Monday, March 5, 2012

De Aarde en haar volken: Jaargang 1877 - Full Text (Reis door Griekenland)

Reis door Griekenland.


Kaap Matapan.

I.

Wij zaten aan tafel. Er was een vrij talrijk en vroolijk gezelschap aan boord van de stoomboot; een aangename toon heerschte onder de passagiers, ondanks—of misschien wel omdat—verschillende en zeer uiteenloopende nationaliteiten onder ons vertegenwoordigd waren. Een onzer medereizigers, een Franschman, die veel gereisd had, was juist bezig ons een zijner avonturen in Nieuw-Caledonië te verhalen, waarbij hij groot gevaar had geloopen, door de inboorlingen opgegeten te worden; wij allen en hij zelf het eerst lachten hartelijk om het fantastisch tooneel, dat hij ons voor de oogen schilderde, toen plotseling de gezagvoerder binnentrad en ons mededeelde, dat wij de kust in het gezicht hadden.

Dat moest de kust van Griekenland zijn. In zonderlinge spanning, spoedde ik mij naar het dek. Vlak bij ons, aan de linkerhand, zag ik een donker, roodachtig gekleurd voorgebergte, dat loodrecht uit zee oprees, en door de sterke branding met vlokken schuim werd overspat; daarachter verhieven zich, amphitheatersgewijze, dorre naakte heuvelen, en ver op den achtergrond, met het hoofd in de wolken, een met sneeuw bedekte bergtop. Nergens, in dit sombere, woeste landschap eenig teeken van leven: geen enkele woning, geen levend wezen, geen boom, geen grasspriet zelfs: niets dan doodsche eenvormigheid en verlatenheid. Slechts een kleine brik laveerde met moeite langs de kust, en deed haar best, om nog voor het vallen van den avond uit dit vaarwater te komen, waar het, bij den opstekenden zuidenwind, voor zeilschepen zeer gevaarlijk worden kon.

En dit was Griekenland, het land, waarvan de naam alleen, als een zoete tooverklank, zoo vele liefelijke herinneringen mijner jeugd wakker riep! Hoe menigmalen hadden wij niet, aan de akademie, met die onvergetelijke klassieke herinneringen, met het oude Hellas, gedweept; hoe menigmalen was niet de vurige wensch in ons opgerezen, dit land te mogen aanschouwen, dien gewijden bodem te mogen betreden! Nu stond die wensch voor mij vervuld te worden ... en dit was de eerste indruk!

Echter, laat ons niet te haastig oordeelen. Deze kaap Matapan of Tenaros, zoo als zij eigenlijk heet, stond van oudsher in een kwaden roep. Geheel aan de zuiden- en zuidwestenwinden, de heerschende in de Middellandsche-zee, blootgesteld, werd en wordt zij nog heden met volle recht door de zeevaarders gevreesd, die groot gevaar loopen om door de branding tegen de onherbergzame rots geworpen te worden.

Een tempel van Poseidon, rustende op een onderbouw van dat prachtige roode marmer, dat uitsluitend aan de groep van den Taygetos eigen schijnt, blikte weleer van deze rotshoogte op de zee neder, als een waarschuwing en eene vertroosting tevens voor de zeelieden, die daar beneden met de golven worstelden en uit wier hart zeker menigmalen eene bede tot den god is opgestegen. Door de werking van wind en weder is deze tempel langzamerhand geheel gesloopt: tegenwoordig is er zelfs geen spoor meer van te vinden. bladzijde 210

Maar nog andere gevaren dan die der golven plachten hier de zeevaarders te bedreigen. Als windstilte de schepen aan hunne plaats boeide, of als zij, door den orkaan van hun zeilen beroofd, machteloos ronddreven op de onstuimige wateren, dan gebeurde het maar al te vaak, dat vlugge kapers, plotseling uit kreek en inham te voorschijn schietende als roofvogels op hun prooi, de schepen overvielen, de bemanning over den kling joegen en gingen strijken met den buit. Het is nog niet zoo lang geleden, dat deze wateren van de plaag der zeeschuimers zijn verlost. Wel had admiraal Paulicci een aantal dezer roovers opgehangen, maar eerst de krachtige tusschenkomst van de vloten der westersche mogendheden gedurende den Krimoorlog, maakte voor goed een einde aan deze kaapvaart, die voor de kustbewoners bijna tot een geoorloofd bedrijf geworden was.

Aan gene zijde van kaap Matapan opent zich de wijde golf van Marathonisi, ten noorden door de vallei van Sparta begrensd. Zeker schrijver, even weinig ervaren in de botanie als in de aardrijkskunde, heeft den Peloponnesus bij een moerbeziënblad vergeleken. De vergelijking is zoo onjuist mogelijk. Wilde de man zijn voorbeeld volstrekt aan het plantenrijk ontleenen, dan kon hij in Griekenland een boom vinden, die hem de eenig juiste vergelijking aan de hand zou doen: de plataan. Een plataanblad toch geeft inderdaad vrij wel den vorm van Morea weer, met zijn drie, naar het zuiden gerichte voorgebergten, waarvan het middelste de beide anderen in lengte overtreft. De eerste landpunt, van het westen komende, is die van Koron, uitloopende in kaap Gallo; daarop volgt het schiereiland Maina, welks hooge en woeste rotsgebergten afdalen naar kaap Matapan; het oostelijke voorgebergte eindigt in kaap Malea.

Tegenover deze kaap, eene groote bruine rotsmassa, en slechts door een zeearm van twaalf mijlen breedte van het vasteland gescheiden, verheft het eiland Cerigo zijn lage, naakte heuvelen uit de wateren. Deze zee-engte levert voor de zeilvaartuigen dikwijls groote moeielijkheden op: als in den Archipel de noordenwind heerscht, zijn zij dikwijls genoodzaakt het anker uit te werpen aan den ingang der zeeëngte, in de golf van Marathonisi, en daar geduldig, soms dagen lang, te wachten tot de wind naar het zuiden of het zuidwesten loopt. Blijft het slechte weder aanhouden, dan ziet men daar soms meer dan honderd schepen, vooral grieksche en italiaansche, bijeen. Thans zagen wij er slechts enkelen, die zwaarmoedig op hunne ankers dobberden.

De zwarte wolken, die wij in haastige vlucht over de bergtoppen zuidwaarts zagen spoeden, verwittigden ons, dat ook wij, bij het verlaten der straat, met tegenwinden zouden te kampen hebben. De moeielijkheden en gevaren, aan dezen waterweg, die de belangrijkste havens en stations van den Levant verbindt, eigen, hebben al meermalen naar een middel doen omzien om daarin verbetering te brengen. Het meest voor de hand lag wel het denkbeeld, om de landengte van Korinthe, die noordelijk Griekenland met den Peloponnesus verbindt, door te graven. Op het eerste gezicht schijnt dit plan zich alleszins aan te bevelen; maar bij nader onderzoek op de plaats zelve, zal het ons duidelijk worden dat de voordeelen hoegenaamd in geene verhouding zouden staan tot de moeielijkheid van het werk en het bedrag der kosten, vooral nu niet, nu de stoomvaart steeds meer en meer de zeilschepen verdringt.

Het eiland Cerigo, het oude Kythera, dat wij ter rechterhand laten liggen, is niet veel meer dan een groote, steile, onvruchtbare rotsmassa. Vroeger behoorde het, met de andere Ionische eilanden, aan Engeland; door deze steenklomp aan Griekenland af te staan, heeft Groot-Brittannië niet veel verloren. Eenige witgepleisterde huizen, met platte daken, aan den voet eener naakte en door de zon geblakerde rots—ziedaar alles wat thans nog de herinnering bewaart aan het oude Kythera, wellustiger gedachtenis.

De hoofdplaats van het eiland, het vlek Sint-Nicolaas, heeft geen haven en geen drinkwater, geen tuinen en geen boomen: ik zou bijna zeggen ook geen inwoners, indien niet enkele wijngaarden, hier en daar verspreid, het bewijs leverden dat hier toch inderdaad menschen wonen. In de valleien en langs de minder steile hellingen, waar eene dunne laag vruchtbare aarde den steenigen bodem bedekt, wordt een weinig gerst geteeld en wijn verbouwd; eenige olijvengaarden leveren de olie, die de bewoners van het eiland voor hun gebruik noodig hebben.

Volgens de officiëele opgave, telt Cerigo eene bevolking van tienduizend-zeshonderd zielen, verdeeld tusschen tweeduizend-achthonderd gezinnen, ongeveer even veel huizen bewonende. De meest bevolkte stad is Potamos, aan de noordoostkust van het eiland. Scheepvaart en handel behooren tot de voornaamste bronnen van bestaan.

De nacht was donker en zeer slecht; de zee stond hol; het woei hard, en geweldige regenvlagen, met half gesmolten sneeuw doormengd, maakten het verblijf op het dek alles behalve aangenaam. Toch waren wij in het begin van April, in de valleien van Ionië de maand der rozen; maar zij, die zich hunne voorstellingen van het Oosten gevormd hebben naar de zoo vaak schitterende en gloeiende beschrijvingen en zangen der dichters, waaraan de fantazie meer deel had dan de ervaring, moeten zich op menige teleurstelling voorbereiden. Toen de dag aanbrak, bleek het dat wij nog niet verder waren gekomen dan ter hoogte van Monemvasia, aan de oostkust van den Peloponnesus, op twintig mijlen afstands van kaap Malea. Daar het weder zich hoe langer hoe dreigender liet aanzien, besloot de gezagvoerder eene schuilplaats te zoeken in deze kleine, zeer onvoldoende haven, maar waar men althans eenigermate voor den noordenwind gedekt is.

Ons oponthoud zou niet langer duren dan volstrekt noodig was: niettemin kregen wij van den gezagvoerder verlof om aan land te gaan, mits wij binnen drie uren weer terug waren.

Monemvasia, het oude Malvesia, is een eilandje van drie mijlen in omtrek, dat aan alle zijden steil uit de golven oprijst. Ten zuiden heeft zich, aan den voet van dien rotsmuur, een soort van glooiing gevormd, bladzijde 211waar eenige olijven groeien. Eene kleine stad, aan den oever der zee gebouwd, is met het vasteland verbonden door middel van een steenen brug, die eene lengte heeft van honderd-vijftig el; aan de zijde van het eiland, verrijst op die brug een venetiaansche toren, die blijkbaar tot verdediging dienen moest. Boven de poort is nog de leeuw van Sint-Marcus uitgehouwen.

Boven op den berg ziet men nog oude middeleeuwsche vestingwerken, die een zeer schilderachtig effect maken. Die vestingwerken dagteekenen uit den tijd der Kruistochten, want Monemvasia of Malvesia was een der belangrijkste vestingen van het vorstendom Achaië, dat de kruisvaarders in de dertiende eeuw stichtten.

Willem van Villehardouin, de neef van den beroemden kroniekschrijver, vermeesterde de stad in 1205, met behulp der Venetianen, na een beleg van drie jaar. De inwoners, die goed van levensmiddelen waren voorzien, lachten eerst, van hunne hooge sterke muren, de Franschen uit; maar Villehardouin maakte ernst met zijn beleg, en liet drie of vier blijden of katapulten aanvoeren, waarmede hij rotsblokken van meer dan tweehonderd ponden zwaarte op de stad slingerde, die de huizen vernielden, de verdedigers verpletterden en de muren deden instorten. Na verloop van drie jaar, toen de inwoners, nadat de voorraad was opgeteerd, aan het nijpendste gebrek ten prooi waren, bood de kloeke stad eindelijk hare onderwerping aan. Monemvasia had in vervolg van tijd nog vier belegeringen door te staan, en viel driemalen in handen der Venetianen. Het laatste en meest beroemde beleg is wel dat van 1821.

De meeste Turken van oostelijk Morea, door den griekschen opstand verrast, hadden destijds de wijk genomen naar deze stad, die nu door Kantakouzenos, een der krijgsoversten van prins Ypsilanti, werd belegerd. Na al de Grieken, die zij in hunne macht hadden, onder de afgrijselijkste martelingen ter dood te hebben gebracht, zagen de Turken zich eindelijk genoodzaakt hun honger te stillen met de lijken hunner gevangenen en hunne eigene kinderen. Op hunne knieën moesten zij in 't eind de genade des overwinnaars afsmeeken, die hun vergunde naar Klein-Azië te trekken. Deze zegepraal, een der eersten door de Grieken behaald, wakkerde hun moed aan, en maakte alom in Europa een diepen indruk.

Onze landing ging alles behalve gemakkelijk. Eenige rotsen, waarover iedere hooge golf heensloeg, dienden als aanlegplaats; en onze matrozen hadden al hun behendigheid en de inspanning van al hunne krachten noodig, om te zorgen dat de sloep niet te pletter gestooten werd.

