Monday, March 5, 2012

De Aarde en haar volken: Jaargang 1877 - Full Text (Blanken en kleurlingen)

Blanken en kleurlingen.

(Vervolg van bladz. 184).


Chineesche bankiers te San-Francisco.

XXV.

Onze gele broeder.—De mongoolsche landverhuizing.

In Amerika heeft de blanke bevolking niet alleen te rekenen met de Indianen en de negers, maar ook met de landverhuizers uit het Hemelsche rijk; nevens de negerkwestie staat de chineesche kwestie, die misschien ruim zoo ernstig is.

Wij maakten voor het eerst kennis met onzen gelen broeder op de markt te Baltimore, zeker de smerigste en rumoerigste plek in de Vereenigde Staten, met uitzondering van de chineesche wijk te San-Francisco, en die wordt door gezondheids-commissiën niet gerekend tot de Vereenigde Staten te behooren.—Onze broeder is in-duplo: misschien man en vrouw, misschien ook tweelingen. Wie van beiden man of vrouw is, valt op het eerste gezicht niet zoo gemakkelijk te zeggen. Beiden zijn even groot, en dragen denzelfden ronden hoed en denzelfden blauwen kiel; beiden hebben hetzelfde gladde gezicht, ronde kin, zwarte wenkbrauwen, gevlochten haar, platten neus en kalmen blik. Te midden van het geraas en het gewoel van die markt, waar vleesch en visch, vruchten en groenten zijn uitgestald, gaat hij ongestoord en rustig zijn weg, niet aanmatigend en brutaal als de Yankee, ook niet met schuwen weerzin als de Indiaan, of angstig en beschroomd als de neger, maar volmaakt kalm en oplettend. Hij opent den mond niet om eene enkele vraag te doen, maar niets ontgaat aan zijn scherpen blik. Hij kauwt op zijn betelblad, en kijkt naar kramen en uitstallingen, naar vleesch en groenten, naar alles wat op de markt te zien is, zonder dat een glimlach om zijne lippen plooit of zijn voorhoofd zich fronst; maar als hij heengaat, kunt ge het hem aanzien dat hij zich bewust is, alles wat hij daar heeft gadegeslagen, ook zelf te kunnen maken en doen.

Des avonds ontmoeten wij hem in een verkoophuis van gering gehalte; daar slaat hij, met schijnbare onverschilligheid, maar met ingespannen aandacht, de bladzijde 322verrichtingen van den afslager gade: hij ziet hem zijne vodden, zijn katoen, zijn papieren schoenen, zinken scheermessen, glazen juweelen en geverfde pelterijen aan den man brengen. Hij zelf doet nooit een bod; maar telkens als de afslager eenige van zijn verdachte artikelen toewijst, doorgaans aan oude arme negerinnen, speelt een glimlach van goedkeuring op zijn gelaat. Onze gele broeder voltooit hier blijkbaar zijne opvoeding.

Wat later in den avond vinden wij hem bij het schietspel; niet zelf zijne centen verschietende, zoo als de Yankees en de negers, maar toekijkende en de schoten opteekenende. Voor zoo ver het mogelijk is eenige andere uitdrukking op zijn onbewegelijk gelaat te bespeuren, schijnt hij minder op zijn gemak in het schietspel dan op de markt en in het verkoophuis. Het belletje gaat te dikwijls; het schieten schijnt hem te hinderen. Na een poosje gekeken te hebben, brengt hij zijn betelblad naar de andere zijde van zijn mond, spuwt zijn rood speeksel uit en gaat naar buiten, zich even weinig bekommerende over het gejoel en gelach van negers achter zijn rug, als een Arabier om het blaften van zijn straathonden.

In Chicago, op het punt van naar Californië te vertrekken, maken wij kennis met Paul Cornell, een van de voornaamste aandeelhouders in de groote uurwerkfabriek van die stad. Van een anderen aandeelhouder, die voor zijne zaken naar San-Francisco gaat, verneem ik, dat Ralston het denkbeeld heeft opgevat om in San-Francisco eene groote fabriek van horloges op te zetten, op eene schaal, waarvan men tot dusverre in Genève of Neuchâtel nog geen begrip heeft. De grondslag van dit plan van Ralston is het gebruik van gele in plaats van blanke werklieden.

“De Chineezen, zegt Cornell, leveren goed werk voor weinig geld; zij zijn dienstvaardig, onderworpen en vlug van begrip; zij drinken nooit en maken geene wanorde.

—Hebben zij eenige bekwaamheid in het maken van uurwerken en horloges?

—Neen, voor 't oogenblik niet: zij moeten het vak nog leeren; maar zij zijn vlug en geduldig. Binnen zes of acht maanden zal de eerste de beste chineesche werkman, dien ge van de straat opraapt, in staat zijn een horloge te maken.”

Te San-Francisco is eene maatschappij opgericht, waarvan Cornell president, Ralston penningmeester en Cox secretaris is. Cornell staat aan het hoofd van verschillende godsdienstige inrichtingen en genootschappen. Ralston is een zoo volbloed patriot, dat hij geene sofa in zijn salon, geene schilderij in zijne spreekkamer hebben wil, die niet van inlandsch maaksel zijn. Cox is een van de voornaamste straatpredikers, en wijdt zijn zondag aan evangelisatie-arbeid in de achterbuurten van San-Francisco. Men huurde een deel van eene fabriek, in de Vierde straat, niet ver van de chineesche wijk, en richtte dat voor de nieuwe bestemming in. De instrumenten en machinerie werden van Cincinnati en New-York ontboden. Alles gaat voorloopig naar wensch.

“Het klimaat van San-Francisco, zoo verzekert mij Cornell, is bij uitstek geschikt voor het horlogemakersvak. Te Chicago hebben wij met vele bezwaren te worstelen; het is er zomers te heet, en 's winters te koud. De werklui verlangen warme kleeding, goede woning en duur eten. De hitte en de koude zijn schadelijk voor onze instrumenten; brandstof is er schaars en duur. In Californië hebben wij niets te vreezen van overmatige hitte of koude. Wij kunnen het gansche jaar door werken, en zoo het noodig is, kunnen wij onze machines dag en nacht aan den gang houden.”

Met godsvrucht op de plecht en vaderlandsliefde aan het roer, wat kan de nieuwe maatschappij te duchten hebben?...

“De wetten van God!” antwoordt eene stem aan mijn oor, de stem van een geneesheer, die vele jaren in San-Francisco heeft gewoond, en die met groote aandacht en niet zonder bekommering de verhuizing onzer gele broederen van Hongkong naar Californië heeft gadegeslagen.

“Deze onderneming stuit mij tegen de borst, zegt hij mij, bij een vertrouwelijk gesprek in zijne kamer. “Ik ben een geboren Amerikaan, en ik wensch dat Amerika alleen aan de Amerikanen zal behooren. Weinig menschen zijn zoo van nabij bekend met onze Aziaten als ik; en als man van wetenschap en vriend van zedelijkheid en orde, kan ik u verzekeren, dat ik niet dan met leedwezen de bevolking der chineesche wijk zou zien toenemen. Wat stelt die maatschappij van Cornell zich nu voor? Zij zeggen, dat zij in San-Francisco eene nieuwe industrie zullen vestigen. Maar wie zal daarvan profiteeren? Niet de Amerikanen, maar de Aziaten. Zij zullen chineesche werklieden onderrichten, hoe zij den arbeid van den blanke moeten doen, en zich van de markt meester maken. Waarom? Omdat de Aziaat, die van rijst en thee leeft, voor vijf-en-zeventig centen per dag wil werken; terwijl de Amerikaan, die van ossevleesch en bier leeft, vijf dollars per dag vraagt. Als de onderneming slaagt, zoo als Cornell denkt, zullen de horlogefabrieken in Chicago stilstaan, en zullen tweehonderd bekwame werklieden broodeloos zijn; Illinois zal een artistieke tak van industrie zien te gronde gaan, en vijf- of zesduizend Mongolen zullen van Hongkong oversteken, waarvan minstens een tiende gedeelte eene winstgevende betrekking aan onze kusten vinden zal.”

Als wij de bergen van Wyoming bestijgen, beginnen wij onzen gelen broeder op onzen weg te ontmoeten; hier als een vlugge bediende, elders als landbouwer of aardwerker; maar overal zwijgend, bescheiden, ijverig en onvermoeid in den arbeid. Sam huivert terug voor den kouden bergwind en de wintersneeuw. Hoog loon verlokt hem naar herwaarts te komen; maar als de ijzige adem van den wind hem het bloed doet stollen, dan geeft hij al spoedig aan de pompoenen en het suikerriet van Zuid-Carolina de voorkeur boven de elanden en herten van Wyoming. Hi-Li kan in elk klimaat en in elk land leven; in Bitter-Creek zoowel als in San-José en Los-Angeles; naar het schijnt, is hitte en koude, droogte en regen, goed en slecht voedsel, vriendelijke en ruwe bejegening, hem altegader onverschillig, mits hij slechts geld kan verdienen en besparen. Te Evanston, bladzijde 323een station in het gebergte boven het Zoutmeer, waar gewoonlijk het middagmaal gebruikt wordt, vinden wij eene schaar chineesche bedienden, in korte witte kielen of jurken gekleed als jonge meisjes, met ronde gladde gezichten als meisjes, en vlugge, stille manieren als meisjes.

Aan gene zijde van het Zoutmeer neemt het getal dezer Aziaten voortdurend toe. Overal vonden wij hen, in de valleien bij kaap Horn, te Toano, te Indian-Creek, te Halleck, in hutten en hoeven. Wij ontmoeten hen in Copper-Canon en aan de Palissaden; wij hooren van hen in de White-Pine-Country, in Mountain District, te Tuscarona, te Cornucopeia, te Eureka. Zij gaan overal heen, en doen alles wat men wil. Te Elko komt een chinees naar mij toe, met een stuk papier in zijne hand, waarop geschreven staat: “Li-Wang, Antilope-hoeve, White-Pine-Country.” Li-Wang kan geen woord engelsch spreken, toch gaat hij geheel alleen naar de mijndistrikten van Nevada, om daar een onbekenden meester te dienen, die hem misschien behandelen zal als een hond. Chineezen kunnen nog leven, waar alle andere menschen, zelfs de Uten en Shoshones, zouden sterven. Zij zijn tevreden, als zij in verlaten mijnen mogen graven en uitgeputte velden nalezen; zij achten zich voor hunne moeite beloond, zoo hun slechts een korrel zilver, een enkele maïshalm ten deel valt. Zij voeden zich met dood wild, dat zelfs de Indianen niet willen aanraken. Als bedienden, houthakkers, matrozen, mijnwerkers, bleekers, winnen zij het van alle andere arbeiders, mannen of vrouwen, blanken of zwarten.

Te Sacramento was ik getuige van een tooneel, waaruit mij bleek, hoe de blanke jeugd van Californië hun gele broeders en makkers beschouwt.

“Daar is John! roept een jongen tot zijn kameraad: willen wij hem eens gooien?”

De twee knapen houden op met hun spel, om steentjes te werpen naar een mongoolsch werkman, die zijne zware dagtaak verricht voor een zeer matig loon. Niemand schijnt er iets verkeerds in te vinden, dat die kinderen dus dezen onschuldigen man tot slachtoffer van hunne kwaadwilligheid maken.

“Het is John maar!” roept de eene jongen, als ik zijn arm vastgrijp en hem dwing de steenen te laten vallen. “Het is John maar! Ziet ge niet dat het John is?”

De gewoonte om de Chineezen als het uitschot van het menschdom te beschouwen, is dien kinderen als met de moedermelk ingegeven, juist zoo als de knapen in Georgië en Virginië van der jeugd af leerden, op een neger als hun mindere neer te zien. In den Goudstaat geboren, hebben deze knapen, van dat hun besef ontwaakte, gezien dat hunne gele buren als honden werden behandeld, geslagen, geduwd, beleedigd, mishandeld door iederen blanke. Te huis zien zij hoe hunne chineesche bedienden als slaven worden bejegend; in de kerk hooren zij hen voor heidenen uitmaken. Nooit, zoo ver hun geheugen reikt, hebben zij een chinees eene beleediging zien wreken of een slag terug geven. Waarom zouden zij zich dus ontzien, zulk een zwak en weerloos wezen met steenen te gooien?

De vader van den knaap schijnt geheel en al van dezelfde meening te zijn. Verwijten en vermaningen zijn bij hem even onvermogend. John is nu eenmaal een lastdier, een vagebond, een zwerver, die geen enkel recht kan doen gelden. Waarschijnlijk is die Amerikaan zelfs van meening, dat zijn jongen den chinees eene groote eer bewijst, als hij hem een gat in het hoofd gooit.

Deze verschijning van aziatische landverhuizers in Amerika, is zeker eene der zonderlingste, en waarschijnlijk eene der ernstigste gebeurtenissen van onzen tijd: daarmede is aan de amerikaansche staatslieden een vraagstuk gesteld van het uiterste gewicht, dat niet gemakkelijk valt op te lossen.

Sedert onheugelijke eeuwen was het chineesche volk in zijn land opgesloten, niet alleen geen omgang of gemeenschap zoekende met andere volken, maar hunne deur sluitende voor iederen vreemdeling. Zich niet om de buitenwereld bekommerende, wilde dit volk in zijne afzondering volharden, zijn eigen leven levende, zijn eigen voortbrengselen genietende, zijn eigen gewoonten en gebruiken betrachtende. Een muur, het wonderbaarlijkste gewrocht van menschelijken arbeid, scheidde hen van hunne naburen in het westen, terwijl zij in het oosten geen andere buren hadden dan de golven en de winden. In elke chineesche haven, in elke chineesche stad, verrees een slagboom: hetzij een muur of een verbod, in ieder geval iets dat de vreemdelingen buiten sloot. Nu en dan mocht een enkele pelgrim binnensluipen en bij zijne terugkomst wonderen verhalen van het Bloemenland. Een enkele koopman mocht, nu en dan, een ambtenaar omkoopen en ruilhandel drijven: maar, als een geheel beschouwd, was de gansche uitgestrekte landstreek tusschen den Hindoe-Kush en de Gele-zee ontoegankelijk voor vreemde ondernemingszucht en onbekend bij de overige menschheid.

Een vreemdeling mocht niet in het land komen, een inboorling mocht het niet verlaten. China was een land op zich zelf, zonder eenige betrekking met het overige der wereld. Zelfs de inboorlingen waren verdeeld in klassen en maatschappijen, die, in een sociaal belang, niet minder scherp van elkander waren gescheiden dan de kasten in Bengalen. Alles was in geheimenis gehuld. Een koopman kwam niet in rechtstreeksche aanraking met zijn mandarijn, een mandarijn mocht zich niet persoonlijk tot den Vorst wenden. Behalve de leden der keizerlijke familie, mocht niemand den “Zoon des Hemels” naderen. In zijn paleis opgesloten, volkomen onbekend met menschen en zaken, omringd door slavinnen, bracht de beheerscher van een derde gedeelte van het menschdom zijne dagen door met het drinken van thee, het rooken van opium en het spelen met zijne slavinnen. In zijn ongerijmden, dommen hoogmoed, beschouwde de tartaarsche monarch ieder, die buiten de grenzen van zijn gebied geboren was, als een hond, onwaardig zich te koesteren in het licht zijner hemelsche oogen.

Het engelsche geschut verbrijzelde de poorten van dit paradijs van theedrinkers en opiumrookers. De inboorlingen stroomden naar buiten door de bres, bladzijde 324die onze kanonnen hadden gemaakt, en sinds dien dag heeft deze menschenstroom niet opgehouden te vloeien, als het overtollige water van een Alpenmeer. De stroom splitst zich in beken, in watervallen, in rivieren: een der takken richt zich naar Polynesië, een ander naar Australië, een derde naar de Gouden-Poort van Californië. Wie zal ons zeggen, of en wanneer deze stroomen zullen ophouden te vloeien?


Een chineesch koopman en zijne vrouw te San-Francisco.

Bij voorkeur trekken deze Mongolen naar Californië: vooreerst, omdat de overtocht gemakkelijk en goedkoop is; ten andere, omdat het klimaat hun bevalt; ten derde, omdat het loon hooger en de markt uitgestrekter is dan ergens elders. Van Californië gaan zij over de zee naar Oregon, en over land naar Nevada, Idaho en Montana. In Utah vinden zij weinig gelegenheid om zaken te doen, want de Mormonen zijn niet minder matig en arbeidzaam dan zij zelven. Toch hebben zij zich zelfs in de stad van het Zoutmeer weten te vestigen. Zij komen in troepen, en met ieder jaar worden deze troepen grooter. In den beginne verschenen zij bij twee en drie te gelijk, toen bij tien en twintig, kort daarop bij honderden en duizenden. Nu komen zij bij tienduizendtallen.


Agenten der chineesche Maatschappijen.

De intocht dezer aziatische horden in Amerika geschiedde zoo stil en onopgemerkt, en hunne tegenwoordigheid in het land is van zoo veel nut gebleken, dat de zeer ernstige zijde van het probleem, hoewel niet verborgen voor de mannen van wetenschap, toch tot dusver aan de aandacht der staatslieden is ontsnapt. Wel heeft nu en dan een enkele, dieper ziende dan de anderen, zich de vraag gesteld, welken invloed deze invasie van barbaren zal uitoefenen op bladzijde 326de europeesche rassen in Amerika? Maar hij deinsde terug voor het antwoord op die vraag, zoodra het gele spook voor zijne verbeelding oprees.

