Monday, March 5, 2012

De Aarde en haar volken: Jaargang 1877 - Full Text (De archipel van Tahiti)

De archipel van Tahiti.

I.

De meestal heerschende zuid-oostelijke winden maken het mogelijk, dat zeilschepen, die van de Markiezen-eilanden naar Tahiti gaan, den afstand van tweehonderd-vijftig zeemijlen, die deze beide punten scheidt, in zes of zeven dagen kunnen afleggen. Voor dezelfde reis, in tegenovergestelde richting, behoeven zij daarentegen gemiddeld achttien tot twintig dagen.

Het kwam mij voor, dat de Vaudreuil stil lag, zoo groot was mijn verlangen om Tahiti weer te zien. Mijn ongeduld werd gedeeld door allen, die, zoo als ik, vroeger reeds te Papeete vertoefd hadden; en zij, die dit bekoorlijke land nog nimmer hadden aanschouwd, moesten van ons zoo veel daarvan hooren, dat hunne nieuwsgierigheid niet minder sterk was dan ons verlangen.

Den vijfden dag na ons vertrek van Taio-Hae teekent zich eene ontzagwekkende donkere massa aan den gezichteinder: dat is Tahiti!

Wij zijn allen op het dek, gewapend met onze kijkers, volop trachtende te genieten van het heerlijk schouwspel, dat zich voor onze blikken vertoont. De zon, die zich stralend uit den oceaan verheft, beschijnt de toppen van hooge, grillig gevormde bergen, waarvan de zonderling geboetseerde naalden en pieken zich, als reuzige wachters, stout boven elkander verheffen, en zich met scherpe lijnen afteekenen tegen het donker blauw des hemels. Het lagere gedeelte dier bergen is nog in schaduw gehuld; de diepe, donkere, geheimzinnige kloven grijnzen ons in zwarte nacht tegen, schril afstekende tegen het schitterend licht, dat ze omvloeit. De tinten worden steeds helderder naarmate de stralende zonneschijf hooger stijgt; eindelijk giet zij haar licht uit over de zee, wier witgekuifde golven schitteren en fonkelen als vloeibaar zilver met diamanten overspat. Voor eenige oogenblikken zijn alle lijnen en omtrekken, tot de kleinste bijzonderheden der heerlijke schilderij, volkomen duidelijk zichtbaar; doch dit duurt slechts kort: weldra vormen zich wolken, die langs de boschrijke hellingen der bergen omhoog stijgen, en voor het overige van den dag de hooge toppen in nevelen hullen.

Van den voet der bergen tot aan het strand is de bodem met den weelderigsten plantengroei bedekt; boven de dichte warreling van struiken en kreupelhout en laag geboomte, verheffen zich de onbewegelijke bladerkronen der bevallige kokosboomen. Vlak voor ons zien wij kaap Venus en den witten vuurtoren, op de uiterste punt der zandige kust gebouwd. Een met inlanders bemande sloep brengt ons den loods aan boord, die ons met veel behendigheid door het moeilijke en bochtige kanaal van Tanoa heenbrengt. De koraalbanken, die dit kanaal aan beide zijden begrenzen, zijn met oude kanonnen afgebakend. Zoodra wij kaap Fareoete zijn omgevaren, verbreedt zich het vaarwater; het spiegelgladde, ruime bekken, dat de reede van Papeete vormt, opent zich voor ons. Een verrukkelijk schoon tafreel ontrolt zich nu voor onze oogen: aan eene beschrijving zal ik mij niet wagen, wetende dat elke poging noodwendig falen moet.

Het anker valt; de schakels van den zwaren, met een dikke laag roest bedekten ketting ontrollen zich met schor gekraak: straks ligt de Vaudreuil onbewegelijk. Wij hopen allen, dat zij zich nu eenigen tijd rust zal gunnen.

De verschijning van een oorlogschip is altijd eene belangrijke gebeurtenis voor Papeete: het brengt vertier, voordeel en afwisseling aan. De leegloopende inboorlingen (en hun aantal is zeer groot), de vrouwen vooral, verzuimen nooit aanstonds naar de kaai te loopen, om getuigen te zijn van het ankeren. De seintoestel, op den heuvel gebouwd, die Papeete aan de landzijde begrenst, verwittigt de belangstellenden langen tijd te voren, dat zich een schip op de hoogte van het eiland bevindt. “In 't zicht!” In zekere spanning wacht men dan de verdere signalen af, waaruit blijken zal, welk soort van schip het is, en tot welke natie het, behoort. Is het een oorlogschip (manoea, eene verbastering van het engelsche man-of-war), dan is de vreugde algemeen; men verblijdt zich reeds in het vooruitzicht, dat de officieren veel geld verteren zullen. Men keert weer haastig naar huis terug om zich wat op te knappen: een beetje toilet schaadt nooit, on men wil gaarne een aangenamen indruk maken.

Papeete, de hoofdstad der fransche bezittingen of liever der onder fransch protektoraat staande eilanden, ligt aan de noordwestelijke kust van Tahiti. De ruime en veilige haven is toegankelijk voor schepen van de grootste afmetingen. Drie kanalen voeren uit zee in deze haven. Het kanaal van Papeete, ook het groote kanaal genoemd, ten noorden, wordt het meeste bladzijde 188gebruikt; de ingang, een weinig ten westen van de stad, heeft eene breedte van zeventig el; het kanaal is niet meer dan tachtig el lang. De diepte bedraagt doorgaans dertien el, met uitzondering van een kleine bank, die door bakens is aangewezen en gemakkelijk te vermijden valt. Het kanaal van Tanoa, ten oosten, waardoor wij gekomen zijn, is bij de invaart zeer gemakkelijk; maar het lange en bochtige vaarwater is voor groote schepen zeer lastig. Ten westen bevindt zich nog een derde kanaal, dat van Tapoena, dat uitsluitend door de kleine kustvaarders gebruikt wordt.

Maar wij liggen nog steeds voor anker. Wat is er gaande? De leelijke gele vlag wordt aan den fokkemast geheschen; onze kommandant is in levendig gesprek gewikkeld met den loods. Deze laatste, die doorgaans het binnenloopen der haven aan de schepen vergunt, op grond van de verklaringen van den gezagvoerder of den scheepsdokter, verstaat verkeerd wat onze dokter hem zegt:—hij zal ons den gezondheidsinspecteur zenden. Het is nu maar te hopen dat deze in de stad zij!

De Vaudreuil is reeds omgeven door eene menigte met groenten en fruit geladen prauwen, die slechts wachten op het teeken dat zij mogen aanleggen, om op het dek hunne geurige en saprijke waar uit te stallen. Ook de scheepsbleekers zijn daar, gereed om elkander het linnengoed van den kommandant en de officieren, als een begeerlijke buit, te betwisten. Onder hen herken ik den dikken Paofai, dien ik, bij mijn eerste bezoek met de Sibylle, met mijne klandisie begunstigd heb. Ik roep hem toe, on vraag hem of hij mij herkent. Zonder zich een oogenblik te bedenken, zegt hij dat hij juist naar mij wilde vragen, toen ik hem aansprak; maar hij laat daarop volgen, dat hij mij ontmoet heeft aan boord van een schip, waarop ik nooit gediend heb. Wij lachen hartelijk om zijne onbeschaamdheid; hij laat zich echter niet uit het veld slaan, maar houdt sterk en stijf staande dat ik mij bedrieg, hetgeen onze vroolijkheid niet weinig vermeerdert.

De boot met den inspecteur der quarantaine nadert en komt ons op zijde; na eene korte woordenwisseling met onzen scheepsdokter, wordt de gele vlag weer neergehaald, onder het luid gejubel der eilanders, die in een oogwenk en eer men hen tegenhouden kan, met hunne rijk beladen manden en korven naar boven klauteren en het dek overrompelen. Ik laat hen handelen en schacheren, en begeef mij zoo spoedig mogelijk naar wal.

De stad Papeete, de hoofdstad van het kleine rijk van Tahitide en tevens zetel van het bestuur van ons protektoraat, dat het eiland Tahiti en het naburige Moorea, voorts de Toeamoetoe-eilanden, den archipel van Toeboeai enz. omvat, ligt tusschen den oever der baai en de heuvelen, die als het ware den voorgrond vormen der bergen van het eiland. Op een dier heuvelen staat, zooals ik reeds zeide, de telegraaf of seintoestel. De stad begint ten oosten aan de landpunt van Faveoete, waar zich het kleine maritime arsenaal bevindt. De huizen volgen elkander langs het strand op tot nabij de batterij van de Embuscade, die tot verdediging van het groote kanaal dient.

Bijna over deze geheele uitgestrektheid zijn kaaien aangelegd. Daar de diepte vóór den oever zeer aanzienlijk is, kunnen zelfs de groote schepen aan deze kaaien aanleggen: hetgeen zoo voor den handel als voor het verkeer met den wal van groot gemak is. Het voortreffelijke water van een der talrijke beekjes, die Papeete besproeien, wordt door middel van ijzeren buizen naar eene fraaie fontein op de kaai gevoerd, waar ook de schepen zich van het noodige water voorzien. Doorgaans gaat men vlak bij die fontein, in het middenpunt der stad, aan land. Niet ver van daar verrijst een sierlijk gebouw, waarin zich de magazijnen van levensmiddelen voor de marine en de garnizoensbakkerij bevinden.

De huizen langs het strand duiken half weg in de schaduw van prachtige boomen, ter wederzijde van de kaai geplant. Natuurlijk ziet men hier ook de winkels en magazijnen der voornaamste handelaars. De straten, die naar de binnenstad voeren, loopen allen op deze kaai uit. Wij willen eene daarvan inslaan, bij voorbeeld die tegenover de fontein. Aanstonds verandert het tooneel. Ge bevindt u te midden van een uitgestrekt park, waarvan de breede, rechthoekige straten van Papeete de statige lanen zijn. Ter wederzijde schuilen, onder het dichte lommer, te midden van het weelderigst groen, de smaakvolle, bevallige woningen; schaduw en frischheid en geur allerwege; het is eene opeenvolging van schilderachtige, liefelijke groepen: een geheel, zoo bekoorlijk, als ge het zoudt kunnen wenschen. Vooral des avonds, als de hitte des daags voorbij is, is het een onbeschrijfelijk genot, door deze lommerrijke straten te wandelen, en den frisschen zeewind met volle longen in te ademen. Geen woorden kunnen uitdrukken, wat ik op deze heerlijke plekjes zoo vaak genoten heb, en voor mij onvergetelijk blijft.

En de inboorlingen! Hoe volkomen passen zij bij deze bekoorlijke omgeving. De vrouwen vooral, met haar vrijen lossen gang, met haar schitterend gekleurde, witte, groene, roode of veelkleurige gewaden, die geheel los en vrij haar om de slanke leden golven. Haar rijke, schitterend zwarte hairlokken zijn versierd met een bevalligen krans van pia, waarvan de bleek gele kleur met gouden weerschijn op het voordeeligst afsteekt bij het blinkend zwart van haar lange lokken; een vriendelijke glimlach speelt om haren mond; haar klankrijke, zangerige stemmen doen u denken aan vogelengekweel. En over dit alles speelt het fantastisch, veelvuldig gebroken en gekleurde licht, dat zich door dezen dichten lommer een weg baant en wondere tinten toovert op de onbeschrijfelijk schoone schilderij. Hoe een kunstenaar hier genieten zou!

De gewone kleeding der inboorlingen bestaat uit een langwerpige lap gekleurd katoen, pareoe genoemd, die bij de vrouwen de plaats van den rok, bij de mannen die van den pantalon vervult. Deze lap, die van de heupen tot de enkels reikt, wordt stevig om den middel gewonden en vastgestoken. Daarover dragen de vrouwen eene lange hooge jurk zonder lijf, die veel overeenkomst heeft met een gesloten peignoir; de mannen, een loshangend hemd van europeesch maaksel.


Baai van Papetoai, eiland Moorea.