De wandeling door de stad leverde niets merkwaardigs op. De huizen hebben voor het meerendeel een zeer armoedig, verwaarloosd voorkomen; sommigen prijken nog met beeldwerk van venetiaanschen oorsprong. Eene kleine, half verwoeste kerk, weleer door de Franschen gebouwd, draagt nog, op een harer muren, het wapenschild der familie Villehardouin. Voor het beklimmen van den berg ontbrak ons de tijd; ook was daar niets te zien dan vervallen muren en kudden geiten. De rots van Monemvasia herinnert, op kleine schaal, aan die van Gibraltar, en is, even als deze, eene natuurlijke vesting. Maar bij de middelen van vernieling, waarover de hedendaagsche krijgskunst beschikt, heeft deze vesting haar belang verloren: zij wordt dan ook niet meer door den Staat onderhouden. De stad drijft geen noemenswaardigen handel en ontvolkt zich gedurig meer; tegenwoordig telt zij ter nauwernood duizend inwoners. De eenmaal zoo beroemde Malvesie-wijn groeit sinds lang niet meer in den omtrek; indien de heuvelen van het vasteland, tijdens de venetiaansche heerschappij, inderdaad met wijngaarden waren beplant, dan zijn die nu al sedert geruimen tijd door steenen en doornen vervangen. De zoogenoemde Malvezye komt tegenwoordig uit het eiland Tinos.

Den volgenden morgen was de lucht opgehelderd en konden wij onze reis naar het noorden hervatten. Ook nu hielden wij altijd de bergachtige, woeste, naakte kust in het gezicht. Van tijd tot tijd teekende zich tegen de grauwe, kale rotshellingen een witte streep: dat was de uitgedroogde bedding van een bergstroom. Somwijlen ook, aan den mond van een smal dal, verhieven zich, dicht bij den oever, eenige wilde olijven, wier grijsachtig groen gebladerte eigenaardig paste bij dit onbeschrijfelijk treurige, sombere landschap. Nergens was een huis, nergens was een akker of tuin te zien; zelfs geen pad verlevendigde deze eentonige verlatenheid.

Als wij langs den mond der golf van Nauplia heenvaren, verliezen wij de kust uit het gezicht; maar weldra duikt zij weder voor ons op, en straks stoomen wij door de smalle straat tusschen Kastri en het eiland Hydra, dat zich als een reusachtig zeemonster uit de golven verheft.

De stad van denzelfden naam is zeer schilderachtig gelegen, aan den oever eener kleine baai, aan drie zijden door de rotsen ingesloten. Tegen den steilen rotswand op den achtergrond verrijzen, boven elkander, de groote en fraaie huizen der stad, ten getale van ruim drieduizend, die met haar platte daken en haar witte muren een zeer eigenaardigen, verrassenden indruk maken. De smalle straten zijn als trappen in de rots uitgehouwen.

De geschiedenis van dit plekje gronds is zeer merkwaardig en toont, in een sterk sprekend voorbeeld, van welke schijnbaar zeer verwijderde oorzaken de bloei en het verval van steden kunnen afhangen.

Tot in de achttiende eeuw was Hydra eene onbekende en geheel onbewoonde rots; maar omstreeks 1730 vestigden zich hier eenige albaneesche uitgewekenen, door de dwingelandij der turksche ambtenaren uit hun vaderland verdreven. Op deze naakte verlaten rots waren zij nu wel veilig voor de schraapzucht en afpersingen hunner tyrannen, maar tevens ontbrak het hun aan elk middel van bestaan. Wil men hier een tuin aanleggen—een weelde, waaraan toen niemand dacht, maar die eerst later in zwang kwam;—dan moet de aarde, met groote kosten, op een afstand van vijf-en-twintig mijlen, uit den Peloponnesus worden gehaald en naar het eiland gebracht. Water is hier evenmin te vinden; het regenwater wordt zorgvuldig in bladzijde 212groote bakken opgevangen, en is er geen regen genoeg gevallen, dan moet het drinkwater, in kleine langwerpige vaatjes, van de kust worden aangevoerd.

Daar hun eiland volstrekt niets opleverde waarvan zij leven konden, waren de Hydrioten wel gedwongen op zee naar middelen van bestaan om te zien. Bekwame en stoutmoedige zeevaarders, werden zij in korten tijd de voornaamste agenten van den geheelen handel in den Levant. Gedurende de oorlogen der revolutie en van het eerste fransche keizerrijk, doorkruisten zij, onder de bescherming der neutrale turksche vlag, de Middellandsche-zee in alle richtingen, in hunne handelsoperatiën gesteund door de rijke kooplieden van het eiland Chio. In de havens van westelijk Europa verkochten zij hunne ladingen tegen hooge prijzen, en kochten voor een spotprijs de artikelen, waarmede men dikwerf geen weg wist, weder in; zij verbraken de blokkade, tartten de oorlogschepen, en wisten zich ook in het dreigendste gevaar te redden met eene onverschrokkenheid, een behendigheid en eene bekwaamheid in de zeemanskunst, die de bewondering van alle deskundigen opwekten.


Een Hydrioot.

Het is niet mogelijk te berekenen, wat in die jaren door het Westen aan Griekenland werd betaald. Te Hydra werden kolossale fortuinen gegrondvest; koffers met goud gevuld werden in de kelders dezer eilanders opgestapeld. De belasting, aan den Sultan verschuldigd, kweten zij door jaarlijks een zeker aantal matrozen te leveren voor de keizerlijke vloot. Zij regeerden verder zich zelven, en geen muzelmansch ambtenaar oefende op het eiland eenig gezag uit. Hydra was metterdaad eene kleine, onafhankelijke republiek, bestuurd door haar eigen primaten, die bijna altijd uit dezelfde familiën gekozen werden. Een raad der oudsten besliste zonder hooger beroep de weinige bladzijde 214rechtsgedingen, die nu en dan mochten voorkomen.


Gezicht op den Piraëus.

Toch had deze weergalooze voorspoed en de noodwendig daarmede gepaard gaande weelde de liefde voor het vaderland en de behoefte aan onafhankelijkheid in de harten der Hydrioten niet uitgedoofd of verzwakt. Het hun zoo overvloedig toebedeelde goud had het gemoed dezer kloeke zeevaarders niet verweekelijkt; en toen, in 1821, het teeken van den griekschen onafhankelijkheidsoorlog gegeven werd, waren zij de eersten, die met blakende geestdrift voor de heilige zaak der nationale vrijheid partij kozen. Hun fortuin, hun leven, alles brachten zij ten offer om den kamp te kunnen volhouden. De familie Kondouriotis geeft aan Griekenland anderhalf millioen; anderen geven een millioen, vijfhonderd-, vierhonderdduizend franken; de vrouwen staan haar juweelen en sieraden af; de matrozen zelfs doen afstand van hun aandeel in de winst. Al die koopvaardijschepen, die de ottomannische vlag voerden, worden nu in even zooveel onverschrokken kaapvaarders herschapen, die de vloot van den Sultan, tot zelfs onder het geschut der aziatische vestingen, gaan bestoken. Men rust branders uit, die de turksche matrozen met schrik en verbijstering slaan. Tombazis, Tzamados, Miaoulis vooral, alle drie Hydrioten, wonnen zich een onsterfelijken naam door hunne heldendaden, in dezen heiligen krijg, dien geheel Europa met de grootste belangstelling gadesloeg.

Maar de Hydrioten ruïneerden zich door de met zooveel ijver gebrachte offers; en de grieksche regeering, die bij herhaling heeft verklaard dat zij tegenover hen een heiligen plicht had te vervullen, heeft tot dusver nog niets gedaan om hen schadeloos te stellen voor de ontzaggelijke verliezen, die zij geleden hebben. Hun handel, reeds zeer bedreigd door de stichting van Syra, kreeg vooral een doodelijken slag door de ontwikkeling der stoomvaart. Het eiland is thans schier ontvolkt; in plaats van veertigduizend, telt het tegenwoordig nauwelijks zevenduizend inwoners, en dit getal vermindert nog voortdurend. Sommigen hebben zich te Syra gevestigd; anderen in den Piraëus, en hebben hunne oude woningen verlaten, die langzamerhand in puin vallen. Als men tegen de smalle straten der stad opklautert, ziet men overal hooge huizen, waarvan de gesloten vensters, de geschonden muren, de ingestorte terrassen, de groote eenzame voorhuizen, aan Hydra het voorkomen geven van eene verlaten, gezonken stad en den vreemdeling met weemoed vervullen.

Toch, ondanks dit diep verval, is het vaderland van Miaoulis nog wel de belangstelling van den vreemdeling waard, al ware het alleen omdat het grieksche volksleven zich hier op eene zoo hoogst eigenaardige wijze ontwikkeld heeft, en een karakter vertoont, dat op het punt staat te verdwijnen en nergens elders wordt wedergevonden.

Men heeft dit eiland, dat achttien mijlen lang en slechts vier mijlen breed is, meermalen vergeleken met de kiel van een omgekeerd schip; maar men had de vergelijking nog verder kunnen uitstrekken, want zoodra ge de kleine haven zijt binnen gevaren, treft u aanstonds het eigenaardig maritiem karakter van alles wat u omgeeft. Langs de kaaien hangen, aan ijzeren haken, sloepen en booten, even als aan boord van een schip; in de rots zijn windassen, hefboomen en andere werktuigen bevestigd, even als op het dek van een fregat. In ruime pakhuizen, van ruwe grijze marmerblokken opgetrokken en van smalle ijzeren deuren voorzien, liggen of lagen vroeger balen en pakken gerangschikt, als in het ruim van een schip.

Waarheen ge ook uwe oogen wendt, overal ziet ge zeelieden, kenbaar aan hunne buizen, aan hun wijde broeken, aan hun eigenaardigen slingerenden gang, vooral ook aan hun door de zon gebruind gelaat, aan hun rustig, vastberaden voorkomen. Nergens bespeurt ge een rijtuig, zelfs geen handwagen; ook zijn er geen andere dieren, dan eenige honden. De straten in de bovenstad zijn als uitgestorven; slechts enkele malen wordt er eene lage deur geopend, en hoort ge het geruisen van vrouwen-voetstappen op de steenen. Want ge vindt hier bijna niets dan vrouwen en kinderen, daar de mannen schier zonder uitzondering op zee zijn.

Laat ons een dier oude huizen binnengaan, in de rijke dagen van Hydra gebouwd, en waarvan de fondamenten, in de rots uitgehouwen, meer gekost hebben dan die der prachtigste paleizen in onze hoofdsteden. De ruime zalen en vertrekken zijn met marmer geplaveid en met fraaie smyrnasche tapijten belegd; de vensters zien op zee uit. De muren zijn witgepleisterd, en laten uit het oogpunt van reinheid niets te wenschen over. Wij zien geen andere bedienden dan jonge meisjes, knapen, die nog niet berekend zijn voor den zwaren arbeid huns vaders, of oude mannen, voor wie het beroep van zeevaarder te zwaar is geworden.

In een afgelegen vertrek vinden wij de vrouwelijke bewoners, de moeder, de echtgenoote, de dochters van den heer des huizes, bijeen en aan den arbeid; de oudsten herstellen het linnengoed, de jongeren borduren die fijne, kunstige, smaakvolle weefsels van zijde met goud doormengd, die, jammer genoeg! meer en verdrongen worden door de gedrukte stoffen van Manchester. Zij spreken weinig of niet, en schijnen in gedachten verzonken. Haar eenzaam, afgezonderd leven heeft aan haar fraai besneden, bevallig gelaat eene uitdrukking van droefgeestigheid en stille berusting gegeven. Op het hoofd dragen zij een lichtgelen zijden doek, met goud geborduurd, die onder de kin wordt saamgevouwen en het geheele gelaat omlijst, zoodat slechts een smalle hairvlecht op het voorhoofd zichtbaar is. Een nauwsluitend buisje van rood fluweel, van voren open, en met nauwe, met goud borduursel versierde mouwen, wordt onder de borst toegegespt over een fijn batisten hemd. Deze vrouwen gaan nimmer uit, tenzij om nu en dan een bezoek te brengen bij hare buren. Waar zouden zij ook heen gaan in dit eiland, waar geene wandelingen zijn, en waar de wegen en straten meer dan op iets anders op ladders gelijken?

Buiten de stad is er letterlijk niets te zien. Van alle zijden breken de golven op loodrechte, ongenaakbare rotswanden, en op de toppen dier rotsen, waarover onophoudelijk de winden heenstrijken, vinden enkele kudden geiten een schraal voedsel. Nergens is eene woning te zien, nergens eenig spoor van bebouwing; volgens de officiëele statistiek, vindt men op het bladzijde 215gansche eiland, dat eene oppervlakte beslaat van omstreeks negentig vierkante mijlen, niet meer dan tien grondeigenaars en zeventig herders tegen duizend zeelieden.

Voor wij weder naar boord terugkeerden, wilden wij althans de voornaamste kerk van Hydra zien, die in Griekenland haars gelijke niet heeft. Deze kerk, de kathedraal, werd voor omstreeks anderhalve eeuw gebouwd. Zij is geheel uit wit marmer opgetrokken, en is rijk versierd met beeldhouwwerk en met fraaie byzantijnsche schilderijen op gouden grond. Aan het gewelf hangt een reusachtige kroon van massief zilver, in venetiaanschen smaak bewerkt en met prachtig beeldwerk versierd. Daarnaast hangt een fraaie kroon van verguld brons, in den stijl van Lodewijk XIV en prijkende met de koninklijke leliën van Frankrijk. Naar men zegt, werd deze kroon, tijdens de omwenteling, uit een der koninklijke kasteelen gestolen en te Marseille door een koopvaardijkapitein van Hydra gekocht, die bij zijne terugkomst dit kunstwerk, als een ex-voto aan de Panagia (de Heilige Maagd, letterlijk de Al-heilige) wijdde. Nevens de kerk, en daarvan afgescheiden, staat een campanile of klokkentoren, geheel opengewerkt en gebeeldhouwd, als ware het een reusachtig stuk speelgoed uit ivoor gesneden. De koepel van dezen wondervollen toren bestaat uit tien open bogen van wit marmer, waartusschen men den blauwen hemel ziet; de koepel gelijkt sprekend op eene kroon.

