Monday, March 5, 2012

De Aarde en haar volken: Jaargang 1877 - Full Text

De Aarde en haar volken

1877.

bladzijde 1

Uit het dagboek van een Alpenbeklimmer.


Werktuig voor het boren van een tunnel in de Alpen.

I.

Van al de leden van de Alpine-Club te Londen, die door hunne stoute tochten in de fransche en zwitsersche Alpen gedurende de jongste twintig jaren zich een europeeschen naam hebben verworven, is wel geen zoo algemeen bekend als de heer Edward Whymper. Deze algemeene bekendheid heeft hij vooral ook te danken aan zijn boek Scrambles amongst the Alps in the years 1860–1869,—Tochten in de Alpen in de jaren 1860–1869—dat in 1870 te Londen het licht zag en sedert herhaalde malen werd herdrukt. Dit werk, dat in het fransch, duitsch en italiaansch vertaald werd, verdient ten volle de groote belangstelling, die het alom gevonden heeft: niet alleen om den aangenamen vorm, den helderen, duidelijken stijl, den humor die telkens treft en boeit, maar ook om den inhoud zelven. De tochten, door den heer Whymper ondernomen, behooren tot de merkwaardigste, die in de Alpen zijn volbracht; terwijl zijn boek, vooral bij de verschijning, eene dubbele aantrekkelijkheid ontleende aan het verhaal der noodlottige beklimming van den Matterhorn (Mont-Cervin), waarbij een der beste Alpengidsen en drie jeugdige landgenooten van den heer Whymper het leven verloren: eene gebeurtenis, die destijds in geheel Europa de algemeene deelneming opwekte, en nog niet geheel vergeten is, hoeveel er ook sedert moge gebeurd zijn van meer ingrijpend belang dan de dood van vier moedige reizigers. Al is het boek van den engelschen Alpenbeklimmer dan ook reeds enkele jaren oud, met gerustheid durven wij eenige schetsen daaruit ontleenen, die den lezers der Aarde gewis welkom zullen zijn, te meer daar, voor zoo ver wij weten, van deze Scrambles geene hollandsche vertaling bestaat.

Bijna de helft van het boek is toegewijd aan het verhaal van de verschillende pogingen, die de heer Whymper gedurende negen jaren heeft aangewend om den Matterhorn te bestijgen; maar hij verhaalt ook in alle bijzonderheden zijne bestijgingen van den Pelvoux (die vóór hem slechts door den heer Puiseux, hoogleeraar in de sterrekunde aan de Sorbonne, was beklommen), van de Pointe des Ecrins, den berg Dolent, den Grand-Cornier, de Dent-Blanche, de Aiguille-Verte bladzijde 2en vele andere toppen; benevens de niet minder belangrijke tochten door de passen (cols) van Breuil, van La Brèche, van Pilatte, van Triolet, van Hérens, van Talèfre, enz. Er is dus geen gebrek aan verscheidenheid en evenmin aan boeiende episoden.

Den 23sten Juli 1860 vertrok de heer Whymper van Londen, om zijne eerste reis door de zwitsersche Alpen te ondernemen: eene reis, die niet anders was dan een verkenningstocht. De heer Whymper trok hierheen en daarheen, en doorkruiste het land in alle richtingen, zonder zich ergens te vestigen. Maar hij had de bergen, wier latere beklimming hij zich had voorgenomen, nauwkeurig bestudeerd en uit verschillende oogpunten geteekend. Als een voorzichtig veldheer, had hij zich vooraf zorgvuldig met het terrein bekend gemaakt.

In 1861 begaf hij zich rechtstreeks naar den Pelvoux, waaromtrent hij trouwens niet dan zeer onvolledige inlichtingen had kunnen inwinnen, hoofdzakelijk geput uit de werken van Elie de Beaumont en J.D. Forbes. Het was hem onbekend, dat de heer Puiseux reeds in 1848 den top des bergs had beklommen: de bewoners der omliggende valleien zelven hadden dat reeds zoo goed als geheel vergeten. In de maand Augustus 1860 hadden de heeren Bonney, Hawkshaw en Mathews, met Michel Croz uit Chamonix tot gids, gepoogd den Pelvoux te beklimmen; maar na verscheidene dagen en nachten in vruchtelooze pogingen te hebben verspild, waren zij door het slechte weder genoodzaakt geweest, hun plan op te geven. Een wegopzichter, Jean Reynaud genaamd, dien zij op hun tocht hadden medegenomen, schreef de mislukking aan het te ver gevorderde saizoen toe. De heer Whymper, den raad van Reynaud volgende, kwam dus in de eerste dagen van Augustus 1861 te La Bessée, een dorp in de vallei der Durance, waar hij tegen den 3den dier maand zijn vriend en landgenoot Macdonald bescheiden had.

Wij zullen nu hem zelven de beklimming van den Pelvoux laten verhalen.

“Van La Bessée kan men zeer duidelijk alle toppen van den Mont-Pelvoux onderscheiden, zoowel den hoogsten top als dien, waarop de fransche ingenieurs hunne pyramide hadden opgericht. Reynaud en al de bewoners der vallei waren met de eigenlijke gesteldheid zeer slecht bekend. Men wist alleen dat de ingenieurs een piek hadden beklommen, waar zij een nog hoogeren top hadden ontdekt, dien zij de Pointe des Arcines of des Ecrins hadden genoemd. Maar men kon niet zeggen of deze laatste top te La Bessée zichtbaar was, en kon ook evenmin den top aanwijzen, waarop de pyramide was verrezen. Naar onze meening werd de hoogste top door andere kruinen aan ons oog onttrokken, en zouden wij deze laatsten eerst moeten beklimmen, om de eigenlijke spits des bergs te bereiken.

“Van de beklimming door den heer Puiseux wisten de boeren niets af: volgens hun zeggen, was de hoogste top van den Pelvoux nog nooit door iemand beklommen geworden: het was juist die top, dien wij bestijgen wilden.

“Ons vertrek werd alleen nog maar vertraagd door de afwezigheid van Macdonald en door het gemis van een stok. Reynaud stelde ons voor, een bezoek te gaan afleggen bij den postdirecteur, die een Alpenstok bezat, in den ganschen omtrek bekend en beroemd. Wij begaven ons naar het kantoor, maar het was gesloten; wij riepen zoo luid wij konden door de reten van de deur; geen antwoord. Eindelijk echter ontdekten wij den postdirecteur, blijkbaar bezig met zich te bedrinken, waarin hij reeds tot eene vrij aanmerkelijke hoogte geslaagd was. Nauwelijks had hij ons gezien, of hij riep uit, zoo goed en zoo kwaad als het ging: “Frankrijk is ... de eerste natie ... der ... der ... wereld!” Wij spraken hem natuurlijk niet tegen, maar trachtten hem aan het verstand te brengen, waarom wij eigenlijk gekomen waren. De beroemde stok kwam dan ook voor den dag: het was een tak van een jongen eik, ongeveer een el en zeventig duim lang, krom en vol kwasten.

“Mijnheer, herhaalde de postdirecteur, terwijl hij ons den stok ter hand stelde: Frank ... rijk, weet ge, dat is de ... eerste ... de eerste ... natie der ... wereld, om haar, haar....”

“Hij zweeg.

“Haar stokken, fluisterde ik hem toe.

—Juist, mijnheer ... juist ... om haar ... stokken, om haar ... haar....”

Maar verder kon hij het niet brengen. Toen ik een blik wierp op dien broozen staf, dacht ik niet zonder eenige ongerustheid aan mijne eigene zwakheid; maar Reynaud, die het gansche dorp op zijn duim kende, verzekerde mij dat er geen beter te vinden was. Wij verwijderden ons dus met den beroemden stok, en lieten den eigenaar op den weg achter, al waggelende en zwaaiende en steeds herhalende: “Frankrijk is het eerste land der wereld!”

“De 3de Augustus brak aan; Macdonald was niet verschenen, en wij begaven ons dus op weg naar de Vallouise. Ons gezelschap bestond uit drie personen: Reynaud, mijn persoon en een drager, Jean Casimir Giraud, de schoenmaker van La Bessée, de “kleine spijker” bijgenaamd. Na anderhalf uur fiks doorgestapt te hebben, kwamen wij te Ville-Vallouise, opgetogen door het gezicht op de trotsche toppen van den Pelvoux, die zich stralend verhieven naar den wolkeloozen hemel. Ik hernieuwde de kennismaking met den maire van Ville. Hij was een degelijk man, met innemende manieren, maar hij verspreidde een bijkans ondragelijken stank, zoo als trouwens de meeste bewoners dezer valleien.

“Reynaud had welwillend op zich genomen, voor de levensmiddelen te zorgen; maar juist toen wij gereed stonden te vertrekken, zag ik, tot mijn groote spijt, dat hij van mijn goed vertrouwen gebruik had gemaakt om een klein vaatje wijn mede te nemen, dat ons al dadelijk tot grooten overlast was. Het was natuurlijk uiterst ongemakkelijk, dit vaatje in de hand te houden. Reynaud probeerde om het te dragen, maar gaf het weldra over aan Giraud, die er ook al spoedig genoeg van had; eindelijk hingen zij het op aan een stok, dien zij op hunne schouders droegen.

“Te Ville verdeelt de Vallouise zich in twee takken: de val d'Entraignes ter linker, en het dal van Alefred (of Ailefroide) ter rechterhand; onze weg liep door dit laatste dal bergopwaarts. Wij stapten zonder ophouden bladzijde 3door naar het dorp La Pisse, waar Pierre Sémiond woonde, die, naar het algemeene zeggen, beter dan eenig ander bewoner der vallei, met den Pelvoux bekend was.

“Deze man maakte op ons een zeer gunstigen indruk; ongelukkig was hij ziek en kon dus niet met ons medegaan. Echter beval hij ons zijn broeder aan, een goedaardig bejaard man, wiens gerimpeld en ingevallen gelaat hem juist niet als gids zou hebben doen verkiezen; maar wij hadden geen keus, en togen dus met hem op weg.

“Boomen van allerlei soort, waaronder vooral noten, omzoomden het pad; de koele, verkwikkende lommer gaf ons nieuwe krachten; beneden ons, in eene prachtige kloof, bruiste de bergstroom, ontsprongen aan de eeuwige sneeuwvelden, die wij den volgenden morgen hoopten te betreden.

“Te Ville kan men den Pelvoux niet zien: hij schuilt daar weg achter een anderen berg, langs welks voet wij nu wandelden, op weg naar de chalets van Alefred of Ailefroide, zooals zij somtijds genoemd worden, waar de eigenlijke berg begint. Van deze chalets gezien, schijnen de lagere, maar meer nabijzijnde toppen de meer verwijderde bergen, aanmerkelijk in hoogte te overtreffen, hoewel dit inderdaad niet het geval is; somwijlen verbergen zij die geheel. Maar met een enkelen oogopslag overziet men hier, in zijn volle hoogte, den top, die in deze valleien onder den naam van den “Grand-Pelvoux” bekend is, en wiens schier loodrechte rotswanden zich tot eene hoogte van omstreeks drie-en-twintighonderd el uit het dal verheffen.

“De chalets van Ailefroide zijn niet anders dan een handvol armoedige houten hutten, aan den voet van den Grand-Pelvoux, nabij de samenvloeiing der beeken, die van den gletscher van Sapenière of van Selé ter linkerhand, en de Witte en Zwarte gletschers ter rechterhand afdalen. Wij vertoeven hier eenige minuten om wat melk en boter te koopen; Sémiond nam ook een afzichtelijk leelijken knaap mede, om ons vaatje te helpen dragen, duwen en voortrollen.

“Nadat wij de chalets van Ailefroide verlaten hadden, sloegen wij eensklaps links af: daar de zon naar het westen neigde, kwam ons nu de schaduw der bergen ten goede. Men kan zich moeielijk een droeviger en naargeestiger landschap denken, dan deze sombere vallei; mijlen ver ziet men hier niets dan omgevallen rotsblokken, hoopen steen, zand en slijk; de zeer weinige boomen staan zoo hoog, dat zij ter nauwernood zichtbaar zijn. Geen menschelijk wezen is hier te bespeuren. De lucht heeft geen vogelen en het water geen visschen; de berghellingen, te steil voor de gemzen, bieden ook nergens eene schuilplaats aan voor marmotten; de arenden zelfs vermijden dit onherbergzaam oord. Vier dagen achtereen zagen wij in deze woeste en dorre vallei geen enkel levend wezen, met uitzondering van eenige arme geiten, die zeer tegen haar zin naar deze wildernis waren gevoerd.

“Deze vallei was inderdaad een passend tooneel voor het vreeselijk drama, dat, omstreeks vierhonderd jaar geleden, hier werd opgevoerd, en wel in de grot, die wij nu hoog boven ons aanschouwen, in de Balme-Chapelu:—den moord der Waldenzen van Vallouise. Eene treurige en jammerlijke geschiedenis is de hunne! Sedert meer dan driehonderd jaren bewoonden zij deze afgelegen valleien, afgezonderd van de wereld, in stilte arbeidende voor hun dagelijksch brood. De aartsbisschoppen van Embrun hadden bij herhaling, maar te vergeefs, gepoogd, hen door overreding in den schoot der kerk terug te brengen; anderen sloegen, om dit doel te bereiken, een anderen weg in: zij begonnen hen te vervolgen, te kwellen en te pijnigen, en eindigden met hen in massa levend te verbranden. Zoo werden, op den 22sten Mei 1393, tachtig personen uit de valleien van Freis-senières en van Argentière, en honderdvijftig personen uit Vallouise te Embrun verbrand.

In het jaar 1488 beraamde Alberto Cattaneo, aarts-diaken van Cremona en legaat van Paus Innocentius VIII, een algemeenen aanval tegen de Waldenzen; maar door de Waldenzen van Piemont overal terug geslagen, verliet hij hunne valleien, en trok den Mont-Genèvre over om de Waldenzen van Dauphiné aan te tasten, die zwakker in aantal en meer verspreid waren. Cattaneo verscheen in de vallei van de Durance, aan het hoofd van een leger, dat, naar men zegt, half uit soldaten en half uit vagebonden, dieven en moordenaars bestond; om deze lieden tot zich te lokken en bijeen te houden, beloofde hij hun vooruit kwijtschelding van al hunne misdaden, ontsloeg hen van de geloften die zij mochten hebben afgelegd, en verzekerde hun het bezit van alles wat zij met geweld verworven hadden.

“De bewoners van de Vallouise vluchtten op de nadering van dit leger, tienmaal sterker dan hun aantal, en verscholen zich in deze grot, waar zij een voorraad van levensmiddelen, voldoende voor twee jaren, hadden bijeengebracht. Maar hun verbitterde vijand ontdekte hunne schuilplaats. Cattaneo had in zijn leger een hoofdman, wiens wreedheid wedijverde met zijne sluwheid: met behulp van touwen liet hij zijne soldaten tot voor den ingang der grot zakken, waar zij groote hoopen takkebossen in brand staken; de meeste Waldenzen, die hier eene wijkplaats hadden gezocht, kwamen door het vuur en den rook om; zij die aan de vlammen ontsnapten werden vermoord. Zonder onderscheid van ouderdom of kunne, werden allen meedoogenloos om het leven gebracht. Naar men zegt, verloren meer dan drieduizend menschen bij deze gelegenheid het leven. Al wat in driehonderd-vijftig jaren van vreedzamen arbeid was verkregen, werd met één slag vernietigd; de vallei werd geheel ontvolkt. Ruim drie en een halve eeuw zijn sedert verloopen; de vallei is ledig en woest gebleven.

“Na een poos bij eene kleine bron gerust te hebben, hervatten wij onzen marsch tot wij bijna aan den voet van den gletscher van Sapenière waren gekomen; daar sloegen wij, op aanwijzing van Sémiond, rechts om, en begonnen de helling van den berg te bestijgen. Wij klauterden naar boven, tusschen denneboomen en geweldige rotsblokken door. De nacht naderde met rassche schreden; het was hoog tijd een onderkomen te zoeken. Dit was trouwens niet moeilijk te vinden, want wij bevonden ons te midden van een waren chaos van rotsen. Wij besloten den nacht door te brengen onder bladzijde 4een geweldigen steenklomp, die meer dan vijftien ellen lang en zes ellen hoog was. De bodem word schoon gemaakt, en hout bijeengezameld om vuur te kunnen maken.


De Pelvoux, van La Bessée gezien.

“Dit bivouak is niet uit mijne herinnering geweken. Het vaatje wijn was veilig en behouden tot hier gebracht; nu werd het open gestoken, en het alles behalve smakelijke vocht scheen den Franschen wel te bevallen en hunne levensgeesten op te wekken. Reynaud zong eenige fransche liedjes, en ieder droeg verder het zijne bij tot de algemeene gezelligheid door lied, verhaal of grap. Het was prachtig weer, en alles beloofde voor morgen een fraaien dag. De vroolijkheid mijner gezellen steeg ten top, toen ik een pakje rood bengaalsch vuur in de vlammen wierp. Het effect dezer plotselinge verlichting was tooverachtig schoon; maar het wondervolle schouwspel duurde slechts eenige sekonden: toen verzonken de bergen rondom ons weer in hun plechtig geheimzinnig duister. Voor en na schikte ieder van ons zich ter ruste; eindelijk wikkelde ook ik mij in mijn reisdeken. Die voorzorg was haast niet noodig, want de thermometer daalde niet lager dan veertig graden Fahrenheit, hoewel wij ons op eene hoogte van minstens drie-en-twintig-honderd el boven de zee bevonden.


De Grand-Pelvoux, van Vallouise gezien.

“Om drie uur ontwaakten wij; echter gingen wij niet voor half vijf op weg. Giraud behoefde niet verder mede te gaan dan tot deze rots; maar op zijn verlangen, kreeg hij vergunning ons te mogen vergezellen. Met frisschen moed de steilten beklimmende, hadden wij weldra de grens der boomen bereikt; toen moesten wij gedurende twee uren voortklauteren tusschen door elkaar geworpen rotsklompen. Kwart voor zeven uur hadden wij een smallen gletscher—den Clos de l'Homme—bereikt, die van de bovenste bergvlakte afdaalt, en kort daarna waren wij op de hoogte van den gletscher van Sapenière. Wij trachtten eerst rechts af te houden, in de hoop dat het niet noodig zou zijn den gletscher over te steken; maar wij moesten telkens op onze schreden terugkeeren, en kwamen weldra tot de overtuiging dat die tocht niet was te vermijden. De oude Sémiond had een zeer sterken afkeer voor gletschers, en deed al het mogelijke om deze gevaarlijke expeditie te voorkomen; maar Reynaud en ik wilden die liever wagen, en Giraud sloot zich bij ons aan. De gletscher was smal, niet veel breeder dan een steenworp, en het ging gemakkelijk genoeg de zijde te beklimmen; maar het midden vormde een steilen koepel, waarin wij gaten moesten hakken om onze voeten in te zetten. Giraud ging aan de spits, zeggende dat hij zich oefenen wilde; en onze bijl nemende, wilde hij die niet meer teruggeven. Dien dag, en ook later, zoo dikwijls wij ons een weg moesten banen door kloven en spleten met verharde sneeuw opgevuld,—hetgeen hooger op den berg telkens het geval was—deed hij alleen al het werk, en wel op de voortreffelijkste wijze.

“Nadat wij den gletscher waren overgestoken, voegde de oude Sémiond zich weer bij ons. Wij klauterden nu, zigszagsgewijze, tegen eenige met sneeuw bedekte hellingen op, en begonnen spoedig daarna de schier eindelooze reeks van contreforten te bestijgen, die een der kenmerkende trekken van den Pelvoux zijn. Op sommige punten zeer steil, vormen zij over het geheel een stevigen en vasten grondslag, en onder die omstandigheden is eene beklimming eigenlijk nooit moeilijk te noemen. Tusschen die contreforten bevinden zich talrijke kloven en ravijnen, somwijlen zeer breed en zeer diep. Voor het meerendeel waren zij met steenen en puin gevuld, en zonder hulp zou het voor een toerist alleen moeielijk zijn geweest, er door te komen. Zij die aan de spits van onze kleine karavaan gingen, waren telkens genoodzaakt steenklompen op zijde te duwen, en hunne makkers met hunne bladzijde 5stokken te hulp te komen. Intusschen brachten deze incidenten eenige afwisseling in onzen tocht, die mij anders vrij vervelend zou hebben geschenen.

“Zoo klauterden wij tegen steilten, kloven en ravijnen op, telkens geloovende het doel bereikt te hebben, dat ons gedurig ontweek. Wij stonden aan den voet van een geweldig contrefort, omstreeks vijf-en-zestig el hoog, en beschouwden nauwkeurig het bovenste gedeelte dezer rotspyramide. Wij konden den top niet onderkennen; maar, naar onze meening, moest zich toch achter deze lijn van bolwerken ergens een top bevinden, en die top zou tevens wel de rand zijn van het bergplateau, waarnaar wij zoo vurig verlangden. IJverig naar boven klauterende, stonden wij straks op een top; maar, helaas! daarachter zagen wij er nog een, en nog een, en dan nog een.... Eindelijk hadden wij het hoogste toppunt bereikt; maar wij stonden wederom op een contrefort, en moesten een vijftien of twintig el afdalen om dan weer te klimmen. Deze oefening, eenige dozijnen malen herhaald, viel ons des te moeielijker, omdat wij werkelijk niet meer wisten waar wij ons eigenlijk bevonden. Sémiond sprak ons echter moed in: hij was zeker, zeide hij, dat wij op den goeden weg waren. Wij begonnen dus met frissche krachten onze verschrikkelijke vesting te bestormen.


De Pelvoux en Ailefroide.

“Het was bijna middag geworden, en wij waren nog altijd even ver van den top van den Pelvoux, als toen wij onzen tocht begonnen. Eindelijk stonden wij stil om te overleggen.

“Sémiond, oude jongen, weet gij waar wij nu zijn?

—O ja, zeker: op een half uur afstands van de sneeuw.

—Heel goed; dan maar voorwaarts.”

“Een half uur verliep, daarna nog een, en er was nog niets veranderd: allerwege bastions, contreforten, pyramiden, ravijnen, maar van het plateau was niets te bespeuren. Sémiond wierp angstige blikken om zich, alsof hij niet geheel zeker was van de richting, die wij volgen moesten. Wij riepen hem aan, en nogmaals deed ik hem dezelfde vraag.

“Hoe ver zijn wij nu van het plateau?

—Een half uur, antwoordde hij.

—Maar dat hebt ge straks ook al gezegd: weet ge zeker dat wij op den goeden weg zijn?

—Ja, dat geloof ik wel.”

Hij geloofde het: dat was niet genoeg.

