Monday, March 5, 2012

De Aarde en haar volken: Jaargang 1877 - Full Text (Blanken en kleurlingen)

Blanken en kleurlingen.

(Vervolg van jaargang 1876, bladz. 374.)


Een indiaansch kamp.

XIV.

Zambo's.—Negerslavernij bij de roodhuiden.—Caddo.

Caddo, een dorp in het distrikt Choctaw, twee-en-dertig mijlen ten noorden van de Red-River, zeven-en-dertig mijlen ten zuiden van Limestone-Gap, is eene kolonie van zambo's, en zeker een van de zonderlingste nederzettingen in eene landstreek, zoo bij uitnemendheid rijk aan ethnologische verrassingen. Een zwerm van houten hutten, binnen omrasterde velden omsloten, omgeeft eene kleine stad, die een school en een gevangenis, een kerk en eene vrijmetselaarsloge, een hoofdstraat en een marktplaats bevat, en waar het vooral ook niet ontbreekt aan biljardzalen en aan kroegen. Door middel van een spoorweg is dit stadje verbonden met Fort Gibson in het land der Creeks, en met Denison-City in Texas. Caddo bezit ook eene drukkerij en eene krant, die eens in de week uitkomt. Maar het is niet de school of de gevangenis, niet de spoorweg of de drukkerij, die in de eerste plaats de belangstelling verdient, de nieuwsgierigheid prikkelt: dat doet vooral de bevolking van het wonderlijke stedeke. De bewoners van Caddo zijn op zich zelven de grootste merkwaardigheid. De hutten in het open veld en bijna al de huizen in de stad zijn toch bewoond door het nieuwe ras van gemengd bloed, bij de geleerden onder den naam van Zambo's bekend:—de afstammelingen van negers en indiaansche vrouwen.

Volgens Tschudi's lijst der gemengde rassen, heeten de afstammelingen van een blanken vader en eene zwarte moeder, mulatten; die van een blanken vader en eene indiaansche moeder, mestiezen; die van een indiaanschen vader en eene zwarte moeder, chino's; en die van een zwarten vader en eene indiaansche moeder, zambo's. Deze vier soorten van hybriden vormen de oorspronkelijke gemengde bevolking van Amerika. bladzijde 42

Een mulat is koffiekleurig; de kleur van een mesties is goud-brons; een chino is vuil rood; een zambo is vuil bruin.

Een blanke vader verwekt bij eene mulattin een quadroon; een blanke vader en eene mesties geven het leven aan een creool. Quadronen en creolen, hoewel donkerklourig en grof van vormen, zijn somtijds schoon; in de slavenstaten worden voor jonge quadrone of creoolsche meisjes dikwijls grooter sommen uitgegeven, dan een turksche pasja voor zijne georgische slavin besteedt. Uit het huwelijk van een neger met eene mulattin ontspruit een cubra: en een cubra is een zeer leelijk schepsel. In het volgende geslacht keert de oorspronkelijke negertype terug. Dit is niet het geval in de indiaansche familie. Een indiaansche vader en eene mesties schenken het leven aan den mestizo-claro, den licht gekleurden mesties, zeer dikwijls een fraai exemplaar van het menschenras. Maar het schijnt wel dat het indiaansche blood zich nooit volkomen met het zwarte vermengen kan. De chino, het kind van een roodhuid en eene negerin, is een schraal, mager en onbevallig wezen, en zijn halve-broeder, de zambo, is nog leelijker. De natuur zelve schijnt geene vermenging van deze twee rassen te willen. Op de gansche wereld zijn misschien geen wonderlijker schepselen te vinden dan de kleine zambo's, die op de straat en in de goten te Caddo spelen en dartelen.

Toch zijn deze afzichtelijke schepsels, naar men zegt, zeer vruchtbaar. In elke hut van Caddo wemelt het van kinderen; en wanneer de aanhangers der nieuwe ethnologische school gelijk hebben, is het te verwachten dat zij zich nog sneller zullen vermenigvuldigen dan de gewone negers. Wat mogen dan de bewoners van Caddo, physiek en moreel, wel over honderd jaar zijn? Aan zich zelven overgelaten, zal Caddo misschien een geslacht voortbrengen naar het model van dat van Los-Angeles en San-José, en zullen van hier helden uitgaan als Tiburcio Vasquez, die de schrik zullen zijn der volkplanters langs de Red-River en van Limestone-Gap.

Te Caddo vooral is het mogelijk, de beide belangrijke problemen der kleur en der slavernij, in hun oorspronkelijken, meest eenvoudigen vorm te bestudeeren; in een vorm en uit een oogpunt, te Richmond, Charleston en Nieuw-Orleans geheel onbekend.

Voor de burgeroorlog uitbrak, waren alle negers op indiaansch grondgebied slaven, het eigendom van de Creeks en Choctaws, de Seminolon, de Chickasaws en de Cherokees:—de vijf natiën, die gerekend worden “den wilden staat vaarwel te hebben gezegd.” Hun lot was hard; hun lijden misschien bitterder dan eenig ander lijden onder de zon. Elders wordt de slavernij getemperd en verzacht door gemeenschap, hetzij van ras, hetzij van taal, hetzij van geloof. Te Pekin zijn slaven en meesters van dezelfde kleur; te Kaïro spreken zij dezelfde taal; te Rio aanbidden zij denzelfden God. Maar in deze amerikaansche wildernissen had de neger noch dezelfde gelaatstrekken, noch dezelfde taal, noch dezelfde geloofsbelijdenis als zijn onbeschaafde meester; tusschen die beiden geenerlei gemeenschap van belang in deze wereld, geen gemeenschappelijke hoop voor eene wereld hier namaals.

Is het mogelijk een rampzaliger lot te bedenken, dan slaaf te zijn van een roodhuid? Het eigendom te zijn van een blanken meester was dikwijls hard genoeg; maar ook op de slechtste plantages in Georgië en Alabama waren toch nog elementen van edelmoedigheid en rechtvaardigheid, die in de indiaansche kampementen vergeefs werden gezocht. In Georgië en Alabama deed zich toch altijd, al was het soms onbewust, de weldadige invloed gelden van vrouwen en kinderen. De negers leefden in eene beschaafde en christelijke maatschappij. Allen stonden onder het gezag der wet, en zelfs daar waar wreede en harde meesters in groot aantal gevonden werden, kon toch altijd de bescherming worden ingeroepen der wet en der overheid. Geen enkele neger in Virginia, of hij vernam het luiden van de klokken der dorpskerk, of ook tot hem kwam de stille en heilige verkondiging van den dag der ruste. Geen enkele slaaf in Louisiana, die niet deelde in de zegeningen en voorrechten van het geregelde huiselijke en familieleven. Welke gewijde klanken werden er gehoord in een kamp der Choctaws? Welke bekoorlijkheid des levens was er te vinden in de tenten der Chickasaws? In elk indiaansch kamp behandelden de zelven bijna als slavinnen beschouwde squaws de negers nog harder en onmeedoogender dan hare ruwe echtgenooten; en in stede van een trooster en soms onbewusten beschermer, was het indiaansche kind zeer dikwijls de oorzaak van nieuwe folteringen: om hem aan den aanblik van menschelijk lijden te gewennen, werd de slaaf in tegenwoordigheid van den jeugdigen krijger gemarteld en gepijnigd. Een slaaf in Tennessee kon in handen van een onmeedoogenden meester vallen; maar die meester was toch een beschaafd man en gezeten burger, en hij kon voor de rechtbank ter verantwoording worden geroepen. Hij was geen zwervende wilde, die van de jacht leefde, en zijn gezin oppermachtig regeerde met een bijl en een skalpeermes. Een blanke slavenhouder mocht driftig en opvliegend, zijn opziener wraakzuchtig en haatdragend zijn: beidon waren toch burgers, aan het gezag der wet onderworpen, en Christenen, onderworpen aan de tucht hunner kerk. Er waren zeer wezenlijke grenzen, die ook de ruwste willekeur zich niet licht vermat te overschrijden. Maar waar was, bij Seminolen of Cherokees, voor den mishandelden slaaf zulk eene grens te vinden? Een Seminole had geen rechter te vreezen, een Cherokee geen priester of leeraar te ontzien. In zijn stam en op zijn grondgebied, kon eon indiaansch opperhoofd, als hem dit lustte, even vrij over het leven van zijn slaaf beschikken, als een negerkoning in het hart van Afrika. Geen sheriff was daar, om hem rekenschap te vragen van het vergoten bloed. Geen vrees voor openbare afkeuring hield zijn arm terug. Was eenmaal zijn toorn opgewekt, dan bekommerde een Indiaan zich even weinig om hetgeen de menschen van hem denken en zeggen zouden, als de tijger in de jungles, wanneer hij zijn sprong gaat, nemen, zich om de publieke opinie bekommert. Een roodhuid had meer vrijheid in de behandeling van zijn slaaf, dan een blanke in de behandeling van zijn hond.

Eigenaar te zijn van een ploeg negers, was de hoogste wensch van elk opperhoofd der Creeks of Seminolen; bladzijde 43hun aantal was, even als dat zijner squaws, een bewijs van zijn rijkdom en rang. Zelfs stelde hij nog hooger prijs op zijne negers, omdat hij juist deze soort van eigendom met de blanken gemeen had. In zijne jeugd had hij in Georgië of Carolina geleefd, waar de maatschappij verdeeld was in vrijen en slaven. Hij zelf was een vrij man, even als al zijne broeders en stamgenooten; slechts de zonen van een minder krijgshaftig en donkerkleuriger ras waren slaven. Bekend met de zeden en gewoonten der blanken, bewees hij hun de eer, hun voorbeeld na te volgen; maar, als een echte wilde, kocht hij alleen dan zijne slaven, als hij geen kans zag hen te stelen.

Wanneer een indiaansch opperhoofd door de blanke planters van zijne jachtgronden in Georgië en Tennessee verdreven werd, voerde hij de negers in zijn kamp met zich; hij dwong hen mede hun aandeel te dragen in de vele vermoeienissen en ontberingen van zijn langen tocht, en de gevaren te trotseeren van zijne nieuwe en ver afgelegene woonstede. De plagen en rampen, die den roodhuid troffen, daalden met zevenvoudige kracht neder op het hoofd van zijn slaaf. In de oogen van een Indiaan, was een neger niet meer waard dan een muilezel. In regen en wind moest hij zich buiten de tent ter ruste leggen. Als er gebrek was aan wild, moest hij zich voeden met afval en dikwijls van honger sterven. De zwaarste en verachtelijkste diensten werden van hem gevergd; met slagen en schoppen en scheldwoorden werd hij, vooral door de squaws, naar zijn werk gedreven. Het minste verzet lokte dubbele mishandeling uit, en kon hem zeer licht het leven kosten.

En toch, ondanks al hun lijden, vermenigvuldigden de negers zich voortdurend, en dat wel zoo spoedig, dat na verloop van twintig of vijf-en-twintig jaren, hun aantal dat hunner wilde meesters dreigde te overtreffen. Toen de oorlog uitbrak, bezaten de Seminolen duizend slaven; de Cherokees en Chickasaws bezaten elk omstreeks vijftienhonderd slaven; de Creeks en Choctaws, elk omstreeks drieduizend. Deze vijf stammen telden te zamen nog geen veertienduizend volbloed Indianen tegen tienduizend negerslaven. Het getal der Indianen nam snel af, dat der negers even snel toe.

Deze negers waren zoowel een gevaar als een ramp voor de vijf natiën. Alom langs de grenzen van haar gebied was eene beweging ontstaan, die de roodhuiden niet met tomahawks en skalpeermessen konden bedwingen. Kansas, hun onmiddellijke nabuur ten noorden, was een vrije staat. De nederzettingen aan gene zijde hunner grenzen werden voor en na onder de vrije staten opgenomen. Geruchten eener aanstaande bevrijding drongen door tot in de indiaansche kampementen, en de kwestie der slavernij begon de stamhoofden der roodhuiden te verontrusten.

De oorlog barstte uit. De oplossing van een groot en diep ingrijpend maatschappelijk vraagstuk, waarbij de gewichtigste belangen op het spel stonden, werd aan het ruw geweld, aan de onzekere kansen van den krijg toevertrouwd. Toen zond Jefferson Davis een agent naar de indiaansche legerplaatsen, ten einde den opperhoofden, door de voorspiegeling van hetgeen waarschijnlijk gebeuren zou, vrees aan te jagen en hen te bewegen tot een bondgenootschap met de Geconfedereerde Staten.

Albert Pike, zoo heette die agent, was in alle opzichten voor zijne taak berekend. Reeds zijn voorkomen was uitnemend geschikt om indruk te maken. Van eene statige, rijzige gestalte, met een blozend gelaat en lang zilverwit hair, dat hem over hals en schouders golfde, vereenigde hij de frischheid en levenslust der jeugd met de eerwaardigheid en bedachtzaamheid van den ouderdom. Beurtelings en achtervolgens, klerk, dichter, advokaat, pionier, trapper, schoolmeester, kavallerie-officier, dagbladschrijver,—had Pike allerlei beroepen bij de hand gehad en de wereld van meer dan eene zijde leeren kennen. In paardrijden, drinken en bluffen, konden maar weinig menschen den voorrang aan Albert Pike betwisten. Daar hij eenige jaren van zijn leven langs de oevers van de Red-River en den Arkansas had doorgebracht, was hij volkomen vertrouwd met de eigenaardige zeden en gebruiken der roode en blanke grensbewoners, en geheel ervaren in alle kunstgrepen en listen, waardoor de wilde stammen kunnen worden verleid en medegesleept.

Van het eene kamp naar het andere trekkende, vertelde Pike aan de krijgslieden, dat de oude Unie, waaronder zij geleefd hadden, niet meer bestond; dat zij voor goed was ondergegaan, even als het oude indiaansche verbond der Zes-Natiën; dat de vlag in flarden was gescheurd en de vlaggestok in tweeën gebroken. De heeren van het Zuiden konden voortaan nooit meer gemeene zaak maken met de ploerten en gelukzoekers van het Noorden. Daarom kwam het er nu voor hen op aan, eene keus te doen. De slavernij, zoo zeide hij, was de hoeksteen van de nieuwe Confederatie; en op een groep negerslaven wijzende, vroeg hij den Indianen of zij niet liever de zijde wilden kiezen van de planters van Georgië en Louisiana, dan van de kooplieden van Boston en New-York. “Vroeger, zoo sprak hij, kondt gij billijke grieven tegen de planters doen gelden; maar in dezen nieuwen oorlog is uw belang en uwe toekomst ten nauwste verbonden met die van het Zuiden. Deze oorlog is door de hebzucht en de dweepzucht van het Noorden verwekt, en gericht tegen de negerslavernij, tegen den vrijen handel en de staatkundige vrijheid.”

Om zijn doel te bereiken, nam Pike zijn toevlucht tot nog andere middelen: waar zijn argumenten te zwak bleken om de roodhuiden over te halen, wierp hij zijn whiskyflesch in de weegschaal. Want geene behoefte is voor den Indiaan zoo onwederstaanbaar, als die van sterken drank. Het recht om slaven te koopen en te verkoopen, kwam maar aan enkele opperhoofden ten goede; maar de vrijheid om sterken drank te koopen en te verkoopen, ging iederen man en iedere vrouw in de indiaansche kampementen rechtstreeks ter harte. Door aan de Indianen den vrijen handel in slaven en whisky te beloven, won Albert Pike eene groote meerderheid van stemmen voor het Zuiden.

Vijfduizend indiaansche krijgers, met bijlen en messen gewapend, schaarden zich onder de banier van Albert Pike, die nu zijn burgerlijk karakter als indiaansche bladzijde 44commissaris aflei, een hoed met pluimen opzette, een gegalonneerden rok aantrok, een zwaard op zijde gespte, en op het tooneel verscheen als generaal Pike. Twee legers opereerden langs de grenzen:—een leger der Noordelijken onder Curtis, en een leger der Zuidelijken onder Van Dorn. Op bevel van het departement van Oorlog te Richmond, voegde Pike zich met zijne krijgslieden hij het leger van Dorn, en deze omstandigheid gaf een zekeren komischen tint aan den bloedigen en onbeslist gebleven veldslag van Pea-Ridge.


Indiaan uit Californië.

Zoo lang als het bij het houden van parade bleef, stond hun militair beroep den roodhuiden wel aan. Hunne soldij was hoog, hun voedsel goed, en Pike was niet al te streng op het stuk van discipline en exercitie. Er was overvloed van whisky in het kamp. Maar toen de vijand naderde en het vuur uit zijne groote kanonnen opende, toen verlieten deze kinderen der wouden hunne gelederen en sloegen op de vlucht. Hoe dapper en onverschrokken ook in het gevecht, is de Indiaan niet bestand tegen de beproevingen van een geregelden krijg. Zij stormden onbevreesd voorwaarts: maar door geweer- en geschutvuur ontvangen, deinsden zij verbijsterd terug. Alles wat zij hoorden en zagen was geheel nieuw voor hen. Van de tien Indianen had er nauwelijks een ooit een kanon hooren afschieten; niet een van de vijftig had ooit een vuurpijl gezien. De granaten zagen zij aan voor vallende sterren. Hun krijgsgeschreeuw werd overstemd door het oorverdoovend gerucht: de walmende rook onttrok hunne vijanden aan hun gezicht. Zelfs als zij achter eiken en dennen wegscholen, waren zij nog niet veilig; want de granaten ontploften tusschen de boomen en de scherven vlogen hun om de ooren. Wat konden deze zonen der woestijn hier doen, dan plat op den grond gaan liggen, hunne lichamen bladzijde 46met zand en steenen bedekken, en zoo te wachten tot de avond was gevallen?


Een prairie-brand.

Maar zoodra het duister was geworden, slopen zij naar het slagveld, gingen zwijgend tusschen de slapende soldaten door, skalpeerden de dooden en de stervenden, en keerden met hunne afschuwelijke zegeteekenen naar het kamp terug. Dit was de eenige maal, dat de Indianen voor het behoud hunner negerslaven streden.

Den volgenden morgen, toen men zich gereed maakte de gesneuvelden te begraven, kwam de schennis aan de lijken gepleegd aan het licht: en uit de beide amerikaansche legers ging een kreet van afgrijzen en protest op tegen het gebruik van deze barbaren. Curtis zond een boodschap naar Van Dorn, en de zuidelijke generaal was, ter voorkoming van bloedige weerwraak, genoodzaakt, zijn roode hulptroepen naar huis te zenden.

Pike verloor zijn gegalonneerden rok en zijn hoed met pluimen; en zijne indiaansche krijgers, door overvloedigen whisky getroost, konden verder rustig toezien, in afwachting dat de blanken, die met elkander streden, zoo het heette, over de rechten der zwarten, onder de muren van Richmond zouden hebben uitgemaakt of de roodhuiden langs den Arkansas al of niet het recht hadden om hunne zwarte broeders in slavernij te houden.

Toen Richmond viel, waren de slaven in vijftig indiaansche kampementen vrij.

De negerslaven waren vrij; maar vrij in een indiaansch land, te midden van wilde indiaansche stammen!

In de proklamatie van President Lincoln werd met geen enkel woord gewag gemaakt van de tienduizend negers, die toen als slaven leefden op indiaansch grondgebied. Eerst tien maanden na den slag van Pea-Ridge werd de vrijverklaring uitgevaardigd: de slaven der roodhuiden waren vergeten geworden.

Alleen gelaten met hunne voormalige meesters, buiten bereik van alle hulp of ondersteuning uit Washington, wat moesten deze vrij verklaarde slaven nu gaan aanvangen? In theorie waren zij vrij; in de werkelijkheid bepaalde zich die vrijheid tot de vrijheid om van honger te sterven. Zij hadden noch tenten, noch geweren, noch paarden; zij konden geen duim breed gronds hun eigendom noemen; ook hadden zij nu hunne plaats in den stam verloren. En daar niemand aan de oevers van den Potomac aan hen dacht, kwam er ook geene wezenlijke verandering in het lot dezer negers langs de oevers van de Red-Rivier en den Arkansas. Deze zwarten zijn een zwak ras; met vrouwen opgevoed en door vrouwen geregeerd, waren zij zelven bijna vrouwen geworden, onbekwaam voor den strijd des levens, zonder energie en zonder moed. Toen aan Fort Gibson en Fort Scott de tijding vernomen werd, dat de oorlog geëindigd was en dat de negers waren vrij verklaard, onderwierpen de opperhoofden der Cherokees en Choctaws zich met kwalijk verkropten spijt aan dit gebod. Zij wierpen de vrijverklaarde negers uit hun kamp.

Daar stonden zij nu, zonder eenig middel van bestaan, hulpeloos als kinderen, alleen in de wijde wereld. Zoo lang hij slaaf was, had de neger voor 't minst eene plaats in de tent en den stam, als behoorende tot het huisgezin van het opperhoofd; nu vrij man geworden zijnde, verloor hij zijn recht om medegeteld te worden, en werd hij metterdaad een balling, een vagebond. Voor hem was er geen wet, geen recht. Overal elders werd den neger zijne vrijheid gewaarborgd en vond hij bescherming; maar het land der Indianen is eene republiek op zichzelve, waarin de wet van den blanke niet geldt.

De Creeks en Cherokees hebben eenige vormen en gebruiken van de beschaafde maatschappij overgenomen. Zij houden meer of minder komische vergaderingen; zij hebben scholen en gerechtshoven, ook meer of minder komisch. Sommige opperhoofden trachten persoonlijken grondeigendom te verwerven; enkelen zelfs schijnen niet ongezind, hun zonen het engelsch alphabet en den christelijke catechismus te laten leeren. Maar niets van dit alles valt binnen het bereik van den vrijverklaarden slaaf, zoo lang hij op indiaansch territoir blijft. Een neger heeft geen stemrecht; hij mag zijn kind niet naar school zenden, noch met eene aanklacht voor het gerechtshof verschijnen. Hij heeft geen duim gronds in eigendom. Uit het indiaansche kamp uitgeworpen zwerft hij naakt en vrij in de wildernis om. Hij durft zich niet vestigen op indiaanschen grond; want hoewel de President hem tot een vrij man heeft verklaard, heeft zijn vroegere meester de macht behouden hem te dooden, en niemand zal dien meester daarvan rekenschap vragen. Wat wonder dat de vrijverklaarde negers van het indiaansche grondgebied verdwijnen?

Ettelijke honderden van deze geëmancipeerde slaven zijn over de grenzen naar Arkansas en Texas gevlucht, en hebben bescherming gezocht onder de hoede der blanken. Maar in den regel is de arme bevolking eener landstreek niet in staat in massa te verhuizen en elders een nieuw vaderland te zoeken. Even als planten en dieren, moeten zij den strijd volhouden of op de plaats zelve vergaan. Voor een aantal vluchtelingen uit de tenten der Choctaws en Chickasaws is Caddo eene wijkplaats en vrijstad geworden.

De plek, waarop deze uitgewekenen zich gevestigd hebben, is een stuk gronds, verlaten door de Caddoes, een kleinen zwervenden stam, die vroeger in deze wateren vischte en in deze bosschen jaagde. Zeer in aantal verminderd, zijn de Caddoes uitgeweken naar de streken bij de Washita, en hebben hunne vroegere jachtvelden overgelaten aan de coyoten en de wolven. Rechtens ligt het distrikt in het land der Choctaws, maar de Choctaws hebben nooit deze vallei in bezit genomen; en de verschijning van blanke werklieden, die een spoorweg kwamen aanleggen, bewoog de naast bij wonende indiaansche familiën om hare wigwams verderop te verplaatsen. Caddo, overgelaten aan den “vuurgen salamander” en aan de vrijgelaten slaven, werd een stad.

Zooals zich, met het oog op haar oorsprong, reeds laat verwachten, is Caddo in de politiek radikaal, om niet te zeggen revolutionair. Daar de negers en hunne nakomelingen, de zambo's, geen Indianen zijn, en er voor hen in de indiaansche republiek dus geen plaats is, bladzijde 47wenschen de inwoners van Caddo niets minder, dan de geheele bestaande orde van zaken te veranderen:—opheffing van de afzonderlijke indiaansche nationaliteit; van de verdeeling der Indianen in stammen en gezinnen; van de uitsluiting van vreemdelingen uit het indiaansche grondgebied; voorts afschaffing der indiaansche bloedwrake, van de onbeperkte macht der opperhoofden en den gemeenschappelijken grondeigendom.

“Welke veranderingen zoudt gij alzoo wenschen in te voeren? vraag ik een zwarten politieken dilettant.

—Welke veranderingen? antwoordt de zwarte radikaal. Alles moet veranderen. Wij verlangen dat de stammen worden afgeschaft; dat een regelmatig bestuur worde gevestigd, het land voor den arbeid en het kapitaal geopend; dat het bestuur der opperhoofden ophoude, alsmede de handel in vrouwen en het gemeenschappelijk grondbezit. Dit verlangen wij voor de anderen; maar wij hebben ook iets voor ons zelven te vragen. Tot nu toe hebben wij geen rechten. Gij vindt ons hier in Caddo, maar wij worden hier enkel geduld. Onze landerijen behooren ons niet. Elken dag kan men ons wegjagen, zonder dat wij eenige vergoeding ontvangen voor de verbeteringen, die wij hebben aangebracht.

—Eenige opperhoofden der Choctaws hebben mij toch verzekerd, dat zij u naar recht en billijkheid zullen behandelen.

—Ja, misschien zullen zij dat doen; maar wie kan hen daartoe dwingen? Wij hebben aan iets anders behoefte, dan aan beloften van opperhoofden. Wij verlangen stemrecht, het recht om ambten te bekleeden, om land te bezitten, om in de jury te zitten, om onze jongens naar school te zenden. Wij wenschen dat deze rechten ons worden toegekend door besluiten van het Congres, en niet afhangen van beloften van de hoofden der Choctaws.”

