Monday, March 5, 2012

De Aarde en haar volken: Jaargang 1877 - Full Text (De archipel der Markiezen-eilanden)

De archipel der Markiezen-eilanden.

I.

Het oogenblik van vertrek is gekomen: brommende en snuivende ontsnapt de stoom, in zware zwarte wolken, uit de pijp: al de toebereidselen zijn voltooid: alle man is op zijn post. Op het gegeven bevel wordt het anker haastig opgehaald: het is geheel bedekt met dat vuile en kleverige slijk, dat aan de reede van Callao (Peru) eigen is.

“Vooruit, zachtjes aan!”

De Vaudreuil wendt haar achtersteven naar de stad, die weldra uit onze oogen verdwijnt.

Het is voor den zeeman altijd een moeilijk oogenblik, als hij een haven moet verlaten, waar hij lang genoeg heeft vertoefd om met sommige personen vriendschapsbetrekkingen aan te knoopen. Wij hadden verscheidene goede vrienden, hetzij te Callao, hetzij te Lima, en vooral aan hunne welwillendheid hadden wij het te danken dat wij aangename herinneringen medenamen van de voornaamste haven en van de hoofdstad van Peru. Het zij mij vergund, hier nogmaals openlijk mijn dank uit te spreken voor de vele genoegelijke uren, die wij met hen hebben doorgebracht.

De lange reis door de archipels van Polynesië begon. Ik voor mij was hartelijk verheugd, dat mij aldus eene uitmuntende gelegenheid geboden werd om nader kennis te maken met deze nog zoo weinig bekende streken. Ik had vóór dien tijd, in 1869, slechts eenige weken op Tahiti vertoefd.

Den 1sten Mei, bij zonsondergang, zagen wij uit of wij land konden ontdekken. Maar de duisternis, die tusschen de keerkringen zoo snel invalt, noopte ons aldra onze nasporingen te staken. Eenige uren later werden wij aan bakboord een vuur gewaar. “Dat is een schip,” zeiden wij tot elkander; intusschen, toen wij nader kwamen, werd het telkens duidelijker dat de sterke lichtglans, dien wij aanschouwden, het gevolg was van een geweldigen brand. Uit den blakenden gloed stijgen reusachtige vlammen, wier roode tongen zich kronkelend in de lucht verheffen: te midden der diepe nachtelijke duisternis en storelooze stilte, is de aanblik van dezen verren brand aangrijpend schoon; die bewegelijke roode plek, daar aan den zwarten horizon, maakt een zonderlingen, spookachtigen indruk. Volgens onze waarnemingen, moet de brand woeden op de hoogten van kaap Balguerie, ten oosten van het eiland Hiwa-Oa. Wij richten onzen koers naar die vreemdsoortige vuurbaak, die waarschijnlijk door de onvoorzichtigheid van een of anderen Kanak is ontvlamd; en den geheelen nacht varen wij met volle zeilen door het breede en lange kanaal, dat de zuidoostelijke eilandengroep van de noordwestelijke scheidt.

Met het aanbreken van den dag is de zuidelijke kust bladzijde 90van het eiland Oea-Oeka in het gezicht. De hooge bergen van het naburige eiland Noekoe-Hiwa, het doel van onzen tocht, teekenen zich in flauwe omtrekken aan den horizon. Wij varen dicht voorbij kaap Saint-Martin (bij de inlanders, Tikapo geheeten), die de zuidoostelijke punt van Noekoe-Hiwa vormt. De kaap levert een zeer schilderachtigen aanblik op: zij eindigt in een hoog, rotsachtig, naakt voorgebergte, dat bijna loodrecht uit zee opstijgt; boven op de zware, sombere rotsmassa verheft zich een reusachtig, vierkant steenblok, dat veel op een omgestorten gothischen toren gelijkt. Naarmate wij verder doorvaren, neemt dit kolossale steenblok telkens eene andere gedaante aan; op het oogenblik als de donkere massa op het punt staat van weg te zinken achter de hooge kust, vertoont het zich als een reusachtige vinger, waarschuwend opgeheven boven de zee, wier golven in wolken schuim tegen den voet der hooge kaap uiteen spatten.

De zuidelijke kust van Noekoe-Hiwa verheft zich loodrecht uit de baren; van tijd tot tijd vertoonen zich groote, zonderling gevormde rotsen aan den rand der wateren. Een dezer rotsen doet u denken aan een kolossaal beeld van de Moedermaagd, het kind Jezus in de armen houdende.

Ziet daar de Schildwachten, twee groote eilandjes, die de baai van Taio-Hae insluiten: wij hebben den eindpaal bereikt. De Vaudreuil, die zijne zeilen heeft gereefd en alleen nog van zijn stoom gebruik maakt, vaart tusschen deze twee natuurlijke bakens door, en spoedt zich naar de ankerplaats.

Het land, dat wij sedert den ochtend in het gezicht hadden, had op mij een indruk van majestueuzen ernst, maar nog meer van sombere, akelige dorheid en verlatenheid gemaakt; doch, zoodra wij de baai binnenstoomden, veranderde het tooneel. De steile rotshoogten, die den ingang omzoomen, sluiten zich aan eene hooge bergketen, wier statig en grootsch amphitheater eene prachtige omlijsting om de ruime haven vormt. Het opmerkelijkste punt van deze bergketen is de Moea-Ke, een groote, loodrechte bazaltkegel, waarvan het bovenste gedeelte van twee openingen, niet ongelijk aan reusachtige schietgaten, is voorzien. Onze blikken, vermoeid van het staren op de sombere, rotsige kust, slechts hier en daar de armelijke sporen van schralen plantengroei vertoonende, rusten nu met welgevallen op eene bloeiende vlakte, van waar onderscheidene valleien, vol weelderig groen, naar het binnenland uitgaan.

De rots Toehiwa verdeelt het strand in twee ongelijke deelen. Boven op die rots liggen de ruïnen van het fort Collet, eene herinnering uit de eerste tijden der fransche bezetting. Het dorp volgt eerst den oever der zee, ten westen van het fort Collet, en verspreidt zich dan vrij ver weg in de voornaamste vallei landwaarts in.

Hier woont de fransche resident, die in den archipel de regeering vertegenwoordigt. Hij staat onder de bevelen van den kommandant der fransche nederzettingen in Oceanië, aan wien hij geregeld verslag moet doen van zijn bestuur en van alle bijzonderheden van eenig belang. Hij ontvangt het leggeld in de baai (vijftig francs per schip), zorgt voor de handhaving van het havenreglement, van de verordeningen op het loodswezen, op de deserteurs, enz. enz. Eene kleine afdeeling gendarmerie is belast met de zorg voor de policie in het algemeen; maar, als weggeloopen matrozen moeten worden nagejaagd en gegrepen, moet men bijna altijd de hulp der inlanders inroepen. Zij krijgen daarvoor een premie van vijftig francs voor iederen gevangen deserteur; welke som dan vergoed wordt door den gezagvoerder van het schip, waartoe de weggeloopen manschappen behooren. Als de deserteurs eerst na het vertrek van hun schip weder gevangen worden, komt de premie ten laste van het gouvernement; de manschappen worden dan naar Tahiti gezonden. Men heeft wel strenge maatregelen moeten nemen, om te voorkomen dat het eiland niet door vagebonden werd bevolkt.

De resident der Markiezen-eilanden vervult ook de functiën van vrederechter. In ernstige gevallen zendt hij de beschuldigden naar Tahiti, om door de fransche rechtbank te Papeete geoordeeld te worden. De plaatselijke reglementen zijn voor het meerendeel naar die van het moederland gevolgd, natuurlijk gewijzigd in verband met het karakter der inboorlingen. De zeer zwakke afdeeling gendarmerie, waarover de resident beschikken kan, is toch geheel voldoende om orde en rust te handhaven in de baai van Taio-Hae, waar de inboorlingen aan den omgang met vreemden gewoon zijn en geleerd hebben, zich aan onze policie-maatregelen te onderwerpen.

Op de andere eilanden berust het oppergezag bij de inlandsche hoofden. De valleien alleen zijn bewoond; want zelden zullen de inboorlingen, uit eigen beweging, hunne hutten aan het strand bouwen. De veelvuldige bezoeken, die de oorlogschepen van de divisie van den Stillen-oceaan en die van het station te Tahiti, in geheel den archipel brengen, oefenen op de bewegelijke en voor indrukken zoo licht vatbare gemoederen der bevolking een zeer gunstigen invloed uit.

De woning van den resident, waarop de fransche vlag wappert, staat bij den kleinen zandigen inham ten oosten van het fort Collet. Op deze zelfde plaats had de amerikaansche commodore Porter, in October 1818, het kleine kamp opgeslagen, waaraan hij den blufferigen naam van Madisonville gaf.

Ik brandde van ongeduld om aan land te gaan, en mijne makkers verlangden niet minder dan ik naar den vasten grond. Zoodra dan ook de vergunning gegeven is om aan wal te gaan, haast zich iedereen om daarvan gebruik te maken. Het doel onzer wandeling was ons van zelf aangewezen: wij zouden ons gaan baden in de beek ten westen van het dorp. Na eenige inlichtingen te hebben ingewonnen van den havenmeester, die juist aan boord komt, nemen wij plaats in onze sloep. Onderweg komen wij onderscheidene, met vruchten geladen prauwen tegen, die zich naar de Vaudreuil spoeden.

De landing is niet gemakkelijk: er gaat in de baai eene vrij hevige branding, en de ondiepte maakt het voor onze sloep onmogelijk het strand te naderen: er blijft nog eene ruimte over van omstreeks twintig el. Onze matrozen zijn gereed ons op hun schouders naar het land te dragen, maar wij weten ons zelven te helpen. bladzijde 91De schoenen worden uitgetrokken, de pantalons zoo hoog mogelijk opgeslagen, en lachende en schertsende loopen wij voort over den zandigen bodem, achtervolgd door de golven, wier schuim onzen rug bespat. Eenige inlanders, onder de boomen langs den weg gezeten, komen naderbij om de nieuw aangekomen vreemdelingen te bekijken; natuurlijk vormen de vrouwen onder deze nieuwsgierigen de meerderheid.

De heer M..., schrijver bij de marine, die vlak bij het strand, in de voormalige kerk van Taio-Hae woont, komt ons verwelkomen. In dergelijke omstandigheden is de kennis spoedig gemaakt; onze nieuwe vriend verklaart zich bereid, ons in alles, waarin wij hem noodig konden hebben, van dienst te zijn. Wij hebben voorloopig geene andere begeerte, dan dat hij ons eene plaats aanwijst, waar wij voegzaam kunnen baden. Hij biedt zich aan om met ons te gaan.

Wij volgen een fraai belommerden weg, die langs den oever der baai loopt. De huizen van het dorp, die op het strand uitzien, staan langs dien weg verspreid. Wij gaan voorbij eenige winkels, die bijna allen aan vreemdelingen, vooral aan Amerikanen, toebehooren, en waarvan sommigen zeer goed voorzien zijn. De koopers vinden op de toonbank altijd eene pijp voor hen gereed liggen, en de inlanders verzuimen nooit van die kostelooze gelegenheid tot rooken gebruik te maken, ook al laat de pijp, uit hot oogpunt van zindelijkheid, wel te wenschen over.

De weg verlaat het strand en wendt zich rechts naar de vallei. Dicht bij dien hoek wijst onze gids ons een reusachtigen boom, een zoogenaamden aoa of indischen vijgeboom (ficus indica). De hoofdstam, uit zware dooreengeslingerde kleinere stammen bestaande, heeft een omtrek van bijna dertig el; tot op dertien el hoogte behoudt hij dezelfde afmetingen, maar dan verdeelt hij zich in een twaalftal geweldige, horizontaal gestrekte takken, die met hun lommer een oppervlakte van honderd el in doorsnede bedekken. Wij vertoeven eenige oogenblikken onder de verkwikkelijk koele schaduw van dezen koning der bosschen. In den tuin der zusters van Saint-Joseph de Cluny te Taio-Hae, bevindt zich een tweede, zeer merkwaardig exemplaar van dezen boom.

Wij vervolgen onzen weg en betreden de vallei van Vaitoe, die zich voor ons opent. Eene beek, die zeer gemakkelijk doorwaadbaar is, vormt, dicht bij het strand, een vrij groote waterkom. Op weg komen wij langs eenige hutten van inlanders, waarin wij, naar lands gebruik, onbeschroomd binnen treden. De bouw dezer woningen is hoogst eenvoudig: aan de hoeken vier palen, in den grond gestoken boven een soort van platform, paepae genoemd en uit groote platte steenen samengesteld; aan het boveneinde dier palen zijn gaten gemaakt, waarin de dunne en buigzame kokosstammen zijn bevestigd, die het onderstel van het dak vormen; het achterste gedeelte van de woning ligt hooger dan het voorste. Op de palen en op de kokosstammen worden lichte dwarsbalken gelegd, die met touwen van kokosvezelen stevig worden vastgebonden; de tusschenruimte wordt met bamboes aangevuld, waardoor de lucht echter vrijelijk spelen kan. Tot verdere voltooiing van het dak, worden lange stokken omwonden met kokos- en palmbladen, en vervolgens op het houtwerk gelegd, zoodat de bladeren der opvolgende lagen over elkander heenvallen. Het dak steekt een weinig buiten de wanden der woning uit, en beschermt haar volkomen tegen den regen.

De weg stijgt onophoudelijk, maar is niet meer zoo effen als straks. Wij komen bij een heuvel, met katoenvelden bedekt.