“Weet ge zeker dat wij rechtstreeks naar de piek des Arcines klimmen?

—De piek des Arcines! riep hij heel verwonderd, alsof hij die woorden voor de eerste maal hoorde. De piek des Arcines! Neen! maar wij gaan in rechte lijn naar de pyramide, naar de beroemde pyramide, die ik den vermaarden kapitein Durand heb helpen oprichten, enz.”

“Wij hadden een ganschen dag met hem over die piek gesproken, en nu kwam het uit dat hij die zelfs niet kende. Ik keerde mij tot Reynaud, die als verplet stond.

“Wat zegt hij? vroeg ik hem.

“Reynaud haalde de schouders op. bladzijde 6

“Wij gaven Sémiond nog eens duidelijk te kennen wat wij begeerden, en beduidden hem dat wij liever zouden terugkeeren, want dat wij ons in het minst niet bekommerden om zijne pyramide.

“Na een uur gerust te hebben, begonnen wij dus weder af te dalen; wij hadden bijna zeven uren noodig om onze rots te bereiken, waar wij hadden overnacht; maar ik rekende den afstand niet, en weet mij niets meer te herinneren van dien fatalen tocht. Nauwelijks waren wij beneden gekomen, of wij deden eene ontdekking, die ons niet minder verraste, dan het gezicht van een voetstap in het zand van zijn eiland eenmaal Robinson verbaasde: nabij onzen uitgebranden vuurhaard lag een blauwe sluier op den grond. Er was maar ééne verklaring van dit verschijnsel mogelijk: Macdonald was gekomen; maar waar was hij dan? Haastig rapen wij onze kleine bagage bijeen, en dalen, al tastende, in den donker, door deze woestijn van steenen, naar Ailefroide, waar wij tegen half tien aankomen.

“Waar is de engelsche heer?” dat was onze eerste vraag. Hij was naar Ville gegaan om daar te overnachten.

“Wij behielpen ons voor dien nacht, zoo goed het ging, op een hooizolder; en den volgenden morgen, na met Sémiond afgerekend te hebben, daalden wij de vallei af om Macdonald op te zoeken. Ons plan was reeds vastgesteld: wij zouden hem overreden met ons te gaan, en dan zouden wij onzen tocht hervatten, maar nu zonder gids; de sterkste en verstandigste mijner metgezellen zou dan als drager dienst kunnen doen. Ik had daarbij bepaaldelijk aan Giraud gedacht, een flinke kerel, altijd gereed om alles aan te vatten en toch zonder eenige pretensie. Maar wij werden bitter teleurgesteld: hij moest noodzakelijk naar Briançon gaan.

“Onderweg hadden wij allerlei oponthoud. De boeren, die wij tegenkwamen, vroegen ons, hoe het met onzen tocht was afgeloopen, en de beleefdheid vorderde dat wij stilhielden om te antwoorden. Intusschen vreesde ik, dat Macdonald mij ontsnappen zou, want, naar men ons mededeelde, zou hij niet langer dan tot tien uur op ons wachten, en die termijn was welhaast verstreken. Wij liepen dus zoo hard wij konden. Eindelijk stond ik op de brug te Ville, juist vijf kwartier nadat wij Ailefroide verlaten hadden; hier hield een wegwerker mij tegen, met het bericht dat de engelsche heer naar La Bessée was vertrokken. Ik spoedde mij voort, en liep een poos haastig over den weg, zonder hem te zien; maar eindelijk, bij het omslaan van een nieuwen hoek, bespeurde ik Macdonald, met snellen tred voor mij uitgaande. Ik riep hem aan; gelukkig hoorde hij mij, en wij keerden te zamen naar Ville terug. Daar voorzagen wij ons van nieuwen voorraad; en nog dien eigen middag stegen wij bergopwaarts tot voorbij de rots, waar ik den vorigen keer had overnacht. Zooals ik gezegd heb, hadden wij ons voorgenomen ditmaal geen gids te nemen; maar toen wij te La Pisse kwamen, bood de oude Sémiond ons zijne diensten aan. Ondanks zijne jaren, kon hij nog zeer goed loopen, en Macdonald was van oordeel dat wij beter deden hem mede te nemen. Ik bood hem een vijfde van zijne vroegere belooning, en hij nam zonder bedenken mijn aanbod aan; maar ditmaal vervulde hij eene meer ondergeschikte betrekking: wij zouden den weg wijzen, hij had slechts te volgen. Onze tweede metgezel was een jonkman van zeven-en-twintig jaar, die ons weinig reden tot tevredenheid gaf. Hij dronk den wijn van Reynaud, rookte onze sigaren, en hield zeer kalm onze provisiën achter, toen wij half dood waren van honger.

“Toen het avond geworden was, sloegen wij ons bivouak op, hoog boven de grenslijn der boomen, zoodat wij het noodige hout op vrij grooten afstand moesten gaan halen. De rots, die ons ditmaal tot schuilplaats strekte, was daartoe veel minder geschikt dan die, waaronder ik den eersten nacht had doorgebracht. Om eene geschikte plaats te kunnen vinden, moesten wij eerst een zwaren steenklomp uit den weg ruimen; aanvankelijk gelukte dit niet, maar eindelijk kwam er toch beweging in den klomp, en begon hij te rollen, eerst langzaam, en toen al sneller en sneller; eindelijk nam de steen zijn vaart, en stortte, van rots tot rots springende, in de diepte neder. Telkens als hij tegen een rotspunt sloeg, spatte er een regen van vonken omhoog, die den somberen afgrond zonderling verlichtten. Lang nadat wij den steenklomp uit het oog verloren hadden, hoorden wij hem nog van de eene rots op de andere springen, tot hij eindelijk met een doffen slag nederkwam op den gletscher. Toen wij naar ons bivouak terugkeerden, vroeg Reynaud of wij nooit eene brandende beek hadden gezien. Volgens zijn zeggen, voert de Durance, in de lente, als zij door het smelten der sneeuw gezwollen is, zoo veel rotsblokken en steenen mede, dat men te La Bessée, waar de bedding zeer smal is, geen water meer ziet, maar alleen steenklompen, die over elkander voortrollen en met zooveel geweld tegen elkaar botsen, dat geheele zwermen van vonken omhoog spatten, alsof de beek zelve vlam had gevat.

“Wij brachten een vroolijken avond door; het was prachtig weder; rustig op onzen rug liggende, genoten wij ten volle van de stilte om ons heen, en verkwikten ons hart door den aanblik van den onmetelijken, met fonkelende sterren bezaaiden hemel. Macdonald deelde mij zijne reisavonturen mede. Dagen achtereen, had hij bijna dag en nacht doorgewandeld om mij in te halen; maar hij had ons eerste bivouak niet kunnen vinden, en had eenige honderden ellen van ons af, hooger op den berg, onder eene andere rots overnacht. Den volgenden morgen werd hij ons gewaar, terwijl wij, hoog boven hem, bezig waren tegen eene steilte op te klauteren; maar daar hij ons toen onmogelijk kon bereiken, onderwierp hij zich aan zijn lot, en bleef ons, met kloppend hart, nastaren, tot eene kromming van de rots ons aan zijn oog onttrok.

De zware ademhaling onzer makkers, die in diepen slaap lagen gedompeld, verbrak alleen de onuitsprekelijk plechtige, hartaangrijpende stilte. Maar wat is dat? Luister! Wat beteekent dat onheilspellend gerucht hoog boven ons? Ik hoor het weder, en duidelijker dan straks;—het komt al nader en nader ... het is een rotsblok, dat van de bergwanden boven bladzijde 7ons is losgeraakt. Wat schrikwekkend gerucht! In een oogwenk zijn wij allen op te been. Het rotsblok nadert met vreeselijk geweld: wie kan het in zijn vernielende vaart tegenhouden? Het rolt en springt en vliegt en stoot en botst tegen andere rotsen, dat de stukken en splinters er afstuiven; brullende en loeiende ijlt het den gapenden afgrond tegen. Goddank! het is ons voorbij gerold!... Neen, daar is het weer.... Wij houden onzen adem in, als de steenklomp, door eene onweerstaanbare kracht voortgeslingerd, met donderend geraas, alsof eene gansche batterij nevens ons werd afgevuurd, pijlsnel, even beneden ons bivouak, nederstort, gevolgd door een wolk van ratelende steenen en kletterend gruis. Het is voorbij; en wij ademen vrijer, als wij het gevaarte eindelijk op den gletscher, diep beneden ons, hooren nederploffen.

“Wij keerden naar ons bivouak terug, maar ik was te opgewonden om te kunnen slapen. Kwart over vieren nam ieder onzer zijn reiszak weder ter hand, en hervatten wij onzen tocht. Ditmaal waren wij overeengekomen, zooveel mogelijk rechts te houden, om zoodoende het plateau te bereiken, zonder onzen tijd te verspillen met het oversteken van den gletscher. Ik heb niet noodig nogmaals onzen marsch te beschrijven: het zou slechts herhaling zijn van het vroeger gezegde. Gedurende anderhalf uur klommen wij snel naar boven, soms loopende, maar doorgaans met handen en voeten klauterende, om eindelijk tot de overtuiging te komen, dat wij toch den gletscher moesten oversteken. Ter plaatse waar wij nu den gletscher betraden, was hij zeer steil en vol spleten en groote diepe gaten en kloven. De grootste moeilijkheid was, den top te bereiken; maar met behulp van ons touw, kwamen wij toch zonder ongeval aan de overzijde. Daar begon op nieuw de oneindige reeks van contreforten en bolwerken. Uren lang moesten wij onophoudelijk klimmen, waarbij wij ons dikwijls vergisten en dan genoodzaakt waren weer af te dalen.

“Al klimmende, was de bergketen achter ons langzamerhand gedaald: over de toppen heen, konden wij in de verte den majestueusen Monte-Viso onderkennen. Inmiddels verliep de tijd: de uren volgden elkander snel op, en nog altijd was er geene verandering te bespeuren. Om twaalf uur hielden wij stil om te ontbijten, terwijl wij onze blikken lieten dwalen over het indrukwekkende panorama, dat zich hier voor ons uitbreidde: met uitzondering alleen van den Viso, waren alle bergtoppen die wij konden zien lager dan de plek, waar wij ons bevonden; wij overzagen eene onmetelijke ruimte, een oceaan van bergspitsen, rotsen en sneeuw. Toch verhieven zich de bolwerken en contreforten van den geweldigen berg nog altijd boven ons, en algemeen hielden wij ons overtuigd, dat wij dien dag den top van den Pelvoux niet zouden zien. De oude Sémiond was ons een voortdurende ergernis: zoodra een van ons een oogenblik stilstond om zich te oriënteeren, begon hij te lachen en zeide met domme zelfvoldoening: “Wees niet bang, volg mij maar.”

“Eindelijk kwamen wij aan eene steile glooiing, geheel met losse steenen en blokken bedekt, die nergens een vast steunpunt voor den voet aanboden, Reynaud en Macdonald klaagden over vermoeienis en stelden voor, hier te blijven overnachten. Echter ontdekten wij een punt, waar wij verder konden komen; en een onzer, ik weet niet meer wie, riep eensklaps: “Kijkt eens naar den Viso!” En inderdaad scheen het, of de berg beneden om lag. Wij begonnen dus weer met frisschen moed te klauteren, en eindelijk zagen wij den kop van den gletscher, ter plaatse waar hij van het hoogste plateau afdaalt. Dit gezicht vervulde ons met nieuwe hoop, die ditmaal niet bedrogen werd; met een luiden vreugdekreet begroetten wij de verschijning der zoo vurig begeerde sneeuwvelden. Eene breede kloof gaapte nog tusschenbeiden, maar wij ontdekten eene brug, en ons aan elkander vastbindende, trokken wij in eene rij achter elkander veilig daarover heen. Terwijl wij ons op die natuurlijke brug bevonden, verhief zich een fraaie, geheel met sneeuw bedekte bergtop voor ons. De oude Sémiond riep eensklaps:

“De pyramide! Ik zie de pyramide!

—Waar dan, Sémiond, waar?

—Daar, op den top van dien berg.”

“En waarlijk, daar stond de pyramide, die hij ruim dertig jaar geleden mede had helpen oprichten. Maar waar is dan toch de piek des Arcines, die wij moesten zien? Die was nergens te bespeuren. Wij zagen niets dan eene uitgestrekte sneeuwvlakte, begrensd door drie lagere toppen. Een weinig teleurgesteld en ontmoedigd, trokken wij voort naar de pyramide, zeer spijtig dat wij geen anderen top konden beklimmen; maar nauwelijks hadden wij tweehonderd schreden in die richting afgelegd, of daar zagen wij aan onze linkerhand een prachtigen witten kegel, die tot dusver door een sneeuwheuvel aan ons oog was onttrokken. “De piek des Arcines!” riepen wij verrast uit, en vroegen tegelijk aan Sémiond of die top ook, voor zoo ver hij wist, reeds vroeger was bestegen geworden. Hij wist niets anders, dan dat die top daar voor ons de Pyramide heette, en dat hij dertig jaar geleden, enz. enz.; ook wist hij dat sedert dien tijd niemand dien top had beklommen.—“Dan is alles in orde. Rechts-om-keert!” riep ik, en dadelijk wendden wij ons rechts, en begaven ons naar den kegel, terwijl de arme Sémiond nog eenige zwakke pogingen aanwendde om ons naar zijne geliefde pyramide mede te troonen. Nauwelijks hadden wij een eind wegs afgelegd, of wij stuitten tegen den rand van een smallen dam, die de beide toppen verbond, en die een fraaien hollen boog vormde. Wij waren onzes ondanks gedwongen, op onze schreden terug te keeren. Sémiond, die de rij sloot, maakte zich los van het touw en weigerde verder mede te gaan; het was te gevaarlijk, zeide hij en sprak van spleten en kloven. Wij bonden hem weder vast, en hervatten onzen tocht. De sneeuw was zeer zacht, wij zakten er altijd tot aan de knieën en somwijlen tot den gordel in; maar eene fiksche beweging van voren naar achteren maakte ons telkens weer vrij. Zoo kwamen wij aan den voet van de hoogste piek. Daar de dam ter linkerhand ons beter en veiliger toescheen, dan die waarop wij ons nu bevonden, beschreven wij een halven cirkel om dien dam te bereiken. Ter hoogte van vijftig el onder den top, staken eenige rotsen boven de sneeuw uit. Wij klauterden, bladzijde 8al kruipende, daar tegen op, en lieten onzen drager achter, die gansch niet op zijn gemak was. Toen ik hem verliet, kon ik niet aan de verzoeking weerstaan, om hem te wenken ons te volgen, en hem toe te roepen: “Wees niet bang, volg mij;” maar hij luisterde daar niet naar en liet zich niet overhalen om den top te beklimmen. De rotsen liepen uit op een korten ijsdam, dien wij over moesten gaan, waarbij wij aan de eene zijde het plateau, aan de andere een bijna loodrechten afgrond hadden. Macdonald hakte gaten in het ijs; en ten kwart voor twee uur, drukten wij elkander de hand op den hoogston top van den grooten Pelvoux, nu eindelijk gewonnen.


Op den gletscher van Pilatte.

“Het weder was ons voortdurend zoo gunstig mogelijk geweest. Van verre en nabij verhieven zich tallooze spitsen en toppen in de heldere lucht, terwijl geen enkel wolkje het alom stralende licht verduisterde. In de eerste plaats werden onze blikken geboeid door den koning der Alpen, door den Mont-Blanc, ruim zeventig mijlen van ons verwijderd; verder op vertoonde zich de groep van den Mont-Rose. Oostwaarts verhieven zich lange reeksen van onbekende bergtoppen, stralende in weergaloozen glans; hun toon werd al flauwer en flauwer, toch behielden zij al de zuiverheid en scherpte hunner lijnen en omtrekken; maar het schemerende oog kon eindelijk de bergen niet meer van den eindeloozen hemel onderscheiden, en aan den verren, verren horizon smolten zij weg in zachte, blauwe tinten. De Monte-Viso stond daar voor ons in al zijne grootheid; maar, daar hij nauwelijks veertig mijlen verwijderd was, konden wij, over zijne rotsmuren heen, eene nevelachtige massa onderscheiden: dat moest de vlakte van Piemont zijn. Die blauwe nevel ten zuiden mocht wel de verre Middellandsche-zee zijn; ten westen zagen wij tot aan gene zijde der bergen van Auvergne. In bijna alle richtingen overschouwden wij dus hier een panorama van meer dan honderd mijlen afstands. Niet zonder moeite wendden wij onze blikken van deze verwijderde punten af, om acht te geven op hetgeen meer in onze nabijheid was. Mont-Dauphin was zeer duidelijk zichtbaar; maar wij hadden eenige moeite om La Bessée te ontdekken; geene andere menschelijke woning was van hier te bespeuren; alles was rots, sneeuw of ijs. Wij wisten dat de sneeuwvelden van Dauphiné zeer uitgestrekt waren, maar zoo groot en wijd uitgestrekt als ze nu bleken te zijn, hadden wij ze ons toch nooit voorgesteld.

“Onmiddellijk ten zuiden van Château-Queyras, bijna tusschen ons en den Viso, verhief zich een prachtige berggroep van zeer aanzienlijke hoogte. Een weinig meer zuidwaarts verrees een andere, onbekende top, schijnbaar nog hooger; en niet zonder verwondering ontdekten wij in onze nabijheid nog een anderen berg, die den top waarop wij stonden in hoogte overtrof. Althans dit kwam mij zoo voor; Macdonald hield echter dien berg voor lager dan de Pelvoux, en Reynaud dacht dat hij omstreeks even hoog was.

“Deze berg was niet meer dan twee mijlen van ons verwijderd; tusschen hem en ons gaapte een vreeselijke afgrond, waarvan wij den bodem niet konden zien. Aan de overzijde van dezen afgrond verrees een kolossale piek, met loodrechte wanden, zoo steil, dat de sneeuw er niet op kon blijven liggen, zwart als de nacht, vol uitstekende scherpe punten, en uitloopende in een smallen, spitsen top. Wij wisten niet, welke berg dat was, daar wij die streek niet hadden bezocht. Naar onze meening, moest La Bérarde beneden in den afgrond liggen, die zich voor onze voeten opende; maar inderdaad bladzijde 9lag dit dorp aan gene zijde van dien anderen berg, die ons naderhand bleek de hoogste top van de geheele groep te zijn, op de fransche kaarten aangeduid als de Pointe des Ecrins. Van La Bessée of Vallouise is deze top echter geheel onzichtbaar en verborgen achter den Pelvoux.


Een bergschrund op den Dent-Blanche.

“Eindelijk maakten wij ons gereed om af te dalen en terug te keeren naar Sémiond, dien wij bij de rotsen hadden achtergelaten. Ik liet sneeuw smelten, en maakte het water aan de kook om thee te zetten. Na een sigaar gerookt te hebben, zagen wij dat het tien minuten over drieën was, en mitsdien hoog tijd om de reis te hervatten. De tocht door de sneeuw duurde vijf-en-twintig minuten; wij moesten ons eenige inspanning getroosten en gleden telkens uit; toen begonnen wij, omstreeks vier uur, langs de rotsen af te klimmen. Om acht uur zou het volslagen duister zijn; wij hadden dus geen oogenblik te verliezen en gunden ons geen rust. Dit gedeelte van den tocht onderscheidde zich door niets bijzonders. Wij hielden ons dicht bij den gletscher, dien wij op dezelfde plaats als des morgens overstaken. Het verlaten van den gletscher was ruim zoo moeilijk en zoo gevaarlijk als de overtocht. De oude Sémiond had zonder ongeval de bezwaarlijke operatie volbracht; ook Reynaud; maar Macdonald, die hen volgde, gleed uit terwijl hij een groot ijsblok trachtte te beklimmen; ware hij niet stevig aan het touw vastgebonden geweest, dan zou hij onmiddellijk in een diepe kloof verdwenen zijn.

“Toen wij eindelijk allen weer op vasten bodem bladzijde 10stonden, was het bijna geheel duister geworden; maar toch voedde ik nog de hoop, dat wij vóór den nacht onze rots zouden bereiken, om daar te kunnen overnachten. Macdonald was daaromtrent minder gerust; en hij had gelijk, want in het eind waren wij geheel aan het dwalen, en zwierven een uur lang doelloos rond, terwijl Reynaud en Sémiond voortdurend met elkander twistten. Daar wij niet verder konden dalen, moesten wij, tot onze groote ergernis, blijven waar wij waren.

“Wij bevonden ons op eene hoogte van ruim drieduizend-vijfhonderd el; en wanneer het ging sneeuwen of regenen, zoo als de wolken, die zich om den Pelvoux samenpakten, en de opstekende wind schenen te voorspellen, dan kon onze toestand vrij onpleizierig worden. Daar wij sedert drie uren in den morgen bijna niets gegeten hadden, begon de honger ons te kwellen; en het ruischen eener naburige beek, die wij echter niet konden zien, verdubbelde onzen dorst, Sémiond wilde water uit die beek gaan scheppen; het gelukte hem inderdaad haar te bereiken, maar nu kon hij niet meer naar ons terugkeeren; om hem in zijne gedwongene afzondering te troosten, riepen wij hem van tijd tot tijd in den donker toe.

“Men zou moeilijk een minder geschikte plaats kunnen bedenken om den nacht onder den blooten hemel door te brengen: de plek was geheel open en onbeschut. Ons bivouak lag geheel bloot voor den ijskouden wind, die van oogenblik tot oogenblik aanwakkerde; daarbij ontbrak het geheel aan ruimte om ons door heen en weder te loopen eenigermate te verwarmen. De grond was bedekt met steenen en gruis, die wij moesten wegruimen, alvorens wij konden gaan zitten om te rusten. Deze gedwongen arbeid, die ons aanvankelijk zuur genoeg viel, had althans dit voordeel, dat ons bloed in beweging bleef en wij dus minder last van de koude hadden. Na met dit wegruimen van steenen zoo wat een uur bezig te zijn geweest, had ik althans een vrij terrein van ongeveer drie el lengte verkregen, waar ik op en neder loopen kon. Reynaud maakte zich eerst boos, en schold op den drager, naar wiens raadgevingen meer dan naar de zijne geluisterd was; toen stelde hij zich aan als een wanhopige, maakte allerlei heftige gebaren, wrong zich de handen en jammerde luide: “O ramp, o ramp! Die ellendelingen!”