Dat is het politiek programma van Caddo, een vlek, door negers en zambo's bewoond; dit zijn ook de beginselen van de Oklahoma Star, het daar verschijnende weekblad onder redactie van een blanke, een soort van letterkundigen en politieken avonturier.

XV.

Oklahoma.—Eene vrijstad.

Oklahoma is de naam, dien de radikalen onder de Creeks en Cherokees wenschen te geven aan de landen der Indianen, nadat de stammen tot één volk zullen zijn vereenigd en de jachtvelden een staat zullen zijn geworden:—een droombeeld, waaraan sommige opgewonden dweepers gelooven. Deze idealisten, die de wonden van hun eigen stam niet kunnen genezen, noch eenige duizenden Cherokees kunnen bewegen onderling in vrede te leven, koesteren evenwel de hoop dat zij de Creeks en de Seminolen, de Choctaws en de Chickasaws met elkander zullen verzoenen, en die allen zullen vereenigen onder ééne regeering en ééne banier. Nog meer: in hunne verbeelding zien zij reeds den dag, waarop andere, nu nog geheel wilde en heidensche stammen—de Cheyennes, de Apachen, de Kiowas en anderen—zullen hebben opgehouden vee en vrouwen te rooven, waarop zij hun tomahawks en skalpeermessen zullen begraven, en novelletjes zullen lezen en whisky zullen drinken, evenals de blanken.

Voorwaar, die dag ligt nog zeer verre in het verschiet!

Eenigen tijd geleden heeft de regeering van Washington besloten, tegenover de Indianen eene “nieuwe politiek” te volgen, met het doel om hunne vestiging in vaste woonplaatsen en hunne bekeering te bevorderen. Deze politiek is gegrond op het oude stelsel der Franciskaner monniken, maar gewijzigd naar de beginselen van een civielen staat en in verband met de bestaande toestanden. Voortaan zullen de Indianen beschouwd en behandeld worden als “pupillen.” Door middel van bajonetten binnen zekere aangewezen terreinen saamgedreven, worden zij nu gesteld onder de geestelijke leiding van sommige sekten, die hen moeten voeden en onderwijzen, en ook onder het toezicht van officieren, die hen moeten bewaken en hen neerschieten, als zij de op het papier getrokken grenzen overschrijden.—De leeraars en zendelingen, die natuurlijk zich gaarne bij hunne sekte aangenaam maken, hangen een bekoorlijk tafreel op van een, tot dusver alleen in hunne verbeelding bestaand indiaansch land, vol landhoeven en boerderijen, tuinen, scholen en kerken. Elk indiaansch terrein (reservation) heeft een eigen schoolfonds, op het papier; in sommige nederzettingen vindt men ook werkelijk armoedige loodsen, met den naam van school versierd.—De officieren voeren een andere taal: zij behoeven geen theorie te verdedigen. Is er een blanke hoeve uitgeplunderd of eene blanke familie geskalpeerd, dan moeten zij de wilden najagen en tuchtigen. Een grenspost is juist geen geschikte plaats om humanitaire illusiën te kweeken. Voor zoover mijne ondervinding gaat, is de eenvoudige waarheid deze: dat geen enkel officier, die in de grenslanden gediend heeft, het mogelijk acht, de volbloed Indianen te beschaven.

Nooit kan een roodhuid iets begrijpen van hetgeen een blanke zijn wet noemt.

Neem, bij voorbeeld, de laatste uitspraak van den opperrechter Waite en zijne geleerde bijzitters in het Hoog-Gerechtshof, en vraag dan hoe een Creek of Cherokee, om nu van de Osages en Kickapoos te zwijgen, zulk een wet kan begrijpen. Reeds sedert jaren gold voor de Indianen, als de zwakste partij, de algemeene regel, dat de staat de bevoegdheid had, hen van de eene plaats naar de andere te doen verhuizen. Als blanke planters hunne jachtgronden in bezit wenschten te nemen, werden zij gedwongen te vertrekken; maar hun oorspronkelijk eigendomsrecht op den grond werd niet geloochend, en voor de in bezit genomen landen, werden hun altijd andere in ruil gegeven. Toen zij Georgië moesten verlaten, kregen de Cherokees een beter terrein langs de oevers van den Vert-de-gris. In plaats van hunne vroegere woonplaatsen, ontvingen de Creeks en Choctaws jachtgronden langs den Arkansas; de Senecas, langs de Alleghany; de Oneidas, bij Green-Bay. De Omahas kregen landerijen langs den Missouri; de Crows, langs de Yellowstone; de Shoshonen, langs de Snake-River. Geen stam werd ooit uit zijn woonplaats bladzijde 48verdreven, dan met belofte van elders beter terrein te zullen ontvangen. Sedert de dagen van Penn, was het nog niemand in de gedachte gekomen te betwisten, dat het land oorspronkelijk aan de roodhuiden behoorde.

Maar Waite en zijn geleerde broederen hebben hierin verandering gebracht. Deze rechtsgeleerden hebben uitgemaakt dat de Indianen niet de eigenaren van den grond in het algemeen zijn, ja dat zij zelfs geen recht van bezit hebben op hun eigen land. Volgens hen, is de ware en echte grondeigenaar niemand anders dan het gouvernement der Vereenigde-Staten.

Ook onder de meest ontwikkelde Creeks en Choctaws, zal er wel geen enkele gevonden worden, die de gronden kan begrijpen, waarop deze uitspraak van Waite rust; maar zelfs de onwetendste Indiaan begrijpt het volkomen, dat zijn land hem niet toebehoort, dat hij niet meer is dan eenvoudig gebruiker, en dat het hem niet langer vrijstaat een denneboom te vellen en te verkoopen.


Indiaansche wapenen en sieraden.

Volgens de “nieuwe politiek,” die den geduchten oorlog met de roodhuiden tot een soort van vrome idylle maakt en tegelijk het gansche grondgebied der Indianen ten bate der regeering verbeurd verklaart, wordt de inlandsche bevolking in vier groote klassen verdeeld:

1°. Wilde Indianen, met wie geene andere betrekkingen kunnen worden aangeknoopt, dan dat zij nu en dan uit de handen der regeerings-agenten dekens en voedsel ontvangen.

2°. Indianen, die ten volle overtuigd zijn van de noodzakelijkheid van geregelden arbeid en daartoe ook willen overgaan, en die tot dat einde, in meerdere of mindere mate, de hulp en leiding der regeerings-agenten aanvaarden.

3°. Indianen, die bereids eene hoeve of boerderij, met de daarbij behoorende landen, het vee en verder toebehooren, in vollen eigendom bezitten.

4°. Zwervers en vagebonden.

De eerste klasse omvat, naar men zegt, acht-en-negentigduizend zielen, en daaronder de Sioux, de Uten, de Apachen, de Kiowas, de Cheyennes, de Comanchen en Arapahoes. De tweede klasse telt twee-en-vijftigduizend zielen, en daaronder de Osagen, Kickapoos, Pai-Uten, Shoshonen, Pawnees on Navajos. De derde klasse wordt geschat op honderdduizend zielen, on daaronder Creeks, Choctaws, Cherokees, Seminolen en Chippewais. De vierde is moeilijker te berekenen; naar men vermoedt, telt zij twintig- of dertigduizend zielen; en daaronder Winnebogoes, Sacs Pottawatomies en verstrooide benden van Shoshonen en Uten.

Deze verdeeling en deze statistiek is tot niet veel meer nut dan tot stichting en opvroolijking van de welmeenende sektarissen, die heden ten dage, met minder takt en onder ongunstiger omstandigheden, in de westelijke vlakten de proef herhalen, bereids door de Franciskaner monniken in Californië genomen. Maar deze onbestemde, bladzijde 49fantastische klassificatie heeft niet de minste praktische waarde, en wordt dan ook geheel ter zijde gesteld door allen, die met de werkelijke feiten te doen hebben. Voor hen bestaan er maar twee soorten van Indianen: wilde Indianen, en half-wilde Indianen.

De eerste klasse omvat al de groote stammen en geslachten: Sioux, Uten, Cheyennes, Arapahoes, Navajos en meer anderen. Zij zijn nimmer onderworpen en hebben zich nimmer op vaste woonplaatsen gevestigd. Heidenen, roovers en nomaden, beloopt hun getal omstreeks tweehonderd-duizend zielen. Zij zijn de echte roodhuiden, wier bloed vrij bleef van alle vermenging, onveranderlijk getrouw aan hun voorvaderlijk geloof en aloude zeden.


Een carpet-bagger en neger-kiezer.

Tot de tweede klasse rekent men de kleinere indiaansche stammen, die, door voortdurende aanraking met de blanken, half ouderworpen en eenigermate aan den grond verbonden zijn: de Indianen der missie in Californië, de Indianen van Arizona. de Senecas in New-York, de Chippewais in Michigan, de Winnebogoes in Nebraska, de Choctaws en Cherokees in Oklahoma, en hunne stamgenooten elders. Deze Indianen, meestal ingesloten tusschen nederzettingen der blanken, zijn ongeveer honderdduizend zielen sterk: het treurig overschot van machtige natiën, die te gronde zijn gegaan. Zij zijn een weinig beschaafd, en zeer aanzienlijk in getal geslonken. Inderdaad is de Indiaan voornamelijk daarom bevreesd voor de gewoonten en zeden der blanken, omdat hij bij ondervinding weet of wel bij instinkt gevoelt, dat de eerste stap op den weg onzer beschaving voor hem tevens de eerste stap is naar zijn physieken en zedelijken ondergang.

Kolonel Stevens, die van zeer nabij met de indiaansche zeden en levenswijze bekend is, werd door de regeering naar de zoogenoemde vlakte gezonden, om voor de indiaansche opperhoofden een aantal steenen huizen bladzijde 50te bouwen, die als lokaas moesten dienen om hunne stammen tot onderwerping te bewegen. Na verloop van zes maanden waren al die huizen, voor eenige vaatjes whisky, in handen van blanken overgegaan. Slechts één voornaam opperhoofd, Lange-Antilope, had zijn huis nog behouden; en Stevens ging hem een bezoek brengen, meenende dat hij nu inderdaad een opperhoofd gevonden had, van wien iets meer mocht worden verwacht dan van zijne stamgenooten. Hij vond Lange-Antilope, zijn pijp rookende, in eene tent, nabij het venster zijner woning opgeslagen.

“Waarom leeft gij in eene tent, Lange-Antilope, daar gij toch een goed huis hebt?” Lange-Antilope grinnikte en antwoordde:

“Het huis goed voor het paard, niet goed voor een krijgsman.... ugh.”

Stevens trad de woning binnen, en vond inderdaad het paard van Lange-Antilope in de eetkamer staan.

De kolonel, die mij dit zelf verhaalde, voegde er bij:

“Nooit zal een volbloed Indiaan zich met de gedachte aan een huis verzoenen. Hij begrijpt de beteekenis daarvan niet. Gij kunt hem nooit aan zijn verstand brengen, dat eene vaste woning te kiezen, nog iets anders beduidt dan zijne schouders met een warme deken in plaats van met een beestevel te omwikkelen, van de agentuur brood te ontvangen, in plaats van te gaan jagen, en zijn tijd te verdoen met rooken en drinken, in plaats van met skalpeeren.

—Zijt gij dan van meening, dat de volbloed Indianen onvatbaar zijn voor beschaving?

—Mij is geen voorbeeld bekend van een echten Indiaan, die zich op eenig handwerk of bedrijf heeft toegelegd. Hij is van nature jager en krijgsman; de aanraking met een spade of ploeg zou zijne adelijke handen besmetten. Met de mestiezen is dit anders: van hen mag men, ondanks den nadeeligen invloed van het wilde bloed, dat door hunne aderen stroomt, betere dingen hopen en verwachten: in den regel toch hebben zij een blanke tot vader.”

Texas is niet volkomen een model-land; uit het oogpunt van openbare orde en veiligheid blijft er nog zeer veel te wenschen over; niettemin is in Texas, sedert den oorlog, een neger even zoo goed een burger als ieder ander. Hij heeft politieke rechten, hij brengt zijn stem uit, verschijnt als getuige voor het gerecht, is lid van de jury, zendt zijne kinderen naar school. Hij bezit eigendom en bekleedt een ambt. In één woord, hij is de gelijke van den blanke, voor zoo ver het van de wet afhangt, die gelijkheid te vestigen.

Hier stuit de roodhuid op een onoplosbaar raadsel. Waarom geeft de Groote Vader in Washington, die aan de Indianen de landen en wouden ontneemt, hun, in ruil voor andere landen en wouden, bij plechtig verdrag geschonken, om die, overeenkomstig het aloude gebruik te bezitten “zoolang het zaad groeit en het water stroomt;—” waarom geeft hij aan den zwarte zoo vele en groote voorrechten, dat hij overal de gelijke en op vele plaatsen de meerdere van den blanke is? Het antwoord op die vraag kunnen zij niet vinden.

Te Taliquah, het voornaamste kamp van de natie der Cherokees, verschijnt een klein nieuwsblad, dat door een Indiaan van gemengd bloed wordt uitgegeven. Ik ontleen daaraan het volgende, dat vrij volledig het standpunt weergeeft, waarop een beschaafde Cherokee zich ten aanzien der Indianen-kwestie plaatst.

“Als volk genomen, zijn wij nog niet rijp voor het amerikaansche staatsburgerschap. Niet omdat wij niet verstandig, niet eerlijk of niet arbeidzaam genoeg zijn, of omdat het ons te zeer aan die onmisbare eigenschappen ontbreekt, die overal den mensch de vrijheid waardig maken; maar wij zijn onbekend met en onervaren in die kunst van bedrog en misleiding, waarvan de aanwending tegenover de eenvoudigen en onergdenkenden door de vrijheid, indien al niet wordt aangemoedigd, dan toch gewis veroorloofd, als een onvervreemdbaar recht, omdat het ieder behoort vrij te staan, bedrieger of bedrogene te zijn.”

Als antwoord op deze beweering eener onoverkomelijke scheiding tusschen de roode en de blanke republiek in Amerika, heeft eene maatschappij van blanken den bouw ondernomen van eene stad, een grenspost, van waaruit zij voornemens zijn in het grondgebied der roodhuiden door te dringen om dat gaande weg in bezit te nemen.

De afstand van Caddo naar de Red-River bedraagt dertig mijlen. Nabij den oever der rivier is eene open plek in de jungles gemaakt, en op de lokale kaarten draagt die ruimte den naam van Red-River-City (stad der Roode Rivier); maar tot heden is hier geen enkel gebouw, geen landingsplaats, geen hut of kroeg zelfs, te zien. De stad bestaat uit eene doorgraving in de rotsen en het geraamte van een brug. Red-River-City is zelfs niet het schaduwbeeld eener stad, met denkbeeldige pleinen en straten, zoo als die doodgeboren lusthoven langs de baai van San-Francisco, die nog altijd uitzien naar den “goeden tijd.” De Chickasaws en de Choctaws zijn nog te dicht in de nabijheid. Mettertijd mag hier eene stad verrijzen, tegenover het grondgebied der Chickasaws; maar dan moeten de roodhuiden eerst hebben opgehouden in stammen te leven, hun land gemeenschappelijk te bezitten, en aan de bevelen van despotieke opperhoofden te gehoorzamen.

Daar niettemin de behoefte aan eene stad op de grenzen word gevoeld, niet alleen in het belang van den lokalen handel, maar ook voor de veiligheid van en de gemeenschap met eene lange reeks van indiaansche posten, daaronder begrepen Fort Sill, Port Griffin en Fort Richardson, werd last gegeven tot het bouwen eener stad, en werd deze ook werkelijk gebouwd.

Op vijf mijlen afstands van de brug over de Red-River, vond kolonel Stevens, ingenieur van de spoorwegen van Texas en Kansas, een geschikter en veiliger plaats. De kolonel (in wiens gezelschap ik het voorrecht geniet deze streek te bezoeken) is iemand van zeer rijke ondervinding ten aanzien van de zeden en levenswijze der wilden. Niemand kent beter dan hij de roodhuiden, of het land waarin zij leven. Nadat tot het bouwen eener grensstad was besloten, koos hij zorgvuldig de plaats, daar hij niets aan het toeval wilde overlaten. Eene wijde, zacht bladzijde 51glooiende prairie, met een bosschage van oude eiken, trok zijne aandacht; en bevindende dat de vlakte werd besproeid door eene murmelende beek, de samenvloeiing van een aantal bronnen, nam hij de plek nauwkeuriger op. Hier en daar verhieven zich enkele rotsen; buiten het eikenboschje stonden, in het open veld, nog eenige afzonderlijke boomen in het rond verspreid. De grond der omringende vlakte was zeer vruchtbaar en uitnemend geschikt voor de kultuur van katoen, rijst en maïs.

Een vel papier werd voor den dag gehaald, en daarop het plan eener stad geteekend, met straten, pleinen, wegen en spoorbanen. Het eikenboschje bleef onaangeroerd, en zou voor openbare wandelplaats dienen. Ook eene school werd niet vergeten. De aanstaande stad kreeg den naam van Denison, en er werd een dag bepaald voor den verkoop der perceelen gronds. Aan de eerste koopers gaf Stevens de verzekering, dat daar een spoorwegdepot zou worden aangelegd. Denison zou de voorraadschuur en marktplaats zijn van de forten Richardson, Griffin en Sill, die door een telegraafdraad onderling en met de stad zouden verbonden worden. IJskelders, slachthuizen en werktuigen voor het persen der katoen zouden al spoedig volgen. Door deze beloften en toezeggingen moesten koopers voor de grondstukken worden aangelokt; en daar de spoorwegen in engelsche handen zijn, en de beloften werden gedaan met een beroep op engelsche goede trouw, hielden de Joden, die van Dallas en Shreveport kwamen om een kijkje te nemen, zich overtuigd dat de fortuin van die stad was gemaakt.

Weldra zag men loodsen en schuren verrijzen. Maar timmerhout ontbrak: het eikenhout is te hard, en het land der gele pijnboomen ligt een goede honderd mijlen ver. Niettemin werd er spoedig hout aangevoerd. Vernemende, dat er zich eene nieuwe markt geopend had, zonden drie firma's van houthandelaars in Saint-Louis gansche ladingen planken en balken naar Denison-City: die planken en balken moesten een reis doen van omstreeks zeshonderd mijlen per spoor. Eener goede markt ontbreekt het zelden aan aanvoer; en toen de houthandelaars vernamen dat er gebrek was aan timmerhout in Denison, zonden zij gansche ladingen derwaarts, ofschoon de naam van Denison-City op geene enkele kaart of in geen enkel handboek te vinden was. Het werk ging vlot van de hand. Nelson-huis werd onder dak gebracht; voor Adams-huis werden de grondslagen gelegd; kleine woningen verrezen hier en daar. Negers van Caddo en Veneta, Joden van Dallas, Shreveport en Galveston, benevens vagebonden, spelers, schacheraars en gelukzoekers van elke hemelstreek, stroomden naar de stad. Een herberg, een verkoophuis, een danshuis werden aldra geopend. Binnen zes maanden telde Denison eene bevolking van duizend zielen, van allerlei kleur en geloofsbelijdenis, en was het door geheel den omtrek beroemd als de vroolijkste stad in gansch Texas.

Er zijn nu ter nauwernood acht-en-twintig maanden verloopen, sedert kolonel Stevens den platten grond zijner stad op het papier teekende, en Denison telt tegenwoordig reeds eene bevolking van vierduizend-vijfhonderd zielen. Het spoorwegdepot beslaat een vierde van de oppervlakte der stad; en nabij dit depot bevinden zich twee groote ijskelders, benevens slachthuizen, de katoenpers, vier kerken, vijf herbergen en een onnoemlijk aantal speelhuizen.

Denison mag zich reeds beroemen op een mayor, acht aldermen, “allen eerlijke demokraten,” een recorder (officier van justitie), die “de schrik der boosdoeners” is, en een kamer van koophandel. Op onze wandeling door de stad, werd mijne aandacht getrokken door een vrijmetselaarsloge en een paar andere clubs en societeiten. Maar de trots van Denison is bovenal de school, een gebouw van rooden baksteen, in dien eigenaardigen amerikaanschen tudor-stijl, die in de zuidelijke Staten zoo algemeen is. Dit gebouw kostte vijf-en-veertigduizend dollars, die tot den laatsten cent gevonden werden uit leeningen in Engeland gesloten. Wat wonderlijke uithoeken der wereld worden al niet door het engelsche goud bevrucht!

Blijft Denison zoo vooruitgaan, dan bestaat er kans dat de geldschieters hun geld terug krijgen, en dat zij bovendien de zelfvoldoening zullen smaken, van mede arbeiders te zijn geweest aan een goed werk.

Met hare ruwe, luidruchtige, ongebonden bevolking, mag Denison inderdaad aanspraak maken op den naam vau eene “vroolijke stad”. Er wordt hier zeer sterk gedronken. Het is heden Zondag; niettemin zijn de herbergen geopend, en hoort men overal het rollen van biljardballen. Opzichtig gekleede vrouwen drentelen door de straten, en half-dronken kerels twisten over hunne vertering in de kroegen. En toch wordt ge telkens herinnerd aan de vrije natuur, aan het bloeiende veld. De hoofdstraat is met boomen beplant; in de straten rechts en links stoot ge nog telkens op boomstronken. Op de binnenplaatsen staan antilopen aan palen gebonden; runderen wandelen heen en weder, en leggen zich rustig neder voor de deuren. Meisjes gaan water putten in de beek; half ongetemde paarden rennen en draven door ruime grasvelden.

Naar het uiterlijke te oordeelen, moet de bevolking dezer grensstad voor de helft uit negers bestaan. Nergens is een enkele Chickasaw of Choctaw te bespeuren; geen enkele roodhuid woont te Denison; toch is Denison nog iets anders dan enkel een voorraadschuur voor Fort Sill en eene wijkplaats voor vrijverklaarde slaven. Het is een kamp en voorpost van de vijanden der roodhuiden.

Ettelijke dagen na mijne aankomst in Amerika, bevond ik mij op een stoomboot op den Potomac, en teekende in een der morgenbladen enkele zinsneden aan, waarvan ik mij voorstelde, later gebruik te maken. Een der passagiers dit ziende, kwam naar mij toe, en zeide:

“Gij zijt waarschijnlijk een correspondent van een der dagbladen van New-York?

—Neen, mijnheer; ik ben een reiziger uit het oude moederland.

—Ha! een Engelschman! Kent gij Ulysses S. Grant?

—Ik heb de eer.

—Kunt gij mij dan ook zeggen wat hij met de Indianen doen wil? Ik ben geboortig uit Texas, en bladzijde 52vertegenwoordig de Spread Eayle (Zwevende Arend.) Gij hebt toch wel gehoord van de Spread Eagle?—Niet? Dat is vreemd!—Wel, ik ben naar het Oosten gekomen om te onderzoeken wat de President zich voorstelt te doen met het indiaansche grondgebied. Als hij het land wil openstellen, wij staan gereed voor de deur. Geheel Denison zal de Red-River oversteken; Caddo ligt dichter bij Fort Sill dan Denison, en zou beter geschikt zijn als voorraadschuur en wapenplaats. Een paar woorden per telegraaf, zooals “Vooruit maar”—en binnen een week zijn er tienduizend man te Denison, te Caddo, te Limestone-Gap. Dat land, mijnheer, is de tuin van Amerika. Als Ulysses S. Grant ons maar een teeken wil geven, dan zal het niet lang meer duren of onze paarden staan aan de oevers van den Arkansas.”

Ik vrees dat die journalist gelijk heeft. Vijf jaar nadat het indiaansche grondgebied voor het kapitaal en den arbeid der blanken zal geopend zijn—en dit moet eenmaal onvermijdelijk geschieden—zullen de Creeks en Cherokees in Oklahoma evenmin een duim gronds meer bezitten als thans in Massachusetts en New-York.


Eene katoenplantage.

XVI.

De golf van Mexico.—Louisiana.

Met het aanbreken van den dag verlaten wij de haven van Galveston, en dra verliest zich ons vaartuig in een dichten, goudgelen nevel, die de lage kust van Saline-Pass en het omringende landschap aan onzen blik onttrekt. Zacht wiegelen wij op de lange golven van den Atlantischen-Oceaan. Een troep sneeuwvogels volgen fladderend ons spoor, en rijzen en dalen in hun bevallige vlucht om hunne prooi te grijpen. Over alles, menschen en dingen, ligt eene zekere tropische matheid uitgespreid.

Naarmate de zon zich boven de kimmen verheft, trekt de nevel weg; en door den doorzichtigen sluier heen, zien wij langs de kust rijen van cypressen en katoenboomen, waarvan de wortels zich verliezen in poelen en moerassen, en waarvan de takken zijn behangen met een vuile parasietplant, het akelige en onheilspellende dusgenoemde “spaansche mos”.


Gezicht op Nieuw-Orleans.