“Wilt gij de Chineezen zien? vraagt onze gids.

—Zijn hier dan Chineezen?

—Ja; zij arbeiden op de plantage, waarop wij ons nu bevinden. Zoo gij het wilt, kunnen wij een kijkje gaan nemen in hunne woning, die vrij wat beter is ingericht dan de hutten der inlanders.”

Het uitwendig voorkomen der woning bevestigt reeds ten volle de juistheid dezer opmerking. Wij treden eene ruime zaal binnen, die de breedte heeft van den geheelen voorgevel; kleine, met matten behangen kamertjes komen in deze zaal uit. Onze aandacht wordt getrokken door eenige vrouwenkleederen, en wij vernemen dat de zonen van het Hemelsche Rijk met de dochters des lands tijdelijke verbindtenissen hebben aangeknoopt. Hun opperhoofd, ook een Chinees, opzichter der plantage, vervult tevens de functiën van kok bij den resident. Deze Chineezen hebben het voornemen opgevat om een grooten winkel of bazar to openen, waarvoor zij hunne opgespaarde penningen zullen gebruiken. Het kleine gemeenschappelijke kapitaal wordt te dien einde toevertrouwd aan een hunner, die te San-Francisco, waar het aantal hunner landgenooten zeer aanzienlijk is, de noodige inkoopen moet gaan doen en handelsbetrekkingen aanknoopen. Trouwens bijna overal langs de kusten van den Stillen-oceaan ontmoet men die kleine, vlugge, geelachtige mannen, geschikt voor de uitoefening van elk beroep en elk bedrijf; die bij duizenden hun land verlaten om door onvermoeide vlijt en strenge spaarzaamheid een klein kapitaal bijeen te brengen, hetgeen hun maar zelden mislukt: want zij bezitten een verwonderlijk talent voor al wat met handel in betrekking staat, on zijn ook niet al te kieskeurig in de keuze der middelen.

Onze chineesche gasten ontvangen ons zeer vriendelijk en leiden ons door hunne woning rond. Een hunner, een man van zekeren leeftijd, met een rensachtigen bril op zijn neus, verstaat en spreekt een weinig engelsch. In een hoek van de groote zaal brandt eene lamp op een altaar, dat, evenals de muur in de nabijheid, behangen is met veelkleurig papier, waarop zonderlinge letters zijn gedrukt of geschilderd. De gebrilde Chinees deelt ons mede, dat dit altaar ter eere hunner goden is opgericht.

Eenige minuten later waren wij aan den oever der beek, en begaven ons onmiddellijk te water; de plaats is niet aangenaam voor een bad; er is geen handbreed schaduw; het zeer ondiepe water is geheel verwarmd door de blakerende zon. Er zijn twee kleine kommen, die door een miniatuur-waterval met elkander in gemeenschap staan; als men zich op den rotsigen bodem nederzet, reikt het water niet hooger dan tot de borst. Al zeer spoedig hadden wij genoeg van ons bladzijde 92bad, en maakten wij ons gereed om terug te keeren. De heer M.... dringt er op aan, dat wij ons zoo spoedig mogelijk zullen aankleeden.

“Anders zult gij tot uwe eigene schade leeren, hoe gevaarlijk het is, ongekleed buiten het water te blijven.

—Is er dan vrees voor een zonnesteek?

—Dat juist niet. Maar de nono zal u builen bezorgen, en als ge die krabt, dan worden die builen tot open wonden, die u onlijdelijke pijn zullen veroorzaken, en die niet dan met moeite en zeer langzaam genezen.”


Hoofd van een inboorling van Hiwa-Oa

Deze nono (de sandfly der Engelschen) is eene zeer kleine vlieg, die des morgens bij het aanbreken van den dag geboren wordt, en bij het vallen van den avond weer sterft. Als de doorschijnende buik dezer vlieg met bloed gevuld is, schittert zij, wanneer men haar tegen de zon houdt, als een robijn. Dit afschuwelijk insekt plaatst zich op de huid, en zuigt u het bloed af, echter zonder te steken, zooals bij voorbeeld de muskieten. Ge bemerkt eerst naderhand haar bezoek, als zich de builen vertoonen. die ondragelijk jeuken. Men beweert dat deze vlieg door schepen is aangevoerd, en dat zij uitsluitend op Noekoe-Hiwa en op het naburig eiland Oea-Poe wordt aangetroffen. Overigens zijn er in den archipel geen gevaarlijke dieren, met uitzondering van de afzichtelijke duizendpooten, waarvan de daken wemelen; maar die griezelige dieren doen zeer zelden iemand kwaad.


Been van een bewoner van Noeka-Hiwa.

Wij keeren naar de landingsplaats terug. Onderweg ontmoeten wij Mgr. Dordillon, bisschop van Cambysopolis, apostolisch vicaris der Markiezen-eilanden, die onzen groet met groote vriendelijkheid beantwoordt. De sloep ligt gereed om ons naar boord terug te brengen. De inscheping gaat al even bezwaarlijk als de landing.

Op het schip vinden wij vijf of zes eilanders, die vruchten te koop aanbieden. Een hunner, een reus van athletische vormen, verstaat een weinig fransch. Ik vraag hem, wat hij is komen doen.

“Verkoopen kokos, bananen en pataten, antwoordt hij.

—Ligt uwe hut ver van het strand?

—Neen. Als gij wilt komen bij mij van avond, ik zal u ontvangen met vreugd. Zal voor u laten dansen.”

Na overleg met eenigen mijner kameraden, wordt besloten dat wij de uitnoodiging van Paumea—zoo heette onze aanstaande gastheer—zullen aannemen. Ik zeg hem dat wij na afloop van het middagmaal bij hem zullen komen, als hij ons aan de landingsplaats wil afwachten. Hij zegt dat hij op ons wachten zal, en ons met zijne prauw, die langs het schip gemeerd ligt, naar land zal roeien.

Paumea heeft twee zoons, prachtige knapen, die met zeer veel behendigheid de pagaaien hanteeren. In eenige minuten hebben wij het strand bereikt. Hoewel dit nu niet meer noodig is, nemen de kloeke eilanders ons op hunne sterke schouderen, en dragen ons als kinderen over het door de zee overspoelde strand naar den drogen oever.


Hand der koningin Vaekeoe.

Wij volgen denzelfden weg van straks. Het weder is verrukkelijk; de maan werpt haar licht door de groote boomen, die den weg overschaduwen; haar zilveren stralen doen de bevallige bladerkronen der kokospalmen schitteren, en werpen breede schaduwen in het bosch. Voor de verlichte winkels van het dorp staan een aantal inboorlingen, mannen en vrouwen, te kijken. In de vallei schittert hier en daar een licht; bij onze nadering beginnen de honden woedend te blaffen.

De woning van Paumea is ruim en goed ingericht; de voorzijde is geheel open; het dak rust op palen. Tegen den achterwand heeft men, met een tusschenruimte van omstreeks een el twintig duim, twee boomstammen op den grond gelegd; de ruimte daartusschen is met matten bedekt. Dit is het bed, waar men zeer gemakkelijk slaapt, het hoofd rustende op den eenen stam en de voeten op den anderen.

Er zijn veel gasten bijeen; de mutoi, inlandsche commissaris van policie, van Taio-Hae, een bloedverwant van Paumea, komt ons plechtstatig begroeten, blijkbaar zeer trotsch op zijn korporaalstrepen. In een oogwenk hebben onze gidsen zich ontdaan van hunne zoogenaamde europeesche kleeding; zij zijn nu enkel bekleed met de pareu, een lap, die om de lendenen gewonden wordt en als een vrouwenrok tot over de knieën afhangt. Al die mannen munten uit door prachtigen lichaamsbouw: zij zouden zonder uitzondering een beeldhouwer tot model kunnen dienen. Nu zij zich van hunne kleeding ontdaan hebben, maak ik van de gelegenheid gebruik om het tatouëersel, waarmede hunne lichamen bedekt zijn, van nabij te bezien. Sommigen zijn zoo geheel overdekt met cirkels, lijnen, figuren, dat men bijna zou wanen dat zij eene wapenrusting dragen. Vroeger bladzijde 94was het tatouëeren veel eenvoudiger dan thans, en bestond, vooral in het gelaat, slechts uit rechte lijnen, die elkander ruitvormig kruisten; tegenwoordig zijn daar allerlei figuren, zooals breede horizontale strepen, voor in de plaats gekomen. De vrouwen zijn over het algemeen weinig getatouëerd, enkelen zelfs in het geheel niet. De meesten vertoonen aan de lippen enkele kleine, rechtopstaande lijnen, hetgeen niet onbevallig staat. Sommige Kanaks oefenen het tatouëeren als bedrijf uit. De operatie geschiedt met een soort van uitgetande schaar van vischgraat, die aan een stokje bevestigd is, en waarop met een houten hamertje geslagen wordt. De scherpe punten van het instrument worden in een blauwachtig vocht gedoopt, uit plantaardige zelfstandigheden bereid. De patiënt, wiens trekken van hevige smart getuigen, wordt door drie of vier personen vastgehouden. De pijn is zoo heftig, dat de operatie slechts gedurende zekeren tijd kan worden voortgezet, en dan moet worden gestaakt. De zendelingen zijn er nog niet in geslaagd, het tatouëeren af te schaffen. De kinderen, die onder hunne hoede gebleven zijn, verlaten hen toch als het oogenblik gekomen is, waarop zij deze traditioneele teekenen der manbaarheid moeten ontvangen.


Inboorlingen van Noeka-Hiwa.

De avondmaaltijd wordt gereed gemaakt. Paumea heeft aan boord van de Vandreuil levensmiddelen gekocht, zoodat hij zijn gasten een feestelijk onthaal bereiden kan.

Het hoofdbestanddeel van de gewone voeding der eilanders is de popoi, een geelachtige koek, die van de vrucht van den mei (broodboom, artocarpus incisa) gemaakt wordt. Als zij van versche vruchten bereid is, heeft de popoi een zoetachtigen smaak; als de vruchten eenigen tijd gestaan hebben, wordt de smaak eenigszins bitter. De bereiding van de popoi geschiedt op de volgende wijze: de vruchten worden op een vuur gelegd, dat voortdurend brandende wordt gehouden; uit de schors stijgt een dikke rook op. De pit, te hard om gegeten te worden, en de verbrande schil worden verwijderd; de geelachtige, kneedbare, sponsachtige vrucht, die een flauwen smaak heeft, wordt daarna in een houten bak of kuip gelegd en met een houten of steenen stamper tot deeg gekneed, waarna dit deeg, in ronde gaten van meer dan een el diep, in den grond begraven wordt. De wanden dezer kuilen zijn met breede banaanbladeren bekleed, om de aanraking met den grond te beletten. Als de kuil vol is, wordt hij met aarde en steenen bedekt; op die wijze blijft de popoi goed bewaard; van tijd tot tijd wordt dan de noodige hoeveelheid voor het gebruik er afgenomen. Het deeg wordt dan in een houten schotel gedaan, met een weinig water aangelengd en tot een soort van koek gekneed. Deze bewerking is aan de vrouw van Paumea opgedragen.

De vloermat dient als tafel; de toebereidselen tot den maaltijd zijn afgeloopen; wij worden uitgenoodigd, plaats te nemen. Wij verontschuldigen ons met te zeggen, dat wij zoo pas gegeten hebben; wij durven niet zeggen dat het klaarmaken van de popoi, waarvan wij getuigen waren, onzen eetlust nu juist geprikkeld heeft. Toch dringt ons de nieuwsgierigheid om even te proeven van deze spijs, die niet onaangenaam smaakt.

Inmiddels hebben zich de andere gasten nedergezet om den schotel, waarin de popoi is; ieder steekt de hand in dien schotel, en brengt daarmede de weeke spijs naar den mond. Uitgeholde kokosnoten, met water gevuld, vervangen de plaats van karaffen. Het maal is spoedig afgeloopen. De Kanaks hebben doorgaans grooten eetlust, en daar hunne spijzen, bijna altijd van plantaardige natuur, niet bijzonder voedzaam zijn, moeten zij groote hoeveelheden voedsel tot zich nemen.

Een voornaam bestanddeel der voeding is ook de visch, dien de inboorlingen bijna altijd rauw eten. Hunne meest geliefkoosde spijs is de haua, eene soort van groote rog (in het engelsch devil-fish) en de haai; zij laten deze visschen dikwijls eerst een dag of veertien liggen en tot verrotting overgaan. In de nabijheid der baaien en inhammen worden eene menigte haaien gevonden; de inlanders vangen die visschen met een lijn of met de harpoen. Dikwijls laten zij, om de haaien te lokken, hun arm of hun been buiten hun vaartuig in het water hangen, terwijl zij met de andere hand een strop gereed houden, dien zij met groote behendigheid om het zeemonster werpen, dat zij vervolgens harpoeneeren. Zij loopen zoodoende wel gevaar om gebeten te worden, maar toch gebeurt er zelden een ongeluk van ernstigen aard. Als zij met de lijn op de haaienvangst uitgaan, voorzien zij het boveneinde van den haak van twee kruislings geplaatste ijzeren bouten, om te beletten dat de haai het touw doorbijt.

Na afloop van den maaltijd worden de pijpen aangestoken; de eene gast reikt de pijp aan den anderen over, die ze op zijne beurt aan de lippen brengt. Eene der vrouwen gaat inmiddels heen om eenigen van hare vriendinnen, die in de buurt wonen, te halen. Paumea had ons een dans beloofd: die zou nu vertoond worden.

