Monday, March 5, 2012

De Aarde en haar volken: Jaargang 1877 - Full Text (Blanken en kleurlingen)

Blanken en kleurlingen.


De haven van Richmond.

(Vervolg van bladz. 72).

XIX.

De staatsgreep.

Bij het aanbreken van den dag, terwijl de neger-afgevaardigden zich nog geeuwend op hunne met koortsmos gevulde matrassen rondwentelen en voortdurend om meer whisky schreeuwen, vult zich de Koningsstraat met soldaten, die de voetpaden bezetten en hunne geweren op den rijweg in rust zetten. Wat heeft dit te beduiden? De gansche stad schijnt reeds ontwaakt en op de been. De voetpaden wemelen van burgers zoowel als van soldaten, en bijtende spotternijen, krenkende woorden worden van beide zijden gewisseld. De mariniers naderen van de zijde der kaaien; nabij het Tolkantoor is de kavalerie opgesteld. Twee kanonnen staan bij het havenhoofd, een derde beschermt den toegang tot het Statenhuis. Emory, met het opperbevel belast, blijft in het Arsenaal, gereed daar heen te gaan, waar zijne tegenwoordigheid vereischt wordt. Zijn luitenant, De Trobriand, na zijne troepen in de straat Saint-Louis te hebben opgesteld, met hun rechtervleugel geleund tegen de gesloten poorten van het Kapitool, en de linker zich uitstrekkende naar de rivier, bezet met een deel zijner brigade de Koningsstraat. Tweeduizend federale soldaten zijn onder de wapenen.

Met uitzondering van de ordonnans-officieren, die nu en dan naar het hotel rijden waar Sheridan nog altijd vertoeft, wordt de toegang tot de straat Saint-Louis aan niemand vergund; evenmin wordt iemand in de Koningsstraat toegelaten, behalve de berichtgevers der dagbladen, de dienstdoende officieren, en de van een toegangskaart voorziene leden der Kamer. Potter, lid van de door het Congres benoemde commissie, toont zijn kaart: vergeefs: de toegang tot het Kapitool wordt hem geweigerd. Mac-Enery en Wiltz, die er prijs op stellen officieele getuigen te hebben, noodigen ook de beide andere leden der commissie, Forster en Phelps, uit, om met Potter bij de opening der zitting tegenwoordig te zijn. De drie leden verschijnen gezamenlijk: de schildwachten drijven hen terug. Als voorzitter der commissie, laat Forster een hoofdofficier roepen, die, na eenige woordenwisseling, hun vergunt door te gaan, maar volstrekt weigert, de heeren die hen volgen mede door te laten.

Even voor twaalf uur, verschijnen de conservatieve bladzijde 154leden en corps in de Koningsstraat, en begeven zich naar den ingang van het Kapitool; de dienstdoende officier houdt hen staande, en verlangt hunne papieren te zien. Vier hunner, die geen toegangskaarten hebben, worden afgewezen, tot dat nader omtrent hunne toelating zal zijn beslist. De anderen vervolgen hun weg door gangen, met soldaten bezet, door kamers, vervuld met den stank van slechte sigaren en whisky. Afdeelingen policie-agenten, met knuppels en revolvers gewapend, bewaken de deuren, en weigeren de toegangen tot de vergaderzaal te ontruimen. Zij beweeren, dat generaal Campbell hun hunne posten heeft aangewezen, en zoo lang hij hen niet afroept, mogen zij zich niet verwijderen. Foster en Phelps houden van dit een en ander zorgvuldig aanteekening.

Voor Wiltz is het nu niet langer twijfelachtig, of, wanneer bedrog niet mocht slagen, de scalawags tot geweld hun toevlucht zullen nemen; en Mac-Enery is evenzeer overtuigd dat zij daarbij op de hulp der federale officieren kunnen rekenen. Een enkel driftig woord, een enkele ondoordachte stap, kan eene noodlottige botsing uitlokken. “Laat ons vastberaden en spoedig handelen”, fluisteren de burgers elkander toe; “bovenal, laat ons strikt binnen de palen der wet blijven.”

Met klokslag van twaalven begint Vigers de presentielijst af te lezen; twee-en-vijftig republikeinen en vijftig conservatieven zijn tegenwoordig.

“Honderd-twee leden zijn present; de vergadering is wettig geconstitueerd!” roept Vigers, wiens stem bijna door het geschreeuw en gejoel der negers wordt verdoofd.

“Ik stel voor, zegt Billieu, het conservatieve lid voor La-Farouche, dat de heer Louis A. Wiltz, gewezen mayor van Nieuw-Orleans, het presidium op zich neme.”

Vigers, die verwacht dat iemand Michael Hahn zal voorstellen, heeft de onbeschaamdheid te zeggen, dat hij het voorstel van Billieu niet in omvraag wil brengen. Vigers is griffier—griffier van de vorige Kamer—en hij heeft niets anders te doen dan de presentielijst te lezen. Beleefdheidshalve wordt zulk een ambtenaar vergund, om het eerste voorstel te doen tot benoeming van een president; maar als hij dit nalaat, heeft, naar amerikaansch gebruik, elk lid der Kamer het recht, dit voorstel te doen en stemming te vragen door het opsteken der handen. Ziende dat Vigers aarzelde, staat een der leden op; herhaalt het voorstel van Billieu; laat stemmen door het opsteken der handen, en verklaart dat het voorstel is aangenomen. Aanstonds plaatst Wiltz zich in den voorzittersstoel, en terwijl de negers verbluft zitten te kijken en beginnen te schreeuwen, roept hij de Kamer tot de orde en verklaart de zitting geopend.

Een der leden stelt nu voor, dat de nog aanhangig gebleven verkiezingen zullen worden onderzocht, en dat de vijf leden, die buiten op straat wachten, inmiddels hunne zetels zullen innemen. Wiltz brengt het voorstel in omvraag; met groote meerderheid van stemmen wordt het aangenomen, daar een aantal negers zich verwijderd hebben, om raad in te winnen bij de leiders der partij, in Kellogg's kabinet vergaderd. Nadat de vijf heeren hunne plaatsen hebben ingenomen, kunnen de blanken rekenen op vier-en-vijftig stemmen.

Intusschen heeft geene der beide partijen op zichzelve de wettige meerderheid, en de republikeinen, ziende dat zij hunne geringe meerderheid verloren hebben, beginnen de zaal te verlaten. Maar de conservatieven, aan dergelijke kunstjes gewoon, beletten hen zich te verwijderen, vóór eene nieuwe telling kan plaats grijpen. Een lid stelt de benoeming van Louis A. Wiltz tot president voor; een ander lid doet gelijk voorstel ten behoeve van Michael Hahn. Acht-en-vijftig leden zijn tegenwoordig; vijf-en-vijftig stemmen voor Wiltz, die, onder oorverdoovend gejuich, als president wordt geproklameerd.

De rechter Houston, nabij den voorzittersstoel staande, neemt hem nu den gebruikelijken eed van trouw aan de wet en de constitutie van Louisiana af. Wiltz houdt op nieuw appel nominaal, en neemt den tegenwoordigen leden den eed af. Hoewel zich enkelen verwijderd hebben, is toch het wettig getal nog bijeen. Hahn, onzeker wat te doen, is gebleven, en legt den eed in handen van Wiltz af. Kapitein Floyd wordt nu tot serjeant benoemd, en de heer Trevezant tot griffier. De Kamer is nu geconstitueerd. In zijne hoedanigheid als voorzitter, noodigt Wiltz den generaal De Trobriand uit, de policie-agenten te verwijderen die de deuren en toegangen bezet houden, en de generaal voldoet aan die uitnoodiging. Naar het schijnt, wordt de conservatieve Kamer, onder presidium van Wiltz, geconstitueerd, dus door de bondstroepen als de wettige macht erkend. Zijn de scalawags dan inderdaad geslagen, en de blanke burgers weer meester van de stad? Nog niet.

In zijn kamer gezeten, omringd door officieren en beambten, verneemt Kellogg, met klimmende woede en verlegenheid, wat er daar in de Vergadering plaats grijpt. Ondanks zijn whisky en zijn sigaren, ondanks zijn cantine en zijn matrassen, hebben de conservatieven hem in zijn eigen huis en met zijn eigen wapenen geslagen. Hoe zal hij zich in zijne positie handhaven? Met een conservatieven president, griffier en serjeant, is de Kamer geheel in de macht zijner vijanden. Alleen de federale bajonetten kunnen het werk van dezen morgen weer ongedaan maken.

Maar zijn die bajonetten nog tot zijne beschikking? Wiltz roept ze ter hulpe, en zij gehoorzamen hem. Zullen zij ook aan zijn bevel gehoor geven? Hij neemt de proef, en zendt een schriftelijken last aan generaal De Trobriand om de vergaderzaal te bezetten, en de vier conservatieve leden te verwijderen, aan wie de Kamer vergund heeft zitting te nemen.

De Trobriand onderwerpt dit bevelschrift aan generaal Emory. Het is niet uitgemaakt, of Emory ook den raad van Sheridan heeft ingewonnen; maar na een geruim tijdsverloop, terwijl de beraadslaging in vollen gang is, treedt De Trobriand, die nu zijn orders ontvangen heeft, eensklaps de vergaderzaal binnen, en eischt dat hem de “indringers” zullen worden aangewezen. Wiltz antwoordt dat hem geen “indringers” bekend zijn; dat al de hier tegenwoordige heeren leden zijn der Kamer, en dat de persoon van elk lid eener bladzijde 155amerikaansche wetgevende vergadering onschendbaar is.

“Ik ben soldaat en geen opperbevelhebber, ik moet de mij gegeven orders uitvoeren, antwoordt De Trobriand. Generaal Emory heeft mij gelast, overeenkomstig de bevelen van den gouverneur Kellogg te handelen.

—Ik moet u uitdrukkelijk doen opmerken, herneemt de president, dat deze wettig verkozen Kamer zich heeft geconstitueerd door mij te benoemen tot voorzitter, kapitein Floyd tot serjeant en den heer Trevezant tot griffier. Daarna hebben wij vijf leden zitting doen nemen, wier geloofsbrieven door het kiesbureau aan ons zijn onderworpen. Wilt gij deze heeren uitdrijven?

—Mijn plicht als officier laat mij geen andere keus.”

Wiltz noodigt al de leden uit om met hem, ten teeken van protest, van hunne zitplaatsen op te staan. Al de conservatieven rijzen op, heffen hunne handen omhoog en roepen den hemel tot getuige aan van hun protest. De negers, vreezende dat het op een kloppartij zal uitloopen, springen over de banken, verschuilen zich achter de lessenaars, verdringen zich in de gangen, en sluiten zich op in de geheime kabinetten.

“Wijs ze aan! roept De Trobriand tot Vigers.

—Vigers heeft in deze Kamer niets te zeggen, herneemt de president. Zijne tusschenkomst in de beraadslagingen en handelingen dezer vergadering is onwettig. Vigers was griffier van de vorige Kamer; Trevezant is nu griffier.

—Lees de presentielijst!” schreeuwt De Trobriand, waarop Vigers opstaat en begint te lezen.

“De conservatieve leden zullen niet antwoorden,” zegt de voorzitter: en geen enkel conservatief lid antwoordt op het lezen van zijn naam.

Nu treedt generaal Campbell binnen, om Vigers bij zijn onderzoek behulpzaam te zijn. Er worden soldaten ontboden. John O'Quin, lid voor Aroyelles, wordt aangewezen als een der vier conservatieven. “Verwijdert hem!” gelast De Trobriand. O'Quin roept de bescherming in van den voorzitter. “Wij zwichten alleen voor geweld,” zegt deze, zich tot den officier wendende. De Trobriand laat soldaten met geladen geweren en bajonetten aanrukken, en twee dezer soldaten voeren O'Quin van zijn plaats. Nu komt de beurt aan Vaughan, lid voor Rapides. De Trobriand en zijn gewapende satellieten fier in het aangezicht ziende, rijst Vaughan op, en zegt: “In naam mijner kiezers, het volk van Louisiana, en als een vrij geboren burger van de Vereenigde-Staten, protesteer ik tegen deze aanranding.”—Toen zich tot zijne collegas wendende, roept hij hen allen tot getuigen van deze verregaande geweldenarij tegenover eene vrije vergadering. “Gij ziet, zij werpen mij uit met bajonetten!”

“Laat het geschieden,” zucht Wiltz, en de schanddaad wordt volvoerd.

Elf andere leden worden achtervolgens weggevoerd. Als Floyd, op last van den president, een der leden poogt te beschermen, wordt hij zelf gegrepen en door de soldaten vastgehouden. Nadat het laatste conservatieve lid aldus door geweld was verwijderd, rijst Wiltz op, geeft met plechtig gebaar een teeken dat stilte gebiedt, en spreekt op ernstig droeven toon:

“Als wettig voorzitter der Kamer van vertegenwoordigers van Louisiana, heb ik geprotesteerd tegen deze overrompeling onzer vergadering door soldaten van de Vereenigde-Staten, met gevelde bajonetten en geladen geweren. Onze broeders zijn voor onze oogen met geweld aangegrepen en weggevoerd, in spijt van hun plechtig protest. Een troep soldaten heeft deze zaal der volksvertegenwoordigers bezet, en wij hebben tegen die daad geprotesteerd. In den naam van een weleer vrij volk, in den naam van den weleer vrijen staat Louisiana, in den naam onzer amerikaansche Unie, protesteer ik op nieuw plechtig tegen dit misbruik der militaire macht. Mijn voorzittersstoel is door soldaten omringd. Onze ambtenaren worden door hen gevangen gehouden. Leden der wetgevende macht, ik verklaar plechtiglijk dat Louisiana heeft opgehouden een souvereine staat te zijn, en niet langer eene republikeinsche regeering bezit. Ik noodig alle vertegenwoordigers van ons land uit, met mij voor deze gewapende tusschenkomst te wijken.”

Dit gezegd hebbende, heft Wiltz de zitting op en verlaat de zaal, gevolgd door al de conservatieven; hij gaat naar de straat Saint-Louis, vergezeld door eene overtalrijke menigte, die hem met luide toejuichingen begroet. In het huis N^o. 71 van de straat Saint-Louis vinden de afgevaardigden een geschikt lokaal, en na daarvan formeel bezit te hebben genomen, wordt de Kamer op reces gescheiden.

Kellogg heeft niet veel voldoening van zijn zegepraal. Zijne heftigheid heeft de zaken niet beter, maar veeleer erger gemaakt. De vier conservatieve leden, hoezeer door geweld verdreven, zijn niet bij stemming van hun recht vervallen verklaard; en dit kan nu niet meer geschieden, zelfs niet met een schijn van wettigheid, want de overblijvende neger-vergadering blijft beneden het voor een besluit vereischte getal van zes-en-vijftig stemmen. Wiltz is als president beëedigd, en als president heeft hij de vergadering belegd in de straat Saint-Louis. Alles wel beschouwd, ziet Kellogg dat hij op ieder punt geslagen is, en zwakker dan ooit te voren. Noch hij, noch zijn mededinger kan eene wettige vergadering beleggen, en zonder dat is geene regeering mogelijk.

