Monday, March 5, 2012

De Aarde en haar volken: Jaargang 1877 - Full Text (Reis naar de mijndistrikten van westelijk Zevenbergen)

Reis naar de mijndistrikten van westelijk Zevenbergen.


Hongaarsche-poort te Kolosvar.

De lezers van de Aarde zijn bezig, aan de hand van den heer Charles Yriarte, met wien zij reeds vroeger het schiereiland Istrië bezochten, eene wandeling te maken door Dalmatië. Wij noodigen hen thans uit tot een tocht naar een ander grensland der wijd uitgestrekte oostenrijksch-hongaarsche monarchie, een land weinig meer bekend dan Dalmatië, en waar toch ook zooveel te vinden is, waardig om de aandacht en belangstelling te boeien van ieder, die een open oog heeft voor de rijke verscheidenheid van het natuur- en menschenleven. En te meer durven wij op aandacht en belangstelling rekenen, nu onze gids op dezen tocht niemand minder zal zijn dan de beroemde fransche geograaf Elisée Reclus, wiens naam zeker weinigen onzer lezers onbekend zal zijn, en die in 1873 deze streken bezocht. Het verhaal zijner reis laten wij hier volgen.

I.

De spoortrein, die ons medevoerde, had zoo juist Nagy-Varad1 achter zich gelaten. De verstrooide huizen slonken al meer en meer, en schenen niets meer dan witte stippen te midden van het groen der tuinen. Er kwam meer beweging en verheffing in het landschap. Reeds strekten enkele kleine heuvelen hunne half begroeide hellingen ter wederzijde van den weg uit; een helder, dartel riviertje schoot lustig murmelend voort over haar bedding van glimmende steentjes; tegenover ons, naar de zijde van Zevenbergen, verhieven zich de blauwe toppen der bergen van Bihar, terwijl zich achter ons de onafzienbare hongaarsche vlakte uitstrekte, door den purperen avondgloed beschenen en bijna aan een reusachtig vaal lijkkleed gelijk.

O zeker, de magyaarsche vlakte, de wijde Puszta, heeft hare eigenaardige schoonheid, die ik niet miskennen zal, maar toch deed het mij genoegen, dat ik weder de bergen naderde. Als men een ganschen dag lang, van de ochtendschemering tot den avond, onophoudelijk hetzelfde landschap heeft aanschouwd, dat niet achter ons wegzinkt in het verschiet dan om voor ons weer op te doemen; als onze oogen moede zijn van het staren op altijd dezelfde boschjes van acacia's, dezelfde korenvelden, dezelfde diep doorgroefde kleiwegen, dezelfde dorpen met hunne vierkante witte hutten, dezelfde poelen waarin ganzen spartelen, dezelfde putten met hunne schuine balken; als wij te vergeefs hebben uitgezien naar golvende heuvellijnen aan den schemerenden horizon:—zie, dan is het een waar genot, weder eene meer afwisselende, rijker bladzijde 138geschakeerde natuur te mogen aanschouwen, bergen, wouden, ruischende wateren.

De bergketen, die door den spoorweg wordt doorsneden, vormt de natuurlijke grensscheiding tusschen Hongarije en Zevenbergen. De bergen van Bihar, die zich ter rechterhand in zuidelijke richting uitstrekken, hangen samen met de minder hooge Besy-bergen, die ten noorden den horizon begrenzen. De bergwanden naderen van beide zijden al meer en meer; weldra laten zij niet meer dan eene smalle kloof over, waarin de Sebes-Körös stroomt, die haar naam (Snelle Körös) met volle recht draagt, want pijlsnel stuwt zij hare wateren voort. Straks schijnt de vallei geheel gesloten; kalm vervolgt de lokomotief haar weg naar een loodrechte witachtige kalkrots, die als een muur oprijst; wisten wij niet welke schijnbare wonderen de ingenieurs weten te verrichten, wij zouden huiveren bij de nadering van die dreigende, overhangende rotsmassa, die telkens ontzagwekkender gedaante aanneemt.

Voor den aanleg van den spoorweg, vermeden de inwoners dezer streek de kloof van den Sebes-Körös, en bestegen, ten noorden van den pas, een der hellingen van het Besy-gebergte. De weg, die, zoo ver de heugenis reikt, de beide landen verbond en steeds door reizigers en legerbenden gevolgd werd, draagt den naam van Kiralyhago of Koningsopgang, ongetwijfeld omdat menigmaal de monarchen hier aan het hoofd hunner troepen langs trokken, en van deze hoogte een blik wierpen op de beide landen, aan hun schepter onderworpen. In de volkstaal worden nog heden zeer dikwijls Hongarije en Zevenbergen aangeduid door de benaming van het land aan deze en aan gene zijde van den Koningsopgang. Aan deze plek hechten zich belangrijke historische herinneringen. Naar men wil, volgden de Hunnen dezen weg, toen zij naar Hongarije trokken, na in de nabijheid den grond te hebben gelegd voor de sterke vesting Hunyad, sedert en nog Banffi-Hunyad genoemd. Walachen en Hongaren, Oostenrijkers en Russen hebben sedert de voetstappen der Hunnen gedrukt, dikwijls genoeg om, even als zij, verderf en dood te verspreiden. Volgens sommige geschiedschrijvers, zou een der zeven burchten of kasteelen, waaraan het land zijn duitschen naam2 dankt, tot verdediging van den pas van Kiralyhago hebben gestrekt.

De pas aangelegde spoorbaan heeft nog niet de eer gehad, voor strategische doeleinden gebruikt te worden, maar zij vergunt den reiziger een blik te werpen in eene liefelijke en uitnemend schilderachtige vallei. In plaats van den berg te beklimmen, zoo als de oude heirbaan, volgt de spoorweg den loop der rivier, en baant zich, met behulp van tunnels, een pad door de rotsen en bergen, die hem den doortocht zouden beletten. Bij een plotselinge wending, strijkt hij rakelings langs den voet eener rots, die nog de overblijfselen draagt van een vierkant gebouw, nauwelijks van de rots zelve te onderscheiden: dit is het Feeënkasteel. Daarnevens opent zich een grot: het Drakenhol; het monster zwerft door de sombere gangen en spleten van den hoogen kalkberg, en werpt, door de gaten en scheuren in de rots, een blik in de stille vallei. Gelukkig kunnen noch de fee, noch de draak langer kwaad stichten, want een der rotsen, die ge daar ginds boven de boschrijke hellingen ziet oprijzen, draagt den naam van de Bisschopsrots: en ge begrijpt dat de kerkvoogd niet heeft verzuimd, van zijn hoogen zetel de machten der duisternis onschadelijk te maken. Aan de andere zijde der vallei lokt u een liefelijker tafreel: de hellingen zijn minder steil; de rotsen hebben een minder dreigend voorkomen; de plantengroei is weelderiger; een zilveren beek treedt eensklaps uit het groen te voorschijn, en stort zich, met een bevalligen sprong, in den Körös.

Wat mij bovenal trof, was dat het land hier inderdaad zijn hongaarschen naam Erdely, Land der Wouden, ten volle verdiende. Aan alle kanten, niet slechts op de zacht glooiende heuvelen, maar ook op de steile rotswanden, overal waar maar een spleet of scheur voor de wortels gelegenheid bood om zich vast te hechten, zag ik bosschen en kreupelhout. Alom teekende zich het donkergroene gebladerte scherp af, hier tegen de witachtig grijze wanden der kalkrotsen, elders tegen den roodachtigen zandsteen of de metaalkleurige tinten van het glimmer-schiefer. Bij het verlaten van iederen tunnel, bij elke kromming van den weg, omringde ons op nieuw het woud: de heerlijke, verkwikkende geuren van het groote bosch woeien ons tegen op den adem des winds. Weinig vermoedde ik, dat ik reeds morgen in dit Land der Wouden, door naakte, boomlooze vlakten zou trekken, waar zelfs de acacia-boschjes van Hongarije ontbreken. Te oordeelen naar de onzinnige drift, waarmede de industrieelen de boomen omhakken, staat het te vreezen dat ook de vallei van den Sebes-Körös haar tooi van groenende wouden niet lang meer zal bezitten. Dennen balken drijven in lange rijen op de rivier, en stapelen zich op tot kleine eilandjes; bij elk station ziet men houtzagerijen, waar bergen van planken gereed liggen tot verzending; zwaar beladen wagens wachten op alle zijwegen. Het hout wordt hier voor allerlei doeleinden gebruikt; zelfs de bermen der spoorwegen zijn met een beslagwerk van takken belegd, waarvoor men toch zeer gemakkelijk steen had kunnen gebruiken.