Ons schip, tusschen Indianola in Texas en Brashear in Louisiana laveerende, vaart voorbij twee der rijke Golfstaten, en verbindt de haven van Galveston met den Mississippi en Nieuw-Orleans. Er zijn maar weinig inboorlingen, hetzij Mexikanen of Amerikanen, aan boord. De passagiers, zoowel als de bemanning, zijn voor het meerendeel Schotten en Engelschen; want de havens en binnensteden in Texas zijn bijna allen met engelsch geld gebouwd, en ook aanvankelijk door engelsche familiën bevolkt. Het is ook hier weder de oude geschiedenis. Wie stichtten de volkplantingen van Virginia en Massachusetts? Wie bevolkten Georgië, bladzijde 54Pennsylvanië, Maryland? Wat de negentiende eeuw aanschouwt aan de golf van Mexiko, dat zag de zeventiende te Saint-Jamestown en Plymouth-Rock. Deze voortdurende toevoer uit het moederland is de voornaamste steun van het blanke Amerika. In eene eeuw is de blanke bevolking van Amerika, van omstreeks drie millioen, geklommen tot ruim dertig millioen. Wie kan zeggen, dat het zwarte ras, ook na zijne bevrijding, in gelijke mate zal vermenigvuldigen? Daar schijnt veeleer alle grond om het tegendeel aan te nemen. De blanken ontvangen voortdurend toevoer uit Europa; de negers daarentegen ontvangen geen toevoer uit Afrika. De eene macht wast telkens aan, de andere slinkt weg. En toch, wat noodlottigen, verderfelijken invloed oefent dit lagere en wegsmeltende element van het menschelijk geslacht hier niet uit! Geheel Amerika lijdt daardoor, in al zijne deelen; vandaar, verdeeldheid tusschen broeders en broeders, kamp tusschen Noord en Zuid, haat, verbittering en geweld. De geëmancipeerde neger is vooral geen minder geducht struikelblok, geen minder invretende kanker in het leven der republiek, dan weleer de negerslaaf.

De vraag:—“Wat moeten wij, bij de voortgaande ontwikkeling van vrijheid, verlichting en beschaving, aanvangen met die rassen, op onzen grond levende, en die ten aanzien van vrijheid, verlichting en beschaving toch op den allerlaagsten trap staan?”—deze vraag heeft bereids een derde deel van Amerika in het verderf gestort, en de volvoering der edele taak, door de engelsche pelgrimvaders aan de republiek nagelaten—de grondvesting van vrije staten in dit werelddeel—tot eene nog niet te berekenen toekomst verschoven.

“In het Zuiden geboren, en gewoon de slavernij te beschouwen als eene maatschappelijke en huiselijke instelling, ben ik steeds van meening geweest dat de slavenkwestie een voorbijgaand euvel was,” zegt een medepassagier, nevens mij op het achterdek gezeten.

—Een voorbijgaand euvel? Meent gij dat die kwestie van zelve zou zijn opgelost?

—Ja, buiten eenigen twijfel.

—Zonder burgeroorlog?

—Ja zeker, zonder burgeroorlog. Ik ga verder. Als wij de kwestie in haar geheel beschouwen—dat wil zeggen, letten zoowel op den toestand van den vrijen neger als op dien van den slaaf;—dan beweer ik, dat het probleem, zonder den burgeroorlog, spoediger zou zijn opgelost. De Vereenigde-Staten zouden dan niet verdeeld en verscheurd zijn geworden door eene zwarte en eene blanke ligue. In vollen vrede, en door zedelijke middelen, zou de zedelijke emancipatie zijn tot stand gebracht, met medewerking van alle brave en weldenkende lieden. De militaire emancipatie overviel ons op het onverwachst, midden in een heftigen oorlog, en ontketende, in bitteren wrok, enkele van de snoodste hartstochten in het menschelijk hart. Wat heeft de oorlog uitgewerkt?

—Hij heeft de slavernij vernietigd.

—Pardon:—de oorlog heeft de vrijheid vernietigd. Waar is de republiek nu? Wat is er geworden van dat gemeenebest, het gedroomde ideaal van Franklin, door Washington ons nagelaten? Hebben wij het te zoeken in Nieuw-Orleans, in Vicksburg, in Richmond? Wat rest ons van onze zoo hoog geroemde plaatselijke autonomie, ons zelfbestuur, waarop wij zoo trotsch waren?”

Met het krieken van den dag uit mijn kooi springende, en door het venster mijner hut kijkende, zie ik in de verte eene strook lands, met een rij hooge boomen, behangen met het sombere, doodsche spaansche mos. Maar wat is dat? Een witte zandbank ligt bloot en droog onder de schroef der boot! Zitten wij aan den grond? Is die witte vogel daar eene kraan? Zijn wij inderdaad nog in zee?

Boven komende, zie ik dat wij door een kanaal stoomen, door middel van boomstammen-palissaden afgebakend. Dit kanaal, zeven mijlen lang en twaalf voet diep, loopt tusschen het eiland Marsh en de moerassen van Terre-Bonne, langs de oevers van de Atchafalaya. Op den oostelijken oever dier rivier ligt de haven van Brashear, die haar ontstaan en opkomst dankt aan de noodzakelijkheid om, na de kolonisatie van Texas, een korter en veiliger gemeenschap te openen tusschen Galveston en Nieuw-Orleans, dan de weg over Passe-à-Loutre. De reis werd daardoor voor de helft verkort. Per as en per boot kan men nu in iets meer dan vier-en-twintig uren van Galveston naar Nieuw-Orleans gaan.

Wij zijn te Brashear. Hebben wij hier land of water? Het is eene mengeling van modder en slijk, poelen en goten, slooten en grachten: een akelig ongezond moeras, een kweekplaats van de koorts, aan drie zijden door jungles en kreupelhout omgeven, waarin iedere boom met spaansch mos is overdekt. Dit spookachtige, muisgrauwe gewas hangt in webben en kluwen van alle takken.

“Let op deze plant, zeide mij een bewoner van Brashear, die mij de merkwaardigheden der plaats toonde. Zoodra gij haar ergens ontmoet—verwijder u dan, zoo snel uw paard loopen kan. Wij noemen haar koorts-mos. Haar tegenwoordigheid is een onfeilbaar teeken, dat de lucht vol is van miasmen en koorts.

—De plant schijnt toch zeer algemeen verspreid; ik heb haar overal langs de Golf ontmoet.

—Langs deze Golf zijn ziekte en dood ook zeer algemeen verspreid. Dit mos groeit in elk moeras en in elken poel, langs alle meeren en baaien. Gij vindt het in oostelijk Texas en zuidelijk Louisiana, in westelijk Florida, en langs de oevers der binnenwateren van Alabama.”

Deze leelijke, walgelijke, stinkende woekerplant is zoo goed als onbruikbaar. De negers trekken haar uit en begraven haar in den grond. Na verloop van tien of twaalf dagen, is de stank verdwenen; dan delven zij de plant weder op en drogen haar in de zon; daarna gebruiken zij haar, in plaats van stroo, om matrassen en hoofdkussens te vullen. Naar men zegt, slapen de negers bij voorkeur op dit gedroogde koorts-mos.

Brashear is eene kolonie van negers, en een van de bolwerken der zwarte Ligue. Met uitzondering van een twaalftal beambten bij de verschillende stoombootdiensten en spoorwegen, zijn er geen blanken in Brashear te vinden. Op den drempel van elke woning bladzijde 55staat een neger; in elke goot stoeien zwarte kinderen. Kroegen, biljardkamers en loterijkantoren zijn opgevuld met negers, meest allen met de dikke lippen, het wollige kroeshair, de breede aangezichten en de pikzwarte huid hunner afrikaansche voorouders.

Een enkele blik in de straten en stegen van Brashear is voldoende om u te overtuigen, dat, in tegenstelling met Texas, Louisiana een land is, waar carpet-baggers en scalawags 1 alle kans hebben om eene meerderheid van stemmen aan hun zijde te krijgen. Daar elke neger rechtens burger, en elke burger kiezer is, kan niemand die zwarte menigte verhinderen, zoo haar dit goeddunkt, zwarte wetgevers te kiezen en een negerwetboek uit te vaardigen. Vereenigd, zijn zij onweerstaanbaar, en kunnen zij alles doordrijven wat zij willen. Zij kunnen een neger tot sheriff, een anderen neger tot rechter kiezen, en langs wettigen weg in Amerika de bekende “gebruiken” invoeren van Yam, Dahomey en Addai. Het afrikaansche brein is beperkt van begrip.

In Louisiana hebben de negers, bij de verkiezingen, ongetwijfeld de meerderheid, al is die meerderheid ook niet groot. Zij willen dan ook dat de meerderheid der leden in de Kamer uit negers besta, en de regeering op op hun hand zij. Zij worden geholpen en gesteund door federale troepen. Hun kandidaat William P. Kellogg is door den President Grant erkend als gouverneur van Louisiana.—En toch, let eens op den trein, die ons naar Nieuw-Orleans brengt! Volgens de wet staat de neger geheel gelijk met den blanke; de spoorwegmaatschappij past op hem hetzelfde tarief toe als op den blanke. Wordt hem nu ook het meest eenvoudige recht vergund, en mag hij plaats nemen in elken wagen, dien hij verkiest? Volstrekt niet. Een iersch matroos, een amerikaansche marskramer mogen gaan zitten waar zij willen; maar een man of vrouw van afrikaansch bloed niet alzoo. Zijn vriend, de carpet-bagger, kan hem wel het stemrecht bezorgen, maar niet eene plaats in den spoorwagen. Hier regeeren de dames. De dames nu zijn allen conservatief, dat wil zeggen tegen de gelijkstelling der negers; en in Amerika kan niets gedaan worden, zoodra de vrouwen er zich tegen verzetten. De zwarten worden dan ook opeen gepakt in den voorsten wagen, vlak achter de lokomotief, waar zij half stikken van den rook, die hun de oogen verblindt. Sommigen zijn er niet minder vroolijk om; anderen mokken; maar ondanks hunne bij uitnemendheid ongeriefelijke plaats, komt het niemand hunner in de gedachten, in een der andere wagens plaats te nemen.

“Mengt zich nooit een neger in uw gezelschap? vraag ik aan een reiziger.

—Nooit! antwoordt hij, terwijl een verachtelijke glimlach om zijne fijne, aristokratische lippen speelt. Een neger plaats nemen tusschen onze vrouwen en zusters!

—Heeft hij daar dan geen recht toe?

—Voor zoover wetten en reglementen hem recht geven kunnen,—ja. Maar hij kent zijne plaats veel beter dan de scalawags. Als wij slechts van Kellogg en zijne kliek verlost waren, zouden wij met de zwarten geen moeite meer hebben. Zij kennen ons, en wij kennen hen. Het was een misdaad, hun stemrecht te geven; maar wij zouden het met de zwarte kiezers wel weten te vinden, als de federale troepen slechts werden teruggeroepen.

—Zijt gij niet bang voor hunne meerderheid?”

—Neen, volstrekt niet; mits slechts geen militaire chef zich aan het hoofd dier meerderheid stelt. Wat wij bovenal hebben te duchten, is het caesarisme:—de regeering van den sabel, die alle beginselen van recht en vrijheid met voeten treedt. Waarom, met welk doel, heeft men, bij voorbeeld, generaal Sheridan naar Nieuw-Orleans gezonden?”

Na een oogenblik zwijgens, terwijl ik aan mijne gedachten den vrijen loop liet, vervolgde hij: “Wie weet of wij, in de stad komende, haar niet in staat van beleg zullen vinden; misschien wel, de straten rookende van burgerbloed, de openbare gebouwen in vlammen...?”

Saint-Charles! Achttien mijlen van Nieuw-Orleans! Nog een uur sporens! Wij werpen een vluchtigen blik op het landschap, terwijl vijvers en moerassen, ceders en palmen ons in haastige vaart voorbij glijden. Maar het is ons niet mogelijk, onze aandacht te schenken aan hetgeen het landschap ons te aanschouwen geeft. Een prachtig oranjeboschje, stralende in den purperen goudglans der rijpe vruchten, mag een onwillekeurigen kreet van bewondering ontpersen; maar ook de kalmste en bedaardste onder ons kan zijne ontroering niet bedwingen, want wij weten dat, elke wenteling der rennende raderen ons nader voert tot het tooneel van een ernstigen strijd, waarop de oogen van veertig millioen burgers, in hartstochtelijke beweging van hoop en vrees, gevestigd zijn.

President Grant beweert dat er “regeeringloosheid in Louisiana heerscht.” Niemand twijfelt daaraan; maar generaal Mac-Enery en de blanke burgers beweeren dat deze heerschappij der regeeringloosheid door Grant zelven werd gevestigd, en nog in zijn eigen belang voortdurend in Nieuw-Orleans wordt staande gehouden. Deze “heerschappij” dagteekent van nu twee jaar geleden: zij begon met een telegram, aan Stephen B. Paekard gericht, en aldus luidende:

Washington. Departement van Justitie, 3 Dec. 1872.

“Gij moet de besluiten van de Hoven der Vereenigde-Staten doen uitvoeren, onverschillig wie zich daartegen verzet; generaal Emory zal tot dat einde de noodige troepen tot uwe beschikking stellen.

George H. Williams.

Prokureur-generaal.”

bladzijde 56

Dit telegram was een raadsel. Stephen B. Packard is een carpet-bagger, dien de President naar Nieuw-Orleans heeft gezonden, bekleed met de waardigheid van maarschalk der Vereenigde-Staten.2 Generaal Emory is belast met het militair kommando in het departement der Golf. Maar wie waren de vijanden, die de maarschalk Packard en de generaal Emory hadden te bestrijden? Tegen geene enkele uitspraak van de Hoven der Vereenigde-Staten was men te Nieuw-Orleans in verzet gekomen; ook verwachtten die Hoven zelven geenerlei verzet. De rechter Durell, de eenige federale magistraat in Louisiana, had nimmer eene klacht ingediend. Waarom werd dan een ondergeschikt beambte, zooals Packard, door den prokureur-generaal, den wettigen raadsman van den President, aangemaand, de militaire macht te hulp te roepen om uitvoering te geven aan de uitspraken van dien rechter?


Eene straat te Nieuw-Orleans bij eene verkiezing.

Naar men vermoedde, had President Grant, met bladzijde 57het aannemen van deze gedragslijn tegenover Nieuw-Orleans een dubbel oogmerk: vooreerst, wilde hij zich van de meerderheid der stemmen van Louisiana verzekeren voor zijne herkiezing als President; ten tweede, wilde hij zijn schoonbroeder, James B. Casey, tot lid van den Senaat voor dien staat doen benoemen. Voorzeker kon, ter bereiking van deze beide oogmerken, een gewetenlooze President gebruik maken van het federale leger; maar de rechter Durell deed zijn best om zijn vriend Norton tot senator te doen verkiezen, en zou dus zeer waarschijnlijk de kandidatuur van Casey niet bevorderen. Noch de gouverneur Warmoth, noch de generaal Mac-Enery konden de bedoeling van dien geheimzinnigen last raden. Tegen wien moest Packard de federale troepen doen oprukken? De tijd zou het raadsel oplossen.


Generaal Sheridan.

Stephen B. Packard ontving zijn telegram des Woensdagsavonds. Den volgenden avond reeds werd hij, om belangrijke zaken, bij Durell ontboden. Billings, een prokureur en zaakwaarnemer van de scalawags, zat bij Durell aan tafel, en schreef een lastgeving, waarvan de inhoud door den rechter aan zijn bezoeker werd medegedeeld. Packard moest troepen ontbieden, het Statenhuis (de vergaderzaal der Kamers van den staat) bezetten, en niemand den toegang tot dat gebouw vergunnen. Te Nieuw-Orleans is het Statenhuis of Kapitool tegelijk de zetel van het uitvoerend bewind en van de wetgevende macht. Packard moest verder den gouverneur verdrijven, zich van de archieven meester maken, en de deuren sluiten. Nadat Durell het door Billings geschreven stuk had onderteekend en aan Packard ter hand gesteld, spoedde deze laatste zich naar de kazernen, liet eene kompagnie soldaten onder de wapenen komen, en bezette daarmede, in het holst van den nacht, het Kapitool.

De wettigheid van deze handeling zal zeker wel door niemand, zelfs niet door President Grant, worden beweerd. Intusschen kreeg Durell zijn loon. Casey zag van zijne kandidatuur af; hij trok zich uit den strijd terug en gaf de voorkeur aan de winstgevende betrekking van collecteur (ontvanger der belastingen), terwijl Durell's vriend Norton, in een der graafschappen, bladzijde 58door de scalawags kandidaat werd gesteld.

Generaal Warmoth, gouverneur van Louisiana, een gematigd, vreedzaam man, was aan de beurt van aftreding; eene poging om hem te doen herkiezen, was mislukt. Om het gouverneurschap on onder-gouverneurschap streden vier kandidaten: aan de eene zijde de generaals Mac-Enery en Penn, twee gunstig bekende officieren; aan de andere, William P. Kellogg, een rechtsgeleerde uit Illinois, en Cesar C. Antoine, neger en pakkedrager van beroep.

Na afloop der verkiezingen schreven de beide partijen zich de overwinning toe; en zoo lang de Kamers niet bijeen waren, kon niemand zeggen wie eigenlijk de zege had behaald. De zaak zou misschien aan de beslissing van het Hooggerechtshof van Louisiana moeten worden onderworpen; maar daar de gouverneur Warmoth nog gedurende zes of zeven weken in functie zou blijven, was er overvloedig tijd om de stemmingslijsten te onderzoeken, voor dat Louisiana zonder wettigen gouverneur en zonder regelmatig bestuur zou zijn. Mac-Enery was bereid te wachten op de bijeenkomst der Kamers; maar Kellogg durfde zich niet te verlaten op eene Kamer, waarin Warmoth den voorzittersstoel zou bekleeden: zijne handelingen riepen het tijdperk der anarchie in het leven.

William Pitt Kellogg, een advokaat zonder praktijk, had Illinois verlaten om zijne fortuin te beproeven te Nieuw-Orleans. Honderden zijner landgenooten, den koesterenden zonneschijn aan de Golf verkiezende boven den ijzigen nevel van het meer Michigan, doen hetzelfde. Hij kwam te Nieuw-Orleans met een reiszak (carpet-bag), een gladde tong, en een behoorlijke dosis “gevoel.” De befaamde John Brown was zijn held; en geleid door den “geest” van dien zoogenaamden martelaar der emancipatie, wist hij het aldra zoo ver te brengen, dat hij door de stemmen der negers in den Senaat van Louisiana werd gebracht. Schraal en mager van gestalte, vulgair en kruipend van manieren, in kleeding, voorkomen en taal den vrome uithangende, wist hij niet alleen de harten der negers te winnen, maar ook de aandacht van de leiders der republikeinsche partij in Washington op zich te vestigen, als op iemand, die uitnemend geschikt zou zijn voor de uitvoering hunner plannen. Kellogg was druk bezig te intrigeeren om tot senator voor Louisiana te worden benoemd, toen de nog schitterender en vooral winstgevender betrekking van gouverneur zijne aandacht trok. Deze betrekking is per jaar achtduizend dollars in goud waard; de gouverneur van Louisiana is, na dien van Pennsylvanië, de hoogst bezoldigde in geheel de Vereenigde-Staten: bovendien brengen zijne emolumenten van allerlei aard hem nog wel het dubbele van zijn officiëel salaris op. Als de gouverneur gaarne spoedig fortuin wil maken, en, naar amerikaansche wijze, niet al te kieskeurig is ten aanzien der middelen, dan staan in het rijke en handeldrijvende Nieuw-Orleans bijna onuitputtelijke hulpbronnen te zijner beschikking. Naar men verzekert, heeft de gouverneur Warmoth op het Statenhuis zijn fortuin gemaakt.

De prijs was dus alleszins begeerlijk; maar Kellogg had al zijn kracht en al zijne behendigheid noodig om dien machtig te worden. Behalve in aantal, waren zijne tegenstanders in elk opzicht ver boven zijne vrienden en aanhangers verheven. Mac-Enery en Penn waren mannen van stand, vermogen en goeden naam, die konden rekenen op den steun van elken burger van Nieuw-Orleans en van elken planter van Louisiana. Kellogg was een vreemdeling in de stad, met geen andere bondgenooten dan de scalawags, de negers en de federale troepen.

Van den gouverneur Warmoth had hij niets te hopen. Warmoth trachtte een middenweg te vinden; even als Kellogg, is ook hij een vreemdeling; hij ook had zijne aanhangers, en behoefde zich niet door eene eerste nederlaag te laten afschrikken. Als gouverneur had hij de stemmingslijsten in bewaring. Het was zijn plicht, de Kamers bijeen te roepen; zonder zijne onderteekening had geen wet eenige kracht. In geval noch Mac-Enery noch Kellogg de wettigheid hunner verkiezing konden bewijzen, moest Warmoth, thans de wettige gouverneur, zijne functie blijven waarnemen tot er eene nieuwe verkiezing was gehouden, die dan andermaal moest worden onderzocht en goedgekeurd. Wie weet, welke kandidaten het dan winnen zouden? In ieder geval bood zich voor hem eene nieuwe kans aan.

Niet gezind den gouverneur te vertrouwen, en nog minder om zijne benoeming te onderwerpen aan de beslissing van eene Kamer, door den gouverneur bijeengeroepen en gepresideerd, belegde Kellogg eene vergadering van zijne aanhangers. Het was Zaterdagmorgen: des Maandags zouden de Kamers bijeenkomen. De Kamer zou dan, onder leiding van Warmoth, overgaan tot het onderzoek der geloofsbrieven, en zou zeer waarschijnlijk de vraag, wie der beide kandidaten, Mac-Enery of Kellogg, wettig gekozen was, onderwerpen aan de beslissing van het Hooggerechtshof. Kellogg was al even bang voor de rechters als voor de senatoren. Maar hoe zou hij het aanleggen om beiden uit den weg te ruimen?

Billings, de gewetenlooze prokureur, die geheel in het belang der negers handelde, stelde voor, dat Cesar Antoine, de zwarte pakkedrager, gebruikt zou worden om niet alleen den gouverneur en de Kamers, maar ook de plaatselijke gerechtshoven, schaakmat te zetten. Dit voorstel werd aangenomen, en de zwarte sjouwer begaf zich naar den rechter Durell, niet in de openbare rechtzitting, maar in Durell's eigen woning. Daar legde hij den rechter een merkwaardig stuk voor, waarin deze neger, uit aanmerking dat hij, Cesar C. Antoine, hoezeer wettig verkozen tot luitenant-gouverneur van Louisiana, echter reden had om te verwachten dat hem bij de aanvaarding van die betrekking hinderpalen in den weg zouden worden gelegd, tot het Hof der Vereenigde-Staten het verzoek richtte om een bevel uit te vaardigen, waarbij aan zekere met name genoemde personen verboden werd, op eenigerlei wijze, door woord of daad of teeken, zijne wettige aanspraak op de betrekking van luitenant-gouverneur te weerstreven.

De door Billings opgemaakte lijst van personen bevatte niet minder dan honderd-vijf-en-dertig namen, met dien van den gouverneur Warmoth aan het hoofd. Daarop volgde de secretaris van staat; dan negentien bladzijde 59senatoren, meer dan honderd afgevaardigden, en al de leden zoowel van de conservatieve als van de republikeinsche commissies voor het onderzoek der verkiezingen. In één woord, deze neger verlangde van den rechter Durell, dat hij gedurende vijf volle dagen aan de uitvoerende en wetgevende macht van Louisiana de bevoegdheid zou ontzeggen om iets te doen ten nadeele van zijn beweerd recht. En inderdaad: de rechter vaardigde het bevel, in de voorgeschreven bewoordingen, uit.

President Grant handhaaft doorgaans zijn creaturen: maar zelfs President Grant heeft moeten erkennen, dat het door den rechter Durell, op verlangen van Antoine, uitgevaardigde bevelschrift niet alleen onwettig was, maar ook eene “grove fout.”

Toch werd dit onwettig bevel gehandhaafd, en werd de grove fout tot het einde doorgezet. Dit geschiedde niet in onwetendheid, en nog tot heden, nu de onwettigheid is erkend, en de grove fout door den President zelven beleden, wordt de onwettige staat van zaken met geweld in stand gehouden!

Had Durell dat ongerijmde bevelschrift niet geteekend, dan zouden de Kamers bijeen zijn gekomen en zich onder leiding van gouverneur Warmoth hebben geconstitueerd. Meer dan waarschijnlijk zouden zij de verkiezing van Mac-Enery en Penn wettig hebben bevonden; en het Hooggerechtshof van Louisiana zou ongetwijfeld die uitspraak hebben bekrachtigd. Het bevelschrift van den rechter Durell verzekerde de overwinning aan Kelloggs' aanhangers, en daarmede begon feitelijk de “anarchie.”

XVII.

Anarchie.—Reactie.

Des Maandagsmorgens verscheen Packard, met de republikeinsche geloofsbrieven in de hand en gevolgd door de federale soldaten, aan het Mechanics' Institute, in welk gebouw de Kamer zou bijeenkomen. Cesar C. Antoine, met Durell's bevelschrift gewapend, stond aan de deur, om aan te wijzen wie al dan niet mochten binnen gelaten worden. Natuurlijk werd alleen aan de vrienden toegang verleend. Dezen, in de zaal der wetgevende macht vereenigd, begrepen geen tijd met praten te moeten verliezen, want het bevelschrift van Durell gold niet langer dan tot Woensdag, en er was nog veel af te doen, eer de conservatieve leden hunne zetels weer zouden innemen.

In de eerste plaats moest de gouverneur Warmoth worden afgezet, en moest men trachten zich meester te maken van de officiëele processen-verbaal der verkiezingen. Maar hoe kon men zich den wettigen gouverneur van den hals schuiven?