De toestand schijnt een dictator te eischen, en ten negen uur des avonds aanvaardt generaal Sheridan de opperste leiding.

De soldaten zijn onder de wapenen, het zwaard is koning!

Indien slechts President Grant aan Sheridan in Louisiana volle vrijheid van handelen wil laten, zoo als hij hem die gelaten heeft in de valleien van de Blue-Ridge en op de jachtgronden der Peigans, dan zal mijn onstuimige buurman wel spoedig klaar weten te komen met zulke tegenstanders als Wiltz en Ogden, Mac-Enery en Penn. “Ik ken deze luidjes, zoo zegt hij; ik heb vroeger met hen omgegaan, toen zij onhandelbaarder waren dan tegenwoordig. Ik weet wat mij te doen staat. De Blanke Bond moet vernietigd worden. Dat is slecht volk: echte bandieten, belust op kwaaddoen. In Nieuw-Orleans ziet ge hen van hun gunstigste zijde: hier gedragen zelfs de leden van den Blanken Bond zich bladzijde 156als fatsoenlijke lieden; maar in de plattelands-distrikten—Bossier en Saint-Bernard, Natchitoches en Red-River—zijn zij ware duivels.”

Ten tien uur des avonds zendt Sheridan dit telegram aan Belknap, den secretaris van staat voor oorlog:

Nieuw-Orleans, 4 Januari 1875.

“Tot mijn leedwezen moet ik U mededeelen, dat in dezen staat een geest van verzet heerscht tegen alle wettig gezag, en eene onveiligheid van leven en bezit, waarvan de centrale Regeering of het land over het algemeen zich nauwelijks rekenschap geven kan. Het leven der burgers is zoo zeer bedreigd, dat, tenzij iets gedaan worde om het volk te beschermen, alle veiligheid, die de wet toekent, verloren zal gaan. Verzet tegen de wet en moord schijnen hier beschouwd te worden van een standpunt, dat straffeloosheid verzekert aan allen, die zich aan deze vergrijpen schuldig maken, en het burgerlijk gezag schijnt machteloos om de boosdoeners te straffen of zelfs te vatten. Heden avond heb ik het bevel over het departement der Golf op mij genomen.

P.H. Sheridan.


Negerdorp in Georgië.

Dit departement der Golf, omvattende drie groote staten, Louisiana, Mississippi en Arkansas, met al de forten en militaire stations langs de golf van Mexiko, behalve de forten aan de Mobile-baai, wordt alzoo, met een enkelen pennestreek geschrapt van de divisie van het Zuiden, onder het opperbevel van Mac-Dowell geplaatst.

Den volgenden morgen ontvangt Sheridan, van den adjudant-generaal Townsend, de verzekering dat zijn gedrag wordt “goedgekeurd.” Daarop antwoordt hij aanstonds, door naar Washington een schets te zenden van het stelsel, dat hij in de zuidelijke staten wenscht toe te passen: een dokument, dat wel verdient beroemd te blijven in de geschiedenis der amerikaansche vrijheid. Nog nimmer had een spaansch onderkoning op Sicilië, of een russisch gouverneur in Polen, van zijn koninklijken meester zoodanige volmacht gevraagd, als thans Sheridan aan President Grant vroeg. Zijn regeeringsprogram voor het Zuiden rust hoofdzakelijk op het denkbeeld, dat de voornaamste burgers van deze rijke on welvarende staten, door de regeering zelve als bandieten beschouwd en buiten de wet gesteld zullen worden, en aan haar ambtenaren overgeleverd om hen naar goedvinden te straffen.


Het carnaval te Nieuw-Orleans.

Dit merkwaardig, aan Belknap gericht telegram luidt aldus: bladzijde 158

Nieuw-Orleans, 5 Januari 1875.

“Naar mijne meening, kan het thans in Louisiana, Mississippi en Arkansas heerschende schrikbewind worden vernietigd, en het vertrouwen en de openbare orde hersteld, indien slechts de hoofdleiders van den gewapenden Blanken Bond worden gevat en terecht gesteld. Wanneer zij, door een besluit van het Congres, tot bandieten worden verklaard, dan kunnen zij door een krijgsraad worden gevonnisd. De aanvoerders dezer bandieten, die hier op den 14den September l.l. moorden hebben gepleegd, en later ook nog te Vicksburg in Mississippi, moeten, volgens den eisch der wet en openbare veiligheid, en ook in het belang van den vrede en de welvaart van de zuidelijke streken des lands, gestraft worden. Indien de President eene proklamatie wilde uitvaardigen, waarbij zij tot bandieten werden verklaard, dan behoefden misschien geen verdere stappen gedaan te worden, en ik kon voor het overige zorgen.

P.H. Sheridan.”

Als de President maar wil verklaren dat al die burgers, dat is de massa der blanke bevolking, bandieten zijn! Dat is genoeg; dan kunt gij u verder stil houden, en het overige gerust aan mij overlaten!

Men mag vragen, of dit inderdaad de taal is van een amerikaansch officier, in het midden der negentiende eeuw levende, en sprekende van zijne medeburgers? De toon gelijkt meer op dien van een turkschen pâsja te Belgrado. Doch hoe dit zij: de omgeving van den President, de secretarissen en adjudanten, zijn opgetogen over zulke doortastende energie, en bij de mededeeling dezer berichten aan de officieele autoriteiten beginnen zij een eigenaardigen toon aan te slaan. Een afschrift, van Townsend's eersten brief aan Sheridan, nu reeds twaalf dagen oud, wordt aan generaal Mac-Dowell gezonden; en uit dit stuk verneemt deze hoog geplaatste officier dat zijn kommando in het departement van de Golf hem ontnomen is! Bij de kennisgeving aan generaal Sherman, dat Sheridan het opperbevel in Nieuw-Orleans heeft aanvaard, zegt Townsend, dat die officier de Golf heeft “geannexeerd”, en voegt er, bij wijze van dooddoener, bij: “deze maatregel werd noodig geoordeeld en is goedgekeurd.”

Generaal Sherman antwoordt droogjes:

St. Louis, 6 Januari 1875.

“Uw telegram van den 6den der loopende maand, houdende bericht, dat de generaal Sheridan het departement der Golf bij zijn kommando heeft geannexeerd, is door mij ontvangen.”

Inmiddels heeft de voorzitter der Kamer, Louis A. Wiltz, zich tot den President gewend, hem van het gebeurde verslag gevende, en hem eerbiedig gevraagd te mogen vernemen: “op wiens gezag en krachtens welke wet het leger der Vereenigde-Staten de vergadering der Kamer van volksvertegenwoordigers van den staat Louisiana heeft overvallen en uiteen gedreven?” Mocht het blijken, dat deze handeling op geen wet en geen erkend gezag steunde, dan verzoekt Wiltz zeer dringend, dat de federale troepen gelast zullen worden, de Kamer weder te herstellen; en met niet minder aandrang vraagt hij, dat het departement van oorlog aan de federale officieren onder het oog zal brengen, dat bemoeiing met de werkzaamheden eener wetgevende vergadering geheel en al buiten hunne bevoegdheid ligt.

Wat zal President Grant hierop antwoorden? Hij is niet zoo zeker als Belknap en zijn adjudanten, dat in Nieuw-Orleans alles naar wensch gaat. Daar dringen stemmen door in zijn kabinet, die zijn gemoed met twijfel en bange voorgevoelens vervullen.

Verhalen van hetgeen des zondagsavonds en des maandagsmorgens in de Koningsstraat heeft plaats gegrepen, vullen de kolommen der dagbladen van elke stad, van Galveston tot Portland, van Savannah tot San-Francisco. Doorgaans zijn deze verhalen gekruid met bijtende en scherpe aanmerkingen; sommige schrijvers behandelen de zaak als een aardigheid. Is men niet midden in het carnaval, den uitgelezen tijd voor grappen en zotternijen? Dat feest der negers in het Kapitool is eene aardigheid: die cantine, die soupers, die middernachtelijke vergadering, die drinkgelagen in den vroegen morgen:—wel, dat zijn niet anders dan gekkernijen van vroolijke korrespondenten, die eens een loopje met het publiek willen nemen. Maar over het algemeen vat de pers de zaak zeer ernstig op; en tot hun eer moet het gezegd worden, dat juist de voornaamste republikeinsche dagbladen de scherpste veroordeeling uitspreken over de handelingen van De Trobriand. Zijn wij in Frankrijk? zoo vragen zij. Is Grant een andere Bonaparte? Zijn Emory en De Trobriand de gehuurde soldaten van een bastaard keizerrijk? Worden wij reeds door een Caesar geregeerd, en is het Witte-Huis een amerikaansch paleis der Tuileriën? Elk woord, in den laatsten tijd door den President gesproken, wordt zorgvuldig gewogen; en in de thans heerschende stemming is men zeer geneigd, eene geheime bedoeling, een verborgen caesaristischen zin te vinden in uitdrukkingen, die anders hoogstens als minder gelukkig gekozen zouden zijn beschouwd. Daarbij komt dat Grant zelden gelukkig is in zijn woorden. Hij weet dit, en zwijgt daarom liefst in tegenwoordigheid van vreemden; maar de eerste magistraatspersoon van een groot land moet toch nu en dan in het openbaar spreken en schrijven, en met al zijne onbetwistbare bekwaamheden, is hij dikwijls zeer onhandig, als hij zijn tong of zijne pen moet gebruiken.

Een flauw gerucht van de aarzeling en de vrees van den President dringt door tot het hoofdkwartier, in het hotel Saint-Charles. De adjudanten wenschen nog meer “energie”, en Sheridan, nooit gewoon zijn woorden vooraf te wegen, telegrafeert aan zijn vriend, den minister van oorlog, aldus:

Nieuw-Orleans, 6 Januari 1875.

“Wil den President zeggen, dat hij zich niet ongerust behoeft te maken over den staat van zaken hier. Ik zal de rust handhaven, en dat is niet moeilijk, met de troepen en de zeemacht in en bij de stad. Indien het Congres de leden van den Blanken Bond en van andere soortgelijke vereenigingen, blanken of zwarten, bladzijde 159tot bandieten wil verklaren, dan zal elke verdere bijzondere wetgeving voor het behoud der rust en der gelijkheid van rechten in de staten Louisiana, Mississippi en Arkansas onnoodig zijn; en ik zal de uitvoerende macht voor goed bevrijden van al de moeielijkheden, die zij tot dusver in deze streken ondervonden heeft.

P.H. Sheridan.”

Ave Caesar! Dank zij het leger en de vloot, zal geen enkele blanke burger van Nieuw-Orleans zich durven roeren!

De leden van den Blanken Bond, die door Caesar tot bandieten moeten worden verklaard, vormen te zamen de geheele blanke bevolking—planters, advokaten, geneesheeren, bankiers, geestelijken, grondbezitters, kooplieden, geleerden, industrieelen. Voor het meerendeel zijn al deze mannen van engelsche afkomst. Wat Sheridan verlangt, is niets minder, dan dat het anglo-saksische ras in Louisiana, Mississippi on Arkansas buiten de wet zal worden gesteld en overgeleverd aan het militair gezag. Hij vraagt eenvoudig, dat het Congres een wet zal uitvaardigen, waarbij hem onbeperkte volmacht gegeven wordt om ieder, dien hij wil, en daaronder mannen als generaal Ogden en kapitein Angel, gouverneur Mac-Enery en luitenant-gouverneur Penn, zonder vorm van proces op te hangen.

XX.

De conservatieven.

Generaal Mac-Enery laat ons door een adjudant uitnoodigen een bezoek aan het conservatieve hoofdkwartier in de Kanaalstraat; en vergezeld van mijn ouden vriend, den consul De Fonblanque, verlaten wij ons hotel, nu bekend als het “hoofdkwartier van de Golf.”

Generaal Mac-Enery bewoont een appartement, in de Kanaalstraat, het uitzicht hebbende op het standbeeld van Henry Clay; in welk appartement hij een soort van nederige hofhouding heeft ingericht. “Gij zijt niet bang om binnen te gaan, vraagt een senator die ons op de trap tegenkomt, hoewel wij bandieten zijn?”

In den salon vinden wij den gouverneur Mac-Enery, den luitenant-gouverneur Penn en verscheidene leden van den Senaat, die weigeren zitting te nemen met de aanhangers van Kellogg, onder het presidentschap van Cesar C. Antoine. Beschaafder en deftiger lieden dan deze conservatieve senatoren, zoudt ge zelfs te Oxford of te Westminster niet kunnen vinden. Gij behoeft deze heeren, echte gentlemen, slechts aan te zien, om aanstonds te begrijpen dat, al mogen zij in sommige opzichten gelijk of ongelijk hebben, het niet gemakkelijk zal vallen hen te verdringen uit de stelling, die zij eens hebben ingenomen.

“Wij beweeren, zegt generaal Mac-Enery, dat wij vijf-en-negentig percent vertegenwoordigen van den rijkdom dezer stad, acht-en-negentig percent van het kapitaal in den geheelen staat.”—Naar hetgeen wij van elders vernomen hebben, bestaat er alle reden om dit als de zuivere waarheid aan te nemen.—“En toch, voegt Penn er lachende bij, zijn wij, in wier handen bijna de gansche rijkdom van den staat berust, bandieten!

“In den regel zijn bandieten geen mannen van fortuin: noch in Spanje, noch in Griekenland, noch in Klein-Azië, noch in Californië, worden zij tot de bezittende klasse gerekend. Zoo een collega van Vasquez de dagbladen kon lezen, zou het hem zeker genoegen doen te vernemen, dat, naar de verzekering van generaal Sheridan, onder de leden van de magistratuur en van de balie een aantal zijner confraters zijn te vinden.”

“Niemand, antwoordde ik, ontkent dat gij den rijkdom van Nieuw-Orleans vertegenwoordigt; het komt hier echter aan op personen, en niet op fortuin; en zoo ik mij niet vergis, beweert gij ook dat de conservatieve kandidaten inderdaad de meerderheid van stemmen op zich hebben vereenigd?

—Dat is ook zoo, hernam de gouverneur; onze meerderheid is niet groot, maar toch groot genoeg, om, als men ons rustig laat begaan, het bewind te voeren en de wet te herstellen.

—Hebben de kleurlingen niet de meerderheid van stemmen in den geheelen staat—negentig-duizend tegen zes-en-zeventigduizend?