Het begon donker te worden. Ik stapte uit aan het dorp Csucsa (spreek uit Tshoetsha), en liet den trein doorstoomen naar Kolosvar (Klausenburg). Hier zette ik voor het eerst, niet zonder aandoening den voet in een land, door Rumeniërs bewoond. De innige sympathie, die ik voor dit geheimzinnige volk gevoel, deed mijn hart sneller kloppen. Ik vroeg mij-zelven af, van waar die aandoening? Is het omdat de rumeensche natie ongelukkig is geweest, en vele eeuwen lang heeft gezucht onder het juk der dienstbaarheid en het brood der verdrukking gegeten? Is het omdat hare taal denzelfden oorsprong heeft als de latijnsche talen der westersche volken, en is het de stem des bloeds, het instinkt der familie, dat onbewust in mij spreekt? Ongetwijfeld bladzijde 139werkten deze beide oorzaken samen; bovendien overviel mij ook die geheimzinnige aandoening, welke ieder aangrijpt, die voor het eerst eene vreemde wereld betreedt.

Een jonkman gaat ons voorbij. Zijn kleine stroohoed met omgeslagen randen staat coquet op zijne bruine golvende lokken; hij draagt een overjas van witte wollen stof en een breeden gordel van geborduurd leder. Hij ziet mij even aan.

Roumoun? vroeg ik.

Roumoun,” antwoordde hij.

En wij groetten elkander. De ontmoeting was zeer vluchtig, en toch was er meer tusschen ons voorgevallen, dan in die twee gewisselde woorden lag opgesloten. Ongetwijfeld zal hij zich zelven hebben afgevraagd, waarom ik, een vreemdeling, hem zoo vriendelijk toesprak: en ik dacht weder aan zijn arm, overwonnen en veracht ras, aan al de rampen en beproevingen, die het wellicht nog in de toekomst wachten. Zonderling toch is het lot der Rumeniërs in Zevenbergen. Zij vormen de groote meerderheid der bevolking, en toch zijn zij verstoken van alle staatkundige rechten; zij hebben zelfs geen officieel bestaan, en hun land is verdeeld tusschen de drie officieel erkende natiën: Hongaren, Szeklers en Saksers.

Nauwelijks was ik het dorp ingetreden, of een joodsche herbergier kwam, al buigende en glimlachende, op mij af. Hoe kon ik ontkomen aan een man, die mij met zoo uitgezochte beleefdheid behandelde? Hij vroeg met zooveel belangstelling naar mijne gezondheid, bleef zoo getrouw mij ter zijde, putte zich zoo zeer uit in allerlei vriendelijkheid en toonde zich zoo vaardig om aan al mijne wenschen te gemoet te komen en mij aangenaam te zijn! Mijne zeer korte antwoorden schrikten hem in 't minst niet af. Terwijl ik het middagmaal gebruikte, dat hij in aller ijl had laten gereed maken, trachtte hij mij met een vloed van woorden aan het verstand te brengen, dat ik niet beter kon doen dan een paar weken in zijne gastvrije woning doorbrengen. Daar hij al spoedig bemerkte, dat ik niet reisde om zaken te doen, maar om de natuur en de menschen te bestudeeren, prees hij mij het dorp Csucsa aan als het door de natuur zelve aangewezen uitgangspunt voor alle belangrijke tochtjes, die men in westelijk Zevenbergen kan doen. Was het mij om historische herinneringen te doen, had ik dan niet in mijne onmiddellijke nabijheid de oude magyaarsche stad Banffi-Hunyad, en nog dichter bij het oude kasteel van Sebes? Trokken fraaie landschappen mij meer aan, dan boden de vallei van Kalota en de boschrijke heuvelen, van waar de bovenste nevenstroomen van den Körös afdalen, mij alles aan, wat ik redelijker wijze wenschen kon. Was de hooge bergtop van Vlegyasza niet minder dan eene dagreis verwijderd? Wilde ik de onderscheidene volksstammen met hunne eigenaardige kleederdrachten leeren kennen, dan vond ik in den omtrek van Csucsa daartoe ruime stof: Rumeniërs, Magyaren, Joden en zelfs eene servische kolonie. Eindelijk—en dit was de dooddoener—moest ik mij wel wachten om het zoo bij uitnemendheid gezonde Csucsa te verlaten en mijn verblijf te gaan vestigen te Kolosvar, want daar heerschte de cholera, en—het was verschrikkelijk om te zeggen—nooit keerde een vreemdeling van daar terug.

Ik beken dat deze laatste mededeeling eenigen indruk op mij maakte; maar ik sloeg maar half geloof aan de woorden van den kruiperigen, gluiperigen Jood, wien het louter om mijn geld te doen was; de pogingen die hij aanwendde om, tegen zijn natuurlijken aard in, oprecht te schijnen, vervulden mij met dubbel wantrouwen.

Den volgenden morgen vertrok ik dus met den eersten trein, ondanks de vermaningen en vertoogen van mijn kastelein. Ik moet echter bekennen, dat hij, toen hij de schoonheid der omstreken van Csucsa roemde, eens niet gelogen had. Nog half in den doorzichtigen morgennevel gehuld, was het landschap allerbekoorlijkst: vrouwen, met rooskleurig voorschoot, met smaakvol geborduurde jakjes, stonden om de fontein gegroept, en keerden zich om, ten einde ons na te zien; groote witte ossen met lange hoornen leschten hun dorst aan de murmelende beek; ruischende wateren stroomden te midden van het malsche gras; de weilanden en bosschen verdwenen dommelend in den nevel, terwijl de bergtoppen, reeds door de zon verlicht, zich stralend in de heldere lucht verhieven.

Maar nauwelijks had ik den tijd een blik te werpen op dit bevallig tafreel, en reeds was het verdwenen. Tot mijn spijt: want naarmate wij Kolosvar naderden, werd het land vlakker, dorder en alledaagscher.

II.

Kolosvar, de tweede stad van Zevenbergen, wat het aantal harer bevolking aangaat, is uit een staatkundig oogpunt de eerste: ook beroemt zij er zich op, al de andere steden te overtreffen door de schoonheid harer gebouwen, den beschaafden toon van haar gezellig verkeer, de verfijning harer zeden. En toch, als ik het niet vooruit geweten had, zou ik nimmer op de gedachte zijn gekomen, dat ik mij in eene hoofdstad bevond. Twee rijtuigen stonden zeer bescheiden aan het station te wachten, en ik was de eenige reiziger, die hier afstapte. De straten waren bijna ledig; op het groote plein waren geen wandelaars te zien; en toen ik langs het voornaamste koffiehuis ging, draaiden de weinige bezoekers zich nieuwsgierig om, alsof de verschijning van een vreemdeling eene zeldzame gebeurtenis was. Ook de overdreven ijver van de bedienden in het hotel maakte een zonderlingen indruk. Kolosvar had inderdaad geheel het voorkomen van eene kleine provincie-stad; maar toch was er in de manieren der inwoners iets dat mij verbaasde.

Het duurde niet lang, of dit raadsel helderde zich op. Te midden der algemeene stilte, die in de stad heerschte, werd mijn oor pijnlijk getroffen door het gelui van de klokken aller kerken, en van tijd tot tijd hoorde ik uit mijne kamer een dof geluid, als van regelmatig voortgaande voetstappen. Ik zag naar buiten: het waren lijkstaatsies, die elkander opvolgden; somwijlen vertoonde zich de eene sombere stoet nog voor dat de andere verdwenen was: het was een onafgebroken, akelige processie. Het bleek mij nu, dat de herbergier van Csucsa niet bladzijde 140al te zeer gelogen had: de cholera richtte in Kolosvar geduchte verwoestingen aan, en het was niet raadzaam hier lang te vertoeven. Ik was inderdaad blijde, dat ik nog dien eigen avond door een vriend zou worden afgehaald om naar buiten te gaan.


Het Drakenhol.

De kerken waren opgevuld met menschen in rouwgewaad; ook lokte het alles behalve fraaie voorkomen dier gebouwen mij niet uit tot een bezoek aan het inwendige. Ik liet dus de kerken voor wat zij waren, en besteedde mijn tijd met eene wandeling door de stad en hare onmiddellijke omstreken. Al dadelijk merkte ik op, met hoeveel zorg het gemeentebestuur de riolen had laten reinigen, om in de straat, van afstand tot afstand, kleine hoopen van allerlei onreine stoffen op te stapelen, die nu in de brandende Augustus-zon lagen te rotten! Dit deed mij denken aan eene anekdote, die ik onlangs in een dagblad gelezen had. “Neemt u in acht; de cholera nadert! Verzuimt niet de noodige voorzorgsmaatregelen te nemen”;—zoo had men uit Pesth aan de magistraten van eene of andere servische of magyaarsche stad van het Banaat getelegrafeerd. Den volgenden dag reeds kwam het antwoord van de heeren: “Wij zijn gereed. De cholera kan komen!” Men ging aan het onderzoeken, en nu bleek het dat de gezondheidsmaatregelen in niets anders hadden bestaan dan in het delven van eenige honderden grafkuilen op het kerkhof!