“Het duurde niet lang of het begon te donderen; zonder ophouden rolde de donder en flikkerden de bliksemstralen tusschen de bergtoppen rondom ons; de wind, die de temperatuur tot bijna op nul had doen dalen, drong verstijvend door tot op ons gebeente. Huiverend zaten wij daar bijeen, en onderzochten onzen voorraad. Wij hadden nog zes en een halve sigaar, twee doosjes lucifers, een derde pint brandewijn met water, en een halve pint wijngeest: een schrale voorraad voor drie toeristen, die half dood waren van honger en koude, en die nog zeven uren moesten wachten eer de dag aanbrak. De lamp met wijngeest werd aangestoken, en wij warmden daarop het overschot van den wijngeest, den brandewijn en een weinig sneeuw, alles te zamen. De drank was wel wat al te sterk; maar toch zouden wij er gaarne meer van hebben gehad. Toen de voorraad opgedronken was, poogde Macdonald zijn schoenen te drogen bij de vlam van de lamp; daarop gingen wij alle drie onder mijn plaid liggen, om zoo mogelijk wat te rusten. Ongelukkig werd Reynaud geplaagd door eene vreeselijke kiespijn, die er juist niet toe bijdroeg om hem in zijn humeur te brengen en ons een rustigen nacht te verzekeren.

“Maar zelfs aan de langste nachten komt toch een einde, en ook deze ging voorbij als alle andere. In vijf kwartier volbrachten wij des morgens den tocht bergafwaarts naar onze rots, waar wij onzen drager vonden, schijnbaar zeer verbaasd over onze afwezigheid. Volgens zijn zeggen had hij een groot vuur aangelegd om ons bij het afdalen van dienst te zijn, en had hij den geheelen nacht door van tijd tot tijd geroepen om ons te waarschuwen. Wij hadden niets van zijn vuur bemerkt, noch zijn roepen gehoord. Hij beweerde dat wij er uitzagen als spoken. Wat wonder! dit was de vierde nacht, dien wij in de open lucht doorbrachten.

“Wij verfrischten ons zoo goed wij konden, en reinigden ons, wat hoog noodig was. De bewoners dezer valleien hebben altijd eene menigte van die kleine insecten bij zich, wier vlugheid wedijvert met hun aantal en hunne gulzigheid. Het is gevaarlijk, die lieden te dicht te naderen: men moet daarbij steeds letten op den wind en zorgen dien in zijn voordeel te houden. Ondanks al deze voorzorgen, liepen wij toch soms gevaar, binnen weinige oogenblikken levend verslonden te worden. Trouwens, wij allen konden hoogstens rekenen op een kortstondigen wapenstilstand in dezen noodlottigen krijg, want de herbergen wemelen van dit gedierte, niet minder dan de huid der inlanders. De plaatselijke traditie weet zelfs te verhalen van een al te zorgeloos reiziger, die door een leger dezer gulzige folteraars uit zijn bed werd gelicht! Maar dit feit eischt nadere bevestiging. Nog een enkel woord, en ik stap van dit misselijk onderwerp af. Toen wij, na ons gewasschen te hebben, bij ons gezelschap terugkeerden, waren de Franschen onderling in gesprek. “O, zeide de oude Sémiond, wat de vlooien betreft, maak ik er geen aanspraak op, anders te zijn dan de anderen: ik heb er althans geen gebrek aan!” Ditmaal voor 't minst sprak hij stellig de waarheid.

“Wij daalden op ons gemak naar Ville af, waar wij eenige dagen vertoefden en ons zoo goed mogelijk vermaakten, onder anderen ook door het balspel, waarbij de dorpelingen ons altijd de baas waren. Eindelijk, na een pleizierigen tijd hier in het schilderachtige vlek te hebben doorgebracht, moesten wij van elkander afscheid nemen: ik ging zuidwaarts naar den Monte-Viso, terwijl Macdonald naar Briançon vertrok.

“De beklimming van den Pelvoux biedt weinig afwisseling aan: uit mijn verhaal zelf is dit zeker duidelijk genoeg gebleken; toch durf ik die beklimming aan de toeristen aanbevelen, ter wille van het heerlijk uitzicht op den top. Met uitzondering alleen van den Viso, die in dat opzicht geen wedergade heeft, zou ik geen anderen berg van aanmerkelijke hoogte kunnen noemen, die een zoo volledig panorama van de westelijke Alpen te aanschouwen geeft als de Pelvoux. Trouwens, een blik op de kaart maakt dit van zelf begrijpelijk. bladzijde 11

“Zeker was het, in zekeren zin, voor ons eene voldoening geweest, te hebben ontdekt dat de piek, onder den naam van de Pointe des Écrins bekend, een op zich zelven staande berg is, afgescheiden van den Mont-Pelvoux, en niet diens hoogste top;—maar toch had die ontdekking ons ook zekere teleurstelling gebaard.

“Naar La Bessée afdalende, verwarden wij ten onrechte deze piek met den bergtop, dien men, van dit punt, tor linkerzijde van den Pelvoux aanschouwt. De beide bergen gelijken zeer veel op elkander, zoodat eene vergissing licht mogelijk is. Hoewel deze berg aanmerkelijk hooger is dan de Wetterhorn of de Monte-Viso, voert hij toch geen bijzonderen naam: wij noemden hem Piek-zonder-Naam.

“Het is bijna niet te onderstellen dat de ingenieurs eenige dagen op den top der Pyramide zullen hebben vertoefd, zonder een bezoek te brengen aan den anderen hoogeren top. Indien zij daar werkelijk geweest zijn, dan is het echter minstens zonderling dat zij geen enkel spoor van hunne tegenwoordigheid hebben achtergelaten. De landlieden, die hen op hun tocht vergezeld hadden, verzekerden ons dat zij niet van den eenen top naar den anderen waren gegaan; wij maakten daarom in den beginne aanspraak op de eer der eerste beklimming van den hoogsten top. Maar sedert is het mij gebleken, dat de heer Puiseux vóór ons dien top bestegen had. De kwestie van prioriteit is van zeer weinig belang; onze tocht had voor ons al het aantrekkelijke eener eerste beklimming; en ik herinner mij deze eerste ernstige expeditie in het gebergte met meer voldoening en niet minder genot dan eenige andere, waarvan dit boek het verhaal bevat.”


Op den gletscher.

Na den Monte-Viso bezocht te hebben, ging de heer Whymper naar Abries, en van daar naar Veran en Molines, bij welk laatste dorp hij eene afbeelding maakte van de zonderlinge naalden, onder den naam van de Gekapte-Zuilen bekend. Die naalden of obelisken, geologisch van dezelfde formatie als de bergwanden, zijn ongelijk van hoogte en omvang; de grootste, aan den oever der beek oprijzende, is meer dan twaalf ellen hoog; de anderen, op een rij naast elkander staande, nemen regelmatig in hoogte af naarmate zij den berg naderen. Op den top van elk dezer obelisken (eene enkele uitgezonderd) ligt een blok serpentijnsteen, dat ongetwijfeld van den top des bergs is afgerold: dit geeft haar het voorkomen of zij eene muts of hoed op hadden:—van daar haar naam. Ongetwijfeld is de voet van den berg door het water uitgehold en weggevoerd; deze naalden, die zijn blijven staan, wijzen de hoogte aan, waarop vroeger de bodem der vallei lag.


Op den gletscher.

Het spreekt van zelf, dat wij den heer Whymper niet op al zijne tochten volgen kunnen: wij zouden dan de ons gestelde perken zeer verre moeten overschrijden. Wij zullen hem later zijn vreeselijke beklimming van den Matterhorn laten verhalen; voor ditmaal ontleenen wij aan zijn boek nog enkele schetsen, in verband met de teekeningen, die deze bladen versieren. Begeven wij ons dus in de eerste plaats naar den col de Pilatte, tusschen Vallouise en La Bérarde.

“Gedurende onze opstijging hakte Croz (de gids), met onvermoeiden ijver, voortdurend gaten in de sneeuw om onze voeten daarin te zetten; kwart voor elven hadden wij den top van den col (bergpas) bereikt, en stelden ons voor, hier geruimen tijd uit te rusten; maar juist op het oogenblik toen wij daar aankwamen, daalde een dichte nevel, die boven om den top zweefde, eensklaps neder en belette ons ieder uitzicht aan de noordzijde. Met uitzondering van Croz had niemand onzer den tijd gehad, om na te gaan hoe wij weder naar beneden moesten komen; wij oordeelden het daarom raadzaam aanstonds neer te dalen, eer de herinnering aan het waargenomene misschien ook bij hem zou zijn verflauwd. Ik kan dus niets van den col zelven zeggen, dan alleen dat hij juist ten oosten van den berg Bans ligt, en dat zijne hoogte ongeveer drie-duizend-zeven-honderd-vijftig el bedraagt. Het is de hoogste bergpas van Dauphiné. Wij noemden hem den col de Pilatte.

“Wij begonnen af te dalen naar den gletscher van Pilatte, langs eene glooiing van glad ijs, die, volgens de waarnemingen van den heer Moore, een hoek maakte van vier-en-vijftig graden! Croz liep steeds vooruit, en wij volgden hem met tusschenruimten van ongeveer vijf el; wij waren allen met een touw aan elkander vastgebonden, en Almer (mede een gids) sloot den trein: niet de meest benijdenswaardige positie! De afstand tusschen de beide gidsen bedroeg dus ongeveer vijf-en-dertig el. De nevel verborg hen voor elkanders oogen; en wij zelven zagen hen als twee schimmen, maar flauwelijk kenbaar. Maar wij allen konden hooren dat Croz onder ons gaten in het ijs hakte; van tijd tot tijd drong zijne luide stem door den nevel heen:

—“Past op dat gij niet uitglijdt, mijne heeren; zet uwe voeten goed; gaat niet vooruit, zoo lang gij geen vast steunpunt gevonden hebt.”

“Zoo gingen wij drie kwartier al dalende voort. Eensklaps hield de bijl van Croz op. bladzijde 12 “Wat is er Croz?

—Een bergschrund, mijne heeren.

—Kunnen wij er overkomen?

—Ik weet het nog niet; ik geloof dat wij een sprong zullen moeten wagen.”

“Juist terwijl hij met ons sprak, dreven de wolken links en rechts uiteen: het effect was aangrijpend. Het was inderdaad iets als een coup de théatre, om ons voor te bereiden op den grooten luchtsprong, die zoo aanstonds door het gansche gezelschap zou worden uitgevoerd.


Eene lawine van steenen.

“Eene onbekende oorzaak, waarschijnlijk de eigenaardige vorm of schikking der rotsen beneden ons, had den geweldigen ijsdam, langs welken wij afdaalden, in tweeën gespleten; zoo ver het oog reikte, strekte zich ter wederzijde een diepe kloof uit. Met andere woorden: een wijde scheur scheidde het bovenste gedeelte van den ijsklomp, waarop wij stonden, van het onderste stuk beneden ons. Wie, om voort te kunnen gaan, gaten voor zijne voeten moet hakken in eene hellende ijsvlakte met een hoek van vier-en-vijftig graden, heeft niet veel tijd of lust om naar een gemakkelijken weg te gaan zoeken: er schoot niets anders over, dan op het punt zelf waarop wij ons bevonden, en wel zonder uitstel, den sprong over den afgrond te wagen.

“Wij moesten niet alleen van eene hoogte van vijf el springen, maar ook dien sprong zoo nemen, dat wij tusschen de twee en drie el voorwaarts sprongen. Dat is niet veel, zal men misschien zeggen. Zeker, dat is niet veel; maar de eigenaardige aard van den sprong verontrustte ons vrij wat meer dan de afstand. Wij moesten juist terecht komen op een vrij smallen ijsdam; sprongen wij te ver, dan zouden wij onfeilbaar naar beneden rollen in den afgrond; sprongen wij te kort, dan vielen wij in de gapende kloof, die hoewel aan den ingang gedeeltelijk met ijs en sneeuw gevuld, toch meer dan overvloedige gelegenheid aanbood om te verongelukken. bladzijde 13


Een misstap op de Pointe des Ecrins.

bladzijde 14

“Croz maakte eerst Walker los, ten einde eene voldoende lengte touw vrij te hebben; toen waarschuwde hij ons, het touw stevig vast te houden, en sprong naar beneden. Hij kwam behendig op zijne voeten terecht, maakte het touw los, en wierp het Walker toe, die zijn voorbeeld volgde. Nu was de beurt aan mij. Ik trad vooruit tot aan den uitersten rand:—de sekonde, die toen volgde, zal ik nooit vergeten. Ik had een gevoel, alsof de wereld met duizelingwekkende snelheid ronddraaide, en mijn maag haar navloog. Het volgende oogenblik lag ik plat voorover in de sneeuw; om mijn vriend Reynaud echter gerust te stellen, richtte ik mij haastig op, en verzekerde hem dat het niets te beteekenen had.

“Hij naderde den rand en gaf een luiden kreet. Ik ben overtuigd, dat hij niet banger was dan iemand onzer, maar hij maakte veel meer beweging. Hij wrong de handen roepende: “O, hoe vreeselijk! hoe vreeselijk!

—Het beteekent niets, Reynaud, riep ik hem toe, niets hoegenaamd.

—Kom, spring, riepen ook de anderen;—spring dan toch!”

“Maar in plaats van te springen, begon Reynaud zich om en om te draaien, voor zoover dat op den gladden ijsdam mogelijk was; toen sloeg hij zijne handen voor het gelaat, roepende:

“Neen, op mijn woord, neen! neen!! neen!!! dat is onmogelijk!”

“Wat er toen eigenlijk met hem gebeurd is, weet ik niet. Wij zagen de punt van een voet, die aan Moore scheen te behooren; daarop zagen wij Reynaud, in een vogel veranderd, en tot ons nederzwevende, alsof hij kopje onder in het water wilde springen; met uitgestrekte armen en beenen; zijn schapenbout achter hem aanzwevende, terwijl hem de stok uit de handen ontglipte; dat duurde een oogenblik:—daarop hoorden wij een doffen slag, alsof er een matras uit een venster werd geworpen. Toen wij hem weer op de been hadden geholpen, zag hij er allerbeklagelijkst uit: zijn hoofd geleek een grooten sneeuwbal; de brandewijn liep aan de eene zijde uit zijn reiszak, de chartreuse 1 aan de andere. Hoezeer wij hem om dit verlies beklaagden, konden wij toch ons lachen niet bedwingen.”

Eenige dagen te voren, bij de even moeilijke als gevaarlijke bestijging van de Pointe des Écrins, had de gids Almer zijne vermetelheid bijna met den dood bekocht. Hij had zich van het touw losgemaakt, en wilde beproeven, geheel alleen den top te bereiken. Terwijl hij over een smallen dam ging, deels uit sneeuw, deels uit rots bestaande, brokkelde de sneeuw onder hem in den afgrond weg: hij wankelde een oogenblik, terwijl hij zich staande trachtte te houden op het gedeelte dat nog vast scheen. “Ik dacht niet anders, dan dat hij verloren was,” zegt de heer Whymper.

“Gelukkig viel hij naar de rechterzijde, en gelukte het hem een vast steunpunt te vinden. Indien hij, in plaats van den linker, den rechter voet op de brug van sneeuw had gezet, zou hij in eene diepte van ruim honderd el zijn neergestort, en hij zou zich niet aan de rotsen hebben kunnen vastklemmen, voor hij op den gletscher, duizend el onder ons, ware terecht gekomen.”

In datzelfde jaar, namelijk in 1864, trok de heer Whymper, in gezelschap van den heer Moore, met de gidsen Almer en Croz, voor het eerst over den bergpas van Moming, tusschen Zinal en Zermatt. De opklimming was uiterst bezwaarlijk en vol gevaar geweest. Om de rotsen, die alleen den toegang tot den pas mogelijk maakten, te bereiken, waren de toeristen verplicht geweest eene zeer steil hellende ijsvlakte over te trekken; zij hadden daarbij gaten in het ijs moeten hakken, vlak naast en onder reusachtige spitsen en naalden, die op het punt stonden van in te storten, en die ook werkelijk neervielen, vijf minuten nadat Almer, de laatste van het gezelschap, was overgegaan.

“Eindelijk, zoo verhaalt onze toerist, kwamen wij aan het dal tusschen den Rothhorn en den Schallhorn; deze col ligt ter hoogte van omstreeks acht-en-dertig honderd el. Wij waren met zeer veel moeite naar boven geklommen, over allerlei soort van sneeuw, en te midden van voortdurenden nevel, die ons nu eens aan de nevelen van Schotland, dan aan een londenschen mist deed denken. Een steile muur van ijs vormde de helling van den top, die naar Zinal gekeerd is. Maar wij konden onmogelijk ontdekken of de andere helling, waarlangs wij moesten afdalen, even zoo gevormd was, want dat deel van den berg was voor ons geheel onzichtbaar door een geweldigen sneeuwklomp, dien de westenwind boven den top had opgestapeld, en die nu hoog boven Zermatt zweefde, niet ongelijk aan eene reusachtige zeegolf, bevrozen juist op het oogenblik der kentering.

“Stevig aan het touw gebonden en vastgehouden door zijne drie makkers, die op de helling aan de zijde van Zinal gebleven waren, begon Croz uit alle macht met zijn bijl op dien sneeuwklomp te hakken, en hieuw werkelijk de bevroren sneeuw af, tot hij eindelijk op het vaste ijs stuitte; toen sprong hij kloekmoedig in den pas, en riep ons toe hem te volgen.

“Wij waren gelukkig, dat wij een zoo onverschrokken man tot gids hadden. Met een minder bekwamen en minder onversaagden gids zouden wij waarschijnlijk geaarzeld hebben, de afdaling te ondernemen bij zoo sterken nevel; ook Croz zelf zou vermoedelijk hier hebben stil gehouden, als hij niet zoo buitengewoon krachtig en gespierd van lichaamsbouw was geweest. Hij bracht zijne eigene woorden in praktijk: “Waar vaste sneeuw is, kan men altijd loopen; waar ijs is, kan men zich een weg banen, door gaten te hakken; dat komt eenvoudig aan op lichaamskracht; ik bezit die kracht: al wat gij te doen hebt, is dit eene:—mij te volgen.” Men moet erkennen, dat hij zich niet spaarde; als hij in een theater de schier ongeloofelijke dingen had verricht, waarvan wij dien dag getuigen waren, dan zou de zaal gedaverd hebben van toejuichingen.”

Het volgende jaar (1865) beklom de heer Whymper de Dent-Blanche (3464 el), die voor den eersten keer, op den 18den Juli 1862, was bestegen door de heeren Kennedy en Wigram, met de gidsen Croz en Kronig. Whymper volgde evenwel niet denzelfden weg, maar bladzijde 15gaf de voorkeur aan den zuidwestelijken rug; de grootste moeilijkheid, die hij ondervond, was de overtocht over den bergschrund. Hij moest tot eene hoogte van vierduizend el opklimmen, eer hij een brug van sneeuw vond, waarop hij die spleet kon oversteken.

Op den col Dolent, dien Whymper in 1865 overtrok, om van Cormayeur naar Chamonix te gaan, langs een korteren weg dan dien over den col du Géant, had hij noch met een bergschrund, noch met een sneeuwbrug te kampen, maar daarentegen vond hij hier een ijsmuur van vierhonderd el, met een helling van vijftig graden, waarlangs hij moest afdalen. Croz, die vooruit liep, vastgebonden aan een touw van manilla, hakte, gedurende twee uren achtereen, gaten in dien muur, en was toen toch nog tot slechts zestig el beneden den pas gedaald. Biener en Almer, die het touw vasthielden, konden met hun beiden maar even op den rand van den ijsklomp staan. Biener liet zich toen, met behulp van het touw, tot bij Croz afzakken; en de heer Whymper, die tot dusver op de andere zijde had moeten blijven, kon nu naast Almer komen staan en op zijne beurt den zeer comfortabelen weg aanschouwen, dien hij had ontdekt. Zeven uren achtereen waren de drie gidsen bezig met gaten in het ijs te hakken, eer men den gletscher van Argentière, die aan den voet van dezen ijsmuur ligt, kon bereiken. Gelukkig liep deze roekeloos gevaarlijke onderneming zonder ongelukken af, en kon de heer Whymper ongestoord zijn triomf genieten.




1 Eene soort van likeur, aldus genoemd naar het beroemde Karthuizerklooster la Chartreuse, waar zij vervaardigd wordt.

De Merinos in Spanje.

De reiziger, die in de lente of den herfst de wijd uitgestrekte en vaak zoo eenzame en eentonige vlakten van centraal Spanje doorkruist, ontmoet dikwijls op zijn weg groote kudden schapen, die door hun lange witte wol de aandacht van den vreemdeling trekken. De kudden worden geleid en bestuurd door een aantal gewapende mannen, deels te voet, deels te paard, die op het eerste gezicht meer op roovers dan op herders gelijken. Voorts behooren nog tot de kudde een zeker aantal muildieren, met allerlei zaken beladen, en eene menigte groote honden, wier muil met scherpe tanden is gewapend. Die schapen zijn de beroemde merinos, wier wol vroeger aan Spanje zoo veel millioenen piasters heeft opgebracht, toen men zich in het overige Europa bijna niet op de schapenfokkerij toelegde, waaraan in Spanje destijds zoo groote zorg werd gewijd.

De merinos slapen nooit onder een dak: zij brengen hun leven door in de open lucht. Zij veranderen alleen van weidegrond, en trekken van het noorden naar het zuiden of van het zuiden naar het noorden, van de sierra naar den campo of van den campo naar de sierra, naar gelang van den tijd des jaars.

Zulk eene kudde merinos, met haar herders en haar honden, is bijna een kleine staat op zichzelven. Want men bedenke wel, dat zulk eene kudde, als algemeene regel en behoudens enkele uitzonderingen, uit niet minder dan tienduizend stuks bestaat.

De opperste herder of mayoral heeft vijftig ondergeschikte herders onder zijne bevelen: dit is dus één man voor elke tweehonderd schapen. Elk dezer herders heeft zijn eigen hond, zoowel om op de schapen te passen als om ze te verdedigen, want de wolven zijn verre van zeldzaam in de spaansche sierras. Deze honden, die den strijd tegen de wilde dieren niet moeten duchten, zijn groot van gestalte en sterk van bouw en spieren. Zij behooren tot een bijzonder ras, dat zich door eene groote mate van verstand, vatbaarheid en ijver onderscheidt. Zij zijn bijna even groot als wolven en zeer goed tegen die vijanden opgewassen; om hun echter de overwinning gemakkelijker te maken, dragen zij nog een ijzeren halsband met lange scherpe punten, die een geducht wapen is.