—Volgens de tegenwoordige kiezerslijsten, ja; maar die lijsten zijn blijkbaar valsch. Hoe zou het mogelijk zijn, dat de kleurlingen meer stemmen hebben dan wij? In aantal staan wij bijna gelijk—driehonderd-twee-en-zestig-duizend blanken tegenover driehouderd-vier-en-zestig-duizend zwarten. Die getallen zijn niet van ons afkomstig: de volkstelling had plaats onder het bestuur van Warmoth. Wij weten stellig dat ook hier sommige opgaven onjuist zijn—en onjuist in het belang der kleurlingen. Maar laten wij de cijfers aannemen, zooals zij daar staan. Hoe kan een verschil van tweeduizend in de bevolkingsstaten samengaan met een verschil van veertienduizend in de kiezerslijsten?

—Inderdaad, dat is niet makkelijk te verklaren.

—Behalve door bedrog, door openbaar en schaamteloos bedrog. Het is een feit, dat de negers, onder verschillende namen en in verschillende kerspelen, zijn ingeschreven. Doode negers blijven op de lijsten staan; minderjarige negers zijn als kiezers ingeschreven. Vrouwen zijn als mannen opgegeven. Overal waar ge zwarte beambten hebt, ondersteund door eene zwarte policie, kunt ge zeker zijn van valschheid en bedrog.

—Is het waar, generaal, dat de conservatieven in beginsel gekant zijn tegen het toekennen van staatkundige rechten aan negers?

—Daaromtrent loopen de gevoelens uiteen. Velen onzer zijn van meening dat het een grove fout was, aan de kleurlingen het stemrecht te geven; maar de regeering der Vereenigde-Staten, die hun de vrijheid gaf, oordeelde het ook nuttig, hun het stemrecht te verleenen. Wij onderwerpen ons aan de feiten. Er zijn menschen, die den neger zoowel zijne persoonlijke vrijheid als zijn staatkundigen invloed zouden willen ontnemen; maar de meerderheid der burgers heeft elk denkbeeld van een terugkeer tot den vorigen staat bladzijde 160van zaken laten varen. De conservatieven zouden wenschen dat het stemrecht bij de wet bepaald en geregeld werd. In alle vrije landen zijn sommige kathegoriën van personen, zooals armen, idioten, gevangenen, van het stemrecht uitgesloten. In sommige landen worden zij die lezen noch schrijven kunnen, niet als kiezers erkend. Behoudens dergelijke beperkingen, zouden de conservatieven van Louisiana niet ongezind zijn, aan de negers staatkundige rechten toe te kennen.


Houtzagerij in het gebergte.

—Gij zoudt dus niet bang zijn voor goed onderwezen kiezers?

—In het geheel niet: wel opgevoede en onderwezen lieden zullen zich nooit laten leiden door scalawags. Zelfs nu doet de invloed der opvoeding zich gelden. Als al de negers eendrachtig samenstemden—negentigduizend tegenover zes-en-zeventigduizend—dan zouden zij Pinch tot gouverneur kunnen verkiezen, en van eene sterke meerderheid in de Kamers verzekerd zijn. Maar wij hebben wel opgevoede negers in Louisiana, zooals Tom Chester: en geletterde Afrikanen zijn het in de politiek al even weinig met elkander eens als geletterde Angelsaksers. Zoodra een neger een weinig lezen kan, werpt hij zich op als leider; hij volgt niemand, en allerminst iemand van zijn eigen kleur. Zoodra hij een stuk grond en een hut bezit, wordt de neger ook conservatief en stemt tegen de scalawags. In elke parochie van Louisiana bestaat een conservatieve negerclub; en in spijt van Kelloggs belofte, dat iedere neger, die voor Grant zou stemmen, veertig bunders land en een goed muildier zou ontvangen, hebben, bij de jongste verkiezingen, duizenden negers met ons gestemd. Zoodra de bondstroepen zich terugtrekken, zullen tienduizenden hetzelfde doen.” bladzijde 161

Wij nemen nu afscheid van generaal Mac-Enery, en begeven ons naar de conservatieve Kamer, in de straat Saint-Louis, waar wij door den voorzitter Wiltz zeer vriendelijk ontvangen worden. Als wij de vergadering binnentreden, is kapitein Kidd aan het woord, een man als soldaat en als rechtsgeleerde evenzeer bekend en bekwaam. Hij stelt voor, dat al de conservatieve leden zich gezamenlijk naar het Kapitool zullen begeven, en vorderen dat hun gelegenheid worde gegeven, zitting te nemen. Zes-en-zestig leden zijn tegenwoordig: drie-en-vijftig wier geloofsbrieven in orde zijn bevonden, en dertien anderen, wier verkiezing ten onrechte door het bureau van Kellogg is vernietigd.


Gezicht in het Fairmont-park te Philadelphia.

“Gij beweert, niet waar, de wettige Kamer te zijn? vroeg ik den voorzitter.

—Neen, antwoordt Wiltz, op stelligen toon. Wij beweeren alleen dat wij de bij de wet vereischte meerderheid bezitten. Maar wij geven onszelven den naam van bijeenkomst, en niet van vergadering, want zelfs in woorden willen wij strikt binnen de palen der wettigheid blijven.”

Terwijl Kidd de conservatieven aanspoort om eene meer besliste houding aan te nemen, wordt er een telegram naar Washington gezonden, om het advies in te winnen van den senator Thurman. Thurman is een van de hoofden der demokratische partij, die in het Congres zitting heeft voor Ohio, en die bij de conservatieven van het Zuiden in hoog aanzien staat. “Hebt geduld!” is het wijze antwoord.

“Onze politiek is geduld, zegt de voorzitter; wij moeten ons bepalen tot afwachten. De tijd zal ons recht doen wedervaren. Het kunstje met de veertig bladzijde 162bunders en den muilezel kan niet voor de tweede maal vertoond worden. Dergelijke middelen duren maar voor een tijd. Wij kunnen wachten. Gewisselijk lijden wij door dit uitstel; maar door geweld zouden wij nog meer lijden. De heeren op deze banken zijn of zelven eigenaars, of vertegenwoordigen de eigenaars, van bijna alle magazijnen, schepen, pakhuizen, banken en hotels van Nieuw-Orleans. Meent gij dat zij eenig belang hebben bij wanorde en straatrumoer? Als er een glasruit wordt stuk geslagen, moeten wij de kosten betalen. De scalawags hebben niets te verliezen dan hunne huid, en zij dragen wel zorg, die niet bloot te stellen. Wat geven Kellogg en Packard, Antoine en Pinchback er om, of de nationale rijkdom toe- dan wel afneemt? Voor ons hangt alles af van de handhaving van vrede en orde. Onze broeders in de steden van het Noorden begrijpen dit nog niet, maar de loop der gebeurtenissen zal hun wel spoedig de oogen openen.”

Generaal Warmoth, die nog altijd beweert de eenige wettige gouverneur van Nieuw-Orleans te zijn, en aan wien wij vervolgens een bezoek gaan brengen, is een type van die talrijke klasse van burgers, die zich noch om blanken, noch om zwarten bekommeren, zoolang zij hun handel kunnen drijven en hun winkel niet stil staat. Deze lieden wenschen in vrede te leven, hun dagelijksch brood te verdienen, en hunne woning ongestoord te bezitten. Zij bemoeien zich niet met theoriën over rassen: in hun oog zijn allen, die iets bij hen wenschen te koopen, broeders. De dollar van een neger heeft voor hen juist dezelfde waarde als de dollar van een blanke, in ruil voor een paar schoenen of whisky. Wat heeft een koopman te maken met dat gehaspel over gelijkheid van rechten? Als zij hun huur en belasting kunnen betalen, zijn zij tevreden, en laten al die lastige twistvragen over voor rechtsgeleerden en afgevaardigden.

Zelfs onder de negers telt Warmoth een zeker aantal aanhangers. Hij heeft hen nooit bedrogen, en verkreeg hunne stemmen zouder eene toezegging van veertig bunders en een goeden muilezel. Aan hem danken de negers de inrichting der stedelijke policie, waarin velen hunner de eenige waarborg zien voor hunne persoonlijke vrijheid. Naar gelang de ster van Kellogg verbleekt, keeren de negers hunne blikken naar Warmoth, als naar een verstandig, gematigd man, die eene gevaarlijke botsing met de blanken zal weten te voorkomen.

Een man van veel aanleg en beschaving, een krijgsman ook, met een bleek gelaat en diepliggende doordringende oogen, maakt Warmoth, in zijn voorkomen en manieren, eenigermate den indruk van een romanheld; men zegt, dat de dames van het Zuiden zijne schoonheid zeer bewonderen. Hij is uitermate beleefd en heeft zelfs iets gedistingeerds. Terwijl de carpet-baggers over het algemeen in geen fatsoenlijk gezelschap ontvangen worden, stelt Warmoth hoogen prijs op sociale onderscheiding, en wordt hij ook somwijlen bij de voornaamste familiën van Nieuw-Orleans genoodigd. Deze onderscheiding is voor hem een voorrecht en eene beproeving tevens. Hij is daardoor in vriendschappelijke aanraking gekomen met zulke onverdachte en onverzettelijke conservatieven als Mac-Enery en Penn. Wiltz heeft hem bij zich ontvangen; Ogden heeft hem in den kerker een bezoek gebracht. Door zijne innemende manieren en zijne gematigde denkwijze heeft de Yankee Warmoth de aristokratie van Nieuw-Orleans bijkans weten te verzoenen met zijne tegenwoordigheid in haar stad.

Maar door het verwerven van deze voorrechten, waarin zij niet deelen kunnen, heeft hij natuurlijk den naijver en de woede van zijne vroegere makkers, de scalawags, opgewekt. Toen Warmoth te Nieuw-Orleans kwam, met eene reputatie van dapper soldaat en geslepen politikus, werd hij door de trouw gebleven burgers gekozen tot president van het “Groote leger der republiek” in Louisiana. Dit Groote leger der republiek is eene vereeniging van liberale patriotten, die tijdens den burgeroorlog de wapens hebben gedragen: het leger is thans wel ontbonden, maar de voormalige wapenbroeders gevoelen zich nog onderling vereenigd door de herinnering aan de te zamen doorleefde gevaren en gewonnen lauweren. In elken staat der Unie vindt men zulk eene vereeniging, die, vooral in het Zuiden, de bijzondere bescherming der regeering geniet. De president van zulk een genootschap bekleedt een belangrijken post en kan zeer grooten invloed uitoefenen: en generaal Warmoth wist daarvan zoo goed gebruik te maken, dat hij, na de uitvaardiging der Reconstruction Act, tot gouverneur van Louisiana werd verkozen.

Het oordeel over zijn bestuur verschilt naarmate van de politieke partij, waartoe de beoordeelaar behoort. Zijne vrienden beweeren dat hij de orde handhaafde en den handel aanmoedigde; terwijl zijne tegenstanders, naar amerikaansche wijze, hem een schurk, een dief, een lafaard en een moordenaar noemen. Conservatieven, die geen reden hebben om genegenheid voor hem te gevoelen, geven toe dat hij, in eene moeilijke betrekking, waarin eene zware verantwoordelijkheid op hem drukte en hij aan groote verzoekingen blootstond, getoond heeft, een man van niet alledaagsche bekwaamheid en betrekkelijk lofwaardige eerlijkheid te zijn.

Billijke vijanden laten hem dit recht wedervaren; maar niet zoo zijne vroegere vrienden, dweepzieke republikeinen of afvallige conservatieven. De fanatieke republikeinen geven hem de schuld van den val hunner partij in Nieuw-Orleans, die door zijn overgang in twee kampen werd verdeeld en machteloos gemaakt. Nog scherper is het oordeel der afvallige conservatieven, die hem in hunne dagbladen op de grofste wijze aanvallen, niet wegens verschil van beginselen, maar naar aanleiding van allerlei ellendige kwesties, samenhangende met den grooten strijd der rassen.

Zal het, bij voorbeeld, den negers vergund zijn, in de openbare rijtuigen plaats te nemen? De dames antwoorden, neen. De eigenaars der rijtuigen, die met hun klanten gaarne op een goeden voet blijven, antwoorden ook, neen. De carpet-baggers, die afhankelijk zijn van de stemmen der negers, antwoorden, ja; zij beweeren dat de maatschappelijke gelijkstelling van blanken en zwarten een noodzakelijk gevolg is van de politieke gelijkheid van rechten. De kwestie maakt de hoofden warm en wint de gemoederen op, niet minder bladzijde 163dan de telegrammen van Sheridan of de handelingen van Grant. Ieder doet een middel ter oplossing aan de hand, en spreekt zijn meening uit over een schikking. Generaal Warmoth stelt voor, dat van de Kanaalstraat bijzondere omnibussen zullen rijden, met een ster geteekend, waarin negers zullen plaats nemen, en diegenen onder de blanken, die geen bedenking hebben tegen hun gezelschap. Hij deelt dit denkbeeld mede aan zijn ouden vriend, den senator Jewell, met verzoek een artikel in dien geest op te nemen in het door hem uitgegeven dagblad: The Commercial Bulletin. Jewell weigert de opneming. “Dan zal ik het elders beproeven,” zegt Warmoth. “Zoo ge dat artikel laat drukken, roept Jewell, dan zijt ge een verloren man.”

Warmoth laat toch het artikel drukken; en zijn verzoenend voorstel wordt, als eene billijke oplossing van het lastige geschil, aangenomen door de twee conservatieve leiders: Mac-Enery en Wiltz. Den volgenden morgen verschijnt er in Jewell's krant een hoofdartikel, waarin Warmoth wordt uitgemaakt voor “Lazarus, door Satan uit de dooden opgewekt;” voor “een vermetel, slecht mensch, uitvinder en voorstander van alle misbruiken;” voor een “stamgenoot van de ratelslang;” voor een man “van infame reputatie.”—Warmoth verdedigt zich hierop, door Jewell te beschuldigen van “leugen, schaamtelooze leugen.” Hij voegt daarbij dat Jewell's kwaadaardigheid voortspruit uit zijne weigering om den senator te begunstigen met het openbaar maken der officieele berichten van het gouvernement!

Daarop zendt Jewell iemand naar het huis van Warmoth, in de straat Saint-Louis, om te vernemen of hij duelleeren wil. Warmoth antwoordt dat hij niet kan duelleeren met iemand als Jewell. Zoodra de senator dit bescheid verneemt, zendt hij aan Warmoth eene uitdaging, die tot zijne groote verbazing wordt aangenomen.