Deze vuilnishoopen uitgezonderd, is de stad echter over het algemeen zeer zindelijk. De huizen, bijna allen van eene enkele verdieping, velen zelfs zonder bovenverdieping, zijn zorgvuldig wit gepleisterd, terwijl de vensters met fraai traliewerk, naar spaansche manier, prijken; de straten zijn breed en van voetpaden voorzien. In afwijking van de gewone bouworde in de hongaarsche steden, staan hier de woningen niet elk op zich zelve, te midden van een tuin; even als in de westersche steden zijn zij naast elkander gebouwd, en vormen meer of minder regelmatige blokken. Trouwens de stad is ook van duitschen oorsprong, althans door Duitschers herbouwd. De oude romeinsche kolonie toch was niet meer dan een ellendig walachijsch gehucht, toen de Duitschers zich in het begin van de vijftiende eeuw hier vestigden. Zij herbouwden de stad, en lieten haar haar alouden naam van Clusia, overgezet in Klausenburg; daarop omgaven zij haar, naar hunne gewoonte—eene gewoonte, waarvan de heldhaftige Magyaren niets wilden weten;—met sterke muren. Die muren bestaan gedeeltelijk nog, maar dienen nu deels als tuinmuren en zijn deels met kleine huisjes bebouwd; ook zijn er nog enkele poorten, die aan overigens zeer burgerlijke wijken een zeker antiek feodaal voorkomen geven.

De duitsche bevolking zelve heeft zich minder goed in stand gehouden, dan de door haar gebouwde muren. Men is vrij algemeen van gevoelen, dat de Duitschers, als zij eenmaal in een land gevestigd zijn, zich daar als eene afzonderlijke nationaliteit blijven handhaven, en dat zij langzamerhand hunne buren met hun geest doordringen en verduitschen. Dit is echter niet zoo: veeleer zou men kunnen zeggen, dat het tegenovergestelde overal valt op te merken. Wel hebben de Duitschers, in dichte massaas toestroomende, de slavische en lithauische bevolkingen van oostelijk Pruissen, even als de Wenden in Oostenrijk, verzwolgen; maar daar staat tegenover, dat in Polen, in Hongarije, in de zuid-slavische landen, in Italië, de meeste hunner koloniën als sneeuw voor de zon versmolten zijn. In de Vereenigde-Staten vertoont zich hetzelfde verschijnsel: na verloop van hoogstens een paar geslachten zijn de duitsche landverhuizers Amerikanen geworden. In Zevenbergen hebben de uit de Rijnlanden afkomstige Duitschers, ten onrechte Saksers genoemd, zich, dank zij hunne privilegiën, hunne hoogere beschaving, en de uitgebreidheid van het door hen ingenomen grondgebied, tot op onzen bladzijde 142tijd als eene afzonderlijke natie weten te handhaven, maar een aantal van hunne verspreide volkplantingen zijn toch mettertijd gemagyariseerd of gerumaniseerd geworden. De duitsche kolonie van Klausenburg is, even als de stad zelve, hongaarsch geworden. De meeste duitsche familiën hebben haar geslachtsnaam vertaald, of de spelling zoo veranderd, dat hij er bijna magyaarsch uitziet; zij hebben de taal, de zeden en zelfs den nationalen trots der Hongaren overgenomen: ook deze afstammelingen van Germanje beroemen zich op hunne gewaande afkomst van Arpad en Attila. Echter heeft zich ook to Kolosvar, even als elders, de invloed der vermenging van verschillende rassen zeer duidelijk doen gevoelen: de eigenaardigheden en tegenstellingen worden gaandeweg uitgewischt en alle oorspronkelijkheid verdwijnt. Met uitzondering van de Tsiganen, gewapend met hun violen, en van de walachijsche en magyaarsche boeren, die nog hun traditioneel kostuum hebben behouden, is het tegenwoordig zeer moeilijk, de verschillende ethnologische groepen, waaruit de bevolking van Kolosvar en haar omtrek is saamgesteld, van elkander te onderkennen. Zoo zijn de voornaamste kooplieden der stad van afkomst Armeniërs, maar niemand zou dat ooit vermoeden: zij hebben tot zelfs hunne taal vergeten.


Landlieden uit de vallei van den Sebes-Körös.

De buitenwijken on voorsteden van Kolosvar hebben geheel en al haar duitsch karakter verloren. De huizen, die den breeden weg omzoomen, maken niet de allerminste aanspraak op architectonische schoonheid; zij laten den voorbijgangers niets zien dan een zijgevel, half verdwijnende in de schaduw van een ver overhangend dak; de voorgevel ziet op den tuin uit, maar die is doorgaans niet te bespeuren: dit gedeelte van het huis is bijna geheel verborgen achter eene heining of omwalling van planken of gebladerte, vermengd met vruchtboomen, seringen, klimop en andere planten. Ik had mij kunnen voorstellen in Amerika te zijn, zoo zeer geleken deze verstrooide woningen der zevenbergsche stad op de huizen van menige stad in het zuiden der Vereenigde-Staten. Soortgelijke oorzaken hebben soortgelijke gevolgen gehad; en onder die oorzaken, aan beide landen gemeen, bekleedt de geringe waarde van den grond en van het timmerhout eene eerste plaats: van daar de schijnbaar zoo zonderlinge overeenkomst in de bouworde van twee zoo ver verwijderde landen, door geheel andere rassen bewoond.

De weg liep opwaarts: ik had dien voorbedachtelijk gekozen, in de hoop dat hij mij naar een heuvel of eene hoogte voeren zou, van waar ik op mijn gemak de in de vlakte gebouwde stad zou kunnen overzien; maar de voorsteden zijn zoo uitgestrekt, dat ik een geruimen tijd loopen moest, eer ik een punt bereikte, van waar de blik vrijelijk het geheele dal van Kolosvar kon omvatten. Echter beklaagde ik mij de moeite der wandeling niet. De stad met haar torens; de valleien van den Nadas en den Szamos, die tusschen slanke populieren hunne wateren vermengen; de lommerrijke heuvelen en dalen, waaruit heldere beeken te voorschijn treden; de bergen van Bihar met de overblijfselen hunner statige wouden:—dit alles vormt, aan de zijde van het westen, een zeer bekoorlijk geheel; maar als men zich naar het noorden en het oosten keert, welk eene akelige tegenstelling! Daar strekt zich de Mesöseg, de Middenvlakte, uit: een treurig, somber, golvend plateau, niet ongelijk aan eene grauwe zee. Geen enkele boom is hier staande gebleven; het hart van het Land der Wouden is herschapen in eene naakte, grijze, eentonige vlakte, waar de toenemende verdroging van den grond en het ongebreidelde geweld der van de bergen stroomende wateren al meer en meer de bebouwing moeilijk, den oogst onzeker maken. Aan den verren, verren gezichteinder schemeren flauwelijk de toppen der bergen van Bistritz: ge wendt het oog naar deze blauwende omtrekken, nog even zichtbaar, als om u te troosten over de akelige dorheid dezer streek, door de natuur zoo mildelijk met schoonheid begaafd, maar door den mensch zoo ruw geschonden.

De heuvel, waarop ik stond, is een voorsprong van den Felek, die de scheiding vormt tusschen de bekkens van den Szamos en den Maros. Deze berg is bij de geologen wel bekend, uithoofde van de langwerpige of wel geheel ronde zandsteenen, die men hier in groote menigte aantreft. Aan de hoeken van alle straten van Kolosvar, bij den ingang der koetspoorten, en langs de wegen die van de stad uitgaan, merkt de reiziger die steenen op, die daar zoowel dienen tot grenspalen als tot sieraad. Het zijn groote kogels, door concentrische lagen zandsteen gevormd; sommige dezer blokken, vooral die men beneden aan den berg vindt, zijn zoo regelmatig en zuiver van vormen, dat men moeite heeft om niet aan den arbeid eener menschenhand te denken. Anderen munten uit door hunne kolossale afmetingen; nog anderen zijn aan elkander verbonden, even als de kralen van een ketting, in vroegere tijden door een reuzenhand daar neergeworpen.

III.

Te Kolosvar teruggekeerd, vond ik den vriend, die mij daar bescheiden had, en zonder langer oponthoud begaven wij ons op weg naar een dorp, omstreeks twintig kilometers meer noordelijk, in de vallei van den Szamos gelegen. De avond begon te vallen; een koude noordoosten wind, volgende op de warme temperatuur van den dag, noopte ons, ons zoo dicht mogelijk in onze jassen en mantels te wikkelen, waarin wij schier wegdoken als een schildpad onder haar schild. Het was mij dus niet mogelijk, veel aandacht te wijden aan het omringende landschap, dat trouwens niet veel bijzonders opleverde; alleen de voorwerpen, die aan de noordzijde den weg begrensden, trokken nu en dan mijne blikken tot zich.