Voor ieder, die eenigermate deze gewichtige kwestie heeft bestudeerd, staan de volgende vijf punten vast, en omtrent de daaruit voortvloeiende gevolgen is ook nauwelijks twijfel mogelijk.

Vooreerst. China is de naaste westelijke nabuur van Californië; uit de havens van Canton, Ningpo en Shanghai kan men, met de minste kosten, de Gouden-Poort bereiken. Een iersche landverhuizer in Cork moet op eene uitgave van honderd dollars rekenen, eer hij te Hunter's Point voet aan wal zet; een mongoolsche landverhuizer in Canton behoeft, om het zelfde punt te bereiken, slechts vijf-en-veertig dollars uit te geven, waarvan dan nog vijf door de Fook-Ting-Tong-Maatschappij in kas worden gehouden, om na zijn overlijden, zijn gebeente naar Hongkong terug te voeren. Een iersche landverhuizer moet de ruwste en onstuimigste zee ter wereld trotseeren, en een hoog gebergte overtrekken; terwijl een Mongool van Fokien of Kiang-soe van de eene haven naar de andere vaart, over eene zee, zoo kalm en effen als een binnenmeer, in een hemelstreek, waar eeuwige lente heerscht. Het spreekt dus wel van zelf, dat wanneer Cork en Canton haar overvloedige bevolking uitwerpen, de hongerige schare van Canton veel vroeger en onder gunstiger omstandigheden te San-Francisco komt, dan die van Cork.

Ten tweede. China, Californie's naaste buur, is het armste en meest bevolkte land der wereld. Fokien, Tshe-kiang en Kiang-soe gelijken meer op bijenkorven en mierennesten dan op gewone menschelijke maatschappijen. De dichtheid der bevolking is geheel buiten verhouding tot de uitgestrektheid van het chineesche gebied, en zelfs tot de vruchtbaarheid van den chineeschen grond. Wat de oppervlakte aangaat, is China, zonder de schatplichtige landen, niet meer dan een rijk van den tweeden rang: nauwelijks half zoo groot als Brazilië, Canada of de Vereenigde-Staten. Maar in bevolking overtreft het alle andere landen. De bevolking van Europa en Amerika te zamen staat in getal nog beneden die van China. In Kiang-soe wonen tweemaal zooveel menschen op eene vierkante mijl dan in België, het dichtst bevolkte land van Europa. De bodem is in vele provinciën bij uitstek rijk en vruchtbaar: maar hoe vruchtbaar ook, kan geen land zulke massaas onderhouden. Daar moet gebrek heerschen op groote schaal. En zullen die noodlijdenden niet gaarne van alle gelegenheden gebruik maken om een goed heenkomen te zoeken?

Ten derde. De havens van China zijn niet in waarheid open, en het volk is metterdaad niet vrij. Er bestaat alle grond om aan te nemen dat de chineesche landverhuizing geene vrijwillige daad is, zoo als bij voorbeeld de landverhuizing uit Ierland en Duitschland. Rijke en tevreden menschen verlaten schier nooit hun vaderland; geleerden en gezeten burgers doen dat maar zelden. In den regel zijn het de armen en onvermogenden, zij, die in hun eigen land geene toekomst hebben, die naar elders trekken om daar vooruit te komen. Maar als de havens open zijn, en ieder vrij is te gaan of te blijven, bestaat er althans de mogelijkheid dat ook meer gegoede en ontwikkelde mannen zich naar elders begeven. Gemeene sujetten van allerlei aard zijn in menigte naar San-Francisco gekomen; maar over het geheel genomen, behoorden de landverhuizers uit Europa toch niet tot de klasse der bepaalde misdadigers. Kan men hetzelfde zeggen van China? Welken waarborg heeft de amerikaansche regeering, dat de landverhuizers van Hongkong niet allen, of althans voor het grootste deel, oproerlingen, bedelaars, lichtekooien, moordenaars en slaven zijn? Daar is reden om het ergste te vreezen. Het is bekend dat al de vrouwen slavinnen zijn, in haar eigen land openbare lichtekooien, door slavenhandelaars in Canton gekocht en naar San-Francisco gezonden met het doel om daar haar ontuchtig bedrijf voort te zetten. De mannen schijnen maar al te dikwijls tot dezelfde kategorie te behooren. Het is eene nog altijd onbeantwoorde vraag, of China niet misschien het schuim harer bevolking naar Californië zendt, zoo als Engeland eertijds zijn grootste boeven naar Botany-bay zond.

Ten vierde. Deze Mongolen komen in dichte drommen. Nu brengt de amerikaansche theorie van openbaar recht mede, dat alle macht bij de menige berust. “Alle menschen zijn vrij en gelijk”. Luidt zoo niet de sakramenteele fraze, waarin eene der kolossaalste domheden wordt uitgesproken? Iedereen heeft hetzelfde recht, ieders stem is van gelijk gewicht. De meerderheid beslist. “De stem des volks is de stem van God.” Van de beslissing eener meerderheid is geen beroep.... Welnu, wat zal men met al deze luid klinkende onzinnigheden aanvangen tegenover de chineesche emigratie? Zijn de europeesche kolonisten in Amerika gezind en bereid, de aziatische als huns gelijke te beschouwen en te behandelen? De theorie eischt het; en op welken grond zou men ook aan de Chineezen mogen onthouden, wat zelfs aan de negers werd toegekend? Maar hoe zal dan de overmacht van die immer aangroeiende menigte bij de soevereine stembus worden gekeerd?

Ten vijfde. Deze Aziaten staan tegenover de europeesche kolonisten, niet alleen door hun geloof en zedeleer, door hunne wetten, taal en litteratuur, maar ook in de lagere kringen van het gewone leven. Zoo zij in eenig distrikt de meerderheid hebben, zouden zij het onderwijs en de opvoeding naar aziatische, in plaats van naar amerikaansche beginselen kunnen inrichten. Een Mongool heeft geen zin voor natuurwetenschap; hij koestert wantrouwen tegen een stoomwerktuig, en vrees voor een spoorweg. Ridderlijkheid tegenover het zwakke geslacht is hem geheel onbekend. Hij hecht geene waarde aan het menschelijk leven, maar zeer veel aan uitwendigheden en ceremoniën. In hun eigen land aan slavernij, polygamie en kindermoord gewend, zouden chineesche magistraten waarschijnlijk niet gezind zijn, hun gelen broeders het koopen van slaven, het huwen van onderscheidene vrouwen en het vermoorden van onwelkome kinderen te verbieden. En waar de Chineezen in de meerderheid zijn, kunnen zij magistraten naar hun goedvinden kiezen. bladzijde 327

In Californië is thans de vraag gesteld: zal de europeesche beschaving of de aziatische barbaarschheid aan de kusten van den Stillen-oceaan de overhand behouden?

XXVI.

De zes maatschappijen.—Hop-Ki.

Wat men elkander te San-Francisco omtrent de Chineezen verhaalt, klinkt vrij verward en zonderling. Volgens het algemeene gevoelen, zouden de Chineezen in Amerika niet veel anders zijn dan een troep lijfeigenen, naar lichaam en ziel behoorende aan de Zes Maatschappijen en onderworpen aan eene soort van aziatisch veemgericht of groot-loge, met een geheimzinnig gezag bekleed, waaraan niemand, wie hij ook zij, zich kan onttrekken.

Daar de geloofwaardigheid van deze legende mij nog al twijfelachtig voorkwam, trachtte ik nadere berichten in te winnen bij personen, die geacht konden worden met de feiten bekend te zijn—ambtenaren bij de policie en geestelijken; maar langen tijd was al mijn onderzoek vergeefs. Eindelijk gelukte het mij, door bemiddeling van den consul Booker, in aanraking te komen met de eenige personen, die volledig met den waren stand van zaken bekend zijn—de in Californië gevestigde Chineezen van rang. Onder dezen, wier getal niet groot is, komt eene eerste plaats toe aan Li-Wong, een voornaam koopman van onbesproken eerlijkheid. Beter dan anderen, schijnt hij de rechte man om op mijne vragen te antwoorden. Bovendien heeft Li-Wong verplichting aan onzen consul wegens zekere diensten, hem in zijn handelszaak bewezen. Hij toont zich bereid, een deel van zijne schuld af te doen, door ons alle inlichtingen te geven, die wij mochten verlangen. Wij noodigen hem daarom uit tot eene samenkomst op het consulaat. Hij verschijnt stipt op het bepaalde uur, en na vele plichtplegingen en complimenten, laten wij hem in een stoel plaats nemen tegenover het portret van Koningin Victoria, wier majesteit mitsdien in zijne aziatische oogen kon stralen.

“Wilt ge zoo beleefd zijn, om het een en ander te vertellen omtrent de Zes Maatschappijen?

—Zes Maatschappijen? Gij verkeert daaromtrent in dwaling. Wij hebben in werkelijkheid maar vijf maatschappijen, en geen zes. Wat gij de zesde maatschappij noemt, is eene commissie van beheer en arbitrage, een plaatselijk bestuur, in Amerika gevestigd, en belast met de behartiging onzer belangen langs de kust van den oceaan. De Vijf Maatschappijen hebben haar zetel in China, en ontleenen haar naam aan de plaats waar haar leden wonen: Ning-Yung, Kwong-Tchaw, Hop-Wo, Sam-Yep en Yung-Wo. Deze Vijf Maatschappijen verzamelen de emigranten, brengen hen naar Canton en Hongkong, maken al de noodige schikkingen voor hun overtocht, en bezorgen hen aan boord der stoombooten. De zesde maatschappij, of liever commissie, zetelt in San-Francisco, waar het haar taak is, de landverhuizers bij hunne aankomst te ontvangen, en toe te zien dat hunne contracten en verplichtingen zorgvuldig worden nagekomen.

—Wilt gij mij iets naders mededeelen omtrent die contracten en verplichtingen?

—Volgaarne; maar dan moet gij u ook op ons standpunt plaatsen en de zaken in het ware licht beschouwen. De Melikanen (Amerikanen) noemen ons heidenen, maar wij hebben onze eigene godsdienst, en onze godsdienst is niet, als die der Melikanen, alleen verbindend voor degenen, die van haar gediend willen zijn en slechts zoolang zij dit willen. Onze godsdienst geldt voor ons zoo lang wij leven en ook na onzen dood. Alzoo, wanneer de Vijf Maatschappijen zich verbinden om iemand naar Californië te brengen, is dit één punt: wanneer zij zich verbinden om zijn stoffelijk overschot naar China terug te brengen, is dat een tweede punt. Gij begrijpt mij? Het eerste punt is een contract, het andere eene verplichting.

Geldt dezelfde soort van overeenkomst voor al uw passagiers?

—Niet voor allen. Wij hebben op onze lijsten twee klassen van landverhuizers: ten eerste, zij, die op onze kosten overkomen, alzoo onze schuldenaars zijn, en verplichting hebben tegenover ons; en ten andere, zij die hun overtocht zelven te Hongkong betalen en dus bij hunne komst in Francisco vrij zijn. Met de eersten alleen hebben wij een contract; maar ook tegenover de anderen hebben wij onze verplichtingen, daar wij gehouden zijn, hen, in geval van overlijden, terug te voeren.

—Zeg mij, hoe die maatschappijen werken. Waar vinden zij de landverhuizers?

—De Vijf Maatschappijen hebben hare reizende agenten, die alle provinciën bezoeken, zoowel langs de kust als in het binnenland; zij spreken de arme lieden, die gebrek hebben aan rijst en thee, van het overvloedige loon, dat zij in Californië, Oregon en Nevada met hun handenarbeid verdienen kunnen. Natuurlijk hangen zij daarvan de verleidelijkste schilderingen op. De Melikanen verstaan de kunst van overdrijven; de Chineezen hebben het daarin nog verder gebracht dan de Melikanen. Die agenten maken den lieden wijs, dat de heuvels louter zilver zijn, en dat de rivieren goud in overvloed bevatten. Zij bieden hunne hulp aan, en verstrekken paspoorten aan allen, die wenschen te vertrekken. Zij maken gebruik van alle mogelijke vervoermiddelen, te land en te water; en daar zij over voldoende middelen kunnen beschikken, weten zij alles zoo goed in te richten, dat zij een landverhuizer, per wagen en per schip, naar de kust brengen voor minder geld dan hij op een voetreis zou moeten uitgeven. Voor vijf dollars brengen zij hem van zijn dorp naar Hongkong. Is hij arm, dan worden hem die vijf dollars voorgeschoten, en krijgt hij ook het noodige voedsel, voor welk een en ander hij eene schuldbekentenis afgeeft. In Hongkong aangekomen, zorgen zij voor zijn paspoort, en bespreken zijne plaats op de boot. De vracht, vijf-en-veertig dollars, wordt door hen betaald, benevens eene landings-premie van vijf dollars, die door de stoomboot-maatschappij aan onze commissie in San-Francisco wordt terugbetaald. Die vijf dollars worden in het fonds der overledenen gestort.

—Zoo is dan, als algemeene regel, ieder landverhuizer, bladzijde 328die van Hongkong naar San-Francisco gaat, niet alleen een hulpbehoevende maar bovendien een schuldenaar, op wien bepaalde verplichtingen rusten?

—Hm! Een Chinees is daaraan gewend; hij geeft daar niet om; hij kan hard werken en veel geld opsparen. Dan wordt hij van zelf vrij.

—Hoeveel bedraagt, gemiddeld, zijne schuld bij zijne aankomst in Amerika?


Chineesche vrouwen te San-Francisco.

—Een gewoon passagier kan, alles bijeen genomen, bij zijne maatschappij voor negentig of honderd dollars in schuld staan. Al dat geld moet hij verdienen.

—Eer hij zijn eigen meester is en kan doen wat hij verkiest?

—Natuurlijk; eer hij doen kan wat hij verkiest moet hij beginnen met zijne schuld af te betalen.

—Stellen de Vijf Maatschappijen in China zich met zijne persoonlijke schuldbekentenis tevreden, in het vertrouwen dat zij van de zesde maatschappij in San-Francisco haar uitschotten terug zullen krijgen?

—Zij nemen ook eene schuldbekentenis voor de geheele familie aan. In China heeft iedereen wel iemand—vader, oom, broeder—die borg voor hem spreken wil. Wij zijn niet als de Melikanen. De inrichting der familie bij ons maakt het gemakkelijk zulke borgstellingen te krijgen, want ieder lid eener familie heeft zijne aangewezene plaats in eene heilige reeks, die van het eene stamhoofd tot den laatsten afstammeling reikt. Is er grondeigendom, dan nemen wij daarop hypotheek, en de familie betaalt de aflossing en de rente tegen vier-en-twintig of zes-en-dertig ten honderd.

—Dat is eene aardige rente!

—Ja; het is handel, en als zoodanig moeten wij trachten er zooveel mogelijk voordeel van te trekken. Als een landverhuizer geen vaste goederen bezit, verlangen bladzijde 329wij de persoonlijke borgstelling van zijn vader en grootvader: want voor een Chinees is eene verbindtenis, uit naam van zijn voorouders aangegaan, de heiligste die hij kent. Wordt er enkel een persoonlijke borgtocht gesteld, dan vorderen wij hooger rente; wij vragen dan tien dollars per maand, in plaats van twee. Toch worden die overeenkomsten zelden verbroken. Natuurlijk loopen wij eenige risico.


Hop-Ki.

Onze man kan sterven; nog erger, hij kan ziek worden; of wat het ergste is, hij kan eene misdaad begaan. Wordt hij in de gevangenis gezet, dan kan hij niet werken. Ook kan het gebeuren dat zijn borg in gebreke blijft. Maar in alle zaken moet men op dergelijke kwade kansen rekenen.

—Een man, met zulk eene schuld te zijnen laste, is metterdaad een slaaf.

—In Canton, ja; in San-Francisco, niet. Wij gebruiken nooit zulke uitdrukkingen; wij zijn zijne meesters en zijne bloedverwanten. Wij ontvangen hem, bij zijne komst te San-Francisco, in onze twee groote vereenigingen—de Wing-Yung en de Fook-Ting-Tong—die bij leven en sterven zorg voor hem dragen.

—Wat zijn dat voor vereenigingen?

—Wing-Yung is ons bureau voor de levenden, dicht bij de gevangenis van het graafschap. Bij de aankomst der schepen brengen wij onze lieden naar Wing-Yung, waar zij huisvesting en voeding vinden, en waar eene dienst voor hen gezocht wordt. Fook-Ting-Tong is ons bureau voor de overledenen, op het kerkhof van Laurel-Hill, waar het stoffelijk overschot van ons volk wordt bijgezet, tot het naar China kan worden terug gezonden.

—Trachten uwe schuldenaars zich niet dikwijls door de vlucht aan hunne verplichtingen te onttrekken? bladzijde 330

—Dat kunnen zij niet doen. Zij hebben geen eten en geen geld; zij spreken geen woord engelsch en kennen geen enkel melikaansch magistraat. Bijna iedereen in San-Francisco beschouwt hen als slechte menschen—straatloopers, booswichten en oproerlingen. In geen enkel gezin wil men een Chinees als bediende aannemen, tenzij wij hem een getuigschrift geven en borg blijven voor zijn goed gedrag. Zoo moeten zij zich wel aan ons houden, of op straat van gebrek omkomen. Wij verhuren hen en ontvangen hun loon, waarvan wij hun een zeker bedrag per maand uitkeeren, zooveel zij noodig hebben om van te leven, tot dat hun schuld is afgelost.