Wat nu volgt werpt een eigenaardig licht op de amerikaansche toestanden. Daniel C. Byerley, gewezen luitenant in het leger der geconfedereerden en mededeelgenoot van Jewell's drukkerij, trekt zich persoonlijk de zaak met Warmoth aan. Hoewel hij zijn linkerarm heeft verloren, is hij een man van groote lichaamskracht en vaardigheid. Hij loert op Warmoth en volgt hem in de Kanaalstraat, waar hij hem onverwachts aanvalt en met een stok twee hevige slagen op het hoofd toebrengt. Half bedwelmd, wankelt Warmoth eenige schreden terug; Byerley werpt zich op hem: zij grijpen elkander aan en vallen op den grond. Vechtende en worstelende rollen de beide mannen over het voetpad: Byerley houdt niet op met Warmoth op het hoofd te slaan; maar Warmoth, die zijn mes heeft kunnen trekken, steekt dat zijn vijand in de zijde. Eindelijk worden de vechtenden door de toeschietende menigte gescheiden. Byerley, zijn rotting zwaaiende, gaat heen, leunende op den arm van twee vrienden, die hem naar een naburig hospitaal brengen. Warmoth geeft zijn mes over aan een hoofdman der stedelijke policie, en laat zich als gevangene medevoeren.

Eenige uren later was Byerley overleden. Daar hij gevallen was in den strijd tegen een indringer, werd Byerley als de held van Nieuw-Orleans gevierd: een lange sleep van rijtuigen volgde zijn lijk naar het graf. De gouverneur Mac-Enery was een der slippedragers, en meer dan tweeduizend burgers gingen in optocht achter den lijkwagen. Echter lijdt Warmoth's reputatie er in het minste niet onder, dat hij een manslag heeft begaan. Zijn gevangenis is een salon; de aanzienlijkste personen laten zich inschrijven op het daarvoor bestemde register. Mac-Enery bezoekt hem in den kerker. Ogden en Penn zijn niet minder beleefd, en de president Wiltz brengt hem een officieel bezoek. Op een enkelen dag ontvangt hij niet minder dan vijfhonderd burgers. Nooit is Warmoth zoo populair geweest. Niemand rekent hem de schuld van het vergoten bloed toe; en toen de zaak voor den rechter werd gebracht, volgde onmiddellijk vrijspraak.

“Ik dacht dat Byerley ten volle gewapend was, zegt Warmoth, om het gebruik van zijn mes te rechtvaardigen; en ik trof hem niet dan in zelfverdediging. Hij overviel mij bij verrassing, en sloeg mij tweemaal eer ik hem zag. Zijn rotting was een degenstok: een wapen, zoo gevaarlijk als een degen en vrij wat erger dan een mes.”

Deze moord op de openbare straat heeft den toestand nog meer gespannen en verward gemaakt; want, hoe men ook moge denken over straatgevechten, toch zal geen verstandig man de hoogste waardigheid in den staat gaarne willen toevertrouwen aan iemand, wiens handen met bloed bevlekt zijn. In schier elk ander land zou een man, die zulk eene daad had bedreven, nimmer meer in het openbare leven kunnen optreden; en voor het oogenblik is Warmoth, zelfs in Louisiana, dan ook onmogelijk geworden. Maar hoe lang zal dit interdict duren?

XXI.

Carpet-baggers.—De rotonde.

De partikuliere secretaris van William P. Kellogg brengt in ons hotel de boodschap, dat indien ik wenschen mocht een bezoek te brengen aan de wetgevende en aan de uitvoerende macht, de voorzitter Hahn en de gouverneur Kellogg mij met zeer veel genoegen op het Kapitool zullen ontvangen. In gezelschap van onzen consul, begeef ik mij dus op weg langs de Koningsstraat, daar de ingang in de straat Saint-Louis nog steeds gesloten is.

Na eenige woordenwisseling met zwarte soldaten en policie-agenten, wordt ons de deur geopend. Onwillekeurig treden wij terug, half verstikt door een afschuwelijken stank, een verpesten atmosfeer van slechte sigaren en gemeene spiritualiën. De ruime zaal is bijna donker; in een der hoeken brandt een gasvlam. De deuren en vensters zijn met planken betimmerd; de vloer is bezaaid met kurken, gebroken glazen, broodkorsten en afgeknaagde beenderen. De zaal is opgevuld met leegloopers en ambtenaren, voor verreweg het meerendeel negers, allen rookende, babbelende, joelende, doelloos heen en weer loopende en dringende. Hier schreeuwt een katoenplukker, dat hij naar boven wil, om de Kamer aan het werk te zien. Daar tracht bladzijde 164een carpet-bagger een zwarten kiezer aan het verstand te brengen, waarom de negers nog niet de door Kellogg toegezegde veertig bunders en een goeden muilezel ontvangen hebben. De trap opgaande, loop ik bijna een kerel tegen het lijf, die al stotterende uitroept: “Dat's hetzelfde! de kleurlingen hebben nu ook hun rechten!”

Na vrij lange onderhandelingen met de zwarte policie, die ons als blanken natuurlijk voor spionnen of verraders aanziet, komen wij aan de zaal der Tweede Kamer: een langwerpig, smerig vertrek met een houten vloer. Overal staan spuwbakken, en sommige neger-afgevaardigden zitten op hun gemak te rooken en heen en weer te wiegelen op hun zetels. Er heerscht een bedompte, bedorven lucht. Elk lid heeft een fauteuil, waarop zijn naam met groote letters geschilderd is; maar het schijnt hun niet mogelijk stil te zitten. Zij drentelen rond, staan telkens op, babbelen onder elkander. Vijf of zes leden voeren te gelijker tijd het woord, en betichten elkander luide van leugen en bedrog. “Stilte daar!”—“Mijnheer de Voorzitter!”—“Ga zitten, leelijke neger, en zwijg!” Het is een leven, als op een boerenkermis.

Michael Hahn, die deze vergadering presideert, doet ons nevens zijn zetel plaats nemen, on tracht ons eenige opheldering te geven omtrent hetgeen wij zien.

“Het verwondert u, dat het geoorloofd is, in de vergadering te rooken? Ja, gij moet weten dat het eigenlijk niet geoorloofd, dat het zelfs verboden is; maar hoe zal ik dat verbod handhaven? Pruimen is niet verboden; en toch is pruimen een nog walgelijker gebruik dan rooken. Reglementen baten niets. Negers willen en zullen pruimen en rooken.

—Waarom laat gij hen dan niet rooken in andere kamers?

—Dat is gemakkelijk gezegd. Maar laat ik u mogen zeggen, mijnheer, dat het niet gemakkelijk te doen, dat het volstrekt onmogelijk is.

—Waarom?

—Omdat ik geen enkel lid kan missen. Zooals gij ziet, hebben wij juist het vereischte getal. Zoodra een enkel lid zijne plaats verlaat, kunnen wij niet voortgaan.”

Een neger, Demas genaamd, lid voor Sint-Jansparochie, staat op en interpelleert de Kamer met een daverende stentorstem. Daar is eene zekere welsprekendheid in hetgeen hij zegt. “Ja, zegt de president Hahn, daar steekt iets in deze kerels. Bijna allen zijn zij geboren slaven. Een dozijn jaren geleden, zou het nauwelijks een hunner hebben durven wagen, in tegenwoordigheid van een blanke zijn mond te openen.”

De president beweert niet te weten, hoe veel leden van zijn parlement zwart, en hoevelen blank zijn. “Wij letten niet op de kleur,” zegt hij. Maar terwijl Massa Demas met heftige gebaren staat te oreeren, tellen wij de hoofden, en bevinden dat er vier-en-twintig blanken zijn tegen acht-en-twintig zwarten. Vier-en-twintig en acht-en-twintig maakt te zamen twee-en-vijftig: dat is dus vier leden minder dan het vereischte getal! Toch heeft de voorzitter ons zoo even verzekerd dat de Kamer voltallig is. Wij tellen nog eens over, en komen tot dezelfde uitkomst.

“Houdt gij deze vergadering voor eene wettige Kamer, mijnheer de Voorzitter?

—Ja, gewis is zij eene wettige Kamer, de Tweede Kamer van Louisiana.

—Maar er zijn niet meer dan twee-en-vijftig leden tegenwoordig.

—Zes-en-vijftig hebben bij het appel nominaal geantwoord.”

O, Michael Hahn!

Wij gaan naar de Eerste Kamer, waar wij den voorzittersstoel zien ingenomen door een rijzigen, bleeken neger met een klein hoofd en verflenste trekken. Er zijn dertien blanke en vijftien zwarte senatoren tegenwoordig, die bezig zijn te overleggen of het niet wenschelijk zou zijn, den heeren senatoren te Washington eens een lesje te geven, door op nieuw Pinchback af te vaardigen als senator voor Louisiana. Deze vuilgrauwe, verloopen neger is niemand anders dan Cesar C. Antoine, luitenant-gouverneur van den staat, en als zoodanig president van den Senaat. Er zijn geen conservatieve leden tegenwoordig.

Cesar C. Antoine is een volbloed Afrikaan, hoewel hij minder zwart is dan de meesten zijner broederen aan de boorden van den Niger of den Senegal. Klein van gestalte en van zwakken lichaamsbouw, schijnt al zijn kracht te liggen in eene soort van vrouwelijke sluwheid. Antoine was sjouwer bij het Tolkantoor. Voor hij zich in de politiek begaf, kon hij met moeite zijn brood verdienen; maar aangezien hij een gouvernementspost bekleedde, vond hij zich den weg gebaand tot het publieke leven. Zijne verheffing ging wonderlijk snel: bijna zonder overgang verwisselde hij het zitbankje der pakkedragers met den zetel van luitenant-gouverneur. Vroeger de knecht der klerken van de douane, is hij tegenwoordig de meester der senatoren. Sedert de Khalief zijn sloffendrager tot pâsja verhief, is het niet gezien dat een man van zijn stand tot zoo hooge betrekking geroepen werd. Wel mag hij de fortuin zegenen, want zonder haar zou hij het door eigen verdienste nooit verder dan zijn eigenlijk beroep hebben gebracht.

Deze zwarte Caesar in Nieuw-Orleans is wel zoo goed mij te doen gevoelen, dat hij het eens is met den blanken Caesar in Washington. Op zijn pruim tabak kauwende en het vuile vocht in een grooten bak spuwende, verzekert hij ons, “dat hij nooit zoo iets beleefd heeft als die zaak van Wiltz”; en ook “dat de kleurlingen in Louisiana er niets tegen hebben, dat generaal Grant voor de derde, of als hij zulks verkiest, zelfs voor de zesde maal herkozen wordt.” Twee Caesars in hetzelfde schuitje!

Terwijl wij met Antoine naar het kabinet van Kellogg gaan, komen wij Pinch tegen. Deze neger is boven de wolken, want de zwarte senatoren hebben hem zoo even nogmaals tot senator voor Louisiana benoemd, en Antoine heeft zijne geloofsbrieven medegebracht, die door den gouverneur geteekend en gezegeld moeten worden. Uitgedost met een reusachtig papieren halsboord, zijn kroeze hairen glimmende van pomade, onophoudelijk glimlachende en gezichten trekkende, staat Pinch voortdurend te buigen en te knikken. Hij bladzijde 166is zoo bespottelijk en zoo jammerlijk, dat ge geneigd zoudt zijn, hem een fooitje in de hand te stoppen. Kellogg sehijnt den kerel te verachten, maar hij kan zijne onderteekening en zijn zegel niet weigeren. Wie zal zeggen, wat er inmiddels in zijn ziel omgaat? Pinch verliest hem niet uit het oog, kauwt zenuwachtig op zijn pruim, en spuwt onophoudelijk tegen de wanden en op het vloerkleed. Het is in waarheid een hoog komisch tooneel. Zoodra de papieren geteekend en gezegeld zijn, pakt Pinch ze bijeen, steekt een versche pruim in zijn mond, en gaat met Antoine gearmd de kamer uit, om zich daarbuiten door zijn kameraden te laten bewonderen.


Voor het hotel Saint-Charles te Nieuw-Orleans (13 Januari 1875).

“Het is een klucht, zegt de gouverneur Kellogg.—Pinchback is nu evenmin senator als vroeger. Hij wordt beet genomen, maar die kleurlingen zijn kinderen, die men zoet moet houden. Zoodra hij te Washington komt, zullen zij wel uit hun droom ontwaken.”

Kellogg is hoffelijk, ernstig en blijkbaar zichzelven meester. Naar het algemeene zeggen, leeft hij letterlijk van leugens. Een vriend, dien ik in de Kanaalstraat ontmoette, zeide tot mij: “Gij gaat naar Kellogg? Laat mij u mogen zeggen, dat de man, dien gij gaat bezoeken, een wonder is. Hij is voor niets bevreesd. Al de federale soldaten in Nieuw-Orleans zouden hem niet kunnen dwingen, de waarheid te zeggen.”—De gouverneur heeft iets beminnelijks en innemends, dat zijne vijanden geveinsdheid en bedrog noemen; maar hij ziet iemand vrij in het gelaat, en de toon zijner stem is openhartig en ernstig. Hij maakt op mij eer den indruk van een onrustigen dweeper, diep doordrongen van de waarheid zijner meening, en volkomen bereid om alles, en ook zijn eigen persoon, ten offer te brengen voor wat hij de “goede zaak” acht. Na het vertrek van Pinch, vraagt hij ons of wij de Kamer hebben gezien: eene vraag, die ons gelegenheid geeft hem te vragen, of hij de Tweede Kamer als eene wettige vergadering beschouwt?

“Neen, antwoordt hij met een glimlach; zoolang wij het vereischte getal niet hebben, zijn wij geene wettige Kamer. Over dat vereischte getal loopen de gevoelens uiteen: onze raadgevers zeggen ons dat vier-en-vijftig leden voldoende zijn, maar de gewoonte eischt zes-en-vijftig; en zoolang dit punt niet door de rechters is uitgemaakt, onthouden wij ons van elke handeling.

—Hebt gij dan vier-en-vijftig leden?

—Neen, drie-en-vijftig. De voorzitter Hahn heeft aan drie kandidaten, wier verkiezing door het kiesbureau niet was goedgekeurd, toch vergund, zitting te nemen. Dat is verkeerd. Daar de vergadering niet voltallig is, mag zij ook niet over zetels beschikken.

—En ook geen voorzitter verkiezen.

—Gij hebt gelijk. Deze handelingen zijn onwettig en zonder mijne goedkeuring geschied. Michael Hahn is evenmin voorzitter der Kamer, als ik President der Unie ben. Mijne Kamer is slechts een club, en niets meer, maar Hahn voert graag een titel, en de zwarte leden zijn er op gesteld als leden eener wetgevende vergadering te worden aangesproken. Wij wachten op eene schikking. Als de President standvastig blijft, zal de andere partij spoedig genoeg tot onderhandelen komen. Ik zou wel drie leden kunnen vinden, om de Kamer voltallig te maken, maar ik wil den verlangden prijs niet betalen. Ik verlang eene eerlijke regeering, en het zou mij zelfs genoegen doen, indien de conservatieven in de Tweede Kamer de meerderheid hadden. Blanken zijn beter te voldoen dan zwarten.