Het eerste groote gebouw, dat buiten de voorsteden van Kolosvar verrijst, vertoont in zijn zwarte en afgebrokkelde muren de duidelijke sporen van brand; ook is het dak verdwenen. Ik meende eerst, dat ik de overblijfselen voor mij zag van eene of andere fabriek, die bij ongeluk een prooi der vlammen geworden was; maar vernam tot mijne verbazing, dat dit de bouwval was eener adellijke hongaarsche woning, in 1849 door de rumeensche boeren geplunderd en verbrand. Zoo had men dus welhaast een menschenleeftijd bladzijde 143laten voorbijgaan, zonder die sporen van den noodlottigen burgeroorlog te doen verdwijnen, en dat in de onmiddellijke nabijheid eener hoofdstad! Later, bij het bezoeken van andere streken van Zevenbergen, had ik gelegenheid, vrij wat belangrijker ruïnen te zien; en ook daar schenen noch de eigenaars, noch de gemeentebesturen er aan te denken, de vernielde huizen weder op te bouwen. Er zijn, in die streken, enkele dorpen, waar men zou kunnen meenen, dat de verbitterde oorlog der rassen nog niet of zoo pas geëindigd is.

Bij het zien dier puinen, de getuigen en bewijzen eener plotselinge uitbarsting van wilde woede bij de bevolking, zou men lichtelijk in den waan komen, dat de Magyaren en de Rumeniërs elkander instinktmatig een onverzoenlijken haat toedragen: en toch is dit zoo niet. Ongetwijfeld is de herinnering aan het van weerszijde vergoten bloed niet uitgewischt, en zullen beide partijen u hare eigene lezing geven van de oorzaken van den fellen strijd en van de geschiedenis dezer vreeselijke dagen: lezingen, die, in menig opzicht van elkander afwijken;—maar toch schijnt het mij niet toe, dat hier inderdaad nationale haat in het spel is.

De vriendelijke woning, waarin ik eenige dagen zou doorbrengen, door de meest kiesche en voorkomende gastvrijheid voor mij tot feestdagen gemaakt, stond midden in een dorp, waar Hongaren, Rumeniërs en Tsiganen in vrede en eendracht naast elkander leven. Om de bonte verscheidenheid nog te vermeerderen, was een troep Szeklers van de moldavische grenzen gekomen, om den oogst te helpen binnenhalen; terwijl eene kleine kolonie van zwervende Tsiganen haar kamp op den naburigen heuvel had opgeslagen. De Duitscher, dien men anders in geen hongaarsch dorp mist, was hier niet te vinden; maar hij was toch niet verre: hij had eene herberg gebouwd op eene verhevenheid, waar twee wegen samenloopen, zoodat hij de reizigers van verre kon zien aankomen. De Joden hadden mede eene kolonie in den omtrek; eindelijk zag men in de verte eenige boomen en enkele witte stippen: daar lag de armenische stad Szamos-Ujvar. Iemand, die zich aan de studie van vergelijkende ethnologie wilde wijden, zou in geheel Zevenbergen weinig streken vinden, die hem rijker stof konden aanbieden.

Onze naaste buren waren Tsiganen.3 Hunne schuren en hunne woningen met de pyramidale strooien daken staan schilderachtig gegroept op den berm van een beek, waarin een aantal kinderen spelen en ploeteren, te midden van buffels, die, ter halverlijve in den modder verzonken, rustig liggen te herkauwen. De leemen wanden zijn zorgvuldig met witkalk bestreken, en de vensters zijn versierd met grove roode freskoos. De woning bevat twee of drie vertrekken, waarvan de harde kleibodem altijd netjes geveegd wordt; de aarden kachel of vuurhaard, het voornaamste meubel van het huis, is, even als de vensters, versierd met schilderwerk in schel roode kleur; de kasten en planken staan vol met allerlei soort van voorwerpen, wel zonderling geplaatst, maar toch zonder wanorde. De verschillende gereedschappen voor den arbeid en voor de huishouding hangen aan den wand, even als de violen, waaruit de Tsigane zoo wondervolle tonen te voorschijn brengen kan. Hij heeft ook een klein schilderijenkabinet: godsdienstige prenten, karikaturen, zorgvuldig uitgeknipt uit een langs den weg gevonden dag- of weekblad, afbeeldingen van fantastische lokomotieven en velocipeden. Het is waar dat de zoldering van het vertrek zeer laag is, en dat iemand van meer dan middelbare lengte groot gevaar loopt zijn hoofd tegen de balken te stooten; maar in haar geheel genomen, ontbreekt het dezer woning toch niet aan comfort en maakt zij door haar zindelijkheid een aangenamen indruk.

De Tsigane zou niet zoo veel zorg voor zijne woning dragen, haar niet zoo versieren, indien hij zijn tehuis niet liefhad. Sedert hij zich eene vaste woonplaats gekozen heeft, dat wil zeggen sedert ongeveer honderd jaar, heeft hij geheel en al dien lust tot zwerven verloren, dien men tot dusver algemeen voor een ingeboren hartstocht van zijn ras gehouden had. Hij kent zich den stamverwant van den zwervenden Tsigane, die als een wolf langs de zoomen van het woud sluipt, maar hij gevoelt niet de minste begeerte om hem na te volgen. Hij is tegenwoordig een beschaafd man, een gezeten burger, even als zijn buurman de Walacher en de Magyaar, en zijn huis is niet het minst aangename.

De Tsiganen zijn zeer op vormen en étiquette gesteld, en zouden het als eene beleediging beschouwen, indien men tegenover hen aan die étiquette te kort deed. Onze eerste bezoeken golden dus de overheidspersonen en magnaten van het dorp, want elke kleine volkplanting heeft haar miniatuur hofhouding, bestaande uit een woïwode of vorst en uit een “zederechter.” De eerste zorgt voor de tijdelijke, de andere voor de geestelijke belangen. De eerste voert den stok, of beter gezegd den schepter, sinds onheugelijke tijden het teeken des gezags. Hij bestuurt en regelt den veldarbeid, hij bekleedt de eerste plaats bij de feesten, hij opent den dans, hij antwoordt met een genadigen glimlach op de huldebetooningen zijner onderdanen. De zederechter bezoekt de gezinnen, doet onderzoek naar het gedrag der jongelingen en der jonge meisjes, tracht de echtgenooten, die door hun twisten den slaap hunner buren verstoren, weer te verzoenen, legt de onderlinge geschillen bij, bepaalt en int de boeten. Wij hadden niet het voorrecht, de beide potentaten te huis te treffen; maar eenige uren later ontmoetten wij den woïwode zelven te midden van een groep maaiers. Zoodra hij ons gewaar werd, nam hij eene deftige houding aan, en hief majestueus zijn stok in de hoogte, om de arbeiders tot ijver aan te sporen. Men zegt echter van hem, dat hij zeer lui is, en dat hij van elke afwezigheid van den landheer en den rentmeester gebruik maakt, om zijn onderdanen het voorbeeld van volslagen werkeloosheid te geven: maar dit kleine gebrek bladzijde 144daargelaten, verdient hij niets dan lof. De noodlottige bedwelming van het gezag is hem niet naar het hoofd gestegen. Zijn paleis onderscheidt zich ter nauwernood van de andere huisjes, en zijn vermoedelijke opvolger brengt, even als de andere jongelieden van het dorp, Tsiganen of Walachen, den nacht door in de open lucht nabij een loods; alleen als het des winters sneeuwt of stormt zoekt hij eene schuilplaats in de ouderlijke woning.


Oude poort te Kolosvar.

Het is niet gemakkelijk, de eigenlijke meening van den Tsigane te doorgronden, want hij is het altijd eens met dengeen, die hem ondervraagt. Buigzaam en onderdanig, wacht hij met zijn oordeel te zeggen tot dat de aanzienlijke en machtige gesproken heeft; maar wie weet, welk ondoorgrondelijk geheim hij in zijn hart bewaart? Misschien heeft hij ook eene eigen godsdienstige overtuiging; maar hij heeft zoo dikwijls van geloofsbelijdenis moeten wisselen, naar gelang zijn meesters dat wilden, dat hij in 't eind de eenvoudigste partij gekozen heeft: die van de heerschende godsdienst des lands te belijden, waar hij zich bevindt. Als hij van woonplaats verandert, verandert hij ook van geloofsbelijdenis; nu eens behoort hij tot den griekschen, dan tot den latijnschen ritus. In ons dorp waren de Tsiganen Calvinisten, en lieten er zich vrij wat op voorstaan dat zij tot dezelfde kerk behoorden als de magyaarsche adel des lands. Zij beschouwden zich ook als verheven boven hunne buren de Walachen.

