Monday, March 5, 2012

De Aarde en haar volken: Jaargang 1877 - Full Text (Empoli - San Gamignano)

Empoli.—San-Gimignano.—Volterra.


De Piazza te Empoli.

I.

De heer Havard heeft een veel gelezen boek geschreven, onder den titel: Les Villes mortes du Zuyderzée; en ware het niet, dat ik voor de eenvoudige schetsen, die hier volgen, elke vergelijking met dit boek, als gevaarlijk, moet wenschen te vermijden, dan zou ik ook wel boven dit opstel hebben willen schrijven: De doode steden van Toskane. Want inderdaad, de steden, waarvan de namen hierboven te lezen staan, worden maar uiterst schaars door toeristen bezocht, en hare voornaamste aantrekkelijkheid ligt dan ook in haar verleden, in de herinneringen en overblijfselen, die zij nog van dat verleden bewaard hebben. Wij gaan een stuk oude geschiedenis, als uit het graf, voor onze oogen zien oprijzen; ons verplaatsen te midden der monumenten van een lang vervlogen tijd. Wie voor deze dingen geen hart heeft, houde zich dus voor gewaarschuwd, en ga niet mede; maar welkom is ons ieder, voor wien het eene behoefte is, juist in die herinneringen van het verleden bij wijlen een troost te zoeken te midden van al de verwarring en overprikkeling van het heden.

Een eerste bezoek aan Italië is doorgaans niet anders dan voldoening aan een zekere mode of aan eigen nieuwsgierigheid; maar wie dat land in den grond heeft leeren kennen en liefhebben—wat in menig opzicht hetzelfde is;—wie hier als het ware een ander, een ideaal vaderland gevonden heeft, voor hem is het wederzien, na jaren lange afwezigheid, een onuitsprekelijk, het gansche hart doortrillend genot.

Ik had te Pisa op den spoortrein plaats genomen, om over Siënna naar Rome te gaan, en moest nu te Empoli uitstappen en drie uren wachten op het vertrek van den volgenden trein. Deze aloude groote marktplaats der toskaansche volksstammen, allengs afgedaald tot den rang eener kleine landstad, vervolgens tot dien van fabrieksplaats en van station van de bladzijde 298 ferrovia, is tegenwoordig voor de reizigers en vreemdelingen ook niet veel meer dan een plattelandsstation, waar men somwijlen genoodzaakt is, eenige uren van zijn kostbaren tijd nutteloos te verspillen.

Om een ontbijt te bekomen, moesten wij de ons aanbevolen herberg del Sole gaan opzoeken, gevestigd in een vervallen paleis, dat voor verreweg het grootste gedeelte woest en ledig staat. De verbazing van den kastelein, toen hij eensklaps een ontbijt voor twee vreemdelingen moest opdisschen, was wel het beste bewijs van de verlatenheid en vergetelheid, waarin het antieke Emporium thans verzonken is. Tegenover ons verhief zich de sombere voorgevel van een ander voormalig paleis, met half gebroken wapenschilden en blazoenen, waaronder dat der Medici, versierd; deze herinnering aan de florentijnsche gebouwen kon ons troosten, terwijl wij op een soort van ruime vliering, zonder eenig ander meubelstuk dan de tafel waaraan wij zaten, ons sober maal gebruikten. De italiaansche keuken is juist niet geschikt om den vreemdeling tot lang tafelen te nopen: wij maakten er dan ook spoedig een einde aan, en gingen naar buiten.

Bij het uitkomen van eene straat, werd onze aandacht getrokken door een campanile, die ons herinnerde aan den toren van het Oude Paleis te Florence. De bouwmeester van dezen toren van San-Stefano heeft blijkbaar dit schitterend voorbeeld voor oogen gehad; maar toen hij, ten jare 1685, dit steenen dichtstuk der veertiende eeuw in zijne taal wilde vertolken, is hem dit maar half gelukt; aan alles is het voelbaar dat de eigenlijke inspiratie ontbreekt, en daarmede ook de onmisbare voorwaarde voor die niet te omschrijven eigenschap, die men schoonheid noemt en die aan een kunstwerk eerst waarde geeft. Ook de kerk zelve van San-Stefano en die van de Madonna del Pozzo hadden niets wat ons boeien kon, niettegenstaande de eerste eenige fresko's van Daniel van Volterra bezit.

De verlaten en vervallen paleizen van Empoli roepen herinneringen terug, die in zoo scherp mogelijke tegenstelling staan met de prozaïsche gewoonten en werkzaamheden van eene industriëele bevolking; en juist aan dit contrast dankt de stad haar eigenaardige poëzie. Als ge door de stille straten wandelt, komen u uit de diepe, donkere huizen onharmonische geluiden en onaangename geuren tegen, die u op eenmaal ver van Italië, naar eene of andere fabriekstad van het Noorden, verplaatsen; ook de lieden, die gij ontmoet, vertoonen, schoon door de zon verbrand, den eigenaardigen type van menschen, die hun leven binnenshuis aan den arbeid doorbrengen. Er wordt hier zeer veel aardewerk vervaardigd, dat naar elders, ook naar het buitenland, wordt vervoerd; intusschen vindt men hier geene groote fabrieken, daarentegen is schier iedere winkel, en hun getal is zeer groot, tevens fabriek.

Zoo dwaalden wij treurig door de straten, zoekende naar iets, dat ons met het oponthoud kon verzoenen, toen wij eensklaps den hoek van een muur omsloegen, en onze wensch boven verwachting bevredigd werd. Wij stonden op een plein van middelbare grootte, omgeven door een kerk en oude paleizen, deels uit marmer, deels uit baksteen opgetrokken. Ge vindt hier overblijfselen van drie verschillende eeuwen, waarvan de zestiende de jongste is; de Piazza is door zuilengangen omringd, met groote zerken geplaveid, en heeft in het midden eene fraaie fontein, met leeuwen versierd. Aan mijne linkerhand had ik den ingang van een kleinen florentijnschen kloosterhof uit den tijd van Ammanato, en grenzende aan de collegiale kerk, wier beurtelings met zwart en wit marmer ingelegde voorgevel aan San-Miniato denken doet.

Welk eene aangename verrassing: ik hervond mij eensklaps te midden van het florentijnsche Italië, waarnaar ik zoo vurig verlangd had. Deze Piazza met haar zuilengangen; die kerk met haar campanile, slank oprijzende naar den helderen blauwen hemel; die witte vogels, hoog in de lucht, met vroolijke kreten de primavera begroetende ... dit alles verkwikte mij als een vizioen uit eene andere, schoone wereld.

En dit vizioen was werkelijkheid; en zoo ik mij tot dusver beklaagd had over den tragen gang van den tijd, nu begon ik zijn haastigen spoed te beklagen. In een der kapellen van de collegiale kerk heeft men de schilderijen bijeengebracht, die vroeger in de kloosters bewaard werden, maar na de opheffing dezer inrichtingen in de kerk zijn geplaatst, ten einde ze zooveel mogelijk te onttrekken aan de roofgierige handen van het italiaansche gouvernement. Wij konden dien schat slechts vluchtig bezichtigen: toch zagen wij een predella van Domenico Ghirlandajo; eene Maria-Boodschap van Botticelli; eene kleine Madonna, naar men zegt van Fra Angelico; eene Pièta 1 uit de school van Giotto; nog andere schilderijen, benevens fraaie bas-reliefs van Andrea della Robbia, en een prachtig standbeeld, Sint-Sebastiaan, van Rossellino. Zoo vonden wij, in dit onaanzienlijk vergeten vlek, de groote meesters weder der scholen van Siënna en Florence. Naast eene Santa-Lucia van Giotto hing een Sint-Thomas van een tot dusver voor mij onbekenden schilder, Jacopo d'Empoli. In de aangrenzende doopkapel, die met een marmeren doopvont van 1447 prijkt, kunt ge een verrukkelijk schilderij van Mazzolino bewonderen: de Doop van Christus. Jezus wordt door de Moedermaagd ondersteund, terwijl de Dooper, die voor den Heiland is neergeknield, hem de handen kust.

Het laatste, aan de linkerhand, van de drie of vier paleizen, die tegenover de Collegiata verrijzen, is geheel met fresko-schilderingen overdekt, die door een vooruitstekend dak tegen den invloed van de lucht en het weer beschermd worden. Tusschen twee bogen nabij de gothische poort, leest ge een opschrift, dat de herinnering bewaart aan een feit, waardoor dit gebouw van de dertiende eeuw, hetwelk tweemaal werd gerestaureerd, voor altijd aan de vergetelheid wordt ontrukt. Het was hier, dat, in 1260, na den slag van de Arbia, door de zegevierende Ghibellijnen die beroemde vergadering werd gehouden, waarin tot de verwoesting van Florence, het voornaamste bolwerk der Guelfen, besloten werd. Maar de overwinnaar van bladzijde 299Montaperto, die de wateren der Arbia had rood geverwd met het bloed van vierduizend vijanden, stond op tot verdediging der stad, die voor zijne wapenen bezweken was. Toen de kloeke, stoutmoedige welsprekendheid van den soldaat er niet in slaagde, de onstuimige, opgewonden menigte tot reden te brengen, trok hij zijn degen, bedreigde de heftigste heethoofden en bracht het eindelijk zoo ver dat de geprikkelde hartstochten tot bedaren kwamen. Farinata degli Uberti redde alzoo Florence, waaruit de Guelfen verdreven werden; maar weldra keerden dezen weder terug en verdreven nu op hun beurt de Ghibellijnen, die nimmer zijn teruggekeerd. Bij die gelegenheid sloopten de Guelfen het paleis der Uberti; op de plek waar het stond, verrees het Oude Paleis. In den tienden zang van de Hel, laat Dante deze gebeurtenissen en zijne eigene aanstaande verbanning door de schim van Farinata voorspellen. Zoo herleeft, in dit vergeten vlek, eensklaps de dramatische geschiedenis der florentijnsche republiek; op dit kleine plein ontmoet ge den meester der Renaissance bij haar eersten opgang. Dante zelf verhaalt u, in zijn goddelijk epos, de daden der helden, die op dit tooneel hunne aangrijpende rol hebben gespeeld. Zulke herinneringen zijn meer dan voldoende om een stad, ook al is ze niet meer dan eene fabriekplaats, de onsterfelijkheid te verzekeren.

Die onverwachte verrassingen van Empoli riepen mij andere onbeteekenende stadjes voor den geest, waar evenzeer de kunst haar schatten heeft uitgestort, zooals Pistoja, Prato en eenige andere, die ik vroeger had bezocht; en de lust beving mij om ook verder die verloren en vergeten plaatsjes, die onbekende vlekken, die verstrooide parelen in de woestijn, op te zoeken. Wederom ontwaakte in mij, met nieuwe kracht, de begeerte om de plat getreden wegen te verlaten en de bekende plaatsen, waarheen ieder toerist zijne schreden richt, voorbij te gaan: met de kaart vóór mij, raadpleegde ik mijne herinnering, en zoo zocht ik mij een krans samen van kleine steden, door de kinderen dezer eeuw vergeten, maar waar de tijd zijne schendende hand niet aan heeft geslagen, die als het ware onder glas bewaard zijn gebleven met de onveranderde afstammelingen der verdwenen voorgeslachten.

Dien eigen morgen was ik langs den voet der hooge muren voorbijgestoomd, die, aan de helling des heuvels, de vier eeuwen oude huizen van Samminiato omvatten. In het voorlaatste jaar der vorige eeuw, heeft de generaal Bonaparte dien heuvel bestegen, om een bezoek te brengen aan de bakermat zijner familie, waarvan destijds nog een vertegenwoordiger in leven was in den persoon van een kanunnik. Toen, tegen het einde der vijftiende eeuw, een andere Bonaparte die nauwe, steile straat afdaalde, om aan gene zijde der zee zijn stam op korsikaanschen bodem over te planten, vermoedde hij wel niet, dat hij de groote omwenteling ging voorbereiden, die drie eeuwen later het aanschijn van Europa zou veranderen en op het lot van Frankrijk zoo beslissenden invloed hebben. Hoe gaarne had ik dit oude burchtvlek met zijn gekanteelden muurgordel bezocht, rondgedwaald door die smalle sombere straten, en de overblijfselen opgespoord van de feodale vesting, waarin, eeuwen lang misschien, die onbekende landedellieden leefden, niet droomende van de schitterende toekomst, die eenmaal hun geslacht wachtte.

Links van den weg, die door de vallei der Elsa naar Siënna voert, boeide, vooral na het verlaten van Empoli, het vlek Certaldo, op zijn steilen heuvel, mijne aandacht. Hoe zonderlingen indruk maken die kronkelende muren met hun torens; die oude vervallen vestingwerken; die steile, schier loodrechte straten, zich welhaast verliezende onder de zware massa van eene citadel, wier grillige tinnen en torens fantastisch uitkomen tegen den bewolkten hemel. Dit vlek, dat in 1479 door de Napolitanen is verwoest, werd nooit geheel herbouwd; slechts het baksteenen huis met een kleinen hoektoren, waarin Boccacio zijne laatste levensdagen sleet en waar hij in 1375 stierf, heeft men gerestaureerd: het ware beter geweest, die restauratie achterwege te laten.