Ik mag het eiland niet verlaten, zonder er aan te herinneren dat Hydra het vaderland is van een staatsman, die in de diplomatieke wereld van Europa een welbekenden naam draagt: Demetrius Bulgaris, thans ruim vijf-en-zeventig jaar oud, en die sedert meer dan vijftig jaar een zeer werkzaam aandeel heeft genomen aan de politieke geschiedenis van zijn land. Zijne tegenstanders beschuldigen hem van hartstochtelijke partijschap en van oneerlijke praktijken en intriges, waaraan hij meermalen het belang des lands zou hebben ten offer gebracht. Ik wil zijne politieke loopbaan niet beoordeelen; zeker is het, dat hij getoond heeft een man van zeldzame geestesgaven te zijn.

Hij is meer dan tienmaal eerste minister geweest; bij de omwenteling van October 1862, die Koning Otto van den troon stootte, plaatste hij zich aan het hoofd van het voorloopig bewind; en ondanks zijn hoogen leeftijd, schijnt zijn ijver en zijn eerzucht nog onverflauwd. Hij heeft nimmer de nationale kleederdracht willen afleggen; en te midden der andere ministers en hooge staats-ambtenaren, allen in de vulgaire moderne liverei uitgedost, maakt deze grijsaard in zijn lang golvend kleed, met bont omzoomd—het traditioneele kostuum der primaten van Hydra—eene inderdaad eerbiedwekkende figuur.

II.

Hydra verlatende, wendden wij ons westwaarts, om de golf van Egina in te stevenen. Deze golf, die tusschen kaap Skyli en kaap Kolonna of Sunium eene breedte heeft van acht-en-veertig mijlen, is verreweg de grootste der vele baaien en inhammen langs de oostkust van Griekenland; zij is als het ware de voortzetting van de golf van Lepanto, waarvan zij slechts door eene smalle en niet hooge landtong gescheiden is. Juist in het midden der golf ligt het eiland Egina, en de prachtige waterkom is verder aan alle zijden omlijst door de beroemdste streken van het oude Griekenland. Links ligt Argos, rechts Attika; achter de golf verrijst Korinthe, voorts Megara, Eleusis, Salamis, overschaduwd door de hooge toppen van den Kitheron. Welke herinneringen roepen deze enkele namen niet voor den geest!

Wij moesten aan de kust van Argos ophouden, te Poros, waar het rijks marine-arsenaal is gevestigd, en waar onze boot een gebrek aan de machine herstellen moest. Het voorkomen der kust was sedert gisteren geheel veranderd. De bergen waren met groen en hout bedekt, en op de lagere hellingen trokken gansche bosschen van olijven, oranje- en citroenboomen het oog.

Na kaap Skyli te zijn omgevaren, bereikt men, door eene nauwe straat, waarvan de toegang door een versterkt eilandje verdedigd wordt, de reede van Poros, eene ruime, prachtige baai, door groene bergen omgeven. De stad Poros heeft niets bijzonders; het arsenaal verkeert in min of meer vervallen toestand, en op de werven wordt niet gewerkt; de sommen, ten behoeve der marine op het budget uitgetrokken, zijn onvoldoende om iets degelijks tot stand te brengen, en bovendien worden die gelden juist niet altijd gebruikt voor het doel waarvoor zij bestemd zijn. Echter heeft men in de laatste jaren een droog dok aangelegd, tot groot gemak voor de vreemde schepen, die anders bij de minste averij genoodzaakt waren naar Constantinopel of naar Marseille te gaan.

Tijdens den onafhankelijkheidsoorlog heeft Poros eene belangrijke rol gespeeld; gedurende eenigen tijd was deze op een eiland gelegen stad de hoofdstad van den om zijn bestaan worstelenden staat. Te Poros had, in 1828, de conferentie plaats tusschen de engelsche, fransche en russische gevolmachtigden, die over het toekomstig lot van Griekenland moesten beslissen; te Poros stak, in 1831, de admiraal Miaoulis de grieksche vloot in brand, liever dan te gehoorzamen aan het bevel van Capo d'Istria, en haar in handen van den russischen admiraal over te leveren.

Wij steken de golf in hare volle breedte over, en laten het eiland Egina aan onze linkerhand liggen; uit de verte groet ons de oude tempel, op een kegelvormigen heuvel gebouwd. Een smetteloos blauwe hemel, stralende van licht, welfde zich over ons; met vluggen gang kliefde de boot de donkerblauwe golven. Telkens duidelijker teekenden zich voor onze starende blikken alle trekken en lijnen van het wonderschoone landschap, dat zich als eene onmetelijke schilderij voor onze oogen ontrolde.

Boven eene lage, rossige vlakte verheffen zich twee hooge bergen, en steken met hunne breede lijnen scherp tegen den helderen hemel af: dat zijn de Pentelikon, beroemd om zijn schitterend wit marmer, en de Hymettos, eens rijk aan honig en welriekende bloemen. Tusschen die beiden, verrijst uit de vlakte bladzijde 216een eenzame steile rots, gekroond met de zuilen van het Parthenon. Rondom die rots scharen zich eenige lagere hoogten, en achter haar stijgt, in koene majesteit, de Lykabettos omhoog. Stort over dit onbeschrijfelijk schoon panorama al den gloed, al de verwen, al de kleurenpracht, al den wondervollen lichtglans uit, die een zonsondergang in deze oostersche zeeën tooverend scheppen kan, en misschien zult ge u eenigermate een flauw denkbeeld kunnen maken van de heerlijkheid van dit tooneel, dat ik niet wagen zal te beschrijven.

Eensklaps verdwijnt dit gansche tafreel achter een vooruitspringend voorgebergte, en wij varen de haven van den Piraëus binnen, langs een zware gemetselde paal, die vroeger een der oude leeuwen droeg, tegenwoordig voor de poort van het arsenaal te Venetië geplaatst. In de oudheid dienden de beide zuilen, waarop de roode en groene vuren waren geplaatst, die den nauwen mond der haven aanwezen, tevens tot bevestiging van een zwaren ijzeren ketting, waarmede in tijd van oorlog de ingang der haven voor vijandelijke schepen werd afgesloten.


Monemvasia.

Dat smalle bochtige kanaal daar ginds, ter linkerhand, achter het eiland Psytalia, kenbaar door zijn vuurtoren, dat is de beroemde reede van Salamis, ingesloten tusschen het bergachtige eiland van dien naam en de hooge kust van Attika. Op gindsche vooruitspringende rotspunt stond de gouden troon van Koning Xerxes, die van deze rotsige hoogte de nederlaag zijner vloot aanschouwde.

Welke herinneringen knoopen zich aan dien naam van Salamis! En nu, stelt de werkelijkheid u niet te leur? Ja zelfs, begint ge niet te twijfelen aan de waarheid der berichten, die omtrent dezen eeuwig gedenkwaardigen zeeslag tot ons gekomen zijn? In die smalle zeeëngte zouden nauwelijks tien onzer hedendaagsche oorlogschepen ruimte kunnen vinden om te manoeuvreeren: en naar men verhaalt, kampten hier tweeduizend vaartuigen, een ganschen dag lang.

Is het niet zoo, dat wij tot de erkentenis moeten komen, dat de eigenliefde en nationale trots der grieksche schrijvers, die ons de heldendaden hunner landgenooten hebben verhaald, zich niet altijd voor overdrijving heeft weten te wachten? Bij Salamis betoonden de Grieken nu juist niet zoo grooten ijver om den strijd aan te binden. Zij aarzelden en bedachten zich vrij lang, eer zij het durfden wagen de Perzen te lijf te gaan; als naar gewoonte twistten zij onder elkander, wierpen elkander van boord tot boord scheldwoorden naar het hoofd, en daagden elkander uit om den aanval te beginnen: niemand wilde de eerste zijn. De Peloponnesiërs beweerden dat hunne eigene haardsteden werden bedreigd, en wilden onverwijld vertrekken om die te verdedigen. Zij waren bevreesd, en zouden ongetwijfeld op de vlucht gegaan zijn, zoo niet Themistokles de krijgslist verzonnen had, waardoor ieder misleid werd. Toen er eenmaal geen ontkomen meer aan was, en de strijd onvermijdelijk was geworden, ja gewis, toen deed juist de onderlinge naijver den heldenmoed nog te feller ontbranden en vochten allen als leeuwen. Maar niet zoodra was het gevaar voorbij, of het oude gekijf begon op nieuw: nu wilde ieder het eerst den aanval begonnen zijn. Is het ook niet waar, dat den avond voor den slag, in het grieksche kamp, aan de goden menschenoffers werden gebracht, en dat de Grieken, zelfs in dezen bloeitijd hunner beschaving, de gewoonte hadden om hun krijgsgevangenen de duimen af te houwen, zoo als na den slag van Thespiae gebeurde?

Van de drie oude havens van Athene, Phaleros, die te open lag, Munychia, die te klein was, en de Piraëus, wordt tegenwoordig alleen de laatste nog gebruikt. De haven is ruim genoeg, maar slecht onderhouden; en aan de noordzijde is een vrij uitgestrekt terrein bladzijde 217in een ongezond moeras herschapen, waaronder men nog groote marmeren zerken vindt, de overblijfsels van den vloer van een voormalig dok voor do krijgsgaleien. Dit thans geheel aangeslibde dok of bekken ligt nevens het station van den spoorweg naar Athene, en zou uitstekend geschikt zijn voor spoorweghaven. Tot dusver is daar echter nog niets aan gedaan, hoewel het toch niet zoo moeilijk zou vallen dien modderpoel op te ruimen.

De haven van den Piraëus ligt doorgaans vol met allerlei vreemde oorlogschepen, waarvan de gezagvoerders zich meestal niet veel bekommeren om de bevelen van den havenmeester maar ten anker komen zoo als dat hun het beste bevalt, zeer dikwijls dwars in het vaarwater. Verschijnt er een pakketboot van honderd en meer ellen lengte aan den ingang der haven, dan heeft het dikwijls moeite genoeg in om aanvaring met een of ander zwaar gepantserd russisch of engelsch fregat te vermijden, dat eenvoudig den doortocht verstopt.


De Akropolis.

In 1835 bestond de Piraëus uit niet meer dan een tiental ellendige hutten, langs een moerassig, hoogst ongezond strand verspreid. In 1861, toen ik hier voor de eerste maal aan land stapte, begonnen ruime pakhuizen en eenige groote fraaie huizen uit den grond te verrijzen. Er ontstonden straten; zelfs was er reeds eene openbare wandelplaats aangelegd, die in al de frischheid van het eerste groen prijkte. Deze verschillende werken dankten voor een groot deel hun ontstaan aan het fransche bezettingskorps, dat gedurende den Krimoorlog hier in den Piraëus lag, om het grieksche volk in bedwang te houden; en het park, waar twee- of driemaal in de week militaire muziek wordt gemaakt, draagt zelfs den naam van den admiraal Tinan, die het deed aanleggen. Men moet erkennen, dat de fransche zee-officieren deden wat in hun vermogen was, om het krenkende en beleedigende van deze soort van voogdij over een onafhankelijken staat te temperen: eene voogdij, te grievender omdat zij, hoewel door de toenmalige politiek der westersche mogendheden geboden, niettemin bepaaldelijk ten doel had, het grieksche volk tegen te houden in zijn meest wettig streven: de verlossing zijner broeders, die nog zuchten onder het turksche juk.

De laatste maal, dat ik den Piraëus bezocht, was in 1874, veertig jaar nadat een vreemde gezant, die des avonds hier was ontscheept, zich genoodzaakt zag den nacht door te brengen in een loods, waardoor de wind speelde, en geen glas water kon krijgen om zijn dorst te lesschen. Ik zou wel wenschen dat zij, die beweeren dat het grieksche volk geen toekomst heeft, eens eene vergelijking wilden maken tusschen den Piraëus in 1834 en in 1874; ik houd mij overtuigd dat zij dan wel gedwongen zouden zijn een minder streng en bladzijde 218eenzijdig oordeel over het jonge koningrijk uit te spreken. Ik geef toe, dat de vooruitgang nergens duidelijker in het oog valt, dan hier in den Piraëus en in de beide havensteden Syra en Patras; maar het is toch wel niet mogelijk dat de zoo belangrijke vooruitgang en ontwikkeling van deze drie steden geheel zonder invloed zou zijn gebleven op het overige des lands. Dit zou in strijd zijn met alle regelen der staathuishoudkunde, en ook, wat vrij wat meer zegt, met de ervaring.