Dezen, de afstammelingen der oude Daciërs, vormen de meerderheid der bevolking in de vallei van den Szamos, zoo als in het grootste gedeelte van Zevenbergen. Bovendien hebben zij zich vermenigvuldigd ten bladzijde 145koste der Magyaren; men vindt onder hen een aantal boeren, wier namen zuiver hongaarsch zijn gebleven, maar die de taal hunner voorouders geheel vergeten hebben, en zoowel door hun spraak als door hun zeden echte Rumeniërs zijn geworden; zelfs de magyaarsche dorpelingen, die zich hunner afkomst nog bewust zijn, en die onder elkander hunne moedertaal nog in al hare zuiverheid spreken, hebben toch de levenswijze der Rumeniërs aangenomen. In Zevenbergen doet zich een verschijnsel voor, waarvan de geschiedenis talrijke voorbeelden heeft aan te wijzen, dat, namelijk, de kaste, meer nog dan het ras, van overwegenden invloed is geweest op de splitsing der bevolking in verschillende nationaliteiten. De van grondbezit beroofde Hongaar werd een Walacher; daarentegen liet de tot den adelstand verheven Rumeniër nooit na, zich voor een Magyaar te doen doorgaan. In het zuidelijk gedeelte van Zevenbergen, vooral in het comitaat van Hunyad, zijn de rumeensche edelen zeer talrijk, en sinds onheugelijke tijden hebben zij nevens de hongaarsche edelen zitting gehad in de raadzalen en vergaderingen. Men heeft hun eindelijk den naam van Magyaren gegeven, en zij beschouwen zich zelven ook als zoodanig.


Bruidsjonkers te Kolosvar.

Sedert de groote gebeurtenissen, die omstreeks de helft dezer eeuw in Zevenbergen plaats grepen, hebben ook de Walachen hun aandeel aan het grondbezit ontvangen. Langs de hellingen der heuvelen ziet men alom lange smalle streepen, die juist geen gelukkig effect maken in het landschap: dat zijn de grondstukken, die hun zijn toebedeeld geworden. Het moet trouwens erkend worden, dat de wijze waarop zij den grond bebouwen, hun niet tot eer strekt. De velden en akkers, die zij als eigenaars bewerken, verkeeren in geen beteren bladzijde 146toestand dan de velden, waarop zij als daglooners arbeiden. Ik stond verbaasd toen ik vernam, dat zij in meer dan één dorp zelfs onbekend zijn met het gebruik van mest. De grond raakt dan ook vrij spoedig uitgeput; als de temperatuur en de vochtigheid niet bijzonder medewerken, houdt de voortbrenging eensklaps op; al wordt de akker geploegd en bezaaid, dan is de oogst toch geheel onbeteekenend. Dit is de oorzaak van de telkens herhaalde schaarschte en zelfs van werkelijken hongersnood, waardoor de bevolking van Zevenbergen zoo menigmaal geteisterd wordt: zelfs de cholera is waarschijnlijk niets anders dan het gebrek en de honger, onder eene andere gedaante. Tijdens mijne reis, maakte het land over het algemeen een allertreurigsten indruk. De maïs, hier koukouroutz genoemd, was al door de zon verbrand, nog eer zij zich tot airen gezet had; op sommige plaatsen zelfs was het zaad in het geheel niet opgekomen; in plaats van graan, zag men uitgestrekte bosschen van allerlei soorten van distels en onkruid. De meest gewone is de zoogenoemde russische distel, waarvan de russische paarden, in 1849, het zaad in hun hair medebrachten: dit was het geschenk der blijde inkomste, dat de Russen aan Zevenbergen aanboden!

Dat de Rumeniër uit de vallei van den Szamos zoo weinig zorg aan zijn akker besteedt, mag ook hierin zijne verklaring vinden, dat hij vooruit weet dat hij zijn eigendom spoedig kwijt zal zijn. De Jood is zijn natuurlijke erfgenaam. De herberg en de kruidenierswinkel zijn beiden in joodsche handen. De Jood verkoopt op krediet; hij leent ook geld, natuurlijk tegen schandelijke rente, die zeer dikwijls meer bedraagt dan het kapitaal; zoolang echter zijn ongelukkig slachtoffer nog een duimbreed gronds bezit, is hij voor hem zoo inschikkelijk en voorkomend mogelijk, louter kruipende beleefdheid; maar niet zoodra heeft de stelselmatig bestolen Rumeniër, in een tijd van schaarschte en gebrek, zijn laatste stuk grond moeten verkoopen of verpanden om zich het noodige meel te kunnen aanschaffen, of de Jood, nu volkomen eigenaar geworden, sluit voor goed zijn kas; en het spreekt wel van zelf, dat geen gebeden of smeekingen van den rampzalig geplunderde den vuigen woekeraar vermurwen kunnen. De Walacher schijnt niet die onverzettelijke wilskracht, dat onuitputtelijk geduld en die onuitroeibare gehechtheid aan den grond te bezitten, die de karaktertrekken zijn van den franschen boer; hij weet zich niet te ontdoen van zijne schulden en door onverpoosden arbeid, ten koste van de uiterste inspanning, zich in zijn bezit te handhaven. In minder dan een menschenleeftijd hebben de Walachen, in onderscheidene distrikten, de hun toegewezen grondstukken reeds weder geheel verloren; op nieuw zijn zij hoorigen geworden, nu wel niet krachtens de wet, maar door de macht der feiten. Slechts zijn zij van meesters veranderd, en deze verandering is in elk opzicht ten kwade: in plaats van de onvrije boeren te zijn van den hongaarschen magnaat, toch altijd een Christen en een edelman, aan wiens geslacht zij vaak door traditioneele banden en erfelijke herinneringen verbonden waren, moeten zij thans de onwaardigste en verachtelijkste van alle meesters, de joodsche geldschieters, de gewetenlooze bewerkers van hun eigen ongeluk, dienen. Van daar die verbittering en die haat, die somwijlen tot een uitbarsting komt, en waarbij men niet, zoo als sommigen het wel gaarne doen voorkomen, aan godsdienstige onverdraagzaamheid of aan verschil van ras te denken heeft, maar uitsluitend aan de tot wanhoop gedreven vertwijfeling van het arme, met duivelsche list en sluw bedrog uitgezogen, uitgeplunderde en vertrapte volk, dat eindelijk opstaat in zijn toorn om deze gierige bloedzuigers van zich af te schudden. Mochten deze landen, vroeg of laat, op nieuw een crisis hebben te doorleven, als in de jaren 1848 en 1849, dan zou, buiten eenigen twijfel, de woede van de boeren zich niet tegen de Magyaren, maar tegen de Joden keeren. En wanneer dan, door eene onder eigenaardige invloeden staande pers, het medelijden en de sympathie van westelijk Europa zal worden ingeroepen, dan zal het, als ook nu in dergelijke gevallen, niet zijn voor de ware slachtoffers, maar voor de koele, gewetenlooze beulen, wie eindelijk de gerechte wraak heeft achterhaald en die toch aan het goed geloovig publiek als onschuldige martelaars worden voorgesteld, ten wier behoeve zelfs de diplomatie haar invloed moet laten gelden!

Doch als het op pret maken aankomt, dan vergeet de Rumeniër gaarne voor een dag zijn ellende en zijn wrok. Eens, op een zondag, had ik het genoegen, de walachijsche dansen bij te wonen, en ik geloof niet, ooit zoo veel geestdrift, zoo veel opgewektheid te hebben gezien, als misschien bij de negers op de Antillen. De balzaal was alles behalve ruim: het was er zoo heet en zoo benauwd, dat men dreigde te stikken; zelfs den rustigen toeschouwers droop het zweet van het gelaat; maar de groepen van sierlijk uitgedoste dansers sprongen on draaiden en huppelden onvermoeid. De ruimte was zoo beperkt voor de talrijke menigte, dat de paren bijna niet van hun plaats kwamen, en dat men door koene sprongen in de hoogte vergoeding moest zoeken voor wat in de breedte ontbrak. Maar dat hinderde niet: de rythmus van den dans leed er niet onder: boven de bont gekleurde, schier verbijsterende werveling van rokken en buizen, wiegelden in snelle beweging rustelooze armen en hoofden. De hartstochtelijke pret was zoo aanstekelijk, dat ik zelf bijna in dezen onweerstaanbaren dans werd medegesleept.

Dien dag dansten de Magyaren ook. Hoewel de nabuurschap het verschil van zeden en gewoonten voor een groot deel heeft uitgewischt, en hoewel de mannen der beide rassen de hongaarsche csarda dansen, meende ik toch een zeker onderscheid op te merken. Het kwam mij voor, dat de Walachen meer natuurlijke bevalligheid bezitten, terwijl de dans der Magyaren minder levendig, doch misschien waardiger en ernstiger is. De hongaarsche danser is zeer beleefd, zeer galant; maar men zou zeggen, dat zijne beleefdheid niets meer dan een vorm is: eigenlijk schijnt hij zich weinig om zijne danseres te bekommeren. Boven alles schijnt hij ingenomen met zijn eigen persoon. Niemand danst beter dan hij als cavalier seul. Dan draait en wervelt hij op één voet, heft zijn armen bladzijde 147zegevierend in de hoogte, maakt allerlei buigingen, en neemt de meest verschillende standen aan. Zijne linten en kleurige franjes wapperen als vluchtige vlammen om hem heen: zijne belletjes en zijn sporen rinkelen en klingelen; maar dit geluid is hem niet voldoende: al dansende en springende, buigt hij zich om tegen zijne laarzen te kloppen, en als hij van vermoeidheid niet meer kan, als het zweet hem van het gelaat gudst, dan windt bij zich nog op door een zonderling woest geschreeuw.