Veertig minuten nadat wij Certaldo uit het oog hadden verloren, verscheen mij, ter rechterhand, tusschen twee bergen, in de verte, een ronde heuvel, op den top prijkende met een krans van muren, waaruit, somber en ongelijk in hoogte en omvang, zware, massieve torens oprijzen. De verschijning was slechts voor een oogenblik zichtbaar; toen sloten de bergen zich weder aaneen, en de trein snorde voort;—maar nog vol van de herinnering aan Empoli, en mijzelven verwijtende Certaldo te zijn voorbijgegaan, vatte ik dadelijk het voornemen op, althans deze vluchtig aanschouwde schim van een feodaal oppidum van nabij te gaan beschouwen. En zoo kwam het, dat ik reeds den volgenden morgen vroeg in het rijtuig stapte, dat de ijverige zorgen van den onsterfelijken en onvermoeiden Augusto, kastelein in de locanda de Aquila-Nera te Siënna, mij verschaft hadden en dat mij naar San-Gimignano brengen moest.

II.

Het was de 19de Maart. De lucht was scherp, de zon gaf geen warmte; de natuur was in haar ontwikkeling niet zeer veel verder dan bij ons te lande. Bouwlanden, afgewisseld door vrij schrale bosschages: zie daar het algemeen karakter van dit landschap, waar de ordeloos verspreide heuvelen niet hoog genoeg zijn om eigenlijke dalen te vormen. De steilste van die heuvelen dragen op hun top een vesting of burcht; op de zachtere glooiingen vertoonen zich, te midden der grazende kudden, groote pachthoeven, sommigen enkele eeuwen oud, de anderen gebouwd naar het model der eersten. Ettelijke slanke, rijzige boomen, een paar cypressen, flankeeren deze gebouwen, voorzien van eene loggia, van een stompen toren, van een poort, en wier rieten dak met woekerplanten is begroeid. Tusschen deze boerenwoningen en de antieke heerenhuizingen verheffen zich enkele kloosters, die door hun zwaren buitenmuur aan een citadel doen denken, maar wier hoeve en korenschuren weder aan het landbouwersbedrijf herinneren; terwijl de kerktoren, boven de groep oprijzende, u de ware bestemming bladzijde 300van het gebouw kennen doet. Bij den aanblik dezer nooit aanschouwde, en toch zoo bekende landschappen, rijzen allerlei onbestemde herinneringen voor den geest op: inderdaad, die burchten op den steilen heuveltop, die stille kloosters, rustende aan de oostelijke heuvelhellingen, die boerenwoningen met de ruime, halfgeopende veestallen:—we kennen ze, wij hebben ze menigmalen ontmoet op de schilderijen der oude meesters, en hun beeld is voor ons bewustzijn schier onafscheidelijk verbonden met de onvergetelijke evangelische verhalen, met de gemeenzame, traditioneele voorstellingen van zoo menige episode uit het leven des Heilands. Daarom hebben zij voor ons zoo wondere aantrekkelijkheid, daarom begroeten wij ze als oude bekenden, ook al aanschouwt ons zinnelijk oog ze voor de eerste maal.

Na, een rit van drie uren, vertoont zich ter rechterhand San-Gimignano, en van nu af kan niets anders meer uwe aandacht boeien. Daar de heuvelen deze stad als met een krans omringen, en men om haar te bereiken de naburige hoogten moet omrijden, verliest men haar telkens uit het oog, om haar op het onverwachtst telkens weer te hervinden en van eene andere zijde te overzien. Zoo ge uw rug naar het oosten en uw aangezicht naar de stad wendt, dan schijnen die zware, vierkante, bijna vensterlooze torens—zoo oud dat de steen weder geheel de kleur der oorspronkelijke rots heeft aangenomen;—dan schijnen die massieve steengevaarten, op den heuveltop geschaard, wel geene andere bestemming te hebben dan den hemel te bestormen. Van ter zijde gezien, vormen zij een soort van bundel; dan maken zij te zamen met de omwalling en de oude citadel een zoo fantastisch geheel uit, dat ge denkt aan de grillige schepping van een of anderen toovenaar. Donkere, zwarte wolken dreven langs den hemel; de zon verlichtte met bleeken, fletschen schijn deze zonderlinge dekoratie. Naarmate ge dichterbij komt, klimt de verrassing: half droomend denkt gij aan die oude symbolische voorstellingen van Jeruzalem en Bethlehem, op den gouden grond der byzantijnsche mozaïeken.

Op de wallen, voor de poort San-Giovanni, wordt deze gelijkenis met het Oosten nog sprekender: en toch, deze westersche gezichten zijn ons bekend en gemeenzaam: die lage, gekanteelde muren, die zware plompe torens, die gewelfde poorten met valbrug en bastion, die spitse gevels uitkijkende boven de omwalling, die klokketorens ... die gansche rooskleurige silhouette eener stad boven op eene steile helling, waarvan het verschroeide gras met voetpaden doorslingerd is, met haar eigenaardige tegenstelling van kleuren en lijnen:—gij kent ze weder van ouds, en toch prikkelt zij, misschien wel juist daarom, dubbel uwe nieuwsgierigheid.

Ge treedt door de donkere, lage poort, in eene breede, oploopende straat. Zie om u: ge zijt vier eeuwen teruggegaan: vier eeuwen, want dit is de ouderdom der jongste gebouwen in eene stad, die in den tijd tusschen de regeering der Gravin Mathilde en de opkomst der Medici gebouwd of herbouwd werd.

In de voorrede zijner vertaling van de Kronieken van Siënna, zeide de hertog van Dino dat geene andere stad in die mate den stempel van den ouden tijd had bewaard; Massimo d'Azeglio heeft San-Gimignano het middeleeuwsch Pompeji genoemd. Een enkele blik op deze vesting, met haar drieduizend zielen, is trouwens voldoende om u te overtuigen dat deze aloude stad, zoo vast en rustig troonende op haar dubbelen heuvel, eene grootsche geschiedenis achter zich heeft.

De kronieken van San-Gimignano zijn dan ook uiterst merkwaardig; deze stad was eenmaal eene onafhankelijke republiek, waar de verschillende standen en corporatiën elkander ter dood toe hebben bekampt; waar het volk, rijk geworden, dien fieren trots en dat hooghartig zelfgevoel heeft bezeten, dat eene onmisbare voorwaarde is voor de ontwikkeling van een eigen nationaal leven op elk gebied. In deze hoofdstad zonder wingewesten, verhalen de gebouwen zelven, onafscheidelijk verbonden met de plaatselijke traditie, die zij aanvullen en waaraan zij wederkeerig een deel hunner belangrijkheid danken, de opkomst, de worstelingen, de omwentelingen, den bloei en eindelijk den ondergang eener natie, eener ware demokratie te midden der feodaliteit. In dit kort bestek omvat ge met een enkelen oogopslag een tafreel van de italiaansche republieken in de middeleeuwen, zoo als ze, allen in hoofdtrekken aan elkander gelijk, eenmaal te Perugia, te Florence, te Siënna en elders gebloeid hebben.

Even als de meeste steden van de latijnsche wereld heeft ook San-Gimignano gepoogd, haar genealogie op te voeren tot den tijd van het oude Rome. Twee jonge patriciërs van de partij van Catilina, twee broeders, Mucius en Sylvius, zouden zich, na de nederlaag bij Pistoja, hebben teruggetrokken in de vallei van de Elsa, en daar op twee heuvelen ieder een kasteel gesticht. Vele eeuwen later bouwde Desiderius, de laatste Koning der Lombarden, die zich in het kasteel van Sylvius, dat bereids tot een ommuurd vlek was verheven, onthield, eene tweede omwalling en een prachtig paleis, waar straks Karel de Groote gastvrij ontvangen werd, tot loon waarvoor hij aan de stad vele schoone voorrechten schonk.... Al deze verhalen missen historischen grondslag; de oorsprong der stad, die ook den bijnaam van Castel-Fiorito heeft gevoerd, moet gezocht worden in den ouden heerlijken burcht Sylvia, die weder zijn naam niet ontleende aan zekeren Sylvius, maar eenvoudig aan de boschrijke omgeving.

Toen geheel het omliggende land door Totila der verwoesting werd prijs gegeven, trokken de woeste scharen van den Koning der Oostgothen voorbij de stad Modena zonder haar te zien. Dit wonder was bewerkt door den vromen bisschop der stad, den later heilig verklaarden Geminianus: op zijn gebed, werden de oogen der barbaren gehouden, alzoo dat zij de stad niet zagen. Eerst toen hij een eind verder was, bespeurde Totila, omziende, Modena; maar hij was zoozeer door dit wonder getroffen, dat hij niet op zijne schreden terugkeerde. Deze gebeurtenis verhoogde natuurlijk niet weinig den roem van den heiligen bisschop; uit vreeze voor de barbaren, werden een aantal kerken hem gewijd; en zoo werd ook, tegen het einde der zesde eeuw, in de vallei van de Elsa, eene kerk gebouwd, bladzijde 302die, beschermd door dichte wouden, door haar ligging op een steilen heuvel en door haar gordel van muren, binnen de aan Sint-Geminianus gewijde ruimte een aantal landbouwersgezinnen, die voor de barbaren vluchtte, eene schuilplaats zoeken deed.


Gezicht op San-Gimignano.

Vóór de tiende eeuw is er geen enkel dokument te vinden betreffende San-Gimignano, dat door de Keizers aan de kerk van Volterra ten geschenke was gegeven. De band, die deze gewesten met het rijk verbond, werd tijdens de regeering der Gravin Mathilde verbroken; na langdurige worstelingen, die van 1108 tot 1199 duurden, wisten de Gimignanesi zich ook te onttrekken aan de opperheerschappij van Volterra, waaraan zij voortaan slechts zekere feodale rechten verschuldigd waren. Zij waren dus nu eene zelfstandige gemeente en verkozen hun eigen consuls; daarop plaatsten zij, op het voorbeeld der Florentijnen, aan het hoofd der regeering een podestà of oppersten rechter, die steeds een vreemdeling moest zijn. De eerste, die deze waardigheid bekleedde, was Maghinardo Malevolti, van Siënna.

Van dit oogenblik tracht de kleine republiek van tienduizend zielen, waarvan de bevolking in 1350 met de helft vermeerderd was, zich geheel van de souvereiniteit van Volterra te ontslaan, en de omliggende kasteelen en heerlijkheden aan haar gezag te onderwerpen. In hun landbouw, in hunne kudden, in hun wolleweverijen, bezaten de Gimignanesi een mild vloeiende bron van welvaart en rijkdom: te meer daar strenge wetten de burgers tot eene hoogst eenvoudige levenswijze verplichtten, en alle pracht en weelde uitsluitend voor het algemeen, voor den staat en zijne behoeften, bleef voorbehouden. Zoo ging, zij het niet zonder heftige burgertwisten, de woelige en geduchte tijd der vreeselijke worsteling tusschen Keizer en Paus voorbij, zonder dat de ontwikkeling der krachtige republiek daardoor merkbaar werd gestremd. Na den dood van Frederik II werden de Ghibellijnen uit de stad verdreven, en door een welfisch gezind gemeentebestuur de volksregeering ingevoerd. De veldslag van Montaperto, die de zege aan de Ghibellijnen schonk, deed ook de Guelfen van San-Gimignano in ballingschap gaan. Maar toen, in 1266, Karel van Anjou, het hoofd der Guelfen, Manfred verslagen had, riepen de burgers van San-Gimignano de tegenpartij der Ghibellijnen op nieuw aan het bestuur.

In het jaar 1276 bereikte de stad het toppunt harer politieke grootheid; deze periode van bloei hield, hoewel niet zonder toenemend gevaar van buiten, nog ongeveer een eeuw aan: de stad, zoo als wij haar thans voor ons zien, is in dat tijdvak, dat wil zeggen tusschen het einde der twaalfde tot omstreeks de helft der veertiende eeuw, bijna geheel gebouwd. In dien schitterenden tijd werd San-Gimignano, dat bereids dichters, rechtsgeleerden en staatsmannen van naam had voortgebracht, door Siënna en Florence meermalen tot scheidsrechter gekozen om uitspraak te doen in haar onderlinge geschillen, en zond de stad, bij zulk eene gelegenheid, aan Paus Innocentius V en aan Karel van Anjou gezanten, om de belangen van het verbond der Guelfen te bespreken. Later koos San-Gimignano, op aansporen van Martinus V, de zijde des Keizers; de burgers van Siënna zonden den beroemden Salvani als gezant naar deze republiek, welker bondgenootschap, eenige jaren later, door Karel II van Sicilië werd gezocht. Eindelijk, om de stad, die nog eenige grieven tegen de Florentijnen had, tot verzoening te bewegen en te verkrijgen dat zij zich door haar schepenen op de vergadering van het toskaansche verbond zou laten vertegenwoordigen, schroomde Florence niet, naar het kleine San-Gimignano den beroemdsten burger te zenden, dien het ooit bezeten heeft. Op den 2den Mei 1299 verscheen niemand minder dan Dante Alighieri in den raad der republiek, om voor den podestà Mino de'Tolomeï de zaak van Florence te bepleiten.