In twee rijen tegenover elkander geschaard, voeren de dansers, in goede harmonie, verschillende passen uit; zij akkompagneeren zich zelven met een rythmisch maatgezang, waarbij nu en dan in de handen geklapt wordt. Zij schenen veel schik in dit spel te hebben, dat zij, met telkens nieuwe afwisselingen, op ons verzoek eenige malen herhaalden. Eindelijk werd dit schouwspel, hoe eigenaardig ook, toch eentonig, en ondanks den aandrang van Paumea, die wilde dat wij nog blijven zouden, namen wij afscheid van onze nieuwe kennissen, met de belofte dat wij terug zouden komen.

De oudste zoon van onzen gastheer deed ons uitgeleide tot aan het begin van het dorp. De weinige winkels van Taio-Hae werden gesloten, en te midden der diepste stilte keerden wij terug naar de sloep, die ons naar boord moest brengen. Nog langen tijd bleef ik op het dek, en liet mijne oogen dwalen over het kalme rustige landschap daar vóór mij: de baai, het strand, de valleien, de hooge bergen op den achtergrond, alles overgoten met het zilveren licht der maan, statig drijvende aan den diep blauwen hemel, nu en dan door een half doorschijnend wolkje onderschept. De gansche natuur om mij heen ademde onverstoorbaren vrede, heilige kalmte, alsof er op aarde nimmer strijd ware geweest.... bladzijde 95

De commerciëele of politieke beteekenis van dezen archipel is, althans op dit oogenblik, niet van veel gewicht. In den eersten tijd onzer vestiging op de Markiezen-eilanden, stonden de beide groepen van het zuidoosten en het noordwesten ieder onder haar eigen kommandant; te Vaitahoe en te Taio-Hae waren door de soldaten van het garnizoen niet onbelangrijke werken van openbaar nut aangevangen. De archipel, door de wet van 8 Juni 1850 tot verbanningsoord voor politieke veroordeelden aangewezen, is te klein en te weinig vruchtbaar om ooit een belangrijk maritiem of koloniaal station te kunnen worden; ook de geographische ligging is daarvoor niet gunstig. De handel, die er nog gedreven wordt, is beperkt tot Taio-Hae, waar eenige engelsche en amerikaansche kooplieden kleine handelshuizen gesticht hebben.

De bevolking van Taio-Hae is niet talrijk; de aanraking met de Europeanen en de invloed der zendelingen hebben de inwoners voor een groot deel van hunne voorvaderlijke gewoonten vervreemd. Vroeger was de bevolking waarschijnlijk veel talrijker, zooals blijkt uit de bouwvallen van woningen, die in thans geheel onbewoonde valleien worden aangetroffen.

De totale bevolking van den archipel wordt bij benadering op twaalfduizend zielen geschat. Het eiland Hiwa-Oa is het meest bevolkt: het telt zesduizend inwoners. Daarop volgt Noekoe-Hiwa, met tweeduizend-zevenhonderd; dan Oea-Poe, met duizend-tweehonderd-twintig; Fatoe-Hiwa, met duizend; Tauata, met zeshonderd-dertig, en Oea-Oeka, met vierhonderd-vijftig inwoners.

De groote hongersnood, die voor ruim eene halve eeuw de Markiezen en de andere eilanden in den Stillen-oceaan teisterde en allerlei ziekten in het leven riep, heeft ongetwijfeld sterk bijgedragen tot de vermindering der bevolking. Nog leven er grijsaards, die de herinnering aan deze vreeselijke dagen, waarin men, door den uitersten nood geperst, elkander verslond, niet verloren hebben.

In den namiddag gingen wij een bezoek brengen aan den resident, die des morgens eene visite had gemaakt aan boord van ons schip. Hij bezit eene zeer volledige verzameling van wapens, krijgsgewaden en gereedschappen der inboorlingen. Het merkwaardigste stuk dezer verzameling is wel een zeer ruw bewerkt houten beeld van den god Tiki, de meest vereerde godheid in de nog heidensche streken van den archipel. Het beeld stelt eene monsterachtige menschelijke gedaante voor, met ontzaglijk groote oogen en mond, gebogen beenen en de ellebogen tegen het lijf geklemd. De resident toonde ons eenige brokken van datzelfde beeld, in zeer harden rooden steen gehouwen, en slechts eenige duimen lang. Hij bezit ook halssnoeren van bruinvischtanden, vischhaken van parelmoer, ter lengte van een palm, en vele andere curiositeiten. Die verzameling is des te merkwaardiger, omdat het steeds moeielijker, om niet te zeggen onmogelijk, wordt, zulk eene collectie bijeen te brengen. Na de komst en de vestiging der Europeanen toch hebben de inlanders hunne oude, oorspronkelijke industrie laten varen. Zij geven de voorkeur aan een geweer boven hunne voormalige knodsen; in de plaats van prauwen bedienen zij zich van groote sloepen, die te Taio-Hae worden gebouwd, of die zij van de schepen, welke op de walvischvangst uitgaan en de eilanden aandoen, koopen.

II.

Ons eerste verblijf in den archipel was van zeer korten duur. Eenige maanden later keerden wij naar Taio-Hae terug, van waar uit wij een langdurigen kruistocht naar de verschillende eilanden ondernamen. Het verhaal van dezen tocht blijft voor de volgende hoofdstukken bewaard. Maar vooraf zij het vergund, in enkele woorden een overzicht te geven van de geschiedenis van dezen archipel.

Toen, in 1842, de schout-bij-nacht du Petit-Thouars de Markiezen-eilanden in bezit nam, werd de algemeene belangstelling in Frankrijk zeer geprikkeld door hetgeen men van deze onbekende eilanden verhaalde. Naar men zeide, verkeerde de bevolking nog in geheel oorspronkelijken, eigenaardigen toestand, en had zij nog niets overgenomen van de europeesche gewoonten van de bemanning der schepen, die deze eilanden hadden bezocht: een feit des te opmerkelijker, omdat andere eilandengroepen in den Stillen-oceaan, zooals bij voorbeeld de Gezelschaps- en de Sandwich-eilanden, werden gezegd met zoo verrassende snelheid op de baan der moderne beschaving vooruit te streven. Het voorkomen der eilanders, dat zeker voor wien er niet aan gewoon is weinig aantrekkelijks heeft; de groote terughoudendheid dezer lieden; de weinige hulpbronnen, die de eilanden zelven aanbieden: dit alles droeg zeker bij om deze eilandengroep zoolang vergeten en onbekend te doen blijven. Enkele walvischvaarders, meest allen uit Amerika afkomstig, deden nu en dan wel de eilanden aan, om zich van brandhout en drinkwater te voorzien; maar van de gezagvoerders der schepen waren weinig of geen inlichtingen te bekomen. Het was hun slechts te doen, om hetgeen zij noodig hadden op de goedkoopst mogelijke manier te verkrijgen: zij bekommerden zich niet om de zeden en gewoonten der bewoners en de natuurlijke voortbrengselen van den bodem. Daar bovendien deze gezagvoerders, in hunne verhouding tot de inlanders, volstrekt niet altijd de eenvoudigste regelen van rechtvaardigheid en menschelijkheid in acht namen, ontstonden er meermalen gevechten, en hadden er moorden en gewelddadigheden plaats, die niet weinig bijdroegen om deze eilanders in zeer slechten roep te brengen.

En toch—toen Alvaro Mendana de Neira, op den 21sten Juli 1595, de eilanden in het zuidoosten van den archipel ontdekte, en voor het eiland Tauata, door hem Santa-Cristina genoemd, het anker uitwierp in de baai, waaraan hij den naam van Moeder-Godshaven schonk;—toen kon hij niet dan met lof getuigen van de wijze, waarop hij door de inlanders ontvangen werd.

De Markiezen-eilanden zonken daarop weer in de vergetelheid terug, tot dat Cook ze in 1774 op nieuw ontdekte en het anker uitwierp in dezelfde baai Vaitahoe, waarvan de portugeesche naam sinds lang vergeten was. Ook de engelsche zeevaarder werd met bladzijde 96groote vriendelijkheid door de inlanders ontvangen: de Markiezen-eilanden waren een der weinige plaatsen in den Stillen-oceaan, waar zijne verschijning niet door bloed werd geteekend. Die geduchte gezagvoerder, die toch zeer dikwijls om zijne zachtaardigheid en menschelijkheid werd geroemd, liet zelden eene gelegenheid voorbij gaan om gebruik te maken van de vreeselijke wapenen, waarover hij beschikken kon: waarschijnlijk om daardoor de inlanders een heilzamen schrik in te boezemen en grooter ongelukken te voorkomen.


Jonge vrouw van Taio-Hae.

In 1791 ontdekte de amerikaansche kapitein Ingraham, gezagvoerder op de Hope, van Boston, de eilanden van de noordwestelijke groep, waaraan hij namen gaf. Een maand later verscheen de Franschman Etienne Marchand, die het bevel voerde op de brik de Solide, van Marseille, door het huis Baux uitgerust, om aan de noordwestkust van Amerika in pelterijen te gaan handelen.

Marchand stelde zich in betrekking met de inwoners van Vaieo, waaraan hij den naam gaf van baai du Bon-Accueil, en nam, op den 22sten Juni 1791, in bladzijde 97naam van Frankrijk, bezit van dit eiland, en van een ander grooter eiland, dat hij meer noordwaarts bespeurde.

In de maand Maart 1792, wierp de luitenant Hergest, kommandant van de Dedalus, die levensmiddelen en ammunitie moest gaan brengen aan de engelsche expeditie onder bevel van Vancouver, het anker uit bij Vaitahoe. In het begin van Februari 1793 keerde hij in de baai van Taio-Hae, waar hij uitstekend was ontvangen geworden, terug.

Eenige maanden later vertoonde ook de amerikaansche vlag zich voor deze eilanden: de koopvaardij-kapitein Roberts vertoefde gedurende vier maanden, met zijn schip de Jefferson, in de haven van Vaitahoe.


Boom in den tuin der zusters van Saint-Joseph de Cluny.

Ingraham en Marchand, in 1791, vervolgens Hergest, en eindelijk Roberts, hadden, ieder op hun beurt, andere namen gegeven aan deze eilanden, die toch reeds van de inwoners zelven hunne door den tijd gewijde namen hadden ontvangen. Daar echter deze, thans algemeen aangenomen, inlandsche namen op zeer verschillende wijze worden uitgesproken en geschreven, is het dikwijls nog moeilijk verwarring te voorkomen.

Omstreeks dien tijd werd deze archipel meer en meer door schepen bezocht. In Juni 1797 verscheen in de haven van Vaitahoe een schip, met gansch andere bestemming dan de koopvaardijschepen of walvischvaarders, die er gewoonlijk binnen vielen. Dit was de Duff, door het zendelingsgenootschap van Londen uitgerust, om dertig protestantsche zendelingen naar de verschillende eilandengroepen van Oceanië te brengen. Te Vaitahoe liet de Duff den eerwaarden William Pascoe Crook achter. Daar bevond zich nog een Europeaan op dat eiland: een italiaansch matroos, die van een koopvaardijschip was gedeserteerd, en die zich een grooten invloed had weten te verwerven, dank vooral een geweer, dat hij, benevens kruit en kogels, van zijn schip had mede genomen. Dit wapen gaf hem een onbetwist overwicht over de hoofden, die hij aanvuurde tot onderlingen krijg, om zijne eigene macht te vergrooten. Ook tegen de bewoners der naburige eilanden werden, op zijne aansporingen, moorddadige krijgstochten ondernomen; voor geen misdaad deinsde deze ellendeling terug. Het spreekt wel van zelf dat hij een doodelijken haat koesterde tegen den heer Crook, die zijne plannen doorzag en zooveel mogelijk tegenwerkte. De brave zendeling zou als het slachtoffer van dezen booswicht gevallen zijn, indien hij zich niet bij tijds had kunnen redden aan boord van een engelsch vaartuig, dat in de haven verscheen.

Na eenige vergeefsche pogingen om zich op Noekoe-Hiwa en Oea-Poe te vestigen, keerde de heer Crook naar Sydney terug, waar hij rustig leefde. Maar eenige bladzijde 98jaren later verscheen hij andermaal op de Markiezen-eilanden. Ditmaal had hij vier onderwijzers, van Tahiti geboortig, bij zich, die in dienst der zending stonden, en die, beter bekend met de taal en de gewoonten der inlanders, naar men hoopte ook meer ingang bij hen zouden vinden en krachtiger werken tot hunne bekeering. Doch ook thans werd de verwachting van den volijverigen zendeling teleurgesteld. De onderwijzers, die zich op het eiland Tauata hadden nedergezet, moesten weder naar hun land terugkeeren, waarheen de heer Crook hen reeds was voorgegaan.

In 1804 vertoefde de russische reiziger Krusenstern een geruimen tijd te Noekoe-Hiwa, met zijne beide schepen, de Nadeshda en de Newa. Hij vond op het eiland een Franschman en een Engelschman, die elkander vooral met geene mindere verbittering bestreden, dan destijds de twee natiën waartoe zij behoorden.

In 1813 liep de amerikaansche commodore David Porter de baai van Taio-Hae binnen, met zijne twee schepen de Essex en de Essex-junior, en met de schepen, die hij op zijn kruistocht door den Stillen-oceaan op de Engelschen had buit gemaakt. De gelegenheid scheen hem gunstig voor de vestiging van een soort van arsenaal of station. Hij nam bezit van Noekoe-Hiwa in naam der Vereenigde-Staten.