Tusschen de dansers der beide natiën scheen de beste verstandhouding te bestaan. De Magyaren hadden zelfs de beleefdheid, de Tsiganen met hun violen naar hunne vrienden de Rumeniërs, wien het juist aan muziek haperde, te zenden. De eenigen, die bij het feest ontbraken, waren de Szeklers, de maaiers: groote, forsch gebouwde boeren, met een onbeteekenend gelaat en een zwaarmoedigen, plompen gang, die mij door hun voorkomen en hunne kleeding aan de landlieden uit Périgord deden denken. Misschien ook hadden zij van dezen rustdag gebruik gemaakt, om te Kolosvar een hunner kameraden te gaan bezoeken, die, ik weet niet voor welk vergrijp, in de gevangenis zat. Gedreven door een inderdaad treffend gevoel van medelijden en aanhankelijkheid, hadden al de bloedverwanten en vrienden van den gevangene, mannen en vrouwen, de lange reis afgelegd van de grenzen van Moldavië naar de vallei van den Szamos, om den beproefde een woord van troost en liefde toe te spreken; om de kosten van den tocht te kunnen betalen, hadden zij zich onderweg als maaiers verhuurd. De Hunnen hebben in Europa vreeselijke herinneringen achtergelaten; maar als hunne rechtstreeksche afstammelingen, de Szeklers, op hen gelijken, dan waren zij toch niet zulke monsters, als zij ons in de legende geschilderd worden.

IV.

Ik mocht de vallei van den Szamos niet verlaten, zonder een bezoek te brengen aan de armenische stad Szamos-Ujvar. Men had mij gezegd, dat die stad het in netheid en regelmatigheid van bouworde van alle zevenbergsche steden won; en ik hoopte daar nog enkele gebouwen te zullen vinden, die in hun stijl en hunne versiering iets eigenaardigs hadden, en op wier muren als het ware nog een weerglans speelde van de zon van Perzië. Deze verwachting werd echter teleurgesteld. De armenische huizen onderscheiden zich in hunne bouworde door niets van de hongaarsche huizen, en doen volstrekt niet denken aan de woningen van Erivan en Ordubad; maar zij hebben boven die van Kolosvar althans dit vooruit, dat zij niet omzoomd zijn door stinkende riolen: men vindt in de straten geen stilstaande poelen, en de stad bezit, op een eiland in den Szamos, een openbaren tuin met fraai geboomte en heestergewas, met een theater en een muziektent. Dat mag inderdaad iets zeldzaams heeten in een land, waar niemand aan dergelijke zaken van algemeen belang schijnt te denken. De afstammelingen der aziatische Haïkanen zijn dan ook niet weinig trotsch op het in het oog vallend contrast tusschen hunne kleine sierlijke woonplaats en de vervallen slordige steden der omwonende Magyaren en Rumeniërs.

De Armeniërs van Szamos-Ujvar zijn geünieerde Katholieken. Hunne kerk, die hoog boven de lage huizen uitsteekt, heeft niets bijzonders, hoewel de koster, met een vloed van woorden, niet nalaat de aandacht te vestigen op een schilderij, die naar hij beweert van Rubens zou zijn. In eene kast worden oude priesterlijke gewaden, met goud en zilver borduursel overladen, bewaard, die vroeger bij de godsdienstoefeningen werden gebruikt; op het altaar liggen armenische boeken, die de geestelijken nog wel kunnen lezen, maar die niemand verstaat. Wat, bij ons kortstondig bezoek, ons het meeste belang inboezemde, was ons gesprek met den Armeniër en zijn zoon, die ons tot gidsen verstrekten. Beiden waren geheel vervuld van dat eigenaardig patriotisme, dat zich niet aan den grond hecht, want de Armeniërs wonen hier in een vreemd land; dat evenmin in het ras wortelt, want de stamgenooten van verschillende godsdienstige belijdenis houden met elkander weinig of geen gemeenschap; maar dat enkel zijn grond vindt juist in de godsdienstige overtuiging, in de eenheid des geloofs, en dat juist daarom misschien de sterkste band van allen is. Toen zij met ons spraken over hunne kleine gemeente, schitterden de oogen der beide mannen van vreugde en innige liefde. Zij weidden uit over de geleerdheid van hun pastoor, over de goede inrichting hunner scholen, over den voorspoed en de welvaart hunner kooplieden. Ik vroeg eenige inlichtingen omtrent de Joden, maar bemerkte aanstonds dat ik daarmede een gevoelige snaar had aangeraakt. “O, riep de zoon op levendigen toon, die kunnen hier geen zaken doen, en bovendien heeft de cholera ze voor de helft uitgeroeid.” De oude Armeniër, hoewel blijkbaar met dit antwoord ingenomen, meende het echter aan zijne waardigheid verplicht te zijn, zijn erfgenaam eene zachte berisping toe te dienen over het min betamelijke van zijne uitdrukking.

De kerk verlatende, brachten wij eenige uren door met het bezoeken der winkels en magazijnen, en met eene wandeling door de straten, in den openbaren tuin en langs de oevers der rivier: maar nergens bespeurden wij eene armenische vrouw; slechts eens meenden wij, achter een dubbel raam, een vrouwelijk gelaat te zien, dat een haastigen, vluchtigen blik op de vreemdelingen wierp; en in den tuin ontdekten wij twee in lange kleederen gehulde schimmen, die bij onze verschijning haastig wegvloden. De Armeniërs van Szamos-Ujvar zijn niet zoo onhandelbaar jaloersch als hunne stamgenooten in de vallei van den Araxes; zij sluiten hunne vrouwen niet als in een kerker op; zij verbieden de jonge vrouw niet, zelfs met haar broeder en haar vader te spreken, en zorgen niet voor de stipte naleving van dit verbod, door haar een doek voor den mond te binden, die elk gesprek onmogelijk maakt; maar zonder nu juist zoo barbaarsch te zijn, als zij naar aloude zeden mochten wezen, zijn zij toch zeer streng, en hunne vrouwen brengen verreweg het grootste gedeelte van haar leven afgezonderd in het bladzijde 148vrouwenvertrek door. Eenige jaren geleden, toen de hongaarsche gouverneur den grooten weg deed aanleggen, die de vallei van den Szamos doorsnijdt, hadden de ingenieurs natuurlijk voorgesteld, om dien weg door de nijvere en handeldrijvende stad Szamos-Ujvar te laten loopen; maar de armenische kooplieden, die toch zeer goed begrijpen van hoeveel belang eene goede en gemakkelijke communicatie is, verzetten zich met hand en tand tegen het hun aangeboden geschenk. Zij meenden dat de weg de vreemdelingen zou uitlokken en naar de stad voeren, en dat hunne vrouwen daardoor tot nieuwsgierigheid zouden worden geprikkeld, van haar huis afkeerig zouden worden, lust zouden gevoelen om te gaan reizen, om de wereld te zien, en, als de westersche dames, ijdel en coquet zouden worden. Eindelijk gaf men aan hun verlangen, waarvoor zij zich zelfs geldelijke opofferingen getroostten, toe, en hunne stad is thans alleen door een lange populierenlaan en een houten brug over den Szamos, indirect met den grooten weg verbonden. Zal het hun ook gelukken, het gevaar af te wenden van den spoorweg, die hun boven het hoofd hangt; of wel zal het gezicht der lokomotieven en wagons zoo sterk op hun gemoed als kooplieden werken, dat zij ter wille van het handelsbelang, ditmaal alle andere bezwaren ter zij zullen zetten?


Het kasteel van Sebes.