Doorgaans gaan de vrouwen op Tahiti blootshoofds; haar hair is eenvoudig gescheiden en golft vrij en los over bladzijde 190de schouders. Meestal dragen zij op het hoofd geen ander sieraad dan de witte bloemen van de tiare; maar somwijlen tooien zij, en ook de zoogenaamde fáieie, dat wil zeggen, de jonge dandys, de fatten, zich met den dusgenaamden horo, een zeer smaakvol ornament. Deze horo wordt gemaakt van een fijnen stengel of stokje, ter lengte van tien tot vijftien duim. Aan het eene uiteinde van dit stokje worden, een voor een, een aantal kleine, welriekende en altijd groene blaadjes gestoken van eene orchidee, maire genoemd, die op de bergen groeit. Men verkrijgt alzoo een groenen krans van twee tot drie duim in doorsnede. Het andere uiteinde van het stokje wordt in den steel bevestigd der groote, zoo heerlijke geurige bloem van de tiàre (gardenia tahitense), die met haar prachtigen witten krans als een ster tusschen deze groene kroon schittert. Ook van de fijne bladeren der kokospalmen weten de vrouwen een smaakvollen krans te vervaardigen, dien zij op haar lokken drukken. De gewone hoofdbedekking voor mannen en vrouwen is de zoogenaamde hei, een kroon van bloemen en bladeren.

Als zij in de zon moeten gaan, zetten de vrouwen een stroohoed op, die uit Zuid-Amerika afkomstig is; op feestdagen daarentegen dekken zij zich het hoofd met hoeden van inlandsch maaksel, van de schors der pia (tacca pinnatifida) vervaardigd. Ook de mannen dragen strooien of zoogenoemde panama-hoeden.

De eilanders gaan in den regel barrevoets; sommige dames echter trekken, bij plechtige gelegenheden, kousen en schoenen of laarsjes aan; maar het is niets zeldzaams, haar deze foltertuigen, waaraan zij niet gewoon zijn, in de hand te zien dragen. Bij openbare feesten en dergelijke buitengewone gelegenheden, kleeden de rijke Tahitianen zich geheel naar europeeschen smaak.

Des avonds is het op de straten van Papeete zeer druk en levendig. Vooral na acht uur des avonds heerscht er eene buitengewone beweging en vroolijke levendigheid. Ongelukkig genoeg, is die vroolijkheid zeer dikwijls niet anders dan het gevolg van dronkenschap, die hier inderdaad een nationale ondeugd geworden is. Het misbruik van sterken drank, door de Europeanen hier ingevoerd, is een der oorzaken van den achteruitgang der inlandsche bevolking. Wellust en eene ongezonde levenswijze dragen daartoe mede het hunne bij: het ontgaat dan ook de aandacht van den vreemdeling niet, dat men hier zoo weinig bejaarde lieden aantreft.

Niettegenstaande dit onmiskenbaar verval, heeft de inlandsche bevolking van Tahiti nog weinig of niets van haar oorspronkelijk karakter verloren. Het zijn nog altijd diezelfde schoon gevormde, krachtig gebouwde athleten, zoo als Cook, Quoy, Lesson, Dumont d' Urville en zoo vele anderen ze ons in hunne reisverhalen geteekend hebben. De vrouwen ook zijn nog dezelfde bevallige sirenen, met haar zacht zangerig geluid, zorgeloos, gemaklievend, van den eenen dag op den anderen levend, zich louter aan vermaak en genot wijdende, met bloemen bekroond; en nog altijd verdient het eiland in zekeren naam van Nieuw-Kythere, door Bougainville aan Tahiti gegeven.

Bieden de straten des avonds een zeldzamen aanblik, niet minder aantrekkelijk is het schouwspel, dat de reede, omstreeks dienzelfden tijd, dikwijls te aanschouwen geeft. In duistere en kalme nachten gaan de Kanaken uit visschen nabij de koraalriffen; de kleine prauw glijdt langzaam en geruischloos over de stille wateren. Op de voorplecht staat de visscher, het bovenlijf een weinig over het water gebogen, den rechterarm opgeheven om te treffen, het oog strak op de golvende oppervlakte gevestigd; in de linkerhand houdt hij een fakkel, rama genoemd, van gedroogd riet vervaardigd; achter in de smalle schuit staat een zijner kameraden, die met zijn pagaai het ranke vaartuigje bestuurt. Somwijlen is de geheele omtrek der baai verlicht door den weerglans der roode fakkels in de tallooze bootjes van deze visschers.

Een koerier brengt ons de orders van het gouvernement: gedurende eenige maanden zal de Vaudreuil hier blijven, ten behoeve der lokale dienst. Ik denk er dus aan, mij aan wal een tijdelijk verblijf in te richten. Een mijner kameraden stelt mij voor, te zamen eene woning te huren. Ik stem hierin gaarne toe, en wij huren met ons beiden een huisje aan den voet des heuvels, waarop de seintoestel staat.

De europeesche woningen te Papeete zijn doorgaans van hout gebouwd; tot afwering van de vochtigheid, is de vloer eenige voeten boven den grond verheven, en rust op gemetselde pilaren. Ons huis is omringd door een grooten tuin, met een houten heining afgesloten; een twintigtal groote kokosboomen tooien deze ruimte. Niets ontbreekt ons, zelfs niet een badkamer, die, het is waar, wel zeer eenvoudig is ingericht, maar weelde zou hier tot niets dienen. Huizen als het onze, die niet op fondamenten zijn gebouwd, kunnen zeer gemakkelijk verplaatst worden. Ik herinner mij, dat eene der straten te Papeete op zekeren dag geheel verstopt was door een huis, dat de eigenaar naar eene andere plek overbracht.

Binnen de stad treft men weinig inlandsche woningen aan. Deze zijn, over het algemeen, zeer ruim, luchtig en zindelijk. De muren, van gevlochten bamboes vervaardigd, zijn niet hoog; de hard gestampte bodem is met matten belegd.

Bijna overal vindt men bedden, die laag bij den grond en zeer breed zijn. Het bed of ledekant bestaat uit een vlechtwerk van nape, een soort van touwwerk, van kokosvezels gevlochten; daarop legt men een met gedroogde banaanbladeren gevulden zak, en een met katoen opgevulde matras. Aan de vier hoeken verheffen zich vier houten stijlen, waaraan een gazen gordijn bevestigd wordt: een onmisbare voorzorgsmaatregel tegen de bloeddorstige muskieten, die hier zeer talrijk zijn.

II.

Het eiland Tahiti splitst zich in twee onderscheidene, zeer ongelijke deelen: het eigenlijke Tahiti en het schiereiland Taiarapoe, dat aan het grootere eiland verbonden is door een landtong van ongeveer twee kilometers breedte, waarvan het hoogste punt, waarop het kleine fort Taravao ligt, zich tot omstreeks veertien bladzijde 191el boven de zee verheft. Elk dezer twee schiereilanden heeft een bijkans ronde gedaante, en is voor een deel bedekt met hooge bergen, blijkbaar van vulkanischen oorsprong. De hoogste toppen zijn, op Tahiti, de Aorai (tweeduizend-vier-en-zestig el), en de Orohena (tweeduizend-tweehonderd-zes-en-dertig el); en op Taiarapoe, de Nioe (dertienhonderd-vier-en-twintig el).

Dezelfde vulkanische werking, waaraan Tahiti zijn oorsprong dankt, hief waarschijnlijk ook het eiland Moorea, de Gambier-eilanden, Toeboeai en misschien nog andere eilandengroepen van Polynesië, boven de wateren op. Bij de Toeamotoe-eilanden was de opheffende kracht blijkbaar minder sterk; hier hebben zich langs de randen der bijna tot aan het watervlak opgeheven kraters koraalriffen en banken gevormd, en daardoor zijn, na verloop van tijd, die lage eilanden ontstaan, waarvan het binnenmeer tegenwoordig de plaats van den uitgedoofden krater vervangt.

De bodem van Tahiti, hard en steenachtig op de toppen der bergen, bestaat op de lagere plateaux zeer dikwijls uit vaste leem en klei; maar in de valleien en langs den oever der zee vindt men eene dikke laag van uiterst vruchtbare aarde, die het eiland geschikt maakt voor de kultuur van alle tropische gewassen. Deze vruchtbare strook langs de zee is geheel vlak; op sommige plaatsen is zij zeer smal, op andere heeft zij eene breedte van ruim drie kilometers. Deze aardlaag rust op eene koraalbank. Zij heeft eene bebouwbare oppervlakte van omstreeks vijf-en-twintig-duizend bunders.

Schier dit geheele vlakke en vruchtbare gedeelte van het eiland is letterlijk ingenomen door de goyave (psidium pyriferum) of de toeava, zooals zij in de landtaal genoemd wordt. Deze plant vormt hier dichte boschages, die alle andere gewassen doen sterven, zelfs oude, hooge boomen, aan wier voet zij met ongeloofelijke weelderigheid groeit. De goyave, die eerst in 1815 op het eiland werd ingevoerd, bedekt tegenwoordig de bergen tot eene hoogte van minstens zeshonderd el. In de valleien neemt zij bijna de gedaante van een boom aan; op de bergen overtreft zij zelden een struik in grootte. Haar snelle wasdom gedurende den regentijd en de krachtige voortplanting door de dieren, die zich met hare vruchten voeden, maken deze plant tot een ware plaag, die de ontginning van onbebouwde gronden zeer moeilijk en kostbaar doet zijn.

De geheele oppervlakte van Tahiti bedraagt honderdvierduizend-tweehonderd-vijftien bunders; die van Moorea bedraagt dertienduizend-tweehonderd-zeven-en-dertig bunders.

Bijna de gansche kust van het eiland is door een reeks koraalriffen omgeven.

Als wij Papeete in westelijke richting verlaten, bereiken wij weldra het distrikt Faá, waar de eerste proeven zijn genomen met de koffiekultuur; de koffietuinen staan tegenwoordig in vollen bloei, en de vrucht is van zeer goede hoedanigheid. De koningin, een Franschman, de heer B...., en verscheidene inboorlingen hebben hier belangrijke aanplantingen van kokospalmen aangelegd.

De Poenaroeú, een van de voornaamste rivieren van het eiland, stort zich in het distrikt Poenavia in zee. De vallei, waardoor deze rivier stroomt, was in 1845 het tooneel van een der hevigste gevechten, die de Franschen tegen de inboorlingen moesten leveren. Deze vallei loopt naar het hart des eilands, naar den Maiao of Diadeem, een berg, ter hoogte van twaalfhonderd-negen-en-dertig el, en staat daar in gemeenschap met de valleien van Fautahoea on Papenoó. Te Tapoena, in hetzelfde distrikt, bevindt zich een kleine haven, die door het kanaal van denzelfden naam met de zee in gemeenschap staat.

In het distrikt Poenavia, en vooral in dat van Paea, vindt men aardige riviertjes en vruchtbare landouwen; ook zijn daar vele europeesche woningen. De distrikten Papara en Atiamaono behooren mede tot de belangrijkste gedeelten van het eiland, zoowel door hunne betrekkelijk talrijke bevolking, als door de groote uitgestrektheid vruchtbaar, voor bebouwing uitnemend geschikt terrein, dat zij bevatten.

Eenige jaren geleden stichtte eene engelsche maatschappij, op Tahiti door den heer Stewart vertegenwoordigd, in het distrikt Atiamaono, een uitgebreid etablissement met plantages voor de katoenteelt. Een duizendtal chineesche koelies werden naar de gronden, die aan de maatschappij waren afgestaan, overgebracht. Reeds waren eenige honderden landverhuizers, meest allen uit den Cook-archipel afkomstig, daar sedert eenigen tijd aan den arbeid. Na de aankomst der chineesche koelies werd de plantage uitgebreid en de kultuur op groote schaal aangelegd.

Een houten brug van vrij bombastischen stijl verleent toegang tot de plantage. Die brug ligt over eene rivier, die een deel des jaars bijna droog is, maar die door de geweldige regens van den zoogenaamden winter, even als alle rivieren des eilands, in een onstuimigen, bruisenden stroom veranderd wordt. De aandacht der bezoekers wordt aanstonds getrokken door de hutten der inboorlingen van den Cook-archipel; zij staan op een soort van terras of platform, dat op balken rust, en hebben met den beganen grond gemeenschap door middel van een ladder, dien men naar verkiezing kan wegnemen. Deze manier van bouwen vond ik terug op verschillende eilandengroepen van centraal Polynesië, vooral ook op het fraaie eilandje Rotoemah. Ik durf niet beslissen, wat de bewoners dezer eilanden beweegt, aldus hunne woningen op een stellage te bouwen: ongetwijfeld geschiedde dit aanvankelijk met een bepaald doel, misschien wel uit een oogpunt van veiligheid en verdediging; later is deze gewoonte, wellicht zonder verder nadenken, als eene overoude traditie, stilzwijgend door de volgende geslachten in stand gehouden.