—Waarom dan de Kamer laten vergaderen, beraadslagen en verslagen openbaar maken, alsof zij de wettige vertegenwoordiging ware?

Ik kan er niets aan doen. Onze tegenstanders zijn rijk, en wij zijn arm. De aanhangers van Mac-Enery, allen welgestelde lieden, kunnen hun traktement missen; onze partijgenooten, allen behoeftige lieden, moeten noodwendig betaald worden. Als wij geen voorwendsel kunnen vinden om hun drie dollars per dag te geven, dan kunnen zij niet in Nieuw-Orleans blijven. Binnen een week zouden er dertig van de vijftig gevlogen zijn. Ik laat ze vergaderen, over onverschillige zaken beraadslagen en hun salaris ontvangen; maar ik verbied hun, ernstige zaken te behandelen, zoo lang wij niet zeker zijn van den afloop.

—Gelooft gij dat wanneer de President er toe kan besluiten om Sheridan te ondersteunen, de nieuwe wetgevende macht inderdaad iets zal kunnen uitrichten?

—Ik hoop er het beste van; maar mijne taak valt mij zeer zwaar. Ik verlang hartelijk naar het oogenblik, waarop ik mij zal kunnen terugtrekken.

—Wel, niemand belet u immers om onmiddellijk Nieuw-Orleans te verlaten?

—Het besef van mijn plicht houdt mij terug. Ik ben een partijman. Vast overtuigd, dat de beginselen van mijne partij de beste zijn voor elk deel van Amerika, heb ik gedaan wat in mijn vermogen was, om ze ook hier in het Zuiden in toepassing te brengen. Mijn werk is nog niet voltooid; maar ik ben tien jaar ouder geworden. Ik heb wel verdiend te mogen rusten, maar ik mag niet terugtreden, zoo lang er nog eenige kans is om te voltooien wat ik hier in dezen staat heb aangevangen.”

Hij spreekt op ernstigen, bijna weemoedigen toon.

“Wat is mijn leven in Nieuw-Orleans, dat ik zou verlangen hier te blijven? Als een vreemde indringer beschouwd, als een avonturier gescholden te worden, dat is nog het minste. Maar iedereen vermijdt en schuwt mij, behalve de schooier, die om een postje solliciteert. Geene dame richt ooit een woord tot mij. Geen fatsoenlijk man reikt mij immer de hand. Het gemeen jouwt mij uit; het is een wonder, dat ik nog niet vermoord ben, en ik zal blijde zijn als ik er het leven afbreng. Ik hoop dat ik eens zal kunnen heengaan, maar niet voor ik mijn werk heb volbracht.”

Tooneel:—De Rotonde in het hotel Saint-Charles te Nieuw-Orleans: een marmeren vloer; open galerijen, rustende op dunne kolommen—Tijd:—Woensdag, 13 Januari 1875, ten acht uur des avonds.—Personen:—Generaal Sheridan met zijn staf; de luitenant-gouverneur Penn, senatoren, leden van het Congres, vreemde consuls, scheepgezagvoerders, korrespondenten bladzijde 167van dagbladen, ordonnans-officieren, koeriers, telegraafbeambten, en voorts eene groote menigte, waaronder twee engelsche reizigers.—Temperatuur:—kookpunt van het kwik.

“Bereidt u voor op eene vechtpartij,” zegt eene welbekende stem, als wij uit de eetzaal in de Rotonde komen. De zaak is aan den gang en moet nu tot eene beslissing komen. Treedt Grant terug, dan zal het vrede zijn; zoo niet, oorlog. Let op! Voor gij naar bed gaat, zal het uitgemaakt zijn.”

De middenzaal of hal van ons hotel is een reusachtig vertrek—de rotonde van een gebouw, dat in Italië den naam van paleis zou dragen: zij dient tegelijk tot conversatiezaal, tot wandelplaats, tot divan, tot societeit en tot beurs. Hier komen handelaars om te koopen en te verkoopen; spelers om hunne schulden te vereffenen; duellisten om getuigen te zoeken; hier komt iedereen vooral ook om nieuws te vernemen en zijne kennissen te ontmoeten. Hier komen telegrammen aan uit alle oorden der wereld. Hier gaan de dagbladen van hand tot hand, en wordt ijverig over de politiek geredekaveld. Alle vreemdelingen nemen hun intrek in dit hotel, en de burgers van Nieuw-Orleans, die hen over zaken te spreken hebben, komen hen zoeken in deze hal, het centraal-punt der stad, waar ge bijna van alles krijgen en iedereen ontmoeten kunt.

Dezen avond vooral levert onze Rotonde een zeer eigenaardigen aanblik op. Generaal Sheridan, in burgerkleeding, staat bij een pilaar, zijn sigaar rookende en met zijn vrienden pratende. Is het bloot toeval of voorbedachtelijk, dat hij met zijn rug tegen dien pilaar leunt, zoodat hij van achteren tegen iederen aanval gedekt is? Rondom hem beweegt zich eene onrustige, opgewonden menigte van burgers, waaronder velen die beroemde historische namen dragen. Onder hen bevinden zich ook de generaals Ogden, Tailor en Penn. Die kreupele, die zich daar een weg door de menigte baant, is generaal Badger, nauwelijks van zijne wonden hersteld. De heeren nevens Sheridan, mede in burgerkleeding, zijn generaal Emory en kolonel Sheridan, een jonger broeder van den opperbevelhebber.

Bandieten! Hoe de zuidelijke trots en de zuidelijke drift opvlammen in het oog dier senatoren en generaals, als zij statig en ernstig de zaal doorgaan, zoowel door beleefdheid als door bedachtzaam overleg weerhouden van een aanval op den man, die hen roovers en vagebonden durft noemen, en die alleen op een enkel woord wacht om hen aan de galg te brengen! Met wat koude en verachtende hoogheid gaan deze aristokratische heeren langs den pilaar, waartegen Sheridan leunt!

“Vreest gij niet voor ongelukken? vraag ik aan generaal Penn.

—Niet bepaald, antwoordt hij. Men heeft ons het vuur na aan de scheenen gelegd, maar wij kunnen, zoo noodig, veel verdragen.

—Maar ik geloof dat velen van deze heeren gewapend zijn; en een of andere opgewonden dweeper zou, door drift vervoerd, lichtelijk tot eene algemeene uitbarsting aanleiding kunnen geven.

—Dat is zeker mogelijk; maar de Bond staat onder vaste leiding. Geen enkel lid draagt een wapen, zelfs geen zakmes, bij zich. Wij zijn sterk genoeg, om het zonder messen en pistolen af te doen. Komt het tot een strijd, dan zullen wij ons gedragen als soldaten, en niet als negers of Kickapoos. Maar het zal zoover niet komen—de President treedt terug.”

Het geruisch der stemmen rijst en daalt onder den hoogen koepel, als de eb en vloed der zee op het strand. Nu stijgt het zoo hoog, dat het de militaire muziek daar buiten bijna geheel overstemt; dan weer verdooft het geheel, en de stilte is zoo volkomen, dat men het getik van de telegraafnaald duidelijk hoort. Eensklaps laat zich een tromgeroffel hooren. Aller oogen keeren zich naar de klok, als ware de wijzerplaat een aangezicht, waarop de geheimen van het kabinet van den President te lezen staan. Aller ooren zijn gewend naar den telegrafist, als school in zijn toestel een verborgen geest, die de mysteriën van het Kapitool ontsluieren kon. De berichten volgen elkander onafgebroken op, zoodat de beambten nauwelijks tijd hebben, ze te lezen: aldus vernemen wij, hier in de Rotonde, wat ten onzen behoeve wordt gezegd en gedaan, niet alleen te Charleston en Richmond, maar ook te New-York en te Saint-Louis, even spoedig als dit in de Broadway bekend wordt. Wij staan in rechtstreeksche verbinding met het Kapitool, zoodat wij kennis dragen van hetgeen daar voorvalt, nog eer de bewoners van Washington dit vernemen.

Wij hooren dat de President zeer verlegen is en elk oogenblik van besluit verandert. Gisteren was hij vast als een rots; heden morgen is hij kneedbaar als deeg. Hartstochtelijk en koppig van aard, wil hij zijn land regeeren op dezelfde wijze als hij zijn kamp regeerde, en het verbaast en verbijstert hem dat zijn landgenooten van geen militair bestuur gediend willen zijn.

De geweldige beweging, door de tijdingen uit Nieuw-Orleans in de steden van het Noorden en Westen verwekt, was voor den President een geheel onverwacht verschijnsel. Boston en New-York zijn onder de wapenen, even als Chicago en Philadelphia, Saint-Louis en Cincinnati. Eene algemeene blanke manifestatie antwoordt op de bedreiging van het caesarisme. Welsprekende woorden worden alom gehoord; de republikeinen vereenigen zich met de demokraten in de veroordeeling der politiek van President Grant. De eerwaardige Bryant verheft zijne stem in New-York; de liberale Adams spreekt uit naam van Massachusetts. Evarts leent zijn naam aan een stuk, dat weinig minder is dan een formeele aanklacht tegen den President en zijn kabinet. Kellogg en Packard, Antoine en Pinchback zijn vergeten, en al de toorn en verontwaardiging treft den hoofdschuldige in het Witte-Huis. Duizenden stemmen dringen er op aan dat de President in staat van beschuldiging zal worden gesteld. Men spoort aan tot afstand, men eischt dien als onvermijdelijk. Het gansche land is in opschudding, de geheele blanke bevolking sluit zich samen tot verdediging van het geschonden recht.


Generaal Grant, ex-president der Vereenigde-Staten.

Gisteren scheen de President besloten, om zijn luitenant te handhaven. De Senaat noodigde hem uit, verslag te geven van hetgeen in Nieuw-Orleans voorviel, bladzijde 169en mede te deelen, wat hij voornemens was te doen; want de rapporten van Forster, Phelps en Potter, waarin de onschuld der blanke bevolking van Nieuw-Orleans werd erkend en de schuld der verwarring enkel aan de militaire partij werd geweten, hadden een diepen indruk gemaakt. Wanneer zulke hartstochtelijke partij-mannen als Forster en Phelps zelfs geen woord ten voordeele van hunne politieke partijgenooten kunnen vinden, dan is de zaak wel ontwijfelbaar verloren;—en toch scheen President Grant besloten, op den ingeslagen weg voort te gaan, de verantwoordelijkheid voor hetgeen geschieden zou op zich te nemen, en Sheridan de vrije hand te laten. In dien zin zond hij een boodschap aan het Congres. Maar buiten de bureaux van het departement van oorlog, waar zijn adjudanten tieren en rooken, vond hij weinig personen, genegen om hem op dien weg te volgen. Senatoren van zijn eigen partij en van erkende ervaring en bekwaamheid, kwamen tot hem in zijn kabinet, om hem te waarschuwen dat hij zijn partij te gronde richtte, indien al niet zijn vaderland. Generaal Sherman aarzelt geen oogenblik zijne meening uit te spreken, en die meening is niet gunstig voor den President. De Vice-President der Unie, Wilson, komt openlijk in verzet, en sommige invloedrijke dagbladen dringen er op aan, dat Grant het Witte-Huis zal verlaten en het gezag in handen van Wilson overdragen. Nog meer: Hamilton Fish verklaart, dat als de President Sheridan ondersteunt en de handelingen van Durell en Packard goedkeurt, hij zijne betrekking als staatssecretaris zal nederleggen. Dit werkt. Fish toch is niet slechts de bekwaamste man in Grant's kabinet, maar ook een der bekwaamste mannen van geheel Amerika. Bristow, secretaris van financiën, schaart zich aan de zijde van Fish. Zonder deze leden, kan het kabinet van den President geen week stand houden; en zal de val van het kabinet niet wellicht de voorbode zijn van nog erger val?


Standbeeld van Lincoln te Philadelphia.

De gouverneurs der machtigste staten voeren ook eene alles behalve geruststellende taal. “Een staat is verdwenen, zegt gouverneur Allen tot het volk van Ohio; een der souvereine staten van de Unie bestaat sedert gisteravond niet meer.” Een souvereine staat! Waarom heeft de partij van Grant dan eigenlijk den oorlog gemaakt, indien niet om dit begrip van souvereiniteit der staten voor goed uit te roeien? En hier komt een gouverneur van een der groote staten, in een der rijke en dicht bevolkte steden van het Noorden, spreken van Louisiana als van een “souverein” lid der Unie! Tilden, gouverneur van New-York, voert nog dreigender taal. “Voor handelingen als deze, hebben onze engelsche voorvaderen Karel I op het schavot gebracht, en Jacobus II van den troon verdreven.”

Blijkbaar is de politiek van den sabel aan een keerpunt gekomen: deze avond zal moeten uitmaken of zij een stap vooruit zal doen, dan wel vele stappen terugtreden. De uitkomst schijnt aan een zijden draad te hangen! Terwijl de President het voor en tegen overweegt, kan een enkel pistoolschot, door een dwaas afgevuurd, den burgeroorlog doen ontbranden. Sheridan is op alles voorbereid; en de verwoester der vallei van Shenandoah zou ongetwijfeld, zonder eenige aarzeling ook Nieuw-Orleans aan moord en verderf prijs geven. Heeft er eenmaal bloed gevloeid, dan zal de President de partij zijner officieren kiezen; maar wie kan zeggen, welke staten zich dan aan de zijde van het gouvernement zullen scharen? Sedert de jongste verkiezingen is de staat van zaken veranderd. Eene beweging ten gunste der blanken is begonnen; het zwaartepunt der politiek is verplaatst. In de nieuwe Kamer zullen de demokraten over eene aanzienlijke meerderheid beschikken. Komt het tot eene botsing, wie zal zeggen welke afmetingen en welke richting de blanke reactie dan nemen zal? Is het waarschijnlijk dat zij, die zeven weken geleden met het Zuiden stemden, nu de wapenen zullen opnemen om datzelfde Zuiden onder den voet te halen? bladzijde 170

Van de galerij der Rotonde zien eenige dames nieuwsgierig neder op die golvende zee van donkere en gebaarde aangezichten, onophoudelijk naar de klok opgeheven. Onder die dames bevindt zich ook de verloofde van Sheridan, wier pleizierreisje haar hierheen heeft gevoerd. Arm kind! Zij ziet die gefronste wenkbrauwen, die dreigende gebaren; zij kan met zekerheid vermoeden dat al die mannen gewapend zijn. Zij weet ook dat allen haar minnaar haten met een onverzoenlijken haat, die zelfs niet door bloed kan worden uitgedelgd. Wie kan haar de verzekering geven, dat de avond niet met een algemeen bloedbad zal eindigen?

Een kreet gaat op van den lessenaar van den telegrafist.—Een bericht—een bericht—van Washington!

“Lees! lees!” schreeuwen honderden stemmen. Een der klerken springt op een bank, met het telegram in zijn hand; hij wuift er mede heen en weder, en roept vroolijk juichend: “Heeren, de President treedt terug!”