Een neger, Pinchback genaamd, in de wandeling als Pinch bekend, bood, tegen behoorlijke belooning, Kellogg zijne diensten aan. Deze Pinch, een echte windbuil, was vroeger hofmeester geweest aan boord van een stoomboot, later deurwachter in een speelhuis; maar zoo als meer anderen van zijn geslacht, was hij tot de ontdekking gekomen dat de politiek een winstgevender handwerk is dan vaten te wasschen, of op te passen dat de policie de spelers niet kwam overvallen. Door een neger-distrikt tot lid van den Senaat van Louisiana benoemd, had hij, bij toeval, gedurende eenige weken ambtshalve de betrekking waargenomen van luitenant-gouverneur. Zijn mandaat was sinds lang geëindigd: maar in Amerika blijft men levenslang een titel voeren, hoe kort men dien ook werkelijk gedragen hebbe. Een professor blijft altijd professor; een luitenant-gouverneur altijd luitenant-gouverneur. Hoewel hij dus het ambt niet meer bekleedde, had Pinch nog altijd een handvat aan zijn naam.

Die man was geld waard, en Kellogg wist met hem eene schikking te treffen. Pinch zou Warmoth omverwerpen; indien hem dit gelukte, zou hij gedurende eenige dagen waarnemend gouverneur zijn, eene aanzienlijke som gelds ontvangen, en, als men zich op eene of andere wijze van Norton kon ontslaan, zou hij ook als senator naar Washington worden gezonden.

Dit alles aldus bepaald zijnde, voerde Billings den waardigen Pinch in de vergaderzaal van den Senaat, en plaatste hem, met behulp van Cesar C. Antoine, als luitenant-gouverneur op den presidialen zetel. Binnen tien minuten was, onder leiding van Pinch, de vergadering geconstitueerd. Daarop haalde hij een dokument voor den dag, door Billings geschreven, waarin de gouverneur Warmoth van verschillende wanbedrijven werd beschuldigd en zijne afzetting gevorderd. Wederom binnen tien minuten was een besluit in dien zin genomen. De federale troepen stonden gereed, onder bevel van Packard, zoodat alles met den meest gewenschten spoed kon worden afgedaan. Pinch trad nu op als waarnemend gouverneur, nam het Kapitool in bezit, maakte zich meester van het groot-zegel van Louisiana, en vaardigde eene proklamatie uit, waarin hij der wereld zijne verheffing mededeelde.

Niet dikwijls is, hetzij in de werkelijkheid, hetzij in de verdichting, het bespottelijke en ongerijmde tot zulk eene hoogte opgevoerd. Men spreekt met weerzin over de daden van Jan van Leiden, als over een treurige openbaring van menschelijke dwaasheid. De onbeschaamdheid van Sancho Panza doet ons hartelijk lachen, als eene meesterlijke schepping der satire. Maar Munster en Barataria hebben hier hun meerdere gevonden. Pinchback en Antoine in het gestoelte der eere:—dit is, als komisch effect, onovertroffen.

Warmoth weigerde natuurlijk Pinchback te erkennen; en deze laatste wist niet recht wat hem te doen stond, ofschoon hij op Packard en de soldaten rekenen kon. Generaal Warmoth stond bekend als een voortreffelijk schutter, die zonder eenig bedenken, in een tweegevecht, zijn tegenpartij zou neerschieten; het was dus voor Pinch geen zaak, hem persoonlijk te tergen. De conservatieve leden, wien de toegang tot de vergadering geweigerd was, kwamen elders te zamen, protesteerden tegen hunne uitzetting, en riepen de hulp in van Warmoth, als den wettigen gouverneur, tegen een man, die niet de minste aanspraak had op den rang, dien hij bekleedde. Kellogg wist te bewerken dat Pinch als republikeinsch kandidaat voor den Senaat zou worden gesteld. Norton trok te zijnen behoeve zijne kandidatuur in; en men hoopte dat zijne verkiezing tot senator zijne onwettige handelingen in bladzijde 60zekeren zin zou goedmaken, althans doen vergeten. Maar Warmoth bleef onverzettelijk. Pinch liep naar Packard om raad te vragen; maar Packard durfde geen raad geven. Ieder rechtsgeleerde in Nieuw-Orleans zeide hem, wat hij trouwens zelf zeer goed wist, dat het bevelschrift, waaraan hij uitvoering gaf, onwettig was. Geen enkele autoriteit erkende Pinch; en ondanks zijne onbeschaamdheid, durfde Packard geen stap verder te gaan zonder nadere machtiging van Washington.


Eene oude plantage in Georgië.

Kellogg, die niets kon doen zonder Pinch, evenmin als Pinch iets zonder Packard, riep toen de hulp in van zijn patroon, President Grant, en zond aan den prokureur-generaal Williams het volgende telegram:

Nieuw-Orleans, 11 December 1872.

“Als de President op eene of andere wijze te kennen geeft, dat hij het gebeurde erkent, dan zullen de gouverneur Pinchback en de wetgevende macht alles verder in orde brengen.”

George H. Williams is voor geen klein gerucht vervaard, en doet in vermetelheid voor niemand onder; maar hij durfde toch den President niet voorstellen om een gauwdief van een neger als gouverneur van Louisiana te erkennen, enkel omdat die gauwdief, met terzijdestelling van alle wettig gezag, zich in den zetel had weten te dringen. Evenwel, zijn bezwaar gold alleen den vorm: voor Pinch, als regeeringspersoon, kon Williams kwalijk eenige achting gevoelen; tegenover Pinch, als partijman, had hij een plicht te vervullen. Hoe zou men het aanleggen, zonder de betamelijkheid en de publieke opinie al te zeer te krenken? Men kon Pinch niet openlijk als gouverneur erkennen. Doch, daar hij de betrekking van gouverneur vervulde, kon men hem den titel geven van “waarnemend gouverneur”: op die wijze zou zijne waardigheid, hoewel niet officiëel erkend, toch stilzwijgend aanvaard worden. Williams is een meester in de onbepaalde, huichel- en nevelachtige fraseologie der kanselarijen. Den volgenden dag werd van Washington naar Nieuw-Orleans dit telegram verzonden:

Waarnemend gouverneur Pinchback, Nieuw-Orleans.

Departement van Justitie, 12 December 1872.

“Neem aan dat gij erkend zijt als het wettig uitvoerend gezag van Louisiana, en dat de vergadering in het Mechanics' Institute de wettige wetgevende macht van den staat is. Men stelt voor, dat gij in dien zin eene proklamatie uitvaardigt, en te kennen geeft dat zoowel aan u als aan de genoemde wetgevende macht de noodige hulp zal worden verstrekt om den staat tegen wanorde en geweld te beveiligen.”

Krachtens deze machtiging van het Kabinet, werd de gouverneur Warmoth afgezet, en Pinchback door de federale officieren in zijn ambt geïnstalleerd. Niettemin bladzijde 62was Pinch niet op zijn gemak, en kon dit ook niet zijn zoo lang de gouverneur Warmoth nog in Nieuw-Orleans vertoefde. Het kon gebeuren, dat die heer hem op straat tegenkwam en duchtig afranselde. Pinch had geen trek in een pak slaag; en daar hij niet alleen over federale generaals, maar ook over federale rechters kon beschikken, wilde hij eens beproeven of het gerecht hem niet van zijn geduchten vijand zou kunnen ontslaan.


De senatoren van Kellogg.

Een tweede federale rechter, Elmore genaamd, kwam te Nieuw-Orleans, en Pinch verscheen voor zijn rechterstoel met de oude aanklacht tegen gouverneur Warmoth, en met verzoek dat de gouverneur van zijn betrekking zou worden vervallen verklaard. Elmore was in dit geval geheel onbevoegd: de zaak behoorde te huis bij het Hoog-gerechtshof van Louisiana, dat in deze alleen uitspraak kon doen. Niettemin nam Elmore de beschuldiging aan, en verklaarde, zonder zelfs den beschuldigde te hooren, dat de gouverneur Warmoth als zoodanig was afgezet. Warmoth, die dit vonnis niet aannam, beriep zich op de rechters van Louisiana, en dezen beslisten, dat de handelwijze van Elmore onwettig was, en zijne uitspraak van geene waarde. Elmore wilde nochthans zijn vonnis niet herroepen, en de rechters van Louisiana daagden hem voor hunne rechtbank wegens miskenning van het hof. Hij lachte hen in hun gezicht uit, wel wetende, dat hij, even als Pinch, op het federale leger rekenen kon. Want al deze schandelijke handelingen geschiedden onder bescherming van generaal Emory, die de creaturen van President Grant trouw bijstond.

Gedurende vier of vijf weken regeerde Pinch over Louisiana. Spotters noemden hem Koning Pinch, Zijne Zwarte Majesteit, Lord Paper-Collar (papieren halsboord) en Markies van Pomade. Zij zonden hem verdichte depèches, en lieten bespottelijke besluiten drukken, met zijn naam onderteekend. Eindelijk was de tijd zijner regeering verstreken; hij gaf het Kapitool en het groot-zegel over aan Kellogg, en ontving als belooning den titel van gouverneur, en de waardigheid van senator te Washington, met al de voordeelen en emolumenten aan die hooge waardigheid verbonden.

Zijne verschijning in den Senaat, waar hij eene plaats zou innemen naast de Shermans en Wilsons, de Boutwells en Camerons, te midden der eerwaardige beschreven vaderen der republiek, verwekte een storm, die nog niet is bedaard, hoewel er op dit oogenblik (1875) twee-en-twintig maanden verloopen zijn, sinds hij zijn geloofsbrieven op het bureau deponeerde.

De Senaat benoemde eene commissie, die deze geloofsbrieven moest onderzoeken, en dus ook nazien of zij door den wettigen gouverneur waren geteekend en gezegeld. Daardoor kwam natuurlijk de geheele kwestie ter sprake. De groote meerderheid der commissie bestond uit republikeinen, die voor hunne partij eene stem zouden winnen, als Pinch word toegelaten. Maar tot deze toelating te adviseeren, was voor ernstige mannen toch niet mogelijk. De commissie kwam tot het besluit dat Kellogg geen gouverneur van Louisiana was; dat zijne handteekening geen waarde had; dat het staatszegel van Louisiana was misbruikt, en dat Pinchback geen recht had, in het Congres zitting te nemen.

Na een zeer lang en merkwaardig debat, besliste de Senaat, ondanks de eischen van het partijbelang, en overeenkomstig het voorstel der commissie, dat Kellogg niet de wettige gouverneur was van Louisiana, en Pinchback niet de wettige senator voor dien staat; tevens bepaalde dit hoogste College dat eene nieuwe verkiezing zou worden gehouden, opdat aan de heerschende anarchie op echt-republikeinsche wijze, namelijk door een plebisciet, een einde zou worden gemaakt.

Door den Senaat uitgenoodigd, eene verklaring van zijn gedrag te geven, erkende de President Grant dat de jongste verkiezing in Louisiana “een reusachtig bedrog” was geweest. Hij gaf toe aan het verlangen van den Senaat, dat eene nieuwe verkiezing zou worden gehouden om uit te maken, wie door het volk als gouverneur werd begeerd, generaal Mac-Enery of William P. Kellogg; maar hij behield zich, met het oog op de omstandigheden, de bevoegdheid voor, om het geschikte tijdstip voor deze verkiezing te bepalen. Kellogg, die zich liefst aan geene nieuwe stemming wilde wagen, werd mitsdien gemachtigd, de verkiezing voorloopig, tot gelegener tijd, uit te stellen.

Daar nu alle partijen het eens waren omtrent de nietigheid der laatste verkiezingen, was Warmoth, volgens zijn beweeren, nog steeds de wettige gouverneur, en moest hij zijne functiën blijven waarnemen, tot zijn opvolger was benoemd. Zoo betwistten twee vergaderingen en drie gouverneurs elkander de heerschappij over Nieuw-Orleans. Niemand wist aan wien hij gehoorzaamheid schuldig was: de anarchie was volkomen.3

Zeventien maanden lang zuchtte Nieuw-Orleans onder het juk van gouverneurs, die niet konden regeeren, van vergaderingen, die geen wetten konden uitvaardigen, en van gerechtshoven, die elkanders beslissingen vernietigden. Nieuw-Orleans is Louisiana, ongeveer in denzelfden zin als waarin Parijs Frankrijk is. Als Nieuw-Orleans lijdt, lijdt Louisiana, als Nieuw-Orleans herleeft, herleeft ook Louisiana. Onder het zoogenaamde bestuur van Kellogg ging zoowel het publiek krediet der stad te gronde, als de fortuin van een groot deel harer burgers.

Een uitvoerend bewind, uit negers en vreemdelingen samengesteld, tiranniseerde de stad, en verkwanselde de stedelijke goederen; een romp-parlement,4 waarin de negers, die zich geregeld hun traktement lieten uitbetalen, de meerderheid hadden, nam allerlei besluiten, waaraan alle kracht van wet ontbrak. Een troep negers, door vreemden aangevoerd, voerde, als plaatselijke policie, heerschappij over de straten en kaaien. De zwarte clubs vermenigvuldigden zich, ieder met zijne eigen geheime bladzijde 63teekens en wachtwoorden. Zoolang er nog een dollard in de schatkist te vinden was, hielpen deze vreemdelingen zich zelven en hunne aanhangers. Openbare ambten en bedieningen werden verkocht, schuldbrieven van den staat werden verschacherd en vervalscht, en eene rijke welvarende stad werd aansprakelijk gesteld voor een verarmden staat. Vreemde schuldeischers werden bedrogen, en de goede naam der burgers leed schade. De handel ging achteruit: kooplieden en kargadoors lieten hunne magazijnen en kantoren op de kaaien ledig staan; de winkelhuizen in de deftige buurten daalden tot beneden den huurprijs in waarde. De invoer stond bijna stil. De belastingen klommen met zoo verbazende snelheid, dat eigenaars van aanzienlijke huizen hunne vaste goederen aan den staat moesten overlaten. De eenige bezoldigingen welke regelmatig werden uitbetaald, waren die van Kellogg's neger-senatoren, die elke week trouw hun achttien dollars ontvingen. De onderwijzers en professoren bleven onbetaald; de scholen en colleges werden gesloten. De maatschappijen, die voor den aanvoer van drinkwater zorgden, begonnen haar levering te beperken, daar zij niet langer de verschuldigde betaling ontvingen. De ellende was algemeen, zoowel voor rijken als armen. Op sommige avonden bleven de straten donker, daar de directiën der gasfabrieken de kranen hadden afgesloten. De straten van Nieuw-Orleans zijn des nachts nooit geheel veilig, maar gedurende dit noodlottig tijdperk van anarchie nam het kwaad hand over hand toe. De policie-agenten zelven hieven schatting van alle winkels. Deze bewakers der openbare veiligheid waren van wapenen voorzien, en gewapende mannen zorgen er wel voor, dat zij geen gebrek lijden. De levensmiddelen stegen in prijs: visch werd schaarsch, vleesch was niet te bekomen. De gevangenissen en verbeterhuizen werden op de schandelijkste wijze verwaarloosd; dijken en dammen werden doorgestoken, en vruchtbare velden onder water gezet. Het onkruid woekerde alom voort; de katoenplantages verwilderden tot jungles; de dammen en wallen zakten in de rivier, de tuinen en hoven werden wildernissen. Alles, in de stad en daarbuiten, vertoonde den stempel van physieken en moreelen ondergang.

Wee over het trotsche en schoone Nieuw-Orleans! Getroffen in haar hoogste belangen, in haar vrijheid, haar eer, haar handel, haar krediet, in al hare verwachtingen, hief de stad zich eindelijk met de kracht der wanhoop op, en stelde zich zelve deze vraag: Moet het geslacht der blanken, langs de golf van Mexiko, onder gaan?

Het antwoord was niet twijfelachtig. Onmiddellijk volgde eene reactie—eene reactie, die bovenal ten doel had, de kwestie van ras te plaatsen boven die van partij, de republiek boven de republikeinen.

Zij openbaarde zich overal, in de clubs, de salons, de magazijnen en winkels. De beweging was niet zoo zeer gericht tegen de kleurlingen zelven, dan wel tegen de scalawags en vreemde fortuinzoekers, die de kleurlingen enkel als werktuigen ten behoeve hunner partij gebruikten. Stilzwijgend vormde zich eene ligue, eene blanke ligue, in tegenstelling van de zwarte; maar de leden van dit verbond hielden geene samenkomsten, benoemden geen commissiën, en kozen geen bestuurders. Het was nog meer eene overeenstemming in gevoelens, dan een eigenlijk genootschap; maar de europeesche geest is organiseerend van nature, en het kon niet uitblijven of deze gemeenschappelijke overtuiging onder de blanke bevolking moest welhaast een bepaalden vorm aannemen. Daar bijna iedere blanke in Nieuw-Orleans soldaat is geweest, vormden de leden van het verbond reeds van zelve een leger, dat binnen eenige uren tot den strijd gereed kon zijn.

Dit verbond versterkte en verlevendigde de hoop en het vertrouwen van dezulken onder de blanke burgers, die een einde wenschten te maken aan de heerschende anarchie, door den vreemdeling Kellogg uit Nieuw-Orleans te jagen, den zwarten pakkedrager Antoine terug te zenden naar het douane-kantoor, en generaal Mac-Enery en generaal Penn als gouverneur en luitenant-gouverneur te installeeren.

Inmiddels naderde de dag, waarop de nieuwe verkiezingen voor de Kamer moesten plaats hebben. De burgers wenschten dat die verkiezingen eerlijk en in volle vrijheid zouden geschieden: althans voor zoo ver dat mogelijk was, nu de kiezerslijsten waren opgemaakt door scalawags en leden van het zwarte verbond. Maar geene vrije en eerlijke verkiezing was denkbaar, zoo lang de vreemde indringers zich niet verwijderd hadden. De republikeinsche senatoren in Washington waren het hierin eens met de conservatieve senatoren in Nieuw-Orleans, dat Kellogg niet de wettige gouverneur van Louisiana was. Maar wat konden de blanke burgers doen om hem tot heengaan te nopen?

Op Maandag den 14den September 1874, des morgens ten elf uur, kwamen de burgers in groote menigte bijeen in de Kanaalstraat. De leider der vergadering, R.H. Marr, plaatste zich aan den voet van het kolossale standbeeld van Henry Clay, en legde der menigte de vraag voor, of zij nog langer de heerschende anarchie wilde dulden? De burgers antwoordden met luid geroep, dat zij de voorkeur gaven aan de tirannie, waaronder zij gezucht hadden vóór de uitvaardiging der Reconstruction Act.5 Een soldaat, hoe streng despoot hij mocht zijn, was toch altijd een man van orde en tucht; hij handhaafde althans de openbare orde op straat en bewaarde het Kapitool voor verontreiniging. De regeering van een man als Hancock was een zegen, vergeleken bij die van Kellogg. Onder een federaal officier, geen huichelachtige schijn van vrijheid, burgerlijke orde en republikeinsche instellingen: het despotisme zou onverholen aan het licht treden en Louisiana geregeerd worden als een turksche provincie. Toch gaven de burgers de voorkeur aan een man van ijzer en bloed boven een carpet-bagger; want geen erger en smadelijker lot was te bedenken dan overgeleverd te zijn aan de willekeur van vreemde avonturiers, die in het land geen anderen steun hadden dan een leger van vreemde soldaten en het zwarte gepeupel. bladzijde 64

De vergadering besloot dat vijf burgers zich naar het Kapitool, in de straat Saint-Louis, zouden begeven, en in naam van het vrije en souvereine volk, William P. Kellogg, als vreemdeling in de stad, zouden uitnoodigen, zich te verwijderen.

Kellogg sloot zich op in zijne vertrekken, omringd door zijne zwarte lijfwacht, maar zond Billings en een officier van zijn staf om met de afgevaardigden te onderhandelen. “Gij verlangt dat de gouverneur zich verwijdere! zeide Billings. Hij weigert te luisteren naar eene deputatie van eene gewapende menigte, die bovendien met eene bedreiging komt.”

De burgers, in de Kanaalstraat vergaderd, waren niet gewapend, zoo als Kellogg en Billings trouwens zeer wel wisten. Immers, een uur later telegrafeerde Packard zelf aan den prokureur-generaal Williams:

“De deelnemers aan de meeting waren over het algemeen ongewapend.”

Dit praatje van wapenen en bedreiging was dan ook bestemd voor Washington en New-York, niet voor Nieuw-Orleans, waar men de waarheid kende.


Generaal Sherman.

“Keert thans naar uwe woningen terug, Heeren, zeide Marr. Voorziet u van levensmiddelen en dekens, en komt ten twee uur heden middag weer bijeen: gij zult dan wapens en aanvoerders gereed vinden.”

Packard, wien deze demonstratie niet aanstond, had reeds naar Jackson, in Mississippi, getelegrafeerd, en om troepen gevraagd. In den loop van den morgen was eene kompagnie soldaten te Nieuw-Orleans aangekomen, en in het douane-kantoor ingekwartierd. Nu telegrafeerde hij op nieuw naar Holly-Springs, en ontving ten antwoord, dat nog vier kompagniën tot zijne hulp zouden worden afgezonden. Voorziende wat gebeuren zou, zond hij, in de vreugde zijns harten, het volgende telegram naar Washington: “Hoogst waarschijnlijk zal het heden avond tot eene botsing komen. Ik heb eene afdeeling federale troepen in het douanekantoor. Vier kompagniën zijn in aantocht van Holly-Springs. De plaatselijke autoriteiten hebben eenige honderden manschappen onder de wapenen in het Kapitool en de arsenalen.”

Zoodra Marr zich verwijderd had, liet Kellogg generaal bladzijde 65Badger ontbieden, en ontwierp met hem het plan van een aanval op de blanke bevolking. De policiemacht, waarover Badger, een carpet-bagger, het bevel voerde, bestond uit een regiment, uitgerust en gewapend als de iersche konstabels en voorzien van een artilleriepark. Deze gewapende macht staat in dienst van de stad en wordt door haar betaald; in gewone tijden is de mayor (burgemeester) met het opperbevel belast, maar de vreemde indringers hadden zich het gezag van den mayor aangematigd, de blanken uit de dienst verwijderd, en de gelederen gevuld met groote, sterkgespierde negers. In handen van Badger was deze policie eigenlijk niets dan eene zwarte pretoriaansche garde.


De Kanaalstraat te Nieuw-Orleans.

Badger bezette nu de Kanaalstraat, en was daardoor meester van de voornaamste straten, die van de kaaien naar het meer voeren en deze hoofdstraat snijden; tevens scheidt de Kanaalstraat de fransche wijk, waarin zich de straat Saint-Louis bevindt, van de engelsche wijk, waarin de meeste blanken wonen. Hij had drie stukken geschut bij zich; tweehonderd man van zijn neger-regiment stonden onder de wapenen, rondom het standbeeld van Henry Clay.

Bij groepjes van twee en drie vereenigden zich de ongewapende burgers in de nabijheid van het plein Lafayette; en ten twee uur in den namiddag bezetten zeventienhonderd hunner de voetpaden van de Poydrassstraat en de aangrenzende straten.

Op een gegeven bevel, vormden de burgers, die zeer goed hun plicht schenen te kennen, zich tot kompagniën en bataillons, en werden barrikaden opgeworpen. Op last van den luitenant-gouverneur Penn, werden geweren, in alle haast uit een stoomboot ontscheept, onder de menigte rondgedeeld; en generaal Ogden, een oud soldaat, nam het opperbevel op zich.

Hij zou drie vijanden tegenover zich kunnen vinden: vooreerst, generaal Badger en de stedelijke policie; ten andere, generaal Longstreet met de milicie van den staat; en eindelijk, generaal Emory met de federale troepen. Maar hij rekende er op, dat noch Longstreet, noch Emory zich gerechtigd zoude achten tusschen beiden te komen in eene kwestie van zoo geheel plaatselijken aard: namelijk, wie der beide kandidaten, Kellogg of Mac-Enery, inderdaad de meerderheid van stemmen der kiezers van Louisiana op zich had vereenigd. Longstreet was uit het Zuiden geboortig; en Emory zou niet licht in openlijken strijd durven handelen met de uitspraak van het Congres. Had hij alleen maar te doen met Badger en zijn negers, dan maakte Ogden zich sterk dat de zaak binnen het half uur zou afloopen.

Om half drie zette Badger zich met zijn regiment in beweging. Hij reed zelf aan de spits, en voerde zijne drie kanonnen met zich; enkelen zijner manschappen vuurden, luid schreeuwende en gillende, al vast hunne geweren af. bladzijde 66

Zoodra de vijand in het gezicht kwam, kommandeerde Ogden: vuur! De burgers vuurden, en Badger viel van zijn paard—dood, naar men dacht.

“Valt aan!” riep Ogden. De burgers drongen met de gevelde bajonet voorwaarts, en de negers, blijkbaar door dien aanval verrast, werden overhoop geworpen en op de vlucht gejaagd.

Kapitein Angel spoedde zich met zijne kompagnie naar een der kanonnen. Ten blijk van minachting hunne wapens wegwerpende, vermeesterden eenige burgers het stuk geschut, dreven de neger-kanonniers met slagen en schoppen weg, en joegen hen door straten en stegen na, tot de verbijsterde vluchtelingen een schuilplaats vonden aan de douane, onder bescherming der federale vlag. Bijna geen enkele neger hield zich goed. Een zwarte generaal had eene wijkplaats gezocht in den winkel van een bedienaar der begrafenissen. “Ga weg, riep de kleine fransche doodkistenmaker; zij zullen u nazetten en mij vermoorden.” De neger wierp zijn gegalonneerden rok en pluimen weg. “Om Gods wil, massa, laat mij schuilen!”—Een burger trad binnen; nergens was een generaal te zien: niets dan een gewone neger in een wijden jas, bezig met een lijkkleed schoon te maken. De burger zag eens rond, gaf den neger een schop, en ging lachend weer heen.