Wie tegenwoordig aan de kaaien van den Piraëus aan wal stapt, wordt niet enkel getroffen door de handelsdrukte en het levendige verkeer. De zeer groote uitbreiding en voortdurende vermeerdering der straten en wijken is het sterkste bewijs voor de toenemende welvaart. Fabrieken, uit wier hooge schoorsteenen rookwolken opstijgen, doen u denken aan onze fabrieksteden. Langs de hellingen van den steenachtigcn en vroeger geheel verlaten heuvel, die de haven van den Piraëus van die van Munychia scheidt, verrijzen smaakvolle en sierlijk ingerichte woningen met roode daken en groene zonneblinden. In de nabijheid der haven vindt men verschillende kerken en eene Beurs, waarvan de bovenverdieping tot sociëteit voor de kooplieden is ingericht. Sommige buurten, het is zoo, hebben nog een min of meer aartsvaderlijk voorkomen behouden; maar de breede straten, die in aanleg zijn, de riolen en andere werken in het belang der gezondheid, die vol ijver worden ondernomen, de plantsoenen die worden aangelegd, die allen bewijzen dat de stedelijke regeering van den Piraëus haar roeping in het belang der gemeente begrijpt, en daarvoor meer over heeft dan die van Athene.

De bevolking neemt voortdurend toe. In 1835 waren er geen honderd inwoners; in 1861 bedroeg de bevolking zesduizend-vierhonderd zielen; in 1870 was dit cijfer tot ruim elfduizend geklommen, en in 1874 tot minstens dertienduizend, waaronder vijf-en-twintig-honderd werklieden. In de laatste tien jaar zijn er in den Piraëus verscheidene belangrijke fabrieken opgericht: eene zijdeweverij, zes katoenspinnerijen, zeven stoommolens, eene fabriek van zoogenaamde parijsche spijkers, branderijen, meubelfabrieken, eene glasblazerij en meer anderen. Er zijn thans in het geheel in den Piraëus dertig meer of min belangrijke industriëele inrichtingen, met een gezamenlijk stoomvermogen van meer dan tweeduizend paardekrachten. Slechts twee etablissementen behooren aan vreemden, al de anderen aan Grieken. In de glasblazerij zijn al de werklieden uit Pruissen afkomstig; de stoommachines in de fabrieken zijn voor het meerendeel in Frankrijk vervaardigd.

Nauwelijks hebt ge uw voeten gezet op de witmarmeren trappen van de aanlegplaats, of aanstonds ziet ge u omgeven door een zwerm ciceroni, die u het hoofd doen duizelen door hun kosmopolitisch gebabbel en den ijver, waarmede zij u hunne diensten opdringen. De bewoners van den Levant, en met name de Grieken, hebben van oudsher eene sterke neiging gevoeld voor die soort van beroepen en bedrijven, waarbij veel praten te pas komt. Op de onderste sporten van de maatschappelijke ladder vindt ge de ciceroni en commissionnairs, indringend, onbeschaamd en onuitputtelijk in woordenpraal; hooger op, de agenten en tolken der handels- en bankiershuizen, geslepen, handig en gansch niet afkeerig van intrige en sluw overleg; en op de bovenste sport, de drogmans der gezantschappen en consulaten en van de Verhevene Porte, vol ijver, listig, oneerlijk en meester in de kunst van misleiding en omkooping, daarbij zeer machtig door den grooten invloed, dien zij zich doorgaans weten te verwerven. Overal hervindt ge dezelfde trekken: groote gevatheid en vlugheid des geestes, welbespraaktheid en gave der overreding, en dit alles bovenal dienstbaar gemaakt aan de bevordering van het eigen belang.

Dien eigen avond word er in de societeit boven de Beurs een bal bij inteekening gegeven, waarop ik door een mijner bekenden werd geïntroduceerd. De zalen waren schitterend verlicht on prachtig versierd. Er werd ijverig gedanst, ook door de officieren van een in de haven liggend fransch oorlogschip. Onder de dames, helaas voor het meerendeel in parijsche kleederdracht, waren er verscheidene, die de aandacht trokken door hare schoonheid. De heeren waren mede in europeesch bal-kostuum; hadden niet de rijke welluidende klanken der muziekale grieksche taal mij van het tegendeel overtuigd, dan had ik mij gemakkelijk kunnen verbeelden, in eene of andere fransche provinciestad te zijn. Het orchest was voortreffelijk, en de ververschingen lieten niets te wenschen over.

Den volgenden morgen, bij het aanbreken van den dag, ging ik eene wandeling maken langs de haven; daarna vertrok ik naar Athene.

De weg, die den Piraëus met Athene verbindt, is maar acht mijlen (kilometer) lang, en voor het grootste gedeelte belommerd. Tusschen de zilverachtige stammen der slanke virginia-populieren, die den weg omzoomen, zien wij de toppen van den Parnessos, door de rijzende zon met een zachten purpergloed overgoten, terwijl de vlakte nog in blauwachtige schaduw is gehuld. Een groot ongerief van dezen weg is het fijne, witte kalkachtige stof, dat in dichte wolken omhoog stuift, u half verstikt en het voorkomen geeft van een molenaarsknecht. Een groot aantal wagens en karren, met kisten, tonnen, balen, bouwmaterialen enz. beladen, rijden ons voorbij. Aan onze rechterhand zien wij tusschen de olijven en wijngaarden een spoorweg, waarlangs zich een trein met zeer middelmatige snelheid voortbeweegt.

Overeenkomstig eene vaste, overoude gewoonte, houden wij halverwege stil in een klein koffiehuis, waar wij een glas raki gebruiken. Nu vertoont zich voor onze oogen het Parthenon, hoog boven de rotsen van den Pnyx, en duidelijk uitkomende tegen den helderblauwen hemel. Weldra worden dan ook de witte huizen van Athene zichtbaar, tusschen de Akropolis en den Lykabettos. Een breede singel, met jonge boompjes, amsterdamsche boompjes, beplant, die vergaan van het stof, voert ons naar het hotel van Groot-Brittannië. Uit onze vensters, die uitzien op het plein der Constitutie en een groot square, met oranjeboomen bladzijde 219en bloeiende heesters beplant, kunnen wij onze blikken laten rusten op de plompe smakelooze massa van het koninklijk paleis met het aangrenzende park; vlak tegenover ons verrijst de indrukwekkende rotsburcht van de Akropolis, met haar onsterfelijke ruïnen.

Wij zijn in Athene.

III.

's Nachts was de noordenwind opgestoken. Huilend gierde hij bijwijlen om het huis, floot door de reten der deuren en deed de vensters klapperen. Hij kwam van de nog met sneeuw bedekte bergen van Phthiotis, en was zoo ijzig, doordringend koud, dat ik huiverde onder mijn winterjas. Weldra begon het te regenen, en een grauwe nevel spreidde zich uit over het prachtige panorama, dat mij den vorigen dag zoo in verrukking had gebracht, maar nu als uitgewischt was in doffe grijze tinten. Ai mij! wat was er nu van al die heerlijkheid geworden? De Hymettos was slechts een zeer alledaagsche, vervelende heuvel; het Parthenon een vuile steenklomp.

Drie dagen achtereen hadden wij, in het laatst van April, een weer, als bij ons in December. Niet minder, ik zou haast zeggen nog meer, dan andere landen, heeft Griekenland zon noodig, om recht begrepen en gewaardeerd te worden. Die ernstige, strenge lijnen moeten zich afteekenen tegen den helderen, lichtenden, blauwen hemel, klaar als kristal; de zon moet haar warmen stralengloed, haar wondere kleurenpracht uitgieten over die naakte, grijze rotsen en heuvelklingen, zoo arm aan groen en lommer. Door de grieksche zon verlicht, is het grieksche landschap, voor wien het verstaat, wonderschoon; maar wee, als de grauwe nevels en grijze tinten van het noorden zich uitbreiden over eene natuur, wie het aan alles hapert wat ook dan nog aan de noordsche landschappen eene eigenaardige bekoorlijkheid bijzet. De maanden Maart en April zijn hier trouwens, in den regel, de onaangenaamste van het geheele jaar; het is volstrekt niets vreemds dat de oranjeboomen in den tuin van het koninklijk paleis, die in Januari in vollen bloei staan, in April bevriezen en sterven. Op die doordringende koude volgt dan dikwijls eensklaps de brandende zomerhitte. Dan is het, of er vuur van den hemel valt; van 's morgens negen tot 's namiddags vijf uur kunt ge niet op straat komen, zonder dat de hitte, die van den doorgloeiden grond uitstraalt, u het gelaat blakert; uwe oogen worden verblind door de weerkaatsing van het felle licht op de witte muren; een warm fijn stof verdroogt en schroeit u mond en keel: ge snakt naar adem, en uw hoofd gloeit en bonst, ondanks de bescherming van uw met blauw gevoerden parasol.

Echter moeten wij billijk zijn en erkennen dat er ook dan nog, in dit half afrikaansche klimaat, oogenblikken, ja zelfs uren zijn van onwaardeerbaar genot. Des morgens vroeg, als de zon, in volle stralenpracht, in den rooskleurigen hemel, achter den top van den Hymettos opstijgt, terwijl beneden in de vlakte nog de frissche koelte van den nacht u tegenwuift, en de dauwdroppels nog bevend hangen aan de trillende bladeren; des avonds, als de vlammende zonneschijf wegzinkt achter de bergen van den Peloponnesus, die als met vloeiend vuur zijn overgoten, en het gansche wijde landschap, hemel en aarde en zee, straalt en schittert in een kleurenpracht, waarvan geen bewoner van het Noorden zich een denkbeeld maken kan;—dan, ja, ga uit, zet u neder op een heuveltop, aan den oever der zee, en tracht dan de onuitsprekelijke schoonheid van het attische land te begrijpen en te waardeeren.

In de laatste twintig jaar is er eene groote verandering gekomen in het voorkomen der moderne stad. In 1850 was Athene eigenlijk nog niet veel meer dan een groot dorp; tegenwoordig is het eene fraaie, nette, vroolijke stad, met breede straten, singels en boulevards, met smaakvolle, niet hooge huizen, en liefelijk plantsoen. De in den gevel gevatte marmeren zuilen, de wit marmeren lijsten om deuren en vensters, levendig afstekende bij de licht blauwe of rooskleurige tinten der muren, de blauw geschilderde frontons: dit alles geeft aan de huizen een eigenaardig, artistiek karakter.

Ieder gezin bewoont doorgaans zijn eigen huis, dat in den regel van de aangrenzende woningen is afgescheiden door een tuin of eene ruime plaats, met oranjeboomen, laurieren of thuyas beplant. De kamers zijn groot, zeer hoog en luchtig. Het ameublement is hoogst eenvoudig en tot het strikt noodige beperkt; maar deze soberheid past zeer goed bij het klimaat en de eenvoudige levenswijze.

Des zomers neemt de familie de wijk naar de kelderverdieping, het hypogeum genoemd, in den rotsgrond uitgehouwen en van genoegzaam licht voorzien; de temperatuur is hier altijd drie of vier graden lager dan in het overige gedeelte van het huis.

Elke verbetering of vooruitgang, sedert de laatste jaren, niet alleen in de hoofdstad, maar ook in het geheele koningrijk tot stand gebracht, heeft men uitsluitend te danken aan het persoonlijk initiatief van partikulieren. Als men te weten tracht te komen, welk aandeel de stedelijke of de landsregeering aan de meeste verfraaiingen of verbeteringen heeft gehad, dan komt men al spoedig tot de overtuiging dat dit aandeel niet alleen gelijk nul is, maar dat zelfs meermalen de ijverige pogingen van partikulieren door de regeering werden tegengewerkt.

De straten zijn slecht onderhouden, vol spleten en gaten, uitgehold door de regens, die de aarde medevoeren en groote steenen blootwoelen, waartegen de rijtuigen stooten en breken. Sommige wegen en straten zijn volstrekt onbegaanbaar, ten gevolge der kuilen, die toch zoo gemakkelijk met eenige spaden zand en aarde konden worden gevuld, maar die het stedelijk bestuur eenvoudig aan hun lot overlaat. In de fraaiste wijken en op sommige der meest bezochte punten, zijn de voetpaden zoo ongelijk, dat men, des avonds of des nachts, elk oogenblik gevaar loopt, armen of beenen te breken op de rotspunten, die boven de oppervlakte uitsteken; de riolen vallen in en worden verstopt, den ganschen omtrek verpestende; de waterbuizen barsten, en eene gansche buurt kan dorst lijden; niet dan na bladzijde 220eindelooze moeite en gehaspel en na weken vertraging, wordt er eindelijk iets gedaan om verbetering aan te brengen. Zoo men te Athene nooit hoort van nachtelijke aanvallen of gewelddadige inbraak, dan heeft men die veiligheid veelmeer te danken aan den aard des volks, dan aan de zorg en waakzaamheid van eenige slecht gekozen en slecht uitgeruste policie-agenten.


Demetrius Bulgaris.

