de fijnste schakeeringen van violet; geen bloemkelk kan bekoorlijker zijn; de hemel is geheel helder geworden, en de stille kalme zee schijnt een meer van azuur.

“Dit tooneel weder te geven is onmogelijk. Lord Byron heeft wel gelijk: de schoonheid der natuur kan niet op ééne lijn worden gesteld met die der kunst. Een schilderij blijft altijd beneden de voorstelling, die men zich daarvan maakt, een landschap staat steeds daarboven. Dit is schoon: ik weet er niets anders van te zeggen; dit is grootsch en dit is aantrekkelijk; dit verkwikt en verheugt den geheelen mensch, de zinnen en het gemoed; ge kunt u niets weelderigers en niets edelers denken. Waarom zou men zich, met dit tafereel voor oogen, de moeite geven van te arbeiden en iets voort te brengen? Het is overtollige moeite, zich een goed ingericht huis te bouwen, of met groote inspanning die omslachtige inrichtingen tot stand te brengen, die men eene constitutie of eene kerk noemt; overtollige moeite ook, de genietingen der ijdelheid en der weelde na te jagen: ge hebt slechts uwe oogen te openen, rondom u te zien; u te laten leven; met een enkelen blik omvat ge de schoonste bloem des levens.

“Ik had mij op een bank neergezet; ik zag den avond vallen, de kleuren en tinten wegsmelten; en het was mij, alsof ik mij in de Elyseesche velden der oude dichters bevond. De sierlijke bevallige vormen der boomen teekenden zich af tegen het heldere blauw. De ontbladerde platanen, de dorre eiken zelfs, schenen te glimlachen. De verrukkelijke blijde helderheid des hemels, door het fijne weefsel hunner takken geschakeerd, scheen zich aan de boomen zelven mede te deelen. Zij schenen niet dood of verstijfd, zooals bij ons, maar ingesluimerd en, onder de koesterende aanraking dezer warme lucht, gereed, hunne knoppen te openen, hunne teedere uitspruitsels toe te vertrouwen aan de naderende lente. Hier en daar flikkerde een ster; de maan begon haar zilver licht uit te gieten. De standbeelden, nog blanker dan straks, schenen in die geheimzinnige schemering als met leven bezield. Groepen jonge vrouwen, wier kleederen zacht op en neder golfden, schreden geruischloos voort, als zalige schimmen. Het was mij, als ware ik getuige van het antieke grieksche leven; als kon de stille harmonie dier slanke vormen en dier gedempte tinten mij voor altijd bevredigen, als had ik geen behoefte meer aan pracht en gloed van lijnen en kleuren. Ik hoorde de verzen van Aristophanes reciteeren; ik zag zijn jongen athleet, kuisch en schoon, naar geen ander genot verlangende dan, met een lauwerkroon op het hoofd, te mogen wandelen tusschen de populieren en bloeiende platanen, in gezelschap van een wijzen vriend van zijn leeftijd. Napels is eene grieksche kolonie, en elke nieuwe ervaring doet ons steeds beter begrijpen, hoe machtigen invloed het landschap en het klimaat uitoefenen op den smaak en den geest van een volk.

“Omstreeks acht uur was het bladstil geworden. De hemel scheen van lapis-lazuli. Eene koninginne gelijk, straalde de maan alleen te midden van het matelooze blauw; haar licht trilde op de groote wateren en goot daarover een breeden mat zilveren stroom uit. Geen woorden kunnen de bevalligheid, de zachte gratie uitspreken dezer bergen, in het schemerend violet van hun nachtelijken sluier gehuld.

“Overal schitteren lantaarns; in de open lucht babbelen de menschen overluid, lachen en eten. Die hemel is op zich zelven een feest!”


Napels en de Vesuvius, van den Posilippo gezien.

bladzijde 257

De Aarde en haar volken: Jaargang 1877 - Full Text (Montenegro)

No comments:

Post a Comment