Tijdens mijn tweede bezoek op Tahiti, verkeerde de plantage in blijkbaar verval; nadat de termijn van hun contract verstreken was, hadden de Chineezen zich terug getrokken en waren voor eigen rekening zaken gaan doen: hun vertrek scheen de onderneming een doodelijken slag te hebben toegebracht.


Inboorlingen van Tahiti.

Wij vervolgen onzen tocht om het eiland. In het distrikt Mataiea vindt men Papeoeriri met eene goede haven. Deze omstandigheid, gepaard aan de vruchtbaarheid bladzijde 193van den grond, heeft al vroeg aanleiding gegeven, dat zich hier kolonisten vestigden. Het distrikt levert veel oranjeappelen op, die in groote hoeveelheden naar San-Francisco worden uitgevoerd; men vindt hier de vallei Vaihiria, door de rivier van denzelfden naam besproeid. Aan het uiteinde van die vallei, ter hoogte van vierhonderd-dertig el boven de zee, ligt een meer, bijna cirkelvormig van gedaante, met eene doorsnede van omstreeks een halven kilometer, en aan alle zijden door hooge sombere bergen ingesloten. Voor zoo ver men kan nagaan, staat dit meer in geenerlei gemeenschap met de zee; het water is koud en zeer diep. Waarschijnlijk is dit een uitgebrande krater; sommigen schrijven echter het ontstaan van dit meer toe aan een bergstorting, waardoor de uitgang der vallei zou zijn verstopt, zoodat het water, dat vroeger naar de zee afvloeide, nu wordt opgehouden. Een uitstapje naar dit meer gaat niet alleen met veel moeite, maar ook met gevaar gepaard. In 1847 heeft de welbekende reizigster, mevrouw Ida Pfeiffer, niettemin dien tocht gewaagd.


Gezicht op de reede van Papeete.

Op de hoogte van Papeari wordt de grond eenigszins moerassig, dan weder bergachtig; een prachtige, met bosschen van oranjeboomen omzoomde weg voert naar Tavarao. De omstreken van Tavarao zijn weinig bevolkt. Van hier naar Papeete terugkeerende, gaat men door het distrikt Hitiaá, dat een goede haven heeft, en bovendien rijk is aan bosschen en vruchtbare valleien; de rivieren zijn hier breed, en tot op vrij grooten afstand van zee bevaarbaar. De handel in chinaas- of oranjeappelen is hier zeer levendig.

Deze vruchten zijn een zeer belangrijk artikel voor den handel tusschen den archipel van Tahiti en San-Francisco. Zij worden hier ingekocht voor vijf-en-twintig francs het duizend, welke prijs doorgaans in natura of in andere koopwaren wordt voldaan; zij worden ginds verkocht voor twee- of driehonderd francs. Zelfs als men voor het onvermijdelijk verlies bij het vervoer vijftig percent rekent, dan levert die handel, zoo als men ziet, nog een aardige winst op. De oranjeboom werd hier door Cook ingevoerd, die eenige jonge boompjes in de nabijheid van kaap Venus plantte: hij heeft zich zoo goed aan lucht en grond gewend, dat hij niet de minste zorg behoeft en letterlijk in het wild groeit. De vruchten worden verzonden in zeer lichte, vierkante kisten, die van de geschilde takken van den poerau vervaardigd worden en aan de buitenlucht vrijen toegang laten.

De Tahitianen zijn groote liefhebbers van chinaas-appelen; van het sap vervaardigen zij een soort van geestrijken drank (áva anani), door de Europeanen oranjewijn genoemd. Uithoofde van de grove buitensporigheden van allerlei aard, waartoe het gebruik van dezen drank hetzij aanleiding gaf, hetzij een voorwendsel bladzijde 194leverde, heeft de fransche regeering de bereiding daarvan ten strengste verboden. Toch geschiedt dit nog in stilte, op een eenzame plek in het gebergte of in eene verborgen vallei. Twee of drie dagen vóór den voor de bijeenkomst bepaalden tijd, begeven zich eenige inboorlingen in het geheim naar de afgesproken plaats, ten einde den bedwelmenden drank te bereiden. Zoodra het oogenblik gekomen is, begeven de mannen en vrouwen zich één voor één, om geen achterdocht te wekken, naar de plaats der bijeenkomst, zoo veel immer mogelijk langs onbekende paden, om aan het wakend oog der mutoi (policie-beambten) te ontsnappen. Maar, ondanks al deze voorzorgen, komen dezen er toch meestal achter, dat er zulk eene vergadering gehouden wordt. Op het onverwachtst vertoonen zij zich te midden der feestvierende menigte, en hunne komst maakt een einde aan de woeste uitspattingen en toomelooze liederlijkheid, waartoe het overmatig gebruik van dezen drank schijnt te leiden. Voor de meesten eindigt de pret dan in de gevangenis (fāre áoeri, ijzeren huis.)

De flora van het eiland, hoewel rijk en weelderig, biedt toch weinig afwisseling. Onder de echte inlandsche boomen komt vooral eene plaats toe aan den tamanoe en aan den miro of rozenhoutboom, beiden hard en schoon van vorm; voorts aan den tiairi, het zoogenoemde ijzerhout, den sandelboom, en met name den poerau die tot zoo velerlei doeleinden gebruikt wordt. De broodboom, de taro en de kokospalm verschaffen den inboorling een zeer belangrijk deel zijner voeding: bovendien is de laatste, door de olie, die hij levert, voor al de eilanden van Polynesië, uit een commercieel oogpunt, van overwegende waarde. De sandelboom is op Tahiti vrij zeldzaam, en mist hier ook bijna geheel zijn welriekenden geur. Het poeder, dat van dit hout vervaardigd wordt, wordt door de vrouwen veel gebruikt om monoi te maken. De oranje en vele tropische gewassen, zoo als de ananas, de mango, enz. zijn van elders ingevoerd en thans inheemsch geworden. De kolonisten verbouwen met zeer goeden uitslag koffie, tabak, vanille, suikerriet en katoen.

De duizendpoot en de schorpioen zijn de eenige gevaarlijke dieren, die men op het eiland vindt. Echter huizen er in de bosschen en wouden zeer lastige gasten, zoo als wilde varkens, muskieten en wespen. Op mijne wandelingen trof mij vooral de groote zeldzaamheid, ik zou haast zeggen het gemis, van vogels. De vreemdeling, die de schilderachtige, lommerrijke valleien van het eiland doorkruist, is verbaasd over de zonderlinge stilte, die alom in deze dichte bosschen en het kreupelhout heerscht. Eenige phaétons (een tropische vogel), een kleine parkiet, die wij ook op de Samoa-eilanden hebben aangetroffen, en meeuwen, zijn de eenige gevleugelde bewoners van het eiland. In de lage moerassige gronden mag de jager ook nog eenige wilde eenden vinden; langs het strand ontmoet men ook enkele reigers, zeezwaluwen en nog sommige andere vogels, maar hun getal is niet groot.

III.

Een der aangenaamste wandelingen, die men te Papeete maken kan, is naar kaap Venus. Tijdens mijn eerste bezoek aan Tahiti, had ik mij te voet daarheen begeven. Een mijner vrienden stelde mij voor, nogmaals daarheen te gaan, en ik aarzelde geen oogenblik dat voorstel aan te nemen.

Een huurrijtuig met een inlandschen koetsier komt ons des morgens ten tien uur afhalen. Het is brandend heet; maar de groote stroohoed en de klassieke parasol geven ons althans eenige bescherming tegen de felle zonnestralen. De grenzen der stad worden aangewezen door een aarden wal en een gracht, die vroeger dienen moesten om het garnizoen tegen een overval van de zijde der inboorlingen te beveiligen. Op korten afstand van Papeete ligt een brug over de rivier de Fautahoea; de vallei, waardoor deze rivier stroomt, wordt in haar hooger gedeelte begrensd door twee ontzaggelijke loodrechte granietmuren. In de ruimte tusschen die reusachtige rotswanden verheft zich de zonderling gevormde top van den Diadeem. De achtergrond der vallei wordt ingenomen door een prachtigen waterval, tweehonderd ellen hoog, die uit een bekken nederstort, dat vierhonderd-twintig el boven de zee ligt. Daarop voert de weg langs de valleien van Hamoeta en Pirae. Tusschen Aroeë en Mahina, loopt de weg over den heuvel Tahatahi, die loodrecht uit zee oprijst, en kenbaar is door zijne eigenaardige roode kleur. Wallis en Cook noemden dit naakte voorgebergte de Boomkaap, ter wille van een eenzamen boom, die destijds den top kroonde, maar nu verdwenen is. Onze paarden hebben blijkbaar groote moeite, om de vrij steile helling te beklimmen. Wij verlaten het rijtuig, zoowel om de arme magere knollen te ontzien, als omdat wij beducht zijn voor een ongeluk. Van den top des heuvels heeft men een heerlijk uitzicht; een frissche bries drijft de blauwe golven met kracht tegen de riffen en breede koraalbanken, die zij met wolken spattend schuim overdekken.

Het rijtuig wacht ons aan den voet des heuvels, en na verloop van eenige minuten, houden wij onzen zegepralenden intocht in het dorp, waarvan de bewoners, door de luid klappende zweepslagen van onzen bronskleurigen koetsier aangelokt, uit hunne woningen naar buiten komen om getuigen te zijn van onze verschijning. Een prachtige laan, die den grooten weg doorsnijdt, loopt op den vuurtoren uit, die aan den noordelijksten uithoek van het eiland oprijst.

Wij beklimmen dien toren, en staan weldra op de bovengalerij. Na hier een blik op den omtrek geworpen te hebben, begeven wij ons naar de kleine rivier, die in de nabijheid in zee valt. Een tiental jonge vrouwen, enkel met de pareoe gekleed, zijn bezig het rivierke met lange boomtakken af te dammen. Boven dien dam bevinden zich eenige andere vrouwen, die in het water slaan om daardoor de visschen te noodzaken den stroom af te zwemmen; zoodra de visschen dan in de takken verward raken, worden zij met de hand gevangen.

Eer wij weer in ons rijtuig plaats nemen, gaan wij een bezoek brengen aan den eerwaardigen boom, onder den naam van Cook's tamarinde bekend. Vervolgens keeren wij langs denzelfden weg terug. In het distrikt Aroeë wijst men ons de graven der Pomare's, bladzijde 195die van dit gedeelte des eilands afkomstig zijn. Een kleine jongen brengt ons naar Papaoa, waar, aan den oever der zee, het grafteeken der regeerende familie verrijst. Dit monument heeft evenwel niets bijzonders: alleen de prachtige boomen, die het overschaduwen, zijn de moeite van den tocht waard.

De vreemdeling, die te Papeete toeft en een aardig levendig tooneeltje wil zien, moet des morgens vroeg opstaan en zich naar de markt begeven, die op een der pleinen, in eene overdekte ruimte, gehouden wordt. Aan de eene zijde ziet men de tafels, waarop de Chineezen, die te Papeete gevestigd zijn, koffie en thee te koop aanbieden; aan de andere, reusachtige stapels fruit en visch. Het voedsel der inlanders, hoofdzakelijk aan het plantenrijk ontleend, bestaat uit fei, uit maiore (de vrucht van den broodboom), uit taro en andere boomvruchten. Hun meest geliefde spijs is visch, waarvan de markt altijd ruimschoots is voorzien.

De vruchten van den fei (een soort van banaan), die van den broodboom en van den taro, worden gestoofd op in het vuur verhitte steenen. Des zaterdags, in de landtaal mahana maá (dag der voeding) genoemd, gaan de eilanders naar het gebergte, om de safraankleurige vruchten van den fei in te zamelen.

De dag wordt over het algemeen in werkelooze rust doorgebracht; eerst tegen vier uur in den namiddag begint er wat leven op straat te komen. De Europeanen gaan dan naar de societeit of naar het bad; enkele ruiters en een paar rijtuigen vertoonen zich. Naarmate de avond valt, neemt ook de drukte toe.