Het Congres wilde echter aan de zaak geen verder gevolg geven. De commodore verliet Taio-Hae, om zijn kruistocht te hervatten; hij liet eene zwakke bezetting achter; maar ten gevolge van allerlei moeilijkheden en herhaalde gevechten met hunne engelsche gevangenen en met de inboorlingen, zagen de Amerikanen zich genoopt, hunne nederzetting te Taio-Hae te verlaten.

In 1835 werd Noekoe-Hiwa bezocht door een Franschman, den baron Thierry, die zichzelven tot koning van het eiland proklameerde, en die, als een teeken van zijne kortstondige koninklijke waardigheid, aan een jeugdigen wilde, Vavanoeha genaamd, het volgende wonderlijke stuk ter hand stelde, dat later door kapitein Jacquinet, tijdens het bezoek der korvetten de Astrolabe en de Zélée, gevonden en bewaard werd.

“Wij, Karel, baron van Thierry, souvereine vorst van Nieuw-Zeeland, koning van het eiland Noekoe-Hiwa, verklaren met genoegen, dat Vavanoeha, opperhoofd van Portua(?), de vriend is der Europeanen, en dat hij zich jegens ons altijd met betamelijkheid en welwillendheid gedragen heeft; Uit aanmerking waarvan wij hem aanbevelen aan de goede zorgen van alle zeevaarders, die hier in alle zekerheid kunnen verblijven.

Gegeven te Port-Charles (Taio-Hae), eiland Noekoe-Hiwa, den 23sten Juli 1835.

Karel, Baron van Thierry. Van wege den Koning,
Ed. Fergus, kolonel, adjudant
.”

Eindelijk, in 1842, nam de schout-bij-nacht du Petit-Thouars definitief deze eilanden, in naam van Frankrijk, in bezit. Met deze gebeurtenis begint een nieuw tijdvak in de geschiedenis van den archipel.

III.

Van Noekoe-Hiwa begeven wij ons naar het eiland Oea-Poe, welks zonderling gevormde bergtoppen, uit de verte van de baai van Taio-Hae gezien, op een reeks klokketorens gelijken.

Wij toeven gedurende eenige uren in de baai van Aneoe, waar wij het bezoek ontvangen van een protestantsch zendeling, waarschijnlijk een eenvoudig onderwijzer (teacher), van de Sandwich-eilanden geboortig; hij komt zijn aandeel in den hoofdelijken omslag betalen. De voornaamste statie der katholieke zendelingen ligt aan de baai Hakahau, aan de oostelijke punt van het eiland. Dewijl de ankerplaats daar minder geschikt is, heeft de kommandant hier het anker doen uitwerpen. Overigens ziet men te Aneoe noch woningen, noch broodboomen, noch kokospalmen. Eenige struiken, langs de oevers van eene kleine beek groeiende, vormen den ganschen plantenrijkdom van dit dorre gedeelte des eilands.

De naastvolgonde baai, westwaarts, is die van Hakahetau, waar de katholieke missionnarissen eene kapel hebben gebouwd. Daar, of in de naburige baai Haákoeti, nam Marchand, op den 22sten Juni 1791, de noordwestelijke groep der Markiezen-eilanden, in naam van Frankrijk, in bezit.

Wat wij hier te doen hebben is spoedig verricht, en nog vóór de nacht invalt, bevinden wij ons weder in de open zee.

Den volgenden morgen ankeren wij aan de zuidwestelijke punt van Oea-Oeka, gedekt door eenige dorre, naakte eilandjes, die ons genoegzaam tegen de branding beveiligen. De kommandant en de resident gaan aan land, om een bezoek te brengen aan de zoogenoemde Onzichtbare-baai (Vaitake bij de inboorlingen). Eenige officieren en ik begeven ons in een sloep naar dezelfde plek. Wij volgen de hooge kust, uit zwarte, loodrechte rotsen gevormd, aan wier voet de golven met groot geweld breken en uiteen spatten in wolken schuim, dat in de zonnestralen als een regen van diamanten schittert; de zeevogels, die in de spleten der rotsen nestelen, heffen bij onze nadering een luid geschreeuw aan. De Onzichtbare-baai draagt haar naam niet ten onrechte, want eerst als men zeer nabij gekomen is, kan men dezen inham in de kust en den zandigen oever aan het einde bespeuren. Tusschen de hooge rotsen, die den ingang der baai vormen, gaat een vrij sterke deining; maar eenige forsche roeislagen brengen ons weldra in de baai zelve, waar het water zoo kalm en effen is als in een vijver. Wij zetten onze sloep op het strand, nevens die van den kommandant.

Hier, even als te Taio-Hae, opent zich eene liefelijke, vruchtbare vallei, die door haar weelderig groen eene sterke tegenstelling maakt met de donkere tinten der hooge, naakte rotswanden, welke haar omzoomen. Nabij den oever staan eenige wel gebouwde woningen, te midden van een soort van plantage, die door een lagen steenen muur is omringd. Wij treden een dier woningen binnen, en worden ontvangen door een ouden Amerikaan, waarschijnlijk een voormalig matroos, die bladzijde 99van een walvischvaarder is gedeserteerd; de man is bijna evenzoo getatouëerd als de inlanders. Hij woont hier sedert meer dan twintig jaren; voor een niet onaardigen prijs verkoopt hij ons een knods in den vorm van een pagaai. Het engelsch dat hij spreekt klinkt zoo wonderlijk, dat ik alle moeite heb om hem te verstaan.

Wij gaan verder het dal in, en volgen den oever van een beekje, dat al spoedig niet veel meer is dan een dunne waterstraal; de vallei is bijna verlaten. Zij wordt al nauwer en nauwer, echter zonder te stijgen; de plantengroei houdt bijna eensklaps op, en van alle kanten verheffen zich naakte witte rotsen, die door haar glans het oog verblinden. Wij ontmoeten drie of vier hutten, waarvan de bewoners afwezig zijn; wij toeven maar een oogenblik, want het wemelt hier van groote, nijdige vliegen, die ons bij duizenden omzwermen. Onder eene brandende zonnehitte naar het strand teruggekeerd, zien wij dat de matrozen, met uitzondering van een enkelen, die bij de sloep is achtergebleven, naar de naburige woningen zijn gegaan. Terwijl wij hunne terugkomst afwachten, nemen wij een heerlijk zeebad, dat ons geheel opfrischt.

Kort daarna waren wij veilig en wel, ondanks de sterke branding, aan boord teruggekeerd, en had de Vaudreuil het anker weer gelicht, om koers te zetten naar Hiwa-Oa, het grootste en volkrijkste der eilanden van dezen archipel.

Na den nacht op zee te hebben doorgebracht, werpen wij den volgenden morgen het anker uit in de baai Hanamenoe, nabij den westelijken uithoek van het eiland gelegen. De baai is in twee kommen verdeeld door een groote, vooruitspringende zwarte rots, die, uit de verte gezien, op een reusachtigen toren gelijkt. Op den top van dit rotsige voorgebergte zien wij enkele woningen. De stammen, die de omliggende landstreek bewonen, zijn met elkander in oorlog gewikkeld: de kommandant heeft in last, hen met elkander te verzoenen, en vrede en orde te herstellen.

Eenige Kanaks dalen van de hooge, loodrechte rotsen af, waarbij zij eene bewonderenswaardige vlugheid, kracht en behendigheid ten toon spreiden. Sloepen en prauwen voeren nu welhaast de opperhoofden der strijdende stammen bij ons aan boord, waar de kommandant hun eene scherpe berisping toevoegt, die door den officieelen tolk, den mutoi van Taio-Hae, in de landstaal wordt overgebracht. Het einde is, dat de vijanden elkander de hand reiken, en met groot welbehagen eenige geschenken ontvangen, die de kommandant hun van wege de fransche regeering laat ter hand stellen.

Terwijl deze verzoening plaats greep, bezochten enkele eilanders het schip, in gezelschap van hunne vrouwen. De jongsten van deze vrouwen mogen betrekkelijk schoon heeten. Zij zijn kort van gestalte en gezet, maar haar embonpoint heeft niets terugstootends; haar vormen hebben er niet door geleden, en in haar geheele voorkomen hebben zij eene groote mate van natuurlijke bevalligheid. Zij zijn er aan gewoon, Europeanen te ontmoeten, daar de baai zeer dikwijls door de walvischvaarders wordt bezocht. Haar hartstocht voor tabak grenst bijna aan het ongeloofelijke; eene van haar haalt aanstonds haar pijp voor den dag, en vraagt ons om tapaka. Het lichaam van de meesten dezer vrouwen is met eka-moa geel geverwd: dit geschiedt, naar men wil, zoowel om tegen de steken der muskieten gewaarborgd te zijn, als om de huid lenig en blank te maken.

Nadat de conferentie op het dek is afgeloopen, dalen al deze bezoekers weer in de schuiten en prauwen af, en keeren zeer in hun schik naar het strand terug.

De bewoners van den archipel hebben van de Europeanen de noodlottige kunst geleerd, om uit de bloesems van den kokosboom een soort van brandewijn te bereiden. Zij gaan zich nu telkens aan dien drank te buiten, en zijn dan zeer gevaarlijk, want eenmaal door den drank bevangen, kent hunne woede geen palen.

Mijne kameraden, die eene wandeling aan strand hebben gemaakt, hebben daar het lijk van een inlander gezien, dat, naar de gewoonte des lands, in de open lucht, onder een op vier palen rustend afdak, lag. Het lijk ondergaat daar een soort van inbalseming, hakapahaá genoemd, die door de vrouwen verricht wordt en hoofdzakelijk bestaat in het inwrijven met kokosolie. De doode wordt in een grooten bak gelegd, met de armen rustende op een dwarsbalk. Na verloop van eenige dagen, begint een stinkend vocht uit het lijk te loopen; niettemin, ondanks den ondragelijken stank, gaan de vrouwen met haar afschuwelijken arbeid voort, dien zij ter nauwernood afbreken, om, met ongewasschen handen, haar voedsel te nemen. Geen wonder, dat de meesten, die aan de hakapahaá hebben deelgenomen, ziek worden, en menig een er het leven bij inschiet. Overigens gaan de inlanders met de grootst mogelijke onverschilligheid den dood te gemoet, althans wanneer die langs een natuurlijken weg, ten gevolge van ziekte, tot hen komt: voor een geweldigen dood, vooral op het slagveld, zijn zij daarentegen zeer bevreesd.

Als een inlander ernstig ziek wordt, maakt men in zijne tegenwoordigheid zijn doodkist, doorgaans een uitgeholde boom, gereed. Wordt de man beter, dan wordt de doodkist voor eene volgende gelegenheid bewaard; is zij toch eens gemaakt, dan moet zij ook dienen voor den persoon, voor wien zij oorspronkelijk bestemd was.

Onze taak is hier afgeloopen; het anker wordt gelicht, en wij stoomen de baai uit om ons naar Vaitahoe te begeven. Wij varen om de hooge, steile kaap heen, die de uiterste punt van Hiwa-Oa ten westen vormt, en waar wij door eenige geweldige windvlagen worden overvallen. In dit gedeelte van het eiland verheffen zich de hoogste bergtoppen.

De haven van Vaitahoe, waarheen wij koers zetten, ligt aan de westkust van het eiland Tauata. Na eene vaart van eenige uren ontdekken wij de ruïnen van het fort, dat bij de in bezitneming van het eiland door Frankrijk, in 1842, gebouwd werd. Een amerikaansche walvischvaarder heeft het anker uitgeworpen, en is bezig water in te nemen.

Het dorp verrijst op het strand achter in de baai. Het landen gaat hier met groote moeilijkheden gepaard, bladzijde 100ten gevolge van de zeer sterke deining der uit zee aanrollende golven; onze booten leggen aan in den noordoostelijken hoek van de baai, waar eenige rotsen een soort van natuurlijke kom vormen. Langs een smallen, glibberigen weg, half door de overhangende rotsen overschaduwd, bereiken wij, niet zonder een paar keer uitgegleden te zijn, de eerste huizen van het dorp.

Onze komst heeft de gansche bevolking op de been gebracht en weldra zijn wij door eene menigte inboorlingen omringd. Gewoonlijk gaan de eilanders bijna geheel naakt, zonder andere kleeding dan een lap, die, om de heupen gewonden, tusschen de beenen doorgestoken en van achteren vastgeknoopt wordt. Dit kleedingstuk draagt den naam van hami, en wordt doorgaans vervaardigd van katoen of van een soort van stof, tapa genoemd, die uit boomschors bereid wordt en dikwijls met niet onaardige figuren versierd is. Maar voor deze gelegenheid hebben zij hun feestgewaad aangetrokken: wel te verstaan, niet de kleederen, die zij zelven voor plechtige gelegenheden vervaardigen, maar de europeesche afleggers, die zij zich hebben aangeschaft, of wel de bevallige kleeding van Tahiti.