Eerst wil men het niet gelooven; bleek en sidderend vraagt de een den ander: “Treedt hij terug?” en het antwoord is: “Ja, hij treedt terug!”

Nu komt er ontspanning; een glimlach speelt om de lippen, de oogen stralen van vreugde, en allen beginnen luidkeels te praten en elkander de hand te drukken. Enkelen ijlen heen, om het heugelijk nieuws ook elders bekend te maken. De groepen ontbinden en verstrooien zich; sommigen wachten de nog steeds aankomende telegrammen af, om nadere bijzonderheden te vernemen.

“Het stuk is uit, zegt een wel bekende stem; Durell verstooten, Belknap verloochend, Sheridan alleen gelaten. De President wijst alle verantwoordelijkheid van zich af. Sheridan wordt niet gesteund, en zijn lastgevingon worden onwettig genoemd. Ja, inderdaad het stuk is uit. Sheridan kan nu tijd vinden voor zijn pleizierreisje, en dan kan hij huiswaarts keeren om bruiloft te vieren. Een derde verkiezing? Die is dood en begraven, 't Is gedaan. Exit Caesar!”

XXII.

Georgië.—Zuid-Carolina.

Atlanta, de hoofdstad van Georgië, verrijst weder uit haar asch. Op zijn beruchten tocht van Chattanooga, vermeesterde Sherman de jonge schoone stad, ter nauwernood zeventien jaren oud, en verwoestte haar zoo volkomen, dat haar rivier vurige lava scheen, en van al haar vroegere heerlijkheid niets meer was overgebleven dan hier en daar een enkele rozenstruik. Atlanta viel als slachtoffer van den gruwelijken burgeroorlog: thans herrijst zij uit haar graf, even als Georgië zelf.

Op een heuvel gebouwd, omringd met een gordel van groenende esch- en pijnboomen, verheft zij fier haar torens en koepels boven het weelderig geboomte en overschouwt de omringende vlakte: wel maakt zij den indruk van eene hoofdstad, tot welken rang zij, na haar vreeselijke ramp, door een trotsch en dankbaar volk verheven werd.1 De grond is uiterst vruchtbaar; weelderige akkers met katoen en rijst beplant, malsche weiden, strekken zich aan alle zijden uit. Maïs en tabak bloeien in frissche kracht, en boven het rijke landschap welft zich een hemel, zoo rein en blauw als die van Cyprus. Hier grazen runderen; elders wandelen herders met hunne kudden. Negers, met balen katoen op hun hoofd, gaan met langzamen loomen tred de stad in. Het is een echt landelijk, dichterlijk tafereel; in de hoofdtrekken engelsch, maar toch in vele bijzonderheden van vorm en kleur u meer herinnerende aan den Nijl dan aan de Trent.

Wit geschilderde houten huizen, met kolonnaden en tuinen, schuilen weg in den lommer der boschjes en groepeeren zich langs de hellingen der heuvelen. Rondom deze villa's spelen en dartelen knapen en meisjes met frissche rozen op de wangen, met oogen stralende van moed en levenslust. Dit is het onmiskenbare edele bloed van Oud-Engeland, zoo krachtig en vol in Georgië als in York en Somerset. Denk haar zwarte bevolking weg, en Georgië zou een engelsch graafschap kunnen zijn.

Doch ook in Georgië is de zwarte bevolking een zeer belangrijk, hoewel gelukkig geen alles overwegend element. In tegenstelling met Louisiana, Mississippi en Zuid-Carolina,—staten, waarin de zwarte bevolking het in getalsterkte van de blanke wint;—hebben in Georgië de blanke kiezers de meerderheid; maar die meerderheid is gering, en de zwarte bevolking is in verscheidene graafschappen zoo opeengehoopt, dat zij daar de verkiezing geheel beheerscht. Bij voorbeeld—in Baldwin-county, Early-county en Sumter-county zijn er ongeveer twee negers tegenover een blanke; in Baker-county, Camden-county, Columbia-county, Effingham-county en Troup-county, zijn er meer dan twee negers tegenover één blanke; in Liberty-county heeft men omstreeks drie negers tegen één blanke; in Bullock-county en Hurston-county is de verhouding ruim drie negers tegen één blanke; en in Lee-county vindt men vier negers tegen één blanke. Wanneer al de negers in deze en andere graafschappen zich aaneensloten en de leiding volgden van de carpet-baggers, zouden zij, met behulp van de bondstroepen, zoo goed als in Louisiana en Mississippi, ook hier negers tot rechters, sheriffs en magistraten kunnen benoemen, en zwarte senatoren naar Atlanta, indien al niet naar Washington, kunnen zenden. Het graafschap Lee zou zijn Antoine kunnen bezitten, al mocht ook Georgië zich niet kunnen beroemen op het bezit van een Pinchback. Voor het oogenblik echter zijn de meeste negers nog rustig aan den arbeid op hunne hoeven en in hunne woningen, en bemoeien zich gelukkig niet met politiek; maar elk oogenblik kan een wachtwoord van Vicksburg of Jackson, Shreveport of Nieuw-Orleans hen, als een alarmkreet, in beweging brengen en het bewustzijn hunner noodlottige macht in hen wakker roepen.

De zitting van 1875 wordt te midden van groote spanning en onrust geopend. Gelukkiger dan haar naburen, bladzijde 171Florida en Zuid-Carolina, heeft Georgië haar onafhankelijkheid herkregen. Haar gouverneur, James M. Smith, is in het land zelf geboren. De wetgevende macht en de regeering zijn beiden in handen der conservatieven, en dus als zoodanig hoogst vijandig gezind jegens President Grant.

Hoewel Georgië minder van den oorlog geleden heeft dan Virginië en Zuid-Carolina, is de bevolking hier toch meer verbitterd dan in de andere geconfedereerde staten. Het verbranden van Atlanta, de plundering van Milledgeville, de opzettelijke en algemeene vernieling van wegen en spoorbanen, van kanalen en bruggen:—dit waren, althans in haar schatting, niet de onvermijdelijke gevolgen van een eerlijken krijg, maar zuivere daden van woeste wraakzucht en blinden haat. Zulke handelingen worden niet spoedig vergeten, en kunnen, zoo lang zij niet vergeten zijn, ook niet vergeven worden.

Tien jaar geleden woedde in al deze steden van het Zuiden de gruwelijkste burgeroorlog, ooit door zonen van hetzelfde vaderland tegen elkander gevoerd. Legers van ettelijke honderd-duizenden soldaten vertraden de bloeiende wijngaarden, de rijke plantages: elke zuidelijke staat was het tooneel van bloedige belegeringen, van moorddadige veldslagen. Prachtige wouden werden moedwillig in brand gestoken, groote rivieren buiten hare bedding geleid, bloeiende steden en dorpen vernield. Overal heerschte verderf en moord en toomelooze balddadigheid. Wat wonder, dat de toen met zoo ruwe hand geslagen wonden pijnlijke litteekenen hebben nagelaten? De verscheurde en zwart gebrande muren van Atlanta zijn nog niet verdwenen; de wrok en bitterheid in de harten der wreed mishandelde, vertrapte bevolking van het Zuiden is nog niet gestorven. De wonden, in den burgeroorlog geslagen, genezen niet dan zeer langzaam. Een krijg tusschen de stammen verdeelde voor immer de kinderen Israëls. De worsteling tusschen de patriciërs en plebejers heeft eeuwen lang de ontwikkeling van Rome tegen gehouden. Inwendige tweespalt leverde Sevilla in handen der Mooren, en Dublin in handen der Saksers; straatgevechten en onlusten openden de poorten van Constantinopel voor de Turken. Godsdienstoorlogen verzwakten Frankrijk en putten Duitschland uit. De aanslag op Freiburg heeft een nog niet gedoofden wrok achtergelaten in het hart der katholieke kantons van Zwitserland. Maar geen feller en bitterder burgeroorlog, dan die, waaraan een sociale kwestie tot oorzaak of voorwendsel strekt. Lange jaren moesten er verloopen, eer Rome zich had hersteld van haar kamp met Spartacus. De engelsche maatschappij werd door den opstand van Cade tot in haar grondslagen geschokt. De bevolking van Wurzburg en Rothenburg denkt nog met schrik aan den opstand van Münzer. De strijd der Commune in Frankrijk is noch vergeten noch geëindigd, en evenmin de communistische en federalistische beweging in Spanje.

“Zijn er veel leden van den Blanken Bond in Georgië? vroeg ik aan een lid van den Senaat te Atlanta.

—Ja, antwoordde hij onbewimpeld; in alle distrikten waar ge blanken en zwarten te zamen vindt, vindt ge ook leden van de blanke en van de zwarte ligue. Dit is een noodzakelijk gevolg van den toestand. Ook in Atlanta hebben wij blanke verbondenen; maar gij moet niet meenen dat daaronder hier in Georgië zulke eerlooze schurken zijn, als waarvan Sheridan spreekt en waarvan de republikeinsche bladen zoo veel weten te verhalen. Daar is een echte en een valsche Blanke Bond. De echte Bond bestaat uit eene vereeniging van conservatieven, die de orde wenschen te handhaven en den eigendom te beveiligen; de valsche, uit een hoop avonturiers, die den vrede wenschen te verstoren, en huizen en landgoederen willen plunderen. Tot welk van deze twee Bonden zouden wij, naar uwe meening, wel behooren: wij, die genoegzaam al het land in Georgië bezitten en bebouwen? Bonden en onderlinge vereenigingen zullen volstrekt noodig blijven, zoo lang de federale troepen onze steden bezet houden. Indien wij onze stad en ons land van den ondergang willen redden, dan moeten wij onze krachten vereenigen en vast aaneengesloten blijven. De valsche blanke Bond echter is slechts eene schepping van het partikulier kabinet van den President.

—Gij zijt dus van meening, dat de tegenwoordige verwarring eigenlijk door de Regeering zelve wordt uitgelokt en bestendigd, ten einde eene tweede herkiezing van generaal Grant als President te bevorderen?

—Met geen ander oogmerk. Al dat rumoer in Vicksburg en Nieuw-Orleans komt hem uitnemend te stade. Als Billy-Ross President was en Beere-Poot zijn minister van oorlog, dan zoudt ge niets meer van al die bonden en vereenigingen hooren; maar dan zoudt ge dagelijks in de dagbladen uitvoerige verhalen lezen van de misdaden der negers in Caddo, en van de overweldigingen der blanken langs de Red-River. Als wij een demokratischen President hebben, dan zult ge meer hooren spreken van den zwarten dan van den blanken Bond.

—Die zwarte Bond bestaat dus werkelijk?

—In elk negerdorp en in elk negerkamp bestaat een zwarte bond. Na den moord van Jemmy Gray, is het wel geene vraag meer, of er in Mississippi een geheime zwarte bond bestaat.”

In al de steden van het Zuiden is deze moord van Jemmy Gray en de bekentenis, door den moordenaar afgelegd, het onderwerp van schier alle gesprekken. Gray was een jonge neger, die van zijne plantage naar Vicksburg kwam, en daar vermoord werd door een anderen neger, Olivier genaamd, welke laatste echter handelde op bevel van een derde, Jeff Tucker, mede een neger. Na zijne gevangenneming, heeft Olivier eene volledige bekentenis afgelegd. Gray, zelf een lid van den zwarten bond, beluisterde in zijne hut de beraadslagingen en geheime plannen van zijne opperhoofden. Zoo vernam hij dat Vicksburg zou worden aangevallen door zwarte soldaten, bijgestaan door het neger-gepeupel, en dat al de blanke burgers zouden worden vermoord. Gray spoedde zich weg, om enkele personen, die hem vriendelijk bejegend hadden, voor het naderend gevaar te waarschuwen, en verijdelde alzoo den aanslag. Jeff Tucker, een der hoofden en leiders van den bond, had vermoeden op Gray, en beval dat hij gedood zou worden. Olivier betuigde diep berouw te gevoelen, want Gray had hem nimmer bladzijde 172eenig leed gedaan; maar Tucker was zijn chef, en hij had zich bij eede verbonden alles te doen wat hem geboden werd, al ware het ook de moord van een broeder. Toen Tucker hem gelastte Gray te dooden, volbracht hij dien last, zonder zelfs naar de reden te vragen. Hij beweert, dat hij dit niet durfde en, door vrees gedreven, handelde. Indien hij Gray niet had gedood, zou hij zelf zijn leven verbeurd hebben.

In Georgië schijnen de kleurlingen tevreden; maar wie zal zeggen, hoe lang die kalmte duren zal? De neger is een geheimzinnig, raadselachtig wezen: niemand kan voorzien wat hij al of niet zal doen. Stemmen wijzen hem den weg; fetischen bezielen en geleiden hem. Zelfs hier op de schoolbanken en in de kerk, blijven de onverdelgbare sporen van zijn oud afrikaansch bijgeloof hem bij. Hij laat zich altijd verlokken door de onzinnigste beloften, zoo als die van de “veertig bunders en een muilezel”; en het ontbreekt nooit aan carpet-baggers, die, als het oogenblik gunstig is, hem dergelijke beloften in het oor blazen. Hij heeft eenmaal de macht in handen gehad, en de bedwelming van dat oogenblik is sedert niet geweken. Welk een glorierijke dag voor het kroost van Cham! Niets streelt den neger meer, dan een publiek ambt te kunnen bekleeden; hoe innig goed doet het hem, zich met den titel van “Edel-Achtbare” te hooren aanspreken, en op blanke losbollen de boete wegens dronkenschap te mogen toepassen. “Hi! Hi! grinnikt hij op zijn rechterstoel. Jij deugniet ... Jij dronken .... Tien dollars! Hi! Hi!”


“Hi! hi!—jij dronken!......”

Even als alle wilden, hebben ook de negers in Georgië een onweerstaanbaren dorst naar rang en gezag. Het baat niet, of ge hun al aan het verstand tracht te brengen, dat zij minder in aantal zijn dan de blanken, en dat de minderheid zich aan de meerderheid dient te onderwerpen. Naar hunne meening, moet ieder op zijn beurt heer en meester zijn. De blanken hebben hun beurt gehad: nu moeten de negers hun beurt krijgen.

Duizenden van deze negers zijn door de roekelooze regeering van den staat gewapend en in den wapenhandel geoefend. De milicie-regimenten bestaan voor het meerendeel uit kleurlingen, en deze neger-regimenten worden gekommandeerd door scalawags en carpet-baggers, die, uit de steden van het Noorden, als een verdelgende uitgehongerde sprinkhanenzwerm, op de rijke katoenplantages en vruchtbare rijstvelden zijn neergestreken. Geen wonder, dat deze troepen, in plaats van een waarborg van orde en veiligheid, zelven de bron van wanorde en een oorzaak van voortdurend wantrouwen zijn.