De herders zijn, evenals hun honden, een eigenaardig ras van menschen. Echte nomaden, keeren zij maar zelden en dan slechts voor weinige dagen, ja somwijlen nimmer, naar hunne eigenlijke woonplaats terug. Gedurende het grootste gedeelte des jaars op reis, slijten zij hun leven in een tent of in armelijke hutten van takken, leem of gedroogde steenen. Met hun door de zon gebruind gelaat, hun woest voorkomen, maken deze krachtige, forsch gespierde mannen een zeer eigenaardigen indruk. Hunne kleeding bestaat uit slopkousen van geitenvel, een korten broek, een hemd, een vuil vest van bruin leder, waarover zij dikwijls een buis zonder mouwen van merino-wol dragen. Hunne met vodden omwikkelde voeten steken in lompe schoenen; somwijlen bestaat hun eenig schoeisel uit ruwe sandalen; op hun kroesharig hoofd, dat nimmer met een kam in aanraking komt, dragen zij een groven vilten hoed; over hun schouders hangt een schilderachtige mantel, hetzij van versleten laken, hetzij van rijststroo. Deze wilde, ruwe, maar dappere en eerlijke herders zijn gewapend met een vuursteengeweer van buitengewone lengte, en met een sterken doornstok.

De ouder-herders gaan bijna altijd te voet; de mayoral zit steeds te paard, vergezeld en gevolgd door muilezels, die het benoodigde dragen, zooals levensmiddelen, zout voor de merinos, tenten en keukengereedschap. De mayoral geniet eene jaarlijksche belooning van tusschen de zes- en zevenduizend gulden; de ondergeschikten verdienen in den regel niet meer dan twee- of driehonderd gulden; hun dagelijksch rantsoen bestaat uit twee pond brood; de hond krijgt evenveel, maar zijn brood is van minder gehalte.

De merinos, aldus genoemd naar een spaansch woord, dat zwerven beteekent, zijn van middelbare grootte, met een kleinen kop en fijn gevormde pooten. Hunne wol, die gewasschen zijnde helder wit is, maar er doorgaans zeer vuil en besmoezeld uitziet, doet hen veel grooter schijnen dan zij inderdaad zijn: die wol is somwijlen een voet lang, licht gekruld, en hangt bijna tot op den grond. Overigens is de merino-wol niet meer zoo veel waard als vroeger; zij doet tegenwoordig in fijnheid voor andere soorten, met name voor de saksische wol, onder. Dit neemt niet weg, dat nog altijd in Spanje kudden schapen worden gevonden, welker wol door geene andere overtroffen wordt. Maar men geeft zich geene moeite om het ras te veredelen, en bladzijde 16houdt zich over het algemeen, ook in de wijze van behandeling der schapen en de bereiding der wol, te veel aan den ouden sleur.

De provincie Segovia, langs de noordelijke helling van de sierra van Guadarrama, in Oud-Castilië, wordt over het algemeen als de gunstigste en meest geschikte streek voor de schapenfokkerij beschouwd. Anderen spreken dit tegen; niettemin schijnt men als algemeenen regel te mogen aannemen, dat hooge en droge landstreken, zooals Segovia, het meest voor de teelt der merinos geschikt zijn. In deze landstreken is het gras fijn en niet met onkruid vermengd, maar daarentegen rijk aan aromatische kruiden. Het vaderland der beroemde geiten van Thibet is eene landstreek van soortgelijke natuur, maar nog veel schraler en onvruchtbaarder. Het is dan ook niet onwaarschijnlijk, dat men de geiten van Thibet in sommige bergstreken van Spanje zou kunnen overbrengen en inheemsch maken. Het ware wel de moeite waard, de proef te nemen. Spanje zou wellicht in het zoo zeer gezochte en kostbare zijdeachtige hair dezer geiten eene vergoeding kunnen vinden voor het verlies, door het dalen der prijzen der merino-wol geleden.

Men meent dat verscheidenheid van voedsel gunstigen invloed uitoefent op de algemeene gezondheid der dieren, en dus, in dit geval, ook op de hoedanigheid en den rijkdom der wol. De spaansche veefokkers zijn daarvan overtuigd; daarin ligt de oorsprong der mesta.

Dit woord (letterlijk vereeniging, vermenging) beteekent de samensmelting tot ééne groote kudde, van een zeker aantal kleinere kudden, die, naar gelang van het jaargetijde, in een of ander deel van het schiereiland rondtrekken. Door deze zwervende levenswijze bekomen de merinos ongetwijfeld, dank zij de voortdurende beweging en verandering van lucht, dank zij ook de afwisseling van voedsel, eenige der eigenschappen, die over het algemeen de in den vrijen natuurstaat levende dieren onderscheiden van de getemde, aan eene bepaalde plaats en bepaalde levenswijze gebonden huisdieren. De merinos met de beste en fijnste wol vindt men in enkele weinig uitgestrekte landstreken, bij voorbeeld in de vallei van Venasque in de Pyreneeën, en in het partido of distrikt van Albarracin (in Aragon, in het bovenste gedeelte der vallei van den Guadalaviar of Turia, nabij de kusten der Middellandsche-zee); maar het is duidelijk dat niet al de schapen van Spanje op zoo bekrompen ruimte zouden kunnen leven; ook is het zeer waarschijnlijk, dat zelfs de daar inheemsche schapen, als zij nimmer deze streken verlieten, toch spoedig zouden verbasteren. Om aan het gemis of de schaarschte van voortreffelijke weidegronden tegemoet te komen, heeft men zijn toevlucht genomen tot de verre reizen, tot het zwervend leven, in de open lucht, met zijne beweging, zijne vrijheid, zijn veelzijdigheid van voedsel. En de voordeelen dezer methode wegen tegen het gemis van voldoenden weidegrond binnen zekere grenzen ruimschoots op.

In de gebergten van Biscaya, in de sierra's van Asturië, zijn de schapen van veel slechter ras; in den jongsten carlistischen oorlog is het meermalen gebeurd, dat de soldaten weigerden zulk een schaap zelfs voor een matigen prijs te koopen. Deze schapen worden door de zwarte arenden der Pyreneeën meermalen geroofd en naar hun nest medegevoerd, om tot voedsel voor hun jongen te dienen. Een echt volwassen merinoschaap zou deze tyran der lucht wel nimmer mede kunnen voeren.

De mestas of zwervende kudden behooren meestal aan eene maatschappij, bestaande uit adellijke heeren, aanzienlijke geestelijken of rijke grondeigenaars, die zich met de exploitatie belast. Elke mesta of groote kudde bestaat, zooals gezegd is, uit tienduizend stuks schapen en meer; de mayoral, die met de opperste leiding is belast, is tevens de algemeene arts dezer blatende gemeente. bladzijde 17

Dalmatië.


Gezicht te Fiume: de Fiumera.

I.

Herinnert de lezer, die ons op den tocht door Istrië heeft willen vergezellen, zich nog de belofte, later eene uitnoodiging te zullen ontvangen voor gelijken tocht door de golf van Quarnero met hare eilanden en door Dalmatië?1 Welnu, die belofte komen wij thans inlossen: zijn hem goede herinneringen van de vorige reis bijgebleven, dan vertrouwen wij dat hij ook nu genegen zal zijn, ons te vergezellen. Wij nemen dan te Pola plaats op een der booten van de oostenrijksche Lloyd, die naar Fiume varen; wij stevenen kaap Promontore om en de golf van Quarnero binnen.

Met den naam van golf van Quarnero, of wel enkel Quarnero, bedoelt men de geheele watervlakte tusschen Istrië, te beginnen bij kaap Promontore, en de kust van Kroatië tot nabij Zara. In den Quarnero liggen vijf groote eilanden en eene menigte eilandjes en klippen. Deze vijf eilanden dragen de namen van Cherso, Ossero (of Lussine), Veglia, Arbe en Pago; zij bevatten allen een of meer kleine steden en een aantal dorpen. De kanalen tusschen die eilanden en de kust leveren voor de scheepvaart dikwerf ernstige gevaren op, vooral bij het heerschen van de bora, de plaag dezer kusten.

Van Triëst kan men op tweeërlei wijze Fiume en de golf van Quarnero bereiken. Een spoorweg, die het plateau van Karst doorsnijdt, verbindt de beide steden, en brengt u in zeven uren van Triëst aan den oever der golf. Een tweede middel van vervoer is de stoomboot, die van Triëst naar Pola, en verder, deels langs de oostkust van Istrië, naar Fiume vaart, Maar wie van Fiume verder wil gaan, zal daartoe bezwaarlijk gelegenheid vinden, tenzij hij eene eigen boot hure en uitruste om van het eene eiland naar het andere te zeilen. Hieraan zijn echter bezwaren verbonden, die niet te licht mogen worden geteld. Vooreerst kost de huur en uitrusting van zulk eene boot, het loon der bemanning daaronder begrepen, veel geld; daarbij is goed weder een onontbeerlijk vereischte, en moet men ook eenigszins aan dergelijke tochten op zee bladzijde 18gewend zijn. Die in de kuststeden op de stoombooten wil wachten, moet over veel tijd kunnen beschikken, want die booten varen, in elke richting, maar eens in de week.

De Quarnero staat in een zeer slechten roep: de kustbewoners van de Adriatische-zee, ervaren en onverschrokken zeevaarders, zoo als men weet, noemen den naam dier golf niet dan met zekeren schrik; de oude historieschrijvers zien in dien naam zelven eene toespeling op de bij uitstek kwade faam van dit vaarwater: carnivoro, vleeschetend, verscheurend. Wat hiervan zij, een enkele blik op de kaart is voldoende, om deze noodlottige reputatie der golf alleszins begrijpelijk te maken. De Quarnero is, zooals ik zeide, bezaaid met eene menigte eilanden en klippen, die fragmenten schijnen van een door het water half verzwolgen, en door de bora uitgedroogde en verschroeide bergketen. In de talrijke engten en kanalen tusschen de kust en die eilanden, wordt de wind opgevangen, juist als in den hals van eene omgekeerde flesch. De zuid-oosten winden, die de golven van Venetië en Triëst kunnen teisteren, vinden daar althans een ruim veld voor zich en verliezen daardoor veel van hun kracht: maar in den Quarnero, waarin zij door het nauwe kanaal Della Morlacca doordringen, stuiten zij dadelijk tegen de bergwanden van den Karst en tegen de hooge oevers van Istrië; zij vallen dan met verdubbelde kracht op de eilanden terug en brengen de opgezweepte wateren in de geweldigste beroering. De stormen woeden hier met zoo hevige kracht, dat zelfs de ervarenste matrozen het dan niet zullen wagen, de kanalen over te steken, maar een toevlucht zoeken in de zoogenaamde valleien of vluchthavens, die door de eilanden gevormd worden, waar het water diep en de ankergrond veilig is.

De golf is bij uitnemendheid vischrijk: niet alleen de bewoners der eilanden, maar ook de visschers van Ghioggia, aan de italiaansche kust, komen hun deel van dezen overvloed halen. Deze laatsten verschijnen hier in November en blijven tot Paschen; zij verlaten hun eiland, waar de vischvangst minder voordeelig is, en brengen den winter in deze wateren door. Eens terwijl ik te Venetië vertoefde, was ik getuige van het vertrek der vloot van Chioggia: dit is een van de meest belangwekkende tooneelen, die men langs de noordelijke kusten der Adriatische-zee aanschouwen kan. Vijftig tot zestig groote schuiten, bragozzi, genoemd, ieder met tweehonderd-vijftig koppen bemand, verlaten het eiland en varen naar de overzijde der golf. De gevangen visch wordt echter niet op de plaats zelve verbruikt of verkocht; beurtelings gaan eenige vaartuigen uit de vloot naar Chioggia en Venetië terug, om den buit te verkoopen: het totaal der vangst, gedurende het geheele saizoen, bedraagt gemiddeld vierhonderd-duizend pond, vertegenwoordigende eene waarde van honderdvijftig-duizend francs.

De visschers van Fiume leven mede van de golf: te Prelucca en te Buccari oefenen zij de tonijnvangst uit; deze tonijnen worden vervolgens gezouten en naar het buitenland verzonden. Een eigenaardig product der golf zijn ook de scampi, eene soort van kreeften, die hier zeer geliefd zijn en bij feestelijke gelegenheden met rizzotto gegeten worden; deze soort komt, behalve hier, enkel in de noorweegsche fjords voor.

De belangrijkste stad aan de golf, met inbegrip van de steden op de eilanden, is Fiume. De kust noordwaarts van kaap Promontore is aanvankelijk naakt en dor; bij de landpunt van den Monte-Maggiore neemt zij een vriendelijker karakter aan; en zoodra ge het kanaal van Farasina zijt doorgevaren, maakt de geheele streek, van Moschenizza tot Fiume, door het eiland Cherso tegen den wind gedekt, den indruk van een grooten bloeienden tuin. Maar deze buitengewone vruchtbaarheid houdt geen stand: als ge verder langs de kust vaart naar Novi en Segna, komt de oude dorheid en woestheid weder, en ziet ge niets dan eene grauwe kust en naakte rotsen.

Van buiten zou men Fiume allicht voor eene groote stad aanzien: dit is echter eene illusie, die, bij meer nauwkeurige beschouwing, spoedig verdwijnt. Die witte stad, aan den oever eener fraaie golf, aan den voet van hooge bergen, verrast den reiziger door haar reeks van trotsche huizen, paleizen schier, die zich langs de breede kaai verheffen. Haar ruime en gemakkelijke haven, haar uitgestrekte werven en grootsche magazijnen, dit alles geeft den indruk van eene bloeiende, rusteloos werkzame stad, in volle ontwikkeling en rasschen vooruitgang. De openbare gebouwen en monumenten zijn edel en indrukwekkend van stijl; het Corso is breed en goed aangelegd; hier ziet ge een smaakvol aangelegd plein; elders ruischen overvloedig springende fonteinen: overal ruimte, licht, groote afmetingen. Ondanks de groote natuurlijke voordeelen der ligging—Fiume is de natuurlijke haven voor Hongarije, het Banaat en Kroatië, allen hetzij koren- hetzij boschrijke landen;—heeft de stad toch niet aan de verwachting der Hongaren beantwoord, ook niet nadat men haar door spoorwegen met Agram en Laibach verbonden heeft. De oostenrijksch-hongaarsche regeering heeft zich de zwaarste offers getroost om haar te verfraaien en haar eene goede haven te bezorgen. Desniettemin verkeert de handel, ook volgens officiëele opgaven, hier in kwijnenden toestand en neemt de in- en uitvoer af.

In de andere steden langs de kust, die wij bezocht hebben eer wij te Fiume kwamen, herkent men nog altijd onder het officiëele masker, door de tegenwoordige regeering voorgebonden, de oude venetiaansche kolonie, waar de republiek, na eene heerschappij van vier of vijf eeuwen, niet alleen onmiskenbare sporen en karakteristieke monumenten heeft achtergelaten, maar ook aan alles, aan menschen en dingen, dat onuitsprekelijk bevallige en bekoorlijke gegeven, dat in Italië wel in de lucht schijnt te zitten en een onvervreemdbaar erfdeel van dat gezegend land en zijne kinderen is. Hier daarentegen is, althans voor het uiterlijke, alles hongaarsch: hier vindt ge het Corso Deak, hot plein Adamich, de Kossuthstraat, enz. De brouwerijen zijn monumentale gebouwen; vlugge, handige buffetmeisjes met nette voorschoten, en muziekanten met zwarte rokken zouden u in den waan brengen dat ge u te Pesth bevindt. Even als te Weenen en in Hongarije, is ook hier met ieder hotel een restauratie verbonden; de regeling van de etensuren is dezelfde als daar ginds, en in de koffiehuizen ziet ge aan bijna ieder tafeltje kaartspelers, even als in de magyaarsche bierhuizen. De bladzijde 19aanplakbiljetten en de opschriften op de uithangborden zijn in het hongaarsch gesteld; tegen de muren kunt ge somwijlen groote papieren geplakt vinden, waarin de kiezers, met hartstochtelijke opgewondenheid, worden aangespoord om toch vooral te zorgen, dat het bestuur der stad niet in duitsche of italiaansche handen gerake. Maar er zijn twee steden te Fiume: de oude stad, die zich eensklaps onthult als ge de poort van het Corso uitgaat; en deze moderne stad, waar de reizigers aan wal stappen, en wier straten, evenwijdig loopende met de kaai, op zee uitzien.

In de oude stad loopen de straten steil naar boven: smalle trappen voeren naar fantastische steegjes, die u aan Subiaco en aan de dorpen in do Campagna van Rome denken doen; daar vindt ge, onder lage gewelven, achter sombere, schemerachtige winkels, pittoreske osterie, waar, bij het drinken van nieuwen wijn, italiaansche liederen worden gezongen, terwijl men daar ginds beneden bier drinkt en slavisch of hongaarsch spreekt. De overigens weinig schilderachtige stad ontleent toch aan deze verscheidenheid een eigenaardig karakter.

Bij den eersten aanblik schijnt u alles koud, regelmatig, symetrisch; maar ga door, van de zee naar den berg, en weldra ziet ge, even als in eene italiaansche voorstad, aardige, lachende villas, schilderachtige borghi, waar, op breede terrassen dertig voet boven uw hoofd, liefhebbers bezig zijn met balslaan. Vervolg uw weg: de reusachtige berg verspert u den doorgang; hij verrijst daar voor u, somber, grauw, naakt, een dorre doode rotsmassa, door de bora geteisterd, maar uit wier zijde zich, in reusachtigen val, de Fiumera stort, die zich straks tot een haven verbreedt.

Deze Fiumera, die uit den schoot des bergs te voorschijn komt en zich ter linkerzijde van de stad in de golf ontlast, vormt, even voor hare uitmonding, een kanaal, door eene groote ruime kaai omzoomd, waar al de houtschepen ten anker liggen. Dit is het schoonste gedeelte van geheel Fiume. Langs de haven staan eeuwenoude boomen, wier groene kruinen boven de masten der schepen uitsteken. De breede, fraaie en zeer levendige kaai is bezet met schoone huizen, in monumentalen stijl; de paaltjes, die het voetpad van den rijweg afscheiden, prijken allen met levensgroote hoofden van Turken en Hongaren, in den steen uitgehouwen. Dit is geen louter toeval of een gril van den beeldhouwer. Let eens op de gewelven van alle paleizen en openbare gebouwen in de stad, hef uwe oogen op naar de bogen en kapiteelen dor zuilengangen: overal ziet ge een turkschen kop met den tulband gedekt of een gebaarden Slavoniër. Dit is niet alles: de boeren en boerinnen van de kust van den Quarnero, de dames van Fiume, dragen sedert eeuwen ringen, armbanden, halskettingen, waarop ge diezelfde symbolische koppen, op verschillende wijze aangebracht, zult terug vinden. Ongetwijfeld is dit een bij de Kroaten en Hongaren zeer geliefd teeken; wellicht eene herinnering aan den vreeselijken slag in 1232, op een mijl afstands van Fiume, te Grobnick, onder aanvoering van Bela IV, tegen de Turken geleverd.

Fiume heeft weinig of geen monumenten; de kerken hebben niets opmerkelijks. De dom is een stijf koud gebouw, met een klassieken voorgevel, die zijn versiering dankt aan de edelmoedige vrijgevigheid der familie Wallsee. De stad hoeft een koninklijk gymnasium, in 1627 gesticht, en eene akademie voor de marine. De schouwburg dagteekent van 1801; het is een zeer fraai gebouw, gesticht op kosten van den patriciër Ludwig von Adamich. Even als in alle steden van Istrië en Dalmatië, is ook te Fiume de bevolking in onderscheidene groepen gesplitst, die scherp van elkaar afgescheiden zijn. In plaats van eene algemeene plaats van vereeniging en samenkomst voor de lieden uit den beschaafden stand, vindt men er hier drie: het kroatische Leesmuseum, het italiaansche Casino, en de duitsche Pick-Nick-Club. De vreemdelingen worden steeds zeer gastvrij ontvangen in deze drie sociëteiten, waar fransche, engelsche, duitsche, italiaansche en slavische dagbladen en tijdschriften te vinden zijn.

Een van de grootste merkwaardigheden van Fiume is het kasteel van de Frangipani, bij de stad, op eene aanzienlijke hoogte, boven op den berg Terzato gelegen. Nabij dit kasteel staat een Franciskaner-klooster; een monumentale trap van vierhonderd treden, tegen de rots geleund, voert naar dit klooster, dat eene druk bezochte bedevaartsplaats is. De omtrek van dit klooster was voor mij een lievelingsplekje, waar ik meermalen nederzat om schetsen te maken. Daar zag ik des morgens, terwijl ik in mijne eenzaamheid zat te teekenen, de slavische boerinnen van het gebergte afdalen, om in de stad haar hooi te gaan verkoopen: en dit tooneel verdient wel eene vluchtige herinnering.

Tusschen de Fiumera, die uit de rots te voorschijn komt, en den Terzato, die zich daarboven verheft, heeft men langs den bergwand een weg aangelegd, die naar de dorpen in het gebergte voert, naar Orechovitza, Czaule, Podervenn en Grobnick, waar Bela IV de Tartaren versloeg. Deze steile, smalle weg, de zoogenaamde Louisenstrasse, slingert zich als een mat zilveren lint tegen en tusschen die grauwe, naakte, doode rotsen. Langs dien weg nu komen de vrouwen, een voor een, achter elkander; langzaam en met moeite treden zij voort, gebogen onder zoo zware vracht, dat zij wandelende hooischelven gelijken; ge ziet van haar lichaam niets dan de naakte bruine beenen, al het overige verdwijnt onder het hooi. Reeds voor den dageraad hebben zij zich opgemaakt, om het met groote moeite tusschen de rotsspleten verzamelde en tot schoven saamgebonden hooi naar de stad te gaan brengen. Zoo, schier midden door gebogen, hebben zij vier uren achtereen geloopen, zwoegende, onder haar vracht, nu en dan een oogenblik leunende tegen de pilaren der trappen van den Terzato; beneden gekomen, knielen zij neder voor het beeld der Madonna aan den voet van den trap, en vervolgen dan haar weg tot aan het Urmeny-plein, waar zij blijven tot zij haar hooi verkocht hebben, dat zij niet meer kunnen medenemen.

Ook wij hebben den reusachtigen trap beklommen, en zien nu den ouden burcht op korten afstand voor ons. Dit kasteel der Frangipani is tegenwoordig het eigendom van graaf Nugent en de begraafplaats van zijne familie. Uit de verte gezien, maakt het een bij uitnemendheid schilderachtig effect; maar van nabij valt bladzijde 20de trotsche ruïne eenigszins tegen. De oude burcht dagteekent uit de middeleeuwen, waarschijnlijk uit de twaalfde of dertiende eeuw; een vierkante toren, in fraaien renaissance stijl, is omstreeks het midden der zestiende eeuw gebouwd, en bevatte vermoedelijk de woonvertrekken; maar graaf Nugent is op den zonderlingen inval gekomen om te midden dezer belangwekkende overblijfselen van den ouden tijd, een splinternieuwen, schitterend witten, pseudo-griekschen tempel te bouwen, die zelf verbaasd schijnt over zijne plaatsing en zich hier blijkbaar niet te huis gevoelt. Uit de verte valt deze wanstaltigheid niet in het oog, lijdt althans de totaal-indruk er geene schade door, maar van nabij bederft deze onbegrijpelijke tempel alles.