—Maar nu de personen van de andere kategorie, zij die zelven hun overtocht betalen en voor eigen rekening naar herwaarts komen—hebben zij bij hunne aankomst niets met u te maken?

—Niets te maken met de zesde Maatschappij?

—Ja; zijn zij dan van alle toezicht ontslagen, behalve natuurlijk van dat der amerikaansche policie?

—Zij betalen aan de Maatschappij vijf dollars per hoofd, bij wijze van landingspremie. Die premie moeten zij betalen, omdat zij zonder onze vergunning niet aan land kunnen komen.

—Zoo heeft dus uwe maatschappij eene zekere mate van gezag over ieder, die van Hongkong komt en in deze haven aan wal stapt?

—Wij zijn zedelijk verplicht, zijn gebeente naar China terug te brengen: tot dekking van onze kosten, leggen wij hem de betaling van vijf dollars op. Als wij geen getuigschrift voor hem afgeven, wil de stoombootmaatschappij hem niet aan land laten gaan. Dit is eene voorwaarde van het contract, door de Vijf Maatschappijen met de stoomvaart-maatschappij gesloten. Zoodra een passagier zijn vijf dollars betaald heeft, mag hij het schip verlaten;—maar die vergunning wordt hem niet gegeven, zoolang hij niet bewijzen kan, deze premie betaald te hebben, hetzij in goud, hetzij door eene schuldbekentenis.

—En daarna verliest gij hem evenmin uit het oog als uw rechtstreekschen schuldenaar?

—Zeker, evenmin. Wij verliezen niemand uit het oog. Wie zou anders zorg dragen voor zijn lijk?

—Gij hebt uwe eigene policie en uwe eigene magistraten, niet waar?

—Wij hebben overal onze spionnen en opzieners. In San-Francisco hebben wij veel spionnen. Niemand ziet daarin iets berispelijks. Met behulp van deze onze spionnen en opzieners weten wij wat er in ieder huis omgaat. Wij kennen den naam van ieder der onzen; wij weten waar hij is en wat hij doet. Het is onze plicht, zooveel mogelijk met alles bekend te zijn. Immers, als iemand gestorven is, moeten wij zijn lijk opsporen en naar het vaderland terugzenden. Zoo wij dit niet deden, zou hij als een hond begraven en vergeten worden.

—Naar men verzekert, zou uwe maatschappij over zoo groote geheime macht beschikken, dat gij de overtreders op elke plaats kunt bereiken en te ieder stond kunt treffen, zelfs onder de oogen der plaatselijke overheid. Men heeft mij, bij voorbeeld, verhaald van twee uwer landslieden, die bij Reno, in de bergen van Nevada woonden; een daarvan zou zich schuldig hebben gemaakt aan een of ander vergrijp tegen de reglementen van de Zes Maatschappijen; zijn makker zou daarop een wenk hebben ontvangen om hem te dooden, waarop de schuldige zoo handig uit den weg werd geruimd, dat men de misdaad nooit op het spoor is kunnen komen. Kan zoo iets waarlijk zijn gebeurd?

—Wie zal dat zeggen? Er zijn goede en er zijn slechte Chineezen. De melikaansche wetten maken de slechten nog slechter. Zoo gij in Hongkong iemand vermoordt, wordt gij onfeilbaar opgehangen, onverschillig of gij rijk zijt of niet. Het geld doet niets af. Maar zoo gij in San-Francisco een moord pleegt, laat men u, indien ge veel geld hebt, vrij gaan. Dat is geen billijke wet. Hier zijn ook allerlei soorten van geheime genootschappen geoorloofd. In China worden alleen ter kwader naam bekend staande lieden leden van eene Vrijmetselaarsloge: schavuiten en rebellen, die de dynastie willen omverwerpen en de godsdienst vernietigen. Al zulke geheime genootschappen, die niets dan kwaad stichten, worden door de mandarijnen streng onderdrukt. Hier stichten de slechte, verdorven Chineezen eene loge. Wij verzoeken de Melikanen, dat zij die loge zullen doen sluiten, en wij krijgen ten antwoord, dat de melikaansche wet de oprichting van Vrijmetselaarsloges vergunt. Dat is eene zeer verkeerde wet. Zoo moet dan de Zesde Maatschappij zelve die genootschappen en loges vernietigen.

—Gij schijnt dus de taak van eene veiligheids-commissie op u te hebben genomen?1

—Neen; wij bezitten geene geheime macht. Wij hebben alleen onze schuldbekentenissen en hypotheken, en daarmede dus ook de macht, welke ieder die geld leent bezit over zijn schuldenaar. Wat daarbuiten ligt, is enkel zedelijke macht ... en de twee groote vereenigingen Wing-Yung en Fook-Ting-Tong. Zelven Chineezen, kennen en begrijpen wij onze broeders; wij hebben dezelfde godsdienstige plechtigheden en hetzelfde besef van familieband en familieplicht als de armste volgelingen van Tao en Boeddha. Het begrafenisfonds—ziedaar den voornaamsten grondslag van ons gezag. Wie niet zou aarzelen een moord te doen, zal zich toch tweemaal bedenken, eer hij in verzet komt tegen eene rechtbank, die de macht heeft om het overbrengen van zijn gebeente naar Hongkong voor onbepaalden tijd uit te stellen.

—Gebeurt dit dikwijls?

—Ja, voor maanden en soms voor jaren. Zonder een door ons afgegeven bewijs, wil geene stoomboot een lijk aan boord nemen; sommige gezagvoerders weigeren het volstrekt.

—Bezit gij zelf geen schepen?

—Nog niet. Wij drijven onzen handel met engelsche schepen; en engelsche matrozen zijn afkeerig van het bladzijde 331vervoer van lijken. Hunne godsdienst brengt niet, als de onze, mede, dat iemand moet begraven worden op de plaats, waar hij geboren is.

—Keeren dan al uwe landgenooten terug?

—Ja, alle brave lieden onder hen. Hier en daar vindt ge enkele tartaarsche ellendelingen, die geen eerbied hebben voor hunne voorvaderen, die hun staart afknippen en zich naar melikaansche wijze kleeden. Dit zijn geen menschen, maar honden. Dezulken uitgezonderd, keeren alle Chineezen terug—na hun dood.

—En toch neemt de landverhuizing toe?

—Ja, van jaar tot jaar. Het laatste jaar bedroeg het getal der emigranten vijfduizend; dit jaar, dertienduizend; in het volgende jaar, misschien vijf-en-twintigduizend. In Melika is land in overvloed en weinig inwoners; in China is het juist andersom; daarom wil een Chinees gaarne in Melika leven en na zijn dood naar China terugkeeren.”

Als ge zulk een bescheiden, zachtmoedigen Mongool, met zijn vriendelijk-kalme oogen, aanziet, en dan hoort, hoe over hem en zijn gansche geslacht de bitterste vervloekingen, de grofste smaadredenen worden uitgestort, dan kunt ge niet nalaten, medelijden met hem te gevoelen.

Zie hem aan tafel, waar zijn helder gelaat, zijne slanke figuur en vlugge bewegingen eene zoo scherpe tegenstelling vormen met de vuil donkere kleur, de vormeloos plompe gestalte en de onbeholpen traagheid van den neger-bediende. Sla hem gade in de keuken, in de werkplaatsen der spoorwegen, in de zilvermijnen: altijd en overal is hij bij de hand, met zijn geschoren gelaat, zijn gevlochten staart en zijn beleefd onderdanigen glimlach, altijd vaardig om voor u te doen wat hij kan, en dat zoo goed als hij kan.

Als ge meer dan verzadigd zijt van het staren op Biddy en haar smerigen, smakeloozen opschik, dan is het eenn verkwikking uw oog te laten rusten op Hop-Ki, die de tafel bedient in een eenvoudigen kiel, zoo wit als versch gevallen sneeuw.

“Met zijn onnoozel gezicht, heeft die kerel toch twee messen onder zijn kiel,” fluistert mijn buurman, die een afkeer heeft van het gele ras, maar er niettemin zelf een uitmuntenden chineeschen kok op nahoudt.

—Zoo op het oog is het toch een knappe jongen.

—Bah! een chineesche heiden; net zoo'n groote schavuit als de rest, misschien nog erger, als de waarheid bekend was.

—Dus weet gij er niets van?

—Weten? Mijnheer, niemand kan hier iets van weten. De kerel heeft geen naam, en niemand weet van waar hij komt. Hoe kan ik weten, hoeveel moorden hij op zijn geweten heeft, hoe langen tijd hij in de gevangenis gezeten heeft? Als ik hem ondervraag, vertelt hij mij leugens. De kerel zegt dat hij nooit iemand heeft vermoord, en nooit een dag in de gevangenis heeft doorgebracht, Zie eens, hoe hij daar om den stoel van die dame sluipt. Geen twijfel, of hij heeft twee messen onder zijn kiel verborgen.

—Och, kom; bewijs hem de gunst, dat nog niet voor uitgemaakt te houden.

—Neen, ik wil dien kerel gene enkele gunst bewijzen. Hij werkt voor mij, en ontvangt zijn loon: verder gaat onze betrekking niet. Geloof mij, in zijn land was die kerel een dief, een muiter of een slaaf. Die Chineezen zenden ons waarlijk niet de bloem van hunne bevolking. Zij kunnen geen mandarijns missen.”

Als men in de clubs en aan de open tafels te San-Francisco zulke praatjes hoort, komt men van zelf op het vermoeden, dat een groot deel van den haat, de vrees en het wantrouwen, waarmede Hop-Ki bejegend wordt, niet zoozeer een gevolg is van zijn heidendom, maar van zijn vrouwelijk voorkomen, zijne kalme, passieve manieren, en vooral van den geringen prijs, dien hij voor zijn arbeid vraagt. Natuurlijk kunnen enkelen ernstiger redenen hebben om hem te haten; maar de zoo even genoemde motieven oefenen op de publieke opinie een zeer grooten invloed uit.

“Hebt gij gaarne die aziatische bedienden in uw huis? vraag ik aan mijn cynieken gastheer.

—In beginsel, neen;—in de praktijk, ja, antwoordt hij. Even als met andere vrouwspersonen, kunt ge niets met hen aanvangen, en het toch niet zonder hen stellen; en van twee kwaden moet men het minste kiezen. Als koks en bedienden, zijn zij hun loon waard; maar ge kunt ze niet lijden, want ge weet niet wie ze zijn, en waarom zij Canton verlieten. In hun land, wees daar zeker van, deugden zij niet veel. Voor ons blanken, zijn zij even fantastische en onverantwoordelijke wezens als de kinderen van den mist. Maar als gij een diner wilt geven, moet ge een chineeschen kok hebben.

—Waarom geene iersche Biddy of eene beiersche Gretchen?

—Neen, neen; spreek me niet van iersche Biddy's en beiersche Gretchen's! Kijk eens naar dien schurk van een Ki. Ge merkt wel, dat ik hem aanspreek als Ah-Ki en niet als Hop-Ki. “Ah” beteekent zooveel als mijnheer, en de kerel staat ook op zijn eer. Iemand met “Ah” aan te spreken, is een van zijn drieduizend beleefdheidsformules, en die drieduizend formules beginnen te San-Francisco in gebruik te komen. Ik noem dien bengel dus Ah-Ki, en heb niet noodig zijn loon te verhoogen: zoo brengt mijne beleefdheid mij vijf dollars per maand op. Bovendien kost Hop-Ki mij minder dan welke Biddy of Gretchen ook, en is daarbij nauwgezetter in de vervulling van zijn plichten. Vraag aan mijne vrouw, of zij ooit eene naaister, eene kamenier en waschvrouw gehad hoeft, die met Ki kon wedijveren. In den beginne kunt ge u niet van lachen onthouden, als ge zulk een heidenschen Chinees, met zijn bleek maansgezicht, in uwe bad- en kleedkamer bezig ziet met het ledigen der kuipen en het schoonmaken van kommen; maar als ge drie- of viermaal aan zijn varkensstaart getrokken hebt, zonder dat het ding loslaat, dan zijt ge aan hem gewend en ge vergeet zijne kunne.

—Vergeleken met Gretchen en Biddy, schijnt uw schurk van een Ki dan toch eene soort van gunsteling te zijn.

—Wel, ja—eene soort van gunsteling; zoo als ge van een bunzing uw gunsteling maken zoudt. Hij is des bladzijde 332avonds altijd thuis, en verlangt zondags geen uitgaansdag. Als hij een enkele maal naar de pagode wil gaan, zal hij mij altijd verlof vragen, en nooit eene minuut over zijn tijd tehuis komen. Ook brengt hij nooit broers of neven mede, die mijn wildbraad opeten. Om den heiden recht te doen, hoewel hij twee messen onder zijn kiel verbergt, moet ik zeggen dat hij sommige eigenschappen bezit, die bij blanken zelden worden gevonden en nooit bij iersche Biddy's en duitsche Gretchen's. Hij drinkt nooit, en is bijna nooit nurks of driftig. Hij gebruikt nooit onbetamelijke worden, althans geen woorden, die uwe vrouw of dochter kan verstaan. Ongetwijfeld raast en tiert de kerel in zijn slaap, en vloekt hij in zijn eigen taal; somwijlen betrap ik hem op zulke aanvallen van drift; maar die heiden is zoo slim, dat zelfs in zijne hevigste aanvallen van woede, iemand die hem niet kent, zou meenen dat hij een kind in slaap zong.



Indianen uit Californië.

—Is het waar, dat, even als de andere Aziaten, ook de besten onder deze Mongolen toch leugenaars en dieven zijn?

—Ja, zij liegen en stelen; maar niet erger dan de meesten van hun stand. Alle dienstboden liegen en stelen. Biddy steelt erger, Gretchen is brutaler dan Ki. Bovendien heeft Ki oogenblikken van berouw, die bij Biddy en Gretchen nooit voorkomen. Als hij zich bijzonder slecht gedragen heeft, dan komt hij tot mij, met tranen in de oogen, en verzoekt mij, hem een goed pak slaag te geven.

—En doet gij dat?

—Wel zeker. Hij houdt van den stok, en ik ook. Het is voor ons beiden goed, als Ki nu en dan een pak ransel krijgt. Ik voel mij daarna altijd beter jegens hem gestemd.”

Mijn gastheer is niet minder bekend wegens zijne zachtmoedigheid, dan wegens zijn humor. Niemand in San-Francisco heeft zich meer moeite gegeven dan hij, om te bewerken dat de Chineezen door de rechtbanken en de policie naar billijkheid behandeld werden.

XXVII.

Chineesche arbeid.—Eene chineesche kolonie.

Van vrij wat ernstiger aard zijn de problemen, die in San-Francisco aan de orde komen, ten gevolge van de groote gemakkelijkheid, waarmede de Chineezen zich alle takken van handel en bedrijf eigen maken. De verschijning der Mongolen in Amerika heeft, in vollen omvang, den geduchten strijd om het bestaan doen ontbranden tusschen de vleescheters en de rijsteters.


Straat in de chineesche wijk te San-Francisco.

Uitsluitend van rijst levende, geen andere behoeften of weelde kennende dan wat opium en eene handvol thee, kan John Chinaman voor veel minder geld arbeiden dan iemand, die vleesch eet, die 's middags een stevig bladzijde 334maal verlangt, en daarna op zijn gemak zijn pijp wil rooken, zijn kan bier drinken, en op den koop toe een glas whisky naar binnen slaan. Waar de laatste gebrek lijdt en van honger vergaat, zal de eerste niet alleen het noodige hebben, maar zelfs nog overhouden. De eerste Chineezen, die naar Californië overkwamen, waren landbouwers, en hunne eerste concurrenten waren iersche matrozen en zwijnenhoeders. John had deze mededingers spoedig verdrongen, daar hij meer werk verrichtte voor minder geld, en zich bij zijn meesters aangenaam maakte door zijn onverdroten ijver en zijn bescheiden manieren. John bouwt de kapellen, de banken, de hotels en de scholen. De onbekwame, onhandige, iersche boer kan thans in San-Francisco niet meer terecht komen, en de verhuizing van iersche werklieden naar deze kust heeft opgehouden. In een paar hotels is Pat nog gebleven, om de tafel te bedienen; maar zelfs in die hotels heeft hij de keuken en de wasch- en linnenkamer moeten ontruimen voor Hop-Ki en Li-Sing.

“Zeg eens, Pat, vraag ik aan mijn bediende in het Grand-Hotel, hebt ge wel eens ruzie met die Chineezen?

—Neen, kapitein; antwoordt Pat; denkt gij dat ik mij zelven zou willen onteeren door te gaan vechten met zoo'n vuil schepsel met een varkensstaart?

—Maar door hem dalen toch de loonen in de dokken en op de werven, niet waar?

—Hij mag vergaan, de smeerpoes. Zoo lang hij zijn vuil gezicht niet had laten zien in de Marktstraat, kon een Christenmensch gemakkelijk zes dollars per dag verdienen. Nu kan hij er ter nauwernood twee krijgen: dat is een verlies van vier dollars, enkel door de schuld van die varkensstaarten! Sommige patroons zijn niets beter dan die smeerlappen; zij zeggen dat zij een blanke niets meer dan het dubbel willen geven van wat zoo'n gele aap krijgt. Goede hemel! Alsof een Christenmensch van twee maatjes rijst kan leven, omdat zoo'n heidensche Chinees gebrek wil lijden met een!