Niet zonder moeite slaagde de gemeente er in, de edelen te verzoenen met de volksregeering; bij elke overwinning der Ghibellijnen hervatten de machtige baronnen met hun aanhang den kamp; zij streden tegen de edelen van de andere partij, en beiden zochten zich maar al te vaak te versterken door bondgenootschap met den vreemdeling. Toen de twist der Witten en Zwarten de oude partijen ontbond en in factiën oploste, stonden aldra de verschillende wijken der steden vijandig tegen elkander over; de straten werden slagvelden, en ieder huis eene vesting. Ook te San-Gimignano woedde de partijschap met groote heftigheid; ge vindt daarvan nog de herinnering in de zware gekanteelde paleizen of burchten, die nog steeds de namen hunner oude eigenaars dragen. Tegen het einde der dertiende eeuw, openen de Salvucci, Ghibellijnen, de vijandelijkheden tegen de Pellari, Guelfen;—in 1319 vatten Tribaldo en Fusco Baroncetti de wapenen op tegen de gemeente; zij werden verbannen.—De samenzweering van Gentile Buondelmonte tegen den podestà Ranieri Trevio, in 1321, is een voorspel der gevaren, die deze republieken van de zijde harer machtige en eerzuchtige burgers zullen dreigen. De verdreven rebel roept de tusschenkomst in van Florence, dat het vonnis van den podestà, een florentijnsch burger, vernietigt, en Gentile keert in triomf naar San-Gimignano terug.

Weldra barstten nieuwe twisten en oneenigheden uit, ditmaal aangestookt door het geslacht der Ardinghelli, dat door een deel van den adel werd gesteund. Aanvankelijk tot de partij der Guelfen behoorende, en omstreeks 1324 hoofden van de partij der Witten, worden zij door de kroniekschrijvers tot de Ghibellijnen gerekend, omdat hun streven gericht was op de omverwerping der gemeente, welfisch bij overlevering, ten einde het gezag voor den adel te herwinnen. In 1325 komen zij in openlijken opstand, en worden verbannen; in 1331 teruggeroepen, worden zij zes jaar later weder verjaagd, keeren op voorspraak van Florence nogmaals terug, ontsteken op nieuw den burgeroorlog en worden nog in hetzelfde jaar andermaal gebannen. In 1342 zetten zij van buiten af eene samenzweering op touw, verzamelen krijgsbenden en trachten San-Gimignano bij verrassing te overrompelen. Met hunne aanhangers worden zij nu voor eeuwig uit de stad en haar rechtsgebied gebannen. In het volgende, een nieuwe aanval: de Ardinghelli worden nu ter dood bladzijde 303veroordeeld, welk vonnis door Florence wordt bekrachtigd. Maar de uitvoering blijft, ten gevolge van vreemden invloed, achterwege; zelfs worden de ballingen in 1349 teruggeroepen en hun alle straf kwijtgescholden. De vroedschap, die, ten gevolge van deze intriges en partijschappen, langzamerhand onder het gezag van Florence is geraakt, wordt nu verder met rust gelaten; maar thans beginnen de baronnen met elkander te twisten om de regeeringsposten; de Salvucci tegen de heeren van Picchena; Rosso de' Rossi, om meester te worden van het kasteel della Pietra, enz.... Aan die bloedige twisten namen ook andere familiën deel: de Vannelli, de Montigrani, de Cepparelli, de Chiarenti, de Nerucci, de Rudolfi, de Franzesi, die zich beroemden van de paladijnen van Karel den Groote af te stammen; de Bonnacorsi, de Ficarelli, de Cugnanesi, de Montaguto, de Mantellini, die reeds in de twaalfde eeuw hun burchttoren tegenover de collegiale kerk hadden gebouwd, waar hij nog staat. Om zich van het gezag meester te maken, riepen deze republikeinen de hulp van den vreemdeling in tegen hun vaderland, dat zij trachtten te verkoopen, om het dan, onder vreemde bescherming, te kunnen regeeren, en deel uit te maken van den Raad der Negenen, het uitvoerend bewind van den staat. De pest van 1348, die drie vijfden van de bevolking van Toskane ten grave sleepte, richtte ook te San-Gimignano de geduchtste verwoestingen aan, zoodat de stad niet meer dan vier-en-twintig voetknechten, onder den hoofdman Rossellino Ardinghelli, ter beschikking van de toskaansche ligue stellen kon.

Door toedoen van Florence was een wapenstilstand gesloten, en alle ballingen waren wedergekeerd, toen de Ardinghelli in het traktaat eene bepaling meenden te vinden, die nadeelig was voor hen en ten gunste van de Salvucci, wier macht niet minder te duchten was. De eene partij wil die bepaling intrekken, de andere haar handhaven: de strijd begint op nieuw; en Florence is genoodzaakt, driehonderd ruiters af te zenden om den vrede te herstellen. In spijt van de vroedschap, wordt het artikel, dat tot den twist aanleiding had gegeven, ingetrokken.

Maar daarmede was de zaak niet uit. Een zekere Ilario, een aanhanger van de Ardinghelli's, gaf, in een oogenblik van drift, een slag aan Michele di Pietro, een man van geringe aankomst en lid van den Raad der Negenen. Dit geschiedde in tegenwoordigheid van Rosellino Ardinghelli. De Salvucci beweerden dat Rossellino medeplichtig was aan de beleediging, en lieten Altoviti, kapitein des volks, afzetten, onder voorwendsel dat hij op Rossellino Ardinghelli niet de strenge bepaling der wet had toegepast, waarbij ieder edelman, die een burger beleedigde, met de zwaarste straf werd bedreigd. In zijne plaats lieten zij Benedictus Strozzi, hun leenman, tot capitano del popolo benoemen, wien zij aan het verstand brachten dat de gebroeders Ardinghelli, in overleg met zijn ambtsvoorganger, het plan hadden gesmeed om eene omwenteling tot stand te brengen en hunne tegenstanders te vermoorden. Rossellino en Primerano Ardinghelli werden op den 1sten Augustus 1352 in hechtenis genomen, en een krimineel proces tegen hen op touw gezet. Op het vernemen van deze tijding, beval de Signoria van Florence aan Strozzi, die een florentijnsch burger was, dat hij die hoog aanzienlijke en invloedrijke edellieden onmiddellijk op vrije voeten moest stellen, zoowel als Angelo Bartoli, dien men voor hun medeplichtige uitgaf. Maar eer dit bevel te San-Gimignano aankwam, waren de drie beschuldigden op aansporing der Salucci reeds den 19den der maand, beneden aan den grooten trap van het paleis, onthoofd.

Deze schandelijke daad had vreeselijke gevolgen: de Ardinghelli met hunne aanhangers en de heeren van Picchena zwoeren den Salvucci bloedige wraak. Met de Picchinesi en de Rossi van Florence kwamen zij onder de muren der stad bijeen, en werden door hunne bondgenooten aan de poort van Quercecchio binnen gelaten. Nu tastten zij, op het plein, het paleis van de Salvucci, dat tegenover het raadhuis stond, aan, en vermeesterden het, na een langdurig en bloedig gevecht: het paleis werd geplunderd en in brand gestoken, en de overwonnen partij uit San-Gimignano verjaagd. De beide partijen kuipten en intrigeerden nu te Florence, de eene om opheffing, de andere om handhaving van den ban; eindelijk, na lang gehaspel, zond Florence troepen om de Salvucci weder in hun recht en bezit te herstellen; maar de Ardinghelli, die meester in de stad waren, sloten de poorten voor die troepen toe. De burgers van San-Gimignano echter, verschrikt over de mogelijke gevolgen van deze vermetelheid, dwongen nu de Ardinghelli in onderwerping te komen.

De handel had onder dit alles veel geleden: uitgeput door de oorlogen met haar buren, door de innerlijke tweespalt, en door kostbare ondernemingen, waarvoor de middelen der vroedschap te kort schoten, verkeerde San-Gimignano in moeilijke omstandigheden. Vroeger, in de dagen van voorspoed, had de stad de vestiging van een aantal kloosters binnen haar muren begunstigd: nu waren die kloosters voor haar een bezwaar te meer geworden, want door schenkingen als anderszins was een zeer aanzienlijk deel van het grondgebied der stad in hun bezit overgegaan. De belastingen brachten daardoor zooveel minder op; de stad kon uit hare inkomsten niet langer de hooge renten betalen der gelden, haar voorgeschoten door florentijnsche bankiers, die tevens leden waren der regeering. In 1366 zag de Raad van Negenen zich mitsdien gedwongen, eene belasting op de geestelijke goederen te leggen, die niet dan na veel tegenspartelen werd betaald.


Paleis van den podestà te San-Gimignano.

Maar de glansrijke loopbaan der republiek neigde, na honderd-drie-en-vijftig jaar, ten ondergang. Met schulden overladen, door de florentijnsche woekeraars geperst, verscheurd door binnenlandsche twisten, was de regeering van San-Gimignano niet langer bij machte de noodige soldaten te betalen om den vrede te handhaven: haat en wangunst hadden de republiek ten val gebracht. De laatste worsteling der Ardinghelli's en Salvucci's, aangestookt en volgehouden door de aanhangers van de twee machtigste geslachten van San-Gimignano, bladzijde 306verhaastte de noodlottige ontknooping: de Salvucci, in een oogenblik toen de fortuin hem tegen was, dreven in den raad het besluit door om het grondgebied van San-Gimignano aan de republiek Florence te verkoopen. De Gimignanesi verzochten dus aan hunne oude bondgenooten om als hunne kinderen aangenomen te worden. Dit voorstel was lang voorbereid en kwam in geenen deele onverwacht; niettemin beraadslaagde de florentijnsche Signoria zeer ernstig over het verzoek, en de gevraagde gunst werd met de meerderheid van slechts één stem toegestaan.


Het Palazzo del Popolo te San-Gimignano.

De republiek van San-Gimignano drukte toen haar groot zegel in groen was op een in blanco gelaten perkament, dat naar Florence gezonden werd, ten teeken dat men de bepaling der voorwaarden van de overeenkomst aan de edelmoedigheid van Florence overliet. Niet minder hoffelijk, plaatste de Signoria twee kruisen aan het hoofd van het blad, en zond aan de Gimignanesi twee blanco perkamenten terug, ten teeken dat men hun zelven overliet de voorwaarden voor hunne verbindtenis vast te stellen. Dit geschiedde in 1353. Florence bracht geene verandering in den republikeinschen regeeringsvorm der stad, en zond er, even als tot dusver, haar podestà's heen. San-Gimignano behield zijne vroedschap, zijne magistratuur en de prachtige zijden en purperen staatsiegewaden, die zooveel luister bijzetten aan de plechtige vergaderingen in de groote zaal van het gemeente-paleis. Deze praalvertooningen hielden stand tot in het laatst der vorige eeuw.

Aanvankelijk ging alles goed: de ligue van Toskane hield hare vergaderingen te San-Gimignano; de vroedschap ging voort met de verfraaiing der stad. Tijdens het woeden der pest in 1450, stelde de podestà Piero Mancini voor, dat de vreemdelingen, uit besmette streken afkomstig, uit de stad, waar de epidemie nog niet was doorgedrongen, zouden geweerd worden; maar de raad en het volk besloten eenstemmig, dat aan alle buren en vreemdelingen, zonder onderscheid, schuilplaats zou worden verleend. De aanzienlijken van Florence weken dus naar San-Gimignano, dat een ruim paleis tot hunne beschikking stelde. Onder die gasten vinden wij, nevens andere beroemde namen, die van Lorenzo Capponi, van Bernardo en Piero de' Medici, en van Ludovico Galileo Galileï, uit een oud geslacht gesproten, dat later algemeen bekend zou worden. San-Gimignano had ook den grooten Cosmo de' Medici, den pater patriae, een wijkplaats aangeboden, maar hij had bereids eene uitnoodiging te Volterra aangenomen. Een halve eeuw later ontving San-Gimignano, met groote eerbewijzen, een ander beroemd Florentijn, Macchiavelli, door het gouvernement afgevaardigd als commissaris voor de oprichting eener nationale milicie, die de plaats der vroegere huurtroepen moest innemen.