De bewoners der Markiezen-eilanden, even als bijna alle inboorlingen van centraal Polynesië, hebben lang, zacht hair, dat zij met een lint of band opbinden, zoodat zij aan iedere zijde van het hoofd een soort van vlecht of chignon dragen. De ongunstige indruk dien hun laag, wijkend voorhoofd maakt, wordt opgewogen door de levendige uitdrukking van hunne fraaie zwarte oogen. Over het algemeen zijn de gelaatstrekken der mannen regelmatiger dan die van de vrouwen; en is men eenmaal gewend aan hun leelijk tatouëersel, dan wordt men dikwijls getroffen door de onloochenbare schoonheid van verscheidene jonge mannen. Bijna allen scheeren zich het gelaat en een deel van het hoofd; waar scheermessen nog onbekend zijn, gebruikt men tot dat einde een tand van een haai, in een stuk staal of glas gevat. De grijsaards laten hun baard groeien; doorgaans geschiedt dit uit winzucht, want de witte hairen worden zeer duur verkocht, om er sieraden van te maken.


De jonge koning van Vaitahoe en zijne vrouw.

Sommige inlanders dragen hun hair aan de eene zijde van het hoofd saamgevlochten en versierd met tanden van bruinvisschen of glaskoralen. Dit is het teeken, dat zij een veete hebben, en een vijand moeten dooden; dergelijke veeten zijn in de familiën erfelijk. In den regel gaan de eilanders blootshoofds; somwijlen dekken zij zich het hoofd met eene soort van muts, uit een palmblad vervaardigd.

Wij volgen een pad, dat ons bergopwaarts voert, naar het graf van den kapitein Halley, den eersten kommandant van den post te Vaitahoe, die, met den luitenant ter zee Lafont-Ladébat, sneuvelde, terwijl hij de fransche nederzetting moedig verdedigde tegen een aanval der inboorlingen.


Een aoa of indische vijgeboom.

Van de plek waar wij ons nu bevinden, kunnen wij de geheele baai in alle bijzonderheden overzien. De anders vrij stille haven wordt nu verlevendigd door onze sloepen, die water gaan halen, en door de bladzijde 102prauwen der eilanders, die naar het schip roeien.

Wij keeren op onze schreden terug, en houden stil voor de inrichting der katholieke missie, waaruit ons in de landtaal liederen tegenklinken, die mij aan onze eigene gewijde kerkliederen denken doen. Een blik naar binnen werpende, zie ik onzen kommandant, die eene uitnoodiging had ontvangen om tegenwoordig te zijn bij de prijsuitdeeling op de school, welke door een fransch geestelijke bestuurd wordt. Wij bleven luisteren tot het op deze plek inderdaad aandoenlijke gezang zweeg, en vervolgden onzen weg langs de ruïnen der oude kazerne, waarvan de muren nog de sporen vertoonen van de kogels der inlanders.

Ik bezoek daarop eenige vrij nette hutten. Niemand duidt het u hier ten kwade, als ge, ook zonder genoodigd te zijn, eene woning binnentreedt. Het meubilair in die hutten is uiterst sober: aan het dak hangen de groote zakken, waarin de staatsiekleederen en sieraden geborgen zijn; voorts manden, waarin de hoofdtooisels van hanevederen worden bewaard; eene soort van kaarsen, van de noten van de aleurites triloba vervaardigd. Vischtuig, wapenen, houten kannen en potten van verschillende grootte, messen, flesschen en andere europeesche gereedschappen voltooien het ameublement.

Wij keeren naar Hiwa-Oa terug, waar wij het anker uitwerpen in de baai van Taáhoekoe, waar zich de katholieke missie bevindt. De bewoners van dit gedeelte des eilands zijn zeer onrustig van aard. Als zij door den drank opgewonden zijn, geven zij zich aan allerlei uitspattingen over en bedrijven de grootste wanordelijkheden.

Den volgenden dag waren wij weder te Taio-Hae. Alvorens het eiland Noekoe-Hiwa te verlaten, wenschte ik mijne opwachting te maken bij de koningin, die eene fraaie, ruime hut bewoont aan de westzijde van de baai. Deze koninklijke residentie ligt te midden van groote boomen, waarboven eenige kokospalmen hunne sierlijke waaiers verheffen. De heer M...., die de koningin kende, is bereid mij aan haar voor te stellen. Zij ontvangt ons zeer vriendelijk, en laat versche kokosnoten openen, om met de zoogenoemde melk onzen dorst te lesschen. Haar rechterhand is een wonder van tatoueerkunst. Met groote bereidwilligheid gaf zij mij vergunning die zoo rijk geïllustreerde hand op mijn gemak te bekijken. De koningin heet Vaekeoe; zij is de weduwe van Te-Moana, die in 1853 tot het Christendom is overgegaan. Vaekeoe is zeker, onder de inlandsche bekeerlingen tot de katholieke Kerk, een der ijverigsten en vroomsten. Jammer dat zij bijna geheel doof is. Zij trekt nog altijd een deel van het jaargeld, dat de fransche regeering aan haar echtgenoot had toegekend. Deze, die een zeer stormachtige jeugd had gehad, was, ten gevolge van een soort van oproer, verplicht geweest eene wijkplaats te zoeken aan boord van een engelsch schip, dat hem naar Londen bracht. Te-Moana sprak niet dan hoogst ongaarne over die reis, waarop hij zich eene behandeling had moeten laten welgevallen, die zeer kwalijk met zijne vorstelijke waardigheid strookte. Te Londen had men hem zelfs voor geld laten zien!

IV.

Het klimaat der Markiezen-eilanden, hoewel warm en vochtig, wordt toch voor zeer gezond gehouden. De overgangen tusschen het droge en het natte jaargetijde zijn niet altijd scherp begrensd. Gedurende de maanden Mei, Juni en Juli stortregent het bijna onophoudelijk. In November en December staat de plantengroei geheel stil ten gevolge van de aanhoudende sterke droogte. Sommige jaren worden gekenmerkt door buitengewone, geweldige droogte: dan hebben de rivieren geen water meer, en kunnen de vruchten van den broodboom niet tot rijpheid komen. Dan staat gebrek en hongersnood te wachten, tenzij de inboorlingen een grooten voorraad van popoi hebben opgedaan.

De eilanders zijn niet zeer spraakzaam. Als zij spreken, geschiedt dit op zeer luiden, bijna schreeuwenden toon, en met zeer grooten nadruk op de onderscheidene klanken hunner ruwe, onaangename taal; ook de vrouwen en kinderen spreken zeer luid. De taal der Markiezen-eilanden is een der hardste, onwelluidendste polynesische dialekten, met eene menigte keel- en neusklanken. Op de eilanden der zuidwestelijke groep klinkt de taal echter minder hard.

Gedurende ons kort verblijf in den archipel, heeft het ons aan de gelegenheid ontbroken, bij een dier groote feesten tegenwoordig te zijn, die de eilanders nu en dan vieren. Ik weet daarom niet beter te doen, dan een zeer nauwkeurig verslag van zulk een feest te ontleenen aan een opstel van den heer Jouan, die gedurende eenige jaren den post van resident op deze eilanden heeft bekleed en met de levenswijze en denkbeelden, de zeden en gewoonten der inlanders volkomen bekend is. De heer Jouan schrijft het volgende:

“In een zoo warm klimaat zijn de inboorlingen uit den aard tot traagheid geneigd. Dit is te minder vreemd, als men bedenkt dat de natuur zelve in hunne behoeften voorziet, zonder dat zij daarvoor behoeven te arbeiden. Stilzwijgend en teruggetrokken van aard, is alleen de zucht naar genot, en bijwijlen ook de geprikkelde eigenliefde, in staat, hen voor een tijd uit hunne droomerige ongevoeligheid op te wekken. Somwijlen arbeidt een stam een geruimen tijd lang, om een groot feest te kunnen vieren: hetzij ter gelegenheid van den dood van een opperhoofd, of bij het eerste tatouëeren van een jonkman van hoogen rang, hetzij eindelijk bij de voltooiing van een of ander werk van openbaar nut, zooals eene prauw, een huis of dergelijken.

“Het overoude gebruik der huiswijding wordt op de Markiezen-eilanden nog steeds in eere gehouden. Bij zulke gelegenheid wordt een feest, eene koika, gegeven, waarop de bevriende stammen worden uitgenoodigd. Gebraden varkens, bananen, visschen, popoi, worden vooraf in gereedheid gebracht, en met groote staatsie en onder luid geschreeuw naar het dorpsplein gedragen, des avonds vóór den dag, die door de zieners van den stam voor de feestviering is aangewezen, doorgaans de eerste dag na eerste kwartier. Er wordt dien nacht weinig geslapen; de mannen zingen en drinken kava in de hutten rondom het plein; terwijl in de andere hutten de vrouwen en kinderen bezig zijn met het in bladzijde 103orde brengen der kostumen voor het feest. De kinderen spelen een zeer belangrijke rol in de koika. Tegen de nadering van het feest, worden zij vele dagen, soms weken lang, ingewreven met het sap van zekere planten, om hunne huid een blanke kleur te geven, en nadat zij voor 't laatst goed gewasschen en gebaad zijn, worden zij aangekleed. Sommigen hebben meer dan honderd el tapa om hun lijf gewikkeld, bij wijze van reusachtige japon. Hun kapsel bestaat uit een diadeem van duiven- of papegaaienvederen, waarboven zich eene hooge muts van witte hairen verheft. Het achterhoofd is bedekt met eon stuk tapa, dat een soort van strik of kokarde ter lengte van een el vormt; hunne enkels verdwijnen onder zware hairbossen.

“Bij het aanbreken van den dag laten de trommels zich op het plein hooren, begeleid door oorverdoovend geschreeuw. Van alle kanten stroomen de genoodigden toe; de vrouwen plaatsen zich ter zijde op de paepae, eene soort van steenen terrassen; terwijl de mannen zich in een kring scharen om de heldendaden en krijgstochten van den stam te bezingen, onder begeleiding van de trommels. Bij dat gezang klappen zij in hunne handen, of slaan met de rechterhand op den linker elleboog, somwijlen met zooveel kracht, dat er bloed te voorschijn komt: dit mimisch gezang heet de oelaoela. Het is een eentonig recitatief, nu en dan afgebroken door een woest gehuil, dat u onwillekeurig denken doet aan de verhalen der eerste zeevaarders, die deze eilanden, toen nog door menscheneters bewoond, hebben bezocht. Voeg daarbij het woeste voorkomen der zangers, waarvan sommigen aan hun gordel menschenschedels hebben hangen, die met kleine steentjes zijn gevuld, en dus bij iedere beweging eene afschuwelijke muziek doen hooren;—en ge zult lichtelijk begrijpen dat de indruk van het geheel juist niet opwekkend is.

“Inmiddels verschijnen de kinderen, gedragen op de schouders van krachtige mannen en gevolgd door jonge meisjes, die de afhangende einden der lange lappen tapa, waarin zij gewikkeld zijn, in de hand houden. Er worden nieuwe matten op den grond uitgespreid, waarop deze arme kleinen, zweetende en zwoegende onder hun prachtgewaden, een zekeren dans uitvoeren, waarbij zij met de armen ongeveer dezelfde bewegingen maken als iemand, die met castagnetten speelt.

“Verder, op een afzonderlijke paepae, zitten de muziekanten, doorgaans grijsaards, die, zonder eenig begrip van maat, op hoornen blazen, van groote schelpen vervaardigd. Nevens hen ziet men jongelieden, de eigenlijke helden van het feest, die de omstaande vrouwen voortdurend aan het lachen moeten maken. Dit zijn de nave nave, zoo wat hetzelfde als de graciosos bij de Spanjaarden; zij zijn ongeveer op dezelfde wijze toegetakeld als de kinderen, en worden, even als dezen, telkens met kokosolie overgoten.

“Het publiek van zulk een koika maakt een zonderlingen indruk. De verschijning der verschillende stammen op het doorgaans vrij ruime, door zware boomen overschaduwde plein; de bonte, krijgshaftige tooi der mannen; de somwijlen smaakvolle kleeding der vrouwen:—dit alles levert een eigenaardigen, schilderachtigen aanblik op. Maar weldra worden uwe ooren verscheurd door het woest geschreeuw en gebrul der feestvierenden. Intusschen worden de toeschouwers niet moede. Nu en dan wekt eene of andere aardigheid de vroolijkheid op, nu en dan weerklinkt een luid gelach; maar over het algemeen heerscht er eene ernstige, plechtige stemming. Ge zoudt oppervlakkig niet zeggen, dat die menschen zich vermaken, en dat zij zich een zoo langdurigen arbeid getroost hebben om zich een zoo pover genot te verschaffen.

“Aan de eene zijde van het plein verrijst een soort van altaar, versierd met bladeren en ruw bewerkte beelden, waarvan het eene een zittenden man en het andere een reusachtige hagedis voorstelt. Dikwijls worden ook de schedels der verslagen vijanden op dat altaar nedergelegd.

“Na afloop van eenige godsdienstige plechtigheden, waarvan ik niets zeggen kan, omdat ik ze nooit goed heb kunnen zien, treedt een soort van heraut op, om het publiek te verkondigen, door welken stam en door welk opperhoofd deze koika gegeven wordt, en dat er varkens, popoi, enz. in gereedheid zijn; daarop worden de levensmiddelen aan de genoodigden rondgedeeld. Zij, die het feest geven, eten zelven niet, en nemen er zelfs schijnbaar geen deel aan. Wat de genoodigden niet dadelijk gebruiken, mogen zij medenemen. Na deze spijsuitdeeling, begint het dansen en schreeuwen op nieuw, tot omstreeks één uur van den middag, wanneer ieder zich een poos ter ruste legt; daarna wordt het feest hervat, dat dikwijls drie dagen en drie nachten achtereen duurt. Al dien tijd wordt de kava en vooral de sterke drank (namoe), als men dien machtig heeft kunnen worden, niet gespaard; eindelijk ontaardt de feestviering in de walgelijkste losbandigheid.