De inlanders zijn hartstochtelijke liefhebbers van dans en zang, zooals trouwens bijna alle volksstammen van Oceanië. Als ge eene inlandsche woning binnentreedt, zult ge daar in den regel eenige vrouwen vinden, liggende of neergehurkt, en te zamen de geliefde volksdeunen zingende, met begeleiding van een accordeon, dat hier in hooge gunst staat.

Een openbaar volksfeest, waarvan de dans het hoofdelement vormt, heet op Tahiti úpa-úpa. Als de avond voor zoodanig feest gekomen is, vult zich al spoedig het daartoe aangewezen plein met vroolijke toeschouwers. Mannen en vrouwen zetten zich neder op den grond, rondom een open plek, die voor de dansers wordt vrijgelaten. Het orchest bestaat uit een trommel, die het gezang begeleidt en de maat aangeeft voor den dans; eenige kaarsen, door toeschouwers op de eerste rij in de hand gehouden, verlichten dit zonderling tafreel. Eene vrouw staat op, omwikkelt haar lenden met een doek, en maakt eenige slingerende en golvende bewegingen met haar lichaam, waartoe zich voorloopig de dans bepaalt. Nu plaatst zich een man tegenover haar. De muziek begint. Het dansende paar maakt de onstuimigste bewegingen en de zonderlingste sprongen, telkens meer aangevuurd door het gezang der toeschouwers. De wendingen en draaiingen des lichaams worden al sterker en sterker, tot eensklaps de trommel zwijgt. Haastig keeren de dansers nu naar hun plaats terug, als schaamden zij zich over hetgeen zij gedaan hebben. Na eenige minuten pauze, treedt een nieuw paar op, en de dans begint op nieuw, totdat, ten tien uur, het kanonschot weergalmt, dat het sein tot den aftocht geeft. Binnen weinige oogenblikken, is het plein nu geheel ledig.

De tegenwoordige úpa-úpa, die onder toezicht van de policie staat, heeft maar zeer weinig overeenkomst met de oude nationale dansen, die wij elders, zooals op de Samoa-, en vooral op de Sandwich-eilanden, gezien hebben.

Wordt er geen úpa-úpa gevierd, dan heerscht des avonds de meeste drukte in de straat la Petite Pologne. De Chineezen, die na de oprichting der plantage van Atiamaono op het eiland zijn gekomen, verkoopen thee in de kleine winkeltjes, die deze straat aan beide zijden omzoomen. Die winkeltjes worden vooral druk bezocht door de inlandsche vrouwen, die altijd behoefte hebben om te eten en te drinken.

Alle openbare plechtigheden worden ook hier, evenals bij ons, besloten met een feestmaaltijd, amoeraá maá genoemd. Gedurende ons verblijf woonden wij zoodanigen maaltijd bij, die gegeven werd ter gelegenheid der inwijding van de nieuwe protestantsche kerk. De tafels, tot bezwijkens overladen met allerlei soort van inlandsche gerechten, leverden een uitlokkenden aanblik op. Onder lichte afdakken van groene kokosbladeren opgeslagen, en in rijen geplaatst, besloegen zij een tamelijk groot vierkant, waarvan de eene zijde was ingenomen door de tafels aan welke de autoriteiten plaats hadden genomen. Het is ongeloofelijk, welke hoeveelheden spijs bij die gelegenheden verorberd worden! Kleine varkentjes, zoo in hun geheel, naar inlandsche wijze, gebraden, bergen van fei, maiore, bananen, enz: enz: verdwijnen met wonderbaarlijke snelheid in de magen der inboorlingen, die zich ook aan den wijn niet onbetuigd laten.

De gouverneur laat onzen kommandant weten, dat wij binnen eenige dagen naar Borabora zullen vertrekken. De koningin van dat eiland, dochter van Pomare, zal met ons de reis doen; de naam dier vorstin is Teriímaevaroea. Zij is in 1840 geboren, en regeert, sedert den 3den Augustus 1860, over Borabora en de aanhoorige eilanden; zij leidt aan waterzucht, en men vreest voor haar leven.

Haar gemaal, Tapoa, de verstandigste en meest ontwikkelde Kanak, dien ik op Tahiti ontmoet heb, heeft eenige jaren in Frankrijk doorgebracht met zijn schoonbroeder, den jongsten zoon van koningin Pomare, Tocavira, meer bekend onder den naam van den “Prins van Joinville.” Beiden zijn met de fransche taal en gewoonten goed bekend. De koningin van Borabora wordt ook nog vergezeld door haar oudsten broeder, prins Ariíaue, den vermoedelijken troonopvolger; verder bestaat haar gevolg uit Maheanoe, distriktshoofd van Faà, en Manoe, distriktshoofd van Tautira-Meétia.

Den 12den November wordt de bagage der koningin aan boord gebracht. Den volgenden morgen gaan onze booten naar wal, om de talrijke passagiers af te halen. Tegen negen uur komt de koningin met haar gevolg bij ons aan boord. Het vermagerde gelaat van Teriímaevaroea vertoont duidelijke sporen van haar lijden; haar hooge gestalte wordt gebogen door de uitputting eener ongeneeslijke kwaal. Niettemin houdt zij zich veel bezig met haar neefje, een aardigen jongen van vijf jaar, die door iedereen bedorven wordt. bladzijde 196

De Vaudreuil vertrekt ten half tien. Wij varen ten noorden voorbij Moorea, waar ik later een bezoek hoop te brengen. Ten zes uur des avonds zijn wij in het gezicht van Hoeahine; en den volgenden morgen, bij het opgaan der zon, verrijst voor onze blikken de zoo eigenaardig gevormde bergtop van Borabora. De Vaudreuil vaart ten noorden van het eiland om, en werpt, volgens de aanwijzing van den inlandschen loods, het anker uit voor het dorp Faánoei, waar de koningin haar verblijf houdt. Ten half tien uur verlaat de vorstin met haar gevolg het schip, onder het salvo van een-en-twintig kanonschoten, terwijl de vlag van Borabora van den grooten mast wappert.

Borabora, het kleinste der Gezelschaps-eilanden, vormt met de miniatuur-eilandjes Motoe-Iti, Mapiha on Toeboêai-Manoe, eene afzonderlijke groep. Op het midden des eilands verrijst de berg Pahia, die eene hoogte van omstreeks duizend el bereikt. De buitenste rand van het omringende rif is hier niet, zoo als elders, nu eens boven, dan weer onder water, hier vlak en naakt en daar begroeid: neen, de gansche koraalbank is overal met kokospalmen beplant. Verbeeld u een bloemruiker in een groenen krans—ziedaar Borabora!


Gezicht te Atiamaono.

Wij keeren naar Tahiti terug.

De kommandant onzer nederzettingen in Oceanië volbrengt ieder jaar de rondreis om het eiland, ten einde de verschillende distrikten te bezoeken, persoonlijk onderzoek te doen naar de behoeften en wenschen der inboorlingen, den toestand der openbare werken, der scholen enz. na te gaan: in één woord, om door eigen aanschouwing met de aangelegenheden des lands en der bevolking vertrouwd te worden. Het grootste gedeelte der bezetting vergezelt hem op dien tocht. De gouverneur noodigt ons uit om deel te nemen aan het kleine militaire feest, dat te Taravao moet plaats hebben.

Den 11den December verlaat de Vaudreuil Papeete en zet koers naar de fraaie haven van Phaéton, ten westen van de landengte, die Tahiti met het schiereiland Taiarapoe verbindt. Wij varen langs de westkust van Tahiti, die ik voor het eerst aanschouw; de zee gaat tamelijk hoog; de lucht is bewolkt. Wij herkennen de haven van Papeoeriri, waar enkele goëletten voor anker liggen. Even te voren waren wij langs de plantage van Atiamaono gevaren, kenbaar aan de groote woning, schilderachtig op den top van een heuvel gelegen.

Na een vaart van vijf uur, houden wij stil op een mijl afstands van de haven van Phaéton, om de aankomst eener sloep af te wachten, waarin zich de luitenant der marine bevond, die belast was met het vervaardigen eener nieuwe kaart van dit prachtige bekken. Onder zijne bekwame leiding, varen wij door een der beide smalle openingen in het rif, die den toegang tot de haven vormen, een lastig vaarwater, waarin een geweldige stroom gaat, die ons schip rechts en links deed slingeren. In de ruime haven gekomen, werpen wij het anker uit, en worden begroet door een geweldigen stortregen. Trouwens daarop moeten wij bedacht zijn: wij zijn toch in den regentijd, en het schiereiland heeft den naam, dat daar meer regen valt dan op eenig ander punt van het eiland.

Den volgenden morgen begaf de gouverneur zich met zijn gevolg en de soldaten naar Taravao, waar door de inboorlingen, die ook uit de naburige distrikten waren toegestroomd, de noodige toebereidselen waren gemaakt om hem te ontvangen.

De militaire vertooning bestond uit een geveinsden aanval op het fort, dat op het hoogste punt der landengte is gebouwd. De mariniers en een der kanonnen van de Vaudreuil voegden zich bij de aanvallers. Dit spiegelgevecht, waarbij dapper geschoten werd, wekte natuurlijk in hooge mate de belangstelling op der inboorlingen, die uit den geheelen omtrek waren saamgestroomd bladzijde 198om van dit schouwspel getuige te zijn. Het fort werd genomen, zonder dat men andere ongelukken te betreuren had dan een val van het paard: gelukkig had de ruiter zich daarbij niet al te erg bezeerd.


Vrouwen van Tahiti.

Toen ik aan boord terugkeerde, vond ik mijn schip vol inlandsche bezoekers; zij hadden zich overal verspreid; zelfs in mijne hut betrapte ik twee mooie inlandsche meisjes, die met alle aandacht de tegen den wand hangende photografiën bekeken. Geheel de bont gekleurde menigte, in feestgewaad gehuld en met geurige monoi geparfumeerd, die bij de bestorming van het fort tegenwoordig was geweest, had het schip overrompeld en stelde zich aan, of zij zich op haar eigen terrrein bevond. Tot onzen spijt moesten wij hun eindelijk aanzeggen, dat het tijd was om te vertrekken: in een oogwenk waren nu de talrijke kleine prauwen, die de Vaudreuil omringden, tot zinkens vol geladen, en in vroolijke stemming keerden de gasten naar hunne woningen terug.

Den volgenden morgen kon de Vaudreuil naar Papeete terugkeeren, terwijl de gouverneur zijn rondreis door de oostelijke distrikten zou vervolgen. Onze kommandant, die zijn officieren altijd gaarne pleizier doet, had een mijner kameraden en mij vergund, de uitnoodiging om dien tocht mede te maken, aan te nemen. Maar eenige uren voor ons vertrek ontvingen wij de treurige tijding van het overlijden der kleindochter van de koningin Pomare: en dit bracht verandering in ons programma. De gouverneur en de soldaten kwamen weder aan boord van de Vaudreuil, om dadelijk naar Papeete terug te keeren.

De begrafenis van de kleine prinses geschiedde met de grootst mogelijke staatsie. Do koningin was zeer aan dit kind gehecht, en van alle kanten beijverde men zich om te toonen, hoezeer men deelde in hare smart over dit verlies. De tijding van het overlijden van Teriínoeïmoanaiterai, in alle distrikten van Tahiti en Moorea bekend gemaakt, deed het grootste deel der bevolking van deze beide eilanden naar Papeete optrekken. Alle inboorlingen droegen rouwkleederen; de meeste vrouwen hadden zich, volgens een oud barbaarsch gebruik, dat nog in stand is gebleven, het hair afgeknipt. Daar de geheele koninklijke familie de protestantsche godsdienst belijdt, had de ceremonie ook in de protestantsche kerk plaats. Nog zie ik dien eindeloozen optocht, dubbel treurig en somber door de zwarte kleederen der inlanders. Natuurlijk werd deze begrafenis opgeluisterd door de deelneming der militairen. Van uur tot uur liet de Vaudreuil een kanonschot hooren. Het lijk van het jeugdige prinsesje werd bijgezet in eene hut, die de koningin op het terrein van haar paleis had laten oprichten; later zou het naar de officieele begraafplaats der Pomare's te Papaoa worden overgebracht.

IV.