Maar toen was de verhouding, ondanks de trouwe aanhankelijkheid van San-Gimignano aan de Medicis, reeds minder aangenaam geworden. Sedert vijftig jaren trachtte Florence, zelf door geldnood geperst en bovendien door beursmannen geregeerd, van de Gimignanesi zooveel mogelijk profijt te trekken. Reeds in 1374 hadden de Florentijnen, ondanks de vermaningen en waarschuwingen van Rome, den verkoop bevolen van de kerk- en kloostergoederen; er werd toen eene overeenkomst gesloten: de geestelijkheid betaalde eene schatting van tweehonderd-vijftigduizend gouden dukaten en behield haar goederen. De belastingen werden allengs zoo drukkend, dat de bevolking steeds meer verarmde en ten gevolge daarvan gaandeweg verminderde. De misdaden namen hand over hand toe, de vroegere welvaart was verdwenen: zoo was de toestand dezer eens zoo bloeiende gemeente, toen, omstreeks 1530, de florentijnsche republiek bezweek. Honderd-zestig jaren later telde San-Gimignano met haar rechtsgebied niet meer dan drieduizend-driehonderd-vijftig zielen. De stad was schier geheel verlaten; maar juist aan deze verlatenheid dankt zij het, dat haar monumenten bijna ongeschonden in wezen bleven; men heeft geene veranderingen aangebracht om de later komende geslachten te huisvesten, en zoo staat de kleine, gestorven republiek nu daar, gekroond met al de majesteit eener nekropolis.

Ik achtte dit overzicht van de geschiedenis van San-Gimignano noodig, eensdeels omdat niemand, die met dit verleden onbekend is, de stad inderdaad begrijpen en waardeeren kan; en anderdeels, omdat ook wederom die geschiedenis, in zoo sprekende trekken, ons het beeld voor den geest roept van die fiere italiaansche republieken der middeleeuwen, zoo overvloeiende van leven en forsche kracht, zoo rijk en vruchtbaar op ieder gebied. Het moderne Italië zal, ondanks zijne eenheid, nog zeer veel te doen hebben, eer het eenigermate in de schaduw kan treden van het zoo uitermate versnipperde Italië der middeleeuwen, waar bijna elke stad een zelfstandig brandpunt van ontwikkeling, leven en werkzaamheid, in kunst en wetenschap en beschaving was.

III.

De straat, die wij waren ingereden, was zoo merkwaardig, dat wij, om beter te kunnen zien, de kap van het rijtuig lieten neerslaan. Aan de binnenzijde van de Sint-Janspoort, had men, in de veertiende eeuw, tegen den muur boven den boog, eene Madonna in fresko geschilderd, die, naar men verhaalde, het vermogen bezat om wonderen te doen. Ten tijde van Savonarola oordeelde men het daarom gepast, dit beeld te omvatten met eene kleine kerk, die boven op een grooten boog werd gebouwd en in 1582, op onhandige wijze, werd gerestaureerd.

Aan het einde der straat gaat men onder een tweeden boog door, een overblijfsel, naar men zegt, van eene oude poort, die deel uitmaakte eener vroegere omwalling: is dit zoo, dan besloeg de stad toen eene zeer kleine oppervlakte. De paleizen der edelen verheffen zich bijna allen binnen dien kleinen omtrek, waartoe een onregelmatig, heuvelachtig plein toegang geeft, dat met paleizen in florentijnschen stijl is omzoomd en in het midden prijkt met een waterput, in 1273 gemaakt en in 1346 vergroot door den podestà Malevolti, wiens wapenschild nog op den put te zien is. De zware pilaren, die de architraaf dragen en die architraaf zelf behooren tot den oorspronkelijken bouw. Deze put, waaraan de Piazza haar naam ontleent, bladzijde 307getuigt van de zeldzaamheid van het water in een stad, die op een steilen heuvel is gebouwd; daar de put honderdduizend kan water bevat, had men vroeger een groote steenen kuip aangebracht voor het geval van brand. Het water werd geput met bakken of emmers van gebakken aarde, die het eigendom waren van enkele, in de nabijheid wonende partikulieren, aan wie, bij verlies of beschadiging dier emmers, van stadswege eene vergoeding van twee stuivers en vier penningen voor iederen emmer werd betaald. De Cisterna doet eene zeer goede uitwerking op dit onregelmatig driehoekige, sterk hellende plein, omringd door paleizen van rooskleurigen baksteen en geelachtigen steen. Onder die paleizen bemerkte ik het oude paleis der vroedschap of Volkspaleis, dat een der meest antieke gebouwen is en uitmunt door den strengen eenvoud van zijn stijl; daarnaast verheft zich de sierlijke woning der familie Borgheresi. Aan de overzijde staat het paleis der Cortesi; de zware toren, die hoog boven dat paleis uitsteekt, is een oude burcht der Paltoncini, die er twee zoodanige bezaten; de andere is in 1822 ingestort.

Dit plein grenst aan een ander, het plein der Collegiata, zeer oneigenaardig thans del Duomo genoemd. Daar bevindt zich de eenige locanda (herberg) van de geheele stad; zij is tegen het Volkspaleis aangebouwd, tegenover de oude woning der Salvucci, en grenst aan den gemoderniseerden gevel van de collegiale kerk. Terwijl de goede Madama Giusti, padrona des huizes, ons ontbijt liet klaarmaken, verscheen de dochter met het vreemdelingenboek, waarin zij ons verzocht te teekenen. De laatste forestiere, die in deze locanda, waar wij den 19den Maart aankwamen, zijn intrek had genomen, was reeds op den 18den October vertrokken.

Wij hadden onze eerste schreden gericht naar de Collegiata, van buiten ontsierd door trappen en een voorgevel van de achttiende eeuw; maar het was niet mogelijk in de kerk te blijven, zoo overvol was zij. Een Franciskaner-monnik stond op den preekstoel, en verkondigde met groote levendigheid den lof van den H. Josef. Van tijd tot tijd barstte zijn gehoor in lachen uit; eensklaps bracht hij het dan weer tot bedaren door luide kreeten. “Ha ben gridato!” zeiden, in stille bewondering, de contadini tot elkander. Deze goede monniken doen hun best om de populariteit op te houden, die hier verzekerd is aan alles wat aan Sint-Franciscus herinnert, sedert 1227, toen het eerste klooster werd gesticht in de Via di Quercecchio, weinige jaren na een bezoek van den grooten man zelven. De gemeente schonk in 1242 landerijen buiten de Sint-Janspoort aan de Franciskanen; het volk koos hen tot scheidsrechters, tot gezanten, tot kanseliers; en toen in 1499 het algemeen kapittel der orde hier gehouden werd, beijverden de magistraten zich om de afgevaardigden met den meest mogelijken luister en eerbied te ontvangen.

Terwijl het volk naar de preek luisterde, wierpen wij een blik op het zoogenaamde paleis van het Horloge, sedert het einde der dertiende eeuw de residentie der podestà's. Twee bijzonderheden geven aan dit paleis een eigenaardig karakter:—de een-en-vijftig el hooge toren, de Rognosa genoemd, die ouder is dan het paleis;—en eene lage, ruime, donkere, gewelfde zaal, van oploopende zitplaatsen omringd en die door middel van een geweldigen portone op straat uitkomt. Dit hol, zooals men die sombere ruimte bijna noemen kan, is nooit door eene deur afgesloten geweest; volgens sommigen werd hier rechtzitting gehouden. Het paleis werd in 1337 vergroot en van boven van eene loggia voorzien, waarvan de bogen thans dichtgemetseld zijn, en waar de magistraten openlijk met hunne waardigheid bekleed werden.

Tusschen de Rognosa en een anderen, misschien nog ouderen toren, staat een smal huis, met spitsboogvensters, dat vroeger tot het oude paleis van den podestà moet hebben behoord, en dat omstreeks 1340 met twee verdiepingen werd verhoogd. Deze bijzonderheid bewijst dat dit huis, thans een koffiehuis, destijds niet het eigendom was van partikulieren. Immers de vroedschap bepaalde met volstrekt gezag het aantal kamers en verdiepingen, zoowel als de hoogte der torens en de breedte der paleizen. Voor het niet zeldzame geval van straatgevechten en bestorming der huizen, was het billijk, dat de partijen elkander met gelijke wapenen bestreden.

Toen, na de vereeniging met Florence, de vroedschap niet langer het souverein gezag bezat, vestigden de podestà's hunne residentie naast de kerk in het nieuwe Volkspaleis; het oude werd toen bestemd tot woning voor aanzienlijke vreemdelingen en voor sommige staatsambtenaren. Tijdens het woeden der pest in 1420 en in 1464, woonden Domenico Capponi en Lucca Pitti tijdelijk in dit paleis. Later diende het voor kanselarij, en werd ook gebruikt voor de openbare scholen, reeds in 1279 georganiseerd, en waartoe ook eene universiteit behoorde, door Domenico Mainardi gesticht. Later hield het gilde der wolwerkers hier zijne zittingen; sedert 1537 diende de groote zaal tot theater, en het gebouw werd al spoedig wat het nog heden is: een schouwburg.

Ter linkerzijde van het plein, tusschen de kollegiale kerk en l'Orologio, staat het Palazzo del Commune, of del Popolo, of ook del Nuovo Podestà, gebouwd in 1288, toen de burgers van San-Gimignano, in het volle bewustzijn hunner macht, wilden dat hunne overheden en vertegenwoordigers in een gebouw zouden zetelen, hunner en der republiek volkomen waardig. In 1323 wilden de Negen, die, ten gevolge van moeilijkheden met het kapittel, niet langer de klok der kerk gebruikten om de leden van hun raad ter vergadering op te roepen, het gemeentehuis met een toren begiftigen, die al de andere zou overtreffen. Die toren is ruim drie-en-vijftig el hoog; zij hingen er drie klokken in, waarvan de grootste, die het jaartal 1328 draagt, door de gebroeders Riciardo en Francesco, van Florence, werd gegoten.

De massieve toren, van gehouwen steen opgetrokken, heeft van onderen een overwelfden doorgang, vensters op iedere verdieping, en van boven eene uitstekende galerij. Talrijke wapenschilden versieren den toren, krachtens eene ordonnantie van de Negen, waarbij aan al de hoofden der adellijke familiën een schatting van driehonderd pond werd opgelegd, waarvoor bladzijde 308hun het voorrecht werd toegekend om hun wapenschild aan den toren op te hangen. Op de binnenplaats van het paleis, die met de wapenschilden der podestà's, basreliefs en een bekoorlijke kleine fresko prijkt, bevindt zich een groote waterput, in 1360 gemaakt, en daarnevens een monumentale trap; het geheel doet u denken aan de binnenplaats van het Bargello te Florence. Aan den voet van dien trap werden de twee gebroeders Ardinghelli en Angelo Bartoli onthoofd.

De bovenverdieping van het paleis bevatte het pretorio of gerechtshof, uitkomende op eene loggia, die nog bestaat, en waartoe de groote trap van de binnenplaats toegang gaf. De groote zaal, waar de Negen zitting hielden en de volksvergaderingen plaats grepen, stond door een vrij hoogen stoep rechtstreeks met de Piazza in gemeenschap. Deze zaal, die de geheele benedenverdieping inneemt, is zeer ruim en treurig vervallen, maar heeft toch nog haar karakter behouden. Zij is tegenwoordig tot museum ingericht.

Vooral in deze zaal vertoont zich de grootheid dezer kleine republiek in een zeer eigenaardig licht. Vroeger waren de voornaamste feiten harer historie op de wanden dezer zaal afgebeeld; van die schilderijen is niet veel meer overgebleven dan het overschot eener Jacht; verder eenige figuren van beroemde mannen, onder anderen Scolaro Ardinghelli, aartsbisschop van Tyrus; en eindelijk een reusachtige fresko, voorstellende de Madonna op een troon, omringd door acht-en-twintig meer dan levensgroote beelden van engelen en heiligen. Aan de voeten der Madonna ligt Mino de Tolomei geknield, die in de eerste jaren der veertiende eeuw podestà was. Een troonhemel, waarvan de draperie door engelen wordt opgehouden, overschaduwt de hoofdfiguur; op dien troonhemel is het wapen der Tolomei, vier wassenaren, geschilderd, benevens het wapenschild der gemeente. Deze voortreffelijke fresko is het meesterwerk van Lippo Memmi.

De oploopende zitplaatsen rondom de zaal waren bestemd voor de prioren met hun priposto (provoost, voorzitter) en hun gonfaloniere; voor hen zaten de hoofdmannen van de welfische partij met hun gonfaloniere; ter wederzijde de rechters, de griffiers, de voormannen der gilden. Allen moesten hier verschijnen, gekleed met de tuniek en kap, of met een mantel “decentemente colorati.” De houten zetel of pulpitto der priposti is een der oudste, die men kent: het is een vijfhoekig gestoelte, vrij smal in verhouding tot zijn hoogte, sober versierd en door pilasters omringd. In deze zelfde zaal was het, dat Dante, op 8 Mei 1299, de zaak van het welfische verbond bepleitte.