Zoo als Ogden voorzien had, kwam noch generaal Longstreet, noch generaal Emory bij deze gelegenheid tusschenbeiden. Ten vijf uur kwamen de vier kompagniën van Holly-Springs aan; maar deze troepen werden door Emory niet ter beschikking van Packard gesteld. Longstreet hield het Kapitool bezet, dat niet werd aangevallen. Omstreeks zes uren had het vuren opgehouden, en de zegevierende burgers zetten hunne wapenen in rust ten aanschouwe van de federale troepen.

Aan Badgers zijde waren dertig gesneuvelden; Ogden telde twaalf dooden en dertien gewonden. De negers verloren hun kanonnen, wapenen en ammunitie, terwijl honderd gevangenen in Ogdens handen vielen. Des avonds was het stadhuis, zoowel als de geheele stad, met uitzondering van het Kapitool en de douane, in de macht der burgers. Te middernacht vluchtte Kellogg uit zijne vertrekken in het Kapitool, en nam de wijk naar de douane, onder de bescherming der federale troepen. Den volgenden morgen ontruimde Longstreet het Kapitool, dat dadelijk door generaal Penn bezet werd. Nu keerde de vrede terug. De winkels werden weder geopend, en het verkeer herstelde zich. De blanke reactie had volkomen gezegevierd.

Maar deze ommekeer van zaken te Nieuw-Orleans was een geduchte slag voor de politiek van den President. De dag der verkiezingen naderde: en wanneer Mac-Enery als gouverneur in het Kapitool te Nieuw-Orleans zetelde, was voor de republikeinen de kans in Louisiana verkeken. Kellogg verzekerde den President, dat, als spoedig en met kracht werd gehandeld, de meerderheid voor de republikeinen nog kon worden behouden.

Grant zond daarop bevel aan Emory om, ten spijt van de zegevierende burgers, des noods met geweld, de geslagen scalawags in het gezag te herstellen.

De verkiezing had plaats in een staat van spanning en opgewondenheid, die niet veel verschilde van de razernij van den burgeroorlog. Wederom schreef elke partij zich de overwinning toe. Dit alleen was zeker, dat Kellogg er niet in geslaagd was, den staat voor Grant te behouden. Hij had zijn patroon vijf stemmen beloofd van de zes, die Louisiana had uit te brengen: en van die zes stemmen behoorden er nu maar twee aan Grant.

De verkiezingen voor de wetgevende macht van den staat hadden te gelijker tijd plaats met die voor het Congres, en de conservatieven beweerden daarbij eene wel niet groote, maar ontwijfelbare meerderheid te hebben verkregen. In dit opzicht was de blanke reactie volkomen geslaagd.

Nog eene kans, eene enkele slechts, bleef er over voor Kellogg en zijne beschermers: eene feitelijke interventie van de federale troepen, waardoor de conservatieve leden verhinderd zouden worden, hunne zetels in de vergadering in te nemen. Dit was een uiterst vermetele, ja bijkans een dolzinnige maatregel, maar de geslagen scalawags deinzen voor niets terug.

Om zulk een daad van onomwonden geweld uit te voeren, was een meer doortastend officier noodig, dan generaal Emory: mitsdien werd generaal Sheridan naar Nieuw-Orleans gezonden.

XVIII.

Kort na onze aankomst in het hotel Saint-Charles te Nieuw-Orleans, werd ons een kaartje ter hand gesteld van generaal Sheridan; twee uren later brachten wij den jongen, schitterenden ierschen officier een bezoek. Wij hadden daartoe niet ver te gaan: het hoofdkwartier van de militaire divisie van de Missouri was in hetzelfde hotel gevestigd, waarin wij onzen intrek hadden genomen.

Wij spraken zeer aangenaam over allerlei zaken: over de vlakten van Kansas, waar ik in 1866 getuige was geweest van eenige episoden van den indiaanschen oorlog; over de onrustige distrikten van Texas, die wij zoo even verlaten hebben; over onze reizen en avonturen sedert den oorlog. Als naar gewoonte, was generaal Sheridan vriendelijk en vrij in zijn spreken; hij lachte hartelijk over de vrees, die de menigte voor hem koesterde, en deelde mij het een en ander mede omtrent den aard zijner zending in het Zuiden.

De Vereenigde-Staten zijn voor het militair beheer verdeeld in vier groote afdeelingen: de divisiën van de Zuidzee, van den Atlantischen oceaan, van de Missouri, en van het Zuiden. Het opperbevel in deze divisiën is aan vier hoofdofficieren opgedragen: de generaal-majoor Schofield, wiens hoofdkwartier te San-Francisco is, voert het bevel over de divisie van de Zuidzee; de generaal-majoor Hancock, te New-York, staat aan het hoofd der divisie van den Atlantischen oceaan; luitenant-generaal Sheridan, te Chicago, is belast met het kommando in de afdeeling van de Missouri, en generaal-majoor Mac-Dowell, te Louisville, met dat in de divisie van het Zuiden. Generaal Sherman, de algemeene opperbevelhebber, heeft zijn hoofdkwartier te Saint-Louis.

Elke militaire divisie bestaat uit twee of meer departementen. bladzijde 67De divisie van den generaal-majoor Mac-Dowell, waartoe ook Nieuw-Orleans behoort, is in twee departementen gesplitst:—een departement van het Zuiden en een departement van de Golf. Het eerste omvat zeven staten: Kentucky, Tennessee, Noord- en Zuid-Carolina, Georgië, Alabama en Florida, met uitzondering van de forten in Pensacola-baai, van Fort-Jefferson tot Key-West. Het hoofdkwartier is te Louisville, waar generaal Mac-Dowell resideert. Het departement der Golf omvat drie staten: Louisiana, Mississippi en Arkansas, met al de militaire stations langs de Golf van Mexiko, van Fort-Jefferson tot Key-West, met uitzondering van de forten aan Mobile-baai. Het hoofdkwartier is te Nieuw-Orleans, waar generaal Emory het bevel voert, onder zijn superieur, generaal Mac-Dowell.

De divisie van de Missouri, waarvan generaal Sheridan aan het hoofd staat, is van grooter uitgestrektheid, en, uit een strategisch oogpunt, ook van meer gewicht, want zij strekt zich uit van de grenzen van britsch-Amerika tot de grenzen van Mexiko, en scheidt alzoo de oostelijke van de westelijke staten. Deze groote afdeeling bestaat uit vier departementen, Dakota, Platte, Missouri en Texas genoemd, welke te zamen acht staten—Minnesota, Jowa, Nebraska, Kansas, Colorado, Illinois, Missouri en Texas—benevens zes groote territoriën, omvatten. Bovendien heeft generaal Sheridan nu eene geheim stuk bij zich, waarbij hem onbeperkte volmacht gegeven wordt, om, zoo noodig, de geheele divisie van generaal Mac-Dowell of wel eenig deel daarvan bij zijn eigen kommandement te voegen, zonder dat hij daaromtrent met iemand behoeft te raadplegen.

Wie is generaal Sheridan? Als man van de wereld en aangenaam prater, mag ik hem zeer gaarne lijden, en indien ik, bij het teekenen van zijn beeld, donkere kleuren moet gebruiken, dan geschiedt dit alleen omdat de historische waarheid mij niet toelaat, andere tinten te bezigen. Ook laat men dezer grootsche en sombere figuur geen volkomen recht wedervaren, wanneer de oorspronkelijke trekken, ter wille van de behagelijkheid, worden weggewischt of vervalscht. Om den toestand te kunnen begrijpen, moet men den man zelven in zijne ware gedaante zien.

Een echt soldaat, kort en gedrongen van gestalte, met een gewoon, ietwat vulgair gelaat, een rond hoofd en oogen vol donkeren gloed: ziedaar “kleine Phil,” de wilde iersche duivel, die zich een weg heeft weten te banen tot de hoogste rangen der militaire hierarchie. Vijf namen schitteren als meteoren te midden der bloedige nevelen van den gruwelijken burgeroorlog, en de naam van Sheridan is een van die vijf. Voorzeker hebben Lee en Jackson een vrij wat schooner en onbevlekter naam achtergelaten; maar, met uitzondering van Grant en Sherman, heeft geen van de noordelijke generaals zich grooter reputatie verworven dan Sheridan. Weinig feiten uit den burgeroorlog kunnen de vergelijking doorstaan met den stouten en welberaamden aanval, waardoor Sheridan de vijanden, die Chambersburg hadden verbrand en Washington bedreigden, overhoop wierp en verstrooide. Zijne belooning was dan ook schitterend: Amerika bezit maar één luitenant-generaal, en Philip Sheridan bekleedt dien hoogen rang.

Sheridan heeft eene harde en ruwe school doorloopen, in eene omgeving, die voor zachte gevoelens en aandoeningen van menschelijkheid geen ruimte laat. Hij heeft zes jaren gesleten te midden van de Cheyennes en Sioux, hunne taal leerende en deelnemende in hunne veeten. Onder de soldaten is het een spreekwoord, dat kleine Phil half een iersche wilde en half een indiaansche wilde is. Moet er eene of andere ongewone, gruwelijke daad worden verricht, dan wijst de publieke opinie Sheridan als den meest geschikten man aan. Toen de loop van den oorlog het generaal Grant noodig deed achten, dat de vallei van de Shenandoah moest worden verwoest, werd de toorts der vernieling aan de handen van Sheridan toevertrouwd. “Het geheele land, van de Blue-Ridge tot den North-Mountain, is niet houdbaar meer:” zoo luidde zijn uiterst lakoniek verslag. Maar sedert de fransche generaals, op bevel van Louvois, den Paltz verwoestten, heeft wel geen menschelijk oog ooit een zoo afgrijselijk tafereel van verdelging en moord aanschouwd, als de weleer zoo liefelijke vallei in Virginia te zien gaf.—Toen de regeering besloten had, aan de Indianen eene gevoelige les te geven, werd wederom Sheridan naar de vlakte gezonden. De Piégans werden ten offer uitgelezen; en de bloedige wraakoefening kwam zoo onverwacht en was zoo verschrikkelijk, dat de naam van Sheridan en de herinnering aan deze afschuwelijke menschenslachting zullen voortleven bij de roodhuiden, zoo lang de indiaansche barden en zieners de sombere legenden van de stammen voor de luisterende schare zullen voordragen.

Het was dus niet te verwonderen, dat de onverwachte verschijning van dezen generaal Sheridan te Nieuw-Orleans, te midden van groote spanning en onrust, de stad met huiverende ontzetting sloeg.

Generaal Sheridan was in Chicago, zijn dienst als bevelhebber zijner divisie waarnemende, en tevens het hof aan zijne uitverkorene makende, toen hij een vertrouwelijk schrijven ontving van generaal Belknap, secretaris van staat voor oorlog, dat eensklaps al zijne schikkingen voor bals en partijen voor de naderende Kerstdagen in de war stuurde. Deze brief luidde als volgt:

Vertrouwelijk.

Departement van Oorlog, 24 December 1874.

“Generaal, de President liet mij dezen morgen ontbieden en droeg mij op, u te zeggen, dat hij wenscht dat gij u naar de staten Louisiana en Mississippi zult begeven, en bepaaldelijk naar Nieuw-Orleans en Vicksburg.... Gij zult hierbij een bevelschrift vinden, waarbij gij gemachtigd wordt het opperbevel op u te nemen in de militaire divisie van het Zuiden of in eenig gedeelte dezer divisie, wanneer gij dit noodig mocht achten.... Ge kunt, zoo ge dit verlangt, generaal Mac-Dowell in Louisville bezoeken, en hem vertrouwelijk mededeeling doen van het doel uwer reis. Maar dit wordt niet voorgeschreven; aan uwe beoordeeling blijve het overgelaten, in hoever overleg met bladzijde 68hem moet plaats hebben. Natuurlijk kunt ge zoovele officieren van uw staf mede nemen als gij verkiest; het is echter wenschelijk dat uw reis meer het voorkomen hebbe van een pleiziertochtje dan van eene officiëele zending.... Gij kunt over Washington terugkeeren en mondeling verslag doen.

W.W. Belknap.”

Steeds gereed aan de bevelen zijner meerderen te gehoorzamen, telegrafeerde Sheridan naar Washington: “Uw brief ontvangen—alles in orde.”

Er werd nu een gezelschap gevormd van officieren en dames, waaronder ook de jonge dame, aan wie generaal Sheridan het hof maakte, die aan dit zoogenaamde pleizierreisje zouden deelnemen; en in de dagbladen van Chicago kon men het bericht lezen dat generaal Sheridan verlof had gekregen om een gedeelte van den winter op Cuba door te gaan brengen. Men hield het er algemeen voor, dat dit uitstapje de voorbode was van zijn aanstaand huwelijk.

Daar Nieuw-Orleans op den weg van Chicago naar Cuba ligt, kon de generaal zich derwaarts begeven, zonder achterdocht op te wekken. De tegenwoordigheid van dames, en vooral van de jonge dame met wie, naar men zeide, Sheridan verloofd was, gaf aan de geheele reis een zeker huiselijk, feestelijk karakter. De grootste moeilijkheid lag in de verhouding tegenover de hoofdofficieren, wier functiën Sheridan moest overnemen. De zending was ongewoon, en de geheele handelwijze onregelmatig. Was Emory voor zijn taak niet opgewassen, dan kon men een doortastender man zenden, zonder Sheridan van de oevers van het meer Michigan te ontbieden. Werd eenheid van gezag noodig geacht, generaal Mac-Dowell was de opperbevelhebber in het Zuiden. Was de toestand zoo ernstig, dat de tegenwoordigheid van een officier van hoogeren rang werd gevorderd, dan kon dit niemand anders zijn dan generaal Sherman.


Eene suikerplantage in Zuid-Carolina.

Het is geen geheim, dat generaal Sherman met de handelwijze van Belknap en het departement van oorlog geen vrede heeft. Sherman is geheel vrij van caesaristische neigingen: patriot in de eerste plaats en eerst daarna soldaat, acht en waardeert hij militaire talenten bovenal als eene bescherming voor de vrijheid en een waarborg voor de veiligheid der republiek. Niet in staat om, zij het ook door zijn stilzwijgen, mede te werken tot eene zuiver persoonlijke, egoïstische politiek, heeft hij met den President, de ministers en adjudanten gebroken, en zijn hoofdkwartier van Washington verlegd naar Saint-Louis, waar hij zich afgezonderd houdt buiten alle aanraking met de tegenwoordige machthebbers. Sherman is echter een persoon van te veel beteekenis, om hem eenvoudig over het hoofd te zien. Zoodra Belknap Sheridans antwoord ontvangen had, zond hij dan ook een vertrouwelijk schrijven naar Saint-Louis, waarin omtrent Sheridans reis naar het Zuiden de noodige opheldering gegeven werd. Generaal Sherman bepaalde er zich toe, de ontvangst van dien brief te berichten.

Nog lastiger was de verhouding tegenover generaal Mac-Dowell. Geen enkel officier wordt gaarne op zijde geschoven, en dat nog wel bij een geheim bevelschrift en zonder vooraf gehoord te zijn. Belknap schoof de verantwoordelijkheid van zich zelven af op Sheridan, door het aan diens eigen goedvinden over te laten, of hij generaal Mac-Dowell zou gaan opzoeken en in vertrouwen met het doel zijner zending bekend maken. Sheridan oordeelde het beter, den generaal van de zaak geheel onkundig te laten.

Het gezelschap dames en officieren vertrok van Chicago. Vijf dagen later waren zij te Nieuw-Orleans, waar zij door de straten kuierden, de proklamaties van koning Carnaval lazen, en inlichtingen inwonnen omtrent het vertrek der stoombooten naar Cuba!


De straat Saint-Louis te Nieuw-Orleans, door de bondstroepen bezet. (4 Januari 1875).

Op Zondag, 3 Januari 1875, heerschte er eene buitengewone drukte in de straat Saint-Louis: den bladzijde 70volgenden dag zou de groote strijd, op de straat begonnen, worden voortgezet in de wetgevende vergadering. Dien Maandag zou het beslist worden, of de scalawags en hun kliek nog langer in Nieuw-Orleans den baas zouden spelen.

Van de honderd-elf nieuw verkozen leden der Kamer van vertegenwoordigers, werden acht-en-vijftig tot de conservatieve, en drie-en-vijftig tot de republikeinsche (liberale) partij gerekend. De conservatieven hadden dus niet slechts eene meerderheid van vijf stemmen, maar vertegenwoordigden tevens de grootste helft der Kamer, die als zoodanig tot het nemen van besluiten gerechtigd is. Al deze acht-en-vijftig conservatieven waren blanken. Kwam deze Kamer inderdaad bijeen, dan was de kans voor Kellogg onherroepelijk verloren.

De strijd was begonnen in het hoofd-kiesbureau, eene commissie van vijf personen, die, volgens de wet, uit de beide partijen moeten worden gekozen, om zoodoende de twee groote richtingen der openbare meening te vertegenwoordigen. Kellogg benoemde dit bureau: en in openbaren strijd met de wet, koos hij vijf republikeinen. De wet bepaalt verder dat de zittingen van dit bureau publiek moeten zijn, om zelfs den schijn van oneerlijkheid te vermijden; op Kelloggs last werden alle eenigszins belangrijke werkzaamheden in het geheim verricht. Longstreet, lid van dit bureau, trok zich terug; in zijne plaats werd een zeer inschikkelijke conservatief benoemd; maar deze, ziende dat zijn medeleden willens en wetens de wet schonden, protesteerde en nam zijn ontslag. Door dit ontslag was de commissie rechtens ontbonden, want volgens de wet moet het bureau uit vijf leden bestaan. Maar de liberale leden stoorden zich natuurlijk niet aan de wet. Hadden zij niet tweeduizend bondssoldaten bij de hand—waarom zouden zij zich dan nog om de wet bekommeren?

In Louisiana worden de stemmen herhaaldelijk geteld. De plaatselijke stembussen worden eerst gezonden naar de supervisors of registration, die ze nazien, de billetten tellen en die vervolgens aan de commissarissen voor de verkiezingen doen toekomen. Zij ondergaan alzoo een driemaal herhaald onderzoek, alvorens zij het hoofd-kiesbureau (returning board, de commissie, die den einduitslag der verkiezing moet constateeren) bereiken. De uitkomst van dit voorloopig onderzoek was, dat er zeventig conservatieven en een-en-veertig republikeinen waren gekozen. De conservatieven hadden dus eene meerderheid van negen-en-twintig stemmen; maar de onwettige commissie van Kellogg wist deze conservatieve meerderheid handig weg te goochelen. De vier liberale heeren kwamen tot eene gansch andere conclusie: volgens hen waren er drie-en-vijftig republikeinen en drie-en-vijftig conservatieven gekozen, terwijl omtrent vijf verkiezingen de beslissing moest worden aangehouden.

De kans stond nu niet kwaad voor Kellogg. Als er een voorwendsel gevonden kon worden om de verkiezing dezer vijf leden, waaronder vier conservatieven, te vernietigen, dan had geen der beide partijen de wettige meerderheid, en konden de conservatieven met geen mogelijkheid een partijbesluit doordrijven. In vrije wetgevende vergaderingen nemen doorgaans de kandidaten dadelijk zitting en deel aan beraadslaging en stemming, in afwachting dat hunne geloofsbrieven worden goedgekeurd; maar Kellogg was van meening dat regelen, die bijna overal elders gelden, voor Nieuw-Orleans niet toepasselijk konden zijn. Als deze vijf leden, op den dag der opening van de Kamers, zitting namen, dan konden de conservatieven, zeven-en-vijftig in getal, zich als wettige vergadering constitueeren: zij waren dan verzekerd van eene meerderheid van drie stemmen, die misschien tot vijf kon klimmen. Wat zou die conservatieve meerderheid kunnen beletten, Kellogg in staat van beschuldiging te stellen en af te zetten, juist zooals met gouverneur Warmoth was geschied?

Met eene Kamer, waarin geen der beide partijen de wettige meerderheid heeft, valt natuurlijk te “onderhandelen.” Kellogg houdt zich ten volle overtuigd, dat enkele stemmen kunnen worden gekocht. Reeds verhaalt men dat hij inderdaad eene stem gekocht heeft; hij heeft er nu nog maar twee noodig om eene meerderheid te hebben. Doch hij moet zich haasten en niet karig zijn in het bieden, want, indien het hem niet gelukt althans een schijn van wettigheid te bewaren, blijft er niet anders over dan zijn nederlaag te belijden en terug te treden. Zijn eigen partijgenooten begonnen hem moede te worden; hij bracht hun geen wezenlijke voordeelen aan, en haalde hun bovendien het verwijt van caesarisme op den hals. Op zijn laatste verzoek om militaire hulp, had de President wrevelig geantwoord: “Het is zeer verkeerd, de troepen te gebruiken in het vooruitzicht van gevaar; laat de overheid van den staat naar recht handelen en dan haar plicht doen.”—Daar waren nog andere teekenen, dat zijn eigen partij zijne handelingen afkeurde; ook mag hij niet vergeten dat nagenoeg alle fatsoenlijke lieden in Louisiana tot zijne tegenstanders behooren. Kolonel Morrow, een republikeinsch officier, reist door het land, en houdt generaal Sherman op de hoogte der zaken. Morrow bericht, overeenkomstig zijne bevinding, dat het Zuiden trouw is aan de Unie, maar niet gezind zich door scalawags en carpet-baggers de wet te laten stellen. De republikeinsche meerderheid in het Congres, opgeschrikt door den uitslag der algemeene verkiezingen in November, heeft eene commissie benoemd, om te Nieuw-Orleans zelf een onderzoek naar den staat van zaken in te stellen. Drie leden van die commissie, Foster van Ohio, een republikein, Phelps van New-Jersey, een republikein, en Potter van New-York, een demokraat, bevinden zich in de stad: en deze twee republikeinen kunnen kwalijk anders dan met den demokraat instemmen, dat de poging om door middel van de bondstroepen een onwettig bestuur in stand te houden, de eenige oorzaak is van alle wanorde in Louisiana. Tegenover deze dreigende kritiek, is het voor Kellogg dubbel noodig, een eenigszins wettigen grondslag en steun voor zijne handelingen te zoeken: maar waar zal hij dien vinden?

Mac-Enery is niet alleen de meerdere in stemmenaantal, maar in ontwikkeling, kennis en reputatie. Velen van zijne aanhangers, zoo als Penn, zijn luitenant-gouverneur, en Wiltz, zijn kandidaat voor het voorzitterschap der Kamer, zijn mannen gewoon aan de behandeling van zaken en bekend met de eischen en bladzijde 71voorwaarden van het openbare leven. Rijkdom, bebeschaving, welsprekendheid, invloed, zijn aan hunne zijde. Onder Kelloggs aanhangers is kwalijk iemand van eenige beteekenis te vinden. Daar zijn vele echte republikeinen onder: lieden, die zich nu eenmaal in het hoofd hebben gezet, dat het voor de handhaving van de gelijkheid der negers noodig is de vrijheid der blanken te vernietigen; maar deze lieden hebben geen stem in de clubs en salons, waar de blanke mannen samenkomen en de blanke vrouwen den toon aangeven. Zij vormen een afzonderlijke groep, die door de fatsoenlijke maatschappij in den ban is gedaan.

Onder de drie-en-vijftig aanhangers van Kellogg bevinden zich acht-en-twintig negers, bijna allen gewezen slaven, die vroeger op de rijstvelden en de katoenplantages hebben gearbeid. Enkelen hunner kunnen drukwerk lezen en hun naam krabbelen; de meesten kunnen noch het een noch het ander; terwijl hoogstens vier of vijf in staat zijn hunne gedachten in verstaanbaar engelsch uit te drukken. Bijna allen zijn zoo arm en onwetend, zoo opgeblazen ijdel en zoo onzinnig dom, dat Kellogg hen niet zonder opzicht op straat en in de herbergen durft vertrouwen. Nieuw-Orleans, eene vroolijke en luidruchtige stad, is vol herbergen, kroegen en speelhuizen, waar lieden als Pinchback hun leerjaren doorbrengen. Deze kroegen en speelhuizen oefenen eene wondere aantrekkingskracht uit op Mozes en Peter, negers, zoo pas van de katoenvelden ontslagen, en zeer begeerig om in eene groote stad van hunne nieuwe vrijheid te genieten. Spionnen brengen op het Kapitool de onrustwekkende tijding, dat de negers-senatoren en afgevaardigden in handen dreigen te vallen van slimme en weinig nauwgezette lieden; Cousins, de negers-afgevaardigde voor St. Tammany is, naar men zegt, reeds in de straat opgelicht en weggevoerd. Zijne stem is verloren—een revanche voor den ontrouwen conservatief. Andere negers verteren en verdobbelen hun geld in de kroegen en drinken zich dronken.

Kellogg begreep dat het hoog tijd word om te handelen.

Hij liet timmerlieden en logementhouders komen, en gelastte hun, het Kapitool in eene vesting en een hotel te herscheppen. Het Kapitool—een groot en fraai gebouw, aan den hoek van de straat Saint-Louis en de Koningsstraat—was oorspronkelijk een hotel, dat den naam droeg van het hotel Saint-Louis, naar den koninklijken grondlegger der volkplantingen in Louisiana. De straat Saint-Louis en de Koningsstraat doorsnijden rechthoekig het oude fransche kwartier. Dit gedeelte van Nieuw-Orleans, met zijn balkons, zijn groene zonneblinden, zijn hooge koetspoorten, zijn binnenplaatsen,—waarop waterkommen en bakken met oleanders de plaats vervullen van fonteinen en tuinen,—draagt een eigenaardig karakter. Tegenwoordig is het stil en verlaten, het leven en de beweging van den handel hebben zich sinds lang naar elders verplaatst. Maar vroeger was deze wijk de fatsoenlijke buurt bij uitnemendheid, waar de dames op de wandeling al hare bekoorlijkheden ten toon spreidden, waar duellisten elkander ontmoetten, en waar de regeerings-personen hunne woningen hadden. Sedert is de mode veranderd: tegenwoordig gaat men in het hotel Saint-Charles logeeren. Het vroeger zoo aanzienlijke hotel is nu het Statenhuis; de eene vleugel van het oude logement bevat de bureaux der uitvoerende macht; een voormalige eetzaal dient voor de zittingen der Kamer.