Wat hiervan zij, waarschijnlijk zullen de Armeniërs eerlang ophouden eene afzonderlijke groep te vormen te midden der verschillende volksstammen van Zevenbergen. Het aantal hunner gezinnen is gering, vooral in vergelijking met de Rumeniërs; bovendien slinken hunne koloniën door eene aanhoudende verhuizing naar Pesth, Weenen en andere groote steden van het Westen; en zij die blijven, hoewel nog dikwijls kenbaar aan hun zwaren, zwarten hairdos, aan hunne langwerpige oogen, hun bruine tint en hunne dikke lippen, nemen toch langzamerhand den magyaarschen type aan; zij hebben hunne eigene taal vergeten, zij wijzigen hunne oude zeden en gebruiken, en hunne geschiedenis lost zich op in die der Hongaren, die deze ballingen gastvrij in hun midden hebben ontvangen. Op onze wandeling ontmoetten wij een merkwaardig exemplaar van zulk een gemagyariseerden Armeniër. Een heer van een hoogst gedistingeerd voorkomen kwam met een beleefden glimlach naar ons toe, en richtte eenige vriendelijke woorden tot ons. Deze man was niet wel bij het hoofd en verbeeldde zich een zeer gewichtig personage te zijn; maar in plaats van zich nu uit te geven voor den mythischen Haïk, den goddelijken Sint-Gregorius of een ander groot man uit de armenische geschiedenis, had hij zich in het hoofd gezet dat hij Koning Matthias was, een der helden van Hongarije.


Een hongaarsche dans.

Zoo wij de eer haddon, een minzamen groet te ontvangen van “Koning Matthias”, kwam het daarentegen niet in ons op, ons te laten voorstellen aan de meest bekende grootheid van de geheele provincie, aan den beroemden Rosza Sandor, wiens naam heeft gezweefd op alle hongaarsche lippen. Hij was de stoutmoedigste, de vermetelste betyar, roover, die ooit de harten der bewoners van de Puszta met angst en schrik heeft vervuld. Niemand kon zonder siddering zijn naam hooren uitspreken, maar tegelijk voelde men zich gestreeld dat een man van zoo onversaagden moed in Hongarije het levenslicht had aanschouwd. Toen de onafhankelijkheidsoorlog uitbrak, liet hij zijn rooversbedrijf varen, om als krijgsoverste op te treden; weldra won hij zich een schitterenden naam: Petöfi dichtte liederen te zijner eere, en in alle legerkampen werd luid de lof van den betyar gezongen. Indien hij het geluk had gehad, op het veld van eer te sneuvelen, dan zou de legende hem tot den rang van een der nationale helden hebben verheven: hij zou in de herinnering des volks zijn blijven voortleven als een wreker bladzijde 150der verdrukte onschuld, als een strijder voor recht en vrijheid, die het land doortrok om de geweldenaars te straffen en de onschuldigen te verdedigen. Ongelukkig sneuvelde hij niet, en wist zelfs te ontsnappen uit de vesting, waarin de Regeering hem opgesloten had. Nu weer eenvoudig boosdoener geworden, stelde hij zich aan het hoofd van eene bende dieven en moordenaars; en toen bet eindelijk gelukte hem te vatten, bleek hij het bagatel van eenige duizenden misdaden op zijn geweten te hebben: een last trouwens, dien hij zonder de minste moeite droeg. Men moest er wel toe komen, om den grooten man op te sluiten, en der gevangenis van Szamos-Ujvar viel de eervolle onderscheiding te beurt, dezen vorst der bandieten binnen hare muren te ontvangen. Misschien waren het wel vrienden en bewonderaars van Rosza Sandor, die, toen de cholera op het hevigst woedde, wisten te bewerken dat in drie steden van Hongarije de gevangenen op vrije voeten werden gesteld, onder voorgeven dat de epidemie in de kerkers een brandpunt zou kunnen vinden, van waar zij zich verder door het land zou verspreiden! Is dit zoo, dan hebben de Armeniërs van Szamos-Ujvar zich verstandiger getoond en het oor gesloten voor dergelijke inblazingen: althans Rosza-Sandor zit nog achter slot.

V.

De kleine wandelingen in den omtrek van Kolosvar zouden weldra gevolgd worden door eene langdurige reis in de bergen van westelijk Zevenbergen. Wij zouden met ons drieën die reis ondernemen, drie vrienden, allen evenzeer begeerig naar het genot der vrije schoone natuur. Ons klein gezelschap was, wat de verscheidenheid der talen aangaat, eenigermate een beeld in miniatuur van wat Zevenbergen in het groot is. De een, een echte Magyaar, hoewel hij een kroatischen naam draagt, sprak met den een zijner reismakkers in zijne moedertaal, met den ander in het duitsch; de tweede, ook een Magyaar, maar het duitsch slecht meester, sprak rechts in het hongaarsch, links in het fransch; de derde, Franschman van afkomst en taal, bediende zich beurtelings van het fransch en het duitsch; wanneer wij een boer tegenkwamen, bijna altijd een Rumeniër, moesten wij onze toevlucht nemen tot de walachijsche taal, die maar door één onzer gesproken werd. Wij waren maar met ons drieën, en toch hadden wij vier talen noodig, anders moesten wij ons met gebarenspraak behelpen.

Ondanks de cholera, was Kolosvar voor ons het aangewezen punt van uitgang; daar moesten wij de noodige toebereidselen voor onze reis maken en ons het een en ander aanschaffen. Van de weinige uren, die wij beschikbaar hadden, maakten wij gebruik om het geologisch museum van Kolosvar te bezoeken, onder geleide van den heer Brassay, een geleerde, die misschien beter dan eenig ander met zijn vaderland bekend is, en die door de zeldzame welwillendheid, waarmede hij de vreemdelingen ontvangt, aan allen eene aangename herinnering van dat land medegeeft. Onder zijne aanwijzing, hadden wij het genoegen, in de zalen van het museum, als het ware een kort begrip te zien van alle mijndistrikten, die wij gingen bezoeken; onder al de minerale schatten, waaraan dit Land der Wouden zoo overrijk is, toonde men ons ook blokken van dien prachtigen, witten en violetachtigen rotssteen, het ditroïet, dat misschien binnen kort de fraaiste zuilen zal opleveren, welke tot hiertoe door menschenhanden zijn opgericht.

Het was reeds volslagen duister, toen wij te Thorda, ons eerste station, aankwamen. Deze echt magyaarsche stad, ondanks haar duitschen naam van Thorenburg, ligt aan de oevers van den Aranyos of Goudrivier, tegen de laatste hellingen van een voorgebergte, dat het stroomgebied van den Maros van dat van den Szamos scheidt. Thorda is een der beroemdste punten van geheel Zevenbergen: aan de overzijde van den Aranyos strekt zich de wijde vlakte uit, waaraan de Walachen den naam geven van het Veld van Trajanus, omdat de romeinsche Keizer hier eene beslissende overwinning behaalde op hunne destijds nog barbaarsche voorouders. Nog andere bloedige gevechten zijn hier geleverd tusschen de verschillende volksstammen, die elkander het bezit van Zevenbergen betwistten: want Thorda is het door de natuur aangewezen punt van overgang tusschen de twee belangrijkste stroombekkens van het geheele land, en iedere veroveraar moest in de eerste plaats trachten, dezen strategischen sleutel in handen te krijgen. De nationale milicie kampeerde vroeger telken jare in deze van bloed doorweekte velden, bij de Hongaren bekend onder den naam van Keresztes-mesö (het Kruisvaardersveld); daar ook vertoonde de legeraanvoerder zich aan zijne soldaten, alvorens men ten oorloge trok.

Maar aan den naam van Thorda hechten zich nog andere herinneringen van meer vredelievenden aard. In deze stad werd, ten jare 1545, tusschen de Magyaren, de Szeklers en de Saksers het verbond van vriendschap gesloten, dat de grondslag werd der “zevenbergsche drieëenheid,” waarvan echter het verdrukte en verachte ras der Walachen was uitgesloten. Vijf-en-twintig jaar later proklameerde hier de Landdag volledige gewetensvrijheid voor alle inwoners des lands: een zeer loffelijk besluit, maar dat zonder eenig gevolg bleef: de godsdienstige vervolgingen toch begonnen ook weldra in Zevenbergen, en waren hier niet minder hevig dan in de andere landen der oostenrijksche monarchie.

Het geologisch onderzoek van Zevenbergen heeft doen zien, dat al de latere formatiën, waaruit de groote golvende vlakte van Meröseg, in het hart des lands, thans bestaat, in haar geheel beschouwd kunnen worden als een soort van deksel boven een uitgestrekte, onzuivere zoutlaag liggende, die op hare beurt niet anders is dan het overblijfsel van een vroeger meer, waarvan het water sinds lang verdampt is. Deze zoutbank, die zonder moeite zou kunnen geëxploiteerd worden, hetzij rechtstreeks, hetzij door middel van de zeshonderd zoutbronnen, die er uit ontspringen, heeft eene oppervlakte van niet minder dan vijf-en-twintigduizend vierkante kilometers; maar behalve deze in waarheid onuitputtelijke minerale schatten, in het hart der aarde verborgen, bezit Zevenbergen bladzijde 151nog ontzaggelijke hoeveelheden zout, dat zich aan de oppervlakte zelve vertoont, en dat door den regen wordt afgespoeld en tot zonderlinge gestalten gevormd. Te Paradj, in het hooge dal van een der nevenstroomen van den oostelijken Maros, ziet men zelfs een berg van zuiver zout, waarvan de overhangende kruin niet minder dan zeven kilometers in omtrek heeft en, naar men zegt, tweemaal zooveel mineraal bevat als de beroemde zoutberg van Cordona in Catalonië. Elders ziet men een zestigtal blanke zoutpyramiden, op den kleiachtigen bodem verrijzende als de tenten van een leger.