Eenige dagen na de begrafenis der kleindochter van Pomare, ontving ik eene uitnoodiging, die mij hoogst welkom was. Een officier van administratie bij de koloniale dienst, de heer E..., met wien ik dadelijk na onze komst te Papeete kennis had gemaakt, moest naar Moorea gaan, om de europeesche bevolking van dat eiland te tellen; hij verzocht mij nu, met hem te gaan. Men had hem, voor de uitvoering zijner taak, een der notabelen van het eiland, den heer B... lid van den raad van bestuur, dien ik ook kende, toegevoegd, benevens een ondergeschikt ambtenaar, die de functiën van secretaris zou waarnemen. De kommandant van de Vaudreuil schonk mij, met zijne gewone welwillendheid, de vereischte vergunning.

Zonder verwijl hield de heer E... zich nu onledig met de toebereidselen voor onze reis: alles werd zoo ingericht, dat ons verblijf zoo aangenaam en gemakkelijk mogelijk zou zijn. Daar wij ongeveer een week op Moorea zouden vertoeven, was het noodig een goeden voorraad levensmiddelen mede te nemen, tenzij wij ons tevreden wilden stellen met de inlandsche keuken, waartoe wij niet veel lust gevoelden. De eenige plaats, waar wij op een europeesch gastvrij onthaal konden rekenen, was in de baai van Papetoai, waar de heer M..., een italiaansch geneesheer, een fraaie suikerplantage bezat. Een mijner kennissen van de militaire societeit te Papeete, de heer Vallès, gepensioneerd kapitein der mariniers, die mede in dit gedeelte van het eiland woont en zich met landbouw bezig houdt, had mij doen beloven dat, zoo ik ooit op Moorea kwam, ik bij hem mijn intrek zou nemen. Doch daar de baai van Papetoai zoo wat ter halverwege op onze voorgeschreven reisroute lag, moesten wij toch een aanzienlijken voorraad mondbehoeften medenemen.

Wat de vervoermiddelen aangaat, was de heer E... spoedig en geheel naar wensch geslaagd. Hij had eene overeenkomst getroffen met het opperhoofd van Afareaitoe, die naar Papeete was gekomen om bij de begrafenis van Teriínoeïmoanaiterai tegenwoordig te zijn: hij zou eerlang naar Moorea terugkeeren, en wij zouden in zijne sloep medevaren. Dag en uur van vertrek was bepaald; maar toen onze bagage ter inscheping op de kaai gereed lag, deelde de bemanning der sloep ons mede, dat er nog geen bevel gegeven was om te vertrekken. De heer E..., die in den loop van den ochtend het opperhoofd in niet volkomen nuchteren toestand had ontmoet, begrijpt aanstonds waaraan dit oponthoud is te wijten. Wij gaan mitsdien onzen vriend opzoeken, en vinden hem, tamelijk beschonken, drinkende in gezelschap van den jongsten zoon der koningin. De kerel zegt ons, dat hij niet wil vertrekken.

Wat nu te doen? De heer E... is woedend, maar met dien dronkaard valt niet te redeneeren. Wij keeren naar de kaai terug, waar de heer B... is achtergebleven om op de bagage te passen; hij deelt ons mede, dat de eigenaars van onderscheidene sloepen vurig wenschen naar hunne woning terug te keeren, maar dat zij op last der koningin verplicht zijn te Papeete te blijven.

De heer E... zegt, dat hij in het belang der dienst opheffing van dat verbod zal vragen, wanneer een der eigenaars wil beloven, dat hij onmiddellijk vertrekken zal, zoodra Pomare daartoe toestemming zal gegeven hebben. Een hunner is daartoe gaarne bereid, en wij bladzijde 199begeven ons zonder verwijl naar de koningin, bij wie wij ook aanstonds worden toegelaten. De arme vrouw zit neergehurkt op een mat; haar gelaat draagt nog de duidelijke sporen van het verdriet, door het overlijden harer kleindochter haar veroorzaakt. Een harer schoondochters, de “Prinses van Joinville”, legt haar uit wat wij eigenlijk verlangen. De koningin antwoordt, dat zij niemand verboden heeft te vertrekken, zoodat hier waarschijnlijk aan een misverstand is te denken. Wij danken haar voor haar welwillendheid, en keeren haastig naar de kaai terug. In een oogwenk is nu onze bagage aan boord gebracht, en wij zijn op weg.

Van Tahiti gezien, schijnt het eiland Moorea bij uitnemendheid schoon, vooral door de fantastische gestalten der eigenaardig gevormde bergtoppen. Een daarvan, die tot de hoogste en steilste behoort, is juist onder den bovensten top geheel doorboord. Reeds op onzen tocht van Papeete naar de haven van Phaeton, had deze zonderlinge opening in den berg onze aandacht getrokken. Volgens de legende, zou dat gat veroorzaakt zijn door de lans van een der aloude reuzen, die zijn wapen met kracht tegen den rotswand had geslingerd.

Ongelukkig is het bladstil; de zonnestralen vallen loodrecht op ons neder. Al de Kanaks zijn bezig met roeien; zij zijn aan dien arbeid gewoon, en dank aan hunne stevige vuisten, gaan wij vlug vooruit. In mijne hoedanigheid van zeeman, wordt mij het roer toevertrouwd; ik stuur zoo dicht mogelijk langs de Vaudreuil, die op het water ingedommeld schijnt. Wij moeten elf zeemijlen afleggen, eer wij aan het dorp Afareaitoe komen, waar wij zullen ophouden. Wel is er geen wind, maar onze roeiers zullen wel zorgen dat wij vóór den nacht aankomen, want de zee is spiegelglad en doodstil. Het is smoorheet; om mijn brandenden dorst te lesschen, verslind ik een aantal versche kokosnoten, die, zoo als men weet, eene aanzienlijke hoeveelheid vocht, zoogenoemde kokosmelk, bevatten.

Een uur na ons vertrek, beginnen zich op de spiegelgladde oppervlakte der zee enkele rimpels te vertoonen, de welkome boden van den zoo lang verwachten wind. Viktorie! Na eenige aarzelingen, begint er inderdaad, en wel uit de goede richting, een fiksche bries te waaien; de roeispanen worden naar binnen gehaald, en de twee zeilen der sloep geheschen.

Er zijn in het geheel een dozijn menschen aan boord, waaronder eenige vrouwen en kinderen. Allen zijn even opgewekt en vroolijk; sommigen rooken of zingen, om den tijd te verdrijven; anderen houden hunne siësta. De inlandsche sigaren worden op de eenvoudigste wijze vervaardigd: een op het vuur gedroogd tabaksblad wordt in een pandanusblad gewikkeld—en de sigaar is gereed. Die de sigaar aansteekt, doet er twee of drie trekken aan, blaast den rook door zijn neus uit, en reikt de sigaar vervolgens aan zijn buurman over; zoo gaat zij van mond tot mond, tot zij geheel opgerookt is.

Zoodra de zeilen geheschen zijn, neemt de eigenaar mijne plaats aan het roer in. Een uur voor zonsondergang varen wij een ruime baai binnen, gevormd door het rif, dat, even als bij Tahiti, het eiland op eenigen afstand als een gordel omgeeft. Wij leggen aan voor het dorp Afareaitoe: het is bijna verlaten, daar schier al de inwoners naar Papeete waren gegaan, om bij de begrafenis der prinses met den onuitsprekelijken naam tegenwoordig te zijn. De vader van onzen drinkebroer, die te Papeete is achtergebleven, neemt, bij de afwezigheid van zijn zoon, de functiën van opperhoofd waar; hij komt ons plechtstatig begroeten en welkom heeten. Onze bagage wordt naar de woning van het opperhoofd gebracht, waar de ambtenaren der kolonie het recht hebben, hun intrek te nemen.

Het uur voor het middagmaal, waarnaar wij zeer verlangden, was daar. Hetgeen het opperhoofd ons had aan te bieden, was voor europeesche magen van niet veel beteekenis. Echter gelukte het ons, eenige versch gevangen visch te koopen; gevogelte was er in het dorp in overvloed. Wij kochten een jongen haan, die verschrikt wegvluchtte toen men hem wilde pakken: ik joeg hem een kogel na, die hem neervelde. Terwijl de heer B.... en de secretaris der commissie zich onledig houden met het bereiden van onzen maaltijd, en de heer E.... aan den mutoi van het distrikt de noodige bevelen geeft om de hier gevestigde Europeanen van de komst der commissie te verwittigen, ga ik het dorp eens bekijken, hetgeen niet veel tijd vordert.

Een beek, die ten oosten langs het dorp vloeit, biedt eene uitmuntende gelegenheid aan om een bad te nemen. De oevers zijn geheel bezet met zwaar geboomte, waarvan de overhangende takken boven het heldere murmelende water een dicht gewelf vormen, waardoor de zonnestralen zich niet dan met moeite een weg kunnen banen. Bijna al die beeken en riviertjes vormen zoo, van afstand tot afstand, liefelijke, wel beschaduwde kommen, die u uitlokken tot het nemen van een verfrisschend en weldadig bad.

Terugkomende, vond ik de tafel gereed onder de veranda voor het huis. De maaltijd liet niets te wenschen over, en onze geïmproviseerde koks verdienden ten volle de complimenten, die hun wegens hunne bekwaamheid werden gebracht. Het opperhoofd, uitgenoodigd met ons aan te zitten, liet zich de spijzen voortreffelijk smaken, zoodat onze voorraad erg verminderde; wij besloten dadelijk, dat deze uitnoodiging niet zou worden herhaald. Welk een virtuoos in het eten was die man!

Na afloop van den maaltijd, dien wij gedeeltelijk bij lamp- en kaarslicht genoten—de lamp was met gezuiverde kokosolie gevuld—, begaf zich ieder naar de voor hem bestemde kamer. De dag was vrij vermoeiend geweest, en na nog een uurtje gepraat te hebben, gingen wij ter welverdiende ruste. De overige bewoners van het dorp en onze gastheer hadden zich reeds te bed begeven.

De volgende dag was een zondag; den geheelen morgen door regende het onophoudelijk: aan uitgaan viel niet te denken, en wij hadden geen enkel boek bij ons. Wij wisten geen beter middel om den tijd te bladzijde 200dooden, dan te gaan kaartspelen. Gelukkig bracht de namiddag ons eenige afwisseling; de weinige bewoners, die in het dorp waren achtergebleven, begaven zich, als naar gewoonte, ter kerk, die nabij de woning van het opperhoofd staat. Ook wij gingen daarheen. De houding der kleine gemeente was alles behalve stichtelijk; de toehoorders, meest vrouwen en kinderen, zaten en lagen, in de meest achtelooze houdingen, op de matten, die den vloer bedekten. Bij afwezigheid van den engelschen zendeling, nam het opperhoofd zelf de dienst waar.—Wij keeren naar huis terug, om onze siësta te houden. De heer E.... komt nu tot de ontdekking, dat de oude vrouw, die bij het opperhoofd inwoont, de deur heeft opengebroken van de kamer, waar onze voorraad bewaard wordt. Het blijkt dat zij den wijn en de sterke dranken duchtig heeft aangesproken; trouwens haar gelaat vertoont daarvan de onmiskenbare sporen, al houdt zij sterk en stijf staande, dat zij niet meer dan een slokje geproefd heeft. Wat zij gebruikt had, zou voldoende geweest zijn om drie sapeurs dronken te maken!


Woningen op de plantage van Atiamaone.

Intusschen was het nog harder gaan regenen; wij moesten dus wel rustig onder de veranda blijven zitten. Het opperhoofd is een suffige grijsaard, dien wij vergeefs aan het praten trachten te brengen; hij verstaat ons maar half, en schijnt meer of min kindsch.

Den volgenden morgen, bij het aanbreken van den dag, gaan wij—de heer E.... en ik, vergezeld van eenige Kanaks—op weg, om wilde varkens te schieten; onze gidsen verzekeren ons, dat wij die dieren op korten afstand van het dorp zullen aantreffen. Intusschen keeren wij, na een uiterst vermoeienden marsch door het dichte kreupelhout, terug, zonder een varken gezien of een schot gelost te hebben. De heer E.... houdt zich dien dag verder bezig met de inschrijving van de europeesche bevolking uit den omtrek. Drie of vier arme drommels, half verwilderd en verstompt door een langdurig verblijf in het eiland, komen zich aanmelden. Een hunner, een gewezen scheepstimmerman, heeft bijna al de sloepen van het eiland gemaakt.

Wij hebben nu te Afareaitoe niets meer te doen; ons vertrek wordt mitsdien tegen den volgenden morgen bepaald.