Op last van Kellogg worden nu planken voor de deuren en vensters gespijkerd en met ijzeren bouten bevestigd. In de straat Saint-Louis worden barrikaden opgeworpen, en de hoofdingang van het hotel wordt gesloten; slechts eene enkele deur, een achterdeur in de Koningsstraat uitkomende, blijft opengelaten. Van binnen en van buiten wordt het Statenhuis in behoorlijken staat van verdediging gebracht, om des noods een bestorming te kunnen doorstaan. Veertig zwarte policie-agenten, met knuppels en revolvers gewapend, bezetten het voorhuis, terwijl anderen op de trappen en in de gangen post vatten. Geweren staan langs de muren geschaard; een zekere generaal Campbell, een voormalig zuidelijk officier nu tot de partij der scalawags overgeloopen, wordt met de verdediging belast. Op de binnenplaats worden levensmiddelen saamgebracht, voldoende voor een beleg van twintig dagen: ingelegde vruchten, gedroogde visch, gezouten vleesch, whisky, tabak, bier. Er wordt eene cantine geopend, en de noodige spuwbakken geplaatst. Honderd matrassen, uit de kazernen gehaald, worden in de gangen en portalen nedergelegd. Het avondmaal wordt gereed gemaakt, en kistjes sigaren ter beschikking gesteld. Toen nu alles klaar was, zond Kellogg zijne spionnen en agenten uit, om de negers-afgevaardigden op te zoeken en hen uit te noodigen in het Statenhuis te komen rooken, eten, drinken en slapen, ten einde tijdig gereed te zijn voor den arbeid van den volgenden dag.

Een honderdtal personen, Kamerleden, schuimloopers, policie-agenten en dergelijke lieden, waarvan vijf op de zes kleurlingen, brachten den Zondagnacht in Kelloggs cantine door, onophoudelijk whisky drinkende en liederlijke liedjes uitgalmende. Den geheelen nacht houden Kelloggs ambtenaren zich gereed om, zoodra door een of ander toeval het getal tegenwoordige leden de wettige meerderheid van zes-en-vijftig mocht bereiken, aanstonds appel nominaal te houden en de Kamer te constitueeren. Het is een roekeloos spel, maar lieden als Kellogg, eens tot het uiterste gedreven, volgen meermalen blindelings hunne dolzinnigste ingevingen. Als men het zoo ver kan brengen dat een bureau kan worden samengesteld, dan zal men wel middelen weten te vinden om de kleine conservatieve meerderheid onschadelijk te maken. William Vigers, griffier der vorige Kamer en kandidaat voor de nieuwe, wacht in de voorkamer van Kellogg, met de officiëele naamlijst bij zich. Michael Hahn, een advokaat, dien de republikeinsche partij tot voorzitter wilde benoemen, zit in Kelloggs kabinet. De scalawags wantrouwen Michael Hahn, omdat hij zich nog eenigermate gebonden rekende door de wet; maar hun partij was veel te arm aan rechtsgeleerden, om hem voorbij te kunnen gaan. Wien zullen zij anders tegenover Louis A. Wiltz, den conservatieven kandidaat, stellen? Eenige leden willen een neger op den voorzittersstoel plaatsen. Anderen, door den drank opgewonden, roepen dat men Kellogg moet afzetten en Pinch in zijne plaats benoemen. bladzijde 72

“De ouwe Pinch een echte neger!” schreeuwt een van zijn dronken aanhangers.

“Dat's waar,” stottert een ander, niet minder beschonken. “Pinch echte neger. Hoera voor Pinch!”

Pinchback bevond zich in het kabinet van Kellogg, met Hahn en Campbell, wachtende op een gunstig toeval. Als maar zes of zeven conservatieven, door nieuwsgierigheid gedreven, het Kapitool binnen traden, zou de wettig vereischte meerderheid tegenwoordig zijn; men kon dan dadelijk appel nominaal houden, de vergadering openen, Hahn tot president en Vigers tot griffier benoemen.

Nu en dan treden werkelijk eenige aanhangers van Warmoth de zaal in,—zoo zij zeggen, om een kijkje te nemen en een glas te drinken, waarna zij weer heengaan. Pinch houdt deze bezoekers nauwkeurig in het oog. Op een gegeven oogenblik telt hij inderdaad vijf-en-vijftig leden in de cantine. Dadelijk belegt hij eene voorloopige vergadering en opent de beraadslagingen; maar wat hij ook doe, zelfs de geniale Pinch kan geene minderheid van vijf-en-vijftig veranderen in eene wettige meerderheid van zes-en-vijftig.

Er moesten meer afdoende maatregelen worden genomen. Een honderdtal manschappen van de zwarte milicie trekken het Kapitool binnen en worden onder de bevelen gesteld van generaal Campbell. Men roept de hulp in der federale officieren, en ondanks de jongste berisping van den President, wordt die hulp bereidwillig verleend, niet alleen door de landmacht, maar ook door de vloot.


De Universiteit te Nieuw-Orleans.

Generaal Emory had zijn intrek genomen in het douane-kantoor. Hij laat zijn drie veldstukken in batterij brengen, en een eskadron kavallerie onder de wapenen komen. Zijn onderbevelhebber, generaal De Trobriand, krijgt last, om bij het aanbreken van den dag de Koningsstraat te gaan bezetten. De federale vlootvoogd laat zijne schepen zoodanig positie innemen, dat hun vuur de kaaien bestrijkt en de Kanaalstraat kan schoonvegen. Bovendien wordt eene afdeeling mariniers in gereedheid gehouden om aan wal te gaan.

Sheridan blijft inmiddels rustig in zijn hotel. Conservatieve spionnen, naar de Rotonde gekomen om zijne bewegingen gade te slaan, vinden hem, als naar gewoonte, op en neder kuierende, zijn sigaar rookende, en met de officieren van zijn staf schertsende, alsof hetgeen op het Kapitool en in de arsenalen voorviel, hem niet meer aanging dan eenig anderen gast in het hotel.

De dagen van het carnaval naderen. De komst van “Koning Carnaval” wordt aangekondigd; en schrijvers in satirieke bladen—wier aantal te Nieuw-Orleans zeer groot is—verzekeren spottend dat niemand anders dan “Koning Philip” de verwachte potentaat is, voorloopig nog incognito.

Sheridan lacht er om en rookt maar altijd door zijn sigaar.

( Wordt vervolgd .) bladzijde 73



1 Twee onvertaalbare amerikaansche termen, Carpet-bagger beteekent letterlijk iemand met een trypen reiszak (carpet-bag); figuurlijk dus iemand, die zijne gansche bezitting in zulk een zak bergen kan, met andere woorden, een gelukzoeker, een schooier. Het woord heeft echter vooral eene politieke beteekenis, en wordt dan bij voorkeur gebruikt tot aanduiding van de avonturiers en politieke raddraaiers uit de noordelijke staten, die in het Zuiden met grooten ijver de zaak der negers voorstaan tegenover de blanke bevolking. Bij uitbreiding geldt het van de noordelijke republikeinsche partij in 't algemeen. Scalawag heeft ongeveer dezelfde politieke beteekenis; vanwaar dit woord is afgeleid, is mij onbekend. (Vert.)

2 Een rechterlijk ambtenaar, die uitvoering moet geven aan de beslissingen van de hoven der Vereenigde-Staten. Zijne functiën komen overeen met die van een sheriff; in elk der rechterlijke districten van de Vereenigde-Staten bevindt zich zulk een maarschalk. (Vert.)

3 Een soortgelijke toestand is in de model-republiek niet vreemd: Zuid-Carolina en ook Louisiana verkeeren op dit oogenblik (Januari 1877) in hetzelfde geval. (Vert.)

4 De uitdrukking is ontleend aan de geschiedenis der engelsche omwenteling van de zeventiende eeuw, en beteekent een parlement of wetgevende vergadering, die niet aan de vereischten van wettigheid voldoet; bepaaldelijk eene onvoltallige vergadering, die zich niettemin als wettig geconstitueerd beschouwt. (Vert.)

5 De wet, waarbij de wederopneming der voormalige Geconfedereerde-Staten in de Unie werd geregeld, en, althans in naam, het militair gezag in het Zuiden werd opgeheven. (Vert.)

Uit het dagboek van een Alpenbeklimmer.

(Vervolg van bladz. 15).


Het hotel du Mont-Rose te Zermatt.

II.

Onder de Alpentoppen, die, als nog nimmer door eens menschen voet betreden, den heer Whymper bijzonder aantrokken, was er geen, waarvan de bestijging vuriger door hem werd gewenscht dan de Matterhorn of Mont-Cervin. De beklimming van dien berg, hoezeer dikwerf beproefd door de bekwaamste gidsen en de onverschrokkenste reizigers, was tot dusver altijd mislukt. Zij ging dan ook inderdaad met schier onoverkomelijke zwarigheden gepaard. Eerst na zeven vergeefsche pogingen mocht het den heer Whymper, bij een achtsten tocht, gelukken, den top te bereiken. Doch, helaas! die groote overwinning werd tot een duren prijs gekocht. De beste Alpengids en drie der reisgenooten van den heer Whymper verloren op den terugtocht het leven. Bij het afdalen van den berg, stortten zij, van eene hoogte van ruim duizend el, op den gletscher van den Matterhorn neder.

De Mont-Cervin is buiten kijf de merkwaardigste berg van de geheele Alpenketen, ja misschien van de geheele aarde. De afbeelding op bladz: 80 geeft, beter dan eene beschrijving doen kan, een zeer juist denkbeeld van die reusachtige obelisk van graniet, die zich ter hoogte van 4432 el verheft aan het westelijk uiteinde van de vallei van Zermatt, tusschen de geweldige groep van den Mont-Rose ten oosten, de Dent d'Hérens (4180 el) en de Tête-Blanche (3750 el) ten westen, en de Dent-Blanche (4364 el) ten noorden, juist op de grenzen van Zwitserland en Italië. De bijkans loodrechte rotswanden stijgen ter hoogte van 1600 of 1700 el boven de omringende gletschers op.

“De Matterhorn, zegt de heer Giordano, hoofdingeneur der mijnen in Italië, bestaat van de basis tot den top, uit vrij regelmatig gevormde rotslagen, die allen een weinig naar het oosten, dat wil zeggen naar den Mont-Rose, oploopen. Deze rotsen, hoewel blijkbaar van sedimentairen oorsprong, hebben eene zeer sterk uitkomende kristalvormige gedaante, zoo als in dit gedeelte der Alpen meermalen het geval is.

“De tegenwoordige piek is slechts het overblijfsel eener vroegere, geologische formatie, waarvan de geweldige lagen van drieduizend-vijfhonderd el, even als een onmetelijke mantel, de groote granietmassa van bladzijde 74den Mont-Rose omhulden. De eigenaardige geologische samenstelling van den berg is voor een deel de oorzaak van den scherpen vorm en de piramidale gedaante van den top, waarover de reizigers zich zoo zeer verbazen. De gletschers, die zich aan den voet dezer piramide bevinden, voeren voortdurend de afvallende steenen en blokken weg; zonder hen, zou de wonderbare obelisk wellicht reeds onder hare eigene puinhoopen begraven zijn.”

De eerste pogingen om den Mont-Cervin te beklimmen, werden in de jaren 1858 en 1859 beproefd. Eenige moedige gidsen of liever jagers van Val Tournanche trachtten, van de zijde van Breuil, den berg te bestijgen. Dit waren Jean-Antoine Carrel, Jean-Jacques Carrel, Victor Carrel, de abt Garet en Gabrielle Maquignaz. Het eenige wat men van hunne expeditiën weet, is dat zij het punt bereikten, tegenwoordig onder den naam van den Schoorsteen bekend, ter hoogte van ongeveer 3860 el.

In 1860 waagden de heeren Alfred, Charles en Sandbach Parker, van Liverpool, andermaal eene poging om den Matterhorn aan de oostelijke zijde te beklimmen. Zij hadden geen gidsen bij zich. Zware wolken, hevige wind en gebrek aan tijd noodzaakten hen nog dien eigen avond naar Zermatt terug te keeren, van waar zij des morgens vertrokken waren. Zij hadden slechts eene hoogte van 3650 el bereikt.

De derde poging werd beproefd in de laatste dagen vau Augustus 1860. De heer Vaughan Hawkins vertrok toen van Val Tournanche, met de gidsen Bennen en J. Jacques Carrel. De heer Tyndall vergezelde hem. Hij hield met Carrel stil op honderd el boven den Schoorsteen: Bennen en de heer Tyndall stegen nog ongeveer twintig el hooger, maar zagen zich toen ook genoodzaakt terug te keeren.

In 1861 hernieuwden de heeren Parker de gevaarlijke onderneming. Even als den vorigen keer, was ook ditmaal Zermatt hun punt van uitgang. Doch, ook even als den vorigen keer, waren thans wederom al hunne pogingen tot vermeestering der onbedwingbare veste ijdel.

Op den 28sten Augustus van datzelfde jaar kwam de heer Whymper te Breuil. Hij vernam daar, dat de heer Tyndall er een paar dagen had doorgebracht, maar geene nieuwe poging had gewaagd. Vast besloten, het gevaarlijke avontuur te beproeven, begreep Whymper dat een enkele dag voor een dergelijken tocht te kort was. Hij klom dus, vergezeld van slechts één gids, in den namiddag tot aan den Col du Lion, en sloeg daar zijn tent op. De nacht was zeer koud. Het water bevroor in een flesch, onder zijn hoofdpeluw geplaatst. Den geheelen nacht door vielen rotsblokken rondom de tent naar beneden, gelukkig zonder schade te veroorzaken. Zoodra de dag aanbrak, begon de heer Whymper langs de zuidwestelijke helling naar boven te klauteren. Binnen een uur bereikte hij den Schoorsteen. Daar weigerde zijn gids, wiens naam hij verzwijgt, verder mede te gaan, zoodat hij genoodzaakt was de onderneming op te geven en naar Breuil terug te keeren.

De heer Kennedy van Leeds verbeeldde zich, dat de bestijging van den Matterhorn in den winter minder bezwaar zou opleveren dan in den zomer. Mitsdien begaf hij zich in Januari 1862 naar Zermatt, om dat zeker zeer zonderlinge denkbeeld in praktijk te brengen. Hij bracht, daags na zijne komst, den nacht door in de kapel van Schwarzsee, in gezelschap van Pieter Pernn en Pieter Taugwalder; en bij het eerste morgenkrieken begon hij, op het voetspoor van de heeren Parker, de rotskam tusschen den Hörnli en den Matterhorn te beklimmen. Maar nadat hij, ter hoogte van 3298 el, eene kleine steenen piramide van twee el hoog had opgericht, zag hij zich door de sneeuw, de koude en den wind gedwongen zoo spoedig mogelijk den terugtocht aan te nemen en naar Zermatt weder te keeren.

De heer Whymper besteedde dien zelfden winter aan de vervaardiging van eene nieuwe tent, veel beter en doelmatiger ingericht dan die, waarin hij aan den col du Lion den nacht had doorgebracht. Vervolgens begaf hij zich weder op reis, en verscheen in de eerste dagen van Juli 1863 te Breuil. Den 7den vertrok hij van daar, om, met den heer Macdonald en drie gidsen, wien hij den weg zou wijzen, Jan Tangwalder, Jan Kronig van Zermatt en Luc Meynet, de eerste hellingen van den Matterhorn te bestijgen. Hij vergiste zich echter in de richting; toen hij zijne dwaling bemerkte, werd hij tevens gewaar dat hij, zonder het te weten, den kleinen bergtop had bestegen, die zich boven den col du Lion verheft. Het bovenste gedeelte van dien top biedt geen vast steunpunt aan; de rotsen zijn hier op verschillende plaatsen met een laag zeer glad ijs overdekt. Kronig deed een val, waarbij hij gelukkig met den schrik vrijkwam, maar die zeer licht doodelijk had kunnen worden. Eindelijk bereikte men, na veel moeite en niet zonder ernstig gevaar, den col du Lion, waar de tent werd opgeslagen. Maar de scherpe oostenwind, die den geheelen nacht met toenemende hevigheid had gewaaid, ging allengs in een orkaan over. Groote massaas steenen rolden van alle kanten naar beneden; de koude werd haast onuitstaanbaar. De drie gidsen verklaarden op den meest stelligen toon, dat zij niet verder wilden gaan; en om half drie in den namiddag keerde de heer Whymper te Breuil terug, zeer ter neer geslagen door den slechten uitslag dezer nieuwe proefneming.

Toch gaf hij den moed nog niet op: reeds den 9den Juli klom hij met zijn vriend Macdonald, Jean-Antoine Carrel en Pession, nogmaals naar den col du Lion. Het was heerlijk schoon weer. Volgens den raad vau Carrel, werd het bivouak voor den nacht opgeslagen aan den voet van den Schoorsteen, op de oostelijke zijde der berghelling, ter hoogte van 3825 el. Den volgenden morgen beklommen Carrel en de heeren Macdonald en Whymper, zonder te groote inspanning, dien zoogenaamden Schoorsteen: Pession volgde hen, maar aan het boveneinde gekomen, verklaarde hij zich te ziek te gevoelen om nog hooger te kunnen klimmen. Carrel wilde zonder zijn vriend niet verder gaan. De heer Macdonald wilde den tocht zonder de beide gidsen voortzetten, maar de heer Whymper achtte het voorzichtiger, in 's hemels naam naar Breuil terug te keeren. bladzijde 75

“Drie malen, zoo zegt hij, had ik gepoogd dien berg te beklimmen, en drie malen had ik met schande moeten terugkeeren. De grens, door mijn voorgangers bereikt, was ook door mij niet noemenswaard overschreden: ik was geen el hooger gestegen dan zij. Tot op eene hoogte van ongeveer 4000 el, bood de bestijging geene buitengewone moeilijkheden aan; die reis kon bijna voor een pleiziertochtje gelden. Er bleven dus slechts 500 el te beklimmen over; maar geen menschelijke voet had nog ooit dit gedeelte des bergs betreden, en hier waren de geduchtste hinderpalen en moeilijkheden te wachten, Er viel niet aan te denken, om alleen en onverzeld den top te bereiken.... Om sommige gevaarlijke punten te kunnen passeeren, waren er minstens drie mannen noodig, volgens Carrel zelfs vier. Waar zou men die twee of drie onontbeerlijke gidsen kunnen vinden? De grootste moeilijkheid lag niet in den berg, maar in het gebrek aan geschikte manschappen.”

De heer Whymper begaf zich naar Zermatt, om daar de mannen te zoeken, die hij noodig had; maar hij vond ze niet, en ondernam nu de beklimming van den Mont-Rose. Te Breuil teruggekeerd, trachtte hij, doch te vergeefs, Carrel en Meynet te bewegen, hem op den tocht naar den Matterhorn te vergezellen. Vreezende dat zijne tent, die op het tweede platform was blijven staan, door den wind zou worden medegevoerd, ging hij den 18den Juli alleen op weg, om te zien wat er van haar geworden was. De tent stond nog op dezelfde plaats, maar was geheel met sneeuw overdekt. Na het prachtige panorama, dat zich voor zijne oogen ontrolde, bewonderd te hebben, bracht hij zijne tent, waarin hij nog eenige levensmiddelen vond, weer in orde, en besloot alleen op den berg te overnachten.

Den volgenden morgen begon hij op nieuw te klimmen, om zoo mogelijk een hooger terras of platform te bereiken. Niet zonder veel moeite, bracht hij het tot aan den voet van den Grooten-Toren, het hoogste punt, dat de heer Hawkins in 1860 bereikt had. “De Groote-Toren, zegt hij, is eene van de merkwaardigheden van de Matterhorngroep. Hij gelijkt in voorkomen op een middeleeuwschen wachttoren, zoo als men dien aan de hoeken van feodale burchten ziet. Van den col Saint-Théodule gezien, schijnt de Toren van weinig beteekenis; maar naarmate men dichter bij komt, neemt hij in omvang toe, en als men zijn voet bereikt heeft, onttrekt hij het geheele bovengedeelte van den berg aan het oog. Ik vond daar, om mijne tent op te slaan, eene geschikte plaats, die, hoewel minder gedekt dan het tweede platform, boven dit het voordeel had, honderd el hooger te liggen.”

Na een merkwaardig uitstapje achter den Grooten Toren gemaakt te hebben, besloot de heer Whymper terug te keeren, daar het blijkbaar onmogelijk was, alleen de beklimming voort te zetten. Hij hield zich overtuigd dat hij, zonder iemands hulp, tot eene hoogte was opgestegen, nog door geen zijner voorgangers bereikt. “Mijne vreugde, zegt hij, was ietwat voorbarig.

“Tegen vijf uur in den avond verliet ik andermaal de tent, en ik waande mij reeds goed en wel in Breuil teruggekeerd. Met mijn touw en mijn haak had ik tot dusver alle moeilijkheden kunnen overwinnen. Ik daalde den Schoorsteen af, waarbij ik het touw aan een rots vastmaakte, en mij daarlangs naar beneden liet glijden; ik sneed vervolgens het touw door en liet het hangen; het overschietende dacht mij genoeg. Mijne bijl was mij bij de afdaling zeer hinderlijk geweest; ik had haar mitsdien in de tent achtergelaten. Het was een oude enterbijl, die niet aan den met ijzer beslagen stok vastzat. Als ik met de bijl gaten in de sneeuw hakte om naar boven te klimmen, sleepte mijn stok, aan het touw vastgemaakt, mij achterna; bij het opklimmen stak ik mijn bijl achter mij in het touw, dat om mijn middel gebonden was, zoodat zij mij niet kon hinderen; maar bij het afdalen, als ik met den rug naar de rotsen gewend stond (hetgeen altijd is aan te raden, als het eenigszins mogelijk is), gebeurde het meermalen dat de bijl of de steel bleef haken aan de uitstekende punten en oneffenheden van den rotswand, en reeds meermalen had de onverwachte schok mij bijna doen vallen. Ik liet dus mijn bijl in de tent, hetzij om dit gevaar te vermijden, hetzij uit vadsigheid. Die onvoorzichtigheid kwam mij duur te staan.

“Ik had den col du Lion reeds achter mij, en vijftig ellen lager zou ik den Grooten Trap vinden, dien men in een draf kan afgaan. Maar aan een hoek der groote steile rotsen van de Tête du Lion gekomen, bemerkte ik, terwijl ik voortging langs het bovenste gedeelte der sneeuwlaag, die tegen deze rotsen leunt, dat de warmte van de laatste twee dagen bijna geheel de gaten had doen verdwijnen, die ik in de sneeuw had gehakt om naar boven te klauteren. De rotsen waren op dit punt volstrekt ongenaakbaar; er schoot dus niets anders over, dan nieuwe gaten in het ijs te steken. De sneeuw was te hard om mij daarin een pad te kunnen openen, en bij den hoek, waar ik mij bevond, was niets dan ijs te ontdekken: een half dozijn treden waren echter voldoende om mij op de naakte rotsen te brengen, waar ik vasten voet vinden kon. Mij met de rechterhand aan de rots vastklemmende, boorde ik met de punt van mijn stok gaten in het ijs, totdat ik een voldoend pad gemaakt had; toen plaatste ik mij tegen den hoek der rots, om aan de andere zijde hetzelfde werk te volvoeren. Tot dusver ging alles goed, maar toen ik dien hoek wilde omslaan—ik kan nog niet zeggen hoe het eigenlijk kwam—gleed ik uit, en stortte in den afgrond.

“De zeer steile helling vormde den eenen wand van een spleet, die tusschen twee uitstekende rotsen afdaalde naar den gletscher du Lion, die beneden ter diepte van 300 el zichtbaar was. Deze spleet werd hoe langer hoe nauwer, en was eindelijk niet meer dan een dunne draad van sneeuw, ingesloten tusschen twee rotswanden, die eensklaps afbraken boven een gapenden afgrond, tusschen het benedeneinde der spleet en den gletscher. Men denke zich een trechter, over de lengte midden doorgesneden, en met eene helling van 45° geplaatst, met de punt naar beneden, en men zal eene getrouwe voorstelling hebben van de plek, waar ik het evenwicht verloor.

“Het gewicht van mijn zak trok mij achterover; bladzijde 76ik kwam eerst terecht op eenige rotsen, drie of vier el beneden mij; toen rolde ik, met het hoofd naar beneden, in de spleet; mijn stok ontsnapte aan mijn handen, en ik viel, al om en om buitelende, nu eens tegen het ijs, dan tegen de rotsen stootende, vijf of zes maal achtereen met mijn hoofd tegen den steen bonzende. Een laatste stoot slingerde mij van den eenen wand der spleet, over een ruimte van tusschen de vijftien en achttien el, naar den anderen;—gelukkig kwam ik met mijne linkerzijde tegen de rots terecht, waar mijne kleederen aan vasthaakten: ik tuimelde achterover op de sneeuw, dadelijk gevoelende dat mijn val gebroken was. Bij geluk was mijn hoofd naar de goede zijde gewend; met stuipachtige krachtsinspanning klemde ik mij aan de oneffenheden en punten der rots vast, en kon mij eindelijk ophouden aan den benedensten ingang der spleet, juist aan den rand van den afgrond. Mijn hoed, stok en sluier schoten in volle vaart langs mij heen en verdwenen in den afgrond; en toen ik de rotsbrokken, die ik in mijn val had losgestooten, beneden op den gletscher in scherven hoorde springen, besefte ik eerst recht aan welk ontzettend gevaar ik als door een wonder ontkomen was. Inderdaad had ik, in zeven of acht buitelingen, een afstand afgelegd van ongeveer zestig el. Ware ik nog drie el verder gevallen, dan zou ik onfeilbaar, met een enkelen sprong, ter hoogte van tweehonderd-vijftig el, op den gletscher zelven zijn te pletter gestort.