Maar het partikulier initiatief heeft zich niet bepaald tot de verbetering en versiering der bijzondere woningen. Er zijn door partikulieren collegiën gasthuizen, bewaarscholen, gymnasiën, in menigte gesticht, misschien te veel zelfs; ook geschiede dit niet altijd uit zuivere vaderlandsliefde of philanthropie, maar zeer dikwijls uit ijdelheid. Van daar dikwijls een ijver zonder verstand. Men besteedt aanzienlijke sommen voor de stichting van eene of andere inrichting van bladzijde 222dien aard, zonder te bedenken dat reeds verscheidene dergelijke etablissementen, als overtollig, ledig staan. Men wil iets groots, iets dat de aandacht trekt, tot stand brengen, en zijn naam in gouden letteren voor den gevel zien prijken. Het nut en de doelmatigheid der zaak zelve komt minder in aanmerking; men begint te bouwen, zonder de kosten te berekenen, en aldra ontbreken de noodige middelen om den bouw te voltooien: het dak blijft ongedekt en de ledige vensteropeningen grijnzen u aan; ofwel, er is geen geld om in de behoeften der inrichting, hetzij gasthuis of kweekschool, te voorzien. Het aantal der liefdadige instellingen en der inrichtingen van onderwijs te Athene zou voldoende zijn voor eene zesmaal sterker bevolking, dan de stad thans bevat: geen wonder, dat vele van deze stichtingen onvoltooid blijven of van dag tot dag vervallen. Niettemin openbaart zich in dezen onverstandigen en overdreven ijver toch een edel streven, dat, goed geleid en van de thans heerschende verkeerdheden gezuiverd, zeer veel goeds tot stand zou kunnen brengen, en voor eene verlichte en vaderlandslievende regeering van onberekenbaar nut zou kunnen zijn.


Op de Akropolis.

Onder deze inrichtingen staat, als de oudste en voornaamste, de Universiteit boven aan, door vrijwillige giften gesticht, toen de nieuwe hoofdstad, nog schier een puinhoop, nog geen paleis had om haar Koning te huisvesten, ja zelfs ter nauwernood betamelijke woningen voor haar eigen burgers. De Hellenen mogen dan ook wel trotsch zijn op hunne hoogeschool; en al valt er wel wat af te dingen op de beweering der Grieken, dat er in geene andere stad van Europa meer opgewekt geestelijk leven en meer werkzaamheid op intellektuëel gebied gevonden wordt dan te Athene, zou het toch onbillijk zijn, de groote belangstelling der Grieken voor alles wat de wetenschappelijke ontwikkeling betreft en den ernstigen ijver en lust voor studie bij het jongere geslacht te miskennen.

De Universiteit mag ook inderdaad genoemd worden. Zij telt onder hare hoogleeraren eenige mannen van onmiskenbaar talent; haar groote gebrek is de oppervlakkigheid der studie, misschien wel een gevolg van haar jeugd: het ontbreekt haar nog aan eene degelijke wetenschappelijke traditie. En dit kan niet wel anders: de jonge Universiteit van Athene is de eenige inrichting voor hooger onderwijs, die in geheel het Oosten te vinden is. Deze omstandigheid draagt trouwens niet weinig bij tot haar roem en haar beteekenis. Telken jare komen meer dan twaalfhonderd jongelieden, waarvan ruim de helft in het ottomannische rijk te huis behoort, naar Athene, om hetzij in de rechten of in de medicijnen, hetzij in de letteren, de exacte wetenschappen of de theologie te studeeren. Na verloop van drie, vier of vijf jaar, keeren die jongelieden naar hunne haardsteden terug, en worden op hun beurt de dragers en de ijverige apostelen van beschaving en vooruitgang, maar vooral ook van den helleenschen geest. Er zijn weinig steden in Turkije, waar ge niet althans een geneesheer, een onderwijzer en ettelijke advokaten vindt, die hunne opleiding te Athene ontvingen.

De invloed der Universiteit op de intellektuëele ontwikkeling en op geheel de denkwijze der bevolkingen van het Oosten zou ongetwijfeld nog veel sterker zijn, indien niet Griekenland zelf, maar al te vaak, door het treurige schouwspel van innerlijke verdeeldheid, partijschap en anarchie, zijn trouwste vrienden, ja zijn eigen kinderen, van zich vervreemdde. Kon het zich zelven beter beheerschen, dan zou het, juist door den intellektuëelen invloed zijner hoogere beschaving, eene macht uitoefenen, die de tot dusver nog van het moederland gescheiden, maar door bevolking en historie daartoe behoorende gewesten veel spoediger en zekerder met Hellas verbinden en vereenigen zou, dan de onbezonnen militaire demonstratiën, die nu en dan op touw worden gezet, dit immer vermogen. Zeker zou dit ook het beste middel zijn om zich de sympathie en de achting van geheel Europa te verzekeren.

Toen de oude Kolokotroni de fondamenten van het Universiteitsgebouw boven den grond zag verrijzen, sprak hij deze beteekenisvolle woorden: “Ziedaar een paleis, dat somwijlen het paleis des Konings in den weg zal staan; maar dit zal Turkije verslinden, en meer voor het vaderland doen, dan wij, onwetende Klephten, immer met onze karabijnen doen konden.”

De hoogeschool heeft tot dusver Turkije nog niet veroverd; maar wel is zij, reeds meermalen, een bron van moeite en last geweest voor de regeering van Griekenland zelf.

Als alle studenten aan alle plaatsen en van alle tijden, zijn ook de studenten van Athene onrustig en revolutionnair van nature, altijd vijandig gezind jegens het gezag, en steeds gereed om, op de eerste oproeping van de leden der oppositie, een opstandje te organiseeren, de ministers uit te fluiten, en met groot rumoer bij troepen door de straten te trekken, om echter dadelijk bij de verschijning der gendarmen uiteen te gaan. Opgestookt en aangevuurd door de radikale raddraaiers, door het volk gesteund, had het meermalen al den schijn of zij inderdaad de regeering naar goedvinden konden omverwerpen; en deze dwaze waan heeft er niet weinig toe bijgedragen om bij de studenten dien verderfelijken hartstocht voor de politiek aan te wakkeren, die over het algemeen de vloek is van hun volk, en voor hen bovendien de grootste belemmering op den weg van ernstige studie.

Onder deze jongelieden zijn er dan ook zeer velen, voor wie de studie niets anders is dan het middel of het voorwendsel, om naderhand in hunne provincie eene politieke rol te kunnen spelen; en om dit doel te bereiken getroosten sommigen zich de grootste ontberingen: zij verhuren zich als huis- of winkelbedienden, slechts eenige uren per dag vrijhoudende om de colleges te kunnen bijwonen, en des nachts werkende, maanden lang van water en brood levende, ten einde de noodige boeken voor hunne studie te kunnen koopen. Vele van die studenten zijn zonen van arme grieksche landlieden uit de verwijderdste provinciën van Turkije; van alle hulpmiddelen ontbloot, worden zij door dit brandpunt van intellektuëele ontwikkeling aangetrokken als de muggen door de kaars; om slechts naar Athene te komen, verhuren zij zich als muilezeldrijvers of matrozen; daar, in de hoofdstad, kunt gij hen ontmoeten, bladzijde 223slecht gekleed, armoedig, uitgehongerd, ondanks de spreekwoordelijke matigheid van hun volk.

Zij, die over ruimer middelen kunnen beschikken en werkelijk liefde koesteren voor degelijke studie, blijven niet te Athene: zij gaan naar het Westen, om daar rechtstreeks aan de bronnen zelven de wetenschap te beoefenen; en zoowel in Griekenland als in Turkije, onderscheiden zij, die de hoogescholen van Frankrijk, Engeland of Duitschland hebben bezocht, zich door hunne echt wetenschappelijke vorming en grootere bekwaamheid boven hunne minder begunstigde landgenooten. Het ware wel te wenschen, dat nog meer studenten en begaafde jongelieden in het Westen hunne opleiding ontvingen; en de regeering zou een goed werk doen, indien zij hen, wier middelen dit niet veroorloven, door geldelijke ondersteuning te hulp kwam. Dit zou voor Griekenland een dubbel voordeel opleveren. Die jongelieden zouden niet alleen rijker aan kennis en wetenschap in hun land terugkeeren, maar zij zouden ook, door rechtstreeksche persoonlijke waarneming, de maatschappelijke en ekonomische wetten hebben leeren kennen, van welker naleving de voorspoed en ontwikkeling van elk land, groot of klein, afhankelijk is. Hun gezichtskring zou uitgebreid, hun ervaring verrijkt, hun geest van menig vooroordeel bevrijd worden. Aan den anderen kant zouden deze jongelieden aan Europa kunnen toonen, dat de Grieken niet enkel, zoo als hunne vijanden beweeren, politieke warhoofden en intriganten, wispelturige rumoermakers en half onbeschaafde wilden zijn, maar dat er integendeel in dat volk groote en edele krachten sluimeren, die waarborgen kunnen zijn voor eene betere toekomst.

Onder de andere inrichtingen, door de partikuliere liefdadigheid gesticht en in bloeienden toestand verkeerende, vermelden wij in de eerste plaats het Arsakion, eene inrichting van onderwijs voor meisjes. Aanstonds na hunne politieke vrijmaking, hebben de Grieken begrepen, dat er van werkelijke moreele emancipatie geen sprake kon zijn, zoolang zij niet voor goed hadden gebroken met de oude oostersche traditie, die ook de christelijke vrouw tot onwetendheid en afzondering van de buitenwereld veroordeelde. In de eerste plaats kwam het er op aan, in de samenleving en in de maatschappij aan de vrouw den rang te hergeven, die haar toekomt, en waarop zij zich alleen door onderwijs en ontwikkeling behoorlijk handhaven kan.

In alle steden werden mitsdien meisjesscholen opgericht; maar weldra gevoelde men behoefte aan eene bijzondere inrichting, waar de aanstaande onderwijzeressen hare opleiding zouden kunnen ontvangen. Met behulp van giften, legaten, geldelijke ondersteuning en tegemoetkoming van allerlei aard, heeft men het groote, reeds in 1835 aangevangen gebouw geheel kunnen voltooien, beurzen kunnen stichten, leerlingen plaatsen: in één woord, een soort van groote normaalschool kunnen inrichten, waar negenhonderd jonge meisjes haar opleiding ontvangen en haar studiën voltooien onder de leiding van de hoogleeraren der Universiteit. Dit is het Arsakion.

Het Varvakion (door den heer Varvakis gesticht) is een lyceum voor knapen, en tegelijk het merkwaardigste museum van de geheele stad. Het Bizarion (gesticht en begiftigd door den heer Bizaris) is een seminarie voor theologische studiën.

De ambachts- en handwerkschool voor weezen, eene stichting van de familie Hadji-Kostas, het opvoedingsgesticht voor ouderlooze meisjes, het gesticht voor ooglijders, een allersierlijkst gebouw in byzantijnschen stijl, zijn allen door partikulieren uit eigen middelen in het leven geroepen. Het fraaie observatorium op den Nymphenheuvel en het prachtige marmeren gebouw, nevens de Universiteit, dat tot Akademie moet dienen, zijn stichtingen van baron Sina.

Een groot gebouw, op kosten van den heer Bernardakis opgericht, om tot bewaarplaats van antiquiteiten te dienen, is tot dusver nog onvoltooid. Hetzelfde is het geval met eene polytechnische school, door den heer Hournaris gesticht; sedert jaren staat zij verlaten; om haar te voltooien, zou stellig meer dan een millioen noodig zijn.

In 1873 heeft men den eersten steen gelegd van een paleis, bestemd voor de nationale tentoonstellingen (Olympiën), die alle vier jaar gehouden zullen worden. Dit gebouw zal den naam dragen van Zapion, naar den rijken griekschen bankier, te Odessa gevestigd, die bij legaat de noodige gelden voor de stichting geschonken heeft. Zal ook dit gebouw, als zoo vele andere, onvoltooid blijven?

Aan een der voornaamste singels staat een zeer ruim gebouw, tot weeshuis bestemd, en waarin hoogstens acht of tien kinderen zijn opgenomen. Niettemin was men juist bezig, vlak daartegenover, de laatste hand te leggen aan een niet minder kolossaal gebouw, tot hetzelfde doel bestemd. Nu zou het toch wel zoo verstandig en eenvoudig zijn geweest, indien de milde gever aan het bestaande gesticht de aanzienlijke som geschonken had, waarop dit nieuwe paleis hem zal te staan komen. Waarschijnlijk zou men hem ook de voldoening niet geweigerd hebben, van zijn naam, in groote gouden letters, aan den gevel te zien prijken, versierd met het traditioneele on.