“Een voorname reden, waarom de toebereidselen voor zulk eene koika zoo lang, soms wel drie of vier jaar, duren, moet ongetwijfeld hierin gezocht worden, dat gedurende al dien tijd de stam aan de tapoe of taboe onderworpen, dat wil zeggen in zekeren zin gewijd, onschendbaar is. Hij mag zelf geen oorlog voeren, maar ook niet door anderen worden aangevallen. Zoolang de koika duurt, mag niemand, op straffe van hoogverraad, eenige vijandelijke daad plegen tegen hen, die daarbij tegenwoordig zijn; de koika zou in dat geval alle waarde verliezen, het godsdienstige doel niet bereikt worden. Somwijlen echter worden deze bepalingen geschonden; zoo ontbrandde, bij voorbeeld, de oorlog, die in 1856 het eiland Oea-Oeka teisterde, ten gevolge van een verraderlijken aanval op de genoodigden door hen van wie de noodiging tot bijwoning van het feest was uitgegaan. Waar de fransche invloed zich niet kan laten gelden, buiten Noekoe-Hiwa, gaan de koika, in sommige gevallen, met menschenoffers gepaard, die op het genoemde eiland niet kunnen plaats hebben. In plaats van menschen offert men daar zeeschildpadden, honden en varkens.

“In het gewone leven zijn de inlanders in het minst niet uitgelaten of bijzonder spraakzaam, veeleer het tegendeel. Als zij u Kaoha! (goeden dag) gewenscht, en u gevraagd hebben van waar gij komt en waarheen gij gaat, dan stokt het gesprek. In den beginne zijn zij wantrouwend, bladzijde 104zoo als alle wilden; maar wanneer zij de personen, met wie zij in aanraking komen, beter hebben leeren kennen, dan vermindert dit wantrouwen zeer. Zij zijn zeer gastvrij; het is een zachtaardig en goedhartig ras, maar dat ik overigens niet beter zou weten te kenschetsen dan door het woord negatief. Die natuurkinderen, waarmede de oppervlakkige, door en door onwetenschappelijke filosofie der vorige eeuw zoo ontzaglijk veel op had, staan, uit een zedelijk oogpunt, onbegrijpelijk laag. Liefde, vriendschap, de tedere banden der familie, en al die hoogere aandoeningen en gevoelens, die wij als den mensch ingeschapen beschouwen, zijn voor hen goeddeels onbekende klanken. De zoon trekt zich den dood des vaders in het minst niet aan; de moeder ziet met kalme onverschilligheid haar kind sterven, dat doorgaans, reeds bij het oogenblik zijner geboorte, aan vreemde handen wordt toevertrouwd. Nooit zal de vriend zijn vriend eenig teeken of bewijs van genegenheid geven; alleen de physieke behoefte schijnt hen tot elkander te brengen, zekere banden tusschen hen te knoopen en hen tot gemeenschappelijk handelen te bewegen.


De ouders van den koning van Vaitahoe.

“Lang voor de geboorte van een kind, is er als het ware een onderlinge wedstrijd wie dat kind zal aannemen. Zeer zelden toch gebeurt het, dat een kind werkelijk door zijne ouders wordt opgevoed; de familie, in den zin dien wij aan dat woord hechten, bestaat dan ook hier niet. Deze zonderlinge gewoonte, die waarschijnlijk haar ontstaan te danken heeft aan de behoefte om verbindtenisson aan te knoopen met andere familiën en stammen, is de oorzaak van groote verwarring in de bloedverwantschap. Behalve deze adoptie van pas geboren kinderen, bestaat er ook nog eene adoptie tusschen lieden van beiderlei kunne en van allerlei leeftijd; het is niets ongewoons, een kind den vader of grootvader van een grijsaard te hooren noemen. De neven worden beschouwd als de echte of aangenomen kinderen van den oom of de tante. Broeders en neven worden met hetzelfde woord aangeduid. De man noemt zijne schoonzuster vehine (vrouw, echtgenoote), krachtens een oud gebruik, volgens hetwelk hij, bij ontstentenis van zijne eigene vrouw, hare zuster als zoodanig mag beschouwen.

“Met deze adoptie van bloedverwanten hangt nog een ander gebruik samen: de verwisseling van naam met een vriend, waardoor de vriendschapsbetrekking van veel inniger aard wordt. De gewone vriend (ehoa) heeft slechts aanspraak op eene gewone vriendschappelijke bejegening, maar aan zijn ikoa (letterlijk, naam) mag men niets weigeren. Deze naamsverwisseling heeft doorgaans ten doel, zich een beschermer, een bondgenoot, een makker te verzekeren, hetzij in geval van oorlog, bij het ondernemen van een reis, of voor andere gewichtige gelegenheden.


Visschers van de Toeamotoe-eilanden.

“Het huwelijk is niets meer dan eene onderlinge overeenkomst tusschen den man en de vrouw; het wordt even gemakkelijk ontbonden als gesloten. De geboorte van een kind gaat met geenerlei plechtigheden gepaard; nauwelijks heeft het kind het daglicht aanschouwd, of men baadt het in koud water, terwijl de moeder een schotel warme popoi te eten krijgt. De zuigeling wordt bijna dadelijk aan het eten van popoi gewend, ten gevolge waarvan het kind op zeer jeugdigen leeftijd gespeend kan worden. Ik geloof niet dat bladzijde 106de kinderen ergens ter wereld gelukkiger zijn dan op de Markiezen-eilanden: zij mogen letterlijk alles doen wat zij willen; men hoort ze dan ook zeer zelden schreien.

“Veelwijverij is zeldzaam; slechts enkele opperhoofden hebben meer dan eene vrouw, maar het is niet zoo ongewoon, dat eene vrouw met twee mannen in vrede en vriendschap leeft.

“Men heeft de bewoners der Markiezen-eilanden van ongehoorde wreedheid beschuldigd, en ten bewijze daarvan zich op feiten beroepen, die deze beschuldiging schijnen te staven; maar men moet niet vergeten, dat de eilanders in de meeste gevallen niet anders deden dan zich wreken over geleden onrecht. Hoe vele inlanders zijn niet, zonder een schijn van recht, gestolen en opgelicht, om de onvolledige bemanning van een walvischvaarder te kompleteeren! Hoe talloos vele malen hebben de zeevaarders hen niet op alle mogelijke manieren misleid, bedrogen en mishandeld! Natuurlijk moesten dan de eerste blanken, die in handen van den beleedigden stam vielen, het ontgelden. Wij zouden honderd voorbeelden kunnen noemen, waarin het ongelijk niet kwam van de zijde der inlanders, maar wel degelijk van hen, die zich beschaafde lieden noemen.

“Te Taio-Hae, waar wij sedert 1842 voortdurend eene nederzetting hebben onderhouden, hebben de zeden en gewoonten der inboorlingen eene aanmerkelijke verandering ondergaan. Zij zijn daar in den omgang zeer zachtaardig en vriendelijk. Op meer afgelegen plaatsen, die niet door schepen worden bezocht, zijn zij achterdochtiger en woester van aard: het is daar altijd goed, in het verkeer met hen op zijne hoede te zijn.

“Een van de goede vruchten van ons bestuur is, dat bijna op het geheele eiland ongestoorde vrede heerscht. Men kan zeggen dat de menschenoffers en het kannibalisme hier tot het verleden behooren, en dat de inlanders zelven zich daarover schamen. Althans de meer bejaarden onder hen, die in hunne jeugd getuigen zijn geweest van die gruwelen, spreken daarover zoo min mogelijk. Niettemin zou ik niet durven verzekeren, dat deze oude gewoonten niet wederom in zwang zouden komen, als wij voor goed heengingen.

“Op de andere eilanden zijn de menschenoffers nog altijd in gebruik, en heerscht ook nog de anthropophagie, hoewel in veel mindere mate dan doorgaans beweerd wordt. De weinige krijgsgevangenen en de gedoode vijanden worden inderdaad gegeten, maar dit geschiedt meer uit een soort van overmoedige uittarting, dan wel uit smaak; de inboorlingen zelven hebben mij dit meermalen verzekerd, en velen hunner ontkennen ten sterkste dat zij ooit aan een dergelijk feestmaal hebben deelgenomen. De berichten, die de bewoners der verschillende eilanden omtrent elkander geven, hebben zeer veel bijgedragen tot den kwaden roep, die over het algemeen van hen is uitgegaan, en die, blijkens onze eigene ervaring, niet ten volle gerechtvaardigd is.”

II.

De archipel van Toeamotoe.—De Gambier-eilanden.

I.

Den 15den Januari 1873, twintig minuten voor elf uur in den voormiddag, verliet de Vaudreuil de reede van Papeete, op het eiland Tahiti. Nauwelijks waren wij in het ruime sop gekomen, of de vuren werden gedoofd en de zeilen geheschen. Ons eerste station zou het eiland Anaa zijn, het belangrijkste punt van den archipel van Toeamotoe.

De wind, die in deze streken doorgaans uit het oosten blaast, verhinderde ons den rechten weg te volgen; ware dit mogelijk geweest, dan hadden wij in minder dan twee dagen den afstand van ongeveer tachtig zeemijlen, die Anaa van Papeete scheidt, kunnen afleggen.

Eenige uren na ons vertrek kregen wij de Tetiaroa-eilanden in het gezicht, vijf-en-twintig mijlen ten noorden van kaap Venus gelegen. Deze kleine eilandjes of liever koraalriffen, die thans aan koningin Pomare behooren, zijn geheel met kokospalmen bedekt.

In den morgen van den 17den kwamen wij in het gezicht van het eilandje Meetia, dat tot een der distrikten van Tahiti, het distrikt Tautira, behoort. Dit hooge eilandje, omstreeks twintig zeemijlen van de zuid-oostpunt van Tahiti verwijderd, is een uitnemend herkenningspunt voor de schepen, die de haven van Papeete willen binnenloopen en voor de kustvaarders. Het eiland telt eene weinig talrijke bevolking. Den vorigen avond waren wij het eiland Makatoa voorbijgestoomd, dat mede vrij hoog uit de zee oprijst en door omstreeks honderd-dertig inlanders bewoond wordt. Het eiland is rijk aan prachtige tamanoe, een soort van boomen, die zeer gezocht worden voor de vervaardiging van prauwen en ook voor het bouwen van woningen. Makatea bezit diepe grotten, versierd met prachtige stalactiten. Vroeger werden de misdadigers van Tahiti derwaarts gedeporteerd.

Den 20sten Januari, des nachts ten een uur, bevonden wij ons tegenover de westelijke landpunt van Anaa. Toen ik, tegen zonsopgang, op het dek kwam, lag het eiland daar voor mij, als verborgen achter een dichten sluier van weelderig groen. Omstreeks negen uur wierpen wij het anker uit voor het voornaamste dorp, Toeahora genoemd; daar wapperde, aan een hoogen mast, de fransche vlag.

Anaa is een boomrijk eiland, dat eene lengte heeft van achttien en eene breedte van negen mijlen. Het bestaat eigenlijk uit een groot aantal koraal-eilandjes, even als de ringen van een ketting aan elkander geschakeld en rustende op een cirkelvormig rif. Deze eilandjes zijn over het algemeen vrij hoog, vooral in het noordelijk gedeelte. Anaa is het meest bevolkte eiland van den ganschen archipel; het telt ongeveer vijftienhonderd inwoners, die in beschaving boven die van de andere eilanden uitmunten. Het eenige voortbrengsel is kokosolie. De fransche resident is op dit eiland gevestigd.

Wat van Anaa geldt, geldt van bijna alle eilanden bladzijde 107van den archipel. Het zijn schier allen lange koraalriffen, ter breedte van vier- of vijfhonderd el, die een binnenmeer omgeven, dat op Rairoa een omtrek heeft van honderd mijlen, en op het eiland Fakarava een omtrek van negen mijlen. Die lange koraalrotsen, deels met de oppervlakte van het water gelijk liggende, deels slechts eenige ellen boven de zee verheven, bieden aan de buitenzijde geen ankerplaats aan, terwijl zij aan de binnenzijde met zachte glooiing tot dikwijls zeer aanzienlijke diepte afdalen. Enkelen dezer lagunen of meren, door die geweldige koraaldammen gevormd, zijn met de zee verbonden door smalle straten of kanalen, die voor schepen van alle grootte toegankelijk zijn; anderen zijn alleen voor kleine vaartuigen bereikbaar. Vele eilanden hebben in het geheel geen doorgang voor de vaartuigen, die dan over het rif heen naar het binnenmeer moeten gedragen worden: een gevaarlijk werk, zelfs voor de inlanders. Maar dezen, die allen zonder uitzondering voortreffelijke zwemmers zijn, loopen toch altijd minder gevaar dan de vreemdelingen, voor wie het in- of ontschepen dikwijls met zeer ernstige bezwaren gepaard gaat, ten gevolge van de doorgaans zeer hevige branding, die met donderend geraas op de koraalriffen breekt.

De prachtige lagune van Anaa, waarvan de smaragdgroene wateren heerlijk afsteken bij de hemelsblauwe kleur der zee, staat met deze laatste in gemeenschap door middel van een gegraven kanaal, dat in 1860 door de koraalbank is aangelegd. De geweldige stroom, die hier bijna altijd gaat, maakt echter de vaart door dit kanaal zeer gevaarlijk. Het water van het meer, dat niet op gelijk peil ligt als de zee, stroomt met groote kracht door deze nauwe opening. Een rots, die het kanaal in twee armen splitst, veroorzaakt geweldige opstuwing en maakt de vaart nog moeilijker; het voornemen bestaat echter om die rots te doen springen.