Een bosnisch paard.

De graven van Frangipani, aan wie vroeger dit kasteel behoorde, hebben in de geschiedenis dezer landstreek eene groote rol gespeeld; langs de geheele kust leeft de herinnering aan dit geslacht nog in volksoverleveringen en legenden voort. Zij waren eigenlijk geen heeren van Fiume, maar bezitters van het eiland Veglia, en hebben te Fiume slechts dertig jaar geregeerd. Toen de patriarchen van Aquilea nog de souvereiniteit bezaten over de steden langs de kust, schonk een bisschop van Pola de stad Fiume in leen aan de familie Duino, die op haar beurt de stad weder aan de Frangipani verpandde: zij bleven in het bezit van Fiume van omstreeks 1338 tot 1365. Hoewel Veglia dus eigenlijk de hoofdzetel van het machtige geslacht was, bevat toch de kerk van het naburige Franciskaner-klooster vele graven van leden dezer familie. De grafsteenen, die achteloos in een hoek der kerk liggen, zijn evenwel zeer geschonden.

II.

De omstreken van Fiume zijn wel der bezichtiging waard; men heeft daarvoor twee dagen noodig. Het strand langs de golf vertoont tweeërlei, zeer verschillend karakter: de kust van Istrië, ter rechterhand, door den Moute-Maggiore gedekt, is bloeiend en vruchtbaar; de kust van Dalmatië daarentegen, ter linkerhand, is dor en doodsch.

Tweemaal heb ik deze omstreken bezocht: de eerste maal met onzen consul, baron de Reyne, die sedert vijftien jaar te Fiume woont en de aangenaamste cicerone is, dien men zich denken kan; de tweede keer ben ik alleen op weg getogen, den wandelstok ter hand, en heb ik te voet in vier uren denzelfden weg afgewandeld, dien ik eenige maanden vroeger, op een vlug hongaarsch paard, in anderhalf uur had afgelegd.


Morlaken uit den omtrek van Zara.

Wij volgen den oever der zee, gaan voorbij het station van den spoorweg naar Triëst, en komen dan op een weg, die hoog boven het strand, langs den berg loopt. Eerst ontmoeten wij eenige fabrieken en werkplaatsen; dan volgt van tijd tot tijd een of andere eenzame, bladzijde 22romantische tuin, een donkere boomgaard, met een oud hek afgesloten, waar, te midden van het hooge gras, standbeelden van satyrs en boschgoden verminkt ter aarde liggen. Drie uren lang loopt de weg recht door; het is hier zeer eenzaam en stil; wij zien niemand dan enkele herdersknapen, met hunne kudden als tegen de berghellingen hangende, of rustig neergezeten op de rotsen, aan wier voet de golven kabbelen.

Daar is de baai van Prelucca, van alle kanten goed gedekt en beschermd, waar men een stuk rots heeft laten springen om plaats te maken voor eenige visschershutten. Dit is een der stations voor de tonijnvisscherij, die een rijke bron van inkomst oplevert voor de gansche kust. De inrichting is zoo eenvoudig mogelijk: zij bestaat uit twee reusachtige ladders, twintig el hoog, schuin in den grond geplant, en van boven van een zitbank voorzien, waarop de wachter plaats neemt. Beneden tegen den rotswand staat een houten loods, van drie kanten open, en van een op balken rustende planken vloer voorzien. Die loods dient tot verblijf voor het personeel van het station, bestaande uit negen visschers en een knaap, allen van de eilanden Cherso en Veglia geboortig. Met behulp van een groot net sluiten zij de baai, over een gedeelte der breedte, af; de wachter op den uitkijk houdt het oog op zee gevestigd, en geeft een teeken, zoodra de tonijn binnen de afgesloten ruimte gekomen is; dan wordt een ander net uitgezet, en de visch, binnen die netten ingesloten, wordt met behulp van een schuitje naar den oever gedreven. Dikwerf komen gansche zwermen tonijnen te gelijk in de netten; de visschers, die, behalve hun vast loon, nog eene zekere premie per duizend visschen ontvangen, maken zeer goede zaken, want ook de kleine visschen, die tusschen de mazen blijven steken, zijn voor hen. Zij gaan die verkoopen te Volosca, een zeer fraai dorp, even als Mentone, aan de uiterste punt van een landtong gelegen, en met zijn witte huizen schilderachtig uitkomende tegen de zwarte rots. Boven Volosca herken ik Abbazia, het oostenrijksche Nizza, met de prachtige villa, vroeger het eigendom van graaf Scarpa, en Lovrana, de stad der laurieren. Ginds ligt Castua, de oude met muren omringde stad; en aan den horizon teekenen zich de omtrekken van den vierduizend voet hoogen Monte-Maggiore, van welks top men geheel Istrië, de golf van Quarnero en de dalmatische kust overziet, en zelfs, naar men zegt, bij helder weer, den Campanile van Venetië kan ontdekken.

Als wij het strand in de andere richting willen volgen, naar Dalmatië, moeten wij ons een somberen, tusschen twee muren ingesloten weg getroosten; het is daarom beter, een bootje in de haven te huren en een zeetochtje te ondernemen. Met kalm, mooi weer is dit zeer aangenaam. Wij komen eerst langs Martinschizza, een prachtig lazaret voor de quarantaine, een van de besten ter wereld en ook van de minst bezochten, want zeer zelden zet hier een reiziger den voet. Dan volgen Dragina, Val-Uri, Porto-Re, Buccari, eene oude romeinsche stad, met eene fraaie haven, in eene zoo goed gesloten baai, dat zij schier op een voltooid amphitheater gelijkt. Al de bewoners zijn zeevaarders; de oostenrijksche marine ontvangt van hier hare beste matrozen.

In vier uren vaart de stoomboot van Fiume naar Segna, het oude roofnest der Uskoken; maar de boot vaart maar eens in de week, des donderdagsmorgens ten zeven uur; de paketbooten van Lloyd leggen in dit smalle kanaal van Maltempo, het beruchtste en gevaarlijkste der geheele golf, slechts acht mijlen in het uur af. Eens te Segna, is men dan ook als opgesloten, en moet daar blijven tot den volgenden donderdag, om naar Fiume terug te keeren, of zelfs tot den daarop volgenden donderdag, als men de reis naar Dalmatië wil vervolgen.

Segna, de oude stad der Uskoken, heeft nog heden, ondanks alle veranderingen door den tijd en de menschen aangebracht, geheel het voorkomen van een ongenaakbaren schuilhoek, een uitgezochte plek voor boeven en gauwdieven om zich te verbergen. De stad ligt aan de kust, tusschen de eilanden Veglia en Arbe; aan de landzijde wordt zij gedekt door hooge bergen; aan de zeezijde was zij vroeger niet dan met kleine vaartuigen te genaken. Tegenwoordig zijn de bosschen op den berg omgehakt, en heeft men een haven gemaakt; maar nog altijd bestaat de Bocca di Segna, een uiterst gevaarlijk kanaal tusschen de klip Perviechio en de uitstekende punt van het eiland Veglia.

Alles is hier nu rustig en vreedzaam; en de arme visschers, die mij gastvrij ontvingen en aan wie ik de geschiedenis verhaalde der zeeschuimers, welke hier vóór hen gewoond hebben, zetten bij dit verhaal groote oogen op, als gold het een sprookje, uitgevonden om hun de lange avonden te korten.

De naam Uskoke (skoko, vluchteling), die een schandnaam is geworden, werd oorspronkelijk gegeven aan turksche onderdanen, die een wijkplaats hadden gezocht op de smalle strook tusschen de zee en het gebergte langs de kust. Ten getale van hoogstens drie- of vierhonderd man, werden zij eerst gastvrij ontvangen in Clissa, eene vesting op een zeer steilen heuvel boven Salona en Spalato in Dalmatië. Heer van Clissa was destijds een zekere Pietro Crosichio, een leenman van de hongaarsche kroon. Hij meende die gasten te kunnen gebruiken in den krijg tegen zijn vijanden; dit was zijn ongeluk. De Uskoken plunderden en roofden op turksch grondgebied; Clissa werd belegerd, Crosichio gedood en zijn hoofd in triomf op een lans rondgedragen.

Na den val van Clissa, lag Dalmatië voor den vijand open. Ferdinand van Oostenrijk wilde nu op zijn beurt die uitgewekenen tot zijn bondgenooten maken; hij bood hun eene wijkplaats aan in de stad Segna, destijds een leengoed van de Frangipani. Van de landzijde waren zij hier veilig, zoowel voor geschut als voor ruiterij. De vele kleine eilandjes en klippen maakten ook den toegang ter zee haast onmogelijk; zij behoefden dus voor hunne vijanden niet meer te vreezen. Maar er viel hier noch aan akkerbouw, noch aan visscherij te denken; bovendien waren de Uskoken van jongs af in den wapenhandel geoefend en aan den krijg gewoon. Zij beklommen dus de rotsen, en ondernamen van uit de bosschen, op den top des bergs, hunne aanvallen en plundertochten tegen de Turken. Op het strand beroofden zij de schipbreukelingen; weldra begonnen zij zelven bladzijde 23schuiten te bouwen, en zich bewust van de veiligheid hunner positie, werden zij piraten.

Aanvankelijk tastten de Uskoken alleen de Turken aan, en ontzagen de Christenen: de Porte protesteerde. Aangezien Venetië aanspraak maakte op de heerschappij der Adriatische-zee, moest zij ook zorgen voor de veiligheid der golf; bovendien bestonden er tusschen Turkije en de republiek traktaten, waarbij de veiligheid van het verkeer ter zee gewaarborgd was. Venetië beriep zich op Keizer Ferdinand, die de uitgewekenen onder zijne bescherming had genomen; deze vaardigde wel de noodige bevelen uit, maar men stoorde zich daar niet aan: en inderdaad vermocht schier niemand iets tegen deze piraten, die door de natuur zoowel tegen hunne vijanden als tegen hun beschermer beveiligd werden. De republiek rustte galeien uit; elke Uskoke, die gevangen werd genomen, werd aan de raas opgehangen, om zoodoende aan de Verheven-Porte te toonen dat men acht sloeg op haar vertoogen; zelfs werden enkele piraten naar Venetië gevoerd, en op het Sint-Marcusplein in ijzeren kooien ten toon gesteld.

Hun aantal, bereids door eenige vluchtelingen vermeerderd, bedroeg toch ter nauwernood vijfhonderd; maar allengs voegde het uitschot van allerlei volken zich bij hen: boosdoeners uit het duitsche Rijk, turksche renegaten, italiaansche valsche munters, en anderen, die in de staatkundige partijschappen van Venetië waren betrokken geweest, sloten zich aan bij deze handvol bandieten. Segna werd een waar roofnest, en er kwam een oogenblik, dat de blikken van geheel Europa op dit kleine vlek in de golf van Quarnero waren gevestigd. Zelfs de Koning van Frankrijk beklaagde zich bij de regeering van Venetië over de beleedigingen zijne vlag aangedaan.

Ontuchtige vrouwen uit allerlei natiën en stammen, die Dalmatië bewonen, stroomden in menigte naar dit roovershol toe; zij leidden daar een gemakkelijk leven, hadden aan niets gebrek en verbonden zich aan deze piraten; als het bij de terugkomst van een rooftocht bleek, dat de echtgenoot van eene dier vrouwen was achtergebleven, dan werd aldra eene nieuwe verbindtenis gesloten, ook al was men nog in het onzekere omtrent het lot van den vroegeren gemaal. Was een Uskoke gestorven, dan nam een ander zijne vrouw en zijne kinderen en zijn woning in bezit. De vrouwen kleedden zich in het rood, en tooiden zich op met geroofde sieraden en kostbare stoffen van het Oosten, door de bandieten op hunne strooptochten medegevoerd. De vroegere bewoners van Segna werden door het algemeene zedenbederf medegesleept. Aanvankelijk was er eene bijzondere wijk ten verblijve voor de Uskoken aangewezen: allengs echter kwam de geheele stad in hunne macht, en de aanzienlijkste burgers namen piraten in hunne dienst, die de rooftochten mede maakten en hun meesters een deel van den buit brachten.

Weldra was geheel de omliggende streek in een woestijn herschapen, waar niets meer te plunderen viel. Om buit te veroveren zouden zij zich nu te ver op vijandelijk gebied hebben moeten wagen: daarom kozen zij thans bij voorkeur de zee tot tooneel hunner werkzaamheid. De golf niet alleen, maar geheel de Adriatische-zee stond op dien tijd onder een waar schrikbewind. De Senaat van Venetië bepaalde dat de schepen, naar het Oosten bestemd, voortaan bij wijze van konvooien zouden gaan, onder geleide van gewapende galeien; de Turken van hun kant deden hetzelfde of vermeden de golf. De piraten tastten nu de eilanden aan, die eerlang mede verlaten werden; de onversaagde scogliari van Cherso, Veglia, Arbe, Ossero en Pago werden matrozen, en daar zij van hunne geboorte met alle vaarwateren in de golf bekend waren, rustten zij op kosten van de republiek schuiten uit, waarmede zij de bandieten, die hen van hunne geliefkoosde rotsen verdreven hadden, zoo veel mogelijk afbreuk deden en in hunne schuilhoeken achtervolgden.

Wel was er te Segna een hoofdman, die in naam des Keizers het gezag uitoefende, maar hij was altijd met de roovers in verstandhouding; als de Uskoken van een strooptocht terugkeerden, werden schijnbaar de poorten der stad voor hen gesloten, en somwijlen zelfs de kanonnen van den wal op hen afgevuurd; maar des nachts liet men hen binnen en deelde met hen den buit.

Het was inderdaad eene onoplosbare kwestie; als Venetië Segna ter zee wilde aanvallen, zooals het met behulp der scogliari kon doen, dan waren de Turken dadelijk gereed, dien aanval van de landzijde te ondersteunen; maar de Keizer van Duitschland, op wiens grondgebied de stad lag, wilde die schending van zijn staten niet toelaten. Eens echter trok Assan, pâsja van Bosnië, naar Segna op; hij kon dit natuurlijk niet doen, zonder de grenzen van Kroatië te overschrijden; Oostenrijk greep naar de wapenen; Assan werd verslagen; de Porte kwam hem te hulp, en de oorlog, die aanvankelijk alleen Segna gold, duurde twaalf jaren.

Venetië, den loop der zaken aandachtig gadeslaande, versterkte zijne eilanden, die steeds bedreigd werden; de republiek was nu niet langer beducht voor de piraten, maar voor haar erfvijanden, de Turken. Hare onzijdigheid was niet naar den zin van Oostenrijk, dat de Uskoken nu niet langer in bedwang hield; dezen verplaatsten daarop het tooneel hunner werkzaamheid, en stroopten wijd en zijd in Istrië en Dalmatië, onder bescherming van de keizerlijke vlag. Tastte de republiek hen aan, dan liep zij gevaar met Oostenrijk in oorlog te geraken; de republiek aarzelde en bepaalde zich tot de verdediging harer havens. Eindelijk liep het den Keizer toch te erg: hij wilde aan de verwoestingen een einde maken, en noodigde de republiek plechtiglijk uit, gezanten af te vaardigen, die getuigen zouden zijn van zijne strafoefening.

De opperhoofden der Uskoken werden te Segna zelf gevangen genomen en zonder verschooning opgehangen; de piraten werden ontwapend, en de venetiaansche onderdanen, die onder hen gevonden werden, aan de republiek teruggegeven; men liet in de stad slechts honderd ongewapende Uskoken; een paar honderd anderen werden naar Kroatië verjaagd; de overigen verstrooiden zich. Maar die handvol mannen, in de bosschen verscholen, sloeg den vijand nauwlettend gade; nog eer de keizerlijke stadhouder Segna verlaten had, drongen zij des nachts de stad binnen, belegerden hem in zijn bladzijde 24huis en vermoordden hem. Op dit bericht keerden de vluchtelingen en de opgejaagde booswichten zoo spoedig mogelijk terug; en het oude leven begon op nieuw.

Dit gebeurde omstreeks 1602: in deze tweede periode hunner geschiedenis ging het aantal der Uskoken nog geen zeshonderd man te boven, en die kleine schaar hield zich staande tegenover drie mogendheden met haar vloten en legers. Deze geschiedenis is bijna nog zonderlinger dan de stoutste verdichting. Eens hebben zij eene kleine havenstad uitgeplunderd; om hun buit te vervoeren, maken zij zich meester van de gansche visschersvloot van Sebenico, en laten de schuiten zinken, als zij ze niet meer noodig hebben. Te gelijker tijd drijven zij de stoutmoedigheid zoo ver, dat zij, met niet meer dan honderd-vijftig hunner manschappen, een aanslag wagen op het machtige Pola.


Pandoeren, een gevangen strooper bewakende.

Venetië blokkeert Segna; natuurlijk wordt de oostenrijksche handel daardoor belemmerd: de Keizer keert zich tegen de Uskoken, neemt hun hunne vloot af, en zendt die naar Fiume, om daar verbrand te worden. De Uskoken overvallen Fiume, nemen hunne schepen terug, en voeren op hunne beurt tachtig schepen van de burgers van Fiume als buit op sleeptouw mede. Ik ga vele dergelijke episoden met stilzwijgen voorbij. Eindelijk aan alle kanten benauwd en geperst, ontsnappen de piraten naar Dalmatië, plunderen en berooven de Turken, en zoeken een schuilplaats op venetiaaansch gebied. De republiek laat wel opzettelijk eene vloot bouwen om hen te kunnen aanvallen, maar nu haar vijanden haar niet meer openlijk bestrijden kunnen, nemen zij hun toevlucht tot list. Christoforo Verniero, scheepskapitein, loopt op zekeren dag met zijne galei in de haven van Pago binnen; de spionnen der piraten ontdekken hem; zij naderen het eiland, zetten een deel hunner manschappen bladzijde 26aan wal; glijden en sluipen, onder bedekking van den nacht, nevens de galei; enteren en veroveren het schip, werpen veertig passagiers in zee, en voeren hun buit naar Segna. Onderweg slaan zij zes officieren het hoofd af; aan land gekomen, richten zij een kolossaal feest aan, waaraan allen deelnemen, vermoorden Verniero, halen hem het hart uit het lijf, koken dat en eten het op. Zijne galei wordt in de haven aan den ketting gelegd; de kanonnen worden op de wallen der stad geplaatst.


Dalmatische herderin.

Aan dergelijke feiten en avonturen is geen einde. Minuccio Minucci, aartsbisschop van Zara, heeft ze opgeteekend in twee deelen, zoo te zeggen de visu geschreven, en later door Paolo Sarpi voortgezet. De Venetianen deinsden altijd terug voor het groote gevaar, waarmede de Uskoken hen telkens dreigden, namelijk een oorlog met den duitschen Keizer. Toch kon de republiek dien oorlog op den duur niet vermijden: wederom een historische episode, waarvan de rechtstreeksche aanleiding moet gezocht worden in de afpersingen der piraten. De Uskoken wonnen er niets bij: want hunne onmiddellijke buren, vast besloten tot hunne uitroeiing, keerden zich tegen hen, om zoo doende aan de wraak der Venetianen. die de gansche kust afliepen, te ontsnappen. De bewoners van Segna en Crissa, hunne beide roofnesten, grepen de wapenen op tegen de bandieten, en zonden het hoofd van hun aanvoerder naar Venetië. De republiek bleef nog steeds oorlogvoeren; Spanje bedreigde haar op zijn beurt; Frankrijk, destijds haar trouwe bondgenoot, trad bemiddelend op tusschen den Aartshertog en de Venetianen, en het zoogenaamde traktaat van Madrid kwam tot stand, dat den 26sten September 1617 te Parijs werd geratificeerd.

Een artikel van dat traktaat bepaalde, dat de Aartshertog een duitsch garnizoen in Segna zou leggen, en dat, zoodra dit geschied was, Venetië hem een der vestingen zou teruggeven, waarvan het zich gedurende den oorlog had meester gemaakt. Binnen twintig dagen na de dagteekening van het traktaat, zou eene beslissing genomen worden ten aanzien der Uskoken: hunne vaartuigen zouden verbrand worden, de piraten zelven verstrooid; en zoodra de volledige uitvoering van het traktaat goed verzekerd was, zou de republiek al het op het Rijk veroverde grondgebied weder afstaan.

Van de stoute en onverschrokken gasten, die aan machtige legers en vloten weerstand hadden geboden, waren er niet meer dan tusschen de vier- en vijfhonderd over, die inderdaad Uskoken of zonen van Uskoken konden heeten. Na eene zorgvuldige telling, verbande de Aartshertog ze allen met name: men wees hun landerijen aan in den omtrek van Karlstadt. Zij hadden Segna een eeuw lang bezeten, en waren nooit meer dan duizend man sterk geweest.

“In dertig jaar, zegt Leon Bruslart (de toenmalige fransche gezant), hadden zij aan de republiek dertig millioen gouds gekost, zoowel in buit gemaakte schepen, in nadeelen van anderen aard, als in betaalde vergoedingen aan de Turken of voor kosten van militaire uitrustingen.”

Naar men zegt, zouden de Uskoken, in 1617 naar Krain overgebracht, nog heden, onder hun waren slavischen naam, ten getale van meer dan duizend, in die provincie worden aangetroffen. Zij kleeden zich, naar men verhaalt, in witte wol, dragen des zomers linnen, en onderscheiden zich verder door eigenaardige zeden en gebruiken van de andere inwoners.

III.

Men telt in de golf van Quarnero niet minder dan dertig eilanden of klippen, als schepen te midden der golven geankerd, die allen bij de zeevaarders bij name bekend zijn. Vijf van deze eilanden, Cherso, Veglio, Lussine, Pago en Arbe, bevatten steden en havens. De anderen zijn eigenlijk niet meer dan klippen of rotsen (scogli); op de grootsten vindt men slechts enkele visschershutten. De drie eerstgenoemde eilanden behooren tot het markgraafschap Istrië, de twee anderen tot het koningrijk Dalmatië.

De reiziger, die van Pola naar Fiume vaart, heeft het eiland Cherso aan zijne rechterhand; oorspronkelijk maakte dit eiland een geheel uit met het eiland Lussine; maar ten gerieve van de scheepvaart, heeft men tusschen de beide eilanden een kanaal, het kanaal van Ossoro genoemd, gegraven, waarover eene smalle brug ligt, de Cavanella genoemd.