—Ge meent dus dat die daling in de loonen de schuld is van de Chineezen?

—Van wie anders, kapitein? Wel, vóór de komst van die beesten, kon mijne vrouw met wasschen en strijken nog genoeg verdienen, om van tijd tot tijd eens een slokje te kunnen nemen; maar nu stelen die schurken het brood zoowel van de vrouwen als van de mannen. Als ik niet bang was om mijn handen vuil te maken, dan zou ik ze graag hier eens kopje onder dompelen in de baai,—juist hier, bij Hunter's Point.

—Ge zijt dus niet van de leer, dat men moet leven en laten leven, niet waar, Pat?

—Laten leven! Maar, kapitein, hij is een heidensche Chinees, een echte heidensche Chinees! Wat heeft zulk volk hier te maken? Is er in China geene ruimte genoeg voor hem?

—Maar, Pat, benje dan zelf niet overgekomen van Cork's County?

—Dat is waar, kapitein; maar het land komt ons wettig toe. Wij hebben het veroverd op de Indianen en Mexikanen. Laat de Chineezen eens probeeren, het op ons te veroveren. Ha! of ik verlang naar den dag, dat zij de wapens tegen ons zouden opvatten ... och! die heidensche Chineezen!”

John weigert geen enkel soort van werk. Hij maakt uw eten klaar, en werkt in uw steengroeven; hij wiegt uw kind en verzorgt uw koeien; hij snoeit uw boomen en smelt uw erts. Als hij zijne keus volgen kan, verricht hij het liefst huiselijken arbeid; maar hij is geschikt voor alles, en als hij eens iets door anderen heeft zien doen, kan hij het zelf vrij goed nadoen.

Ho-Ling kwam met den trein in San-José: de eerste Chinees, die ooit in die voormalige vrijstad was gezien. Hij huurde een klein huisje en hing een uithangbord boven de deur: “Ho-Ling wascht en strijkt voor de lui.” Waarschijnlijk was er veel ongewasschen goed in voorraad te San-José: hoe het zij, Ho-Ling was weldra dag en nacht bezig. Hij ontbood Chou-Ping; maar nu konden de twee bleeke-maansgezichten, in hun klein vertrek scharrelende, ter nauwernood hun werk af. Ho-Ling begon geld over te leggen. Toen hij drie maanden in San-José gewoond had, liet hij een timmerman komen, en vroeg hem hoeveel hij hebben moest voor het bouwen van tien houten barakken op een stuk grond achter Main-street, terwijl Ho-Ling zelf de planken en palen zou leveren.

“Voor tien woningen, honderd dollars.

—Dat is veel, dat is veel! zeide Ho-Ling.

—Neen, hernam de timmerman, dat is heel goedkoop.

—Een huis—tien dollars;—tien,—honderd dollars? vroeg Ho-Ling.

—Ja, antwoordde de timmerman, zonder na te denken.

—Ga dan je gang maar.”

Toen de timmerman met het werk begon, stapten zeven nieuwe Chineezen uit den spoortrein, gingen naar de woning van Ho-Ling en begaven zich daarop naar de achterbuurt, waar de nieuwe mongoolsche wijk zou verrijzen. Zij zetten zich op den grond, begonnen, onder het kauwen van hun betel, bamboes-stengels te vlechten, en zagen nauwkeurig toe hoe de timmerman zijn palen insloeg en zijn planken spijkerde.

“Goed gebouwd—tien dollars, grijnsde Ho-Ling, zoodra de eerste barak onder dak was.

—Ik zal ze allen in een oogwenk voor u klaar maken, zei de timmerman, het geld in zijn zak stekende.

—Geen huizen meer noodig, hernam Ho-Ling; ik zal ze nu allen zelf wel maken, allen.”

De timmerman vloekte, maar er was niets aan te doen. Hoewel hij hier met geheel andere materialen werken moet, dan in zijn eigen land, heeft Ho-Ling niet alleen zijne barakken gebouwd, maar is bereids de bouwindustrie zelve te San-José voor een groot deel in handen der Chineezen overgegaan, die de blanke bouwmeesters allengs hebben verdrongen.

Zoo gaat het eveneens in vele andere takken van bedrijf. Het sigarenmaken is een van de belangrijkste industriën van San-Francisco, waarbij duizenden personen werk en brood vinden. Deze tak van industrie is geheel in chineesche handen overgegaan. Het schoenmaken, de wollen manufacturen, en de handel in ingelegde vruchten en groenten, worden ook reeds voor het meerendeel door Chineezen uitgeoefend en gedreven.

“Zoo ge een paar laarzen noodig hebt, zegt een bladzijde 335mijner vrienden in de Pacific Club, ga dan naar Yin-Yung in de Jacksonstraat: dat is de beste schoenmaker in Californië.

—Ge wilt zeggen, de goedkoopste, zegt spottend een heer uit onzen kring.

—De beste zoowel als de goedkoopste,” hervat de eerste spreker.

Wij gaan naar de Jacksonstraat, en nemen een kijkje in den winkel van Yin-Yung, waar wij, tot onze groote verwondering, zeer goed werk vinden; de laarzen en schoenen schijnen zoo netjes en sterk, als ge die ergens vinden kunt, en zijn toch veel minder in prijs. Tot zeer onlangs had Yin-Yung nooit eene engelsche laars gezien. Een mandarijn in China draagt muilen, een koopman gaat in klompen over de straat. Maar Yin-Yung had gebrek aan rijst; en gelezen hebbende, dat zekere Aaron Isaacs, schoenmaker, bekwame knechts noodig had, meldde hij zich bij hem aan; en daar hij nagenoeg geen loon vroeg, voorzag de Jood hem van het noodige en zette hem aan het werk. Ras en geloof zijn voor een Jood geen belemmeringen, zoodra hij minder loon voor den arbeid behoeft te geven. Hij weet wel, dat John zijn handwerk zal leeren en straks als zijn concurrent zal optreden; maar hij houdt zich overtuigd, dat hij, eer het zoover komt, zelf lang zijn slag zal hebben geslagen. Dat sommige beroepen en handwerken, tot groote schade van de blanken, in handen der gelen overgaan, is natuurlijk den Jood onverschillig, die geen vaderland heeft, en ieder land slechts als zijne prooi beschouwt. Hij heeft wel gaarne een stillen, onderworpen Mongool tot bediende, dien hij, als er gelegenheid toe is, kan slaan en bestelen, zonder dat hij voor feitelijk verzet behoeft te vreezen. Daarom wemelt het in de joodsche winkels en magazijnen van chineesche bedienden.—Yin-Yung lokte nu ook zijn broeders naar den winkel van Isaacs; en ongeveer een jaar lang maakte de Jood uitmuntende zaken met den verkoop van engelsche laarzen en schoenen, zoodat hij de markt van dat artikel beheerschte en ook de andere schoenmakers dwong, chineesche werklui te gebruiken. Wel raakten daardoor honderden blanken broodeloos: maar wat kon dit den Jood schelen? Hij verminderde telkens het loon. Een voor een verlieten hem zijn blanke knechts. Isaacs nam nu nog meer Chineezen in dienst. Yin-Yung was thans reeds zoo ver, dat hij de nieuw aangekomenen in het handwerk kon onderrichten. Toen ging Yin-Yung ook heen, en begon voor eigen rekening zaken te doen. Tegenwoordig is Yin-Yung een man van gewicht, eigenaar van een grooten winkel, en deelende in de algemeene achting. Zoo lang hij van Isaacs afhankelijk was, verdroeg hij zwijgend de mishandelingen, de scheldwoorden en bedriegerijen van den Jood; maar nu vereffent hij de schuld, door aan Isaacs oude klanten voor minder geld goede schoenen te leveren. Isaacs is woedend en raast en tiert; maar het is hem nog niet gelukt Yin-Yung er onder te krijgen. Te vergeefs neemt hij telkens meer Chineezen in dienst: hij moet hun het noodige onderricht geven, en zoodra zij op de hoogte zijn, treden ook zij op als zijn concurrenten.

Deze voorbeelden waren met vele andere te vermeerderen: overal hetzelfde verschijnsel, overal moet de blanke werkman, die zijn gezin te onderhouden en zoo velerlei behoeften te bevredigen heeft, onderdoen voor den Aziaat, die op zich zelven staat en met een handvol rijst tevreden is.

Even als Paddy Blake en Juan Chico, schijnen ook Hop-Li en Hong-Chi gezellige dieren te zijn, die zich gaarne te midden der menigte bewegen en het liefst in dicht bevolkte buurten wonen. Even als vele hunner iersche en mexikaansche broeders, schijnen ook zij een bijzonder behagen te scheppen in nauwe stegen, en met welgevallen den afschuwelijksten stank in te ademen. In plaats van hun kamp op te slaan in de open lucht, zoo als zij gemakkelijk zouden kunnen doen, kruipen zij onder den grond, in de kelderverdiepingen van groote huizen, en verbergen zich in gewelven en holen, in putten en goten. Zij scheppen een soort van mierennest, een echte Cour des Miracles, in elke stad, waar zij hunne tenten opslaan. Bij het Zoutmeer scholen zij zamen rondom de markt; in Virginia verzamelen zij zich rondom de mijnen. Te San-Francisco hebben zij de oudste en smerigste buurt ter woning uitgekozen. Als zij te New-York komen, zullen zij zich aan Five-Points nederlaten; verschijnen zij te Londen, dan zal de wijk van de Seven-Dials hun geliefkoosde buurt zijn. Is er ergens in eene groote stad een vuil en onrein kwartier, dan weten de zonen van het Hemelsche rijk dit als bij instinkt te vinden, stroomen daar heen en maken zich van die buurt meester. Het schijnt inderdaad eene natuurlijke aandrift. Te Rome zouden zij hun broeders de Joden uit hun Ghetto, te Napels, de lazzaroni van de Marinella verdrijven; even als zij reeds de iersche en mexikaansche proletariërs uit hunne oude verblijven in San-Francisco verdreven hebben. En toch bestaat er in hun land eene zeer talrijke bevolking, die uitsluitend in schuiten en jonken op het water leeft, zich met visch voedt, en maar zelden in de steden komt. In de vijf provinciën, telt men deze bevolking bij ettelijke millioenen. Zouden er langs de kusten van den Stillen-oceaan ook geen Water-Chineezen te vinden zijn?

Te Monterey verhaalt men mij van eene groep chineesche landverhuizers, die van San-Francisco zijn gekomen, en zich als visschers hebben gevestigd aan de hooge kust nabij Pinos-Point. Zij houden zich niet, zoo als hunne andere stambroeders, op met het wasschen van hemden, het koken van vleesch, het maken van wegen; zij graven en zij spitten niet; zij zijn, naar men verzekert, vrije mannen, die aan de Vijf Maatschappijen geen geld schuldig zijn, en dus ook geene verplichtingen hebben. Hunne eigene keus kunnende volgen, toonen zij niet bijzonder door het stadsleven te worden aangetrokken, en geven zij de voorkeur aan eene woning op den heuvel, waarover de frissche zeewind heenstrijkt en aan welks voet de Oceaan ruischt, boven een krot in eene vuile, overvulde, stinkende buurt. Zij hebben vrouwen en kinderen bij zich. Aan het strand levende, ver van de aanraking met de blanken, buiten bereik van concurrentie en kapitaal, verdienen zij voor zich en hun bladzijde 336gezin een eerlijk stuk brood door den handel in gedroogde visch.

Zulk eene kolonie van Aziaten, die van de blanke kapitalisten noch werk, noch gunst vragen, maar die met flinken moed, in het open veld, den strijd des levens wagen als soldaten, voor eigen rekening en op eigen risico, liever dan als parasieten en slaven, is inderdaad iets opmerkelijks. Hier zijn dus lieden, die het zonder de blanken stellen kunnen, geheel anders dan de mexikaansche arbeiders, die zij gaandeweg uit Californië en Nevada verdringen.

Een weg loopt van Monterey langs Fray Junipero's Kruis en het kasteel van Don Rivera, naar dit aziatische dorp: maar die weg is niets meer dan een indiaansch voetpad, niet geschikt voor paarden en nog minder voor rijtuigen; wij moeten ons dus getroosten te wandelen. Eene voetreis van een paar mijlen, te rekenen van het oude mexikaansche hoofd, brengt ons naar een hoop rotsblokken; en den hoek omslaande, bevinden wij ons eensklaps in China, vlak bij eene verzameling van houten blokhuizen en droogschuren, waar van alle kanten nijdige honden ons tegenblaffen en alles doortrokken is van de onaangename lucht van gedroogden visch en den rook van sandelhout.


Wapiti-hert.

De eerste kolonisten schijnen zich hier eenigermate in den blinde te hebben gevestigd, naarmate een of ander plekje hun aanstond en de boomstammen, waarmede de woning moest worden opgetrokken, dicht bij de hand waren. De toegang tot dezen doolhof is niet moeilijk te vinden. Ge gaat slechts op de lucht van het hout af, jaagt de honden weg, en struikelt hier en daar over naakte kinderen. Maar uit dien warboel wijs te worden, is iets anders: daartoe heeft men chineesch geduld en chineesche vindingrijkheid noodig. Hier, tegenover u, is een varkenshok, met den gebruikelijken vuilnishoop. Die teenen kooi is een kippenren, geflankeerd door een poel, waarin eenden en ganzen ploeteren. Welk eene ondenkbare vuiligheid! Een honderdtal bouwvallige barakken en krotten,—huizen, winkels, schuren—vormen te zamen deze vrije en onafhankelijke kolonie. Die barakken en krotten zijn zoo slecht gebouwd, dat sommigen bij de minste windvlaag en bij iedere harde regenbui omvallen. Een fiksche storm zou waarschijnlijk de gansche kolonie vernielen en in de zee slingeren. Gelukkig voor de bewoners, leven zij aan de kust van den Stillen-oceaan, waar stormen bijna onbekend zijn.

In dezen uithoek van Amerika wonen vier- of vijfhonderd Aziaten, die hun mager levensonderhoud vragen van de zee en het strand. Zij vangen geheele troepen van spiering en rapen schelpdieren bij duizenden. De walvischvangst is eene te moeilijke en zware taak, bladzijde 337maar somwijlen gelukt het hun, een gansche school van kabeljauwen te vangen. Hun geliefkoosde kost is de inktvisch. In den zomer kunnen zij goed leven, naar mij Ah-Tim, een der volkplanters, verzekert. Het bosch voorziet hen van brandstof, en de zee laat hen nooit verlegen om visch. De kleine akkers en tuintjes nabij het dorp leveren peper, groenten en enkele vruchten op. Door een deel van den in den zomer gevangen visch te drogen, voorzien zij zich van den noodigen wintervoorraad, als de zee te hoog staat om uit visschen te gaan. Wat zij voor zichzelven niet noodig hebben, verkoopen zij, en met het daarvoor ontvangen geld koopen zij een weinig thee, sandelhout en opium. Al het overige geniet een Chinees in den droom: een paar trekken aan zijn opiumpijp maken hem tot den gelukkigsten man van de wereld.


Elanden.

Onder geleide van Ah-Tim bezoeken wij verschillende woningen. De hutten gelijken allen op elkander: zij zijn klein maar van binnen zindelijk, en gelijken meer op huisjes uit een speelgoeddoos dan op menschelijke verblijven. In de meeste vindt ge roode aanplakbiljetten tegen den wand: aankondigingen van loterijen, van voorstellingen in de schouwburgen, en van godsdienstoefeningen in de groote pagode van San-Francisco. Ieder Mongool in Amerika beschouwt San-Francisco als zijne hoofdstad, en de groote pagode in die stad als zijn tempel. Als zijne landslieden over het algemeen, is ook Tim op zijn manier een zeer godsdienstig man. In het dorp bij Pinos-Point is geene pagode, want de arme visschers kunnen zich de weelde van een priester niet veroorloven; maar in elke hut op den heuvel vinden wij een beeld van Boeddha op den schoorsteenmantel, even als in iedere baskische woning een kruis, en in elke russische boerenstulp een beeld van de Heilige-Maagd. Hoe arm hij ook moge zijn, heeft toch iedere Chinees voor zijn afgodsbeeldje een potje kokende thee en eenige brandende stukjes cederhout staan. “Het is beter voor den mensch, het zonder rijst en opium te doen, zegt Ah-Tim, dan dat hij Boeddha zijn thee en zijn cederhout niet zou geven.”

In een der hutten vonden wij vijf of zes mannen aan tafel zitten:—de maaltijd bestond uit kool, in traan gekookt, en eenige gebakken mosselen; elke gast was gewapend met de bekende stokjes, die de plaats innemen van lepel en vork. Eer zij gaan zitten, kijken zij even naar den schoorsteenmantel, om zich te overtuigen dat de thee van Boeddha goed warm is. Na afloop van den maaltijd, steken zij eenige cederhoutjes aan en laten die verbranden; maar bij deze godsdienstige handelingen treft u het volkomen gemis van vromen eerbied, ernst en tederheid van gevoel; hier is niets van die innigheid, van dien diepen, heiligen ootmoed, die een hooger uitdrukking leent aan het gelaat van den russischen boer, als hij na het voleindigen van zijn maal het teeken des kruises maakt en zich buigt voor bladzijde 338het heilige beeld, met den uitroep: “Slava Bogu!”