Dit gemis van eene behoorlijke gemeenschap tusschen het binnenmeer en de zee, is eene wezenlijke belemmering voor den handel van het eiland. De regeering zou daarom zeer gaarne zien, dat de inlanders hun kokosolie voornamelijk ter markt brachten op het eiland Fakarava, dat in zijne volle lengte doorsneden wordt door een kanaal, hetwelk aan de beide uiteinden, ten noorden en ten zuiden, met een breeden mond in zee uitloopt. De resident van de Toeamotoe-eilanden, die van een inlandschen visscher vernomen had dat het rif zich ten noordoosten van de uitmonding van het kanaal van Anaa nog een weinig onder water voortzet, heeft op dit vrij steil afloopende gedeelte een soort van aanlegplaats doen maken. Voldoet deze aan de verwachting, dan zou een groot schip daar kunnen ankeren, en niet, zoo als wij nu, genoodzaakt zijn, voortdurend te manoeuvreeren, ten einde op zekeren afstand van de kust te kunnen blijven.

De bewoners dezer eilanden zijn niet ontbloot van zeker gevoel van nationale eigenwaarde, zoo als uit het volgende blijkt. Omstreeks vijf-en-twintig jaar geleden, tijdens het bestuur van den heer Bonard, werd te Papeete eene algemeene vergadering gehouden van afgevaardigden van alle eilanden, die onder het fransche protektoraat staan. De afgevaardigden van den archipel kwamen daarin met nadruk op tegen de benaming van Paumotoe (onderworpen eilanden), weleer aan deze eilanden gegeven door de bewoners van Tahiti, die ze door de wapenen hadden veroverd. Op hun aandrang sprak de vergadering den wensch uit, dat de oostelijke archipel voortaan niet anders zou worden genoemd dan Toeamotoe (verre eilanden). De fransche overheid, aan dien wensch gehoor gevende, heeft dan ook, sedert 1852, aan dezen archipel, in officiëele stukken, geen anderen naam gegeven dan dien van Toeamotoe.

De resident verschijnt bij ons aan boord, om het ontbijt te gebruiken en onzen kommandant te bezoeken. Na afloop van het ontbijt laten wij ons in eene sloep aan land roeien.

Het dorp Toeahora is op de smalle zandige landtong gebouwd, die het binnenmeer van de zee scheidt, ter wederzijde van een witten weg, waarvan de felle weerschijn, bij het blakerende zonnelicht, ons haast de oogen verblindt. Met het toenemen der welvaart heeft de ontwikkeling der behoefte aan meerder levensgemak en die der nijverheid onder de inlanders gelijken tred gehouden: gaandeweg hebben zij hunne armzalige hutten vervangen door aardige woningen, met palmbladeren bedekt; deze woningen staan meestal op blokken koraal. De stijlen, de lijsten, de deuren en vensters zijn vervaardigd van het hout van den boom, wiens bladeren tot bedekking dienen; de ruimte tusschen de stijlen wordt aangevuld door een vlechtwerk van kokosbladeren. In sommigen dezer woningen vindt men bedden, behoorlijk van matten en muskietenschermen voorzien.

Nabij deze woningen wordt onze aandacht getrokken door groote kloven of uithollingen in het koraal. Deze kuilen of kloven hebben eene diepte van vier tot vijf el, zijn zes tot zeven el breed, en omstreeks vijftien el lang. De inlanders verzamelen daar een weinig aarde, en maken dan van die droge grachten een soort van tuinen, waarin zij uitmuntende taro (arum esculentum), suikerriet, bananen, ananassen en tabak kweeken.

Na eene vrij langdurige wandeling door het dorp Toeahora, waar wij overal met groote vriendelijkheid bejegend worden, begeven wij ons naar het residentshuis, om daar, uitgeput van de hitte en vermoeienis, een weinig te rusten. De resident, de heer Mariot, luitenant ter zee, ontvangt ons met de meeste hartelijkheid en doet ons eenige ververschingen toedienen, waaraan wij grootelijks behoefte hebben.

De kleine kazerne van het garnizoen maakt deel uit van het residentshuis. Ik ga haar zien. Een sergeant der mariniers, die voor eenige jaren naar Tahiti gegaan is met de Sibylle, waarop ik destijds diende, toont mij de beknopte, maar doelmatige inrichting. Hij biedt mij een fraaien rotting van pandanushout ten geschenke aan, benevens eenige sierlijke schelpen, tot verrijking onzer collectie aan boord. Het opperhoofd van Toeahora, een prachtig gebouwd man met een zeer schrander gelaat, bevindt zich bij den resident; wij ontmoeten daar ook den vorst van het eiland Kauehi, die ons op onzen tocht als loods moet dienen, benevens den officiëelen tolk, een gewezen sergeant der mariniers, die hem moet vergezellen. Ook onze kommandant bladzijde 108verschijnt, en weldra wordt een gesprek aangeknoopt, straks afgebroken door het geroffel van trommels en het luid gezang eener menigte van inboorlingen, zoo mannen als vrouwen, die voor het residentshuis zijn saamgekomen. Deze brave lieden willen ons, op hunne eigen manier, eene uitspanning bezorgen. Als altijd, is de dans daarbij hoofdzaak. Wij nemen plaats onder de breede veranda voor de woning van den resident, terwijl de inlanders in de brandende zon blijven.

De Toeamotoes staan bekend als de onvermoeidste dansers van alle eilanders onder fransch protektoraat. Zij hebben twee verschillende soorten van dansen. Bij de eene, blijven zij op hunne hielen neergehurkt zitten, en maken in die houding met hunne armen de meest afwisselende en dikwijls zeer bevallige bewegingen, waarbij zij, op de maat, een eentonig gezang aanheffen. De andere dans is een ware pantomime, waarbij de dansers door allerlei gebaren de hartstochten uitdrukken, waaraan zij ten prooi zijn. Een der toeschouwers geeft de maat aan, door met de palm der hand op een trommel te slaan, een uitgehold stuk van een kokosstam, waarover het vel van een haai gespannen is. Ditmaal wordt dit eenvoudig inlandsch instrument vervangen door twee gewone trommels, die met groote handigheid bespeeld worden. De andere toeschouwers moedigen de dansers aan, door met groote kracht, op de maat, in de handen te klappen.


Gezicht op het eiland Mangareva.

De inboorlingen van Anaa, die in veelvuldige aanraking zijn met de bewoners van Tahiti, stellen zich voor hun voedsel niet meer tevreden met de vruchten van den pandanus (een soort van palmboom) en de visschen van hun meer. Zij hebben daarom op hun eiland de proef genomen met de aankweeking van kokosboomen, en die proef is uitnemend geslaagd: de boom groeit op het eiland bijna in het wild. De kokospalm heeft zich vervolgens van het eene eiland naar het andere voortgeplant, tot ver in het oosten van den archipel. Deze zoo bij uitnemendheid nuttige boom heeft echter een geduchten vijand in een soort van groote landkrab, met zeer sterke scharen gewapend, voor wie de vrucht van den kokospalm eene zeer geliefde lekkernij is.

De kokosnoot is tegenwoordig een der hoofdbestanddeelen van het voedsel der eilanders; zij gebruiken die ook om varkens, gevogelte en honden te mesten. Deze laatsten zijn als spijs zeer gezocht.


Inboorlingen der Markiezen-eilanden; afgodsbeeld.

De wijze van bereiding der kokosolie is nog zeer eenvoudig en onbeholpen. De eilanders verzamelen de rijpe vruchten, die van den boom vallen, en raspen die met eeu uitgetand stuk ijzer, aan een hout bevestigd. Het aldus verkregen meel of deeg bewaren zij in bakken, die in kokosstammen worden uitgehold, en waarin het, gedurende twee of drie weken, aan de werking der zonnestralen blijft blootgesteld. Na bladzijde 110verloop van dien tijd is dit deeg in zoo ver tot vloeibaren staat overgegaan, dat men, door het met de hand te kneden, althans een gedeelte der olie kan uitpersen. Het overschietende deeg wordt dan onder eene ruw bewerkte houten pers geplaatst, en levert nog eene vrij groote hoeveelheid olie; maar toch gaat er een deel verloren. Vele handelshuizen zenden dan ook de noten in haar natuurlijken toestand, onder den naam van copperas, naar Europa, waar zij op veel doelmatiger wijze worden uitgeperst. Hetgeen na de persing overblijft, dient tot voedsel voor het vee, of wordt als mest gebruikt.

De dag loopt ten einde; men waarschuwt den kommandant dat de levensmiddelen en de andere voor den resident bestemde zaken aan wal zijn bezorgd. Hij geeft het teeken tot vertrekken, en wij verlaten Anaa, om naar boord terug te keeren, zeer tevreden over ons uitstapje en over de vriendelijke ontvangst van den resident.

In den loop van den 24sten varen wij voorbij het eiland Anoeanoeroenga, eigenlijk uit vier eilandjes bestaande, nevens elkander op een rif geplaatst, waarvan het middengedeelte wordt ingenomen door een lagune of binnenmeer, dat voor vaartuigen uit zee ontoegankelijk is. Het naburige eiland Anoeanoeraro, dat volgens officiëele opgaven onbewoond is, werd in het begin van 1874, door den resident der Toeamotoe-eilanden bezocht. Aan het verslag van dien officier ontleen ik het volgende:

“Den 9den Januari, des avonds, zijn wij aan het eiland Anoeanoeraro gekomen, waar ik wist dat zich schipbreukelingen in gevaarlijken toestand bevonden. De ellende dezer ongelukkigen ging alle beschrijving te boven. Op het gansche eiland was geen stuk goed katoen of doek te vinden, dan de vlag van het protektoraat. Mannen en vrouwen hadden niets om zich mede te bedekken dan eenige schorten, van de bladeren van den pandanus gevlochten. Het eiland was vroeger bezocht geworden door de kustvaarders van den heer Brander, die er kwamen om parelmoer te zoeken, maar die niet zijn teruggekeerd, omdat deze visscherij geen voldoende opbrengst gaf. De schipbreukelingen waren ten getale van zes-en-veertig, allen inboorlingen van Vahitahi; zij waren met hunne prauwen van dat eiland naar Anaa gegaan, om de vlag van het protektoraat en wetten te vragen, die hun ook gegeven werden door den heer Dubouzet, destijds te Anaa, waarheen hij zich begeven had om bij de inwijding der kerk van Tematahoa tegenwoordig te zijn. Zij keerden naar hun vaderland terug, toen zij door een storm overvallen werden, die hen op de klippen van Anoeanoeraro wierp, waarop hunne prauwen werden verbrijzeld, en waarbij twee personen het leven verloren. Hun eenige voedsel bestond uit het sap en de vrucht van den pandanus, en uit een soort van schelpdier. Gelukkig ontbrak het hun niet aan goed drinkwater. Ondanks deze ellende, hadden zij altijd in goede verstandhouding onder elkander geleefd. Toen ik het rif aandeed, kwamen deze arme lieden, bevreesd dat hun voorkomen ons tot terugkeer zou nopen, haastig naar ons toe, roepende: “Weest niet bevreesd, wij zijn geen wilden, wij zijn ongelukkige menschen!”

Zij werden aan boord van de goëlet la Mésange opgenomen, en naar Vahitahi, hun vaderland, teruggebracht, dat zij voor omstreeks twintig jaar verlaten hadden.




1 De volgende schetsen zijn ontleend aan het verhaal eener reis, in de jaren 1872–1874, door den franschen zeeofficier A. Pailhès gedaan.

De uitvinder der alpakawol.

In vroeger tijd heerschte vrij algemeen de nog niet geheel overwonnen meening, dat de som der goederen van deze wereld voor geene vermeerdering vatbaar is, dat zij slechts van de eene hand in de andere overgaan, en dat de rijkdom van den een niet te verkrijgen is dan ten koste van de armoede van den ander. Het mag der nieuwere wetenschap tot haar eer worden nagegeven, dat zij deze bekrompen dwaling heeft bestreden, en het tegendeel met daden bewezen. Juist daarom komt aan de uitvinders eene plaats toe onder de weldoeners der menschheid, omdat zij, in zekeren zin, nieuwe goederen, nieuwe waarden, scheppen, of althans tot dusver ongebruikte middelen ter bevrediging van behoeften binnen het bereik van het algemeen brengen; dat zij verborgen natuurkrachten dienstbaar maken, en den arbeid des menschen verlichten of hem in staat stellen, met minder inspanning, meer te volbrengen. Onder die weldoeners der menschheid rekenen wij de onbekende ontdekkers van het ijzer, van den ploeg, van den wagen, van het schip, van het glas, en evenzeer de uitvinders der stoomwerktuigen, van de spin- en weefmachines, van spoorwegen en telegrafen, en van zooveel meer, dat tot verhooging der menschelijke arbeidskracht of tot vermeerdering van den welstand des levens bijdraagt.