Meeting-street te Charleston.

Sommige scalawags maken de negers wijs, dat de President aan het zwarte ras de eerste plaats in den staat wil bezorgen, en hun de vrije beschikking geven bladzijde 174over de bezittingen en het leven der blanken. En de negers en mulatten houden zich ten volle overtuigd, dat deze scalawags de waarheid spreken. Arme drommels! zij kunnen lezen noch schrijven. In hunne jeugd waren zij slaven. Van politiek en geschiedenis hebben zij minder begrip dan de domste boerenarbeider in Engeland. De zedewet en de regelen der samenleving zijn voor hen ijdele klanken; maar de armste neger in Georgië begrijpt zeer goed het onderscheid tusschen een vuil krot en een fatsoenlijk huis, tusschen een welbezette tafel en een ledige spijskamer, tusschen een warm kleed en een lap katoen, tusschen een plaats in de goot en een zetel in het wetgevend lichaam. “Ziet, roepen de scalawags, ziet naar Louisiana en Mississippi! Daar zijn de negers sheriff's en assessors, rechters en wetgevers. Te Nieuw-Orleans en te Jackson vindt ge neger-senatoren en neger-luitenant-gouverneurs; daar worden de blanken door de bondstroepen in bedwang gehouden. Louisiana zendt Pinchback, Mississippi zondt Rush, om de kleurlingen in het nationale Congres te vertegenwoordigen. Sluit u dan aaneen en bezorgt de overwinning aan uw eigen kandidaten...!”

Door deze voorspiegelingen verrukt, begint Sam2 er ernstig over te denken, om naar eene plaats in de wetgevende macht van den staat te dingen. Is hij al niet zoo gelukkig als Pinchback, misschien brengt hij het toch wel zoo ver als Antoine, of althans als Demas. Als Piet in de Kamer te Jackson of te Nieuw-Orleans zit, waarom zou Sam dan niet in de Kamer te Atlanta mogen zitten? Men zegt hem, dat de minste senator drie dollars per dag verdient, zonder dat hij daarvoor iets anders behoeft te doen dan te dommelen in een leuningstoel, tabak te kauwen, te antwoorden als zijn naam wordt afgeroepen, en nu en dan naar de koffiekamer to slenteren om whisky te drinken. In Louisiana en Mississippi kwijten zijn zwarte broeders zich uitnemend van die taak: waarom hij niet in Georgië?

“Gij zoudt schik hebben in sommigen onzer zwarte politieke mannen, zeide mij zeker welbekend persoon. Van morgen, toen mijn zwarte knecht mijn laarzen poetste, zag hij mij aan, en vroeg mij, met een dommen lach, hoe hij het moest aanleggen om tot lid der Kamer benoemd te worden. De kerel kan nauwelijks lezen en in het geheel niet schrijven; hij slijpt mijn messen en verzorgt mijn paard; en toch wil hij wetten maken voor mij...!”

Wat de verhouding tusschen het blanke on het zwarte ras betreft, is Zuid-Carolina wel de ongelukkigste staat van de geheele Unie. In Louisiana wegen de beide rassen ongeveer tegen elkander op. Na verloop van negen of tien jaar, zal de schaal waarschijnlijk ten voordeele van de blanken overslaan, want hun aantal wast aanhoudend, terwijl dat der negers afneemt. Zelfs in Mississippi is de meerderheid der kleurlingen niet groot: zeven zwarten tegen zes blanken. In geen dezer beide ongelukkige staten is het afrikaansche element zoo overwegend, dat elke strijd bij de stembus hopeloos moet worden geacht. In Zuid-Carolina is dit anders. Hier is het overwicht van het afrikaansche element volkomen: de neger en zijn bastaardbroeder de mulat heerschen hier oppermachtig.

Volgens de laatste volkstelling, zijn er in Zuid-Carolina tien zwarten tegen zeven blanken. In zeven graafschappen hebben de blanken eene belangrijke, in drie andere een zwakke meerderheid; maar in de twee-en-twintig overige graafschappen hebben de negers eene verpletterende meerderheid. In de graafschappen Richland en Charleston, staan zij als twee tegen een. In de bayous en de savannahs hebben de kleurlingen bijna geheel de blanken verdrongen. In het graafschap Beaufort telt men bijna zes negers tegen één blanke; in dat van Georgetown, bijna zeven. De graafschappen Greenville, Anderson en Spartanburg mogen blanke geleerden, advokaten en grondbezitters naar de Kamers afvaardigen; maar de stem van een Trenholm of een Russell heeft niet meer waarde dan die van een neger uit de moerassen; en voor iederen Trenholm of Russell in het Parlement van Zuid-Carolina, zijn er drie negers uit de moerassen. Wat vermag, onder de heerschappij van zulk eene verstandige en billijke wet van gelijkheid, door de federale troepen stipt gehandhaafd, de blanke volkplanter?

Het vooruitzicht is voorwaar somber genoeg, en toch vreezen de burgers van Zuid-Carolina dat hun nog erger dingen te wachten staan. De uitgestrekte gordel van moerassen en savannahs, die van kaap Fear tot den Mississippi, en weder van dezen stroom tot Saint-Andrew's-Sound reikt, schijnt voor de Afrikanen een nieuw vaderland te zijn geworden. Daar leven en tieren en vermenigvuldigen zij; en zoo de negers voor eene bepaalde streek binnen dien gordel eene zekere voorkeur toonen, dan is het voor de heete en vochtige landstreek tusschen Columbia en de zee. Klimaat en bodem zijn daar voor hun gedijen even gunstig. Kalebassen kosten er bijna niets, de tabak groeit er in 't wild, en er is overvloed van suikerriet. Zoo ergens, dan zal de neger zich daar kunnen staande houden; en naar het schijnt worden de Afrikanen ook inderdaad naar deze streek heengetrokken, door de werking dier machtige en geheimzinnige wetten van verwantschap, die na de emancipatie ongestoord haar invloed kunnen doen gelden. Elders neemt het afrikaansche ras voortdurend af. Boven deze voor hen zoo gunstige streek, maar toch nog altijd binnen de grenzen van het Zuiden, strekt zich van de Chesapeake tot den Missouri en den Arkansas een gebied uit, waar de negers vroeger als slaven woonden en zich vermenigvuldigden. Maar tegenwoordig trekken zij zich uit deze streken terug, om zich naar het Zuiden en naar de zee te begeven. Missouri en Kentucky worden gaandeweg door hun zwarte burgers verlaten: niet omdat de negers van daar met geweld verdreven worden, maar ten gevolge van onnaspeurlijke oorzaken. Maryland en Virginië verkeeren in hetzelfde geval.

Vanwaar die verhuizing van het afrikaansche ras van het noorden naar het zuiden? Wie zal dat raadsel oplossen? Wie heeft tot dusver de verklaring gevonden van deze periodieke verhuizingen, die aan mensch en dier bladzijde 175gemeen zijn? Welk toovenaar heeft het geheim doorgrond van de zwaluw en de sprinkhaan, den haring en den springbok? Wie zal zeggen, waarom, in vroeger dagen, de Gothen hun geboorteland verlieten; waarom nu in dezen tijd de Chineezen hun heiligen grond verlaten? Men zegt, dat Gothen en Chineezen tot deze verhuizing gedreven werden, omdat het in hun land aan voedsel begon te ontbreken. Dit mag in sommige gevallen een der medewerkende oorzaken geweest zijn en nog zijn, maar daardoor wordt het verschijnsel in zijn geheel niet verklaard. Reeds voor de vogels en de visschen is deze verklaring onvoldoende, hoeveel te meer voor de hooger georganiseerde dieren en bovenal voor den mensch. Sommige schepselen worden aangetrokken door licht en warmte; anderen worden, onbewust, geleid door geheimzinnige aandriften en neigingen, die dienstbaar moeten zijn aan het behoud of de voortplanting des levens. Doch zeer dikwijls worden de menschen ook gedreven door hooger behoeften dan die van warmte en voedsel. Het was geen hongersnood, die de Kruisvaarders naar Syrië en de Pelgrimvaders naar Nieuw-Engeland dreef. Het was niet de begeerte om in hutten te wonen en zich met antilopenvellen te kleeden, die anderen naar Paraguay en weder anderen naar Mexiko deed gaan. Wat doet de Russen naar Troïtza, do Mooren naar Mekka, de Mormonen naar het Zoutmeer trekken?

“Gij meent dus dat de kleurlingen van Kentucky en Virginië naar Zuid-Carolina trekken? vroeg ik aan een dagbladcorrespondent, met wien wij over deze zaak spraken.

—Zonder twijfel, was zijn antwoord. Ten gevolge van mijn beroep, ben ik voortdurend op reis, en onophoudelijk zie ik de negers, mulatten en quadronen, bij gansche scharen, naar het Zuiden heentrekken. Ziekte dunt echter die karavanen—want de zwarten zijn aan verschillende epidemiën onderhevig; de meesten sterven eer zij ons land bereiken.”

Wat moet men hieruit besluiten? Stort de gansche stroom der verhuizing uit Missouri en Kentucky, Virginië en Maryland zich over Alabama, Mississippi en vooral Zuid-Carolina uit? Of wordt de bestaande verhouding tusschen de rassen, behalve door deze verhuizing, ook nog door een andere oorzaak verbroken, die wijst op een algemeenen achteruitgang van het zwarte ras? De vraag kan ook zoo gesteld worden: neemt het afrikaansche ras over het algemeen in Amerika in aantal toe?—en zijn de individuen van dit ras nu beter gehuisvest en gevoed dan vroeger?

Over de vraag, of het getal der Afrikanen in Amerika toeneemt, loopen de gevoelens uiteen. Zeker is het, dat de mate der vermeerdering, in verhouding bij vroeger, is afgenomen. Dat de zwarten niet in gelijke mate als de blanken in Amerika vermenigvuldigen, is een feit, dat door niemand betwijfeld wordt. Ieder beoefenaar der statistiek zal ook toegeven, dat zij na hunne vrijverklaring minder snel toenemen dan in den staat der slavernij. Verder is men het er tamelijk over eens, dat, behoudens enkele uitzonderingen, de negers en mulatten tegenwoordig in slechter huizen wonen en minder gezond voedsel gebruiken dan vóór de emancipatie. Zij zuigen meer suikerriet en kauwen meer tabak, maar woning en voedsel zijn van minder gehalte. Kindermoord, de eigenaardige ondeugd der wilde stammen, is onder hen zeer algemeen geworden.

De negers zijn in den regel afkeerig van het opvoeden hunner kinderen, die veel moeite en last veroorzaken, veel geld kosten, en veel zorg vorderen. Als slavin, was de negerin wel gedwongen haar kroost op te voeden, want die kinderen vertegenwoordigden een kapitaal. Vrij verklaard, kan zij haar natuurlijke neiging volgen: en even als bij de Chineezen en de bewoners der Fidji-eilanden, drijft deze natuurlijke neiging ook bij de negerin meermalen tot kindermoord. In Afrika dooden de Papals en Bulloms hunne kinderen; en men is er in Amerika nog niet in geslaagd, deze afrikaansche gewoonte uit te roeien. In Zuid-Carolina moet een vrije neger voor eigen rekening zijn kind kleeden en voeden, en iederen dollar, dien hij daarvoor uitgeeft, moet hij missen voor de bevrediging zijner hoogste begeerten: tabak pruimen en whisky drinken. Naar men mij verzekert, is kindermoord thans in de negerkoloniën even algemeen als in de steden van China of in de tartarijsche steppen.

Dat is de eigenlijke negerkwestie; en in vergelijking met haar verdienen zulke kinderachtigheden als deze: zullen de zwarten in dezelfde rijtuigen mogen rijden en aan dezelfde tafel zitten als de blanken? of wel: zullen de zwarten, even als de blanken, het stemrecht mogen uitoefenen, leden van wetgevende vergaderingen zijn en wapenen dragen?—ter nauwernood de aandacht. De echte negerkwestie in Zuid-Carolina en elders komt hierop neêr: zullen de zwarten, in den vrijen staat, kunnen blijven voortbestaan?

Aan de slaven is landlooperij natuurlijk verboden. De grootste stap in den overgang van wilde tuchteloosheid tot maatschappelijke orde, is waarschijnlijk wel deze beperking der persoonlijke vrijheid, waardoor de nomade tot een gezeten burger wordt. Er zijn wilde stammen, voor wie deze overgang onmogelijk is. Kan men den Afrikaan aan eene vaste woonplaats binden? Als vrije man, kan hij onbelemmerd zijn luimen volgen. Hij gaat en komt naar het hem invalt:—de eene week is hij in Missouri, de volgende week in Tennessee, de derde aan de Golf. Turkije poogt enkelen harer arabische stammen aan vaste woonplaatsen te binden: maar tot dusver zijn die pogingen ijdel gebleken. De kolonisatie der russische steppen heeft tot de lijfeigenschap geleid; en eerst na ruim drie eeuwen van onverbiddelijke, ijzeren tucht, waagde het de russische regeering die banden te verbreken, in het vertrouwen dat de oude zucht tot zwerven bij het volk nu zou zijn uitgedoofd. Zijn de negers rijp voor kolonisatie en vestiging? Het is onmogelijk, een vrije Sioux of een vrije Apache aan eene vaste woonplaats te binden. Een roodhuid kan de mededinging met zijn blanken buurman onmogelijk volhouden: hij gaat heen of bezwijkt. Heeft de neger wel de kracht om op zich zelven te staan? In de slavernij wies het getal der zwarten aan; na hunne vrijverklaring, slonk het getal der roodhuiden. Staat den zwarten ook een gelijk lot te wachten? Indien het eens bleek dat de vrome en welmeenende mannen, die niet rustten bladzijde 176voor de negers waren vrij verklaard, in hunne volslagen onbekendheid met de wetten der natuur, ondanks de beste bedoelingen, inderdaad niets anders hadden gedaan dan het vonnis geveld der langzame, maar onvermijdelijke verdelging van het negerras?