Ah-Tim brengt ons naar zijne woning, waar zijne vrouw thee zet, en zijn twee kleine jongens in den modder rollen en ploeteren. Tim is eene eigenaardige figuur: koud, prozaïsch, aardschgezind, met die versteende, onaandoenlijke hersenen, die amerikaansche dichters, niet zonder reden, als een kenmerk van den heidenschen Chinees hebben genoemd. Tim maakt in zoo verre eene uitzondering op de groote meerderheid zijner landslieden, dat hij zich met politiek afgeeft. Hij is geen geld schuldig aan de maatschappijen, en heeft dus niets van haar spionnen en opzichters te duchten. Hij is in het land zelf geboren, en heeft hoegenaamd geene begeerte om Canton te zien. Hij wil zijn burgerrechten doen gelden; hij wil kiezer zijn, en wenscht dat zijn buren ook kiezers zullen zijn. Tim was de eerste Chinees, die in Californië geboren werd. Als geboren Amerikaan, is hij dus bevoegd tot het bekleeden van alle ambten. Indien hij inderdaad bezat, wat hem volgens de amerikaansche constitutie, met onbetwistbaar recht, toekomt, dan zou hij zich tegenover generaal Grant kandidaat kunnen stellen voor het presidentschap. Maar, volgens de overtuiging van Ah-Tim, schenden de blanken in Californië de constitutie, door te beweeren dat de rechtsregel: “ieder, die op amerikaanschen grond is geboren, is amerikaansch burger”, alleen voor de blanken geldt. En het is niet gemakkelijk, te bewijzen dat Ah-Tim hierin ongelijk heeft, al ligt het voor de hand, waarom de blanken dien regel alzoo toepassen.

“Maakt gij inderdaad aanspraak op uw burgerrecht?

—Ja, mijnheer. Ik ben geboren in Melika; ik ben gehuwd in Melika; ik woon in Melika; mijn kinderen zijn geboren in Melika. Is dat niet voldoende?”

Toen de amerikaansche constitutie werd opgesteld, gold de stelling “dat alle menschen van geboorte vrij en gelijk zijn”, alleen voor de blanken. Een neger was volstrekt niet vrij. Een roodhuid werd volstrekt niet als een gelijke beschouwd. Maar de loop der gebeurtenissen heeft aan die afgetrokken stelling eene nooit vermoede, geduchte praktische beteekenis gegeven. Een in Amerika geboren neger is in het bezit van alle burgerlijke rechten. Waarom dan niet een Mongool? Is het afrikaansche ras bij geval edeler dan het aziatische? Als Zete Fly waardig wordt geacht in de voorrechten der emancipatie te deelen, waarom dan niet Ah-Tim?

XXVIII.

De chineesche wijk.—Chineesche vrouwen.

Een zevende deel van de bevolking, een zeventigste deel van de oppervlakte, van San-Francisco is aziatisch. De Oosterlingen hebben minder behoefte aan ruimte dan de Europeanen. In vele steden kan men dicht opeengepakte menschenmassaas vinden: Russen en Tartaren te Nishni-Novgorod, Kopten en Armeniërs in Jeruzalem, Arabieren en Mooren in Kaïro; maar noch in Rusland, noch in Syrië, noch in Egypte, zal men zulk eene menschenmenigte vinden, als hier in de aziatische wijk van San-Francisco opeengepakt is.

De uitdrukking aziatische wijk zou iemand in de meening kunnen brengen, dat hier sprake was van een afzonderlijk deel der stad, door muren van het overige gedeelte gescheiden, zooals, bij voorbeeld, de chineesche stad in Moskou; maar de aziatische wijk te San-Francisco is eene aan alle zijden toegankelijke buurt, eene open kolonie, gelijk May-Fair in Londen. De Chineezen hebben zich in het hart zelf van San-Francisco nedergezet.

Het theehuis van Lock-Sin, in de Jacksonstraat, mag als het middenpunt van dit nieuwe aziatische rijk in Amerika worden beschouwd; want in de Jacksonstraat, geschaard rondom Lock-Sin's veranda, vindt men de chineesche banken en magazijnen, de chineesche kramen en markten, de chineesche schouwburgen en speelhuizen; terwijl ter wederzijde van die straat de blinde stegen en namelooze poorten en gangen liggen, waarin de chineesche schurken en dieven huizen, met hun onvermijdelijken nasleep van slavinnen.

Hier schitteren in den vollen glans van een aantal papieren lantaarns, de twee groote theehuizen van Lock-Sin en Hing-Ki, waar ge thee kunt gaan drinken en inmiddels kijken naar de vertooningen der danseressen. Hier, rijkelijk versierd met roode en zwarte vlaggen, en weergalmende van den klank van gongs en cymbalen, prijkt Yu-He-Un-Choy, de koninklijke schouwburg, waar reeds drie weken lang een groot historisch tooneelstuk, een kroniek van de Ming-dynastie, vertoond wordt, dat waarschijnlijk nog negen weken duren zal. Tegenover ons, bijna even bont rood en geel geverfd, bijna even vervuld van het geluid van tam-tams en bekkens, verrijst Sing-Ping-Yuen, de nieuwe schouwburg, waarin stukken van minder gehalte worden opgevoerd, die niet langer dan dertig of veertig avonden duren. Hier in den omtrek vindt ge ook de gemeene kroegen, kelders en speelholen, waar gele dieven en booswichten zich met hunne afzichtelijke vrouwelijke kameraden, overgeven aan het verboden genot van het hazardspel om geld. Nabij die kelders bevinden zich de opiumkitten, waarheen de spelers zich in hunne koortsige opwinding begeven, om het nog gevaarlijker en vreeselijker genot te smaken van zich naar ziel en lichaam te verderven ter wille van den damp van papaversap. Daar om den hoek staat ook de groote pagode, een ruim vertrek, met gordijnen en draperiën behangen, stralende van rood en goud, waarin een afgodsbeeld troont: niet een mongoolsche afgod, met een plat en glad geschoren gelaat, schuine oogen en opgetrokken tartaarsche wenkbrauwen, maar een eerzame duitsche mijnheer, met een rechten neus, een mooien knevel en een netjes geknipten baard. Voor dien vreemden afgod staan, dag en nacht, trekpotten met thee te pruttelen en cederstokjes te branden.

De chineesche wijk in San-Francisco breidt zich voortdurend naar alle kanten uit. De Aziaten hebben reeds een goed doel van de Dupontstraat en Kearnystraat in beslag genomen, en dringen door in de Pynboomenstraat, in de Stockton- en Pacificstraten, zelfs tot in Californiastraat. In al die straten behooren een zeker aantal huizen aan Chineezen. Als de Mongolen eens een huis binnendringen, verjagen zij de Europeanen, die niet bestand zijn tegen den rook en den stank, tegen de vuiligheid en het geraas. Zoo kruipen zij al verder bladzijde 339voort, straat voor straat veroverende, en drijven overal de blanken voor zich heen, die zich met schrik en toorn van hen afwenden, als van eene bende melaatschen. Geen blanke wil onder hetzelfde dak slapen met een Chinees; geene blanke vrouw zal gaarne door de Jacksonstraat gaan.

Laat ons eens een kijkje nemen in een dier woningen, en die Aziaten in hun huiselijk leven en bedrijf gadeslaan. Niet ver van Lock-Sin's theehuis staat een vrij groot gebouw, vroeger bekend onder den naam van het Globe-hotel; een huis, vier verdiepingen hoog, met zes ramen nevens elkander in den voorgevel, en ruimte genoeg aanbiedende voor vijftig gasten. Met inbegrip van het onderhuis en zolders, zijn er waarschijnlijk zestig kamers. Aan alle kanten door chineesche mierennesten omringd, werd het Globe-hotel niet langer door fatsoenlijke reizigers bezocht, en eindelijk verhuurd aan Li-Si-Tut, een rijken Chinees, die op zijne beurt de kamers verhuurt aan zijne landgenooten van tamelijken stand—winkeliers, hotelbedienden, klerken en agenten. Li-Si-Tut draagt zorg, dat hij zijn kamers nooit verhuurt aan iemand van slechte reputatie. Geen dief, geen voddenraper, geen nachtlooper kan in zijn hotel een onderkomen vinden; geene geblankette vrouw wordt hier binnen gelaten. Dobbelen en andere verboden spelen worden niet toegelaten, evenmin als gekijf of vechtpartijen. Voor zoo ver uitwendige voorschriften de orde kunnen verzekeren, heerscht er orde in Li-Si-Tut's etablissement; en het Globe-hotel in de Jacksonstraat mag als de koninklijke karavanserai en het zomerpaleis van de chineesche kolonie in Amerika beschouwd worden.

Laat ons binnengaan. Een walgelijke stank dringt in uwe neusgaten, zoodra ge den voet op den drempel zet. Stank komt u tegen uit iedere kamer; het vuil ligt opgehoopt op ieder portaal; het stof van jaren her bedekt de vensters met eene dikke korst. Vergeleken met dit Globe-hotel onder het bestuur van Li-Si-Tut, is eene turksche gevangenis een fatsoenlijk verblijf te noemen. Alles is overdekt met eene vuile, stinkende vochtigheid, die in dikke, zwarte droppels langs de muren sijpelt. En dan, wat gedrang en geloop van allerlei lieden op de trappen en in de kamers! Overal wemelt het van menschen; overal ontmoeten u de bleeke, spookachtige gezichten van wezens, aan spel en opium verslaafd.

Elke kamer, oorspronkelijk ingericht voor het verblijf van één logeergast, is hetzij door matten in zes of zeven kompartimenten verdeeld, hetzij in het rond langs de wanden van kribben voorzien. Het laatste is doorgaans het geval, want niemand gevoelt behoefte aan afzondering, en eene kamer, die, bij verdeeling in kompartimenten, maar ruimte voor zes of zeven personen zou aanbieden, kan licht een dozijn slapers bergen, als er kribben gezet worden. Van boven tot onder is elke kamer opgevuld met rook, zwart van de vuiligheid en volgepakt met menschen. Niet minder dan vijftienhonderd personen vinden dag en nacht logies in dit chineesche paradijs!

Overvulde en ongezonde kamers heb ik ook elders gezien, maar nooit en nergens vond ik menschelijke wezens zoo opeengepakt als hier in dit Globe-hotel. Volgens zijn zeggen, verhuurt Li-Si-Tut zijn huis aan achthonderd huurders; waaruit zou volgen dat in elke van de zestig kamers, met inbegrip van het onderhuis en de kelders, dertien personen zouden wonen; maar zijne huurders, zoo beweert hij, bedriegen hem, door de kribben weder te verhuren aan lieden, die daarvan maar voor de helft van den dag gebruik maken. Bij onderzoek bleek mij, dat dit verhaal van het onderverhuren en verdeelen der kamers de zuivere waarheid is. Ki-Wok gebruikt zijne krib maar twaalf uren van de vier-en-twintig, en verhuurt ze voor de andere twaalf aan Li-Ho. In sommige kamers worden de kribben, in een etmaal, door drie verschillende personen ingenomen.

En toch mogen zij, die in dit hotel hun intrek hebben, nog gezegd worden in een ruim en luchtig paleis te wonen, als men zo vergelijkt bij hen, die in den doolhof van straten en stegen, gangen en poorten en sloppen wonen, welke rondom Bartlett-Alley gegroept liggen. Hier vestigden zich sommigen van de eerste blanke kolonisten in San-Francisco. De grond is er vochtig. De houten woningen werden zoo haastig en zoo goedkoop mogelijk in elkaar getimmerd; en in die door vocht en ouderdom half vergane, van onreinheid stinkende, van ongedierte wemelende krotten huist thans de groote meerderheid der Mongolen. In duistere holen en gaten, te slecht voor een hond, ontwaart ge soms tien of twaalf uitgemergelde menschelijke wezens, op planken uitgestrekt, met strakke blikken in het ijdel starende, en hun best doende om zich zelven en hun ellende te vergeten in het droomland van den opiumrooker.

Nog erger, indien hier van erger sprake kan zijn, is de dievenbuurt, die zich ten deele ook binnen meer fatsoenlijke wijken uitstrekt. Het is wenschelijk hier een gids en een goed geleide mede te nemen; want ge moet deze buurt bij avond bezoeken, en de chineesche misdadigers hebben hun eigenaardige manieren.

Het brandpunt van dit dievenkwartier is de onmiddellijke omgeving van Bartlett-Alley; daar huist eene afschuwelijke bevolking op onreine zolders, in walgelijk vuile kamers, in dompige vochtige kelders. De grond is bedekt met vodden en afval, de lucht verpest door de uitwasemingen van rottende stronken en schillen: overal slijk en modder, opborrelende tusschen de half verteerde planken. Voddenwinkels en bewaarplaatsen van gestolen goederen schuilen weg in den donker. En overal, in al deze holen en krotten, te midden van al die onnoembare onreinheid, wemelt het van Chineezen, wier bleeke, vervallen gezichten er nog spookachtiger uitzien bij het flauwe schijnsel eener walmende lamp.

Op al deze aangezichten leest ge vrees en vertwijfeling tevens. In het voorbijgaan hoort ge deuren toeslaan, grendels dichtschuiven; en ge gevoelt bij instinkt, dat achter elke deur een kerel staat, door het geluid van vreemde stemmen en onbekende voetstappen in het hart van den nacht, opgeschrikt en gereed om de indringers met de opgeheven bijl te treffen of hun een kogel door het hoofd te jagen.

“Doe de deur open!” roept onze gids op bevelenden bladzijde 340toon, stilstaande voor eene uit boomstammen getimmerde hut;—doe de deur open!

—Bedriegt ge mij? Bedriegt ge mij?

—Neen, neen. Doe de deur maar open.”

De stem wordt herkend; de deur gaat langzaam open, en ge werpt een blik in het krot, niet veel grooter dan eene bedstede, maar bewoond door vijf of zes mannen en vrouwen. Hoopen gestolen goed liggen op den vloer: maar nergens is een wapen of geweer te zien. Bij eene andere hut werden wij afgewezen. Op de vraag: “Gij bedriegt mij immers niet?” volgde het gewone antwoord “Neen;” maar in plaats dat de deur geopend werd, hoorden wij van binnen een druk gefluister.

“Gaat heen: gij zult mij niet beet nemen!” roept eene stem; tegelijk hooren wij het overhalen van den haan van een geweer.

“Buk u en ga voort,” fluisterde onze metgezel: en aanstonds bukken wij ons en gaan voort.

In Stout's Alley en in de poorten en sloppen rondom dit brandpunt van zonde en onreinheid, wonen de lotgenooten en makkers van deze dieven en moordenaars—de vrouwelijke slavinnen.

Laat ons naar de straat terugkeeren.

“Nu hebt ge zoo iets van onze chineesche wijk gezien,” zegt mijn metgezel, als wij omstreeks twee uur Lock-Sin's theehuis binnentreden, om ons door een kop thee te verfrisschen.

“Wat ge nu te San-Francisco hebt gezien, dat kunt ge ook zien te Sacramento, te Stockton, te San-José en op vele andere plaatsen. Waar John verschijnt, bouwt hij zich eene chineesche stad en bevolkt die met lichte vrouwen, dieven en slaven, met het uitschot der maatschappij. Wij kunnen voor weinig geld veel werk gedaan krijgen, en onze geldmannen en ekonomisten zeggen dat zij goedkoopen arbeid noodig hebben voor “de ontwikkeling des lands.” Wat dunkt u wel van den prijs, dien wij voor deze ontwikkeling moeten betalen?”

“Eindelijk, zegt een senator te Sacramento, de krant neerleggende, waarin de jongste boodschap van den President aan het Congres is opgenomen, in welke ook melding wordt gemaakt van de chineesche landverhuizing. Onze heer en meester in het Witte Huis heeft dan toch voor een oogenblik zijn oogen afgewend van de zwarte pest langs de Golf, om ook eens te letten op onze gele pest hier langs den Stillen-oceaan!”

Niemand zal kunnen zeggen dat President Grant te vroeg of te sterk gesproken heeft. Men is veeleer geneigd, het tegenovergestelde te denken. In Washington mag men praten en redeneeringen houden: in Sacramento moet er gehandeld worden. De mongoolsche landverhuizers hebben de republikeinsche beginselen op eene proef gesteld, waarvoor zij niet berekend waren; en onder die proefneming zijn beide beginselen en instellingen bezweken.

Geplaatst tegenover een dreigend gevaar van reusachtigen omvang, hebben de Californiërs, ter zelfverdediging, een dozijn wetten uitgevaardigd, die allen in flagranten strijd zijn met de heiligste beginselen van de constitutie der Vereenigde-Staten.

De amerikaansche constitutie stelt de amerikaansche havens voor iedereen open; de wetten van Californië beperken en regelen de toelating en vestiging van Aziaten in San-Francisco. De amerikaansche constitutie verleent, behoudens zeer licht te vervullen voorwaarden, aan iederen landverhuizer het burgerrecht; de wetten van Californië sluiten de chineesche landverhuizers van dit burgerrecht onvoorwaardelijk uit.