In 1853 bepaalde de stedelijke regeering, dat de schoone schilderijen, in de kerken en kloosters der stad verspreid, in deze zaal zouden worden bijeengebracht en gerangschikt, ten bewijze van den kunstzin der voorgeslachten. Men vindt hier een honderdtal doeken, waaronder dertig zeldzame en minstens vijftien meesterstukken. Eene beschrijving beteekent niets, voor wie de stukken zelven niet zag: te minder, daar in de schilderijen van dien tijd de afwisseling wordt gemist, waarop onze tijd roem pleegt te dragen, en waarin zij vergoeding wil zoeken voor hetgeen haar ten eenenmale ontbreekt: de onuitsprekelijke bezieling, de innigheid, de extase van de waarlijk geloovige kunstenaars, voor wie het hoogste ideaal werkelijkheid, de kunst inderdaad eene Godsvereering was. Ik zal mij daarom bepalen tot het opnoemen der namen van eenige beroemde meesters, van wie hier werken gevonden worden: Taddeo di Bartolo; Lorenzo Nicolo van Florence, wiens schilderijen zeer zeldzaam zijn, en van wien hier een tryptiek te zien is; Domenico Ghirlandajo, de meester van Michel-Angelo; Vicenzo Tamagni, een der beroemdste leerlingen en medewerkers van Rafael, onder den naam van Vincent van San-Gimignano. Het juweel der galerij is waarschijnlijk een schilderij van Pinturicchio, afkomstig uit het oude klooster van Montoliveto. De Madonna zweeft te midden van een grooten ovalen nimbus, geheel met kleine engeltjes gestoffeerd, ter rechter- en ter linkerzijde liggen een Paus en een gemyterde abt geknield; de achtergrond vertoont een met groot talent gekomponeerd toskaansch landschap.

De Stad met de schoone torens, zoo als San-Gimignano genoemd werd, heeft het levenslicht geschonken aan een aantal dichters, kunstenaars, prelaten, krijgshoofden, gezanten, geleerden, die in hun tijd mede een zitplaats hebben ingenomen in dezen salone, waar nu de kunst alleen heerscht. De geleerde Paolo Cortèse, bisschop van Urbino, wiens geschriften door niemand minder dan Poliziano met lof worden vermeld, en zijn broeder Alessandro, waren van San-Gimignano geboortig. Coppo Coppi, de Nestor der toskaansche dichters, aanschouwde op dezen heuvel het levenslicht. Mattia Lupi, de Vergilius van zijne vaderstad, die in 1463 de Annales Geminianenses, een soort van Eneïde in verzen, voltooide, genoot bij zijn medeburgers zoo hooge achting dat zij hem vrijstelden van alle belastingen. Cherubino Quarquagli, een luimig dichter; Onofrio, wiens borstbeeld in de Collegiata prijkt; Vicenzo de' Cetti, Giulio de Noris, Bartolommeo Nerucci, die een kommentaar op de Divina Comedia geschreven heeft; Filippo Bonaccorsi, bijgenaamd Callimaco, de vriend van Campano en Platina, en een der beroemdste geschiedschrijvers van Italië, waren allen mede van San-Gimignano afkomstig.

De familie Cattani mocht er roem op dragen, aan de Kerk een heilige te hebben geschonken: Sint-Pieter-Martelaar, van de orde der Predikheeren, die door Sint-Franciscus van Assisi tot priester werd gewijd en naar Afrika gezonden om het Evangelie te verkondigen, waar hij in 1220 in Marokko werd ter dood gebracht. Ook Santa-Fina, hier niet minder populair dan Sinte-Catharina te Siënna, werd te San-Gimignano geboren.


Palazzo publico te Volterra.

Van de schilders, die hier het levenslicht zagen, noem ik er voorloopig slechts twee: Poccetti (Bernardino Barbaselli) in 1548 geboren en leerling van Micaele di Rodolfo del Ghirlandajo; en Sebastiano Mainardi, afstammeling uit een oud adellijk geslacht, dat een aantal uitstekende mannen heeft voortgebracht. Mainairdi was de geliefkoosde leerling en vervolgens de medearbeider van Domenico Ghirlandajo, met wien bladzijde 310hij onder anderen aan de prachtige freskoos in de koorkapel van Santa-Maria-Novella te Florence werkte. Maar zijne voornaamste en beste werken bevinden zich in zijn vaderstad San-Gimignano, en met name in de hoofdkerk, oneigenlijk de Domkerk genoemd.

IV.

Toen wij het paleis der podestà's verlieten, was de dienst in de kerk geëindigd, en had de schare zich verspreid over het eerwaardige plein, dat met zijne vijf massieve torens schier aan den binnenhof van een alouden burcht denken doet. Wij traden de kerk binnen. Deze kerk, met hare drie schepen, die van de twaalfde eeuw dagteekent, doch van buiten door smakelooze restauratiën bedorven is, maakt van binnen een zeer bijzonderen indruk. De vrij ver uit elkander staande vensters zijn in de veertiende eeuw nog verkleind, om daardoor voor den muur, die het gewelf dragen moet, meer ruimte te winnen; het daglicht dringt gedempt door geschilderde glazen en hult de gansche kerk in eene geheimzinnige schemering. Bij dat flauwe licht ontwaart ge, niet zonder verbazing, langs de wanden der kerk eene gansche wereld van beelden: de Collegiata werd, tusschen de jaren 1393 en 1490, inwendig geheel, van onderen tot boven, met freskoos overdekt. Daar ontrolt zich, in half schemerachtige figuren, de gansche geschiedenis des Ouden en des Nieuwen Verbonds.

Het is natuurlijk niet mogelijk, al deze schilderijen, waarvan de waarde onderling zeer verschilt, te beschrijven; slechts op enkelen wil ik wijzen. Ziehier, aan den wand rechts van het middenschip, eene voorstelling van het Paradijs, met Christus in heerlijkheid bovenaan en de Madonna, door engelen gedragen. Aan hunne voeten, de machten en tronen en heerschappijen des hemels, spelende op allerlei muziekinstrumenten; lager, de heilige maagden, martelaars en belijders, de Pausen, bisschoppen, stichters van geestelijke orden, allen in de extase der aanbidding. In de hoogte ademt alles de overweldigende macht der onuitputtelijke, goddelijke liefde, die een stroom van vreugde en zaligheid om zich verspreidt; beneden: het blijmoedig vertrouwen, de zaligheid in hope der uitverkorenen. Ga niet vluchtig langs zulke voorstellingen heen, want dan zult gij ze ziende niet zien: de diepe zin, de innige inspiratie dezer verheven kunstwerken, gedichten in kleuren, zullen u verborgen blijven. En toch, hoezeer verdienen zij de volle aandacht, de ernstige liefdevolle studie, deze wondervolle scheppingen van een tijd, waarin de kunst, met minder ophef en rumoer, inderdaad vrij wat hooger plaats innam dan heden ten dage, en waarin zij zelve gedragen en bezield werd door hooge idealen, door een zoo verheven geest, dat al het gemeene als van zelf buiten hare sfeer viel.

Taddeo di Bartolo, de schepper van dit hemelsch visioen, heeft, in het jaar 1393, op den tegenoverstaanden wand, als tegenhanger, de Hel geschilderd, waarbij hij, blijkbaar geinspireerd door Dante, aan zijne verbeelding den vrijen teugel heeft gevierd en een tafereel ontworpen, wel geschikt om een machtigen indruk te maken. Ik ga de verdere reeks der voorstellingen uit het Oude en het Nieuwe Testament voorbij, maar mag de kerk niet verlaten zonder een blik geworpen te hebben in de kapel van Santa-Fina in het rechter kruispand. De naam van Santa-Fina is te San-Gimignano niet minder populair dan die van Sinte-Catharina te Siënna. Reeds in de veertiende eeuw werden haar bidkapellen toegewijd; het hospitaal harer geboortestad staat onder hare bescherming, en haar beeld hervindt ge telkens op de schilderijen. Haar moeder heette Impereria, haar vader Cambio de' Ciardi. Hoewel uit adellijk bloed gesproten, kende zij reeds van haar geboorte de ontberingen der armoede; toen hare moeder weduwe geworden was, leefden de beide vrouwen van haar handenarbeid. Fina, hoewel van zeldzame schoonheid, weerstond de verlokkingen der wereld, en zocht haar kracht tegen verzoeking in onthouding, gebed, en stille afzondering. Uitgeput door haar strenge boetedoeningen, werd zij krank, en legde zich neder op een smalle plank, waarop zij zich niet kon omkeeren. Na den dood harer moeder, werd zij nog losser van de aarde, en kende geene andere vreugde dan den verborgen omgang der ziel met haar hemelschen Bruidegom; twee weldadige vrouwen, Bonaventura, haar geburinne, en Beldia, haar min, voorzagen in haar nooddruft. Op haar armoedig sterfbed uitgestrekt, door de koorts verteerd, door pijnen gefolterd, week de blijmoedige glimlach niet van haar gelaat, hoewel haar uitgeput lichaam ten grave neigde. Naar de mythe zegt, verscheen haar, acht dagen vóór haar dood, de Paus Sint-Gregorius, die haar haar naderend uiteinde voorspelde. Op den 15den Maart 1253 ontsliep zij. Aanstonds ontloken bloemen rondom haar legerstede, en begonnen de klokken der stad van zelve te luiden. Nog andere wonderen, heet het, werden door haar kracht gewrocht: de burgers van San-Gimignano verkozen haar tot hunne voorspraak; Sixtus IV vergunde in 1481 de vereering van deze heilige; in 1538 werd de kanonisatie nader bevestigd door Paulus III.

Negentien jaar na den dood van Fina, besloot de volksraad, ter harer eere in de parochie eene kapel te stichten; dit plan, dat aanvankelijk door den oorlog en andere rampen en verwikkelingen op den achtergrond geraakte, kwam eerst in 1465 tot uitvoering. De prachtige en rijk versierde kapel, door Giuliano de Mariano gebouwd, prijkt met twee groote freskoos van de hand van Domenico Ghirlandajo, den beroemden leermeester van Michel-Angelo. Deze beide schilderijen zijn ware juweelen, uitmuntende zelfs te midden der rijke kunstschatten van Toskane en Umbria. De eene stelt de Uitvaart van de heilige voor. De bisschop komt de gebeden opzeggen; eene aandachtig luisterende schare omringt hem. Op haar leger uitgestrekt ligt daar Fina, over wier schoon gelaat een onbeschrijfelijk waas van jeugdige teederheid en kinderlijke argeloosheid is verspreid; de gestorvene heft, door een wonder, hare hand op, en schenkt aan haar min de gezondheid, en aan een geestelijke het gezicht weder. Een engel roert de klokken in den toren aan, die van zelve beginnen te luiden. Zielsrust, heilige kalmte, bladzijde 311dweepend geloof, ziedaar wat u tegenstraalt uit al de figuren op deze verwonderlijke schilderij, waarop, zoo als de oude Pecori zegt, “de heilige schijnt ingesluimerd aan den mond des Heeren.”

De andere fresko verplaatst u in eene armoedige woning, een soort van keuken, met huiselijk gereedschap en vaatwerk. Twee vrouwen zitten te naaien: zij zijn hoogst eenvoudig gekleed, met groote boerinnemutsen op het hoofd. Op den grond ligt Fina, die de oogen gericht houdt naar een hoek van het vertrek, waar haar Sint-Gregorius verschijnt. De eene vrouw, Bonaventura, heeft niets bespeurd; de andere, Beldia, wendt zich half om en ziet de hemelsche verschijning: haar gelaat en houding teekenen wel heiligen eerbied en bewondering, maar niet in het minst verbazing. Weet zij niet, dat bij God alles mogelijk is, en dat de nederigheid der woning voor Hem geen beletsel is voor de openbaring zijner genade en heerlijkheid? Boven ziet ge een schaar van kleine engelen, die de ziel der afgestorvene ten hemel voeren. De rustige toon van het geheel draagt het zijne bij tot den diepen, weldadigen indruk van dat nederig binnenhuis, waar hemelsche verschijningen en wonderteekenen zich zoo geheel geleidelijk invoegen in het gewone, alledaagsche leven, zoo natuurgetrouw weergegeven, dat ge nog heden elk oogenblik het origineel daarvan vinden kunt. Deze naïeveteit, deze treffende onbevangenheid, die het hoogste idealisme op de meest eenvoudige wijze met de alledaagsche werkelijkheid weet te verbinden, zonder dat ge iets van gaping, veel min van tegenstelling, gevoelt, is het groote, onnavolgbare geheim der oude meesters, waardoor zij, ook ondanks de gebreken en zwakheden der techniek, als kunstenaars zoo uitnemend hoog staan.

Aan de kollegiale kerk van San-Gimignano hechten zich groote herinneringen. Eugenius III en Bernard van Clairvaux hebben in deze kerk de heilige dienst verricht. Sint-Bernardinus van Siënna hoeft er gepredikt, zoowel als Felice Peretti, acht-en-dertig jaar voor hij Paus Sixtus V werd. Maar de gedenkwaardigste predikatiën zijn wel die, welke Girolamo Savonarola hier, in de vasten van 1484 en 1485, gehouden heeft. Hier heeft de onstuimige hervormer zijn eerste manifest uitgevaardigd; hier met beslistheid den grooten strijd zijns levens aanvaard; hier zette hij de eerste schreden op den weg, die hem naar den brandstapel van 1498 voeren zou.