Cherso heeft eene lengte van niet minder dan vijf-en-dertig, en eene breedte van zeven mijlen; de kust is steil, de bergen zijn voor een deel kaal en naakt; de valleien, ook die het meest tegen den wind zijn beschermd, bieden slechts een steenachtigen, rotsigen bodem aan. Er wordt een weinig koren verbouwd, maar daarentegen veel wijn, olijven en honig. Een van de hoofdbronnen van de welvaart des lands is de veeteelt. De zee nabij de kust is zeer rijk aan visch; en in het meer Vrana, in het binnenland, vindt men palingen van zeldzame grootte.

De stad, waaraan het eiland zijn naam ontleent, telt ongeveer vijfduizend inwoners, en niet minder dan acht kerken. De haven is zeer goed, de kaaien zijn meerendeels met nieuwerwetsche gebouwen omzoomd; de stad zelve is aan haar steenen muurgordel ontwassen: zij heeft zich rechts en links uitgebreid en de berghellingen beklommen. Ondanks de olijvenkweekerij en den wijnbouw, ondanks de uitgebreide veeteelt ook, is Cherso toch hoofdzakelijk een land van zeevaarders en matrozen. De scogliari of eilandbewoners gaan dikwijls ver weg, tot in het uiterste Oosten, om hunne fortuin te beproeven; en de arme eilander, die met groote moeite en zware inspanning, door het kweeken van olijven of druiven, een schamel stuk brood verdient, wijst den vreemdeling met trotsche bewondering op de enkele gelukkigen, die als signori van hunne verre reizen zijn teruggekeerd.

Ossero, zoo als het eiland Lussine doorgaans genoemd wordt, is kleiner dan Cherso, maar bezit twee havens, Lussin-Grande en Lussin-Piccolo, die van zooveel belang zijn, dat sommige aardrijkskundigen het geheele eiland met den naam Lussine aanduiden. De stad Ossero treedt voor deze twee havens in de schaduw; zij ligt op een voorgebergte, op het eiland bladzijde 27Cherso, maar het kanaal, dat haar van het eiland Ossero scheidt, is zoo smal, dat de Cavanella bijna niet meer dan eene sluis is. Deze stad, die vroeger haar naam aan het gansche eiland schonk, is thans verlaten en als uitgestorven: zij telt niet meer dan eenige honderden inwoners: het leven heeft zich geheel saamgetrokken in de twee havens.

Lussin-Piccolo, naar den naam te oordeelen de kleinste der beide steden, is echter inderdaad de grootste; zij ligt aan den oever eener ruime, goed gesloten baai, aan den voet van een tamelijk hoogen berg. De ingang van de baai is zoo smal, dat wij eenmaal het anker uitgeworpen hebbende, de straat, waardoor wij de baai zijn binnen gevaren, niet meer terugvinden kunnen. Lussin-Piccolo is eene nijvere, vooruitstrevende stad, waar energie en kloeke ondernemingszucht woont; ook zij heeft haar muurgordel verbroken, en zich naar alle zijden langs de berghellingen uitgebreid; nog voortdurend zet zij hare palen uit, overal verrijzen nieuwe, witte, geheel moderne huizen. Zelfs de voorsteden, waar zich de scheepstimmerwerven, haar rijkdom en haar trots, bevinden, zijn allengs binnen den kring der wassende gemeente opgenomen, zoodat men nu, midden in de stad, schepen op stapel kan zien staan.

De bewoners van Lussine overtreffen al hunne buren in ijver, in levendigheid, in verstand, in zuinigheid en overleg; zij hebben van de gunstige omstandigheden uitnemend weten partij te trekken, en als het getij verliep, de bakens verzet. Zij bouwen de vaartuigen, die langs de geheele kust voor de kleine vaart gebruikt worden; ook kan geen andere haven van Istrië of Dalmatië met deze wedijveren voor den bouw van groote koopvaardijschepen. Tijdens mijn bezoek, wees men mij op een der werven, het grootste schip dat tot dusver hier gebouwd was. Er is als het ware een wedstrijd tusschen deze kleine, energieke stad en de scheepstimmerwerven langs de kust. Te Gravosa, de haven van Ragusa, was voor eenigen tijd een koopvaardijschip gebouwd, dat als het grootste werd beschouwd, dat daar nog ooit van stapel was geloopen. Eenige maanden later werd te Klein-Lussine de kiel gelegd van een schip van nog meer tonneninhoud. Tijdens mijn verblijf stonden er acht schepen op stapel. De zee dringt schier als eene wigge in de stad door; overal zijn kaden; de gansche stad is een haven, en de geheele haven is stad. De bewoners zijn tegenwoordig geen reeders meer, maar houden zich hoofdzakelijk met scheepsbouw bezig; zij trekken dus al het voordeel van hun arbeid, en zijn niet blootgesteld aan verliezen door het vergaan van schepen. Gedurende den Krimoorlog hebben velen hunner fortuin gemaakt, door ten behoeve der Franschen, Engelschen, Piemonteezen en Turken, hunne schepen te verhuren voor het vervoer van allerlei krijgsbenoodigdheden.

Tegenwoordig liggen de stoombooten viermaal in de week te Lussine aan; deze stad is, ondanks hare weinig talrijke bevolking, die hoogstens omstreeks vijfduizend zielen kan bedragen, eene van de belangrijkste der gansche kust. In 1848 telde zij niet meer dan vijf-en-twintighonderd zielen.

Van al deze eilanden is Veglia het vruchtbaarste en meest bevolkte; het ligt onder de kust van Kroatië, waarvan het door het kanaal van Maltempo is afgescheiden. Op de kaart schijnt dit kanaal smal en gemakkelijk over te steken, maar inderdaad is dit niet het geval; de vaart van het eene eiland naar het andere in een visschersvaartuig, is eene heele reis. De bevolking van het schoone eiland, tusschen vijftien kleine stadjes en meer dan vijftig dorpjes en gehuchten verdeeld, bedraagt ongeveer vijf-en-twintigduizend zielen. De inwoners leggen zich minder dan die van Cherso op de zeevaart toe, en zijn ook minder welvarend, ondanks de uitnemende vruchtbaarheid van den grond. Van het eiland Veglia ontvangt Fiume schier al zijne benoodigdheden: koren, olie, wijn, heerlijke vruchten. Wij steken van Porto-Re de straat over naar Castelmucchio; langs een zeer moeilijken en vermoeienden weg, alleen bruikbaar voor voetgangers of voor de kleine, zenuwachtige, zeer vlugge paarden, die op het eiland geboren en ook naar elders uitgevoerd worden, wandelen wij, dwars door het eiland heen, naar het stedeke Veglia. Die kleine havenstadjes gelijken allen op elkander. Zij zijn allen gebouwd aan een door de natuur gevormden inham van de hooge kust, eene kalme baai, die door de omringende bergen tegen de aanvallen van de geduchte bora beveiligd wordt. Langs den oever, half tegen de berghellingen opklimmende, groepeeren zich dan, in vaak schilderachtige wanorde, de witte huizen van het kleine vlek, half handelstad, half visschersdorp.

De geschiedenis van het eiland Veglia is zeer belangwekkend en rijk aan afwisseling. Sinds de vroegste tijden, waarvan de kronieken melding maken, was dit eiland eene zelfstandige republiek, waarvan de magistraten gezamenlijk door de edelen en de plebejers, ieder voor een deel, werden verkozen. Aan het hoofd van het uitvoerend bewind stond de hoogste overheidspersoon, met den titel van Graaf, die voor een jaar gekozen werd. Doch daar het eiland telkens aan de aanvallen der zeeroovers bloot stond en reeds herhaaldelijk de bescherming van Venetië had moeten inroepen, gaf de kleine republiek zich zelve, in de twaalfde eeuw, vrijwillig aan Sint-Marcus. In 1260, tijdens het bestuur van den Doge Rainero Zeno, werd het eiland, door de regeering van Venetië, tot een leen verklaard ten behoeve van de broeders Zuane Schinella, patriciërs van edelen stam. Zonder van zijne rechten of bezittingen afstand te doen, verklaarde de Senaat het gezag over het eiland erfelijk in deze familie, die den titel had aangenomen van graven van Frangipani. Omstreeks dienzelfden tijd zwierf Bela IV, de verdreven Koning van Hongarije, door de Turken achtervolgd, als vluchteling langs de naburige kust; hij zocht en hij vond eene schuilplaats op Veglia. De inwoners, vreezende dat de Turken hen zouden overvallen, hielpen nu Bela een leger bijeen brengen; de onttroonde Koning stak daarmede naar den vasten wal over, verjoeg de Turken en herwon het land. Ter belooning voor de bewezen hulp, gaf Bela aan de Frangipani de stad Segna ter leen. Toen vormde zich een hongaarsche partij op Veglia, en het eiland zeide de gehoorzaamheid aan Venetië op. Maar de Senaat duldde geen verzet van de zijde zijner koloniën: hij bladzijde 28vaardigde gezanten af naar graaf Zuane, die weigerde zich te onderwerpen. Welhaast uit zijne bezittingen verdreven, moest Zuane een wijkplaats zoeken in Segna, en do standaard van Sint-Marcus wapperde op nieuw op het eiland. De macht der Frangipani ging allengs te gronde. Volgens eene vrij algemeen verspreide overlevering, zouden de inwoners van Veglia, eeuwen lang, de herinnering aan de Frangipani hebben bewaard, en, ter gedachtenis aan dit geslacht, de gewoonte aangenomen om, bij wijze van rouw, donker gekleurde kleederen te dragen.

Veglia heeft een eigen bisschop; ook was ik getroffen over het groot aantal priesters, die ik op het eiland ontmoette: ook dat is trouwens nog eene herinnering uit den tijd der Venetianen. Men vond in de golf van Quarnero een aantal kloosters, meerendeels door de rijke patriciërs gesticht en mild begiftigd. Nog heden ontwaart de reiziger, die deze eilanden doorkruist, hier en daar, op eene eenzame plek, op een schilderachtigen heuveltop, een eerwaardig kloostergebouw, op welks muren nog het fiere blazoen van Sint-Marcus prijkt.

De twee dalmatische eilanden, Pago en Arbe, zijn veel kleiner. De kust langs het kanaal della Morlacca, dat deze eilanden van den vasten wal scheidt, is steil, wild en rotsachtig. Daar heerschen telkens geweldige winden, en de hoogste terreinen van deze eilanden zijn onbewoond en onbebouwd; maar aan de andere zijde, langs de kust van den Quaruerolo, is de bodem vruchtbaar en wel bebouwd: daar tieren olijven, wijngaarden en moerbeziënboomen. De bevolking splitst zich in zeevaarders en landbouwers, tevens veefokkers; de vischvangst is zeer bloeiend en levert rijke uitkomsten op.

Pago maakt een zeer eigenaardigen indruk: dit eiland is eigenlijk eene aaneenschakeling van kleine eilandjes, door smalle landtongen aan elkander verbonden. De stad van gelijken naam is in de zestiende eeuw door de Venetianen gebouwd; het besluit van den Senaat, waarbij de bouw der stad binnen een bepaalden tijd werd gelast, berust nog in de archieven. Pago, een der sleutels van den Quarnero, was een punt van groot strategisch gewicht; wie hier gebood, was meester van een der uitgangen van het kanaal della Morlacca, en kon dus gemakkelijker de Uskoken in Segna blokkeeren. De Venetianen bouwden hier een citadel, legden een haven aan, en richtten de plaats in tot militaire post en station voor de galeien, die voor de veiligheid der golf moesten zorgen. Het eiland telt een tiental dorpen of gehuchten; Pago levert wijn op, het bezit ook rijke zoutputten en een steenkolenmijn.

De reiziger, die een tocht door deze eilanden wil doen, moet zich van den noodigen voorraad voorzien en alles wat hij behoeft zelf medenemen. Men kan zich moeilijk een begrip vormen van de levenswijze der bewoners van het binnenland. Op Cherso, Veglio en Ossero vindt men langs de kust, en vooral in de havens, althans een onderkomen, en wanneer men zijne eischen zeer matig stelt, kan men hier ook het noodige voor levensonderhoud bekomen. Maar als men de havens verlaat, om hetzij te paard, hetzij te voet, een dezer eilanden in zijne lengte en breedte te doorkruisen, is zelfs voor goud noch logies, noch voedsel te bekomen; en nog altijd herinner ik mij den afschuwelijken smaak van een schotel olijven, in olie drijvende, die eene arme vrouw van Val Cassione, ter eere van den vreemdeling, met suiker had bestrooid en mij voorzette.

IV.

De tocht van Fiume naar Zara duurt zeventien uren; wie van Lussin-Piccolo vertrekt, hoeft slechts zes uren noodig om de hoofdstad van Dalmatië to bereiken. Bij fraai weder, is zulk een zeereisje een waar genot. De uitstekend ingerichte stoombooten van de Lloyd varen steeds dicht langs de kusten; ge telt achtervolgens al die kleine havenstadjes en schilderachtige dorpen, half wegschuilende tusschen de bergen; met rustige zekerheid vervolgt de boot haar weg door dien doolhof van kanalen, zich slingerende tusschen de tallooze eilandjes en klippen, langs de kusten gestrooid.

De meest geschikte tijd voor een pleiziertochtje in de Adriatische-zee is de lente of het begin van den herfst. November is een noodlottige maand, en de laatste dagen van den winter zijn vol van gevaren. Naarmate men het Oosten nadert, worden de kleuren en tinten levendiger; de wateren schijnen met zilver overstrooid; de donkere bergen schijnen te zweven in een van licht stralenden, van goudglans doortrokken ether.

Dalmatië vormt eene smalle strook lands, door Kroatië en Herzegowina begrensd, en zoo zeer tusschen de bergen en de zee ingeklemd, dat het schijnt of de kust in eene ontelbare menigte eilanden en eilandjes is verbrokkeld. Op sommige punten is deze strook zoo smal, dat de Turken, van de toppen der bergen, eene in de dalmatische havens voor anker liggende vloot zouden kunnen beschieten. Ten zuiden, omstreeks Ragusa, heeft het land de minste breedte; even beneden Sebenico, tusschen kaap la Planca en den berg Dinara, is de breedte het grootst.

Een der zijtakken van de Alpen loopt in zuidoostelijke richting van Krain tot nabij Griekenland, scheidt het bekken van de Adriatische-zee van het stroomgebied van den Donau on de Zwarte-zee, en sluit zich ten zuiden aan de gebergten van Epirus aan. De van dezen bergrug uitgaande zijtakken en heuvelklingen, die naar het zuiden en zuidwesten loopen, vormen de bergen van Dalmatië.

Vier rivieren, die in sommige gedeelten van haar loop vrij belangrijk zijn, vormen vier bekkens, en splitsen de bergen van Dalmatië in vier onderscheidene groepen. Deze rivieren vloeien, door meer of minder diepe valleien, naar de Adriatische-zee: en naarmate zij de kust naderen, nemen de bergen in hoogte toe, en eindigen meestal in zeer hooge, steile rotskegels.

Die vier rivieren zijn: de Zermagna, die de grensscheiding met Kroatië vormt; de Kerka, dio dicht bij de Zermagna ontspringt, langs het fort Knin vloeit, bij Scardona een beroemden waterval vormt, en bij Sebenico in de Adriatische-zee uitloopt; de Czettina, die eerst van het noorden naar het zuiden, vervolgens naar het westen loopt, en bij Almissa in zee valt; en eindelijk de Narenta, die in Herzegowina ontspringt, twintig mijlen van de dalmatische grens verwijderd, bladzijde 30en zich in de moerassen boven Fort-Opus verliest.


Muziekanten.

De bodem is dor, hard, steenachtig, dikwerf voor bebouwing ongeschikt; in sommige streken, zoo als, bij voorbeeld, tusschen Zara en Knin, vindt men op eene uitgestrektheid van vijf of zes mijlen, nergens bouwland: ter nauwernood bespeurt men hier en daar, op de toppen der heuvelen, of tusschen de rotsen, eenige dwergachtige, schrale boomen. Kudden van klein, mager vee vormen schier al den rijkdom des lands; en de Dalmatiër, hoezeer matig en arbeidzaam van aard, aan inspanning gewend, heeft toch dikwijls moeite in zijn onderhoud te voorzien. De oude bosschen van Dalmatië, die nog in den atlas van Coronelli, den geograaf der doorluchtige Republiek, voorkomen, bestaan tegenwoordig niet meer, tenzij dan in de gedaante van doornig struikgewas. De vernieling dezer bosschen wordt hoofdzakelijk toegeschreven aan de geiten, die de jonge uitspruitsels der boomen afknabbelen; toen, in het begin dezer eeuw, de fransche troepen Dalmatië bezetten, bedroeg het getal dezer dieren, naar men zegt, niet minder dan elfhonderd-duizend. Tijdens het venetiaansche bestuur bestonden er bepalingen, waarbij het getal der geiten werd beperkt en regelen gesteld voor het weiden.

Het land is arm, maar de bevolking is wel de aandacht waardig. Naar men zegt, sterven vele kinderen, ten gevolge der heerschende armoede, op zeer jeugdigen leeftijd; de sterkeren alleen blijven in leven, en zoo doende verbetert het ras. De bevolking van Dalmatië is sterk, moedig, prikkelbaar en vatbaar voor geestdrift; de bewoners zijn voor het meerendeel zeer onwetend, maar zoo het hun aan kennis ontbreekt, bezitten zij daarentegen de vrij wat kostelijker gaven van eenvoud des harten, oprechtheid en onwankelbare loyauteit. Men heeft Dalmatië, niet ten onrechte, het land der deuren zonder sloten genoemd. Diefstal is onbekend; de misdrijven, welke hier voorkomen, zijn die van mannen, gewoon hun tegenstander in het aangezicht te weerstaan, en die gruwen van lafheid en huichelarij. Deze groote, stevig gebouwde, sterk gespierde Dalmatiërs, met hunne edele gelaatstrekken en hun krijgshaftig voorkomen, zijn niettemin lui en zorgeloos; hunne vrouwen moeten den zwaarsten arbeid verrichten, terwijl de mannen rustig zitten te rooken. Zij zorgen niet voor den dag van morgen, en spaarzaamheid is hun eene bijna onbekende deugd. Nog in den laatsten tijd volgde, op jaren van betrekkelijk overvloedigen oogst, een enkel jaar van misgewas: dadelijk heerschte alom de grootste ellende; niettemin was de veiligheid in het door den honger geteisterde land niet minder volkomen dan vroeger.

Het aantal reizigers, die het land in alle richtingen hebben doorkruist, is niet groot; en daar men dit niet anders dan te voet of te paard kan doen, is het aantal van hen, die eene beschrijving van hunne reis in het licht hebben gegeven, nog geringer. Dalmatië is geen land voor onze moderne toeristen, die zich niet gaarne blootstellen aan de ongemakken der reis in een streek, waar men soms honger en dorst lijden kan, en bijna geen van de gemakken vindt, waaraan het leven ons gewend heeft. Echter kan men, met eenige zorg zijn dagreizen berekenende, welhaast zeker zijn, dat men bijna altijd gelegenheid zal vinden om behoorlijk te overnachten en in een bed te slapen.

Wegen zijn zeldzaam, maar zij zijn volkomen veilig, ondanks het woeste karakter des lands, het krijgshaftige, min of meer ruwe voorkomen der bewoners, en het arsenaal van wapenen, dat ieder hier steeds bij zich draagt. De Dalmatiër is gastvrij, en geheel onbekend met die streken en kunstgrepen, die geen ander doel hebben dan om den reiziger af te zetten, en zooveel mogelijk voordeel van hem te trekken. De levenswijze is meer dan eenvoudig en vordert dus niet veel uitgaven; de eenige uitgave, waar men niet buiten kan, is die voor de middelen van vervoer. Op de weinige groote wegen is het vervoer, zelfs per as, zeer duur; en wanneer men de bergpaden moet volgen, en paarden, muilezels en gidsen moet huren, dan loopt dit betrekkelijk zeer hoog; maar daar de overige verteringen weinig te beteekenen hebben, weegt het een weer tegen het ander op. Wie in Dalmatië wil gaan reizen, moet zorgen altijd wat brandewijn en eenige ingelegde spijzen bij zich te hebben; want het is mij meermalen overkomen, dat ik, na een vermoeienden rit van tien uren langs bijna onbegaanbare wegen, in eene armelijke woning komende, honger moest lijden, omdat de bewoners, ook met den besten wil der wereld, mij zelfs geen ei of een handvol rijst verschaffen konden.

De illyrische oorlogen leverden dit land in handen der Romeinen, die het in drie provinciën verdeelden, een soort van vazalstaten, welke wel het oppergezag van Rome erkenden, maar overigens eene groote mate van zelfstandigheid behielden. Het dalmatische gemeenebest was voorspoedig en welvarend: het telde niet minder dan tachtig steden, en was in staat legers op de been te brengen, die, Rome's oppergezag miskennende, zelfs de romeinsche koloniën te Lissa en Trau aantastten. Dezen riepen de hulp in van den Senaat, en nu begon een reeks van oorlogen, die honderd-vijftig jaar lang voortduurden; wel een bewijs, dat de Romeinen hier met een dapper en energiek ras te doen hadden. Agrippa, Tiberius, Germanicus, Octavius-Augustus moesten het land voet voor voet veroveren; in het negende jaar der christelijke jaartelling was geheel Dalmatië eindelijk voor goed onderworpen aan de heerschappij van het keizerlijke Rome. Tot dusver had het land den naam gedragen van Illyrië; nu werd het Dalmatië genoemd, en daar het ongehoorzaam was geweest aan het gezag der machtige metropolis, moest het voortaan alle zelfstandigheid missen. Dit gemis werd echter opgewogen door grooten bloei en ongekenden voorspoed; verder deelde Dalmatië in de lotgevallen des rijks. Toen de barbaren uit het Oosten naar het Westen drongen, vernielden zij op hun weg al die bloeiende en prachtige steden, waarvan wij nog de verstrooide ruïnen aanschouwen: Scardona, Salona, Epidaurus, Nona, Promona en zoovele anderen.

Achter de Gothen en Avaren komen de Kroaten en de Serviërs, die het land onder zich verdeelen; dan komt Dalmatië onder de heerschappij der grieksche Keizers; later, tijdens de oorlogen tusschen de Turken en het wegstervende byzantijnsche rijk, nemen de Koningen van Hongarije de plaats der Keizers in. Beurtelings bladzijde 31oefent bijna iedereen de heerschappij in Dalmatië uit: de Sarraceenen, de Venetianen, de Napolitanen, zelfs de Genueezen; de piraten van Narenta richten zulke verwoestingen aan, dat Venetië de Dalmatiërs te hulp komt, en, tot prijs voor deze bescherming, hun de onafhankelijkheid ontneemt.