Ten gevolge van de nieuwe toestanden, door den toevloed dezer Aziaten in het leven geroepen, heeft San-Francisco opgehouden eene vrijhaven te zijn, in den zin waarin New-York eene vrijhaven is. New-York is voor ieder open. San-Francisco is niet voor ieder open. Als hij te New-York aan wal stapt, kan een Mongool, na verloop van een jaar, als amerikaansch burger genaturaliseerd worden; maar landt hij te San-Francisco, dan kan hij zelfs na verloop van twintig jaar niet genaturaliseerd worden. Deze strijd van beginselen geeft natuurlijk in de praktijk aanleiding tot groote verwarring. Niemand in Oregon, Californië en Nevada, kan met zekerheid uitmaken wat wettig is en wat niet. Eene rechtbank, die volgens de plaatselijke wet recht spreekt, beslist in dezen zin; eene andere rechtbank, die de algemeene wet toepast, beslist in tegenovergestelden zin. Strijd en verwarring in beginselen, methode en toepassing.

Een voorbeeld. Enkele weken geleden liep een schip van Hongkong de haven van San-Francisco binnen. Meenende dat dit schip eene lading bedelaars, schelmen en muiters aan boord had, door verstandige mandarijnen uit het land verwijderd, deed de overheid te San-Francisco eene poging om deze onwelkome gasten naar China terug te zenden. Er werd beslag gelegd op de boot; niemand mocht van boord gaan; en de stoomboot-maatschappij werd van wege de regeering uitgenoodigd haar lading naar Hongkong terug te voeren. De maatschappij weigerde. De rechtbanken van San-Francisco erkenden de bevoegdheid van het gemeentebestuur om die lading af te wijzen; maar de rechtbank der Vereenigde-Staten, die de beginselen der algemeene constitutie moest toepassen, vernietigde het vonnis.

Bijna iedere vrouw, die een paspoort krijgt om Hongkong te mogen verlaten, komt over als slavin, als het eigendom van meesters, die haar in de stad verkoopen, juist zoo als een planter vroeger zijne quadrone in Nieuw-Orleans verkocht. Er is op dit oogenblik voor de rechtbank eene zaak aanhangig, waaruit dit feit, en misschien nog veel meer, blijkt.

Ah-Li, een man van goede reputatie en fatsoenlijke levenswijze, woonde samen met Low-Yow, eene vrouw, die ten onrechte werd verondersteld zijne echtgenoote te zijn. Zij kregen onaangenaamheden en verlieten elkander, waarop Ah-Li van Low-Yow de terugbetaling vorderde van meer dan vierhonderd dollars, welke som hij haar had ter hand gesteld, toen zij nog voor echtelieden doorgingen. Low-Yow weigerde.


De vrouwen-kruistocht tegen den drank.

Ah-Li ging daarop naar den rechter, en verklaarde dat de chineesche vrouw, Low-Yow genaamd, een bladzijde 342chineesch meisje, Choy-Ming geheeten en slechts dertien jaar oud, voor tweehonderd dollars had verkocht: op grond waarvan hij verlangde dat deze vrouwelijke slavenhandelaar zou worden gevangen genomen. Een getuige, Ah-Sing, die zich voor een broeder van Choy-Ming uitgaf, bevestigde onder eede de verklaring van Ah-Li. Op grond dezer verklaringen werden Low-Yow en Choy-Ming beiden in hechtenis genomen. Aan deze laatste werd een advokaat toegevoegd, maar het proces rustte voornamelijk op haar eigen verklaring. Zij erkende eene slavin te zijn. Zij was als slavin van China, naar San-Francisco gebracht en daar verkocht aan Low-Yow, die haar naderhand weder verkocht aan den houder van een slecht huis. Zij stelde den rechter een verkoopbrief ter hand, dien haar, overeenkomstig het gebruik in haar land, door Low-Yow gegeven was.

De advokaat van Low-Yow beweerde dat het geheele proces niets anders was dan eene samenspanning tusschen Ah-Li en Ah-Sing, om zijne cliënte in moeilijkheden te wikkelen. Twee bejaarde Chineezen, in Stout's Alley woonachtig, verklaarden onder eede dat Choy-Ming hun kind was. Zij zeiden, dat het meisje uit hunne woning was gelokt en gedurende eenigen tijd van hen verwijderd was gehouden. Zij hadden haar nooit aan Low-Yow verkocht, en Low-Yow kon haar dus ook aan niemand anders hebben verkocht. Verschillende chineesche getuigen verklaarden dat zij Choy-Ming met de beide oude lieden gezien hadden, zoowel toen zij van het schip aan land kwamen, als later op straat.

Choy-Ming werd binnengeroepen. Door den rechter ondervraagd, of de man en de vrouw in de getuigenbank haar ouders waren, antwoordde zij ontkennend. Zij had die menschen nooit in haar leven gezien. Toen zij verklaarden haar ouders te zijn, hadden de oude man en vrouw een valsch getuigenis afgelegd. Ah-Sing, haar broeder, zou haar verklaring bevestigen. Ah-Sing werd geroepen. Was Choy-Ming zijne zuster? Ja, Choy-Ming was zijne zuster. Waren de oude man en vrouw zijne ouders? Bij het gebeente van zijn voorvaderen—neen! Hij had die lieden nooit tevoren gezien, en hij wist zeker dat zij niet de ouders waren van Choy-Ming.

De rechter, geen kans ziende om uit te maken wat in deze tegenstrijdige getuigenissen waarheid was, maakte een einde aan de zaak en zond beide partijen weg.

Choy-Ming ging naar huis met Ah-Sing en Ah-Li, en men hoorde niets meer van haar, tot zij eensklaps weer in Stout's Alley verscheen, en huisvesting vroeg bij de oude lieden als hun kind. Ondervraagd omtrent haar verklaring voor de rechtbank, zeide zij dat zij met Ah-Li was medegegaan en een poosje bij hem gebleven, omdat Ah-Sing haar met zijne bedreigingen schrik aanjoeg. Zij had op eene hoeve ten platten lande geleefd, maar had nu de twee mannen verlaten. Ah-Sing, zegt zij, is haar broeder niet, en zij houdt meer van de oude lieden dan van de twee mannen. Ah-Li en Ah-Ling mishandelden haar, en zij wil niet langer hun vrouw zijn.

Naar ik hoor, is Choy-Ming even dertien jaar!

De positie der chineesche vrouwen, die naar San-Francisco gebracht worden, is evenmin twijfelachtig als de positie der circassische meisjes, die op de markten van Kaïro en Damascus te koop werden aangeboden. Zij zijn slavinnen. Als zij met haar eigenaars te San-Francisco aankomen, wordt voor haar geene landingspremie aan de zesde maatschappij betaald; want deze vrouwen, voor wie in het samenstel der chineesche familie geene plaats is, behoeven na haar dood niet naar China worden teruggebracht. Zij worden eenvoudig als beesten weggestopt.

De geschiedenis dezer meisjes is dikwijls zeer treurig. Sommigen werden door haar vader verkocht: de arme mongoolsche boeren toch verkoopen geregeld hun dochters, juist zoo als de indiaansche wilden geregeld hunne squaws verkoopen. Velen van haar zijn gestolen kinderen, opgelicht en weggevoerd door schurken, die met dit doel de dorpen nabij de kust afloopen. In elke chineesche haven is eene markt voor zulke waar. Te Hongkong moeten zij wel van een ambtenaar een paspoort erlangen, maar die ambtenaar laat zich gemakkelijk een rad voor de oogen draaien. De eene handelaar laat drie of vier meisjes voor zijne dochters doorgaan; een ander geeft er vijf of zes voor zijne vrouwen uit. Een op het stuk van polygamie wat minder toeschietelijke consul zal wellicht zwarigheid maken, zulk een paspoort te viseeren; maar in dat geval behoeft de handelaar slechts naar een van de slaaphuizen te gaan, waar de landverhuizers, in afwachting van het vertrek der boot, hun intrek nemen, en aan eenige hunner tijdelijk eene vrouw toe te voegen—voor zoo lang de reis duurt. Dank zij dit huismiddeltje, komen de meisjes in San-Francisco, en worden verkocht aan ieder, die eene slavin begeert.

Om dit kwaad op afdoende wijze te stuiten, heeft men in Californië eene wet uitgevaardigd, waarbij aan de plaatselijke autoriteiten de bevoegdheid wordt gegeven om alle van Azië komende schepen te onderzoeken; en tevens het recht, om, wanneer zij aan boord eene lading vrouwen vinden, die verondersteld kunnen worden slavinnen te zijn, en die blijkbaar met onzedelijke bedoelingen worden aangebracht, van de stoomvaartmaatschappij te vorderen, dat die personen terug zullen worden gevoerd.

Het duurde niet lang, of het geval deed zich voor, want verscheidene kooplieden zijn bij dezen afschuwelijken handel betrokken. “Gij moogt deze vrouwen niet aan land brengen,” zeide de havenmeester.—“Dat zullen wij eens zien,” antwoordden de kooplieden, die de meisjes op spekulatie hadden gekocht, en gaarne eene goede winst van hun koopwaar wilden trekken. Zij stelden eene rechtsvordering in. De eerste rechtbank te San-Francisco stelde den havenmeester in het gelijk, waarop de kooplieden in hooger beroep kwamen bij den Chief Justice Wallace, van het opperste gerechtshof te Sacramento, die het vonnis der eerste rechtbank bevestigde. Hier afgewezen, wendden de kooplieden zich tot het kreitshof der Vereenigde-Staten, beweerende dat de wetten van Californië in openbaren strijd zijn met de amerikaansche constitutie, en daarom van geen kracht te San-Francisco, als behoorende tot bladzijde 343het gebied der Vereenigde-Staten. De rechters van het Hof vereenigden zich met deze zienswijze.

Verbitterd over deze uitspraak van het Hof, is het volk van Californië daarvan weder in beroep gekomen bij het Hoog Gerechtshof te Washington2; maar terwijl de Opperrechter Waite en zijn hoogachtbare collega's zitten te peinzen over lastige rechtskwesties, komen de vrouwelijke slaven alvast ongehinderd binnen, en mag een vrije amerikaansche staat deze zedelijke pest niet van zijn gebied weeren. De rechters zeggen, de grond is vrij. Eene slavin wordt eene vrije vrouw, zoodra zij den californischen grond betreedt. Dat klinkt heel fraai; maar wie zal zulk een schepsel als eene chineesche slavin gaan vertellen dat zij vrij is? Wie zal haar aan het verstand kunnen brengen, wat dat woord vrije grond beteekent? Slavin in haar eigen land, heeft zij nooit hooren spreken van vrouwen van haar klasse, die vrij waren. In San-Francisco is zij evenzeer slavin als zij dit was in Canton of in Peking. En toch zal niemand de slavenhandelaars kunnen beletten, hunne afschuwelijke lading door de Gouden-Poort binnen te brengen!

“Luister nu eens naar dit geleuter, zegt de senator. De President spreekt over die aziatische kwestie, als gold het eene kwestie van alledaagsche moraliteit!”

Dit zijn de woorden van den President: “Ik vestig de aandacht van het Congres op het algemeen erkende feit dat de groote meerderheid der chineesche landverhuizers, die op onze kusten landen, blijkbaar niet komen om zich onder ons te vestigen en hun arbeid bevorderlijk te maken aan de algemeene welvaart; maar zij komen krachtens een contract met hoofdlieden, die bijna volstrekte macht over hen hebben. In nog erger mate geldt dit van de chineesche vrouwen. Nauwelijks een merkbaar deel van haar wijden zich aan eerlijken arbeid: zij worden aangebracht met schandelijke bedoelingen, tot oneer voor de gemeente waar zij zich vestigen, en tot groot gevaar voor de zedelijkheid van de jeugd dier plaatsen. Kunnen deze kwade praktijken langs wettelijken weg worden gekeerd, dan zal het, niet alleen mij een plicht, maar ook een genoegen zijn, elke wettelijke regeling toe te passen, die de bereiking van een zoo gewenscht doel kan bevorderen.”

In californische ooren klinken zulke woorden al zeer flauw en zwak. “Als ge nu deze boodschap met de werkelijkheid vergelijkt, gaat de senator voort, verdienen zulke frazen dan wel een anderen naam dan geleuter? Hier, in Sacramento, maken wij ons geene illusiën over dezen toevloed van aziatisch gepeupel. In Californië hebben de chineesche mandarijnen eene strafkolonie gevonden, waarheen zij nu, dank zij onzer schraapzucht en dwaasheid, het schuim der maatschappij, hun vagebonden, misdadigers enz. heenzenden. Zoo komen zij van over de zee, bij duizenden, of liever bij tienduizenden; en toch zijn die duizenden en tienduizenden nog slechts de voorhoede van een groot leger. Millioenen kunnen verschijnen, waar tot dusver duizenden zijn verschenen, en tientallen van millioenen kunnen komen van waar de tienduizenden kwamen”.

Is dit alleen een droom der verhitte verbeelding, die reeds tallooze drommen van Aziaten door de Gouden-Poort meent te zien binnenstroomen? In voorhistorische tijden werd Amerika uit Azië bevolkt: waarom zou zoo iets niet op nieuw kunnen geschieden? De noodige menschenmassa is er aan gindsche kust. De zee ligt open voor hunne schepen. De overtocht levert winst op.

“Wij zijn iets meer dan dertig millioen blanken sterk, gaat de senator voort; daar ginds leven ruim drie-honderd-zestig-millioen gelen. Als zij vijftig millioen naar Amerika overzenden, heeft dit voor hen zoo goed als niets te beteekenen; maar dat geschenk zou voor ons de dood zijn.”

De senator heeft gelijk. Ook na den uittocht van vijftig millioen menschen, zouden de Vijf Provinciën nog even dicht bevolkt zijn als Ierland was vóór den hongersnood. Als de regeering van Peking schepen huurde en die vijftig millioen overvoerde, zou zij goede zaken maken. Door de Vereenigde-Staten verspreid, zoo als loontrekkende arbeiders zich altijd verspreiden, zouden vijftig millioen Mongolen eene beslissende meerderheid hebben bij alle verkiezingen, van Oregon tot de Golf van Mexiko.

Wie kan de verzekering geven, dat zij nooit komen zullen? Wie kan berekenen wat menschen, door gebrek gedreven, durven ondernemen? Honger heeft zich een weg gebaand door steenen muren en onstuimige zeeën getrotseerd. Misgewas onder de aardappelen heeft een derde deel der bevolking van Ierland naar Amerika doen verhuizen, hoewel een iersche kern vooral niet minder aan zijn geboortegrond gehecht is dan een mongoolsche boer. Wie is met de toekomst van de theeplant bekend? Wij hebben de ziekte in de druiven en de aardappelenziekte. Stel voor een oogenblik dat ook de theeplant op dergelijke wijze werd aangetast. Indien zulk een ramp van China een tweede Ierland maakte, zou het volk wel genoodzaakt zijn, bij millioenen te verhuizen. Als slechts een zevende deel der chineesche bevolking naar Amerika verhuisde, zouden zij de verkiezingen geheel beheerschen, en dank zij der wijze en voorzienige republikeinsche constitutie, onbeperkte gebieders van het land worden, waar dan de europeesche beschaving plaats zou moeten maken voor de aziatische barbaarschheid. bladzijde 344


Landschap in de vallei van Yosemiti.

bladzijde 345

XXIX.

Vooruitgang der blanken.—De tegenwoordige toestand.

Tegenover het gansch niet hersenschimmige gevaar eener groote volksverhuizing uit China, waardoor de europeesche beschaving misschien zou kunnen ondergaan en door de aziatische barbaarschheid verdrongen worden, mogen de blanken in Amerika, tot welke partij of richting zij ook behooren, zich wel ernstig rekenschap geven van den tegenwoordigen toestand met zijne eischen en behoeften, zijne beloften en gevaren.


Waterval in het Rotsgebergte.

De vooruitgang der blanken in Amerika was tot dusver zoo snel en zoo onophoudelijk, dat zorgeloosheid omtrent de toekomst niet onverklaarbaar is: bij een terugblik op hetgeen bereids is verricht, kunnen de Amerikanen lichtelijk zich inbeelden dat het werk is volbracht, dat het voortdurend bezit van het land voor hen verzekerd is. Toen Hancock en zijne vrienden de onafhankelijkheidsverklaring onderteekenden, waren dertien koloniën door haar afgevaardigden op het Congres te Philadelphia vertegenwoordigd; dertien koloniën, die te zamen eene oppervlakte besloegen van nog geen vijfhonderd-duizend vierkante mijlen en eene bevolking telden van omstreeks twee-en-een-half millioen, waaronder bijkans vijfhonderd-duizend negerslaven. Na verloop van een eeuw zijn die dertien koloniën aangegroeid tot negen-en-dertig staten en acht territoriën, eene oppervlakte beslaande van meer dan drie millioen vierkante mijlen, en eene bevolking tellende van ruim veertig millioen vrijen, de geheel onafhankelijke, zwervende indiaansche stammen niet medegerekend.