Pomare koningin van Tahiti en haar gemaal Ariífaáite.

Door den aanhoudenden regen was de toch niet al te goede weg van het eiland totaal onbegaanbaar geworden; er was maar één paard te krijgen; de voorraad, dien wij medegenomen hadden, was reeds belangrijk geslonken. Ik voelde weinig lust om de reis voort te zetten, die waarschijnlijk vrij lang zou duren en de moeite niet loonen. Ik besloot dus naar Papeete terug te keeren, te meer daar ik geen misbruik wilde maken van het mij toegestaan verlof. Toen ik mijn besluit aan den heer E.... mededeelde, trachtte hij mij wel beleefdheidshalve te overreden bij hem te bladzijde 202blijven: maar het kostte mij niet veel moeite om hem te overtuigen dat dit niet wel mogelijk was, daar zijn reis te lang zou duren. Op onze navraag, vernamen wij, dat den volgenden dag een sloep met katoen naar Papeete zou vertrekken: ik besloot van dit gunstig toeval gebruik te maken, en kwam met den eigenaar overeen dat ik mede zou varen.

Bij het aanbreken van den dag, is ieder op de been. Mijne vrienden brengen hunne bagage in een vaartuig, dat zij gehuurd hebben om hen naar het dorp te voeren, dat de heer E.... moet bezoeken. De mutoi van Afareaitoe komt met het eenige paard, dat hij heeft kunnen vinden; de heer E.... zet zich in den zadel; ik neem afscheid van mijne vrienden, en wij wenschen elkander goede reis.

Ik wacht nu rustig het uur van vertrek af. Eindelijk verschijnt de eigenaar van het vaartuig, natuurlijk dood op zijn gemak. Door zes sterke armen opgetild, waarbij ik mijne zwakke pogingen voeg, is de sloep weldra te water gebracht, waarna de riemen, de zeilen en de reusachtige katoenbalen aan boord worden gedragen. Wij volgen op onze beurt: drie mannen, twee oude vrouwen, een kind en ik. Ik kijk nog eens naar het weer: in de baai is het stil, maar uit het zuidoosten komen met groote snelheid zwarte lage wolken opzetten, die ons overvloedig met regen overstroomen. Ik maak de eigenaar opmerkzaam op het ongunstige voorkomen der lucht. Hij antwoordt: “Mea matai!” (zeer goed)—“Dan, vooruit maar!”

Onze roeiers brengen ons spoedig aan de andere zijde der baai: er is nog geen wind. Het buitenste rif ligt achter ons; daar gaat een geweldige branding: de hooge woeste golven schijnen zich te willen vereenigen met de zwarte wolken, die daarover heen jagen. De zeilen worden geheschen: naarmate wij in de open zee komen, laat de wind zich sterker gevoelen; de hemel wordt al donkerder; de wind groeit tot een storm, en weldra zijn wij verplicht onophoudelijk het water uit te scheppen, dat over den rand der sloep heenslaat. Een felle windvlaag verbrijzelt onzen mast; de regen valt bij stroomen neder; en hoewel wij vrij dicht bij Tahiti zijn, kunnen wij toch niets van de kust onderscheiden. De wind drijft ons met snelheid voort, en ik begin mij ernstig ongerust te maken over den afloop van onzen tocht. Het kanaal van Papeete is, zooals ik zeide, niet meer dan eene smalle opening in het rif: missen wij die, dan zal de sloep ongetwijfeld op de koraalbank verbrijzeld worden.

Weldra hooren wij het donderend gebrul der golven, die met woest geweld op het rif aanrollen: het kritieke oogenblik nadert. Bij het voor een oogenblik doorbrekend licht, zien wij gedurende eenige sekonden het eilandje Motoe-Oeta, waarvan de kokosboomen door den storm heen en weer worden geschud: wij zijn dus in de goede richting. Echter is het gevaar nog niet geweken: geweldige golven bewegen zich in schuine richting door het kanaal: het is bijna onmogelijk, dat wij zonder ongelukken daar doorkomen. Wij zijn voor den ingang: en dank zij de vastberadenheid en bekwaamheid onzer manschappen, dank zij ook de bescherming des hemels, komen wij zonder ongeval, door de machtige golven gedragen, in de kalme baai van Papeete, van nu af veilig achter de zware dijken van koraal, waarop de machtelooze oceaan vergeefs zijne woede verspilt.

V.

De Tahitianen behooren mede tot de groote volkenfamilie, die al de eilanden bewoont, begrepen binnen een lijn, die, uitgaande van Nieuw-Zeeland, de Wallis-eilanden, den Samoa-archipel, de Sandwich-eilanden en het Paascheiland omvat.

Al de eilanden binnen en langs den omtrek van dien wijden veelhoek zijn bewoond door een koperkleurig ras, dat zich van de naburige volksstammen kennelijk onderscheidt door de kleur zijner huid, de schoonheid zijner vormen, door zijne ver boven het middelmatige reikende gestalte, en door de over het algemeen zachte en vriendelijke uitdrukking zijner gelaatstrekken: dit laatste natuurlijk alleen voor zoover men zich niet, ten einde er verschrikkelijk uit te zien, het gelaat op kunstmatige en vaak pijnlijke wijze misvormt, hetzij door zich te tatouëeren of met schelle kleuren te beschilderen. Deze eilanders zijn aanstonds op het eerste gezicht kenbaar als behoorende tot dezelfde familie, die zij, volgens hunne verschillende dialekten, met den naam van mahori of mahoi noemen.1

Dat al deze eilandengroepen, wat de nationale traditiën en de taal aangaat, door een gemeenschappelijken band verbonden zijn, is een onloochenbaar feit voor ieder, die ze immer bezocht. Mijne reis met de Vaudreuil, waarmede ik de Markiezen-eilanden, de Toeamotoe, de Gambier-eilanden, den archipel van Tahiti, de Tonga, de Samoa, de Wallis- of Oewea-eilanden, de groep van Hoorne en de Sandwich-eilanden aandeed, heeft mij ten volle overtuigd van den gemeenschappelijken oorsprong van al deze volken.

De bewoners der Sandwich-eilanden zeggen nog heden, afkomstig te zijn van Borabora, het kleinste der Gezelschaps-eilanden; hunne kosmogonische overleveringen verschillen ter nauwernood van die van Tahiti en Nieuw-Zeeland; de regels hunner taal zijn dezelfden.

De eerste zeevaarders, die deze eilanden bezochten, meenden dat de bewoners, de passaatwinden volgende, van het oosten gekomen waren: mitsdien zou Zuid-Amerika hun oorspronkelijk vaderland zijn. Ik kan deze meening niet deelen. Eene meer nauwkeurige bekendheid met deze zeeën heeft geleerd, dat op zekere tijden bladzijde 203des jaars, de westenwinden telkens gedurende een tijdperk van drie tot veertien dagen achtereen heerschen. Ligt het niet voor de hand, dat de landverhuizers juist van dezen wind hebben gebruik gemaakt voor hun steeds verder naar het oosten reikenden tocht? Bovendien kunnen wij ons beroepen op het voorbeeld van den archipel van Toeamotoe, die geheel aan het eiland Anaa onderworpen is. De bewoners van dit eiland hebben, in eene lange reeks van krijgstochten, die misschien vele eeuwen geduurd hebben en waarvan de laatste nog tot onzen tijd behoort, al de oostwaarts van hen gelegen eilanden voor en na gedwongen hun oppergezag te erkennen. Zij vertrokken met den westenwind naar die deels bekende, deels nog te ontdekken eilanden, wel wetende dat de doorgaans heerschende wind hen, na korter of langer tijd, den terugkeer naar hun vaderland mogelijk zou maken. Nog tegenwoordig leggen de bewoners der Marshall-eilanden, in hunne pros of prauwen, zeer aanzienlijke afstanden af.

In den archipel van Tahiti is het eiland Raiatea het heilige land, de bakermat der godsdienst en van het vorstelijk gezag. De koningen van Tahiti dragen er roem op, van daar af te stammen; bij sommige plechtige gelegenheden moesten de voornaamste en oudste marae van Tahiti en Moorea derwaarts menschenoffers zenden. De overlevering, die, hoe ook verzwakt, nog niet geheel is uitgestorven, bevestigt mede de meening van hen, die zeggen dat de archipel bevolkt is door landverhuizers uit het westen. In de eerste tijden van ons protektoraat, plachten de grijsaards, over den oorsprong huns volks ondervraagd, zonder aarzelen te antwoorden dat de bakermat van hun geslacht stond aan de zijde waar de zon ondergaat. De inboorlingen van den Tahiti-archipel schijnen ten allen tijde kennis te hebben gedragen van het bestaan van Tonga-Taboe, van de Samoa-eilanden, van Cook's archipel en van de Toeboeaï-eilanden; daarentegen hebben zij de Gambier- en de Markiezen-eilanden eerst leeren kennen door de Europeanen. Toch liggen de Gambier-eilanden dicht bij de Toeamotoe, eene kolonie van Tahiti, bevolkt door inboorlingen van het distrikt Afaáhiti, die door hunne buren uit het distrikt Hitiaá waren verjaagd. Deze uitgewekenen of ballingen zijn dan toch van het westen gekomen. Waarschijnlijk was het aanvankelijk hun voornemen, met de doorgaans heerschende oostenwinden weer terug te koeren; zij hebben zich vervolgens nedergezet op de eilanden, die zij toevallig op hun weg ontmoetten, zouder dat de tijding hunner vestiging in hun vaderland bekend werd. De Toeamotoe-eilanden konden nog niet geheel op zich zelven staan en afgezonderd blijven: daar zij pas voor korten tijd bevolkt waren, werden de bewoners nu en dan, hetzij door behoefte, hetzij door oude gehechtheid en herinnering, genoopt naar Tahiti terug te koeren. Maar is het, in het algemeen genomen, niet zeer begrijpelijk en waarschijnlijk dat zij, die, misschien ten gevolge van den oorlog of om andere redenen, min of meer gedwongen, hun land hadden verlaten, als zij eindelijk, na een avontuurlijken en gevaarlijken tocht, een veilig strand hadden aangetroffen en een bodem waar zij het noodige voor hun levensonderhoud vinden konden, nu ook daar bleven, zonder ooit meer aan terugkeer te denken?

Er is nog een ander bewijs: de geleidelijke en toenemende verdwijning van de eigenaardige kenteekenen van het maleische ras, namelijk het stroeve stugge lange hair, en de schrale maar gespierde ledematen: kenteekenen, die op Tonga-Taboe nog vrij algemeen voorkomen, maar die op Tahiti reeds veel zeldzamer zijn, en op de Toeamotoe-eilanden bijna in het geheel niet meer gevonden worden. Hoe verder naar het oosten, hoe meer de verbastering van het oorspronkelijk maleische ras in het oog valt, en dat niet alleen ten aanzien van den lichaamsbouw, maar ook met opzicht tot de taal, die evenzoo gaandeweg verbastert. Deze feiten schijnen te wijzen op eene latere volksverhuizing, die denzelfden weg als de eerste heeft gevolgd, en die de oorspronkelijke bewoners heeft onderworpen en er zich later mede vermengd. De sporen dezer vermenging zijn duidelijker en van blijvender aard, naarmate men dichter bij het uitgangspunt bleef.