Eerst bij het traktaat van 6 September 1669 echter, dat, door den afstand van het eiland Kandia. een einde maakte aan den langdurigen oorlog tusschen de Turken en de Venetianen, werd door Turkije de souvereiniteit erkend van de republiek over het gansche kustland van Cattaro tot aan de golf van Triëst; van weerszijden worden gevolmachtigden benoemd tot regeling van de grensscheiding. De heerschappij van Venetië duurde, ondanks de pogingen van enkele oproerige steden om het vreemde juk af te schudden, driehonderd-vijftig jaar, tot op het traktaat van Campo-Formio, den 17den October 1797 gesloten. Daarbij werden Istrië, Dalmatië, de voormalige venetiaansche eilanden in de Adriatische-zee, Cattaro en Venetië zelve aan den Keizer-Koning van Duitschland afgestaan. De oostenrijksche heerschappij duurde echter ditmaal niet lang: reeds den 9den Februari 1806, bij het traktaat van Presburg, werd Dalmatië aan Frankrijk afgestaan. Napoleon lijfde het land bij het koningrijk Italië in, en schonk aan den maarschalk Soult den titel van hertog van Dalmatië. In Juli 1809 drongen de Oostenrijkers het land binnen; maar bij den vrede van Weenen werd het op nieuw aan Frankrijk afgestaan. Nu werd het echter van Italië gescheiden, en van 1809 tot 1814, met de andere aan Oostenrijk ontweldigde en onder den naam van Illyrische provinciën vereenigde gewesten, bestuurd door gouverneurs-generaal, die hunne residentie te Laibach hadden. De eerste dezer stadhouders was Marmont, begiftigd met den titel van hertog van Ragusa. Na den val van Napoleon werd het land, bij de traktaten van 1815, weder aan Oostenrijk teruggegeven, waartoe het tot heden behoort.

Het koningrijk Dalmatië is in vier kreitsen verdeeld, die elk een zeker aantal distrikten bevatten; de hoofdstad des lands is Zara, tevens de residentie van den stadhouder, tegenwoordig Baron Rodich, in wiens handen zoowel het burgerlijk als het militair gezag berust. De vier kreitsen dragen, naar de hoofdplaatsen, de namen van Zara, Spalato, Ragusa en Cattaro. Tot den kreits van Zara behooren de eilanden Pago en Arbe, en voorts de distrikten Zara, Obbrovatz, Knin, Scardona, Dernis en Sebenico. De kreits van Spalato bevat de districten Spalato, Trau, Sign, Almissa, Smorchi, Brazza, Lissa, Macarsca en Fort-Opus. Tot den kreits van Ragusa behooren de districten Curzola, Sabioncello, Slano, Ragusa en Oud-Ragusa; en tot den kreits van Cattaro de distrikten van Castel-Nuovo, Cattaro en Budua. Zara telt tweehonderd-vier-en-negentig gemeenten; Spalato, tweehonderd-een-en-vijftig; Ragusa, honderd-veertig, en Cattaro, honderd-vier.

Tegen het einde van het venetiaansche bestuur telde Dalmatië tweehonderd-twee-en-vijftigduizend inwoners; toen de maarschalk Marmont eene volkstelling liet houden, schatte hij de bevolking op tweehonderd-vijftigduizend zielen, die bijna allen de katholieke godsdienst beleden; de aanhangers der grieksche kerk schatte hij op niet meer dan een tiende van het geheel. In 1838 bedroeg het totaalcijfer der bevolking ruim drie-honderd-vijftigduizend; de verhouding tusschen de Slaven en de Italianen was toen van driehonderd-veertigduizend tot zestienduizend, bijna allen kustbewoners. In 1844 werd de bevolking op vierhonderd-drieduizend zielen geschat; de laatste opgaven geven een cijfer aan van ruim vierhonderd-vijftigduizend. Er is dus ontegenzeggelijk vooruitgang; niettemin is de bevolking gering, in verhouding tot de uitgestrektheid des lands.

Venetië oefende haar gezag uit door middel van beambten, die naar Dalmatië gezonden werden om in naam van de republiek en den Senaat het bewind te voeren; zij droegen den naam van proveditoren, en waren zoowel met het burgerlijk als het militair gezag bekleed; naar gelang van de belangrijkheid der stad, voerden zij den titel van graaf, gouverneur, kapitein of burchtvoogd, maar zij stonden allen onder de bevelen van den proveditor-generaal, die rechtstreeks briefwisseling voerde met den Senaat en den Doge. Te Zara en te Spalato werden die proveditoren in het bestuur bijgestaan door een raad van drie patriciërs, uit Venetië gezonden. Maar daar de republiek nimmer haar stelsel van argwanende controle liet varen, en daar zij hare koloniën wenschte te beschermen tegen mogelijk misbruik van macht van de zijde dezer proveditoren, werd telkens om de drie jaar eene buitengewone commissie, bestaande uit drie senatoren, afgevaardigd, om een algemeen onderzoek in te stellen, en tevens aan allen, die meenden zich over handelingen van het bestuur te moeten beklagen, gelegenheid te geven, die klachten persoonlijk in te brengen. Deze buitengewone commissarissen traden met groote staatsie en veel vertoon van indrukwekkende macht op: tot hun gevolg behoorde ook de beul, in het rood gekleed en met het zwaard in de hand. Later werd, vooral op aandrang der proveditoren, de taak dezer commissie eenigszins gewijzigd.

Tegenwoordig heeft iedere stad haar gemeenteraad, die belast is met de zorg voor de stoffelijke en zedelijke belangen der burgerij. De behartiging van de algemeene belangen des lands is opgedragen aan den Landdag van Dalmatië, eene vertegenwoordigende vergadering, waarvan de leden gekozen worden, en die te Zara bijeenkomt. De Landdag vaardigt eenigen zijner leden af naar den Rijksdag te Weenen; de bijzondere belangen van Dalmatië worden dus ook in de hoogste regeeringscollegiën der monarchie vertegenwoordigd. De zittingen van deze vergadering te Zara kunnen soms onstuimig genoeg zijn, wanneer de politieke hartstochten der verschillende partijen worden opgewekt.


Sieraden der Dalmatiërs.

In den Landdag van Dalmatië staan, even als in dien van Istrië, drie partijen tegenover elkander: de italiaansche partij, de slavische partij, en de duitsche partij. Elk van deze drie maakt voor zich aanspraak op de heerschappij. De groote intellektuëele en staatkundige beweging, in de laatste jaren voornamelijk van Agram uitgegaan, en de oprichting eener slavische universiteit, hebben de slavische partij aanmerkelijk versterkt en een vasten bodem voor haar streven geschapen. bladzijde 32De slavische idee ligt ten grond aan de herhaalde bewegingen en opstanden in de aangrenzende turksche provinciën; zich harer kracht bewust, streeft zij er naar, zich een vasten vorm te verschaffen, uitdrukking te vinden, tot werkelijkheid te worden. Het ware roekelooze verblinding, dit niet te zien, en gevaarlijke zelfmisleiding het gewicht van deze verschijnselen te miskennen. Blijkbaar woelt en werkt in de gemoederen dezer bevolkingen het denkbeeld eener slavische eenheid; en wellicht is de dag niet zoo verre meer, waarop de Slaven in Bohemen en Moravië, of althans die in Kroatië, in Servië, in Bosnië, in Herzegowina, in Dalmatië, in Bulgarije en Montenegro, alle onderlinge verdeeldheid vergetende, en de slagboomen, die hen nu nog scheiden, verbrekende, zich onder de banier van één hoofd zullen scharen, en met haastige schreden zullen jagen naar de verwezenlijking van een ideaal, waarvoor men nog niet durft uitkomen, maar dat geen geheim kan zijn voor ieder, die met eenige aandacht de stemming der bevolking in deze gewesten heeft gade geslagen.


Stedelijk gendarme te Sebenico.

bladzijde 34

Niemand kan zeggen, hoe lang het nog duren zal eer de groote slavische beweging zulke kolossale afmetingen zal aannemen, en eene overweldigende macht zal worden. Om haar einddoel te bereiken, zal zij zeer geduchte vijanden moeten overwinnen en een harden kamp hebben te voeren; voor meer dan één europeeschen staat geldt het hier inderdaad de kwestie van te zijn of niet te zijn. Welke houding zal Rusland, welke Oostenrijk tegenover deze beweging aannemen? Van welken invloed zal zij zijn op de naaste toekomst van het vermolmde rijk der Osmanlis? Ziedaar vragen, waarin wij ons nu niet willen verdiepen, en waarop het ook onmogelijk is, thans een antwoord te geven. Dit is zeker: even als Europa eene italiaansche en eene duitsche kwestie gekend heeft, waarvan de tijdelijke of definitieve oplossing op stroomen bloeds en tranen is komen te staan, zoo zal het ook weldra eene slavische kwestie leeren kennen, die niet minder beroeringen, omwentelingen en oorlogen in haar schoot verbergt. Ieder ziet en gevoelt dit; zonderling echter is het, dat zij, die, waar het de unificatie van Duitschland, of liever de onderwerping van Duitschland aan Pruissen gold, elk middel geoorloofd rekenden, die verraad en onrecht, geweld en roof toejuichten, mits ze maar bevorderlijk waren aan het groote doel;—dat diezelfde lieden, voor wie het recht der duitsche eenheid boven alle bedenking stond, en elk ander recht beheerschte, nu aan de Slaven het recht betwisten, het hun gegeven voorbeeld na te volgen en op hunne beurt naar nationale en politieke eenheid te streven! Dat de verwezenlijking van dit slavische ideaal voor Pruissen-Duitschland minder aangename gevolgen zou kunnen hebben, is toch op zich zelve geen reden, waarom het streven der Slaven ongeoorloofd moet worden genoemd? Van historisch recht mag hier geen sprake zijn: de moderne staatslieden en rechtsgeleerden hebben ons immers sedert lang aangetoond en metterdaad bewezen dat dit niet bestaat?

V.

Mocht een mijner lezers ooit Zara bezoeken, dan wensch ik hem toe, dat hij daar te scheep aankome, in het begin van den herfst, met mooi frisch weer, liefst des morgens, als de zwevende nevels wegsmelten voor de stralen der rijzende zon. Een voor een zal hij dan de eilanden, die het kanaal van Zara vormen, uit den wijkenden morgennevel zien opdoemen: en weldra vertoont zich aan zijn blik de blanke stad zelve, binnen hare muren omsloten, en fier haar vele torens en spitsen ten hemel heffende.

De stad slaapt nog en de kaaien zijn ledig: enkele pandoeren, geheel met zilver en blinkende muntstukken bedekt, de roode muts met gouden pailletten op het hoofd, zitten op den oever, hun kersenhouten pijp rookende, en naar ons vaartuig ziende. Achter ons laat zich een eigenaardig geluid hooren: omziende bespeuren wij twee groote inlandsche vaartuigen, met hun eenvoudige lijnen, hun rood en zwart geverwden voorsteven, waarop nevens andere figuren twee groote fantastische oogen geschilderd zijn. Zachtkens door den morgenwind voortgestuwd, voeren deze vaartuigen een honderdtal vrouwen en jonge meisjes van de naburige eilanden naar de stad; eene nieuwe wereld, de wereld van het Oosten, gaat voor ons open.

Wij treden de stad binnen door de poort van San-Chrysogone, eene romeinsche poort, in den venetiaanschen muur gevat, waarop de republiek haar fier blazoen met den leeuw van Sint-Marcus heeft gebeiteld. De straten der stad zijn recht en snijden elkander rechthoekig. Men gevoelt aanstonds dat Zara eene militaire stad is, weleer een der hoofdbolworken tegen de Turken en de Hongaren, en telkens aan de aanvallen der vijandelijke naburen bloot staande.

Wij nemen onzen intrek in het Capello-Nero, een klein hotel, waarvan de met wijngaarden beplante binnenplaats aan Venetië herinnert. Naar onze gewoonte, gaan wij, zonder vooraf vastgesteld plan, uit en de stad in, als op eene ontdekkingsreis.

Eerst naar de markt. Hier is de algemeene verzamelplaats der landlieden uit het binnenland van Dalmatië, en der vrouwen van de eilanden; de kleederdrachten zijn vol karakter en van bijkans oneindige verscheidenheid: elk distrikt heeft zijn eigenaardig kostuum, elk dorp zijne eigene mode. Bijna alle vrouwen dragen witte linnen hemden, op de borst en de mouwen met fraai gekleurde borduursels versierd. Over dit hemd dragen zij een overrok zonder mouwen, donkerblauw van kleur, van voren open, en versierd met gele, roode, donkergroene oplegsels; de zakken prijken met zonderlinge borduursels van kleine witte schelpen en pailletten. De koperen gordel is bezet met tallooze zilveren knoppen; het voorschoot gelijkt een duizendkleurig tapijt van Khorassan: het reikt tot aan de knieën, en is van onderen voorzien van eene lange franje van dezelfde kleur en stof; kousen of beenkleeden van dezelfde stoffage, met de hand geweven, bedekken ten deele de opanké, het schoeisel der Slaven, uit schapenvel vervaardigd, dat op den voet met strooien koorden wordt vastgebonden. Om den hals prijken een aantal kettingen, die vrij laag op de borst afhangen, en deels uit glaskoralen, deels uit muntstukken, uit amuletten, ruwe turkoisen en allerlei andere steenen bestaan. De jonge meisjes vooral dekken zich het hoofd met de roode muts met goudgalon en gouden pailletten; anderen dragen een grooten witten sluier of huive, die met een punt tot op het midden van den rug afhangt, en met een breed rood lint is omzoomd.

Dit is de algemeene type; maar ten aanzien van bijzonderheden en kleur zijn daarin zoo vele afwijkingen en verscheidenheden, dat het geheel den indruk maakt van een groot mozaiek. De dames der stad komen, door hare dienstboden gevolgd, ter markt om haar inkoopen te doen: haar westersche, moderne kleederdrachten vormen een scherp contrast met de kostumen der landbewoners. De marktplaats zelve maakt niet veel indruk; zij is eerst in later tijd aangelegd en bebouwd: de stijl is een verbasterd gothisch, met byzantijnsche elementen vermengd, zoo als dat ook nog te Venetië in zwang is. Aan een der hoeken staat, als op de meeste italiaansche markten, een kolossale antieke zuil, volgens zeggen, afkomstig van een tempel bladzijde 35van Diana, waarvan men nog de overblijfselen ziet in den tuin der artillerie-kazerne. Op de zuil staat de leeuw van Sint-Marcus met gebroken vleugels; het voetstuk bestaat, even als dat der zuil van de Piazzetta, uit trappen; even als te Verona, te Vicenza en te Venetië, hangt nog op manshoogte aan de zuil de ijzeren ketting van het brandmerk voor de bankroetiers. Men was destijds nog naïef genoeg, een bankroetier als een misdadiger te beschouwen. Wij zijn sedert vooruit gegaan.

Een vriendelijk voorbijganger biedt zich welwillend aan om mij te geleiden, en met hem bezoek ik achtervolgens vijf of zes kerken: den dom, Sint-Chrysogonus, Sinte-Anastasia, Sinte-Maria, Sint-Simeon, Sint-Franciscus, en eenige kloosters.

De dom verdient ten volle de belangstelling: hij dagteekent uit de dertiende eeuw, is uitnemend bewaard gebleven en wordt goed onderhouden; in lombardischen stijl gebouwd, vertoont hij veel overeenkomst met de kerk San-Zenone te Verona. Even als de meest oud-lombardische basilieken, heeft ook deze dom drie schepen, ieder met een afzonderlijken ingang; de kerk is zeker een der merkwaardigste overblijfselen van den oudchristelijken bouwstijl in Dalmatië. De hoofdgevel staat geheel vrij; ook in een zijstraat bevindt zich een zeer fraaie gevel. Aan het altaar ziet men een hoogst merkwaardig beeldwerk, dat mij toescheen afkomstig te zijn uit de eerste eeuwen onzer jaartelling. De eerste steen van dezen dom werd gelegd door den Doge Enrico Dandolo, na de verovering der stad door de Venetianen en de Franschen, bij den aanvang van den vierden kruistocht.

De kerk van Santa-Maria is mede een zeer fraai gebouw, met een ruim voorplein; zij behoort tot een Benediktijner klooster, dat in de elfde eeuw werd gesticht door de zuster van Cresimus, Koning van Kroatië. Een oude toren, evenwel van veel jonger datum en in den lombardischen stijl gebouwd, dankt zijne stichting aan Koloman, Koning van Hongarije, die Dalmatië veroverde.

Al voortwandelende door deze lange rechtlijnige straten, door de ingenieurs der zestiende eeuw aangelegd, komen wij op de Piazza de'Signori, die nog zeer goed onderhouden is en herinnert aan al soortgelijke pleinen in de steden van Opper-Italië. Het niet zeer ruime plein is vierkant; het prijkt met twee monumentale gebouwen, waarvan het een, tegenwoordig tot bibliotheek dienende, blijkbaar vroeger werd gebruikt voor de bureaux van den proveditor-generaal en de zittingen der afgevaardigden. Daar werden de wetten afgekondigd en der rechterlijke uitspraken en vonnissen den volke bekend gemaakt. Het heeft eene ruime loggia met drie gesloten bogen, in een strengen, soberen stijl, overeen komende met dien van Palladio. Het inwendige is naakt en koud; van de vroegere versiering is niets meer overgebleven dan een reusachtige schoorsteen, en een steenen tafel door heraldieke griffioenen gedragen, en met het opschrift: Hic regimen purum magnaque facta manent. Het beeldwerk in deze zaal verraadt de meesterhand; in de vakken der wanden vermelden opschriften de namen der proveditoren. Boven de boekenkasten, te hoog om goed gezien te kunnen worden, hangen portretten en kopiën naar Tintoretto, waarschijnlijk geschenken van senatoren. Een zeker hoogleeraar aan de universiteit van Turijn, van Zara geboortig, Dr. Paravia, heeft zijne bibliotheek aan zijne vaderstad ten geschenke gegeven; zij is thans geplaatst in deze ruime zaal. Wij werden hier zeer vriendelijk ontvangen door den bibliothekaris, den heer Simeone Ferrari Cupich.

Vlak tegenover de Loggia staat de hoofdwacht, door Sammicheli gebouwd, maar tegenwoordig ontsierd door een toevoegsel uit de achttiende eeuw. Op het plein bevindt zich ook nog het voornaamste koffiehuis der stad, waar de oostenrijksche officieren plegen bijeen te komen. Deze Piazza is het hart van Zara; het Corso loopt er op uit, en op sommige uren van den dag is het hier buitengewoon druk en levendig.

Van nature was Zara een schiereiland, maar de Venetianen hebben het, om stategische redenen, tot een eiland gemaakt, en omringd met muren en breede wallen, waarlangs men de geheele stad kan rondwandelen. Zara heeft vier poorten: twee daarvan, de poort van San-Chrysogone of de Zeepoort, en de Landpoort, verdienen bijzondere aandacht.

Do eerste is eene romeinsche poort met een enkelen boog en een entablement, door korinthische pilasters gedragen; de poort is een ex-voto, door eene zekere Melia Anniana aan haren gemaal Loepicius toegewijd. Naar het opschrift te oordeelen, zou zij vroeger nabij eene markt hebben gestaan, en zonder twijfel was ook deze poort vroeger versierd met standbeelden, even als de fraaie Porta Aurea van Pola:

MELIA. ANNIANA. IN. MEMOR.
Q. LOEPICI. Q. F. SERG. BASSI. MARITI. SUI. IMPORIUM.
STERNI. ET. ARCUM. FIERI.
ET. STATUAS. SUPERPONI. TEST. IVSS. EX. IIS. DCDXX.

Naar men beweert, is deze poort afkomstig uit de antieke stad Oenona; ik vermoed dat de Venetianen, bij het bouwen van den muur, volgens hunne gewoonte, dien boog tot een poort zullen hebben aangewend.

De Landpoort is van Sammicheli; zij vormt een waardigen toegang tot de stad; door haar schoone en sobere lijnen herinnert zij aan de fraaie poort te Verona. Het strekt Sammicheli tot blijvenden roem, dat hij de schoonheid en den adel der vormen heeft weten te verbinden met de strategische eischen van den vestingbouw, de kunst met de militaire genie. Een groote, fraai bewerkte leeuw versiert het vak boven den hoofdingang; de beide zijvakken bevatten opschriften ter eere van Marc-Antonio Diedo, een proveditor uit het begin der zestiende eeuw, van wiens bestuur te Zara nog vele sporen te vinden zijn.

Bij het doorwandelen der straten en pleinen, zoo vaak een of ander kunstwerk uwe aandacht trekt, komt ge steeds meer tot de overtuiging dat Zara nog geheel venetiaansch in karakter en voorkomen is. De inwoners spreken hetzelfde dialekt als te Venetië, maar de voortdurende betrekkingen met het slavische platteland hebben vreemde elementen in de taal gebracht; ook zijn de meeste inwoners zoowel het italiaansch bladzijde 36als het slavonisch machtig. Het inwendige der huizen vertoont geheel het italiaansche karakter; zij hebben hun binnenplaatsen (cortile) met gebeeldhouwde putten, meermalen door wijngaardranken overschaduwd. In sommige afgelegen straten treft men enkele paleizen aan, die geene onwaardige figuur zouden maken naast de fraaie paleizen te Venetië.

Ge hebt niet veel meer dan een kwartier noodig om de boulevards af te wandelen, die allen naar een heilige of een proveditor genoemd zijn. Niemand zal zich deze wandeling beklagen; want, daar de stad op een eiland ligt, heeft men overal het uitzicht op de zee en de eilanden langs de kust. De veldmaarschalk Baron Welden, gouverneur van Zara en vroeger gouverneur van Weenen, heeft in 1829, op de vestingwerken een fraaien tuin laten aanleggen. Vroeger omsloot de muur de stad als een ijzeren gordel; langzamerhand heeft men dien gordel moeten verwijden, en aan de zeezijde is men bezig den muur af te breken. De stad zal daardoor in schilderachtigheid en eigenaardigheid van voorkomen veel verliezen; maar het moderne leven wischt overal de sporen en herinneringen van het verleden uit, en de pogingen om deze verwoestingen te stuiten, zijn over het geheel machteloos tegen het steeds voortwoekerend kwaad.