Tot deze mannen behoorde ook Titus Salt, die voor weinige weken, in den ouderdom van 74 jaar, op zijn landgoed bij Halifax is overleden. Met hem is weder een dier heroën der industrie ten grave gedaald, aan wie Engeland zijne tegenwoordige grootheid op ekonomisch gebied te danken heeft. Maar bij weinigen slechts valt het verband tusschen de werkzaamheid van een enkelen man en de welvaart eener gansche landstreek, zoo duidelijk in het oog, als bij hem. Toen Titus Salt, de zoon van een eenvoudigen wolhandelaar uit Wakefield, die zijne geheele opvoeding op de gewone volksschool ontvangen had, met zijn vader Daniël naar Bradford verhuisde, was deze plaats niets meer dan een gewoon fabrieksdorp. De handel in wollen stoffen voor vrouwelijke kleeding verkeerde nog in zijne kindschheid. De onvermoeide arbeid en inspanning van vele tientallen jaren was noodig, om het vlek tot eene zelfstandige stapelplaats zijner wollen stoffen te maken, en nog telde Bradford niet meer dan 30.000 inwoners. Tegenwoordig heeft het zich tot eene stad van 150.000 zielen en tot een der grootste middelpunten van den wereldhandel verheven. Het is het brandpunt der alpaka-industrie, van waar deze zoo zeer gezochte stof naar alle deelen der wereld verzonden wordt.

Nog voor omstreeks dertig jaar wist men ter nauwernood, dat op de hoogvlakten der Cordilleras van bladzijde 111Peru en Chili een soort van lama of bergschaap leeft, dat in groote kudden over de uitgestrekte grasvelden ter hoogte van 2500 el boven de zee zwerft. Als lastdier is de alpaka, uit hoofde zijner koppigheid en onhandelbaarheid, niet te gebruiken. Intusschen wist men reeds ten tijde der oude Inkas uit zijne wol eene stof te bereiden en die ook te verwen. Deze kunst was echter met het rijk der Inkas te gronde gegaan; slechts de Indianen gebruikten de alpakawol nog voor de vervaardiging van grove dekens en mantels. De vervaardiging van fijnere stoffen en weefsels scheen langen tijd, door den aard der wol zelve, onmogelijk, want deze was noch met de hand, noch met de tot dusver bekende spinmachines voldoende te bewerken.

Ook nadat Titus Salt zijne nieuwe methode van bewerking had toegepast, zagen andere fabriekanten, zoo lang hij zijn geheim niet had geopenbaard, zich gedwongen, de alpakawol met andere, meer handelbare stoffen, zooals katoen, zijde, kamgaren, te vermengen. Nadat Salt echter zijne uitvinding, die het hem mogelijk maakte uitsluitend alpakawol voor zijne weefsels en stoffen te gebruiken, algemeen had bekend gemaakt, en den handel met een nieuw artikel verrijkt, dat alle soortgelijke artikelen in schoonheid, duurzaamheid en goedkoopheid overtreft, heeft de alpakateelt een zeer groote vlucht genomen, en treft men in Peru en Chili talrijke kudden van deze dieren aan, die echter vrij rondzwerven en door de eigenaars alleen voor het scheeren bijeen worden gedreven.

Reeds in den eersten tijd van zijn verblijf te Bradford, werd de aandacht van Titus Salt op de aanwending van nieuwe, tot dusver in de wolindustrie onbruikbaar geachte grondstoffen gevestigd. Aanvankelijk bepaalde hij zijne keus op eene uit zuidelijk Rusland, van de oevers van den Don, afkomstige grondstof, de zoogenaamde Donskoiwol. Hij stichtte eene nieuwe fabriek, uitsluitend met het doel om deze zeer gewone stof te bewerken, en deze proefneming werd het uitgangspunt voor zijne latere, meer belangrijke uitvinding. In het jaar 1836 toonde hem een koopman van Liverpool, van wien hij wol placht te koopen, eenige balen met glansrijk hair, die men hem gezonden had, doch die hij aan niemand kwijt kon worden. Dit hair was afkomstig van de alpaka's. De jonge Salt nam een baal mede naar huis, en kwam later terug om niet alleen de gansche bezending, maar ook den geheelen voorraad, die daarvan in Liverpool te vinden was, op te koopen. Na volhardende inspanning en herhaalde proefnemingen, en na raadpleging met ervaren werktuigkundigen, was het hem ten slotte gelukt een middel te vinden, niet alleen om het alpakahair in de wolindustrie te gebruiken, maar ook om eene geheel nieuwe kleedingstof te vervaardigen, die het midden houdt tusschen zijde en wol. Hij liet een nieuw stel van werktuigen maken, die enkel voor de bewerking van de weerbarstige alpakawol waren ingericht, en verzekerde zich het uitsluitend eigendom dezer machinerie door een patent voor zijn persoonlijk gebruik te nemen, en die toestellen voorloopig niet voor het algemeen verkrijgbaar te stellen. Daardoor verkreeg hij voor een tijdvak van vijftien jaar het monopolie van zijn artikel.

De bijval, dien de nieuwe stof al aanstonds bij het damespubliek vond, en de groote belangstelling, op de eerste wereldtentoonstelling te Londen daardoor opgewekt, bewogen Titus Salt tot de oprichting van eene nieuwe groote alpakafabriek, in de nabijheid van Bradford, niet ver van de ijzergieterij van Low-Moore, na de fabriek van Krupp de grootste der wereld. Do kolossale inrichting, waarin tegenwoordig 4800 werklieden arbeiden, was in 1855 voltooid, en den schrijver van deze regelen viel in 1864 het bijzondere voorrecht ten deel, het anders ontoegankelijke binnenste heiligdom dezer fabriek te mogen bezichtigen. Onder de talrijke fabrieken, die ik zoowel in Engeland als op het vaste land had bezocht, zijn er maar weinigen, waar mijne belangstelling in zoo hooge mate gewekt werd als hier door de vernuftige machinerie, waarmede de stroeve alpakawol tot fijne draden geweven werd. Daar de bekende toestellen, die voor het spinnen van wol, katoen en vlas worden gebruikt, voor dit minder handelbare materiaal niet dienen konden, bedacht Salt geheel nieuwe, vernuftige werktuigen, waardoor alle mogelijke wendingen en buigingen, die met de hand gemaakt kunnen worden, door de als met leven bezielde machine worden uitgevoerd. Terwijl de toestel zich keert en draait, beweegt hij de grondstof, ter behoorlijke hoogte, boven gasvlammen, die de wol door verhitting zacht en buigzaam maken en haar alzoo, door telkens draaien en wenden, in een draad van de verlangde fijnheid herscheppen. Toen ik de fabriek bezocht, werd zij door twee stoomwerktuigen van te zamen 1200 paardekrachten gedreven; deze werktuigen werden door twaalf naast elkander staande stoomketels gevoed, die reeds toen met een zeer eenvoudigen rookverteringstoestel waren voorzien. Wie ooit de fabriekdistrikten, en vooral de ijzer- en kolendistrikten van Engeland bezocht heeft, zal mij toegeven, dat er weinig dingen zijn, die op het verstand en de verbeelding beiden sterker indruk maken, dan de aanblik van eene groote fabriek, waar de machine en de menschelijke hand als in elkander grijpen en harmonisch samenwerken tot één doel, en waar de geest van den lang overleden uitvinder nog voort schijnt te leven in dat samenstel van machines, zich bewegende in vasten takt, met nimmer falende regelmatigheid. Maar niemand zal ontkennen, dat dit genot zeer wordt vergald door den onverdrijfbaren kolendamp, die over deze streken en over bijna alle engelsche steden hangt, en dezen als tot een voorportaal der hel maakt;—al willen wij gaarne toegeven dat het leven op de engelsche landgoederen en kasteelen bijna een voorsmaak des hemels mag genoemd worden. Hoe groot was dus mijne verbazing, toen ik, nog met de versche herinnering aan de zwart berookte baksteenmuren en den grauw-zwarten dampkring der engelsche fabrieksteden vervuld, het reusachtige etablissement van Salt in volle werking vond, zonder dat een spoor van rook, hetzij aan de gebouwen, hetzij in den dampkring, te bemerken was. Sedert negen jaar stond daar de fabriek, en in haar omtrek honderden arbeiderswoningen: en nog hadden de grijze zandsteenmuren niets van hunne oorspronkelijke kleur verloren. Slechts aan de beweging der lucht boven den geweldigen slanken schoorsteen, was bladzijde 112het te bemerken dat de stoomketel gestookt werd. En hoe eenvoudig was deze inrichting! Boven elken vuurhaard der twaalf ketels was een rij pijpen aangebracht, die eene massa stoom boven het vuur lieten spelen, waardoor de kooldeeltjes, welke den rook vormen, werden nedergeslagen en door het vuur verteerd. Het is bijna twintig jaar geleden, dat het Parlement eene wet heeft uitgevaardigd, waarbij aan de fabrieken de verplichting is opgelegd tot het aanbrengen van rookverterende werktuigen. Nog steeds wordt die wet geregeld ontdoken, en de dampkring van vele engelsche steden verpest, hoewel het middel ter voorziening zoo eenvoudig is, en de rookverslinder bij de lokomotieven op de onderaardsche spoorwegen in Londen zoo uitnemend werkt, dat men onder den grond soms betere lucht inademt dan boven.

Aan de voortreffelijke mechanische inrichting der grootste alpaka-fabriek, die naar haren stichter den naam van Saltaire draagt, beantwoordt de niet minder uitnemende ligging voor den handel. In dit opzicht mochten wel alle toekomstige fabrieken aan deze een voorbeeld nemen. Hierin ligt ook een der redenen van de meerderheid der engelsche fabrieken. Er loopt namelijk niet alleen door de fabriek een spoorweg, die aan twee kanten met de groote lijnen voor het verkeer in Engeland in verbinding staat, maar een der vleugels van het hoofdgebouw grenst onmiddellijk aan het kanaal, dat Engeland in de breedte doorsnijdt, en Liverpool met Hull verbindt. De produkten der fabriek kunnen alzoo, rechtstreeks, door vrachtschepen, aan de eene zijde naar den Atlantischen-oceaan, en aan de andere naar de Noordzee en het Kanaal worden vervoerd. Door middel van de boven het gebouw oprijzende kraan worden de schepen, die de grondstof aanbrengen, gelost, en weder met de produkten der fabriek geladen om die naar de havens te brengen, van waar stoombooten ze naar alle oorden der wereld vervoeren. Geen wonder, dat de fabriek onmetelijke winsten oplevert, die reeds in 1864 op niet minder dan 30.000 pond sterling per jaar werden geschat. En dit cijfer is inderdaad niet overdreven, daar Titus Salt reeds in het negende jaar na de stichting zijner fabriek, met zijn spaarpenningen een landgoed ter waarde van 250.000 pond aankocht!

Titus Salt heeft zich evenwel niet met deze persoonlijke voordeelen tevreden gesteld: hij heeft al zijne gaven en vermogens, zoo geestelijke als stoffelijke, ook gebruikt om het geluk en de welvaart zijner arbeiders te verzekeren, en om den bloei te bevorderen der stad Bradford, wier voorspoed zoo nauw met zijne industrie verbonden was. Zijne edele pogingen vonden bij zijne landgenooten billijke erkenning en waardeering. Hoewel hij zijn loopbaan als eenvoudig industriëel begonnen had, werd hij tot lid van het Lagerhuis verkozen. In 1869 schonk de Koningin hem den titel van baronet; voor weinige jaren, alzoo nog bij zijn leven, viel hem de eer te beurt, dat een marmeren standbeeld in de stad Bradford tot zijne gedachtenis werd opgericht.—Sir Titus heeft elf kinderen nagelaten, waarvan verscheidene zonen de leiding der fabriek op zich hebben genomen, en de oudste zoon, als chef der firma Titus Salt's Zonen en C^o, tevens de baronie erfde.

Bijzondere vermelding verdient hetgeen Salt heeft gedaan voor de arbeiders zijner fabriek, voor wie hij, om zoo te zeggen, een eigen, gezonde stad vol fraaie woningen gebouwd heeft. Volgens de laatste volkstelling bevatte Saltaire 820 huizen met 4389 inwoners. Sir Titus heeft op zijne fabriek niet slechts sedert lang eene kerk en eene school gesticht, maar nog in het vorige jaar heeft hij 10.000 pond uitgegeven voor de oprichting en het onderhoud eener nieuwe zondagsschool. De fabriek heeft niet alleen eigen wasch- en badinrichtingen, maar er is ook een hospitaal, een invalidenhuis en bovendien vijf-en-veertig kleine afzonderlijke woningen ten behoeve van oude gehuwde lieden en weduwen, die niet meer werken kunnen; de eersten ontvangen bovendien eene wekelijksche tegemoetkoming van tien shillings, en de laatsten van zeven en een halve shilling. Daarbij heeft hij in zijn testament aan de arbeiders en de armen van Saltaire een legaat gemaakt van 30.000 pond sterling, waarvan de renten moeten dienen voor de oprichting van een bibliotheek en een club met leeskamer, billard en schaakspelen, en tevens ter bestrijding van de toenemende behoeften der armen. Ook de stad Bradford dankt aan zijne weldadigheid nog andere inrichtingen van openbaar nut: Sir Titus schonk haar een klein park van veertien acres aan de oevers der Aire, en droeg voor eene zeer aanzienlijke som bij voor den aankoop van het Peelepark.

Eere der nagedachtenis van den man, die niet alleen het geluk zijner familie, maar ook de welvaart van zijn land door zijn rusteloozen en verstandigen arbeid bevorderd heeft.

Max Wirth. (Ueber Land und Meer.) bladzijde 113

De Aarde en haar volken: Jaargang 1877 - Full Text (Dalmatie)

No comments:

Post a Comment