De kerk verlatende, staan wij als het ware te midden derzelfde omgeving, die op de oude freskoos onze aandacht getrokken heeft. In de adellijke wijken van San-Giovanni en San-Matteo hebben de gevels der dusgenoemde paleizen allen dezelfde afmetingen: volgens een keur van 1253, mocht de breedte aan de straat niet meer bedragen dan omstreeks zes meter, terwijl voor de diepte der woning het dubbele was toegestaan. Het paleis mocht, behalve de loggia, niet meer dan twee verdiepingen hebben, met twee vensters, die somwijlen in een zelfden boog waren saamgekoppeld; de vensterbogen zijn halfrond of spits toeloopend; somwijlen ook vindt ge bogen in moorschen stijl. De versierde lijsten der vensters zijn van baksteen, dikwijls van verschillende kleur, en met eenvoudige arabesken en relief. Doorgaans is het benedengedeelte der paleizen van gehouwen steen, en de bovenverdieping van baksteen. Er waren twee deuren: de eene voerde naar de vertrekken, de andere naar de loggia of open galerij, op kolommen of pilasters rustende, waar de heer des huizes zijne vrienden of beschermelingen placht te ontvangen.

Nevens ieder paleis verhief zich weleer een toren. Nog zijn de overblijfselen van de meeste dier torens duidelijk kenbaar, ook al is het dak over het overgeschoten stuk doorgetrokken, al heeft men vensters in den muur gemaakt en den toren bij de woning getrokken. Tegen het einde der zestiende eeuw stonden er nog vijf-en-twintig torens overeind; thans zijn er nog dertien, zonder de kerktorens mee te tellen, die er bijna eveneens uitzien. Deze burchttorens zijn vierkant, van ongelijke hoogte, maar stout gebouwd, en ondanks hun slanken vorm, indrukwekkend, om niet te zeggen drukkend en somber. Zij dagteekenen allen uit de dagen der onafhankelijkheid, dat is uit de drie eeuwen, volgende op het jaar duizend.

Het bezit van zulk een toren was een voorrecht van den adel, van de hooge staatsambtenaren, en ook van de uitstekende mannen op het gebied van letteren en wetenschappen. Geen enkele toren mocht boven de Rognosa uitsteken; zij staan bijna allen binnen de eerste omwalling, rondom de Piève en het Podesta, in de wijk van den adel. Aan de voorzijde hebben zij eene kleine, lage deur; zij zijn van travertijnsteen gebouwd en schijnen van verre uit één stuk gehouwen; de smalle langwerpige vensters, zeer gering in aantal, zijn zonder orde aangebracht. Men beklimt de torens met behulp van ladders, die van binnen op smalle vloeren rusten; alleen de onderste verdiepingen worden bewoond. Sommige paleizen, hoewel niet veel grooter dan de andere, onderscheiden zich door hun bouwkundigen stijl. Uwe aandacht wordt getrokken door het paleis der Vroedschap, door de casa der Borgheresi: vooral door de woning der heeren Pesciolini. De architectuur is zoo rijk en zoo edel, dat eene oude overlevering dit paleis tot de residentie maakt van Desiderius den laatsten Koning der Lombarden, die in 759 de tweede omwalling zou hebben gebouwd. Een marmeren opschrift vermeldt, sedert eeuwen, dit feit, dat nochtans onjuist is: het paleis zelf is niet ouder dan de veertiende eeuw.

Na een bezoek aan de ruïnen der oude citadel gebracht, en vervolgens de geheele stad doorkruist te hebben, sloegen wij links de straat della Costa in, en stonden eensklaps voor een dier steile paden, die schier loodrecht naar beneden dalen. Wij lieten ons te eer verlokken dit bijna halsbrekend pad te volgen, omdat het uitliep op een monument, dat wij, dus van boven gezien, niet konden thuis brengen. Weleer bezat San-Gimignano op zijn berg welhaast geen ander water dan wat in regenbakken werd opgevangen; weldra werden eenige beekjes en sprengen van de naburige heuvelen stadwaarts geleid, en had men, buiten de poorten, een paar magere fonteinen. Maar de vroedschap, die haar burgers had gelast, zich geregeld te bladzijde 312baden, was daarmede niet tevreden. Voor 1239 ontbood zij water van Cellole, op een afstand van vier mijlen buiten de poort San-Matteo. In 1327 richtte de stad publieke baden op in het kwartier San-Matteo. Eene keur van 1415 beveelt dat de mannen en knapen boven de zeven jaar zich tusschen zondag en woensdag moeten baden; de andere dagen van de week waren bestemd voor de vrouwen en meisjes. Er was niets wat de aandacht van deze stedelijke regeering ontging.


De groote fontein te San-Gimignano.

Het monument, waarheen wij onze schreden richten, bevat de grootste fontein en de waschkuipen der stad. Zes rondbogen, door zware gedrongen pilaren gedragen, vormen twee kleine schepen, wier lijnen weerspiegelen in een groote waschkuip; de eigenlijke fontein is door een spitsbooggewelf overdekt. Uit de verte gezien, kunt gij u geen rekenschap geven van den aard van het gebouw, dat in een diep ravijn als verscholen ligt. De fontein ontvangt haar water in overvloed van eene mild vloeiende spreng uit den aangrenzenden heuvel; ge vindt daar altijd een zeker aantal vrouwen, die haar waterkruiken komen vullen of bezig zijn met wasschen. bladzijde 313

Als ge door deze stad wandelt, die met zoo zeldzame zuiverheid haar antiek-middeleeuwsch karakter heeft bewaard; door deze straten, waar schier geen enkele wanklank de stille melodie van den ouden tijd verbreekt, dan zijt ge bijna geneigd, de weinig talrijke hedendaagsche bewoners voor een anachronisme te houden; en onwillekeurig ziet ge om u heen, of ge niet een groep dier edelen en burgers bespeurt, wier beeld zoo getrouw is bewaard op de schilderijen in de kerken. En zoo ge slechts eenige studie gemaakt hebt van het verleden dezer oude republiek, dan herleeft zij weder geheel voor u, die middeleeuwsche gemeente, demokratisch door haar oorsprong en inrichting, maar, in tegenstelling met wat men heden demokratie noemt, zoo gansch en al doortrokken van den echt-aristokratischen geest: ja, aristokratisch in al hare neigingen en hartstochten, van de liefde voor het schoone tot den dorst naar het oppergezag, hooghartig, fier, vrijheidlievend, maar tevens edelmoedig en grootmoedig. Aan dien geest dankte de kleine stad haar zeldzamen bloei, haar grootheid en macht, de rijke veelzijdige ontwikkeling van haar bladzijde 314leven. Die geduchte wallen, die zware torens, die dreigende vestingwerken—ze weten allen te verhalen van bloedigen kamp en wilde worsteling met de vijanden van buiten en van binnen; maar onder de gewelven der kerken en binnen de muren der paleizen, zongen de oude schilders der ziel hunne wonderzoete liederen van de teederste en verhevenste mystiek. De inwoners hebben nog iets van dien ouden grooten geest overgehouden: zij hebben hunne stad en hunne kerk lief; nog heden, als in de schoone dagen van weleer, dragen hier de scholieren het kerkelijk gewaad; en geene schennende naamsverandering der oude straten en pleinen heeft tot dusverre vermocht, dien zin van piëteit bij de burgers van San-Gimignano uit te dooven. Mogen zij lang getrouw blijven aan hun roemrijk verleden!


Porta dell' Arco te Volterra.

V.

San-Gimignano verlatende, toog ik westwaarts naar de dusgenoemde Maremma van Toskane: eene dorre, onbebouwde streek, weinig bevolkt, met geen anderen plantengroei dan enkele boschjes van verschrompelde boomen met grijskleurige bladeren. Voortdurend steeg de weg; San-Gimignano zonk achter mij in de diepte; ton westen verhieven zich vrij hooge bergen, waarboven, aan den gezichteinder, een kegelvormige top uitstak, met rechtlijnige muren bekroond. Die hooge berg stond daar immer voor ons, terwijl wij in breede kringen, over den kam der heuvelen, de woestijn doortrokken; eindelijk, toen wij den top vlak tegenover ons zagen, wees de koetsier met zijn zweep naar dit, den ganschen omtrek beheerschend punt, en sprak: “Eccò lassù Volterra!”

Het rijtuig keerde en wij reden recht op de stad aan over een hoogen rug, als een natuurlijke brug, dwars door de cirkelvormige vallei. Om de oude etrurische hoofdstad te bereiken, werden nog twee paarden voor ons rijtuig gespannen: en nu ging het voorwaarts, omhoog langs het steile pad, terwijl wij nederblikten aan den gapenden afgrond nevens ons, waarvan wij slechts door een houten leuning gescheiden waren.

Vlak aan den ingang van Volterra bevindt zich de herberg, op een terras gebouwd, van waar men de Maremma overziet; van deze piazzetta gaat eene smalle straat uit, die naar het hart der stad voert. Terwijl men bezig was de bagage af te laden, ging ik, verleid door de avondschemering, die nauwe straat in; na een paar donkere, tusschen hooge zwarte muren ingesloten steegjes te zijn langs gaan, zag ik een in grootschen stijl aangelegd plein, en stak dat over, in de hoop nu een meer levendiger wijk te zullen bereiken. Geen enkele winkel was verlicht; de koude wind, die op deze hoogte woei, had alle wandelaars van de straat gejaagd; zelfs geen bedelaar was te bespeuren in deze uitgestorven stad, waar de eenzaamheid een zoo veel akeliger indruk maakte dan op het open veld. Spoedig keerde ik naar de herberg, de locanda, de Unione, terug.

Volgens de reisboeken, hebben de vreemdelingen de keus tusschen twee evenzeer beroemde ciceroni: het ongeluk wil echter dat beiden een winkel hebben te Florence, waar zij drie vierden van het jaar doorbrengen, zoodat zij hunne reputatie, die hun klanten bezorgt, gemakkelijk genoeg verdienen. Daar zij ook nu afwezig waren, zond men ons, reeds in den vroegen ochtend, het zoontje van een hunner, een dommen knaap, van wien wij geen woord konden verstaan. Wij moesten hem met eenige baïocchi wegzenden; en daar dit geschiedde juist toen de winkels werden geopend, spreekt het van zelf dat eene zoo ongewone gebeurtenis de algemeene aandacht trok. Een kapper en eene banketbakster verwijderden de bedelaars, en beduidden ons dat wij den concierge van het museum als gids moesten nemen. Aanstonds liepen een dozijn jongens weg, om hem te halen; en weldra verscheen de custode in de gedaante van een kleinen, glimlachenden grijsaard; zijne meer dan verwaarloosde, boersche kleeding, waarvan de tallooze vlekken de vele dienstjaren bewezen, zag er bijzonder armoedig uit: trouwens, hij was gekleed, zoo als bijna iedereen van drie vierden van Italië. De jonge meisjes zijn koket en opgeschikt, de oudere vrouwen en alle mannen gaan bijna in lompen; de nationale kleederdrachten zijn verdwenen; de zucht voor schelle kleuren is nog algemeen, hoewel die kleuren door ouderdom dikwerf haar glans verloren hebben en verschoten zijn.

Het plein van het openbare Paleis (Palazzo publico), waar ge de bibliotheek en de musea vindt, doet u meer aan Siënna dan aan Florence denken; maar het plein is kompleet, en van zoo eigenaardig karakter, dat het op geen ander gelijkt. Tegenover de musea, paleizen van de dertiende eeuw, met drie rijen spitsboogvensters ongelijk verdeeld en hier en daar verspreid, verrijst het Paleis van justitie, in de veertiende eeuw gebouwd. De gekanteelde toren verheft zich hoog boven den evenzeer gekanteelden toren van het Municipio. Aan de hoeken van dit laatste gebouw staan, op voetstukken, twee marmeren leeuwen. Een derde paleis, niet minder oud, de Uffizio postale, verrijst tegenover den met wit en zwart marmer bekleeden ingang van eene der kapellen van de hoofdkerk. In den gevel van het Palazzo publico, even als in het voorhuis, ziet ge de wapenschilden van de oude consuls en van de heerlijkheden, die aan deze kleine republiek onderhoorig waren, voor zij zelve onder het gezag kwam van Florence. Deze veelkeurige gordel van blazoenen schenkt leven en toon aan het sombere monument. Elk van deze wapenschilden is eene herinnering aan eene adellijke familie, wier geheimzinnige geschiedenis deze oude muren zouden kunnen verhalen. In de bibliotheek en in de zaal der gesneden steenen heeft men nog enkele overblijfsels uit dien tijd bewaard: onder anderen zes bruidskoffers, met basreliefs in ivoor versierd, uit de dertiende eeuw; twee bisschopsstaven uit denzelfden tijd, en twee vazen van gebakken aarde, uit de vijftiende eeuw.