Een val op den Matterhorn.

“Toch was de toestand, waarin ik mij nu bevond, alles behalve geruststellend. Ik kon geen oogenblik de rots, waaraan ik mij vastgeklemd had, loslaten, en ik bloedde uit meer dan twintig wonden. De gevaarlijkste waren die aan mijn hoofd, en vergeefs trachtte ik met de eene hand het bloed uit die wonden te stelpen, terwijl ik mij met de andere aan de rots vasthield. Al mijne pogingen waren vergeefs: bij iederen polsslag vloeide het bloed mij over het gelaat en maakte mij het zien bijna onmogelijk. Eindelijk bladzijde 78was het alsof ik eene ingeving kreeg: met mijn voet woelde ik een klomp sneeuw los, die ik nu, bij wijze van pleister, op mijn hoofd legde; het middel baatte, want de bloedvloeiing verminderde aanstonds. Nu begon ik onmiddellijk naar boven te klauteren, en nog juist bij tijds bereikte ik een veiliger plek, waar ik in zwijm viel. Toen ik weder bij mijzelven kwam, ging de zon onder, en eer het mij mogelijk was den Grooten Trap af te dalen, was het volkomen duister geworden. Doch met de uiterste voorzichtigheid mocht het mij, dank zij mijn goed gesternte, gelukken naar Breuil af te dalen, zonder uit te glijden en zonder mij een enkele maal in den weg te vergissen: Breuil ligt evenwel zeventien-honderd el lager dan de Groote Trap.


De ontdekking der lijken.

“Beschaamd over den toestand, waarin mijne eigene onhandigheid mij gebracht had, sloop ik stilletjes langs de hut der koeherders, die ik hoorde lachen en praten, heen, en trad haastig de herberg binnen, hopende dat ik naar mijn kamer zou kunnen gaan, zonder door iemand gezien te worden. Maar in den gang kwam Favre mij tegen, en vroeg: “Wie is daar?” Toen hij licht gehaald had en mij zag, begon hij luidkeels te roepen, en bracht zoo het gansche huis op de been. Twee dozijn hoofden werden toen bij elkaar gestoken om te raadplegen over den toestand van het mijne, zonder dat die plechtige beraadslaging groote vruchten opleverde. De dorpelingen gaven eenstemmig den raad, dat ik mijne wonden moest wasschen en verbinden met heeten azijn met zout vermengd. Te vergeefs verzette ik mij tegen dit paardemiddel: ik moest mij onderwerpen. Andere geneeskundige verpleging viel mij niet te beurt. Heb ik het aan dit zeer eenvoudig geneesmiddel of aan mijn krachtig gezond gestel te danken, dat ik zoo spoedig herstelde? Ik weet het niet; maar zeker is het dat mijne wonden al spoedig genezen waren en dat ik na verloop van eenige dagen weer op de been was.”

Dit noodlottig ongeval, waarbij hij op den rand des verderfs was geweest, vermocht den heer Whymper niet af te schrikken. Den 23sten derzelfde maand begaf hij zich weder op weg met Jean Antoine Carrel, een jager Cesar genaamd, en Meynet. Achter den Toren gekomen, werden zij door een zoo geweldigen storm overvallen, dat zij moesten terugkeeren. Eene vijfde poging, op den 24 en den 25sten beproefd, slaagde niet beter; en den daarop volgenden dag moest ook de heer Tyndall het opgeven, hoewel hij, volgens zijn zeggen, slechts een steenworp van den top verwijderd was geweest.

De zesde poging van den heer Whymper had plaats in 1863. Een geweldig onweder en herhaalde steenstortingen, waarbij zijn leven groot gevaar liep, dwongen hem ook nu onverrichter zake terug te keeren.

Twee jaar later, in 1865, hervatte de onverschrokken reiziger den aanval. Ditmaal besloot hij eerst langs de oostelijke helling op te stijgen, die, volgens zijne waarnemingen, niet zoo steil was als zij wel scheen. Verschillende redenen echter bewogen hem, wijziging in zijn plan te brengen. Het reisgezelschap vertrok van Breuil den 21sten Juni; het bestond uit de heeren Whymper en Reilly en de gidsen Croz, Almer en Biener. Geweldige steenlawinen noodzaakten hen zoo spoedig mogelijk op hunne schreden terug te keeren, en naar den Hörnli te gaan, om van daar de oostelijke helling te bereiken; maar hier stuitte men op een onverwacht beletsel. De overgang naar den Mont-Cervin was niet meer mogelijk: de gletscher had zich zoo ver teruggetrokken, dat het niet meer doenlijk was naar den gletscher van Furggen af te dalen. Bovendien sloeg het weêr eensklaps om: het begon te sneeuwen, en de gidsen weigerden verdere pogingen aan te wenden. De heer Whymper gaf het teeken tot den terugtocht, keerde naar Breuil weder, begaf zich van daar naar Chatillon en verder door de vallei van Aosta naar Cormayeux. “Het spijt mij, zoo zegt hij, dat aan den raad der gidsen gehoor is gegeven. Als Croz niet op den terugtocht had aangedrongen, zou hij nog in leven zijn. Hij verliet ons op den bepaalden dag te Chamonix; maar door een zonderling toeval ontmoetten wij elkander drie weken later weder te Zermatt; en twee dagen daarna kwam hij, voor mijne oogen, jammerlijk om het leven op dienzelfden berg, waarvan wij ons, ingevolge zijn raad, op den 21sten Juni verwijderd hadden.”

Den 7den der volgende maand bevond de heer Whymper zich nogmaals te Breuil, met het vaste besluit om voor de achtste maal de beklimming van den Matterhorn te beproeven. Zijne gidsen toonden zeer weinig opgewektheid om hem te vergezellen. “Al wat ge wilt, mijn goede heer, zeide Almer, behalve den Matterhorn; daar moeten wij van afzien.” Hij begaf zich naar Val Tournanche om Carrel op te zoeken. Carrel was er niet. Men verhaalde den heer Whymper, dat hij den 6den met drie andere gidsen vertrokken was, om zoo mogelijk langs een anderen kant den Matterhorn te beklimmen. Het weder was zeer ongunstig. Te Breuil komende, vond hij daar Carrel, Cesar, C.E. Garet en J.J. Maquignaz. Zij hadden het zelfs niet tot den gletscher du Lion kunnen brengen. Er werd al spoedig eene overeenkomst getroffen. Men zou den 9den den col Saint-Théodule overtrekken, en den 10den de tent, zoo hoog mogelijk aan de oostelijke helling opslaan. Carrel aarzelde om den ouden bekenden weg te verlaten. De heer Whymper beloofde hem, dat als de nieuwe weg niet de verwachte resultaten opleverde, men tot den ouden zou terugkeeren. De achtste Juli ging geheel voorbij met de toebereidselen voor den tocht. Het weder was onstuimig en stormachtig. In den avond van den volgenden dag begaf de heer Whymper zich naar Val Tournanche, om een kranken landgenoot te bezoeken. Daar ontmoette hij een vreemden reiziger, vergezeld van een muilezel en van personen, die zijne bagage droegen: onder die dragers bevonden zich ook Jean-Antoine Carrel en Cesar. De heer Whymper sprak hen aan, en eene niet zeer aangename woordenwisseling volgde. Echter werd nu weder afgesproken, dat men elkander te Breuil zou ontmoeten; maar Carrel en Cesar verbraken hunne belofte: zij vertrokken om den Matterhorn te beklimmen met een Italiaan, den heer Giordano, ingenieur der mijnen.

Woedend over deze teleurstelling, besloot de heer Whymper zich naar Zermatt te begeven. Den 11den zag hij te Breuil een jeugdig Engelschman aankomen, bladzijde 79in gezelschap van een der zoons van Pieter Taugwalder. Zij spraken elkander aan. De jonkman was lord Francis Douglas, wiens heldhaftige beklimming van den Gabelhorn de bewondering van den heer Whymper had opgewekt. Hij bracht goede tijdingen mede: de oude Taugwalder was onlangs den Hörnli overgetrokken, en het was hem daarbij gebleken, dat de beklimming van den Matterhorn aan die zijde zeer goed mogelijk was. Lord Douglas bood zich aan om den heer Whymper op zijne nieuwe onderneming te vergezellen, waarmede genoegen genomen werd. Den 12den trokken zij te zamen over den col Saint-Théodule, vervolgens om den voet van den bovensten gletscher van Saint-Théodule heen, staken den gletscher van Furggen over, en bezorgden de tent, benevens dekens, touwen en levensmiddelen, in de kleine kapel van Schwarzsee. Zij hadden tweehonderd ellen lengte touw bij zich. Vervolgens naar Zermatt afgedaald, namen zij Pieter Taugwalder als gids aan; en in het hotel van den Mont-Rose terugkeerende, ontmoetten zij Croz met den Rev. Charles Hudson, die naar Zermatt gekomen was, om op zijne beurt de beklimming van den Matterhorn te beproeven. Weldra waren de noodige afspraken en schikkingen gemaakt, en de beide reisgezelschappen vereenigden zich. De kleine karavaan bestond nu uit de gidsen Croz, Pieter Taugwalder en zijne twee zonen, den heer Whymper, lord Douglas en den heer Hudson. Deze laatste vroeg en verkreeg vergunning om een zijner landgenooten, den heer Hadow, die zoo pas den Mont-Blanc bestegen had, mede te nemen.

Maar wij zullen nu het woord laten aan den heer Whymper.

“Den 13den Juli 1865, des morgens ten half zes, vertrokken wij van Zermatt; het was prachtig schoon weder, geen wolkje was aan den hemel te bespeuren. Ons gezelschap bestond uit acht personen: Croz, de oude Pieter Taugwalder en zijn twee zonen, lord Francis Douglas, Hadow, Hudson en ik. Tot overmaat van zekerheid, had iedere toerist zijn eigen gids. De jongste Taugwalder werd mij toegevoegd; hij was er trotsch op dat hij deel mocht nemen aan onze expeditie, en gelukkig dat hij zijne kracht en zijne behendigheid kon ten toon spreiden, bewees hij ons van den aanvang af de gewichtigste diensten.

“Ik had de zakken te dragen, waarin onze voorraad wijn was geborgen; telkens nadat men in den loop van den dag van dien wijn gedronken had, vulde ik de zakken in stilte weder met water aan; bij het volgende halt waren zij dan ook nog beter gevuld dan bij ons vertrek! Dit verschijnsel, dat bijna voor een wonder gold, werd algemeen als een gelukkig voorteeken aangemerkt.

“Het lag niet in ons plan, op dien eersten dag tot eene aanmerkelijke hoogte op te klimmen; wij gingen dus op ons gemak voort: twintig minuten over achten waren wij aan de kapel van Schwarzsee, waar wij de touwen en dekens, benevens de tent en provisie medenamen; vervolgens zetten wij de bestijging voort van den rotswand, die den Hörnli met den Matterhorn verbindt. Ten half twaalf kwamen wij aan den voet van den voornaamsten top: daar, de steile rotskam verlatende, moesten wij om eenige uitspringende rotsen heengaan, ten einde de oostelijke helling te bereiken. Alsnu eindelijk op den berg zelven gekomen, bemerkten wij, tot onze groote verwondering, dat sommige gedeelten, die, van den Riffel of zelfs van den Furggengletscher gezien, volstrekt ongenaakbaar schenen, zoo gemakkelijk te beklimmen waren, dat wij bijna al loopende naar boven konden komen.

“Nog voor twaalven hadden wij een zeer gunstige plaats gevonden voor de tent, op eene hoogte van drieduizend-driehonderd-vijftig el. Croz ging op verkenning uit met den jongen Pieter Taugwalder, ten einde voor den volgenden dag tijd uit te winnen. Zij gingen boven over de besneeuwde hellingen heen, die in de richting van den Furggengletscher afdalen, en verdwenen achter een uitstekende rots; maar weldra verschenen zij weder, hoog op den berg, waar wij hen ijverig zagen klimmen. Wij hielden ons inmiddels bezig met het in orde brengen van eene veilige plaats voor de tent; toen dit werk afgeloopen was, wachtten wij met ongeduld op den terugkeer der beide gidsen. De steenen, die zij naar beneden deden rollen, wezen aan dat zij zich op eene zeer aanzienlijke hoogte bevonden; wij mochten dus de verwachting koesteren, dat de beklimming niet zoo moeilijk zou blijken. Eindelijk, omstreeks drie uur in den namiddag, kwamen zij terug, schijnbaar zeer opgewonden.

“Welnu, Pieter, wat zeggen zij er van? vroegen wij aan den ouden Taugwalder, die met Croz en zijn zoon in de landtaal gesproken had.

—Niet veel goeds, mijne heeren.”

“Maar de twee gidsen zelven spraken op geheel anderen toon: “Alles was zoo gunstig mogelijk; er bestond niet de minste zwarigheid. Wij hadden gemakkelijk den top kunnen bereiken, en nog dienzelfden dag terugkeeren!”

“Het overige van den dag ging zeer kalm voorbij; sommigen zaten zich in de zon te warmen; anderen maakten schetsjes of zochten fragmenten van steenen bijeen; de prachtige zonsondergang beloofde voor morgen een heerlijken dag, en tevreden en opgewekt begaven wij ons in de tent, waar wij de noodige toebereidselen maakten voor ons nachtverblijf. Hudson zette thee; ik maakte koffie klaar; vervolgens wikkelde ieder van ons zich in zijn reisdeken. Lord Francis Douglas en ik sliepen in de tent met de Taugwalders; de anderen brachten liever in de open lucht den nacht door. Nog lang nadat de avond was gedaald, weerkaatsten de echo's der bergen ons vroolijk gelach en het gezang der gidsen. Geen enkel gevaar was te duchten; wij gevoelden ons allen zoo veilig en zoo blijde mogelijk.

“Den 14den waren wij reeds vóór het krieken van den morgen op de been, en zoodra het licht genoeg geworden was om de richting te kunnen onderscheiden, begaven wij ons op weg. De jonge Pieter Taugwalder ging als gids met ons mede, terwijl zijn broeder naar Zermatt terugkeerde. Dezelfde richting volgende, die de beide gidsen den vorigen dag hadden ingeslagen, bevonden wij ons weldra aan gene zijde der uitspringende rots, die, zoo lang wij bij de tent waren, ons het gezicht bladzijde 80op de oostelijke berghelling belette. Eerst toen overzagen wij met een enkelen blik die geweldige piramide, die zich als een reusachtige, door de natuur gevormde trap, ter hoogte van omstreeks duizend el, voor onze oogen verhief. Zij was lang niet overal even gemakkelijk genaakbaar, maar wij ontmoetten toch geen moeilijkheden van zoo ernstigen aard, dat zij ons konden tegenhouden; als zich een onoverkomelijke hinderpaal op onzen weg opdeed, dan was het ons toch altijd mogelijk, door rechts of links uit te wijken, die belemmering te overwinnen. Gedurende het grootste gedeelte van deze beklimming behoefden wij niet eens van de touwen gebruik te maken. Hudson en ik gingen beurtelings voorop aan het hoofd van den stoet. Twintig minuten over zessen hadden wij eene hoogte bereikt van drieduizend-negenhonderd el; wij namen een half uur rust, daarop begonnen wij weder te klauteren, en gingen zonder ophouden daarmede voort tot vijf minuten voor tienen; wij hielden toen een tweede halt van vijftig minuten, op eene hoogte van vierduizend-tweehonderd-zeventig el. Tweemaal moesten wij overgaan op de noordoostelijke kam, die wij een klein eind weegs volgden; maar zonder dat die verandering ons eenig voordeel bracht, want deze kam was veel minder stevig, veel steiler en altijd moeilijker te beklimmen dan de oostelijke helling. Uit vrees voor de steenlawinen evenwel, droegen wij zorg ons niet te ver van die kam te verwijderen.


De Mont-Cervin (Matterhorn).

“Wij waren nu aan den voet gekomen van dat gedeelte van den Matterhorn, dat, van den Riffelberg of van Zermatt gezien, volkomen loodrecht schijnt en zelfs over het dal schijnt heen te hangen; het was ons nu ook verder onmogelijk, langs de oostelijke helling naar boven te klimmen. Gedurende eenigen tijd moesten wij, de sneeuw volgende, tegen de helling opklauteren, die naar de zijde van Zermatt afdaalt; daarop wendden wij ons met algemeen goedvinden weder rechts, dat wil zeggen, naar bladzijde 81de zuidelijke flank van den berg. Wij hadden toen in de orde van den tocht eenige verandering gebracht. Croz liep aan het hoofd der kolonne; ik volgde hem; Hudson kwam achter mij; Hadow en de oude Taugwalder vormden de achterhoede. “Nu, zeide Croz, terwijl hij zich in beweging stelde, zal het anders gaan worden.” Naarmate de moeilijkheden van ernstiger aard werden, werd het noodig de meest mogelijke voorzorgen te nemen. Op sommige plaatsen was ter nauwernood eenig steunpunt te vinden: het was dus raadzaam dat zij, wier tred de meeste vastheid had, vooraan gingen. De helling van dezen bergwand bedroeg over het algemeen nog geen veertig graden; de sneeuw, die zich hier had opgehoopt, had de gaten en spleten der rotsen geheel gevuld; de rotspunten, die hier en daar boven de sneeuw uitstaken, waren somwijlen overdekt met eene dunne ijskorst, gevormd door de sneeuw, die gesmolten en bijna onmiddellijk weder bevroren was. Het was, maar op kleiner schaal, hetzelfde verschijnsel als bij de laatste tweehonderd-vijftien el van den top der Pointe des Ecrins; met dit belangrijke verschil echter, dat de bergwand van de Ecrins eene helling heeft van meer dan vijftig graden, terwijl de helling van den Matterhorn ter nauwernood veertig graden bedraagt. De beklimming was niet bijzonder gevaarlijk voor een ervaren bergreiziger. De heer Hudson had niemands hulp noodig, zoo als hij trouwens op de geheele reis geene ondersteuning behoefde. Meermalen reikte Croz mij de hand, om mij op moeilijke plaatsen te helpen; mij omwendende, bood ik dan den heer Hudson mijne hand aan; maar hij nam die hand nooit aan, zeggende, dat het niet noodig was. De heer Hadow was aan dergelijke bladzijde 82expeditiën niet gewoon: het was dan ook telkens noodig, hem te hulp te komen. Maar de moeilijkheid, die hij op sommige punten ondervond, was niet zoozeer een gevolg van de gesteldheid des bergs, maar enkel en alleen van zijne onervarenheid.


Luchtspiegeling op den Matterhorn.

“Dit eenige wezenlijk moeilijk te bestijgen gedeelte der berghelling was daarbij niet bijzonder uitgestrekt: naar mijne schatting hadden wij daarvoor niet meer dan anderhalf uur noodig. Eerst gingen wij, over een lengte van omstreeks honderdtwintig el, in schier horizontale richting voort; vervolgens klommen wij rechtstreeks naar den top, over eene lengte van ongeveer twintig el; toen moesten wij terugkeeren naar de rotskam, die naar Zermatt afdaalt. Een lange en moeilijke omweg, dien wij moesten maken om langs eene uitspringende rots heen te komen, bracht ons op de sneeuw terug. Maar nu was ook de laatste twijfel aan den goeden uitslag verdwenen. Nog slechts zestig ellen van gemakkelijk te beklimmen sneeuw, en de Matterhorn was ons!

“Keeren wij even in gedachten terug naar de Italianen, die den 11den Juli van Breuil vertrokken waren. Vier dagen waren sedert hun vertrek verloopen, en wij vreesden dat zij nog vóór ons den top zouden bereiken. Gedurende den ganschen tocht waren zij telkens het onderwerp van ons gesprek geweest; en meermalen hadden wij ons verbeeld, menschen op den top des bergs te zien. Dat was tot dusver zinsbedrog geweest; maar toch nam, naarmate wij hooger klommen, onze spanning toe. Indien ons eens op het laatste oogenblik de prijs werd afgewonnen! Daar de helling minder steil werd, kon het touw, dat ons samenbond, worden losgemaakt: Croz en ik stormden dadelijk vooruit, in een dollen wedloop, die daarmede eindigde dat wij beiden, naast elkander loopende, te gelijker tijd op dezelfde plaats aankwamen. Des namiddags, tien minuten over half twee, lag de wereld aan onze voeten: de onverwinnelijke Matterhorn was overwonnen! Hoezee! geen spoor van voetstap was in de ongerepte sneeuw te bespeuren!

“En toch—waren wij wel zeker van de overwinning?

“De top van den Matterhorn bestaat uit eene slecht geëffende kam van eene lengte van ongeveer honderdzeven ellen; misschien waren de Italianen aan het andere uiteinde aangeland? Ik spoedde mij dus naar de zuidelijke punt, met scherpen blik de sneeuw onderzoekende. Nog eens hoezee! geen menschelijke voet had dit sneeuwveld betreden!

“Waar konden onze mededingers thans wel zijn? Ik keek, mij voorover buigende, over den rand der rotsen heen, verdeeld tusschen twijfel en zekerheid. Aanstonds werd ik hen gewaar, ver in de diepte beneden ons: niet dan met moeite waren zij met het bloote oog te ontdekken. Ik zwaaide met mijne armen en mijn hoed, en begon uit alle macht te schreeuwen:

“Croz! Croz! kom, kom gauw!

—Waar zijn zij, mijnheer?

—Dáár, ziet ge ze niet, dáár, beneden?

—Ah! de gauwdieven! zij zijn nog op verren afstand.

—Croz, zij moeten ons geroep kunnen hooren en onze zegepraal vernemen!”

“Wij schreeuwden dus zoo luid wij konden, tot ons de stem begaf. De Italianen schenen naar onzen kant te zien, maar wij konden dit niet met zekerheid uitmaken.—“Croz, ik wil dat zij ons hooren! zij moeten ons hooren!” Toen een rotsblok aanvattende, rolde ik het uit al mijne macht naar de diepte, en noodigde mijn metgezel uit hetzelfde te doen. Met behulp van onze stokken, die wij als hefboomen gebruikten, tilden wij zware rotsblokken op, en weldra ratelde een vloed van steenen, als een vreeselijke lawine, met donderend geweld naar beneden. Ditmaal was geene vergissing mogelijk. De verschrikte Italianen namen haastig de vlucht.

“En toch speet het mij inderdaad, dat de leider van deze expeditie op dat oogenblik niet bij ons was, want onze zegekreten moesten hem wel smartelijk in de ooren klinken. De vurigste wensch van zijn geheele leven, het groote doel zijner eerzucht, ontging hem, juist op het oogenblik der vervulling, door onze overwinning. Van alle moedige bergreizigers, die de beklimming van den Matterhorn hadden beproefd, had er zeker niemand meer dan hij recht op, het eerst den top te bereiken. Hij was de eerste, die vast aan de mogelijkheid van het welslagen der onderneming had geloofd, en die steeds, ondanks tegenspraak van alle zijden, bij zijne overtuiging had volhard. Het was zijn wensch, den top te bereiken langs de helling aan de zijde van Italië, ter eere van de vallei, waar hij geboren werd. Eens had hij alle troeven in de hand; hij speelde zoo goed hij kon, maar een enkele fout deed hem het spel verliezen. De tijden zijn sedert veranderd voor Carrel. Zijne meerderheid, waaraan vroeger niemand twijfelde, wordt thans in Val Tournanche ernstig betwist; nieuwe gidsen hebben proeven van hunne bekwaamheid afgelegd: men beschouwt hem niet meer als den jager bij uitnemendheid. Wat mij betreft, voor mij zal hij altijd blijven wat hij heden is; men zal niet licht zijn meerdere vinden.

“Mijne vrienden hadden zich bij ons gevoegd, en wij keerden naar het noordelijk uiteinde van den top terug. Croz greep den stok van de tent, dien de gidsen bij ons vertrek hadden medegenomen, en plantte dien op het hoogste punt, in de sneeuw.

“Goed, zeiden wij: daar is de vlaggestok, maar waar is de vlag?

—Hier, antwoordde hij, zijn kiel uittrekkende, die hij aan de stok bond.

“Dat was een armzalige vlag, en geen enkel zuchtje deed dat dundoek wapperen: toch zag men dit teeken alom in het ronde,—te Zermatt,—op den Riffel—in Val Tournanche. Ook te Breuil waren veler oogen op den top gevestigd, om de verschijning der gidsen waar te nemen: toen men deze vlag zag opsteken, begonnen de lieden daar verheugd te roepen: “De overwinning is aan ons!” De bravoos voor Carrel en de vivats voor Italië weerklonken van alle kanten; ieder haastte zich, de groote gebeurtenis te vieren. Niet lang mocht deze vreugde duren. Alles bleek geheel anders; de gidsen keerden terug, ontstemd, ontmoedigd, vol schaamte en spijt.—“Het is maar al te waar, zeiden zij; wij hebben ze met onze eigen oogen gezien, zij hebben steenen op ons doen afrollen! De oude overlevering is waar: de top bladzijde 83van den Mont-Cervin wordt door geesten bewaakt!”

“Wij keerden naar de zuidelijke punt van de kruin terug, en richtten daar eene kleine piramide van steenen op; vervolgens beschouwden wij, vol bewondering, het onmetelijke panorama, dat zich voor onze blikken ontrolde.