Om de toenemende ontvolking dezer eilanden te verklaren, heeft men verschillende oorzaken opgegeven: onderlinge oorlogen, epidemiën, kindermoord zijn daarvan de voornaamste. Maar ook als men de waarschijnlijke verliezen optelt, die het totaalcijfer der bevolking door deze verschillende oorzaken heeft kunnen ondergaan, dan nog schijnt men ver beneden de werkelijke vermindering der bevolking te blijven. Het is aan geen twijfel onderhevig, of de verschijning der blanken is voor deze eilanders allernoodlottigst geweest, een feit van doodelijke gevolgen, even als in alle landen, waar wij met het koperkleurige ras in aanraking zijn gekomen. Wat de ontvolking door oorlogen aangaat—deze kan niet zoo groot zijn, als men in aanmerking neemt dat de inboorlingen geen andere wapenen kenden dan knods, pijl en boog, dat gevechten van man tegen man zeldzaam waren, en dat de strijd meestal geleverd werd in een bosch, waardoor de verslagen partij overvloedig gelegenheid vond om zich spoedig door de vlucht te redden. In den hardnekkigsten en bloedigsten veldslag, waarvan de herinnering tot heden is bewaard gebleven, sneuvelden nog geen vierhonderd man.—Kindermoord was vrij algemeen. Deels werd die misdaad bedreven door zeer jonge meisjes, die zich wilden onttrekken aan de lastige verzorging harer kinderen; deels door de aanhangers van de sekte der arioi, waarbij het gebruikelijk was de kinderen te dooden: maar deze sekte, waarover straks nader, was van streng aristokratische natuur en in verhouding tot de bevolking des lands zeer weinig talrijk. Bovendien wisten vele aanhangers der sekte hunne kinderen te verbergen, en stelden zij zich liever bloot aan het gevaar, uit de vereeniging gebannen te worden, dan naar het bevel hun kroost te vermoorden. Daar staat tegenover, dat de vrouwen van haar zestiende tot over haar veertigste jaar kinderen ter wereld brachten; gezinnen van vijftien kinderen waren toen niet, als nu, eene zeldzaamheid. Men mag dus met eenigen grond aannemen, dat ook de kindermoord geene belangrijke vermindering heeft te weeg gebracht bladzijde 204bij eene bevolking, die zich zoo sterk vermenigvuldigde.

Ongetwijfeld hebben tot die vermindering het meest de epidemiën bijgedragen. Bijna allen hebben zij het karakter aangenomen van dyssenterie, alleen met uitzondering van de oovi. En toch openbaart ook deze ziekte zich het eerst in de ingewanden, van waar zij zich, van ondragelijke pijnen vergezeld, door al de leden verspreidt, zoodat zij, die er niet van sterven, toch in den regel een hunner ledematen verliezen, dat verlamd en verdord is, en somwijlen tot verrotting overgaat. Eene andere ziekte, die soms de bevolking van gansche distrikten deed uitsterven, is de ohoeretoto, mede een soort van dyssenterie.

De melaatsheid of fefe (elephantiasis) is een soort van chronische ziekte, ongeveer zoo als de jicht, die niet kan genezen worden, maar waarmede men zeer oud worden kan. Men vindt weinig lieden van zekeren leeftijd, die van deze ziekte vrij zijn gebleven. In den aanvang vertoonen zich op het lichaam geen builen of gezwellen; de lijder heeft hevige pijn, vergezeld van koorts; de zetel der ziekte is bij de onderscheidene patiënten verschillend, maar zij keert bij denzelfden patiënt meermalen in dezelfde lichaamsdeelen terug. De heupen, de ruggegraat met inbegrip van de hersenen, en de onderbuik worden doorgaans het eerst en het meest aangetast; later openbaart zich de zwelling bij voorkeur in de beenen, maar ook dikwijls in de handen en armen; die zwelling, eens begonnen, neemt voortdurend toe, met meer of minder snelheid, naar gelang van het individu, en wordt eindelijk zoo hinderlijk, dat de patiënt in het gezwollen lid eenige insnijdingen moet laten doen: hij raakt dan eene groote hoeveelheid water kwijt, waardoor de zwelling tijdelijk vermindert. Na verloop van zekeren tijd vormen zich builen en zweeren, die van zelve schijnen te zullen opengaan. Vrouwen zijn minder onderhevig aan deze ziekte, die bij haar zelden verder gaat dan de periode der zwelling. Op sommige plaatsen heerscht de fefe sterker dan op andere; de inboorlingen schrijven dit voornamelijk toe aan de hoedanigheid van het drinkwater.

De blanken, die naar de wijze der inlanders leven, worden er ook zeer dikwijls door aangetast; opmerkelijk is het, dat een reisje van eenige maanden naar de kust van het vaste land gewoonlijk volledige genezing aanbrengt; maar als men dan terugkeert, kan men er ook bijna zeker van zijn, onmiddellijk weer aangetast te worden. Rhumatiek is zeer algemeen, zelfs bij jonge menschen; maar het klimaat ontneemt daaraan het gevaarlijke en blijvende karakter; de lijders wrijven zich als zij pijn gevoelen en gaan dan een bad nemen. Bij bejaarde menschen wordt de rhumatiek een onafscheidelijke metgezel, die hen bitter lijden doet. Het klimaat en de levenswijze der inlanders maken verkoudheid tot eene zeer algemeene kwaal. Daar men er in den regel geen acht op slaat, gebeurt het dikwijls dat de borst wordt aangedaan: van daar een aantal teringlijders van iederen leeftijd.

Vroeger, voor de aankomst der protestantsche zendelingen, bestonden er op Tahiti drie onderscheidene standen of kasten, die scherp van elkander onderscheiden waren. De eerste was die der arií of vorsten; de tweede die der raátira, kleine opperhoofden of wel eenvoudige grondbezitters; de derde omvatte de manahoene of het volk.

De arií waren heilig en met bovennatuurlijke vermogens begaafd; de spijs, die zij hadden aangeraakt, was taboe, en een doodelijk vergif voor allen, behalve voor degenen, die ook tot de kaste der vorsten behoorden. Onder deze arií was er een familiehoofd, waaraan alle anderen ondergeschikt waren. Dit was dikwijls een kind, en bijna altijd een jonkman, want zoodra hij een zoon had, werd dit kind het wettige hoofd, en de vader vervulde van nu aan de rol van regent. Eene soortgelijke gewoonte heerschte toen in alle familiën; en zelfs nog tegenwoordig heeft deze eigenaardige vereering der kindschheid stand gehouden, in weerwil van het toenemend zedenbederf, en heeft zij alleen de aloude voorvaderlijke overleveringen overleefd.

Deze arií waren waarschijnlijk de afstammelingen van de laatste veroveraars, die deze eilanden onderworpen hadden. Zij hadden zoo vele rechten en voorrechten en zoo weinig plichten, het volk was hun zoo volkomen onderdanig en vereerde hen zoo hoog, dat hunne macht reeds vóór lang moet gevestigd zijn geweest. De naam arií vindt men met geringe afwijkingen, zooals ariki, akariki, kariki, enz., overal terug, van de grenzen van oostelijk Polynesië tot Nieuw-Caledonië, Nieuw-Holland, en zelfs op Madagaskar, zoowel als op de westelijke eilanden; waarschijnlijk brachten de veroveraars dien naam met zich: van waar hij afkomstig is, weet ik niet.

De raátira (ook deze naam vindt men in alle archipels, van de Toeamotoe tot Madagaskar), waren blijkbaar in rang verheven boven de lieden, die niets bezaten, maar stonden ver beneden de arií, die met even onbeperkte macht over hen heerschten als over de massa des volks. Het eenige wat de raátira met de arií gemeen hadden, was dat ook zij met het adellijke meervoud werden aangeduid.

De manahoene konden hunne kaste niet dan door bijzondere gunst verlaten; zij konden tot raátira worden verheven, als de grond, dien zij slechts in vruchtgebruik bezaten, hun in eigendom geschonken werd; maar dit gebeurde niet dikwijls. Zij konden ook teoeteoe arií, dat wil zeggen dienaars van een vorst, worden; dan bezaten zij dikwijls eene groote mate van macht en invloed, maar slechts als vertegenwoordigers van den vorst, dien zij dienden: alleen in den geheiligden naam van den arií konden zij gehoorzaamheid en eerbied vorderen. Dit was het hoogste toppunt, waartoe zij zich verheffen konden.


Het paleis der koningin te Papeete.

De marae of oude tempels waren hoogst eenvoudig. In zijn oorspronkelijksten vorm bestond die tempel uit eene ongeveer rechthoekige omwalling, en uit een altaar, dat omstreeks in het midden der ruimte stond en de gedaante had van een recht parallelepipedum.2 In de marae, op Tahiti en Moorea gevonden, heeft bladzijde 206het altaar doorgaans eene andere gedaante: het parallelepipedum eindigt in trappen, die zich over de gansche lengte van de groote zijde, aan de voorzijde van den marae, uitstrekken. Het getal dier trappen verschilde; doorgaans bedroeg het niet meer dan drie. Deze altaren hadden veel overeenkomst met die, welke men in onze kerken ziet; slechts was de bewerking veel ruwer, en waren zij ook van veel grooter afmetingen, want sommigen moeten wel eene hoogte van vijftien el hebben bereikt.

Voor den bouw dezer tempels gebruikte men rotsblokken of ook wel koraal.

Onder de eigenaardige instellingen van deze eilandengroep komt ongetwijfeld eene eerste plaats toe aan het beruchte genootschap der arioi, dat tegelijk met het heidendom verdwenen is. Als stichter dezer vereeniging noemt men zekeren Horotetefa; aanvankelijk van weinig beteekenis, had zij zich gaandeweg over al de eilanden van den archipel uitgebreid. In de laatste jaren van haar bestaan, omvatte zij, naar men beweert, een vijfde deel der geheele bevolking van elk eiland.

De hoofdvoorwaarde voor het lidmaatschap was, geen kinderen te hebben: die moesten bij hunne geboorte aanstonds gesmoord worden. Het lichaam van den kandidaat werd ingesmeerd met de roode kleurstof van den mati (ficus tinctoria). De hoofden werden alleen verkozen op voorwaarde dat zij geene levende afstammelingen mochten hebben. Er waren onder hen verschillende rangen; de lageren waren niet meer dan de bedienden van de hooger geplaatsten, die, als lieden van rang geëerd, geene andere bezigheid hadden, dan zich voor zonsondergang in de rivier te gaan baden, zich het hoofd te bekransen met bloemen, door anderen voor hen geplukt, en den mond open te doen om de spijs te ontvangen, dien arioi van minderen rang hun aanboden. Het leven dezer lieden was een voortdurend feest, verdeeld tusschen dans en zingenot; de vrouwen waren onderling gemeen. De arioi, wien een kind geboren word, werd als onteerd beschouwd en uit het genootschap gebannen, indien hij het niet aanstonds om het leven bracht.

Even als de anderen, gingen ook zij naar den marae, en namen getrouw hunne godsdienstplichten waar. Zij bezaten sommige privilegiën, volgens hun rang; zoo mochten zij zich, bij voorbeeld, sommige zaken zonder betaling toeëigenen; zij kwamen ook bijeen voor de woningen der vorsten, van wie zij kleedingstoffen ten geschenke ontvingen, want zelven vervaardigden zij niets.

Doch alleen in vredestijd leidden de voornaamste arioi dit weelderige leven. In den oorlog waren zij de getrouwste wapenbroeders des konings, en muntten zij in den regel door hunne dapperheid boven anderen uit. De vereeniging was eene ware kweekplaats van krijgslieden, die zich echter niet door voortplanting, maar door aanwerving in stand hield en uitbreidde. Staatkundigen invloed bezaten de arioi niet; zij bleven steeds aan de vorsten en hoofden onderworpen. Uitnemende soldaten in tijd van oorlog, sleten zij in vredestijd hunne dagen in uitspatting en zingenot: hunne vereeniging had nooit een hooger doel dan bevrediging van den lust der zinnen. Zij konden dus moeielijk iemands achterdocht opwekken, en vooral aan deze omstandigheid moet het lange bestaan dezer zonderlinge vereeniging worden toegeschreven.

VI.

Wij besluiten met een blik op het tegenwoordige Tahiti. Wij zullen hier geen verhaal geven der gebeurtenissen, die tot onze tusschenkomst op Tahiti voerden. De eerste aanleiding daartoe was de komst op het eiland van de heeren Laval en Carret, fransche katholieke missionarissen, die vroeger op de Gambier-eilanden gevestigd waren. Hunne prediking lokte botsingen uit met de regeering, die onder den invloed stond der engelsche protestantsche zendelingen; er ontstond eene vervolging tegen de Katholieken, die Frankrijk eindelijk noodzaakte tusschenbeiden te komen. Er moesten echter verscheidene bloedige gevechten geleverd worden, eer de fransche vlag voor goed op het eiland woei, dat later onder fransch protektoraat werd geplaatst.