In de zaal der gesneden steenen bevinden zich eenige voorwerpen, in vergelijking waarvan de vier à vijf eeuwen oude freskoos der zaal modern schijnen. Die kleine glazen flesschen, met gouden arabesken doorslingerd, bladzijde 315hoe zijn die vervaardigd? Reeds de Romeinen wisten daarop geen antwoord meer te geven. Het zijn zwarte vazen, bronzen voorwerpen, werktuigen, die voor een of ander onbekend doel werden gebruikt; zeldzaamheden, waarbij een kleine Mercurius, in zuiver griekschen stijl, bijna eene nieuwerwetsche schepping schijnt. Eene eenige verzameling is die van de etrurische munten, van de grootste asse, waarop een dolfijn is afgebeeld en die den etrurischen naam van Volterra (Velathri) draagt, tot de kleinste stukjes. Er zijn in het geheel zes-en-dertig stukken, van verschillenden vorm: de meesten vertoonen een hoofd, dikwijls met een dubbel voorhoofd.

Het gezicht dezer penningen voert eensklaps de verbeelding terug naar de oudste tijden, naar dat onbekende volk, dat vóór de Romeinen in Toskane heerschte, waarvan de taal en de geschiedenis ons tot heden verborgen zijn, maar dat in eene menigte monumenten de sporen van zijn bestaan en van eene onbekende beschaving heeft nagelaten.

Na een leven van zooveel duizend jaar, dankt Volterra haar roem juist aan die overoude tijden. Deze stad, een der twaalf lucumoniën van de Tyrrheensche confederatie, door Ptolomeus in de derde plaats genoemd, is een der vijf steden, die, volgens het bericht van Dionysius van Halicarnassus, de wapenen hebben opgenomen om den aanval der Tarquiniussen af te slaan. Door onderscheidene staten van Latium gescheiden, beveiligd door haar ongenaakbare ligging, wist deze oude bondgenoote van Porsenna langen tijd hare onafhankelijkheid tegenover de Romeinen te handhaven, en haar zeer uitgestrekt gebied, dat tot Vetulonia reikte, te doen eerbiedigen. In het jaar 456 na Rome's stichting drong Cornelius Scipio Barbatus diep in centraal Etrurië door, en leverde in de onmiddellijke nabijheid van Volterra een bloedigen veldslag, die twee dagen duurde, en waarbij de overwinning toch onbeslist bleef. In de volgende eeuw werd de vesting met storm genomen, en wel vóór het jaar 547; want toen de kleinzoon van Cornelius Scipio, in dat jaar, van de etrurische steden bijdragen vorderde voor de uitrusting der vloot, die Carthago moest aantasten, gaf Volterra koren en was. Voortaan ingelijfd bij een der zestien landelijke stammen, die de eerste territoriale verdeeling van den romeinschen staat vormden, werd Volterra, dat, volgens Fabretti, tot de Sabatina behoorde, eene provinciestad.

Romeinsche burgers geworden, behielden de inwoners van Volterra niet vele van hunne zoo duur gekochte rechten; tijdens den burgeroorlog tusschen Marius en Sylla, kozen zij de partij van eerstgenoemde, hetgeen hun een aanval van Sylla op den hals haalde; na eene langdurige belegering moest de stad zich overgeven, waarop de muren werden geslecht, de voornaamste gebouwen in de asch gelegd, de aloude vrijheden vernietigd en de landerijen der burgers onder de soldaten van den dictator verdeeld. Eenigen tijd daarna werd de stad eene der militaire koloniën van Caesar; onder Augustus werd zij weder herbouwd, verfraaid en van muren omringd, die nog bestaan; vervolgens deelde Volterra voortaan in de algemeene lotgevallen van het romeinsche rijk. Van dit tijdvak zijn intusschen weinig sporen overgebleven. Zie om u heen, delf in den grond: alles spreekt u van de tijden der Etruriërs, bijna niets van de romeinsche periode. In deze streken, waar het verleden met een ondoordringbaren sluier bedekt blijft, in het oude Etrurië, waar nog zoo vele gedenkteekenen zijn overgebleven eener maatschappij, waarvan wij zoo weinig weten, eener taal, die wij ontcijferen zonder haar te verstaan,—zijn gedurende het romeinsche tijdvak twee beroemde mannen opgestaan: Linus, de zoon van Herculanus, de opvolger van Sint-Pieter op den romeinschen bisschopszetel, van wiens leven wij verder niets weten; en Aulus Persius Flaccus, de satirendichter, wiens werk meermalen duister is, en die sedert eeuwen het geduld en de wetenschap der commentatoren op de proef heeft gesteld.

In de benedenverdieping van het Volkspaleis zijn negen zalen gevuld met kunstwerken, sedert het jaar 1731 uit de etrurische graven te voorschijn gebracht. Beelden, sieraden, gereedschappen, vazen, maar vooral kleine sarkophagen, van marmer, maar meest van albast, en met basreliefs bedekt, vormen te zamen eene geheel eenige verzameling, die niet minder dan zevenhonderd dertig nommers telt. De opschriften zijn talrijk: van de rechter- naar de linkerhand lezende, kan men eenige eigennamen ontcijferen, maar dat is ook alles.

Over de afkomst van het oude volk der Etruriërs of Etrusken hangt nog altijd een sluier; naar de getuigenis der meeste oude schrijvers zouden zij uit Klein-Azië afkomstig en met de Pelasgers verwant zijn; en de nieuwste nasporingen hebben althans, mijns inziens, niets aan het licht gebracht, wat met deze hypothese in strijd is.—Noël des Vergers, bijna de eenige die de begraafplaatsen in de verschillende provinciën van Etrurië volledig heeft onderzocht, merkt op dat men in de zuidelijke streken bijna geen andere dan groote sarkophagen vindt, bestemd om het lijk te ontvangen; terwijl meer noordwaarts deze sarkophagen, meer versierd en kunstiger bearbeid, eigenlijk niet meer zijn dan koffertjes, waarin de asch der overledenen werd bewaard. Tot deze laatste kategorie behooren de sarkophagen van Volterra, die op de voorzijde beeldwerken van hoogrelief vertoonen, en op het deksel, de afbeelding van den overledene in slapende houding. De zes oudste van deze sarkophagen zijn van gebakken aarde, en zonder bas-reliefs; de meeste anderen zijn van albast; enkelen, van marmer, hebben in het midden rozen of roosvormige bloemen, waarvan de meeldraden de levensjaren van den overledene aanwijzen: deze bedoeling valt ligt te raden: bij de portretten van jongelieden of kinderen vindt men eenvoudige eglantinen; bij die van bejaarden en grijsaards, volle honderdbladerige rozen. Men vindt hier eene reeks sarkophagen van de Caecinae (Ceicna), een der oudste en doorluchtigste geslachten van Etrurië, dat later eene eerste plaats bekleedde onder den romeinschen adel, en de middeleeuwen door heeft voortgebloeid, tot nu voor vijf-en-zeventig jaren de laatste afstammeling ten grave daalde. Een der Caecinae heeft een apex in de hand: het teeken der priesterlijke waardigheid.—Somwijlen bladzijde 316stellen de bas-reliefs begrafenisplechtigheden voor: de overledene wordt weggevoerd op een met twee paarden bespannen wagen, terwijl de bloedverwanten en vrienden den stoet volgen. Op sommige sarkophagen ziet men een begrafenisstoet, overeenkomende met dien der Grieken; muziekanten, met reusachtige gebogen trompetten voorzien, gaan voor den lijkwagen uit, die door vier paarden wordt getrokken. Zeer dikwijls zijn offerplechtighedon afgebeeld; voor het overige is de stof voor de meeste bas-reliefs ontleend aan de verhalen van de Ilias en de Odyssea.—De liggende beeldjes op het deksel houden doorgaans een of ander voorwerp in de hand: een papaver, een lotusblad, een apex, een bal, een flabellum, een wiel enz.—Voorstellingen aan den trojaanschen oorlog ontleend, zijn op de etrurische sarkophagen zeer gewoon. Vooral werd mijne aandacht getrokken door een sarkophaag, waarop het beleg der stad was afgebeeld; bijzonder trof mij hier het karakter van realiteit dat de beeldhouwer aan den achtergrond van zijn tafreel had weten te geven: de muren der stad met haar citadel, een weg, die naar de hoofdpoort leidt, enz.... Die poort zelf, in oud-tyrrheenschen stijl, met een menschenhoofd aan den sluitsteen, en twee andere aan de uiteinden van den boog, had, met den muur, waarin zij gevat was, iets zoo karakteristieks, dat men onwillekeurig den indruk kreeg, hier eene kopie naar de natuur voor zich te hebben. Onze custode vestigde bijzonder onze aandacht op dit bas-relief, gaf er ons eene verklaring van, en vermaande ons, het niet te vergeten.


De kathedraal te Volterra.

Nadat wij het Paleis verlaten hadden, voerde hij ons door eene kromme, met zerken geplaveide straat, zoo bladzijde 318steil, dat men gevaar loopt, uit te glijden; zij voert naar eene kleine poort, begrensd door een muur, uit kolossale steenen zonder cement opgetrokken. Wij gingen het gewelf door, en volgden eenige oogenblikken een hellend pad, dat om de oude vesting heenloopt. Daar verzocht onze gids ons om te keeren, en tot onze onuitsprekelijke verbazing, zagen wij eensklaps de muren en de poort van Iluwa, zoo als wij die straks op het etrurisch bas-relief van het museum hadden aanschouwd. Dit is de Porta dell' Arco, een der oudste monumenten van Etrurië, waarvan de oorsprong zich verliest in den nacht der tijden. De bekwaamste archeologen hebben de kenmerken van den oud-etrurischen stijl herkend aan deze poort, die misschien sedert vijf-en-twintig eeuwen niet van bestemming is veranderd, en die is afgebeeld op graftomben, die zelven opklimmen tot een tijd, waarvan geen jaarboeken de heugenis bewaren. Uit rechthoekige steenblokken opgetrokken, bestaat de boog uit negentien gehouwen steenen; de twee benedenste en de sluitsteen prijken met menschenhoofden, in hoog relief, die door den tijd eenigszins gesleten zijn.


Piazza della Giustieia te Volterra.

Wij volgden een poos de oude muren, overal langs den rand van den afgrond gebouwd, en die dikwijls zeer laag moeten afdalen om een vast steunpunt te vinden: de stad schijnt als gedragen in een korf, die op een hoog voetstuk rust. Deze omwalling is tegenwoordig voor Volterra te ruim. Verschillende tijdvakken hebben hier hunne sporen achtergelaten; maar men vergeet de restauraties van Augustus, en zelfs de geduchte citadel, in 1343 door Gaulthier de Brienne gebouwd, bij het gezicht der ontzagwekkende materialen die de Etruriërs hebben moeten bewerken en naar deze hoogte opvoeren, toen zij die geweldige muren bouwden, die het werk van titans schijnen. Die gordel van rotsen, symmetrisch door menschenhanden saamgevoegd, draagt op eene oppervlakte van dertig el lengte en twaalf el hoogte, het bebouwde terras van het oude klooster van Santa-Chiara. Langs den voet dezer cyclopische wallen loopt een smal voetpad, dat door de wortels der boomen wordt bijeengehouden, en dat u vergunt van nabij die zonder cement, regelmatig op elkander gestapelde steenklompen te beschouwen: sommige blokken zijn drie el hoog en zes el lang. De steen is een groenachtig grijze, kalkachtige tufsteen, die zeer hard en dus zeer zwaar is, en die fossiele overblijfselen bevat. De inwoners verzekeren de vreemdelingen, dat die reuzenmuren gebouwd zijn met steenen, die niet in het land zelf gevonden worden: dit is eene dwaling; maar een feit is het, dat men die steenklompen zeshonderd ellen hoog heeft moeten opvoeren, om ze te kunnen opeenstapelen.

Onze oude custode, die ons niet meer verliet en blijkbaar met zijn rol als gids zeer was ingenomen, geleidde ons, langs den weg van Pontederra, naar eene kapel, ter halver hoogte op een heuvel, aan den voet der stad gebouwd. Aan den ingang van een klein klooster, bevindt een door een kerk gesloten poort, die twee kapellen scheidt: de eene toegewijd aan Sinte-Flora, de andere aan Sint-Hieronymus. Boven elk der beide altaren prijkt een meesterstuk der gebroeders della Robbia: een Laatste Oordeel van Andrea della Robbia, en een Sint-Franciscus, aan een monnik en aan eene non zijne orde-regelen gevende, van Luca. Deze kapel behoort aan de Inghirami en ligt aan den bovenrand eener helling, waar zij sedert meer dan tweeduizend jaar hunne bezitting hebben, die van vader op zoon is overgegaan; hunne etrurische graven zijn hier onder den grond gevonden, dragende dien naam, die het romeinsche rijk en de republieken der middeleeuwen heeft overleefd. Aan den ingang van deze bezitting—eene villa met pachthoeven, die eene oasis vormt te midden dezer wildernis van naakte bergen en ravijnen,—heeft Luigi Inghirami een soort van kapel opgericht: in de nis prijkt eene florentijnsche Madonna in bas-relief, die het Kind in de armen houdt; boven de groep blazen engelen op de bazuinen. Dit beeldwerk, dat het jaartal 1536 draagt, zou, naar men zegt, van Michel-Angelo zijn.