Wie zich overtuigen wil, hoe bitter weinig de elkander zoo snel opvolgende ministeriën zich bekommeren over zaken, die met de politiek niets te maken hebben, heeft slechts een bezoek te brengen aan de verschillende lokalen, waarin de opgedolven overblijfselen der oudheid worden bewaard. De fragmenten van standbeelden, de opschriften, de basreliefs, zijn zonder een schijn van orde, op en over elkander gestapeld in tempels, op binnenplaatsen, op openbare pleinen, blootgesteld aan al de wisselvalligheden van het weder en met stof en vuiligheid bedekt. Uit niets blijkt, van waar zij afkomstig zijn, noch waartoe zij eigenlijk behooren. Overblijfselen, die voor de archeologische wetenschap van het hoogste gewicht konden zijn, indien men slechts wist tot welk monument of tot welk tijdvak zij behooren, of ook maar waar zij gevonden werden, zijn nu niet veel meer dan karakterloze brokken steen, ten gevolge der onverschoonlijke slordigheid, waarmede men bij de ontdekking is te werk gegaan. Een groote grafsteen, onlangs nabij den Ilyssus ontdekt, en die bladzijde 224tot de schoonste voortbrengselen der grieksche kunst behoort, waardig genoemd te worden na de beeldwerken van het Parthenon en de Venus van Milo, is eenvoudig uit de hand gezet op een slecht afgesloten terrein van den weg van Patissia, nabij de in aanbouw zijnde Akademie. In den duisteren kleinen tempel van Theseus zijn standbeelden weggestopt, waarvan het hoofd in het Varvakion, en de armen in het museum van de Akropolis berusten; en ge moet u niet al te zeer ergeren, als ge metopen het onderste boven ziet staan. Voor den kunstenaar of den geleerde zijn dergelijke verzamelingen niet alleen eene ergernis, maar bovendien een warboel zonder waarde; en zelfs de gewone toerist kan daarin niets vinden, wat zijne belangstelling zou kunnen wekken. Wat mij steeds ten zeerste verwonderd heeft, is, dat dit volk, zoo uitermate trotsch op zijn verleden en zoo hoogelijk met zich zelven ingenomen, nog niet op de gedachte is gekomen om deze kostbare overblijfselen van een schitterenden bloeitijd, behoorlijk gerangschikt, in één waardig en doelmatig ingericht gebouw bijeen te brengen.


Tribune van Demosthenes.

Inderdaad, zulk een bewijs dat het hedendaagsche grieksche volk nog niet geheel van den kunstzin zijner voorvaderen is ontaard, zou niet overtollig wezen. Immers, men zou nu dikwijls zeer geneigd zijn, het tegendeel te gelooven: want zelfs de oude monumenten heeft men niet gespaard. De tempel van Theseus, door een rood geverwde houten balustrade omringd en door grasperken, waarop de trommelslagers en trompetters van het garnizoen zich oefenen, heeft tegenwoordig veel weg van een douanenkantoor. Deze kleine, maar door de harmonie zijner deelen zoo uitnemend schoone tempel maakte vroeger, toen hij eenzaam en verlaten daar stond, een grootschen, aangrijpenden indruk. Nu heeft hij bijna alle bekoorlijkheid, alle poëzie verloren.

Naar het scheen, moest althans de Akropolis, door haar ligging zelve, voor dergelijke schennis beveiligd zijn; maar zij, die bovenal geroepen zijn haar te eerbiedigen, aan wie de zorg voor haar behoud is toevertrouwd, gaan dagelijks voort met haar te bederven en van haar eigenaardige schoonheid te berooven. Al de aarde en het puin namelijk, uit de opdelvingen rondom het Parthenon afkomstig, wordt eenvoudig over den rand der muren weggegooid. Het gevolg daarvan is natuurlijk, vooreerst dat de muren worden beschadigd, maar vooral—en dit is nog erger—dat er langzamerhand rondom de rots groote aardhoopen gevormd worden, die haar eigenlijke gestalte misvormen en onzichtbaar maken. Deze wonderschoone piedestal, met zijn kantige, sobere en scherp geteekende lijnen, die de bewondering opwekte van allen, die Athene bezochten, zal, als men zoo voortgaat, na verloop van eenige jaren, in een wanstaltigen aardheuvel herschapen bladzijde 226zijn. De portieken van Eumenes, die men zoo gemakkelijk had kunnen ontblooten, zullen verdwijnen en onder dit opgestapeld puin verbrijzeld worden. Een weinigje kunstzin zou toch, naar het schijnt, voldoende zijn geweest ons van deze barbaarsche handelwijze terug te houden.


Een metropolitaan.

Eerst als ge u op de Akropolis zelve bevindt, en u nederzet aan den voet der Propylaeën of van het Parthenon, gevoelt ge de oude helleensche wereld, in al haar ongeëvenaarde schoonheid, in al haar soberen en zinrijken rijkdom, weer rondom u verrijzen.

Op dien naakten, rossigen rotsburcht, waar het gerucht der bezige stad verstomt, waar ge niets hoort dan de scherpe kreten der roofvogels hoog in de lucht, waar ge niets ziet dan den stralenden gloeienden hemel en de violetkleurige toppen van den Hymettos en den Pentelikon; tegenover die zwijgende marmeren kolommen, die uit den grond schijnen op te rijzen, te midden van die diepe stilte en volstrekte eenzaamheid, gevoelt ge u zelven geheel vermeesterd en doordrongen van een groote, rustige kalmte. Al die wanklanken, die u ontstemd en geërgerd hebben, zijn verdwenen en hebben zich opgelost in verhevene harmonie. De ruïnen, die ge hier om u ziet, zijn het werk der barbaarschheid en niet van den wansmaak. De soldaten van den aga Yoesoef beseften niets van de waarde dezer muren, die zij aan de vlammen prijs gaven; de bommen van Morosini vernielden zonder opzet of bijgedachte; lord Elgin, van allen het minst te verontschuldigen, werd ten minste nog door een zucht tot behoud gedreven, toen hij de marmersteenen stuksloeg en de triglyphen schond. Bovendien doen deze verwoestingen geen merkbare afbreuk aan den algemeenen indruk, dien deze onsterfelijke ruïnen op den aanschouwer maken, terwijl de onverantwoordelijke handelingen van de moderne bewaarders en herstellers der oude monumenten wel degelijk het genot bederven.1

Als ge uw blikken van de ruïnen afwendt om het panorama rondom u te overzien, dan zult ge een niet minder eigenaardigen indruk ontvangen.

De epitheta van bekoorlijk, mooi, bevallig, verrukkelijk, die ge met volle recht op de landschappen van Ionië en de oevers van den Bosporus kunt toepassen, gelden niet van Griekenland, en vooral niet van Attika. Harer is eene schoonheid, die niet op het eerste gezicht, die niet door iedereen gevoeld en begrepen wordt: eene schoonheid, wier elementen zijn: het licht, de lijnen, de vorm, de kleur der bergen. Aan uwe voeten ziet ge niets dan eene naakte en dorre vlakte. Van oudsher was Attika een weinig vruchtbaar land: Strabo noemt het een ondankbaren grond, Pindarus dor, Thucydides onvruchtbaar, Homerus steenachtig en rotsachtig. Deze onvruchtbaarheid is het noodwendig gevolg van de geologische vorming des lands en de vele marmerrotsen, die men er aantreft. Overal waar die rotsen de overhand hebben, is de plantengroei zeer schraal. Deze harde kalksteen wordt niet dan uiterst langzaam door de werking van lucht en licht en vochtigheid ontbonden; de dunne aardlaag, die zich mettertijd langzamerhand gevormd heeft, wordt op de steile hellingen weer weggespoeld door het regenwater, dat door niets in zijn loop wordt tegengehouden. Die groote marmerwanden weerkaatsen met verblindende felheid de zonnestralen en worden in den zomer gloeiend heet; de weinige planten, die in de lente ontloken zijn, verdorren dan en sterven; een felle wind, door geen bosschen of boomen getemperd, waait verwoestend en verschroeiend over de vlakte en doet daar de planten verkwijnen. Het regenwater loopt over de naakte steenen weg, zonder op de hoogten door struikgewas of wat ook te worden tegengehouden, om vervolgens als levenwekkende, vruchtbaarheid verspreidende bron of beek naar de vlakte af te dalen; het graaft nu slechts sporen in de heuvelen en maakt de aarde veeleer nog onvruchtbaarder door de kalk- en zoutdeelen, waarmede het bezwangerd is. Droogten van zes en acht maanden maken bijna iedere kultuur onmogelijk, voor 't minst buiten den smallen zoom, die door het water van het zeer kleine rivierke de Kephissos gedrenkt kan worden; dit water, dat met de grootste zuinigheid wordt verdeeld, ontbreekt vaak in den zomer geheel, en de terreinen, die voor bebouwing geschikt zijn en vruchten konden voortbrengen, blijven dor en onvruchtbaar, zoodra dit onmisbaar element wordt gemist.

De bekoorlijkheid, de schoonheid van dit zonderlinge land moet ge dus niet zoeken in de afwisseling der natuurtafereelen, in de weelderigheid van een rijken plantengroei, in de malsche schakeeringen van het frissche sappige groen, in de betoovering van ruischende bosschen en murmelende wateren, in al datgene wat gewoonlijk tot de onontbeerlijke vereischten van eene schoone natuur gerekend wordt. Neen, zij ligt uitsluitend in die wisseling van zuivere, sierlijke, sobere lijnen, in die opeenvolging van verschillend gekleurde en getinte bergen, in dien warmen kleurengloed, in die kristallen klaarheid van den dampkring, in dat wondervol geheel, streng zonder eentonig te zijn, vol grootheid en stijl, in die onbeschrijfelijke harmonie, die haar hoogste uitdrukking vond in den schoonheidszin van dit zoo zeldzaam begunstigde volk.

Ter linkerhand, aan gene zijde der vlakte, die zij van het westen naar het oosten omlijst, trekt de keten van den Parnessos tegen den helderen hemel haar fijne omtrekken, in het midden afgebroken door den loodrechten rotskegel van Philé, dien de oude dichters bij een wagen vergeleken. Ter rechterhand verrijst de Hymettos, schijnbaar in de onmiddellijke nabijheid, dank zij de weergalooze doorschijnende helderheid der lucht. Op den achtergrond, achter de scherpe rotsen van den Lykabettos, verheft zich, midden uit de vallei, de eenzame Pentelikon, wiens eigenaardige gestalte een zoo sprekend karakter geeft aan het attische landschap; donkerpaars gekleurd, teekent hij zich met zoo scherpe duidelijkheid af, dat ge van hier de gapende marmergroeven kunt onderkennen, waaruit Perikles de zuilen van het Parthenon liet houwen.

Als ge u boven op de trappen van dezen tempel plaatst en u naar het westen wendt, dan breidt zich bladzijde 227een panorama voor u uit, dat in schoonheid door weinige overtroffen wordt. Op den achtergrond, in een lichten zilveren nevel gehuld, de bergen van Argos, de Akro-Korinthe, het schiereiland Methana, de noordelijke landpunt van het eiland Hydra; links de zee, de zee met haar onbeschrijfelijke kleurenmengeling in alle overgangen van fluweelig blauw; ginds, aan den uitersten gezichtseinder, eilanden, badende in een doorschijnenden glans van purperkleurig licht: Sint-George, Therma, Serpho, Milo; meer op den voorgrond, het eiland Egina met de hooge bergspits van Sint-Elias; dan de steile rotsen van het eiland Salamis, en tusschen die beiden eene groep van kleine eilandjes, hier en daar verspreid, als een vloot voor anker. Nog dichter bij, de bochtige kust met haar inhammen en voorgebergten, en de havens van Phaleros, van Munychia en van den Piraëus, en de baai van Salamis.

Als ge over dit weergaloos panorama uwe blikken dwalen laat, dan kunt ge eenigszins begrijpen, welken invloed de eigenaardige gesteldheid des lands op het karakter en de nationale ontwikkeling der Grieken hebben moest.

Die talrijke eilanden, als zoo vele rustpunten en handelskantoren over de wateren gestrooid; die kustenlijn, telkens afgebroken door baaien en inhammen, die diep in het land indringen en het binnenland voor de schepen openen: moest deze gedaante van hun land, niet als van zelf bij de Grieken de lust doen ontwaken voor scheepvaart en handel, bovendien zoo geheel passende bij hun levendigen, bewegelijken aard? Lokkend en noodigend omspoelde de heerlijke zee overal hunne kusten; wat wonder, dat zij die noodiging volgden, zich met hunne vlugge schepen aan de blauwe golven vertrouwden, en zich lieten voeren naar verwijderde stranden, waar nieuwe avonturen hen wachtten?

Het was trouwens niet enkel eer- en heerschzucht, het was ook de noodzakelijkheid, die met name bij de Atheners den zin voor avonturen en verre ondernemingen ontwikkelde. Door hun uitgebreiden handel en hunne zee-oorlogen werden zij, in korten tijd, de beheerschers van Griekenland en van de Middellandsche-zee. Tijdens haar bloei, was Athene de eerste zeemogendheid der toenmalige wereld, en met het verlies harer maritieme grootheid, was ook het tijdperk van haar macht en bloei als staat voorbij. Die kleine, engbegrensde vlakte, zonder boomen en zonder graan, beteekende niets; en ware zij niet door de zee bespoeld, wel nimmer zou Athene geworden zijn wat het thans is geweest. Nu werd deze in zich zelve zoo schraal bedeelde plek gronds een brandpunt van handel en nijverheid, de kweekplaats van wetenschap en kunst; nu leefden hier vierhonderd-duizend slaven en vijftigduizend vrijen. Overal, waar weelde en rijkdom gevonden werd, werden de werken der atheensche kunstenaars gezocht en duur betaald; Perikles begreep dit volkomen, en wist zeer goed wat hij deed, toen hij zich boven alles beijverde om aan zijn volk op het gebied der kunst den eersten rang te verzekeren. Voorwaar, het was niet om zijne persoonlijke ijdelheid te streelen, dat deze groote staatsman voor den bouw van het Parthenon eene som besteedde, die gelijk stond met het drievoudige der jaarlijksche inkomsten van den staat. Hij begreep zeer goed dat deze stichting, waarbij de bouwkunst, de beeldhouwkunst en de schilderkunst zich hadden vereenigd om het hoogste en volmaaktste te scheppen waartoe de toenmalige wereld in staat was, voor langen tijd aan Athene den voorrang zou verzekeren: een rang, die haar door geen anderen helleenschen staat kon worden betwist, en met dien rang tevens de heerschappij over geheel de helleensche wereld. Die macht is snel gedaald: het schitterende tijdperk van Athene's heerlijkheid duurde maar kort, korter waarschijnlijk dan de geniale staatsman zich had voorgesteld; doch wat hij gewrocht had, was onvergankelijk; hij had meer gedaan dan hij zich had voorgesteld: hij had niet alleen aan Athene den eersten rang verzekerd onder de helleensche staten, maar haar tevens eene eerste plaats verworven in de geschiedenis van de beschaving der wereld, een macht en invloed, die de eeuwen tarten zou.