Aanvankelijk niet meer dan een strook kustland, bladzijde 346zag de jonge republiek haar gebied beperkt tusschen de zee en de naburige bergketen. Van de Penobscot-rivier in Maine tot de Attamaha in Georgië, strekte het bewoonbare land zich zelden verder dan honderd mijlen binnenwaarts uit. Hier en daar reikte eene of andere vruchtbare vallei tot twee- of driehonderd mijlen, maar in den regel begonnen de hellingen van het Alleghany-gebergte reeds op een afstand van circa honderd mijlen van de kust. Slechts op een enkel punt was deze natuurlijke slagboom doorgebroken: eene opening in de Blue-Ridge, waardoor zich eenige ondernemende planters hadden gewaagd in de vlakte, nu door westelijk Virginia en Kentucky ingenomen; en deze eenzame zwervers hingen af van de genade der roodhuiden, die van tijd tot tijd de hoeven verbrandden, de mannen scalpeerden en de vrouwen naar hun kamp wegvoerden. Pittsburg, een dorp negen jaar oud, stond midden in de woestijn. Iemand, die in een kano de Ohio durfde afzakken, werd als een stoutmoedig ontdekker geëerd. Waar nu Wheeling en Cincinnati staan, met haar scholen en kerken, haar spoorwegen en fabrieken, zag toen de stoutmoedige pionier den rook opstijgen der indiaansche wachtvuren, en hoorde hij uit de verte het krijgsgeschrei der indiaansche kampen. Roodhuiden togen ter bisonjacht in de vlakten van Indiana, dreven in kano's de Ohio af, en wierpen hunne netten uit in de nevenstroomen van de Big-Drink.

Ten zuiden had de jonge republiek aan hare grenzen een wantrouwenden en scherpzienden vijand, tegenover wien hare verhouding zoo veel te moeilijker was, omdat hij vroeger haar vriend en bondgenoot was geweest. Frankrijk had nog steeds de monden van den Mississippi in bezit, en hield dien grooten handelsweg praktisch voor de Amerikanen gesloten. In een land zonder kanalen en nauwelijks met bruikbare wegen, was het vrije gebruik van de groote rivier eene eerste voorwaarde voor kolonisatie in de vallei van den Mississippi; en het was onmogelijk, van de fransche gouverneurs te Nieuw-Orleans die vrijheid te verkrijgen. Zoo scheen de jeugdige republiek, door de natuur en door de omstandigheden, voor altijd beperkt tot haar oorspronkelijk gebied: de kusten en de valleien, die zich van Maine tot Georgië uitstrekken.

Toen de onafhankelijkheidsoorlog ten einde was gebracht, zagen vele ernstige en vaderlandslievende mannen de toekomst donker in. De edele gevoelens en hartstochten, door den oorlog opgewekt, waren uitgebluscht en geweken—en niets bleef over dan de ruïnen en het verderf, van iederen burgeroorlog onafscheidelijk. Het land was een wildernis geworden. Boerderijen, door de eigenaars verlaten, waren aan verval en verwoesting prijs gegeven. Steden waren geplunderd en verbrand geworden door de strijdende legers; bruggen waren vernield, molens verbrand, plantages verwoest. De bevolking der staten was armer dan de bevolking der vroegere koloniën; ieder stak in schulden, en bovendien was er, met en door den oorlog, een onrustige, avontuurlijke geest in de vroegere kolonisten gevaren, die hen met hun lot ontevreden en van de werken des vredes afkeerig maakte. Meer nog: dronkenschap, vloeken en zweren, vroeger bijna onbekend, waren schrikbarend toegenomen; het onderwijs, weleer het voornaamste voorwerp van de zorg der overheid in iedere stad, was verwaarloosd en in verval geraakt; leeraars en onderwijzers, in de republiek geene gelegenheid meer vindende om hunne talenten te besteden, vertrokken naar Europa. Lichtzinnigheid en onzedelijkheid was mode geworden, en de aanzienlijke dames van Boston en Richmond rekenden het zich tot een eer, Voltaire na te praten.

Zelfs Washington's vaste geest werd in hem ontrust. “De geest der vrijheid,” zeide hij zeven jaren na de onafhankelijkheidsverklaring,” is sinds lang geweken, en zelfzucht heeft zijne plaats ingenomen.” Maar tevens wijdde Washington zich met onverzwakte kracht en volhardenden ernst aan de taak, om de wonden te genezen, en de jammeren, door den oorlog veroorzaakt, te doen verdwijnen. En met welken uitslag!

Frankrijk liet zich afkoopen: de monden van den Mississippi kwamen in handen van Amerika. Spanje werd uit Florida verdrongen, en Mexiko uit Californië, Arizona en Texas verjaagd. Bijna geheel de gematigde en een deel van de tropische streek van Noord-Amerika werd gaandeweg ingelijfd bij de republiek. Bijkans dertig staten en territoriën zijn haar in het verloop van een eeuw toegevoegd. In die staten en territoriën wonen veertig millioen vrije burgers, zijn drie-en-zestigduizend kerken, honderd-veertigduizend scholen met tweehonderd-zeventigduizend onderwijzers en ruim zeven millioen leerlingen. Landstreek bij landstreek, ieder zoo groot als menig koninkrijk, is op de woestijn veroverd en in cultuur gebracht; steden bij honderden zijn verrezen en in weinige jaren tot metropolen aangegroeid; spoorwegen doorsnijden in alle richtingen het onmetelijk gebied en verbinden de beide oceanen; handel en nijverheid hebben zich op reusachtige schaal ontwikkeld, en op het gebied van technische wetenschappen neemt Amerika eene eerste plaats onder de moderne volken in. Zoo staat de jonge republiek daar, een voorwerp van bewondering en naijver voor velen, in de volle grootheid van macht, rijkdom, vrijheid, en met eene toekomst voor zich, die nieuwe wonderen in haar schoot te bergen schijnt.... Toch heeft ook deze medaille eene keerzijde!

De onderlinge strijd der rassen, dien wij hebben geteekend, is niet de eenige plaag, waarmede Amerika te worstelen heeft: daar zijn nog andere euvelen te bestrijden, zoowel van moreelen als van physieken aard, om niet te spreken van geduchte politieke en sociale krisissen, die misschien niet verre zijn.

Onder de oorzaken, die de normale ontwikkeling der blanke bevolking in Amerika belemmeren, bekleedt de ongelijke verhouding tusschen beide geslachten—een gevolg van den toevloed van mannelijke landverhuizers en kolonisten—eene eerste plaats.

Dit euvel is de bron van zeer vele anderen, en tevens van den allernoodlottigsten invloed niet alleen op het onderling verkeer tusschen de beide geslachten, maar ook op het karakter en de positie der vrouwen zelven. In dit opzicht staat Amerika achter bij elk ander beschaafd land.

In 1871 bedroeg de bevolking van Groot-Brittannië, in ronde cijfers, een-en-dertig millioen zeshonderd-zeventienduizend bladzijde 347zielen. Daaronder waren vijftien millioen-driehonderd-zestigduizend mannen, en zestien-millioen tweehonderd-zeven-en-vijftigduizend vrouwen: overwicht der vrouwelijke bevolking, achthonderd-zeven-en-negentigduizend.

In 1870 telden de Vereenigde-Staten ook, in ronde getallen, eene blanke bevolking van drie-en-dertig millioen vijfhonderd-negentigduizend zielen. Daarvan behoorden zeventien millioen negen-en-twintigduizend tot het mannelijk, en zestien millioen vijfhonderd-zestigduizend tot het vrouwelijk geslacht. Overwicht der mannelijke bevolking, vierhonderd-negen-en-zestigduizend zielen.

Deze wanverhouding, reeds op zich zelve zoo bedenkelijk, wordt nog erger door de zeer ongelijke verdeeling der vrouwelijke bevolking in de verschillende deelen des lands. Terwijl de republiek over het geheel arm aan vrouwen is, is bijna de helft der staten daarvan rijk voorzien, sommige staten zelfs al te rijk. In zeventien staten en in het district Columbia zijn er meer vrouwen dan mannen. In enkele van die staten is het verschil onbeteekenend, maar in andere daarentegen zeer aanzienlijk, grooter dan in eenig land van Europa. In Engeland bedraagt het verschil tusschen mannen en vrouwen gemiddeld acht-en-twintig per duizend—een gevolg van de sterke landverhuizing—; in Pruisen niet meer dan dertien. In Massachusetts bedraagt dit cijfer reeds vier-en-dertig, en in Noord-Carolina en Rhode-Island is de verhouding nog ongunstiger. Daarentegen heeft in al de andere staten en territoriën de mannelijke bevolking de meerderheid. Ook hier is het verschil soms onbeteekenend: in Vermont, Delaware en Kentucky niet meer dan zeven per duizend. In Californië, Kansas en Minnesota is het verschil zeer belangrijk; in Arizona, Wyoming, Idaho en Montana is het buitensporig groot:—drie, en zelfs vier tegen één. Is het noodig in beschouwingen te treden omtrent den maatschappelijken en zedelijken toestand van landstreken, waar slechts ééne blanke vrouw wordt gevonden tegen vier blanke mannen?

In onmiddellijk verband hiermede staat een ander feit. Drie jaar geleden maakte het bureau voor onderwijs eene statistiek openbaar, waaruit ontegenzeggelijk bleek, dat het getal der geboorten in Amerika van jaar tot jaar verminderde, en dat niet slechts in enkele staten, maar in alle staten. De afneming is blijvend en algemeen: dezelfde in Arkansas en Alabama, als in Massachusetts en Connecticut, in Michigan en Indiana als in Pennsylvanië en New-York, Het getal der geboorten is aanzienlijker onder de landverhuizers dan onder de ingeborenen; en toch, ondanks deze omstandigheid, is het gemiddeld cijfer over het geheele land lager dan in eenig land van Europa. Is het wel zoo vreemd, dat sommige bekwame statistici en physiologen tot de, waarschijnlijk wel wat voorbarige, slotsom zijn gekomen, dat het blanke ras op den duur op amerikaanschen bodem niet leven kan?

Een ander euvel, waarmede de amerikaansche maatschappij te worstelen heeft, en dat ontzaggelijke verwoestingen aanricht, is de verregaande onmatigheid, de dronkenschap. Deze schier onbedwingbare trek naar sterken drank is eene erfenis van de germaansche, engelsche en duitsche, voorvaders van het tegenwoordige amerikaansche volk; hier echter wordt die behoefte nog meer geprikkeld door den invloed van een klimaat, dat zoowel in warmte als in koude telkens tot uitersten overslaat. Evenals de Engelschen, hebben ook de Amerikanen allerlei middelen aangegrepen om dit steeds heftiger voortwoekerend kwaad te stuiten. Zij zijn daarin zelfs verder gegaan dan in Engeland. In sommige staten werd de verkoop van bedwelmende dranken geheel verboden; in andere werd die handel aan beperkingen onderworpen, welhaast met een verbod gelijkstaande. In onderscheidene staten is de drankverkooper verantwoordelijk gesteld voor de vergrijpen of misdaden, door de beschonkenen begaan; en in vele andere is doorgaande dronkenschap een grond voor echtscheiding. En toch—in Amerika zoowel als in Engeland, is de uitkomst van dergelijke maatregelen voor 't minst twijfelachtig. Over het geheel genomen, wordt er in Amerika tegenwoordig meer sterke drank gebruikt dan ooit te voren. Zelfs in die staten, die tot dusver geacht konden worden het minst aan dit euvel te lijden, nemen de veroordeelingen wegens dronkenschap voortdurend toe. In spijt van zijn uiterst strenge wetten, worden er in Maine, in het vorige jaar (1875), meer personen ter zake van dronkenschap veroordeeld, dan in eenig vroeger jaar sedert de invoering der verbodsbepalingen. Massachusetts, na gedurende meer dan twintig jaar de proef te hebben genomen met het verbod van drankverkoop, hoeft onlangs die wet ingetrokken, en laat nu den verkoop van sterken drank toe, behoudens vergunning der overheid. Wetten, reglementen en politiemaatregelen zijn onmachtig gebleken om het kwaad te keeren; maar evenmin is dit tot dusver gelukt aan de ijverige en welmeenende pogingen van particulieren, afschaffingsgenootschappen, vereenigingen, meetings, predikers, zendelingen. Zelfs de, in sommige opzichten misschien bespottelijke, maar in ieder geval goed gemeende, kruistocht door de vrouwen in Ohio, onder aanvoering van Moeder Carey, tegen den drank ondernomen, heeft, voor zoover men oordeelen kan, niet bijzonder veel vrucht gedragen. Het kwaad is zoo ingeworteld, en zoo velerlei oorzaken werken, juist in onzen tijd, mede om het te bevorderen, dat de vraag, hoe die verderfelijke en steeds grooter verwoestingen aanrichtende kanker kan worden genezen of althans beteugeld, inderdaad eene der ernstigste is, die de staatsman en ieder vriend des volks zich ter beantwoording kan voorleggen.

Weinig minder ernstig is het gevaar, dat de republiek dreigt door de schromelijke onwetendheid harer burgers. In Europa wordt zoo dikwijls en met zoo grooten ophef over de amerikaansche scholen en het amerikaansche onderwijs gesproken, dat vele mijner lezers misschien zeer verwonderd zullen zijn, als ik hun zeg, vooreerst, dat er geen amerikaansch stelsel van onderwijs bestaat; ten andere, dat het schoolbezoek nergens in vollen ernst verplicht is, zoo als in Zwitserland; en ten derde, dat het onderwijs noch algemeen, noch voldoende is. De republiek als zoodanig bemoeit zich niet met de opvoeding harer burgers: zij heeft slechts twee bladzijde 348speciale inrichtingen van onderwijs: de militaire akademie te West-Point in New-York, en de marineschool te Annapolis in Maryland. De zorg voor het gewone, lager, middelbaar en hooger onderwijs wordt door de republiek overgelaten aan de bijzondere staten, en door de staten aan de verschillende graafschappen (provinciën), en over het algemeen door de graafschappen weder aan de verschillende gemeenten (townships). Ligt er eene stad binnen de grenzen eener gemeente, dan moeten de burgers dier stad doorgaans zelven voor het onderwijs hunner kinderen zorgen. Daar is dus niet alleen geen algemeen stelsel van onderwijs in Amerika, maar men zou bijna kunnen zeggen, dat er zoo vele verschillende stelsels als gemeenten zijn.

Slechts in vijf staten van de negen-en-dertig bestaat er eene wet, die het bezoeken der school voorschrijft. Die vijf staten zijn New-Hampshire, Massachusetts, Connecticut, Michigan en New-York; maar zelfs in die staten wordt de wet nergens met kracht gehandhaafd, en de uitkomsten der statistiek zijn dan ook alles behalve gunstig. In New-Hampshire kunnen zevenduizend personen niet lezen, en bijna tienduizend niet schrijven. In Connecticut kunnen twintigduizend personen niet lezen, en dertigduizend niet schrijven. In Michigan kunnen vier-en-dertigduizend personen niet lezen, en drie-en-vijftigduizend niet schrijven. In New-York zijn er honderd-drie-en-zestigduizend personen, die niet lezen, en bijna tweehonderd-veertigduizend, die niet schrijven kunnen. Volgens de statistiek, door het bureau van onderwijs te Washington uitgegeven, waren er in 1870 in geheel Amerika ruim vier millioen-vijfhonderd-duizend personen, die niet lezen, en meer dan vijf millioen-zeshonderd-duizend, die niet schrijven konden!

En men meene niet, dat deze ongeletterde lieden geheel of voor het meerendeel vreemde landverhuizers zijn: iersche arbeiders, duitsche landbouwers, Chineezen, Afrikanen enz. Volstrekt niet. Vooreerst kunnen de duitsche en chineesche landverhuizers, in den regel, wel lezen en schrijven;—ik heb nog nimmer een Chinees ontmoet, die niet kon lezen, en maar zeer weinigen, die niet konden schrijven—natuurlijk in hun eigen taal. Maar volgens de statistiek zijn van die vijf millioen zeshonderdduizend, die niet lezen en schrijven kunnen, slechts zevenhonderd-vijftigduizend personen niet in Amerika geboren. Natuurlijk worden bij deze opgaven de negers medegerekend; maar de negers zijn nu ook amerikaansche burgers, met politieke rechten. Hun aantal in deze statistiek bedraagt twee millioen zevenhonderd-vijftigduizend. Dan komen nog eenige getallen in aanmerking voor roodhuiden en Chineezen; maar na aftrek van negers, roodhuiden en gelen, blijven er dan toch nog twee millioen achthonderdduizend zuivere blanken over, die noch lezen, noch schrijven kunnen, en daarvan zijn ruim twee millioen echte geboren Amerikanen! Als men nu daarbij overweegt, hoe bitter weinig de bloote kennis van lezen en schrijven voor de intellectueele ontwikkeling bewijst, dan zal men den grooten roep over het amerikaansche volksonderwijs zoo wat op zijne wezenlijke waarde kunnen schatten.—Echter moet worden erkend, dat sedert deze verbazingwekkende feiten aan het licht kwamen, van verschillende zijden, met ernst en kracht, de hand aan het werk is geslagen, om in dezen jammerlijken toestand—mede voor een groot deel het gevolg van den burgeroorlog—verbetering te brengen. Daar zullen echter vele, vele jaren moeten verloopen, en daar zal nog zeer, zeer veel gedaan moeten worden, eer de model-republiek, ook wat het volksonderwijs aangaat, zich op gelijke lijn kan stellen met de meeste staten in Europa.

Laat ons, ten slotte, met een enkelen blik, den huldigen toestand overzien.