Pomare, de tegenwoordige koningin van Tahiti, is in 1813 geboren; in 1822 huwde zij voor de eerste maal met Tapoa, welk huwelijk kinderloos bleef; zij liet zich daarom van hem scheiden en huwde toen met Ariífaáite, een der schoonste mannen van den geheelen archipel. Haar oudste zoon is den 13den Mei 1855, in den ouderdom van achttien jaar, aan eene borstziekte overleden, meer dan waarschijnlijk het gevolg der woeste uitspattingen van allerlei aard, waaraan hij zich had overgegeven. De tegenwoordige troonopvolger, Ariíaoëe, is in 1839 geboren. De andere kinderen der koningin zijn: de prinses Teriímaevaroea, in 1840 geboren, en sedert den 3den Augustus 1860 koningin van Borabora; prins Tamatoa, in 1842 geboren, en den 19den Augustus 1857, onder den naam van Tamatoe V, tot koning van Raiatea uitgeroepen, maar eenige jaren later door zijne onderdanen, die hij op gruwelijke wijze mishandelde, afgezet; naar men zegt, is hij, ondanks zijn buitensporig liederlijk leven, de gunsteling zijner moeder; voorts prins Teriítapoenoeï, die kreupel is, in 1846 geboren, de minst bekende der zonen van de koningin. De in 1848 geboren prins Teriítoea Toeavira, die zijne opvoeding in Frankrijk ontvangen heeft, is onlangs mede gestorven.

Het grondgebied der tot het protektoraat behoorende staten,—zijnde de eilanden Tahiti, Moorea, Tetoearoa en Maïtea, de eilanden Toeboeaï, Vavitoe en Rapa, de Toeamotoe- en de Gambier-eilanden,—is in distrikten verdeeld; de bevolking is in dorpen gegroept. Elk inwoner is verplicht, eene hut te bezitten, die in behoorlijken staat van zindelijkheid moet worden onderhouden. Is de bevolking van een distrikt weinig talrijk, dan wordt zij met die van een of meer naburige distrikten vereenigd, om te zamen een dorp of gemeente te vormen.

Sedert 1855 wordt elk dorp bestuurd door een raad, die een zeer uitgebreide macht bezit, en eigenlijk voor al de belangen der gemeente te zorgen heeft. Deze raad bestaat uit het opperhoofd (tavana, verbastering bladzijde 207van het engelsche governor), tevens president; uit den rechter, den eersten mutoi en twee raadsleden, die door de ingezetenen gekozen worden. Als er in het dorp geen rechter is, wordt hij vervangen door een opzettelijk daartoe benoemd raadslid. In elk dorp moet eene school zijn. In elk dorp zijn ook eenige inlandsche policie-agenten, die onder den naam van mutoi imiroa, den hoofd-mutoi bij de uitoefening zijner functiën behulpzaam zijn. Deze hulpagenten worden door den raad gekozen.

De opgaven der verschillende zeevaarders omtrent de bevolking van Tahiti loopen zeer uiteen. Cook schat die op ruim tweehonderd-veertigduizend zielen; Forster op honderd-twintigduizend. In 1797 geeft de zendeling Wilson het vermoedelijk cijfer der bevolking op, als bedragende zestienduizend personen van elken leeftijd in het geheele eiland. Het is waar, dat Wilson reeds toen ten tijde gewag maakte van eene zeer snelle vermindering der bevolking; maar zelfs wanneer men aanneemt, dat de bevolking tusschen 1767, toen Wallis Tahiti bezocht, en 1797, met de helft verminderd is—stellig een zeer overdreven cijfer—dan nog blijft men ver beneden de fabelachtige cijfers van Cook en Forster. Trouwens, de uitgestrektheid van het bewoonbare gedeelte des eilands en de hoeveelheid zijner voortbrengselen bewijzen reeds voldoende dat deze opgaven ver van de waarheid moeten afwijken.

Bij de voor hen zoo vreemde en verrassende verschijning der europeesche schepen, zullen de toenmalige bewoners van Tahiti stellig op ruime schaal hebben gedaan, wat hunne nakomelingen heden nog dikwijls doen: namelijk de schepen overal op hun tocht volgen. Zoo zijn Cook en Forster waarschijnlijk onwillekeurig misleid geworden, en hebben zij de rondtrekkende bewoners van een zeker deel des eilands voor de vaste bevolking van een bepaald distrikt aangezien.

Bij het doorkruisen van het binnenland van Tahiti, vindt men in onderscheidene groote valleien sporen van oude woningen en grafsteden, waaruit men heeft afgeleid, dat de bevolking, te talrijk om lang de kust plaats te kunnen vinden, in lang vervlogen tijden voor een deel naar het binnenland is verhuisd. De ondervinding tijdens onzen krijg met de inboorlingen opgedaan, schijnt deze meening voldoende te wederleggen. De overwonnen partij, door den overwinnaar, van wien zij geen genade te hopen had, achtervolgd, verliet haar woningen en akkers, en trok zich terug naar de dalen en valleien in het gebergte, waar zij zich gemakkelijker kon verdedigen, en waar men het niet licht zou wagen haar te volgen. Daar werden nieuwe woningen gebouwd en nieuwe plantages aangelegd; daar werden marae gesticht en werden de dooden begraven, tot een keer in de krijgskans of wel een dikwijls maar zeer voorbijgaande vrede, den uitgewekenen vergunde naar hun distrikt terug te keeren, en naar den oever der zee, die de inlander zoo lief heeft. De valleien van het eiland, de voornaamste niet uitgezonderd, leveren te weinig op, dan dat men daar immer voor goed zijne woonplaats zou hebben gevestigd: zij zijn zeker nooit iets meer geweest dan een tijdelijk toevluchtsoord. Een ander bewijs van de overdrijving in de eerste opgaven ten aanzien der bevolking van Tahiti, vinden wij in de voorschriften van dat genootschap der arioi, waarvan wij boven spraken. Wij zeiden dat de kindermoord een wet was voor de leden van dat genootschap. Van de verschillende redenen, die men ter verklaring van dit barbaarsche gebruik heeft kunnen aanvoeren, komt mij nog altijd deze de waarschijnlijkste voor, dat de vorsten en hoofden de noodzakelijkheid hadden ingezien, om door alle mogelijke middelen een al te snellen en te sterken aanwas der bevolking te stuiten, en te voorkomen dat zij nooit zekere grenzen overschreed, omdat anders het land niet meer in het onderhoud zijner bewoners zou kunnen voorzien.

In het begin van 1848 heeft er eene volkstelling plaats gehad. Door het bestuur waren alle mogelijke voorzorgsmaatregelen genomen, en niets was verzuimd wat strekken kon om de juistheid der verkregen cijfers te waarborgen. Blijkens de uitkomst dier telling was de bevolking aldus verdeeld: op Tahiti, achtduizend-vijfhonderd-zeven-en-vijftig zielen; op Moorea, veertienhonderd-twaalf zielen: alzoo in het geheel, negenduizend-negenhonderd-negen-en-zestig inwoners.

In 1829 gaf de volkstelling op Tahiti, destijds door de engelsche zendelingen met groote zorgvuldigheid verricht, dit resultaat: achtduizend-vijfhonderd-acht-en-zestig personen: een cijfer, dat op merkwaardige wijze overeenstemt met dat van 1848. Als men nu in aanmerking neemt, dat verschillende ernstige epidemiën en een tweejarige oorlog met Frankrijk niet onbelangrijke verwoestingen moeten hebben aangericht, dan schijnt het wel als zeker te mogen worden gesteld, dat de bevolking van Tahiti, van 1829 tot 1848, eer is vermeerderd dan verminderd. Destijds was trouwens het bestuur over het eiland in vaste en niet onbekwame handen; de oorlogen, die de voornaamste hoofden tegen elkander voerden, hadden opgehouden; aan den kindermoord, aan de menschenoffers, aan vele andere buitensporigheden van allerlei aard, had het Christendom, door de engelsche zendelingen gepredikt en ingevoerd, althans een einde gemaakt. Vóór dien tijd is de bevolking van Tahiti waarschijnlijk wel sterker geweest dan tegenwoordig, maar onmogelijk kan het verschil zoo groot geweest zijn, als men zich dit doorgaans wel voorstelt. De heer Lessou, heelmeester aan boord van de Coquille, schijnt mij toe, niet ver van de waarheid te zijn, als hij de oorspronkelijke bevolking des eilands op circa twaalfduizend zielen schat.

De volkstelling van 1 Januari 1863, de laatste die wij kennen, had plaats onder gunstiger omstandigheden dan die van 1848. De gemeente- of dorpsraden begonnen hunne functiën in de distrikten uit te oefenen; de nauwkeurige uitvoering der kieswet van 22 Maart 1852, gewijzigd den 16den Februari 1857, waarbij bepaald is dat een inlander om kiezer te zijn vijf jaar in een distrikt moet hebben gewoond, gaf het middel aan de hand, om met volkomen juistheid het cijfer te kennen der inwoners in elk der distrikten van Tahiti en Moorea. Volgens deze telling bedroeg het totaal cijfer der bevolking bladzijde 208tienduizend-driehonderd-zeven-en-veertig inwoners van polynesisch ras. Men mag veilig aannemen, dat dit cijfer het naast bij de waarheid komt.

1 Maart 1873. De gepantserde korvet Atalante, die wij sedert eenige dagen verwachtten, is de haven binnengeloopen. Dit schip voert de vlag van den schout-bij-nacht kommandant der divisie van den Stillen-Oceaan, waartoe ook de Vaudreuil behoort. De komst van de Atalante is eene gebeurtenis van gewicht voor de gansche bevolking. De muziek van de korvet speelt bijna iederen avond op het plein voor het gouvernementshuis. Daarna trekken de muziekanten, met begeleiding van fakkellicht, onder het spelen van een vroolijken marsch, naar de kaai, om weer naar boord terug te keeren. Onnoodig te zeggen, dat zij daarbij door de gansche menigte, eene wonderlijke mengeling van Europeanen en inboorlingen, al zingende gevolgd worden.


De baai van Papetoai, eiland Moorea.

Het vriendschappelijk verkeer, dat wij aanstonds met onze kameraden van de Atalante hadden aangeknoopt, werd eensklaps afgebroken door het bericht van het overlijden van de koningin van Borabora, dochter van Pomare. Den 10den Maart stevenden wij naar Borabora, om bij de begrafenis tegenwoordig te zijn. De echtgenoot der koningin, Ariífaáite, die met ons medeging, scheen niet bovenmatig bedroefd over den dood zijner dochter. Wij keerden dadelijk na de begrafenis naar Papeete terug, waar, op den 18den Maart, de schout-bij-nacht inspectie hield. Ondanks haar pas geleden verlies, kwam koningin Pomare aan boord van de Atalante, om den opperbevelhebber een tegenbezoek te brengen.

De Atalante verliet ons den 21sten Maart; en ook voor ons naderde met snelheid de dag van het vertrek; de Bruat, die de Vaudreuil kwam aflossen, verscheen den 3den April.

Niet zonder diepen weemoed namen wij afscheid van het heerlijke eiland Tahiti, zoo rijk aan natuurschoon, en waar wij een zoo gastvrij onthaal gevonden hadden, ons dubbel welkom, na de vermoeienissen en onberingen eener langdurige zeereis. De tijd, dien ik op dat eiland gesleten heb, zal voor immer in mijne herinnering blijven leven, als een der liefelijkste beelden uit mijn zeemansloopbaan. bladzijde 209



1 De naam Maori wordt doorgaans meer bepaald aan de oorspronkelijke inwoners van Nieuw-Zeeland gegeven; onze schrijver breidt dien ook over de bewoners van andere eilandengroepen uit. Wij zullen zijne ethnologische beschouwingen over de afkomst enz. dezer volken onveranderd wedergeven, zonder daarmede voor de juistheid dezer beschouwingen te willen instaan. De bewoners der door hem genoemde en ook nog van andere eilandengroepen in Polynesië behooren ongetwijfeld tot den maleischen stam en zijn uit Azië, hetzij van de groote Soenda-eilanden, hetzij van Indië, afkomstig. De tijd hunner verhuizing is onzeker, maar schijnt in geen geval tot boven onze jaartelling op te klimmen. Zie over dit alles het voortreffelijke werk: Völkerkunde von Oscar Peschel (Leipzig. Duncker &. Humblot 1877.) (Red.)

2 Een meetkunstig lichaam, door zes parallelogrammen (vierhoeken) ingesloten, waarvan de tegenoverstaande zijden gelijk en gelijkvormig zijn.

De Aarde en haar volken: Jaargang 1877 - Full Text (Reis door Griekenland)

No comments:

Post a Comment