Doch het was niet zoozeer te doen om den ouden grafkelder der Inghirami, in vier kamers verdeeld, die een latijnsch kruis vormen en marmeren sarkophagen bevatten uit romeinschen tijd, als wel om eene andere grafkamer, van zuiver etrurischen oorsprong, en die, in 1861 eerst ontdekt, nog zeer weinig bekend is. Even als de oostersche volken en de Egyptenaars, groeven de Tyrrheniërs in de rots familiegraven, die van buiten aan niets kenbaar waren, en waarheen een verborgen onderaardsche gang voerde. Bij toeval werd, toen men bezig was te graven voor de fondamenten van een muur, de ingang ontdekt; de Inghirami hebben dien ingang doen herstellen en met eene deur afgesloten. De tuinmansvrouw van de villa, eene stevige contadina, kon niet dan met groote moeite den langen, zwaren grendel verschuiven, en moest zich nog meer inspannen om het slot te openen, dat sedert zeven maanden gesloten was. Een groote, rechtopstaande steen verborg weleer een smallen gang, waardoor men langs in de rots uitgehouwen trappen, naar den grafkelder afdaalde. Gij komt aan eene ronde zaal, mede in den tufsteen uitgehouwen, en waarvan het gewelf in het midden door een pilaar gedragen wordt. Rondom dien pilaar en in het rond langs de wanden zijn amphitheatersgewijze twee rijen trappen aangebracht, allen uit denzelfden steen gehouwen. Op die trappen staan negen-en-veertig sarkophagen, van zestig tot vijf-en-tachtig duim lang, waarin vroeger de asch der gestorvenen werd bewaard en vele dier vrouwelijke sieraden, welke door de afstammelingen dezer etrurische dames thans in de villa zijn bijeengebracht. Een aan het gewelf bevestigde koperen stang diende om een lamp op te hangen, die bewaard is gebleven.

De sarkophagen zijn bijna allen van albast, versierd met sterk vooruitkomende bas-reliefs in griekschen stijl, en ontleend aan de Ilias. De liggende figuren op de deksels staan in kunstwaarde beneden de bas-reliefs. De gedrapeerde beelden dragen diademen, somwijlen een wollen halsband en gordels: deze sieraden zijn dikwijls verguld. Op een dezer monumenten vindt men wederom de Porta dell' Arco, zoo als zij er nog heden uitziet.—Met een eigenaardige gewaarwording staart ge, bij het licht der fakkels, deze bladzijde 319sarkophagen aan, die sedert meer dan twintig eeuwen in den schoot der aarde zijn verborgen. Welke raadselen bevatten zij, tot welker oplossing ook de scherpzinnigste kritiek nog geen enkelen draad gevonden heeft. Dat ge hier romeinsche kleederdrachten, huisraad, gebruiken wedervindt, brengt u niet op den weg, want de Romeinen hebben die voor het meerendeel aan de Etruriërs ontleend. Wij weten uit Silius Italicus, dat de twaalf lictoren, de consuls met hunne bijlbundels, de vorm der curulische gestoelten, de koperen trompetten en zelfs de purperen rand, die de toga der magistraten omzoomde, van Vetulonia, nabij Volterra, afkomstig waren. Datzelfde geldt van den kothurn, uit Lydië afkomstig, en van de sieraden en tooisels der vrouwen. De Etruriërs hebben aan de Romeinen de kunst geleerd, om de jaarboeken hunner geschiedenis te schrijven; in elke stad bezaten zij eene verzameling van hunne kronieken, van hunne wetten, hunne godsdienstplechtigheden: en toch, zonderling noodlot! dit volk, wier taal nog ten tijde van Claudius door de advokaten te Rome gesproken werd, is bijna het eenige, van wiens bestaan geen enkel geschreven document getuigt. Hoogstens kunnen wij, in hunne geschriften, eenige namen ontcijferen, maar verder kunnen wij niets te weten komen, noch van hen, noch van hun tijd.

Ware het niet zoo koud geweest, dan had ik met genoegen nog eenigen tijd blijven ronddwalen door deze zonderlinge stad, zoo vol geheimenissen. Welke vragen doen zich hier op, die zonder antwoord blijven! Trouwens de eenmaal zelfstandige republiek verloor hare onafhankelijkheid reeds in 1254, en hare autonomie in 1361, toen zij zich geheel aan Florence overgaf, dat reeds honderd-zeventig jaar te voren de stad ingenomen, en haar sedert niet met rust gelaten had. Sommige kerken zijn meer gemoderniseerd geworden dan de woningen der menschen; zij bevatten eenige schilderijen van niet buitengewone waarde. De kathedraal is in dit opzicht rijker voorzien. Haar voorgevel in peperijnsteen, uit de dertiende eeuw, versierd met een fraaien, wit marmeren ingang, gaat door voor het werk van Nicolaas van Pisa. Men vindt hier een aantal schilderijen, waaronder zeer fraaie, van Dominichino, Marietto Albertinelli, Luca Signorelli, Taddeo di Bartolo, Guido Reni, Filippo Lippi, Daniel van Volterra, Benozzo Gozzoli en anderen. De preekstoel heeft bas-reliefs uit de twaalfde eeuw, die veel overeenkomst hebben met de producten der fransche kunst uit den tijd van Filips-August. De voorstelling van het Avondmaal is zeer opmerkelijk: Jezus zit aan het eind der tafel, met Johannes in zijn schoot, Judas ligt voor Christus neergeknield en vraagt een stuk brood, achter hem kruipt een duivel. Op de tafel staan drie visschen.

Dicht bij den dom staat het Battisterio, de doopkapel, een achthoekig gebouw van de twaalfde eeuw; de marmeren doopvont werd in 1502 door Andrea Contucci gebeeldhouwd; het Ciborium wordt aan Minoda Fiesole toegeschreven. De Hemelvaart op het hoofdaltaar is, naar men zegt, het werk van Pomerancio. Welke kunstschatten ook wederom hier, in de ongenaakbare hoofdstad van dit arme en vergeten bisdom!

Ter linkerzijde van de kathedraal verrijst een vierkante, zeer eenvoudige Campanile, met drie boogvensters boven elkander; deze toren is een tegenhanger van den achthoekigen koepel van de doopkapel, en maakt een vrij scherp contrast met den hoogen toren van het Palazzo publico, waar schietgaten en kanteelen, op twee verdiepingen aangebracht of liever voorgesteld, bewijzen dat de bouwmeesters van 1826, die dezen ouden burchttoren herbouwden, geen begrip hadden van de bestemming dezer werken, en zelfs in hun namaaksel de waarschijnlijkheid niet wisten te bewaren.

Tusschen de doopkapel en het linker hoekhuis van het Domplein, bevindt zich, boven eene steil afloopende steeg, eene ledige ruimte, waar de piazza uitloopt op een terras, van eene leuning voorzien en uitzicht gevende op de bergen. Het Paleis, het plein della Giustizia, de doopkapel, de dom, geheel het middelpunt der stad schijnt als een evenwicht te hangen boven een afgrond, waarlangs zich eene nauwe straat voortkronkelt, slechts aan eene zijde bebouwd en omzoomd door krotten en hutten, waarvoor wij met verbazing hoopen sneeuw op de helling zagen liggen. Dit waren stukken albast, daar neergeworpen door de beeldhouwers, die hier in hunne armoedige woningen arbeiden. Zij maken medaillons, pendules, zonder het uurwerk, kistjes, reliekbewaarders, beeldjes, presse-papier, lampen, schoorsteenvazen en dergelijke voorwerpen. Deze werklieden beschouwen zich als groote kunstenaars: ge bespeurt dat aan den trotschen blik, waarmede zij u aanzien; wat de vaardigheid en bekwaamheid voor het werk aangaat, hebben zij het inderdaad ver gebracht, maar het ontbreekt hun aan smaak: zij bepalen zich nog altijd tot de dorre, harde, armoedige, en volstrekt van alle kunstwaarde ontblootte ornamenten, die de italiaansche salons ontsierden ten tijde van Pius VII en Leo XII. De Amerikanen, die geen begrip van schoon of kunst hebben, zijn verzot op deze monsterachtigheden.

In deze op- en neerklauterende straten, waarvan de rooilijn zich schikken moest naar de golvingen van een smal bergplateau, ontmoet ge bij elken stap paleizen, waar ge onder door gaat om in eene andere straat uit te komen. Vele van deze paleizen dragen den naam der familie Inghirami. Het paleis Viti, met ornamenten uit de zestiende eeuw, is herschapen in een theater, aan Persius gewijd. Bij gebreke van zijn huis, ziet ge, aan de casa Ducci, een opschrift in fraaie, al te goed nagebootste, antieke kapitale letters, waarin de herinnering wordt bewaard aan een der laatste afstammelingen van het geslacht des dichters. De oude en edele familie der Ricciarelli bezit nog, in de naar haar genoemde straat, drie kleine aan elkander grenzende paleizen. Dat, waarin Daniello di Volterra geboren werd, draagt het nommer 12: de deur is vernieuwd. Als de nakomelingen van den kunstenaar zich in hunne woning bevinden, wordt gij in het huis toegelaten, waar een fresko van den meester bewaard wordt. Aan den gevel der gebouwen, ook van bijzondere woonhuizen, vindt ge zeer vele hartelijke en warme lofredenen ter eere van de Groot-hertogen bladzijde 320van Toskane uit het huis van Oostenrijk-Lotharingen; ook ziet ge zeer dikwijls hunne borstbeelden in nissen en op consoles. Dit getuigt wel, hoezeer deze Vorsten, in deze afgelegen en weinig beweldadigde streek van Toskane, bij het volk bemind waren; natuurlijk heeft deze liefde voor het oude Vorstenhuis ook de inwoners van Volterra niet belet, hier en daar, op de muren groote, roode W's te schilderen, die beteekenen moeten Viva Vittore Emmanuele.... Wij weten van ouds, dat de volksgunst een onbestendig ding is, en dat de menigte altijd geneigd is, de opgaande zon te aanbidden.

De schoonheid der vrouwen van Volterra is opmerkelijk: danken zij die zuivere, rustige, gedistingeerde gelaatstrekken aan haar onverstoorbare werkeloosheid? Voor alle vensters, in alle wijken en buurten, herkent ge aanstonds de typen, die de schilders van de school van Siënna zoo gaarne op het doek brachten. Wat wachten zij, daar werkeloos zittende, voor die ramen, uitziende op de straat, waar zoo zelden iemand voorbijkomt? Zien zij uit naar den bruidegom, haar in haar droomen verschenen? Helaas! er valt weinig meer te zien dan enkele zwaluwen. Die dochters van Etrurië keuvelen met elkander, met de buurmeisjes ter wederzijde en aan den overkant; komen er jonge lieden voorbij, die kijken ter nauwernood naar haar; de vreemdelingen alleen zien haar aan, waarover zij in lachen uitbarsten. In tegenstelling van de schoone sekse, nemen de giovinetti, wier aantal niet groot is, majestueuse airs aan; bij de minste aanleiding wikkelen zij zich in zware groene of bruine mantels; ook weten zij standen aan te nemen, die een mensch verbazen.... Ik heb mijzelven afgevraagd, wat hier met de oude vrouwen gebeurt, want men ziet er geen! De grootmoeders en moeders blijven waarschijnlijk in huis, en zorgen voor de huishouding, terwijl de dochters, om de eer der familie op te houden, zich aanstellen als aanzienlijke juffers, die rijk genoeg zijn om niets uit te voeren.


Etrurische muren te Volterra.

Terwijl wij deze levende galerij beschouwen, niet zonder eenigen aanstoot te geven aan onzen ouden custode der etrurische sarkophagen, zagen wij, aan het boveneinde der straat, een optocht naderen. Het was een dubbele lijkstoet, twee lijken achter elkander; de kisten, met een zwart en geel laken overdekt, werden gedragen door zwarte boetelingen, wier gelaat verborgen was achter een met twee openingen doorboorden kap, en die op het hoofd lage hoeden met breede randen droegen. Haastig trok de sombere processie langs ons heen, een treurigen en ontstemmenden indruk achterlatende. bladzijde 321



1 Pièta is de kunstterm voor de voorstelling, in beeld of schilderij, van de Moedermaagd met het lijk des Heeren.
De Aarde en haar volken: Jaargang 1877 - Full Text (Blanken en kleurlingen)

No comments:

Post a Comment