In de stad Athene zelve worden nog maar weinig antieke monumenten gevonden. Ieder kent, al is het dan ook uit photografiën, de portiek van Hadrianus, de zuilen van den tempel van Zeus Olympios, den toren der Winden, het theater van Bacchos, de tribune van Demosthenes. Maar zoo de touristen nooit zullen verzuimen, in dikwijls maar al te zeer geveinsde bewondering voor deze monumenten stil te staan, zijn er maar weinigen, die zich verwaardigen eenige aandacht te schenken aan de fraaie byzantijnsche kerken, door geheel de stad verspreid. En toch zijn die alleszins de aandacht waard.

In de eerste eeuwen der christelijke jaartelling schijnen er in Griekenland weinig of geen kerken te zijn gebouwd. Het Evangelie had bij de massa des volks geen ingang gevonden; de oude eeredienst was nog in stand gebleven, en Julianus bracht nog zijne hulde aan Pallas Athene in het Parthenon. Later, toen het Christendom voor goed over het oude polytheïsme had gezegevierd, werd dit natuurlijk anders; onder Justinianus werden de oude tempels voor de christelijke eeredienst ingericht, en de gelden en inkomsten, oorspronkelijk voor de dienst der goden en godinnen bestemd, werden nu aangewezen tot onderhoud der geestelijkheid. Maar het oude heidendom wreekte zich, door den verderfelijken invloed, dien het al spoedig op de oostersche Kerk uitoefende. De atheensche prelaten begaven zich ter kerk, gezeten op witte paarden en omstuwd door prachtig uitgedoste geestelijken; de archonten verschenen te paard in het heiligdom, en de atheensche dames lieten zich, onder het geleide van eunuken, in haar draagstoel derwaarts voeren, om de jonge geestelijken, die het best gezongen hadden, toe te juichen. Nog schadelijker werkten het doode formalisme, het ziellooze ceremonieel, het strakke en spitsvindige orthodoxisme, die welhaast het geestelijk leven uitdoofden, en de eenmaal zoo krachtige en bloeiende oostersche Kerk rijp maakten voor den diepen val, waaruit zij zich sedert nooit meer heeft kunnen opheffen. Intusschen worden nu kerken in menigte gebouwd, en voor het meerendeel van zeer kleine afmetingen. Zij zijn doorgaans van minder omvang dan onze gewone dorpskerken, bladzijde 228maar zij vertoonen een eigenaardig karakter en verdienen de belangstelling als scheppingen eener geheel bijzondere, ons schier onbekende kunst.

Men kan deze kerken in drie kathegoriën splitsen, die tevens drie tijdperken vertegenwoordigen. Het eerste tijdperk, dat van de derde tot de vijfde eeuw reikt, heeft bijna geen sporen meer achtergelaten; de eerste onderzoekers, die na de emancipatie in Griekenland verschenen, hebben ter nauwernood nog enkele overblijfselen uit deze periode kunnen vinden; tegenwoordig zijn die geheel verdwenen. De kerken uit dien tijd waren kleine ronde of vierkante kapellen, waarvan het platte dak met een koepel gedekt was.

Het tweede tijdvak loopt van de zesde tot de elfde eeuw. Dit is de ware bloeitijd der byzantijnsche kunst, die haar hoogste ontwikkeling bereikt om vervolgens als het ware te verstijven. De oorspronkelijke type wordt gewijzigd, ruimer en vrijer opgevat en verfraaid; de koepels worden vermeerderd; de absiden worden veelhoekig uitgebouwd; de vensters, door een of twee dunne zuiltjes in vakken verdeeld. Vier stevige vierkante pilaren schragen den grooten koepel, die eene bijkans halfronde gedaante aanneemt, en waarvan het bovenste gedeelte van talrijke openingen voorzien is. Van binnen worden de gewelven en bogen versierd met mozaïeken op gouden grond. Het niet zeer lange schip heeft somwijlen een narthex of voorportaal, waarboven eene tribune voor de vrouwen is aangebracht. Het altaar wordt aan de oogen der geloovigen onttrokken door een meer of minder rijk beschilderd en gebeeldhouwd scherm, het zoogenoemde iconostasia.

Het derde tijdperk reikt tot de vijftiende eeuw, en kenmerkt zich hoofdzakelijk door eene vermenging van de byzantijnsche met de italiaansche bouwkunst: een gevolg van de heerschappij der Venetianen. Boven de gevels worden frontons aangebracht; de constructie der gewelven ondergaat eene merkbare verandering, en de mozaïeken worden door fresco-schilderijen vervangen. Overigens is dit een tijdperk van toenemend verval.

De kerken van Athene behooren vooral tot de tweede periode. Zij zijn opgetrokken van gehouwen steen, met rijen van dunne baksteenen daartusschen. De bogen der vensters en deuren zijn mede van langwerpige, smalle baksteenen, door cement verbonden; de koepels en daken zijn gedekt met groote ronde pannen. Allen, zonder eenige uitzondering, zijn met het koor naar het Oosten gericht, juist het tegenovergestelde van de heidensche tempels.

Omstreeks de achtste of negende eeuw, telde men te Athene driehonderd kerken of kapellen. Dit cijfer staat in hoegenaamd geene verhouding tot de bevolking; het groote aantal der kerken vindt zijne verklaring in den regel van den griekschen ritus, volgens welken het niet geoorloofd is meer dan eenmaal per dag in dezelfde kerk de mis te bedienen. Tegenwoordig zijn er te Athene tusschen de veertig en vijftig kerken en kapellen, waaronder slechts zes of zeven van oude dagteekening.

Vóór den bouw der tegenwoordige kathedraal was de kerk aan Sint-George gewijd de hoofdkerk. Zij kon hoogstens twintig personen bevatten; de menigte, op het plein geschaard, was door de geopende deur getuige van de heilige dienst. De kerk schijnt inderdaad een stuk speelgoed; het is de kleinste en tevens de oudste van alle byzantijnsche kerken van Athene. In de buitenmuren, uit groote gehouwen steenen, waarschijnlijk van eene of andere ruïne afkomstig, opgetrokken, zijn enkele antieke bas-reliefs ingemetseld: onder anderen, boven de deur, eene kleine fries, waarop de teekens van den dierenriem zijn afgebeeld.

Sint-Nikodemus, nabij het koninklijk park, is weder hersteld en is thans de russische kerk. Dit was de grootste byzantijnsche kerk van geheel Griekenland. Met haar drie veelhoekige koornissen, haar in drie vakken verdeelde vensters, haar eigenaardige decoratie, behoort zij zeker tot de merkwaardigste monumenten van dat tijdvak. De andere oude kerken onderscheiden zich door niets bijzonders; aan een paar, met name aan die van Sint-Theodorus, zijn de deuren bij wijze van hoefijzer gewelfd. Dit motief, aan de mohammedaansche kunst ontleend, schijnt, op het eerste gezicht, zeer vreemd; wij weten echter, dat onder de regeering van Justinianus onderscheidene perzische bouwmeesters naar Constantinopel werden geroepen: het is dus waarschijnlijk, dat deze soort van gewelf door hen of hunne volgelingen in de byzantijnsche architectuur is ingevoerd.

De moderne kerken zijn in denzelfden stijl gebouwd, maar missen alle oorspronkelijkheid en artistieke waarde. Zelfs de nieuwe kathedraal is, althans uitwendig, een plomp bontkleurig gebouw, zonder schoonheid of stijl. Van binnen maakt de kerk evenwel een beteren indruk; het schilderwerk, dat de wanden en gewelven geheel bedekt, geeft aan het gebouw een zeer bijzonder karakter. Toen ik voor de eerste maal de kathedraal betrad, zag ik daar de grieksche geestelijkheid in al haar pracht en den luister van den byzantijnschen ritus; de metropolitaan en zijne coadjutors, de archimandriten, waren gehuld in rijk met goud geborduurde kleederen, en droegen op het hoofd prachtige oostersche myters, fonkelende van edelgesteenten. Ongelukkig hebben de Grieken vrij algemeen de gewoonte om door hun neus te spreken; de valsche, brommende tonen van het gezang werkten zoo onaangenaam op mijne zenuwen, dat het mij onmogelijk was de behoorlijke aandacht te schenken aan deze oude, eerwaardige gezangen, die tot de eerste eeuwen onzer jaartelling opklimmen. Op groote feestdagen, als de Koning en de Koningin de dienst in de kathedraal bijwonen, wordt het Kyrie Eleison en de andere oude hymnen door de zangers der russische kerk, met hunne zuivere en zielvolle stem, aangeheven. Maar de burgers van Athene nemen het der Koningin zeer kwalijk, dat zij aan het schoone en welluidende gezang der russische zangers de voorkeur geeft boven het onaangenaam geschreeuw der grieksche.

IV.

Athene is dikwijls genoeg beschreven geworden, en de Atheners evenzeer; het ligt volstrekt niet in mijn bladzijde 230plan, hier in eene wederlegging te treden, hetzij van de onrechtvaardige beschuldigingen, hetzij van de overdreven lofspraken, die beiden evenzeer hebben bijgedragen om de publieke opinie ten aanzien van het grieksche volk op een dwaalspoor te leiden. Ik zal mij eenvoudig bepalen tot het wedergeven van den indruk, dien de hoofdstad van Griekenland in 1874 op mij gemaakt heeft.


De oude kathedraal te Athene.

Zij, die bij hunne aankomst in Griekenland dadelijk verwachten overal die bijzondere lokale kleur te zullen aantreffen, waarmede in de reisboeken zoo zeer geschermd wordt, moeten zich wel zeer teleurgesteld gevoelen.

Te Athene hebben niet alleen de huizen, de straten, de winkels, over het algemeen geheel hetzelfde voorkomen als in de steden van westelijk Europa; maar ook de bewoners hebben de bekende witte fustanella en de roode fez met blauwe kwast afgelegd, en gaan naar europeesche mode gekleed, in een kort jasje en met een ronden hoed. Dit is goedkooper en gemakkelijker, maar ook veel minder schilderachtig en bevallig. De pallikaar, met zijn korten wijden rok en wiegelenden gang, is eene zeldzame verschijning te Athene, en om hem te zien moet ge naar het binnenland gaan. Slechts als de Karner vergaderd is, kunt ge nog enkele oude afgevaardigden uit de provincie ontmoeten, met lange zilverwitte knevelbaarden en gedost in het aloude nationale kostuum.

De zondag is een dag van algemeene rust en ontspanning. De werklieden, de winkeliers, de kleinere ambtenaren, in zwarte jassen gekleed en vergezeld van hunne vrouwen, naar de voorlaatste mode uitgedost, wandelen langzaam en zwijgend door de straten en over de pleinen. Langs den breeden, met armzalige boompjes omzoomden weg, die de stad met het dorpje Patissia verbindt, bewegen zich, in dichte stofwolken, een aantal huurrijtuigen; op de voetpaden wemelt het van wandelaars in hun zondagspak. Van tijd tot tijd rijden er eenige open landauers voorbij, met twee fraaie paarden bespannen, die door een koetsier in liverei worden bestuurd, en waarin dames en heeren, in de keurigste toiletten uit Parijs, zich op hun gemak laten rondvoeren. Daartusschen ziet ge enkele phaetons en lichte rijtuigjes, door jongelieden bestuurd, en eenige officieren te paard in uniform.

Voor zoo ver de dichte stofwolken, die u haast doen stikken—waarom wordt hier de weg nooit besproeid?—het uitzicht vergunnen, overziet ge, ter linkerhand, het olijvenbosch, de golf van Egina en den Piraëus, met de hooge masten der daar voor anker liggende oorlogschepen. Van de wandeling terugkeerende, wordt eenige oogenblikken halt gehouden op het Eendrachtsplein, waar de militaire muziek stukken uit onze opera's speelt.

Bij die wandeling is het er natuurlijk in de eerste plaats om te doen, gezien te worden. Ieder, rijk of arm, wil op eene of andere manier de oogen tot zich trekken; en vooral daaraan is het toe te schrijven, dat men aan dezen stoffigen en zonnigen weg de voorkeur geeft boven den koninklijken tuin, de liefelijkste wandelplaats die men zich denken kan. Maar in die kronkelende lanen en paden, half verloren in het dichte bosschage, zou men niet zoo gemakkelijk opgemerkt worden.