De natuurlijke hoofdvoorwaarden voor nationale ontwikkeling zijn overal: grond en bevolking. Ook Amerika dankt aan den overvloed van beiden in de eerste plaats zijn voorbeeldeloos snellen wasdom. Tot nu toe heeft de stroom van immigranten niet stil gestaan, en voor allen was er grond en woning in voorraad. Zal dit zoo blijven?

Sedert het einde van den onafhankelijkheidsoorlog heeft Europa meer dan negen millioen menschen aan Amerika geleverd. Blijkens de volkstelling van 1870 waren vijf-en-een-half millioen inwoners op vreemden grond geboren; terwijl van bijna elf millioen hetzij de vader, hetzij de moeder vreemdeling van geboorte was. Van de zeven Amerikanen was er dus één van geboorte vreemdeling; en bijna één van de drie was althans deels van vreemde afkomst. Geen ander land telt zoo vele vreemden in zijn gebied.

Van de ongeveer tien millioen menschen, die uit verschillende wereldstreken naar Amerika zijn verhuisd, zijn bijna zes millioen van de Britsche eilanden en van Britsch Amerika afkomstig; en ruim twee-en-een-half millioen van Duitschland, met inbegrip van Pruisen en Oostenrijk, doch zonder Polen en Hongarije. Van de niet-europeesche staten heeft China het grootste getal geleverd; dan volgen West-Indië en Mexiko. Maar de bijdragen van landverhuizers uit Azië, Afrika, Australië en Amerika (met uitzondering van Engelschen) beloopen nog niet één per dozijn. De republiek is dus hoofdzakelijk bevolkt door personen, uit Engeland en Duitschland afkomstig.

Zal nu deze toevloed van engelsche en duitsche kolonisten ook in het vervolg, op dezelfde groote schaal, blijven voortduren? Niemand die het gelooft. Daar zijn vele teekenen, meer of minder duidelijk en openbaar, die recht geven tot de uitspraak, dat deze landverhuizing haar toppunt reeds heeft bereikt en verder voortdurend af zal nemen.


Tocht door een amerikaansch bergwoud.

Gedurende veertig jaren (1820-'60) klom het cijfer der emigranten uit engelsche havens met ieder tiental jaren. In het eerste tiental bedroeg dit cijfer honderd-twee-en-vijftig-duizend; in het tweede tiental steeg het tot omstreeks zeshonderd-duizend; in het derde tot een millioen-zevenhonderdduizend; in het vierde tot twee-en-een-half millioen. Dan volgt een stilstand. Gedurende twee jaar daalde het cijfer, niet alleen in evenredigheid tot de vroegere vermeerdering, maar ook wat het werkelijk aantal personen betrof. Toen de oorlog uitbrak, en zoo lang die duurde, werden een bladzijde 350aantal Ieren, door het vooruitzicht van hooge soldij en goed voedsel, verlokt om naar Amerika te gaan. Maar zelfs toen werden de vroegere cijfers van emigranten nooit meer bereikt. De bronnen, waaruit de stroom ontsprong, begonnen op te drogen. Door de engelsche regeering werd en wordt nog niets gedaan, om de verhuizing des volks naar Amerika tegen te gaan: het recht om zijn eigen woonplaats te kiezen, wordt als een onschendbaar recht des menschen beschouwd. Integendeel zijn, zoowel door de regeering als door particulieren, allerlei maatregelen genomen om de landverhuizing te bevorderen en gemakkelijk te maken. En toch, ondanks dat alles, neemt de beweging af; ja, is er zelfs reeds eene beweging in tegenovergestelde richting begonnen. Scharen van landverhuizers keeren naar Europa terug, en nog grootere scharen zouden dit doen, indien hunne middelen het hun veroorloofden. Van Portland tot Nieuw-Orleans worden onze consuls onophoudelijk lastig gevallen met aanvragen om vrijen overtocht, dien zij niet bezorgen kunnen. De verhouding tusschen de aankomende en de terugkeerende landverhuizers is niet na te gaan, want van de vertrekkenden wordt geen aanteekening gehouden. Maar de persoonlijke ervaring leert mij, dat menschen van allerlei beroep, zoowel stedelingen als landbouwers, hun best doen om terug te keeren. Onze regeering doet niets om deze beweging in de hand te werken: een landverhuizer als zoodanig kan op geenerlei ondersteuning rekenen: niettemin spannen duizenden en tienduizenden al hunne krachten in om naar Liverpool en Cork terug te keeren. Tien jaar geleden, vondt ge in Munster of Essex geen enkelen boer of arbeider, die in Amerika was geweest: Amerika was voor allen het beloofde land, en niemand dacht er aan, daaruit terug te komen. Tegenwoordig is dat anders. In bijna ieder dorp nabij Cork vindt ge boeren, die te Chicago of Saint-Louis zijn geweest. In den omtrek van Ongar en Brentwood is het geen zeldzaamheid arbeiders aan te treffen, die met u over Kansas spreken kunnen. Zij hebben het beloofde land aanschouwd, en zijn toch tot hunne oude woningen teruggekeerd.

Uit Duitschland schijnt voortaan geen rijker toevoer van landverhuizers te wachten dan uit Groot-Brittannië; laat mij liever zeggen nog minder, want prins Von Bismarck heeft zijne aandacht gewijd aan deze beweging en tracht de oorzaken der voor het vaderland zoo schadelijke landverhuizing weg te nemen.

Even als Engeland, leverde ook Duitschland in ééne dekade het grootste aantal landverhuizers, waarna de beweging afnam. In de eerste tien jaren van hetzelfde tijdvak (1820–'60) vertrokken uit Duitschland, met inbegrip van Pruisen en Oostenrijk, nog geen achtduizend zielen; in het tweede tiental klom dit cijfer tot honderdvijftigduizend; in het derde, tot vierhonderd-dertigduizend; en in het vierde tot negenhonderd-vijftigduizend. Toen kwam ook hier de stilstand. Gedurende de drie volgende jaren daalde het cijfer. Tijdens den burgeroorlog wies ook weer tijdelijk de stroom der duitsche landverhuizing, maar ook hier werden, ondanks de verlokkingen van hooge soldij en goed voedsel, de cijfers van 1853 en 1854 nooit meer bereikt. De bronnen schenen op te drogen. Sedert is in Duitschland eene geheele omkeering tot stand gekomen. De pruisische regeering, thans de leidende macht in Duitschland, is niet gezind de landverhuizing ongestoord haar gang te laten gaan; reeds zijn er te velen vertrokken. Wel zal de regeering de landverhuizing niet rechtstreeks verbieden, maar ongetwijfeld zal zij die trachten te beperken en te voorkomen, door zooveel mogelijk de oorzaken weg te nemen, die de lieden bewegen elders hun levensonderhoud te gaan zoeken. Het laat zich dus niet aanzien, dat in het vervolg vele millioenen Duitschers naar Amerika zullen verhuizen.

Dit voor zoo veel het volk betreft. En nu het land. Mogen wij de opgaven en de verslagen van generaal Hazen gelooven, dan is de voorraad van land evenmin onuitputtelijk als de toevoer van kolonisten. Vele illusiën daaromtrent zijn bij nauwkeuriger onderzoek geweken. Toen Louisiana van Frankrijk werd aangekocht, achtte men dit grondgebied schier grenzenloos; niemand wist hoe ver het zich naar het westen uitstrekte, ter nauwernood waar de noordelijke grens te vinden was. Toch is nu reeds iedere bunder van dat grondgebied bezet, en voor zoover de arme en moerassige bodem toelaat, ook in cultuur gebracht. Hetzelfde was het geval toen Illinois, Jowa, Nebraska, Kansas ingelijfd werden. Die streken, meende men, boden overvloedig ruimte aan voor een onnoemelijk getal menschen, elk minstens voor dertig millioen, met eene boerderij voor ieder gezin. In deze vier staten is ook al het land reeds ingenomen: althans al het land, dat de moeite der inbezitneming loont. Het grootste gedeelte van Kansas en Nebraska, en wijde, onafzienbare streken in Dakota en Colorado, zijn voor nederzetting en kolonisatie geheel ongeschikt. Idaho, Montana, Wijoming en Utah zijn bergplateaux, voor het grootste gedeelte hoog en dor, over het geheel genomen slechts geschikt voor veeteelt op zeer groote schaal, zoo als alleen voor kapitalisten mogelijk is. Langs den oever van den Stillen-oceaan, van Washington tot Opper-Californië, is geen “wild land” meer over, en nog maar een klein deel werkelijk bruikbaar domaniaal land. Volgens Hazen geldt ditzelfde ook van Texas, Nieuw-Mexiko en Arizona. In de nabijheid van den Mississippi is de grond vochtig genoeg: maar naarmate men den Stillen-oceaan nadert, wordt de bodem hooger en dorder. Water en hout worden zeldzaam; de winter is hier zeer streng. Hier en daar vindt men wel eene vruchtbare vallei en enkele liefelijke oasen in de woestijn, zoo als Sint-George aan de Rio Virgen, maar over het geheel genomen is het land uitgedroogd, naakt en dor. In Utah en Colorado is de natuur minder ongunstig: maar de oppervlakte van het voor bebouwing geschikte terrein is ook daar zeer gering; verder noordwaarts is de grond arm, de hoeveelheid regen van weinig beteekenis, de plantengroei schraal en de koude zeer streng.

De slotsom van generaal Hazen is, dat er binnen de grenzen der republiek nog maar zeer weinig land over is van zoodanige kwaliteit, dat degelijke kolonisten daardoor tot verhuizing zouden worden uitgelokt. bladzijde 351

Zijn deze opgaven juist—en zeer bevoegde personen verzekeren mij dat ze juist zijn—dan is het einde van den buitengewonen, exceptioneelen toestand, waarin Amerika tot dusver verkeerd heeft, nabij. Voor het vervolg zal de republiek dan op eigen krachten moeten steunen en zich zelve helpen, en kan zij voortaan van Europa geene andere of meerdere hulp verwachten dan bij voorbeeld Engeland van Duitschland, of Italië van Frankrijk verwacht.

Met haar schier voorbeeldeloos verleden mag Amerika voorzeker op eene schoone toekomst hopen. Maar er zijn dreigende teekenen, die niet over het hoofd mogen worden gezien. De strijd is nog niet volstreden; het groote werk nog niet voltooid. Zal het blanke ras in Amerika zijne meerderheid tegenover vreemde elementen handhaven, dan zullen alle blanken zich aaneen moeten sluiten en, met terzijdestelling van dwaze theorieën en zelfzuchtige berekeningen, den werkelijken toestand ernstig onder de oogen zien en zich doordringen van het besef hunner onderlinge solidariteit. Zal de republiek inderdaad met vrucht arbeiden aan het groote werk der algemeene ontwikkeling en beschaving, dan moet zij, in stede van voortdurend te roemen op de verkregen resultaten, in de eerste plaats haar aandacht schenken aan de gevaarlijke wormen, knagende aan de wortelen van dien wonderboom. Dan moeten binnenlandsche twisten en partijschappen worden ter zijde gesteld; dan moet bovenal de grenzenlooze zelfzucht, het allesoverheerschende materialisme, de weergalooze corruptie, met alle kracht worden bestreden, en met ernst en toewijding de hand geslagen aan de groote taak, ook voor dit volk weggelegd, en die alleen door eendrachtige samenwerking van alle werkelijk beschavende en veredelende krachten kan worden vervuld.



1 Veiligheids- of waakzaamheidscommissies (vigilant committees) noemt men in de Vereenigde-Staten de bijzondere vereenigingen, door de burgers in de nieuwe volkplantingen opgericht, om voor de openbare veiligheid te zorgen. Die commissies nemen de taak der justitie op zich, en passen de beruchte Lynchwet in al hare strengheid toe. (Vert.)

2 In de Vereenigde-Staten zijn er tweederlei soort van gerechtshoven: die van de afzonderlijke staten en die van de unie in haar geheel. De rechters in de federale gerechtshoven worden voor hun leven door den President benoemd; het Congres alleen kan hen in staat van beschuldiging stellen of uit hun ambt ontzetten. De federale gerechtshoven oefenen deels geheel zelfstandig de rechtsmacht uit, deels in overleg met de gerechtshoven van iederen staat: dit hangt af van den aard en de waarde der zaak, waarover het geding loopt. Aan het hoofd der federale rechtsmacht staat het Hoog-Gerechtshof (Supreme Court) van de Vereenigde-Staten, dat te Washington is gevestigd en uit een opperrechter (chief justice) en acht rechters bestaat, welke laatsten tevens voorzitters zijn van de zoogenoemde Circuit-courts, of kreitshoven. De Vereenigde-Staten zijn namelijk in negen rechterlijke afdeelingen of kreitsen verdeeld, in elk waarvan tweemaal in het jaar eene rechtszitting gehouden wordt. Californië, Oregon en Nevada vormen te zamen de negende kreits (circuit).—Andere federale rechtbanken zijn de District-courts, waarvan in elken staat er minstens een is, en het Court of claims (Hof der grieven), dat uit vijf rechters bestaat, die allen te Washington wonen; voor dit hof worden de klachten tegen de regeering behandeld. (Vert.)

Schipbreuk van de Cospatrick.

De Cospatrick, een schip van veertig ton, bemand met veertig man, gezagvoerder kapitein Elmslie, zou vierhonderd landverhuizers, voornamelijk werklieden en boerenarbeiders met hunne gezinnen, van Engeland naar Nieuw-Zeeland overbrengen. Den 12den September 1874 vertrok het schip uit de haven van Deal. Aanvankelijk was de reis in alle opzichten voorspoedig, tot in den nacht van den 17den November, toen een geweldige brand uitbarstte, die weldra zoozeer in hevigheid toenam, dat er, ondanks de ijverige pogingen en krachtsinspanning der bemanning, geen hoop op redding meer overbleef. Het schip bevond zich toen op zeven-en-dertig graden zuiderbreedte, en twaalf graden oosterlengte, op ongeveer tweehonderd mijlen van kaap de Goede-Hoop.

Naarmate de Cospatrick meer en meer door het vuur overweldigd werd, vertoonde zich op het dek een schouwspel, waarvan de verschrikkingen alle beschrijving te boven gaan. Door radeloozen angst en wilde vertwijfeling gedreven, drongen en joegen de passagiers, mannen, vrouwen en kinderen, in toomelooze wanorde, onder luid gegil en hartverscheurend geschreeuw, naar de booten. Om aan het vuur te ontkomen, sprongen zij in zee, en verdwenen in de golven, zonder dat het mogelijk was, hun hulp te verleenen. Slechts aan twee booten gelukte het, de open zee te bereiken. Al de andere sloepen waren of verbrand, of gezonken onder het wicht der overtalrijke passagiers, die daar een toevlucht hadden gezocht.

Twee dagen duurde de bange doodstrijd van het schip: eerst op den 19den November ging het te gronde. De kapitein Elmslie, zijne vrouw, hun jonge zoon en de scheepsdokter Cadle, bleven tot op het laatste oogenblik aan boord, op het brandende dek. Toen het vuur eindelijk hunne laatste wijkplaats had bereikt, sprongen zij over boord, en verdronken onder de oogen der passagiers, die zich in de booten hadden geborgen, en die zich nog niet hadden verwijderd, maar toch niet bij machte waren, de ongelukkigen te redden.

De beide booten bleven gedurende den 20sten en 21sten November bij elkander; toen werden zij door eene hevige windvlaag gescheiden. Van de eene boot, waarin zich de eerste officier, zes matrozen en vijf-en-twintig passagiers bevonden, heeft men nooit meer iets vernomen. De andere sloep, waarover de tweede officier, de luitenant Macdonald, het bevel voerde, en waarin zich vijf-en-twintig personen bevonden, had noch masten, noch zeilen. Met behulp van de japon van een der vrouwelijke passagiers, werd een soort van zeil vervaardigd. Maar het ontbrak aan water en aan levensmiddelen; en den 22sten begonnen honger en dorst zich ernstig te doen gevoelen. Een matroos, die het roer hield, viel in zee en verdronk. Den 25sten was het getal der schipbreukelingen tot acht geslonken, waarvan drie hun verstand hadden verloren. Deze overblijvenden hadden hun leven gerekt door het bloed der lijken te drinken.

Den 26sten vóór zonsopgang, voer een schip dicht langs de sloep. De schipbreukelingen riepen en maakten teekenen, maar werden waarschijnlijk niet opgemerkt: althans er volgde geen antwoord. Den 27sten stak de wind op en begon het te regenen: maar de ongelukkigen konden slechts enkele droppels opvangen. Op nieuw bezweken drie mannen; van de vijf die overbleven, waren er twee krankzinnig. Allen waren in bijna gevoellooze verdooving verzonken. Eindelijk, in den morgen van den tienden dag, werd luitenant Macdonald uit zijn bewusteloosheid gewekt, omdat een zijner metgezellen, in een aanval van waanzin, hem in den voet beet. Op het eigen oogenblik ontdekte hij een groot schip, dat de sloep naderde. Het was de British-Sceptre, die van Calcutta naar Dundee ging. De schipbreukelingen werden aan boord opgenomen en met de grootste zorgvuldigheid verpleegd. Maar de twee ongelukkigen, die krankzinnig waren geworden, stierven in waanzin; de drie anderen werden den 8sten December te Sint-Helena aan wal gezet en met de paketboot Nyanza naar Engeland teruggevoerd. bladzijde 352


Schipbreuk van de Cospatrick.

bladzijde 353

No comments:

Post a Comment