De zoutbank van Thorda kan niet, als de berg van Paradj, zonder veel moeite bij wijze van een steengroeve bewerkt worden; maar zij heeft daarentegen het voordeel eener veel gunstiger ligging voor het vervoer harer voortbrengselen naar de hongaarsche vlakte, waar het zout overvloedigen aftrek vindt. Langs den voet der zoutlagen van Thorda vloeit de rivier de Aranyos, waarlangs de blokken klipzout zonder bezwaar naar de steden langs den Maros en de Tisza (Theiss) knnnen vervoerd worden. Aan dit voorrecht heeft Thorda, het Salinae der Romeinen, het waarschijnlijk te danken, dat sedert de allervroegste tijden der dacische geschiedenis, hier het mijnwezen in vollen bloei was. Tegenwoordig leveren de bergwerken van Thorda jaarlijks gemiddeld vijf-en-twintigduizend ton steenzout op; zoo noodig zoude deze opbrengst waarschijnlijk verhonderdvoudigd kunnen worden.

De groote mijn van Thorda ligt ten noorden van de stad. De wagon had ons weldra overgebracht naar het hart van den zoutheuvel; nu stonden wij op een vooruitstekende rotskam, van waar men in een der groote galerijen nederziet. Uit de diepte stijgt een verward gedruis van stemmen en geluiden tot ons op. Een lichte nevel vervult de niet te peilen ruimte, waarin de blik vergeefs poogt door te dringen. Kleine lichtende stippen, of liever gesluierde glansen, dwalen door den reuzigen kuil; maar wij kunnen de mijnwerkers niet onderscheiden, zelfs niets bespeuren wat aan eene menschelijke gedaante denken doet. Wij zoeken vergeefs naar eenig vast punt, naar een voorwerp, waaraan wij een maatstaf ontleenen kunnen om de diepte van dezen afgrond te peilen; hij schijnt inderdaad bodemloos, en duizeling bevangt u, als ge daarin nederblikt: maar in werkelijkheid bedraagt de hoogte van den vloer tot het gewelf honderd-vier-en-veertig el: eene hoogte, ongeveer gelijk staande met die van den toren van Straatsburg of van de groote pyramide van Ghizeh.

Een eindelooze wenteltrap, in het kristalzout uitgehouwen, voerde ons naar beneden, naar het voorportaal der groote zaal, te midden der bezige mijnwerkers. Dezen, voor het meerendeel Hongaren, zijn alleen met een broek gekleed, want zij hebben een zwaren arbeid te verrichten en het zweet gudst van hun naakt bovenlijf. Twee aan twee op een in de rots uitgehouwen trede staande, trachten zij de blokken van de massa te scheiden. Al hunne bewegingen zijn regelmatig: zij buigen zich te gelijk en richten zich te gelijk weder op: hunne houweelen dalen op hetzelfde oogenblik neder op de juiste plek, aangewezen door de lijn, die twee blokken scheidt. Eerst trachten zij den steen ter zijde los te maken, dan houwen zij het blok van onderen los door horizontale slagen. Een helder geluid geeft hun eindelijk te kennen, dat het zoutblok los en vrij is. Zij nemen daarvan de proef met een hefboom: dan wisschen zij zich het gelaat af, en wachten een oogenblik, alvorens aan een ander blok te beginnen. Dit werk is alles behalve gemakkelijk, maar het wordt goed betaald, althans in vergelijking met het gemiddeld bedrag der loonen in Zevenbergen. Elk zoutblok wordt verdeeld in stukken van vijftig pond, waarvoor de mijnwerker zeventien tot achttien centimes ontvangt; nu kan hij, naar gelang van zijne kracht en de hardheid van de rots, tusschen de twintig en zes-en-twintig van zulke stukken afhakken. Hij verdient dus ongeveer vijf francs per dag, de dag gerekend op tien uren. Doorgaans begint de mijnwerker zijn arbeid des morgens ten vier uur: hij werkt door tot twee uur in den namiddag, keert dan naar de vrije lucht terug en houdt zich verder bezig met zijn tuin of zijn wijngaard, want hij is bijna altijd grondeigenaar. Juist aan die betrekkelijke welvaart heeft hij het te danken, dat hij beter betaald wordt dan andere werklieden: hij wordt niet door gebrek gedwongen tot den arbeid, als het loon te laag is.

De wijze van exploitatie heeft in den loop der eeuwen wijziging ondergaan. De uitgravingen hebben tegenwoordig de gedaante van koepels of groote klokken; naar mate de arbeid vordert, wordt de mijn dieper en tevens breeder, maar zoo, dat de omringende wanden steeds de as naderen, ten einde het gewicht der bovenste lagen te kunnen torschen. Eindelijk is men onlangs op het denkbeeld gekomen, om in de rots lange galerijen uit te houwen, waarvan de zijwanden zich tot een gewelf vereenigen als in de kazematten. Zoo worden de mijnen van Maros-Ujvar bewerkt, en in een deel der mijnen van Thorda begint men hetzelfde stelsel in praktijk te brengen; maar de oude wijze van bewerking wordt daarom niet opgegeven. De plaats waar het grootste getal mijnwerkers bijeen is, is de Josefsput, waarheen onze gids ons het eerst heeft heengevoerd; men heeft uit dezen geweldigen put bereids vierhonderd-duizend kubiek el klipzout gehaald, en voortdurend is men bezig de mijn nog meer uit te graven.

De grootste van alle zalen, de Theresiaput, had eene diepte van niet minder dan honderd-zes-en-vijftig el, met een daaraan geëvenredigde doorsnede. De koepel dezer mijn, in het hart der rots uitgehouwen, was misschien de grootste, die ooit door menschenhanden werd gewrocht: althans zou men vergeefs zijn wedergade hebben gezocht onder al de koepels, die zich boven kerken of paleizen welven. Eindelijk zag men er van af, om dit reusachtig gewelf nog verder uit te houwen: inderdaad zou het ook meer dan zonderling zijn, voort te gaan met de nasporing van het zout in het hart der aarde, wanneer men het in de naburige vlakte in grooten overvloed op de oppervlakte zelve vinden kan. De Theresiamijn is dus tegenwoordig verlaten.

Uit de Theresiamijn komende, liet de opzichter ons langs een kleinen trap opklimmen, even als de anderen bladzijde 152in het zout uitgehouwen. Weldra deed een zonnestraal het schitterend kristal der wanden als diamanten flonkeren; de gids lichtte een luik op, opende toen de deur van een schuur: wij stonden in de open lucht. Het landschap om ons heen geleek sprekend op dat der woestijnen van Afrika. Dijken van grijsachtige klei beletten ons het uitzicht op de vlakte en de bergen; klippen van onzuiver zout verhieven naast ons haar roodachtige, blauwe en groene naalden en spitsen, aldus gekleurd door de vreemde bestanddeelen in het zout opgenomen; enkele schrale planten, zooals men ook langs de stranden der zee vindt, toonden in de spleten hare bleek blauwe stengels en bladeren; een schitterend spoor van helder zout wees de bedding aan van eene nu waterlooze beek; in de holten en kloven stonden plassen van zout water, omzoomd door sneeuwwitte randen. Dit waren voormalige, nu ingestorte putten. De naakte, blanke, metaalachtige bodem kaatste het licht en de hitte der blakerende en brandende zon terug: het was hier niet om uit te houden.


Gezicht in de vallei van den Sebes-Körös.

( Wordt vervolgd .) bladzijde 153



1 Tot aanduiding der verschillende steden en dorpen, zal ik, van de drie of vier onderscheidene benamingen, steeds die gebruiken, die bij de meerderheid der plaatselijke bevolking in zwang is. Nagy-Varad is eene zuiver magyaarsche stad, en behoort dus haar magyaarschen naam te behouden. Op de meeste kaarten komt zij voor onder haar duitschen naam van Gross-Wardein.

2 Siebenbürgen (zeven burchten). De hollandsche benaming Zevenbergen is minder juist, en vermoedelijk eene verbastering van den duitschen naam. Bij de Franschen heet het land Transylvanië, land aan gene zijde der wouden; de magyaarsche naam Erdely beteekent ook land der wouden; de Rumeniers noemen het Ardelia, het diepe land.(Vert.)

3 Zoo als men weet, is dit in oostelijk Europa de naam voor de zoogenoemde Heidens, bij ons onder den naam van Zigeuners, in Frankrijk onder dien van Bohémiens, en in Spanje onder dien van Gitanos bekend. (Vert.)

No comments:

Post a Comment