“Het was een dier heldere dagen, die gewoonlijk door slecht weder gevolgd worden. De stille, lichte atmosfeer werd door geen nevel, geen enkele wolk verduisterd. De bergen, op vijftig, wat zeg ik? op honderd mijlen afstands van ons, waren zoo duidelijk zichtbaar, dat men gemeend zou hebben, ze met de hand te kunnen grijpen: alle bijzonderheden, de scherpe rotskammen, de steile wanden, de smettelooze sneeuwvelden, de stralende gletschers—ze waren allen, in hunne lijnen en omtrekken, duidelijk waarneembaar. Menig bekende top riep de herinneringen wakker aan tochten en uitstapjes van vroegere jaren. Geen enkele der groote toppen van de Alpenketen was voor onzen blik verborgen. Wij waren bijzonder gelukkig, want in den regel is het panorama naar het zuiden door wolken bedekt. Van de honderd keeren is misschien maar een enkele maal het uitzicht geheel onbelemmerd.


Jean-Antoine Carrel.

“Nog zie ik dien grootschen gordel van geweldige bergtoppen voor mij, zoo duidelijk als in dat plechtige, onvergetelijke uur: dien weergaloozen kring van ontzaggelijke reuzen, zich hoog verheffende boven de massaas en bergketens, die hun als het ware ten voetstuk verstrekken. Ik zie weer de Dent-Blanche, met haar fiere witte kruin; den Gabelhorn, den Rothhorn, met de scherpe spits; den onvergelijkelijken Weisshorn; de Mischabelhörner, niet ongelijk aan reusachtige torens, geflankeerd door den Allalinhorn, den Strahlhorn, en den Rimpfischhorn; dan den Mont-Rose met zijn talrijke naalden, den Lyskamm en den Breithorn. Achter ons verheft zich de prachtige berggroep van het Berner Oberland, beheerscht door den Finsteraarhorn; dan de groepen van den Simplon en den Sint-Gothard; de Disgrazia en den Orteler. Naar het zuiden dringen onze blikken door tot ver voorbij Chiavasso, in de vlakte van Piémont. De Viso, hoewel honderd mijlen verwijderd, schijnt dicht bij; op een afstand van honderd-dertig mijlen vertoonen zich de Zee-Alpen, door geen nevelsluier omhuld. Onder hunne toppen herken ik al dadelijk mijne eerste liefde, den Pelvoux, dan de Pointe des Ecrins en de Meye; voorts de groepen der Graïsche Alpen; eindelijk, ten westen, troont, schitterende in het gouden zonnelicht, de fiere koning der Alpen, de wonderschoone Mont-Blanc. Drieduizend-driehonderd el beneden ons strekken zich de groene velden van Zermatt uit, bezaaid met hutten, woningen, chalets, waaruit dunne zilveren rookwolkjes opstijgen. Aan de andere zijde vertoonen zich, in eene diepte van tweeduizend-zevenhonderd el, de weilanden van Breuil. Nog zie ik voor mijne oogen opdoemen dichte sombere wouden, malsche groene weiden, schuimende watervallen, spiegelgladde meeren, vruchtbare akkers en eenzame wildernissen, vlakten blakerende in de zon, en kille ijsvelden. Wat oneindige verscheidenheid van vormen en omtrekken! Zacht golvende lijnen, glooiende hellingen, en steile, loodrechte, overhangende rotsen; bergen van steen en bergen van sneeuw; somber, donker, ernstig, of wel schitterend van oogverblindend wit; versierd met hooge muren, torens, spitsen, naalden; uitloopende in piramiden, in koepels, in kegels, in naalden, slank en bijna doorzichtig als de torens der gothische kathedralen.... Geen samenvoeging van lijnen, geen spel van contrasten, geen schakeering van tinten, die zich hier niet voor den verrukten blik onthulde.


Michel Croz.

“Wij toefden een uur lang op den top.

“One crowded hour of glorious life

“Een uur geheel vervuld van heerlijk leven.

“Dit uur ging al te snel voorbij, en wij maakten ons gereed om af te dalen.

“Op nieuw raadpleegde ik met Hudson over de maatregelen, die in het belang onzer veiligheid noodig waren. Wij bepaalden met algemeen goedvinden, dat Croz vooruit zou gaan, gevolgd door Hadow; Hudson, die, wat de vastheid en zekerheid van zijn voetstap betrof, bijna met een gids gelijk stond, wilde de derde zijn; daarop zou lord Douglas volgen, en achter dezen de oude Pieter Taugwalder, de sterkste van de nog overblijvenden. Ik stelde aan Hudson voor, om op de gevaarlijkste punten een touw aan de rotsen vast te bladzijde 84binden, ten einde, zoo noodig, daardoor een nieuwen steun te hebben; hij keurde dat denkbeeld goed, maar wij kwamen niet uitdrukkelijk overeen, dat er ook uitvoering aan gegeven zou worden. Terwijl ik een schets maakte van den bergtop, had ons gezelschap zich in de zooeven aangegeven orde gerangschikt; alles was klaar, en men wachtte slechts om mij aan het touw vast te binden, toen eensklaps iemand riep, dat wij onze namen niet in een flesch hadden achtergelaten. Men verzocht mij, die haastig op te schrijven, en terwijl ik dit deed, stelde de stoet zich reeds in beweging.

“Eenige oogenblikken later bond ik mij aan den jongen Pieter Taugwalder vast, en met hem onze vrienden naloopende, haalde ik hen in juist op het oogenblik, toen zij langs het gevaarlijkste punt zouden gaan afdalen. Alle mogelijke voorzorgsmaatregelen waren genomen.

“Slechts één man tegelijk ging voor; zoodra hij een vast steunpunt voor den voet gevonden had, ging de volgende persoon op zijn beurt voort, en zoo vervolgens. Echter had men het nog beschikbare touw niet aan de rotsen vastgemaakt, en niemand sprak er van om dat te doen. Daar ik dezen maatregel niet had voorgesteld in het belang mijner eigene veiligheid, durf ik niet zeggen, of ik er zelf op dat oogenblik nog aan dacht. Gedurende eenige oogenblikken volgden wij, Pieter Taugwalder en ik, onze makkers, zonder aan hen vastgebonden te zijn; waarschijnlijk zouden wij zoo verder zijn blijven dalen, als lord Douglas mij, omstreeks half vier, niet verzocht had, dat ik mij aan den ouden Pieter zou vastbinden; hij vreesde, zoo zeide hij, dat Taugwalder alleen geen kracht zou hebben om zich staande te houden, als iemand mocht uitglijden.


De Schoorsteen op den Matterhorn.

“Eenige oogenblikken later liep een knaap, met een bijzonder scherp gezicht begaafd, haastig naar het hotel du Mont-Rose, om aan den heer Seiler te zeggen, dat hij eene lawine van den top van den Matterhorn op den gletscher had zien nederstorten. Men beknorde hem, omdat hij zulk een dwaas vertelsel durfde doen: helaas, hij had gelijk! Ziehier wat hij gezien had.

“Michel Croz had zijn bijl naast zich nedergelegd; en zooveel mogelijk voor de veiligheid van den heer Hadow willende zorgen, wijdde hij al zijne aandacht aan de taak om diens gang te besturen, door, zooals meermalen gebruikelijk is, de voeten van den jongen toerist een voor een te zetten in de positie, die zij moesten innemen. Voor zoover ik heb kunnen nagaan, was op dat oogenblik niemand met afklimmen bezig. Ik kan dit echter niet met zekerheid zeggen, omdat Croz en Hadow door een stuk rots gedeeltelijk aan mijn oog waren onttrokken: ik geloof evenwel dat ik gelijk heb; naar de beweging hunner schouders te oordeelen, meende ik dat Croz, na de voeten van den heer Hadow geplaatst te hebben, zich omkeerde, om zelf een paar schreden af te dalen. Op dat oogenblik gleed de heer Hadow uit, viel op Croz, en wierp hem omver. Ik hoorde Croz een luiden gil geven, en bijna op hetzelfde oogenblik zag ik hen beiden met duizelingwekkende snelheid afglijden; onmiddellijk daarop werd zoowel Hudson als lord Douglas in hun val medegesleept. Dit alles geschiedde met de snelheid des bliksems. Nauwelijks hadden de oude Pieter Taugwalder en ik den kreet gehoord, of wij klemden ons met al onze macht aan de rots vast; het touw werd plotseling strak gespannen, en wij kregen een geweldigen schok. Wij hielden ons echter goed en bleven staande; maar eensklaps brak het touw omstreeks halverwege tusschen Taugwalder en lord Douglas midden door.... Gedurende eenige sekonden zagen wij onze rampzalige reisgenooten, met ijlende vaart, op hun rug liggende afglijden, met uitgestrekte armen vergeefs pogende zich aan bladzijde 85een of andere uitstekende rotspunt vast te klemmen en alzoo hun leven te redden. Een voor een verdwenen zij uit ons oog, zonder eenige kwetsuur bekomen te hebben, en vielen van afgrond tot afgrond tot op den gletscher van den Matterhorn, in eene diepte van twaalfhonderd el beneden ons. Nadat het touw was gebroken, was het ons volstrekt onmogelijk iets tot hunne redding te doen.


Weg over den Simplon.

“Zoo kwamen onze beklagenswaardige makkers om het leven! Meer dan een half uur stonden wij onbewegelijk, als vastgenageld, ter nauwernood adem halende. Door angst en schrik overmand, weenden de bladzijde 86beide gidsen als kinderen; zij beefden zoo, dat ons elk oogenblik een dergelijk ongeluk als onzen vrienden overkomen was, te duchten scheen.

“De oude Pieter Taugwalder riep telkens, al jammerend, uit: “Chamonix! Oh, wat zal Chamonix zeggen?” hetgeen zooveel wilde zeggen als: Wie had ooit kunnen denken dat Croz kon vallen?—De jonge Taugwalder snikte onophoudelijk, en kreet al luider en luider: “Wij zijn verloren! o God, wij zijn verloren!”

“Daar ik tusschen hen beiden aan het touw was vastgebonden, kon ik geen stap doen, zoolang zij onbewegelijk op hunne plaats bleven staan. Ik verzocht dus den jongen Pieter, dat hij zou afdalen: hij durfde niet. Noch zijn vader, noch ik kon iets uitrichten, zoolang hij niet begon te dalen. De oude Taugwalder, den ernst van het oogenblik en het dreigende gevaar ten volle beseffende, begon nu ook te roepen: “Wij zijn verloren, verloren!” De angst van den ouden man was begrijpelijk en natuurlijk: hij vreesde voor zijn zoon; maar de jongen dacht slechts aan zichzelven en toonde zich lafhartig. Eindelijk herstelde de oude man zich toch weder, en kroop naar eene rots, waaraan het hem gelukte een touw vast te binden. De jonkman verkreeg het nu ook van zich om af te dalen, en wij stonden alle drie bij elkander. Ik wilde toen onmiddellijk het touw zien, dat gebroken was: en tot mijn onuitsprekelijken schrik bemerkte ik, dat dit touw het zwakste van de drie was. Het had nimmer gebezigd moeten worden voor het doel, waartoe het nu was gebruikt, en was ook niet om die reden medegenomen. Het was een oud touw, dat, in vergelijking met de andere, bepaald zwak was te noemen. Men had het in reserve moeten houden, voor het geval dat men een touw, aan de rotsen gebonden, had moeten achterlaten. Ik liet mij het overgeschoten eind geven, ten einde de zaak nader te onderzoeken. Het touw was afgebroken, alsof het doorgesneden was.

“Gedurende de twee uren, die thans volgden, dacht ik elk oogenblik dat ook mijn laatste stonde gekomen was; niet alleen toch waren de Taugwalders, door den schrik als verlamd, geheel buiten staat mij eenige hulp te bieden, maar zij hadden zoozeer alle zelfbeheersching en overleg verloren, dat ik bij iederen stap vreesde dat zij zouden uitglijden. Eindelijk echter deden wij, wat dadelijk toen wij begonnen af te stijgen had moeten geschieden: wij bonden touwen aan de stevigste rotsen, om ons bij onzen gevaarlijken tocht behulpzaam te zijn. Sommige van die touwen werden doorgesneden en bleven aan de rotsen hangen. Ook bleven wij nu aan elkander vastgebonden. De verschrikte gidsen durfden bijna geen voet verzetten, ook ondanks de hulp van de touwen; de oude Pieter wendde zich herhaalde malen tot mij, telkens, met bleek gelaat en bevende over al zijn ledematen, op angstigen toon herhalend: “Ik kan niet meer.”

“Omstreeks zes uur des avonds bereikten wij de sneeuw op den rotskam, die naar de zijde van Zermatt afdaalt: nu was alle vrees voor gevaar geweken. Meermalen deden wij vergeefsche pogingen om eenig spoor van onze ongelukkige reisgezellen te ontdekken; over den rand der rotsen heengebogen, riepen wij hen uit al onze macht: maar daar kwam geen antwoord. Eindelijk overtuigd dat zij buiten het bereik waren van onze stem en van ons oog, staakten wij deze vruchtelooze pogingen.

“Te zeer ter neer geslagen om te kunnen spreken, brachten wij in stilte de voorwerpen bijeen, die aan ons en aan onze verloren makkers hadden toebehoord, en maakten wij ons gereed, naar Zermatt af te dalen, toen plotseling een vreemd verschijnsel onze oogen trok. Hoog boven den Lyskamm teekende zich eensklaps een reusachtige regenboog in de lucht. Bleek, kleurloos, zwijgend, vertoonde deze zonderlinge verschijning volkomen zuivere en scherpe omtrekken, uitgenomen aan de twee uiteinden, die zich in de wolken verloren: het scheen een visioen uit eene andere wereld. Met bijgeloovige vrees vervuld, volgden wij met stomme verbazing de langzame ontwikkeling der beide groote kruisen, ter wederzijde van dezen zoo zonderlingen boog geplaatst. Ik zou ter nauwernood mijne oogen geloofd hebben, indien niet de beide Taugwalders nog vóór mij dit uiterst vreemde verschijnsel hadden opgemerkt; natuurlijk zochten zij daarin een bovennatuurlijk, geheimzinnig verband met ons droevig ongeluk. Een oogenblik hield ik dit verschijnsel voor eene loutere luchtspiegeling, waarbij wij zelven mede een rol vervulden; maar onze bewegingen brachten in de figuren hoegenaamd geene verandering te weeg. De spookachtige verschijning bleef, in al hare geheimzinnige duidelijkheid, onveranderlijk. Het was een aangrijpend, wonderlijk, ongekend schouwspel, ook voor mij, die al zoo veel zonderlinge dingen had gezien. In de bijzondere omstandigheden, waarin wij ons bevonden, maakte deze verschijning, waarvan ik nog heden geen verklaring of rekenschap kan geven, een onuitsprekelijken indruk.

“Ik was gereed om te vertrekken, en wachtte op de twee gidsen. Zij hadden honger gekregen, hadden gegeten en waren ook weer spraakzaam geworden. Daar zij met elkander in de volkstaal spraken, kon ik hen niet verstaan. Eindelijk zeide de zoon tot mij in het fransch:

“Mijnheer.

—Wat is er?

—Wij zijn arme menschen; wij hebben onzen meester verloren; niemand zal ons betalen; dat is wel hard voor ons.

—Zwijg, zeide ik, hem in de rede vallende. Dat is gekkepraat, wat gij daar zegt; ik zal u betalen, evenals of uw meester nog in leven ware.”

“Zij spraken nog eenige oogenblikken met elkander in de volkstaal; toen begon de zoon weer:

“Wij verlangen van u niet, dat gij ons betalen zult. Wij vragen alleen dat gij in het boek van het hotel te Zermatt, en in uwe dagbladen zult vermelden dat wij geene betaling ontvangen hebben.

—Wat dwaasheid is dat nu? Ik begrijp u niet. Wat beteekent dat?

“Hij ging voort:

“Ja, ziet u ... in het volgende jaar zullen er een aantal reizigers te Zermatt komen, en wij stellig veel te doen krijgen.” bladzijde 87

“Wat viel er op zulk een voorstel te antwoorden? Ik zweeg; maar zij bemerkten zeer goed, hoezeer zij mijne verontwaardiging hadden opgewekt. Hun cynisme had den bitteren beker mijner smart doen overloopen; in mijn wanhoop slingerde ik met zooveel woede steenen en fragmenten van rotsen in de ledige ruimte, dat de beide mannen misschien nu en dan de vrees voelden opkomen dat ik henzelven in den afgrond zou werpen. Ik moest op eene of andere wijze aan mijn overkropt gemoed lucht geven!

“De avond viel; een uur lang gingen wij voort met in den donker af te dalen. Ten half tien uur vonden wij een soort van hut of afdak, dat nauwelijks voldoende ruimte aanbood voor ons drieën om te slapen; daar brachten wij zes eindelooze, verschrikkelijke uren door. Met het krieken van den dag waren wij weder op de been; in vluggen tred daalden wij van den Hörnli naar de hutten van Buhl, en vandaar naar Zermatt af. Seiler, dien ik aan de deur van het logement ontmoette, volgde mij zwijgend in mijne kamer.

“Wat is er toch gebeurd, mijnheer? vroeg hij.

—Ik ben met de Taugwalders teruggekeerd.

“Hij begreep mij en barstte in tranen uit; maar zonder verder den tijd met jammeren te verspillen, ging hij dadelijk heen om het gansche dorp te wekken. Het duurde niet lang, of een twintigtal mannen hadden zich gereed gemaakt om de hoogten van den Hohlicht te beklimmen, die zich boven den gletscher van den Matterhorn verheffen. Na verloop van zes uren keerden zij terug, en brachten ons de tijding dat zij de lichamen onzer ongelukkige reisgezellen hadden gezien, onbewegelijk op de sneeuw uitgestrekt. Het was Zaterdag; zij stelden ons dus voor, des Zondagsavonds op weg te gaan, ten einde des Maandagsmorgens vroeg het plateau van den gletscher te bereiken. Ik sprak daarover met mijn landgenoot, den Rev. Cormick; en daar wij ook zelfs de meest onwaarschijnlijke kans van behoud niet wilden veronachtzamen, besloten wij reeds des Zondagsmorgens op weg te gaan. Maar geen van de gidsen van Zermatt wilde met ons medegaan, omdat zij de vroegmis niet durfden verzuimen. Voor meer dan één onder hen was dit een harde strijd; Pieter Perrn verklaarde uitdrukkelijk, met tranen in de oogen, dat dit de eenige reden was, waarom hij zich niet bij ons kon aansluiten om zijne oude makkers te gaan opzoeken. Maar onze landgenooten kwamen ons te hulp. De Rev. J. Robertson en de heer Phillpotts waren bereid met ons te gaan, met hun gids Franz Andermatten; een andere Engelschman stelde de gidsen Joseph Marie en Alexander Lockmatter te onzer beschikking. Fredéric Payot en Jean Tairraz van Chamonix boden zich ook aan als vrijwilligers om den tocht mede te maken.

“Wij vertrokken dus den 16den, des Zondagsmorgens vroeg, ten twee uren, en volgden tot aan den Hörnli denzelfden weg, waarlangs wij den vorigen Donderdag getogen waren. Van daar daalden wij rechts af, en klommen toen omhoog tusschen de spitsen en naalden van den gletscher van den Matterhorn. Ten half negen hadden wij het bovenste plateau van den gletscher bereikt, en bevonden wij ons in het gezicht van de noodlottige plek, waar de lijken onzer ongelukkige makkers moesten liggen. Elke gids nam op zijn beurt den kijker, en reikte dien zwijgend aan zijn buurman over, terwijl eene akelige bleekheid zijn gelaat overtoog. Alle hoop was verloren. Wij traden naderbij. Daar lagen zij op de sneeuw, in dezelfde volgorde, waarin zij naar beneden gegleden waren. Croz een weinig naar voren; Hadow dicht bij hem; en vervolgens op eenigen afstand daarachter Hudson; maar van lord Francis Douglas was geen spoor te ontdekken: later vond men van hem slechts een paar handschoenen, een gordel en een laars. Wij begroeven de lijken in de sneeuw, op de plaats zelve waar wij ze gevonden hadden, aan den voet der hoogste piramide van den majestueuzen berg der Alpen.

“Croz en de drie verongelukte toeristen waren aan elkander vastgebonden geweest met het touw van Manille of met een ander even sterk touw; bij gevolg was het zwakste touw alleen gebruikt om lord Francis Douglas en den ouden Pieter Taugwalder aan elkander vast te binden. Dit feit was zeer in het nadeel van Taugwalder; hoe kon men aannemen dat de slachtoffers zelven genoegen hadden genomen met een touw, dat uit het oogpunt der soliditeit zooveel te wenschen overliet, te meer daar er nog ruim vijf-en-zeventig el van het beste touw in voorraad was? Het was dus zeer te wenschen, dat dit punt tot helderheid werd gebracht, en wel in het belang van den ouden gids zelven, die zich in een onbesproken naam mocht verheugen. Zoodra ik mijne verklaring had afgelegd voor eene commissie van onderzoek, door de kantonnale regeering van Wallis ingesteld, reikte ik aan de leden dier commissie een stuk over, waarop ik eene reeks vragen had geschreven, waardoor den ouden Pieter Taugwalder de gelegenheid gegeven werd zijne onschuld te bewijzen en de zware vermoedens, die op hem rustten, af te wenden.

“Inmiddels had de regeering bepaalden last gegeven dat de lijken naar Zermatt moesten worden gebracht. Den 19den Juli begaven zich mitsdien een-en-twintig gidsen van het dorp op weg om deze droevige en tevens gevaarlijke taak te volbrengen. Bij het afdalen liepen zij inderdaad groot gevaar: er scheelde weinig aan, of zij waren door het instorten van een der spitsen van den gletscher onder de sneeuw en het ijs bedolven. Ook zij vonden geen spoor van lord Douglas, die ongetwijfeld op een of andere rotspunt was terecht gekomen en daar blijven liggen. De stoffelijke overblijfsels van Hudson en Hadow werden in het noordelijk gedeelte der kerk van Zermatt ter aarde besteld, in tegenwoordigheid van eene talrijke en diep bewogen schare. Het lichaam van Michel Croz werd aan de andere zijde der kerk begraven; zijn eenvoudig grafteeken draagt eene inscriptie, waarin aan zijn moed, zijne rechtschapenheid en zijne toewijding eene welverdiende hulde wordt gebracht.

“De traditie, volgens welke de Mont-Cervin volstrekt onbeklimbaar zou wezen, was dan gelogenstraft; andere legenden, op meer waarheid gegrond, kwamen gaandeweg hare plaats innemen. Later reizigers zullen op hun beurt beproeven, deze trotsche, ontzagwekkende rotswanden te beklimmen: maar de geduchte berg zal bladzijde 88voor geen der later komenden ook maar van verre dat kunnen zijn, wat hij was voor hen, die het eerst den voet op zijn top zetten. Anderen zullen die met ijs omschorste kruin kunnen betreden; maar geen hunner zal de onbeschrijfelijke gewaarwording gevoelen, welke de borst doorstroomde van hen, die voor het eerst hun blikken lieten dwalen over dit wondervol panorama. Maar vurig hoop ik, dat geen later reiziger de blijdschap der overwinning aldus zal zien verkeeren in droefheid, de vroolijke juichtonen in smartelijke wanhoopskreten!

“De Matterhorn heeft zich jegens ons een geducht en verbitterd vijand getoond; langen tijd heeft hij al onze pogingen verijdeld; meer dan eenmaal heeft hij ons gedwongen, beschaamd en verslagen terug te keeren. Eindelijk, na eene overwinning, zoo gemakkelijk behaald als wij ons niet hadden durven voorstellen, heeft de wreede berg, als een ter aarde geworpen, maar niet vernietigde vijand, zijne nederlaag schrikkelijk, bloedig gewroken. O, er lag een verpletterende koele spotternij in de kalme, ontzaglijke majesteit, waarmede de granieten reus zich hoog ten hemel hief, nadat hij de vermetele stervelingen, die hem zijn geheim hadden ontrukt, in den afgrond had geslingerd!


De top van den Mont-Cervin.

“De dag zal eenmaal komen, waarop ook de Mont-Cervin zelf zal verdwenen zijn; waarop een reuzige, vormelooze steenhoop de plaats zal aanwijzen, waar de heerlijke berg stond. Atoom voor atoom, duim voor duim, el voor el, zwicht hij, langzaam maar zeker, voor de onophoudelijke, onverbiddelijke werking der eeuwige natuurwetten, waaraan niets weerstand bieden kan. Die dag is nog verre, zéér verre verwijderd: eeuwen en eeuwen zullen voorbijgaan, eer de zon zal opgaan over de puinhoopen van den Matterhorn! En inmiddels zullen de volgende geslachten vol bewondering hunne oogen opheffen naar dien berg, die, wat de eigenaardige schoonheid van zijn vorm aangaat, geen gelijke heeft onder de Alpen; zij zullen met ontzetting staren in zijne gapende afgronden, met vasten voet zijne steile rotsen beklimmen. En niemand dergenen, wien het geluk te beurt valt dezen berg te aanschouwen, hoe hoog zijne verwachting ook gespannen moge zijn, zal ontevreden huiswaarts keeren, omdat de werkelijkheid niet aan zijn ideaal beantwoordde.”


Op den top.

bladzijde 89

Herinneringen van den Stillen-Oceaan.1


Kaap Saint-Martin (Noekoe-Hiwa).

I.

De Aarde en haar volken: Jaargang 1877 - Full Text (De archipel der Markiezen-eilanden)

No comments:

Post a Comment