De kwestie van het drinkwater is, ten allen tijde, voor Zara van overwegend gewicht geweest. Daar de stad herhaalde belegeringen heeft moeten doorstaan, was deze zaak van het grootste aanbelang, en voortdurend heeft men getracht, deze moeilijke kwestie op bevredigende wijze op te lossen. Dit blijkt vooral aan den zoogenoemde Vijf Putten.

Eene antieke waterleiding, naar men wil door Trajanus gebouwd, en waarvan men de overblijfselen nog mijlen ver, tot in het slavische binnenland, kan volgen, voorzag weleer in de behoeften der romeinsche kolonie; later, toen Sammicheli zijn plan voor den vestingbouw ontwierp, maakte hij gebruik van de werken zijner voorgangers, wijzigde ze, en liet nieuwe kanalen graven; en daar de Venetianen uit den tijd der renaissance niet tevreden waren, wanneer zij bij de behartiging van het publiek belang niet tevens aan de eischen der schoonheid voldeden, ontwierp Sammicheli een fraai plein met vijf sierlijke putten, tegenwoordig de Cinque Pozzi genoemd, waar de inwoners het noodige drinkwater kunnen verkrijgen.

De voorbijganger ziet van dit groote werk niets meer dan de vijf uitstekende randen van de putten; maar de onderaardsche werken zijn van zeer belangrijken omvang en ook uit een archeologisch oogpunt zeer merkwaardig. Het is moeilijk, zich rekenschap te geven van den oorspronkelijken aanleg der kanalen. Vermoedelijk hadden zij eene dubbele bestemming: namelijk, om het water aan te voeren, en ook om, in geval van belegering, gemeenschap met de buitenwereld mogelijk te maken.

Dit kleine Zara is in waarheid bekoorlijk. Wij hebben er geen relatiën aangeknoopt er geen introductie in gezelschappen gezocht. De straat was ons domein, en het marktplein ons hoofdkwartier; daar knoopten wij een gesprek aan met den eersten den besten voorbijganger:—en het toeval is ons gunstig geweest, want onder de voorbijgangers, die stilstonden om een blik te werpen op onze schetsjes naar de natuur, bevonden zich ook hooggeplaatste magistraatspersonen, politieke mannen, en gezeten burgers, volkomen met het land en het volk vertrouwd. Door hunne welwillende tusschenkomst is het ons mogelijk geweest, het zoo ver te brengen dat de slavische boeren en de Morlaken uit den omtrek voor ons poseerden om zich te laten uitteekenen. Maar zeer weinig reizigers waren zoo gelukkig; doorgaans moet men deze lieden haastig, in het voorbijgaan, ik zou haast zeggen in de vlucht, en bijkans zonder dat zij het bemerken, schetsen; hoezeer de kunstenaar het ook moge bejammeren dat hij deze fraaie belangwekkende typen niet op zijn gemak kan nateekenen.

Op zekeren morgen, toen ik, met mijn album onder den arm, door de stad liep te dwalen, lettende op al wat mij omringde, viel mijn oog op een huis van een statig voorkomen, waarvoor gendarmen, of zoogenoemde pandoeren, in het meest schilderachtige kostuum, de wacht schenen te houden. De menigte ging onverschillig voorbij; wij werpen een blik op de binnenplaats, een fraai patio, uit de zestiende eeuw, in venetiaanschen stijl gebouwd, geheel met marmer geplaveid, en in een der hoeken een put uit den tijd der renaissance. Meer dan vijftig slavische boeren uit den omtrek, allen in hunne schilderachtige kleederdracht, zijn op die binnenplaats gekampeerd; sommigen liggen rechtuit op den grond in de zon, anderen rooken in de schaduw der zuilengangen; terwijl de vrouwen, eenigszins afgezonderd, onbewegelijk tegen den muur staan geleund.

Dit gebouw is het gerechtshof; daar binnen wordt op dit oogenblik een proces wegens kindermoord gevoerd. De raadsheer Piperata, lid van den Landdag van Dalmatië, die over het patio naar de zaal gaat, deelt mij mede, dat al deze lieden als getuigen zijn opgeroepen. De kindermoord,—een misdaad, die bij de Slaven uiterst zelden voorkomt—is ditmaal gepleegd te Kistagné, en een aantal bewoners van de omliggende distrikten zijn min of meer bij de zaak betrokken: ik heb dus hier de vertegenwoordigers voor mij der bevolking van bijna den geheelen kreits.

Men zou diep in het Oosten moeten doordringen, om zulk eene verzameling van eigenaardige, schilderachtige kostumen te vinden, ondanks al hunne verscheidenheid, zoo harmonisch van kleur. Juist aan deze wonderbare kleurenharmonie bespeurt ge onmiddellijk, dat ge het Oosten nadert, waar deze zin voor kleur en toon den ingeborenen in het bloed zit. Daar hebt ge vooreerst de pandoeren zelven, die in de zon schitteren als spiegels; hunne borst is geheel behangen met tien of twaalf snoeren van groote medailles, meest allen met het portret van Maria-Theresia prijkende. Het zijn kolossale, prachtige mannen; in sommige distrikten, waar een energieke policie noodig is, zijn zij bij wijze van lokale gendarmerie georganiseerd. Eigenlijk zijn zij gewapende boeren, die geen soldij ontvangen, en beurtelings gedurende een zeker aantal dagen de wacht betrekken en de dienst waarnemen. bladzijde 38Aan hun hoofd staat een sirdar, die onder de bevelen gesteld is van den kolonel-kommandant der militie in elken kreits. De kolonel van Zara had weleer onder zijne bevelen tien sirdars en vijftien onder-sirdars of aramassé. Ik weet niet, in hoever deze organisatie in den laatsten tijd is gewijzigd.


Een turksche karavaan.

Als deze pandoeren een misdadiger aanhouden om hem voor het gerecht te brengen, leggen zij hem niet de handboeien aan, maar in plaats daarvan snijden zij zijn wijden broek naar de turksche mode, die de bewoners der omliggende distrikten algemeen dragen, ter zijde open, zoodat hij op de hielen valt en het ontvluchten onmogelijk maakt. Eenigen dezer prachtige pandoeren hadden de vriendelijkheid voor mij te poseeren, zoodat ik, tot mijn genoegen, hun portret maken kon. Uren lang vertoefde ik op deze binnenplaats, schrijvende, teekenende. Drie boerinnen van Kistagné zijn welwillend genoeg om mede haar portret te laten maken. De eene, een blond jong meisje, met eene roode muts met goud galon en pailletten op het hoofd, met een fijn wit hemd versierd met veelkleurig borduursel, met fraaie schitterende snoeren om den hals en medailles op de borst, met een blauwen geborduurden rok en een veelkleurig voorschoot, staat onbewegelijk voor mij, schier even onbewust als een standbeeld. Achter haar staan twee oude vrouwen, het hoofd gehuld in witte doeken met rood lint omzoomd, met groene linten door haar groote valsche haarvlechten, en den breeden met zilveren knoppen versierden gordel; zij schijnen voortdurend beheerscht door een zekeren angst. Zoodra ik mijne schets voltooid heb, spoeden zij zich weg; en de president van de rechtbank, die de zitting voor eenige oogenblikken geschorst heeft, komt mij straks eene merkwaardige mededeeling doen. De twee oude vrouwen, die zwijgende gedurende ruim een uur geposeerd hebben, zijn hem komen zeggen, dat een man haar een uur lang voor zich heeft doen staan en haar al dien tijd strak heeft aangekeken en voortdurend geschreven; dat hij haar daarna een gulden gegeven heeft, zouder evenwel zijn oordeel te spreken of vonnis te vellen. De beide vrouwen hadden mij voor een rechter aangezien, en gemeend dat ik door mijn strak aankijken tot in het diepst harer ziel had willen doordringen! De vrees of schuwheid om zich te laten portretteeren, is trouwens aan alle onbeschaafde of onontwikkelde bevolkingen eigen, en ieder reiziger, die gepoogd heeft zulke menschen voor zich te laten poseeren, zou daaromtrent merkwaardige ervaringen kunnen mededeelen. Nauwelijks een maand geleden, toen wij ons te midden der bosnische uitgewekenen, langs de oevers van de Una bevonden, vluchtten de arme vrouwen der rajahs verschrikt weg, zoodra zij bemerkten dat wij schetsen van haar ontwierpen; zij riepen dat wij haar aan de Turken wilden uitleveren. In de Militaire Grenzen is het ons nimmer gelukt, hoeveel geld wij ook boden, eene boerin voor ons te doen poseeren; ja zelfs op de markt te Agram, eene zeer beschaafde stad, scheelde het weinig of wij hadden het te kwaad gekregen met de boeren, toen wij hen begonnen uit te teekenen.

Zara is eene stad van ambtenaren. De gouverneur-generaal van Dalmatië heeft hier zijne residentie, benevens de voorzitter van het hof van appel, de directeur-generaal van politie, de intendant der financiën, de intendant der fortificatiën, de directeur-generaal der posterijen, en met hen het gansche personeel van hoogere en lagere beambten voor het bestuur eener zeer belangrijke provincie, die den officiëelen naam van koningrijk draagt.

Zara heeft geen eigen leven, en de industrie beteekent zoo goed als niets. De kreits brengt wijn en olie voort; in de stad bestaat eene maatschappij, die zich op de verbetering van den wijnbouw toelegt en dien aanmoedigt: de marasquin en de rosolio van Zara zijn zeer beroemd. Zij worden bereid van eene soort van kleine kers, die in grooten overvloed in den geheelen omtrek groeit.

Het museum is niet onbelangrijk, omdat het overblijfselen bevat van oude monumenten: antieke standbeelden, fragmenten van gebouwen, eene menigte oude munten, waaronder zeer zeldzame, antiek glaswerk, gegraveerde steenen; het museum bezit ook eene collectie van voorwerpen uit het gebied der natuurlijke historie. Het dankt zijn oorsprong, of althans zijne tegenwoordige inrichting, aan den gouverneur, graaf Liliënberg.

Zara heeft ook een splinternieuwen schouwburg, een fraai gebouw, waar men ruimschoots gelegenheid heeft, de verschillende elementen, waaruit de bevolking der stad bestaat, te bestudeeren. Daar verschijnen de eigenlijke Zaratinen, in voorkomen en kleeding aan de italiaansche dames gelijk, met ontzaggelijk hooge kapsels, van nog reusachtiger afmetingen dan men in de steden van noordelijk Italië ziet: eene overdrijving, aan provinciesteden niet ongewoon. Nevens dezen ziet men de duitsche dames, kenbaar aan den eenvoud en de bescheidenheid van haar toilet, aan de zedigheid en onbeduidendheid van haar voorkomen; voorts de oostenrijksche officieren en hoogere ambtenaren, eindelijk de handelaars van Zara, meest winkeliers of kleinhandelaars.

De stad moet al hare benoodigdheden van buiten ontvangen, en wel over de zee, van Triëst of uit zuidelijk Italië. Het is een ramp voor deze slavische kustprovinciën, dat zij, even als Bosnië, Servië, Herzegowina, voor haar bestaan geheel afhankelijk zijn van den duitschen handel en de duitsche industrie. Het platteland brengt vruchten en groenten naar de stad, en koopt daar ook het noodige, om in zijn behoeften te voorzien. Het intellektuëele leven heeft weinig te beteekenen: er is eene drukkerij en er verschijnen zes of zeven dagbladen: eene officiëele courant, een klerikaal dagblad, een slavisch dagblad, en een vierde, het politiek orgaan van de italiaansche partij; de anderen zijn aan de belangen van den landbouw gewijd. In de bibliotheek Paravia, die dertigduizend banden bevat, zult ge bijna nimmer bezoekers aantreffen: de weinige wetenschappelijke ontwikkeling, die in Dalmatië valt op te merken, moet ge te Spalato en Ragusa zoeken.

Een paar jaar geleden is Zara als vesting opgeheven: eene groote overwinning voor het burgerlijk element. bladzijde 39Want hoewel de meeste vestingwerken van deze kuststeden, in verband met de nieuwe ontdekkingen op het gebied der krijgskunst en bij den grooten vooruitgang der artillerie, volkomen nutteloos zijn geworden, laat de militaire genie gewoonlijk hare prooi niet licht los. De vestingwerken zijn aan de gemeente afgestaan; en tijdens mijn eerste bezoek te Zara, waren meer dan honderd vrouwen van de eilanden, met bevallige vormen en standen en bewegingen, die u aan antieke standbeelden denken doen, bezig met het aanbrengen van aarde voor het doortrekken der kaaien. De stad, tot hiertoe binnen haar engen muurgordel opgesloten, zal nu aan licht en lucht winnen, maar aan schilderachtigheid verliezen.

Zara is ook de kerkelijke hoofdstad van geheel Dalmatië en de zetel van een aartsbisschop. De massa der bevolking, ten beloope van ruim tienduizend zielen, is katholiek. Men vindt hier ook een zeker aantal Grieken; zij houden hunne godsdienstoefeningen in de kerk van Sint-Elia. Vóór de fransche bezetting hadden de Grieken slechts eene kleine kapel, die geen voldoende ruimte aanbood. Zij beklaagden zich daarover bij den maarschalk Marmont, die bevel gaf, hun eene kerk af te staan.

Deze kleine stad, zoo schilderachtig aan haar zeearm gelegen en door hare Lange Eilanden, de Isole Longhe, aan de blikken der voorbijvarenden onttrokken, heeft eene merkwaardige en veel bewogen geschiedenis achter zich.

Sinds overoude tijden was Zara, destijds Jadera geheeten, de hoofdstad van Liburnia; als romeinsche kolonie, koos zij de partij van Caesar. De waterleiding, die het water van de Kerka, over een afstand van dertig mijlen, naar de stad voert, is waarschijnlijk het werk van Trajanus, wiens naam daarvoor gezegend zij. Bij de verdeeling des rijks, kwam Zara, destijds Diodora genoemd, onder het gezag der oostersche Keizers, maar de stad wist eene groote mate van onafhankelijkheid te bewaren. Toen de barbaren de kusten der Adriatische zee overstroomden, werd ook zij verwoest, en viel van nu beurtelings in de handen van Kroaten en Hongaren.

In het voorjaar van 997 rustte Venetië eene groote vloot uit, met het doel om de zeeroovers, die de vaart belemmerden, te straffen en ook om de kustlanden aan haar gezag te onderwerpen. De Doge Orseolo voerde het bevel over die vloot; hij ontving achtervolgens de hulde van Pola, van Pirano, van Rovigno, van Zara zelve, dat zich van alle zijden door geduchte vijanden bedreigd zag en den Doge als redder begroette.

Maar reeds in 1050 komt de stad in opstand tegen de republiek, waarschijnlijk op aansporing van den onttroonden Koning van Kroatië, die in Zara een toevlucht heeft gezocht. Domenico Contarini ontvangt van den Senaat bevel, eene vloot uit te rusten, en de oproerige stad te gaan onderwerpen. Hij trekt Zara binnen, herstelt de orde en ontvangt op nieuw de hulde en onderwerping der burgers.

In 1115 waagt zij wederom een poging om aan het gezag van Venetië te ontsnappen, en stelt zich onder de bescherming van den Koning van Hongarije: zij wordt nogmaals overwonnen. In 1170, nieuwe poging tot opstand. De Doge Domenico Morosini heeft de stad tot den zetel van een aartsbisschop gemaakt: aan dezen draagt zij nu alle gezag op, om zich zoo doende zoowel van de Venetianen, als van de Kroaten en de Hongaren te bevrijden. De republiek rust wederom een vloot uit, en dwingt haar tot onderwerping. Doch in 1124 en 1185 komt zij, ondersteund door den Koning van Hongarije, op nieuw in opstand; en telkens onderworpen, en telkens weerspannig, waagt zij aldus nog driemaal de worsteling, tot in het jaar 1346, toen zij een zeer gedenkwaardig beleg had te doorstaan.

De Koning van Hongarije zag met leede oogen de havens van Dalmatië in de handen der Venetianen; nadat alle pogingen om het juk der republiek af te schudden, waren mislukt, sloeg hij eene schikking voor: Zara zou in de macht van Venetië blijven, maar de republiek zou de stad bezitten als een leen van de hongaarsche kroon en daarvoor eene jaarlijksche schatting betalen. De Senaat weigerde: de Koning sloeg het beleg voor Trau, Spalato en Zara, dat zijne zijde koos. De venetiaansche vlootvoogd Marc Justiniani tastte de stad van de zeezijde aan, en vermeesterde haar, ondanks dapperen tegenstand; Faliero werd tot gouverneur benoemd, en moest nu de stad verdedigen tegen de Hongaren, die haar van de landzijde bedreigden. Het beleg duurde zes maanden, en kostte aan de republiek ontzaggelijke sommen en veel verlies van menschenlevens. Eindelijk viel de stad, door verraad, in de handen der Hongaren.

Daar Venetië destijds ook op het italiaansche vasteland in een geduchten oorlog met dezen zelfden Koning van Hongarije was gewikkeld, en al haar krijgsmacht noodig had, moest zij van van verdere pogingen tot herovering van Zara afzien. Faliero werd naar Venetië ontboden, verscheen voor den Senaat, en werd gestraft met eene geldboete, een jaar gevangenis en levenslange uitsluiting uit alle regeeringsambten. Daarentegen ontving de militaire bevelhebber van Onone, die zich hardnekkig verdedigd had, en aan wien de republiek had gelast zich over te geven, eene openlijke hulde. De veldtocht viel ongelukkig voor Venetië uit; de Koning van Hongarije was overwinnaar, en eischte dat de republiek afstand zou doen van geheel Dalmatië en alle steden en eilanden, van Fiume en Pola tot Durazzo, dat wil zeggen de gansche kust der Adriatische zee. Het traktaat werd den 18den Februari 1358 geteekend. De Doge verloor de titels van hertog van Dalmatië en hertog van Kroatië; de Venetianen mochten in de beide landen zelfs geen eigendom meer bezitten; de republiek mocht zich in de havens niet meer door consuls laten vertegenwoordigen, en moest, in gdeal van een oorlog ter zee, den Koning van Hongarije met vier-en-twintig galeien bijstaan.

Dit vernederende, door den nood afgedwongen traktaat bleef slechts vijftig jaar in stand. In 1409, toen Ladislas en Sigismond elkander de kroon van Hongarije betwistten, knoopte de Senaat onderhandelingen met Ladislas aan, en kocht van hem Zara terug. De stad bleef sedert, tot aan den vrede van Campo-Formio (1797), in het bezit van Venetië, dat haar tot een der bolwerken maakte van haar koloniën in Dalmatië, ter bladzijde 40afwering van de zoo lang geduchte turksche macht. Zara kwam ook niet meer in opstand, en ging, na den val der republiek, over in handen van Oostenrijk, dat haar, behoudens het korte fransche tusschenbestuur, nog bezit.

Zoo als ik zeide, is Zara eigenlijk op een schiereiland gebouwd, in een kanaal of straat, gevormd door den vasten wal van Dalmatië en door een aantal eilanden, evenwijdig met de kust strekkende. Deze eilanden ontleenen aan hunne gedaante den naam van Isole Longhe, lange eilanden: zij heeten Uglian, Eso, Pasman, Longa, Incoronata. Toen de aangrenzende kust nog onophoudelijk blootstond aan de invallen der barbaren, namen de bewoners bij herhaling de wijk naar deze rotsige eilanden, en maakten, door onvermoeiden arbeid, den harden grond voor bebouwing geschikt. Zij plantten er den wijnstok, die uitnemend slaagde en een der bronnen van welvaart voor het land werd; ook werd de proef genomen met graanbouw. Men telt niet minder dan dertig dorpen en twee-en-twintig parochiën in deze eilanden: de bevolking zal tusschen de twintig- en vijf-en-twintigduizend zielen bedragen. De inwoners zijn voor het meerendeel visschers, die de zeer vischrijke wateren langs de kust exploiteeren. De visschers van Chioggia komen ook hier gedurende zekeren tijd van het jaar hun bedrijf uitoefenen.


Gezicht aan de Kerka, nabij Knin.

Vóór de Isole Longhe, meer zeewaarts, als uitgezette wachters van het kanaal van Zara, liggen nog eenige andere kleine eilandjes: Selve, Ulbo, Premuda, Sabbione, Isto, Melada, Sestrugn. Alle bewoners leven van de zee. Het zijn echte alcyon-nesten, door de golven gedragen, door de stormen ombruist; hier kan men prachtige exemplaren der echte klippen, der scoglie, vinden, waar de eenvoudige visschershut wegschuilt in de spleten der rots. Aarde is bijna nergens voorhanden; maar overal, waar zich slechts eene gelegenheid tot zaaien of planten aanbood, heeft de mensch daarvan gebruik gemaakt, om den ondankbaren grond een mageren oogst af te dwingen.

Tusschen Zara en de stad Knin, nabij de turksche grenzen gelegen, bestaat een geregelde postdienst. De afstand tusschen die beide plaatsen bedraagt een-en-vijftig mijlen, en in vijftien uren kan de reiziger Dalmatië in zijne grootste breedte doorkruisen, van de kust der Adriatische-zee tot den berg Dinara. De postwagendienst is, even als dergelijke staatsondernemingen in Oostenrijk, zeer goed ingericht; de wagen vertrekt tweemaal per week, en heeft niet meer dan vier zitplaatsen; maar de reizigers zijn zeldzaam, en men kan dus hier, des verkiezende, gebruik maken van een gemakkelijk en betrekkelijk goedkoop vervoermiddel.

Daar het mij echter voornamelijk te doen was, om het volk in zijn dagelijksch leven te leeren kennen, wilde ik van den postwagen geen gebruik maken, die mij niet zou vergunnen, naar goedvinden op te houden. Ik trad in overleg met de landlieden, die ik op de binnenplaats van het gerechtshof had ontmoet, en die voor het meerendeel van Kistagné waren, op enkele uren afstands van Knin. Nadat zij getuigenis in het proces hadden afgelegd, mochten zij weder naar hunne woning terugkeeren. Wij kwamen overeen dat wij samen zouden reizen, en des Zaterdags morgens (16 October 1874) bevond ik mij op de afgesproken plaats, even buiten de Landpoort.

Het was een schilderachig plekje: achter ons verhief zich de fraaie poort van Sammicheli, met haar lange houten brug over de Visschershaven, die de stad met den vasten wal verbindt; rechts hadden wij de kaai, waartegen enkele kleinere vaartuigen, karveelen, lagen geankerd; vóór ons, de weg, aanvankelijk ingesloten tusschen de zee en het groote bastion, aan het strand opgeworpen. Boven het bastion prijkt het fiere wapenschild der oostenrijksche monarchie.

( Wordt vervolgd .) bladzijde 41



1 Zie Aarde, 1876. bl. 120.

No comments:

Post a Comment