Deze tuin, een waar paradijs in het dorre Attika, is, zoo als men weet, eene schepping van Koningin Amalia. Zij zelve leidde en bestuurde de werkzaamheden, en reed telken dage den tuin rond, hetzij te paard, hetzij in een klein rijtuig, met twee poneys bespannen, die zij zelve mende. Telkens word het jong plantsoen door den geduchten noordenwind vernield, die de pas geplaatste boomen ter aarde wierp. Maar de Koningin gaf het niet op: en zoodra de wortels eens tot een vruchtbaarder laag waren doorgedrongen, begonnen de boomen voorspoedig te groeien. Nu kan men hier overal, ook bij den felsten zonneschijn, in de schaduw wandelen. Duizenden rozenstruiken, met bloemen bezaaid, kronkelen zich langs de stammen en takken van fraaie, zeldzame boomen. Een menigte besproeiingskanalen doorsnijden het park in alle richtingen, en verspreiden overal eene verkwikkende koelte. Prachtige bloembedden spreiden den weelderigen rijkdom harer kleuren ten toon, onder den welriekenden lommer der oranjeboomen. Met behulp van het noodige water, is men er zelfs in geslaagd eenige grasperken te onderhouden, boven wier sappig groen dadelpalmen hunne bladerkronen wiegelen. Door het gebladerte heen ziet men de schitterend witte, sierlijke marmeren kolonnade van het paleis, dat aan deze zijde niet dat kazerne-achtige karakter heeft, hetwelk aan den voorgevel zulk een onaangenamen indruk maakt. Vooral door het contrast, schijnt deze bloeiende oase dubbel bekoorlijk. In dit dorre, boomlooze land, is het een onuitsprekelijk genot, te luisteren naar het geruisch van levende wateren, zich neder te vleien in den dichten lommer der bosschen, en de vermoeide oogen, verblind van het staren op de gloeiende rotsen en den geblakerden grond, te laten rusten op het zachte, welige groen.

Zij, die door hunne bezigheden of door gebrek aan fortuin, gedwongen worden, ook in de hondsdagen te Athene te blijven, kunnen ten minste nog naar het strand gaan. Met rijtuig of met een omnibus begeeft men zich naar het station, aan den voet van de Akropolis, in de onmiddellijke nabijheid van den tempel van Theseus, en tien minuten later stappen de reizigers uit aan het strand van Phaleros. Daar kan men dan, gedurende enkele uren, met volle teugen de frissche zeelucht inademen of een bad nemen; daar vindt men ook eene vrij goede restauratie en een houten zomertheater, met den starrenhemel tot zoldering. Omstreeks middernacht brengen de treinen de duizenden wandelaars weder naar de gloeiend heete stad terug, waar zij vergeefs zullen beproeven eenige uren te slapen, eer op nieuw de brandende, alles verschroeiende zon boven de kimmen verrijst.

De atheensche maatschappij splitst zich in drie onderscheidene groepen, die weinig met elkander in aanraking komen. De eene groep bestaat uit de eigenlijke burgerij, die er zich op beroemt echt-atheensch te zijn, autochthonen in den waren zin; zij, die tot deze klasse behooren, vermijden zooveel mogelijk allen omgang met Europeanen en loochenen alle solidariteit met de bladzijde 231Grieken, die buiten het koningrijk zijn geboren en die zij met zekere minachting heterotochthonen noemen. Behoudens enkele uitzonderingen, vertoonen deze lieden dezelfde eigenschappen, die overal der bourgeoisie eigen zijn: bekrompenheid, vooroordeel en afkeer van al wat vreemd is. Tot hun eer moet men hun nageven, dat zij ook de oude eenvoudigheid van levenswijze en reinheid van zeden hebben bewaard.

De verhalen omtrent de verregaande oneerlijkheid der Atheners, door sommige schrijvers in omloop gebracht, zijn waarschijnlijk nooit vrij van overdrijving geweest, en zouden althans tegenwoordig bepaald onwaar zijn. Maar toch valt het niet te ontkennen, dat list en bedrog in het volkskarakter diepe wortelen hebben geschoten en maar al te zeer als geoorloofde wapenen in den strijd des levens worden beschouwd. Dezelfde man, die zich als onteerd zou beschouwen, indien hij uw beurs of uw tabaksdoos uit uw zak wegkaapte, zal zonder eenige aarzeling van uwe onbekendheid met de wetten en gebruiken des lands profiteeren om u te misleiden, u zoo veel mogelijk geld af te persen of u niet te betalen wat hij u schuldig is. Dit is in zijn oog eene geoorloofde handigheid, en zijn geweten maakt hem deswege geen verwijt. Gelukkig zijn er vele uitzonderingen, wier aantal voortdurend toeneemt. Overheidspersonen, leeraren, geneesheeren, kooplieden, geven het voorbeeld van onkreukbare eerlijkheid en van fijne beschaving. De toekomst des lands ligt voor een groot deel in hunne handen: zij weten dat, en doen alles wat in hun vermogen is, om het kwaad, dat zij niet zullen loochenen, te bestrijden en zoo veel mogelijk te overwinnen.

De vrouwen, die tot deze klasse der maatschappij behooren, verstaan en spreken voor het meerendeel geene andere taal dan het grieksch. Zij spreken weinig in gezelschap, en hebben zekere gemaaktheid in haar manieren: misschien louter het gevolg van overdreven beschroomdheid. Vreemdelingen worden met zeker wantrouwen bejegend, en verkrijgen niet gemakkelijk toegang tot den familiekring. Zeer dikwijls is deze terughouding en stugheid niet anders dan hoog opgevoerde eigenliefde, die de soberheid en betrekkelijke armoede der huishouding voor geen vreemde oogen ontdekken wil.

Nevens deze groep, waartoe bijna al de politieke mannen behooren, die in Griekenland een rol gespeeld hebben of nog spelen, staat eene andere klasse, die eenigermate de allures aanneemt eener aristokratie. Zij bestaat uit de zoogenaamde Phanarioten, dat wil zeggen, grieksche familiën uit den Phanar, de grieksche wijk van Constantinopel, afkomstig; en wier voorvaderen, hetzij door hunne aanzienlijke fortuin, hetzij door de hooge staatsbetrekkingen die zij bekleedden, een zekeren voorrang hadden verworven, dien hunne nakomelingen nu ook willen laten gelden in een land, waar de meest volstrekte gelijkheid heerscht. Deze klasse is overigens niet talrijk. De Atheners dragen dezen Phanarioten een fellen haat toe, en beschuldigen hen van intrige, oneerlijkheid en omkooperij: een oordeel, dat, mijns inziens, alles behalve billijk is, en voor een goed deel aan onedelen naijver en jaloezie moet worden toegeschreven. De Phanarioten zijn bijna allen zeer bemiddeld, en mitsdien in staat om veel te reizen en telken jare westelijk Europa te bezoeken. Daardoor zijn zij met onze denkbeelden, met onze zeden en levenswijze meer vertrouwd geraakt; zij toonen hunne ingenomenheid met de europeesche beschaving door de gastvrijheid waarmede zij vreemdelingen ontvangen, en door de meer comfortabele wijze, waarop zij hunne huishouding inrichten. Hun wijder gerichtskring en veelzijdiger ervaring vergunt hun ook, een billijker en onpartijdiger oordeel te vellen over de toestanden in hun eigen land. De bittere en onrechtvaardige naijver van hunne landgenooten houdt hen geheel van het bestuur en van staatszaken verwijderd. Men heeft daarin groot ongelijk, want juist deze hooger ontwikkelde mannen zouden zich minder door hunne hartstochten laten medeslepen; zij zouden zich veel gemakkelijker vrij kunnen houden van kleine coteriën en lokale invloeden, en zich niet behoeven in te laten met de ellendige kuiperijen en intriges, die in de grieksche regeeringskringen eene zoo groote rol spelen.

In hunne smaakvol ingerichte salons wordt de vreemde bezoeker ontvangen door hoogst beschaafde, zeer ontwikkelde vrouwen, die verscheidene talen vloeiend spreken, en met wie het een genot is te praten; deze salons zijn voor de in Griekenland gevestigde vreemdelingen van zeer groote waarde: zij vinden daar als eene levende herinnering aan hun eigen vaderland.

In de laatste jaren heeft zich, nevens deze beide klassen, nog eene derde gevormd, die geheel op zich zelve staat. Een zeker aantal grieksche bankiers, die in het buitenland fortuin hadden gemaakt, zijn zich te Athene komen vestigen; en even als overal, hebben deze lieden ook hier die zekere weelde van dubbelzinnig gehalte, die zucht voor uitspanningen en kostbare vermaken, en bovenal dien hartstocht voor spekulatie medegebracht, die, overal verderfelijk, dubbel noodlottigen invloed uitoefenen te midden eener bevolking, wier behoeften en levenswijze in overeenstemming zijn met de algemeene beperktheid der middelen.

Deze geldmannen hebben der atheensche maatschappij een heete koorts op het lijf gejaagd, waaraan zij, nu twee jaar geleden, schier dreigde te bezwijken. Al de bedachtzaamheid en voorzichtigheid der Grieken is niet bestand geweest tegen de noodlottige bekoringen en verlokkende voorspiegelingen, waarmede deze spekulanten hunne zinnen verblindden. Er werden fantastische venootschappen en maatschappijen opgericht; er werden mijnen verkocht, die nooit bestaan hadden; naamlooze vereenigingen van allerlei aard schoten als paddestoelen uit den grond; de aandeelen bereikten fabelachtige prijzen: in één woord, het Grünaertium stond in vollen bloei. Maar weldra kwam het oogenblik, waarop al die luchtkasteelen instortten. Het ontwaken uit dien gouden droom was verschrikkelijk. Griekenland verloor op één dag ruim twintig millioen gulden, bijna de gansche fortuin van dit arme kleine land. Geen wonder dat zij, op wie de verantwoordelijkheid voor deze ramp nederkwam, de voorwerpen bladzijde 232werden van den algemeenen haat. De salons zijn voor hen gesloten; en de pogingen, die zij aanwenden om vreemdelingen of inboorlingen tot zich te lokken, stuiten af op de zeer besliste terughouding en koelheid van alle klassen. Griekenland heeft eene harde les gehad: moge het door de ondervinding wijs zijn geworden.

Somwijlen ontmoet men op de boulevards of op den weg van Patissia een jeugdig paar, met snellen stap voortschrijdende en gevolgd door een grooten deenschen dog. De jonge man, met een zeer gedistingeerd voorkomen, blond, slank en rijzig, draagt een grijzen vilten hoed; de jonge dame, ook blond, met zeer schoone zacht blauwe oogen, is altijd hoogst eenvoudig gekleed. Dat is Koning George en Koningin Olga. Bijna alle voorbijgangers staan stil om hen te groeten; maar de aanhangers van het pas gevallen ministerie of van de partij, die nog niet aan het roer is kunnen komen, houden den hoed op het hoofd en keeren zich met een brutaal gezicht om.


De Sint-Theodoruskerk te Athene.

Menigmalen heb ik dien jeugdigen Koning met zijn sympathiek gelaat beklaagd. Zijn toestand is verre van benijdenswaardig. Hij kwam in Griekenland, na eene omwenteling, eerst achttien jaren oud, zonder ervaring, maar vol goeden wil en vervuld met de beste voornemens. Die zoon van het Noorden, met zijn koel, bedaard, eerlijk en rechtschapen, maar ook vasthoudend karakter, moest onvermijdelijk in botsing komen met zijn hoogmoedig, achterdochtig, weerstrevig en in hooge mate wispelturig volk, dat zoo uiterst moeilijk te regeeren is. Die botsingen zijn dan ook niet uitgebleven, en meermalen scheen het of de breuk tusschen Koning en volk onheelbaar worden zou. Bij herhaling reeds is het woord republiek uitgesproken. Toch heeft Griekenland tot dusver getoond, gezond verstand genoeg te bezitten om zich aan deze verwerpelijkste van alle proefnemingen niet te wagen en de monarchie te behouden, die werkelijk de eenige waarborg is voor eene betere toekomst. Inderdaad zou de republiek het land in het verderf storten, vooral hier, waar het zoo geheel aan aristokratische, waarlijk behoudende elementen ontbreekt. In Griekenland toch, even als overal elders, is demokratie slechts een sierlijker uitdrukking voor ongebreidelde zelfzucht en nijdige jaloezie, voor wanorde en regeeringloosheid. Het denkbeeld van aan een der hunnen te moeten gehoorzamen, stuit echter den Grieken zoozeer tegen de borst, dat deze weerzin alleen hen waarschijnlijk wel voor langen tijd van alle republikeinsche proefnemingen zal terughouden.

( Wordt vervolgd .) bladzijde 233



1 Voor eene beschrijving dezer ruïnen van het oude Athene zij het vergund den lezer te verwijzen naar de Aarde, jaargang 1867, bladz. 169 en volg.
De Aarde en haar volken: Jaargang 1877 - Full Text (Dalmatie)

No comments:

Post a Comment