“Wees van één ding verzekerd, zegt kolonel Binfield, een zuidelijk officier, die de negerkwestie heeft bestudeerd op het slagveld, op de tabaksplantages en in de openbare scholen;—wij hebben niet meer voor wanorde op straat te vreezen. Wij zullen ons verder niet laten leiden door bekrompen hartstocht. Wij hebben een fout begaan, door ons van onze vlag te scheiden; maar wij hebben sinds lang die dwaling ingezien, en zullen niet weder in dezelfde fout vervallen. Wij hebben nu ons vertrouwen gesteld op de onveranderlijke wet des levens. De neger heeft de macht in handen gehad. Zijn dwaasheid en wispelturigheid ergerden ons, maar nooit heeft hij ons door zijn kracht ontzag ingeboezemd. Zelfs nu, nu de gouverneur te Columbia op zijne hand is, nu zijne vrienden de meerderheid hebben in de Kamers, en over alle openbare machten beschikken,—zelfs nu vreezen wij hem niet. Geen Afrikaan is tegen een Europeaan opgewassen. Zeker kan hij u in den donker een dolksteek toebrengen of een brandende fakkel in uwe kamer werpen, maar overigens kan een kleurling u niet licht ernstig kwaad doen. De strijd van een blanke met een neger is als de strijd van een man met eene vrouw. En dit geldt evenzeer van de massa. Neem er de proef van. Sticht een kolonie, een Utopia, aan de oevers van de Santee of den Edisto;3 plaats tien Europeanen te midden van negentig negers; geef aan elk der honderd kolonisten een gelijk aandeel in den grond, een gelijke hoeveelheid werktuigen, gereedschappen, zaad, geld; geef hun de meest mogelijke vrijheid en gelijkheid van recht; laat hen den grond bebouwen, wetten maken en zich zelven regeeren. Na verloop van tien jaren, zal de grond met de opbrengst en al het kapitaal uitsluitend in handen der blanken zijn. De natuur heeft nu eenmaal aan den blanke meer verstand en kracht, meer scheppend vernuft, meer moed en volharding, in één woord, hooger gaven naar lichaam en geest geschonken, dan aan den neger. Dit is een feit, en alle gemoedelijke bespiegelingen en quasi-humanitaire droomerijen kunnen daaraan niets veranderen. Ten spijt van voorbijgaande verwarringen, moet de blanke in dit land meester zijn. Waarom zouden wij dan op nieuw onze toevlucht tot de wapenen nemen? Slechts een vijand der blanke beschaving kan naar een tweeden burgeroorlog verlangen. Wij behoeven slechts onzen tijd af te wachten, zeker dat de overwinning in 't eind aan ons zal zijn.”


Het Witte-Huis te Washington.

Mijn vriend heeft gelijk. De neger is niet bestand bladzijde 177tegen het leven der vrijheid, dat hem verlamt en vernietigt. Alles in deze wereld heeft zijn eigen tijd en plaats; en sedert twintig eeuwen is Europa de kweekplaats van alle waarlijk levende krachten. Europa voorziet de andere werelddeelen van leven op elk gebied. Een denneboom, van Europa naar Amerika overgebracht, zal daar een woud verwekken en al de inlandsche boomen in den omtrek dooden. Breng een paard en een stier uit Europa over: zij zullen den buffel en den eland verjagen. Overal treedt de lagere vorm voor den hoogeren terug.


De vrijmetselaarsloge te Philadelphia.

Zelfs ondanks den tijdelijken steun van de bondstroepen, zal de overmacht der negers ten slotte voor de wetenschap en beschaving der blanken zwichten, zoo zeker als een woud van lagere planten verdwijnt voor een engelschen denneboom, en een kudde vee voor een engelsch paard.

XXIV.

Charleston.—Richmond.

Als de koepel van Sint-Paul boven Londen, zoo verheft zich boven Charleston de toren van een nieuw weeshuis, die de vroolijke stad en de ruime baai, de fraaie torenspitsen en bloeiende tuinen, en ook de in puin liggende gebouwen, beheerscht. Op het plat van dien toren gekomen, vinden wij daar een wachter, die, in een hoek geleund, zijn pijp rookt en naar de lucht ziet. “Hoe laat mag het wel zijn? vraagt hij ons.—Hoe laat? even over twaalven.—Over twaalven! Dan moet ik de klok luiden!”

Bang! Bang!

Eenige voorbijgangers beneden in de straat kijken naar boven. Het is middag, zeggen de lotus-eters. bladzijde 178

Ja, het is middag, de ure des gebeds. Allah hu Akbar!

“Ge schijnt niet op eenige minuten te letten?

—Wel neen, Mijnheer; wij zijn niet zoo dwaas om ons over eenige minuten meer of minder te bekommeren. Wien kan dat iets schelen?”

Die torenwachter is een inboorling vau Zuid-Carolina, en zijne woning in de wolken is het hart van Zuid-Carolina. Welk een trotsch en zorgeloos volk! wat een zonnige, schilderachtige stad! Zie daar de Ashley en de Cooper, de twee rivieren die de stad omarmen, zoo als de Hudson en de Oostrivier New-York omvatten; hoe rustig en weelderig langzaam rollen zij hare wateren voort naar de baai, zacht de stranden kussende en zich behagelijk kabbelend slingerende tusschen de eilandjes, langs de forten Ripley en Sumter, tot zij eindelijk zich verliezen in den Atlantischen-oceaan. Werp een blik op die bosschages en priëelen van myrthen en palmen aan onze voeten: wat weelderige groeikracht in den grond, wat rijke kleurschakeering in het geboomte! Kunt ge u iets bekoorlijkers denken dan deze villa's langs de baai, met het uitzicht op het kasteel Pinckney en op de batterij van King-Street, met balkons, door rozen en palmen overschaduwd, met bloeiende oranjeboomen, wier gouden vruchten boven het water wiegelen? En wat heerlijke vrouwengestalten wandelen door deze tuinen, zien uit door deze jalousiën, zitten op deze balkons! Voorwaar, wel vloeit in hare aderen nog iets van het bloed der hooggeboren dames, wier portretten ons door Lely en Van Dijck zijn nagelaten!

En toch, wat kracht en vuur hier, beiden bij mannen en vrouwen. Het is een spreekwoord in Charleston, dat geen neger of mulat een gentleman vlak in het gelaat durft zien. Hoevele negerinnen en mulattinnen zouden den blik van eene dezer blanke jonkvrouwen kunnen verdragen?

De regeering is niettemin afhankelijk van de zwarte kiezers, en voor het oogenblik is Zuid-Carolina een neger-republiek, die, even als een italiaansch gemeenebest uit de middeleeuwen, door een vreemdeling wordt geregeerd. De naam van dien amerikaanschen podestà is Daniel H. Chamberlain. Robert H. Gleaver, een neger, is luitenant-gouvorneur. Van de drie-en-dertig senatoren zijn er veertien zwarten; van de honderdvier-en-twintig leden der Tweede Kamer zijn er niet minder dan drie-en-zeventig negers. Gleaver, de zwarte luitenant-gouverneur, is voorzitter van den Senaat; de voorzitter van de Kamer, Elliot, is ook een neger. Onder die senatoren en Kamerleden zijn er maar weinigen, die hun naam kunnen teekenen; niettemin willen zij de hoogste regeeringsposten bekleeden. De staatssecretaris is een neger. Betrekkingen, die zekere vaardigheid in het lezen en schrijven vereischen, zoo als die van prokureur-generaal en superintendent van het onderwijs, worden aan de blanken overgelaten; maar de ambten, waaraan hooger traktement en meer invloed verbonden is, behouden de zwarten voor zich. De directeur van financiën, de adjudant en de inspecteur-generaal zijn negers. De opperrechter Moses is een blanke; maar zijn assessor, Wright van Beaufort, is een kleurling.

Even als in Engeland, plachten ook in Carolina de rechters voor hun leven benoemd te worden, en even als in het moederland, werden zij ook hier niet dan in zeldzame gevallen van hun ambt ontzet; maar dit conservatieve stelsel is onder de heerschappij der Reconstruction-Act ter zijde gezet. Een rechter wordt nu slechts voor vier jaren aangesteld, en maar zeldzaam herbenoemd. Zijn mandaat duurt kort, en hij moet dus zorgen er zooveel mogelijk profijt van te trekken. Sommige rechters—naar mij van bevoegde zijde verzekerd wordt,—drijven handel in katoen, rijst en andere artikelen, en verschijnen niet zelden als partij in rechtsgedingen. Een domme neger, door de stemmen van partijgangers op den rechterstoel geplaatst, staat aan velerlei verzoekingen bloot!

Een neger kan maar niet begrijpen, dat er voor het bekleeden van een ambt zekere voorbereiding, om niet te zeggen een natuurlijke aanleg, noodig is. Een ambt is voor hem niets anders dan een vrijbrief om naar hartelust te kunnen rooken, stil te zitten, onbeschofte antwoorden te mogen geven, en vooral een goed salaris te ontvangen. Het ambt is om den mensch, en niet de mensch om het ambt. Als gij een neger vraagt wat hij begeert, zal hij u antwoorden: “eene betrekking”; terwijl het hem verder tamelijk onverschillig is of ge hem rechter dan wel cipier maakt.

Eenige weken geleden ontmoette ik te Philadelphia een kleurling, Henry Griffin genaamd, vijf-en-dertig jaren oud en portier van zijn beroep. Dit scheen hem niet langer te bevallen; hij wilde hooger op. Zijn buren en kameraden ontvingen hun aandeel van den algemeenen buit: waarom hij ook niet? Daarom had hij zich, tot groot vermaak van zijn patroons, kandidaat voor de Kamer gesteld in het zevende arrondissement van Philadelphia.

“Tot welke politieke partij behoort gij? vroeg ik den kandidaat.

—Ik ben republikein, Mijnheer.

—Republikein! Maar dan stelt gij u tegenover Bardsley en Patterson, mannen van uw eigen partij, en geeft daardoor aan uw tegenpartij, de demokraten, een kans op de overwinning.

—Dat mag zijn; maar wij willen ook ons deel hebben, en de republikeinen bedriegen ons op allerlei manier.

—Zoo? Ik dacht dat zij u de vrijheid geschonken en voor u tegen hunne broeders in het Zuiden gevochten hadden?

—Ja, dat is al lang geleden. Dat is dood en begraven. Ik spreek van nu. Wij, kleurlingen, stemmen voor de republikeinsche lijst. Maar als zij, door onze stemmen, het winnen, dan geven zij ons toch niets. Wij hebben een blanken gouverneur, een blanken staatssecretaris, een blanken opperrechter.

—Zoudt ge dan willen dat een zwarte opperrechter de plaats innam van Daniel Agnew?

—Wel, Mijnheer, zouden wij dan geen raadsheer, geen brievenbesteller, geen policie-agent van onze kleur mogen hebben? In New-Jersey, aan de overzijde van de Delaware, vindt ge zwarte policie-commissarissen en zwarte magistraten. In Pennsylvanië noemen wij ons ook republikeinen, maar geen enkele kleurling bekleedt bladzijde 179daar eene openbare betrekking, behalve die van portier in de gevangenissen: en die beambten moeten hun eigen kamer aanvegen en hun eigen muren witten! Is dat gelijkheid?”

Griffin is openhartig. Hij heeft de kunst niet geleerd om leelijke zaken in fraaie woorden te kleeden, en zegt u zonder omwegen, dat hij gaarne ook zijn vingers in de schatkist wil steken.

De staat van zaken te Charleston is bevredigend: bevredigender dan men zou verwachten onder het bestuur van carpet-baggers, met eene Kamer voornamelijk uit negers bestaande, en met een federaal leger in bezetting.

Daniel H. Chamberlain, de gouverneur, is uit Nieuw-Engeland geboortig, en te Charleston gekomen, zoo als William P. Kellogg te Nieuw-Orleans kwam: met een reiszak, aangename manieren en een gladde tong. Hij is een geruimen tijd aan het bestuur geweest, en door de conservatieven, trouwens niet zonder goede reden, allerheftigst bestreden; maar tegenwoordig wijzigt hij zijn politiek: hij beteugelt de uitspattingen van zijne vrienden de kleurlingen, en luistert meer en meer naar de blanke minderheid. Gematigde conservatieven, zoo als kapitein Walker en George A. Trenholm, zijn niet ongezind hem te steunen en te helpen, in plaats van tegen hem te stemmen, te spreken en te intrigeeren. Chamberlain heeft veel kwaad gesticht, en zal misschien nog meer kwaad stichten. Bekwamer dan Kellogg, zijn hem daarbij de omstandigheden in Zuid-Carolina gunstiger. Chamberlain wordt gesteund door eene overwegende zwarte meerderheid. Hij heeft ook in het Noorden meer invloed dan Kellogg: niet omdat de burgers van Boston en New-York hem beter kennen of hooger schatten dan zijn mededinger, maar omdat de schuld van Charleston hun levendiger voor den geest staat dan de schuld van Nieuw-Orleans. Welke maatregelen van bedwang en onderdrukking hij ook mocht voorstellen, steeds zou Chamberlain kunnen rekenen op den steun van het Congres en de sympathie van alle steden van het Noorden. Want de schuld van Charleston kan niet vergeten en vergeven worden. Hier werd het plan der afscheiding ontworpen; hier werd de vlag der Unie voor het eerst beleedigd.4 Duizenden en tienduizenden in het Noorden zijn van meening, dat deze stad met den grond gelijk had moeten gemaakt worden, dat men haar werven en dokken had moeten vernielen, haar havens dempen, en haar bevolking verstrooien naar de vier winden!

Tegenover een man, die zoo groote macht bezit en zoo onverzoenlijken haat vertegenwoordigt, is bedachtzame gematigdheid in woorden en handelingen voor de conservatieven dubbel noodig. Even als vele andere vreemdelingen, is ook Chamberlain niet ongevoelig voor beleefdheden en voorkomende bejegening. Hij zit gaarne aan de wel voorziene tafels der aanzienlijken, en hunkert naar den welwillenden glimlach der bekoorlijke, aristokratische dames. Een podestà in Verona of Ferrara, zal, in den regel, ook wel niet ongevoelig zijn geweest voor de bekoringen van het maatschappelijk verkeer: en de podestà van Zuid-Carolina beantwoordt deze voorkomendheid en beleefdheid der blanken zoo veel hij maar eenigszins kan, zonder gevaar te loopen, de voor hem onontbeerlijke sympathie zijner zwarte vrienden te verliezen.

“Het gaat tegenwoordig beter met u, niet waar? vragen wij aan een volbloed conservatief.

—Zoo, zoo. Wij wachten en dragen, want de tijd werkt in ons voordeel. Chamberlain, hoewel een vreemdeling, zoo als Kellogg in Louisiana, is ten minste ten naasten bij een fatsoenlijk man. Hoewel wij ons noch met zijn herkomst, noch met zijn politiek verzoenen kunnen, is het althans mogelijk, in het algemeen belang, hem onze medewerking te schenken.”

Naar onze consul mij verzekert, begint de handel langzamerhand te herleven, maar de oude, ietwat zorgelooze en voorname manier van zaken te doen is thans voorbij. Jongelieden, van New-York en Chicago gekomen, hebben daarin eene geheele verandering gebracht. Zij hebben oog noch hart voor iets anders dan voor hunne zaken, en zwoegen en arbeiden op de werven en op de kantoren, van den vroegen morgen tot den laten avond. Het is te begrijpen, dat zulke lieden spoedig fortuin maken.

In leeszalen en clubs hooren wij hetzelfde verhaal. Door haar overhaasting, gaf Charleston aanleiding tot het uitbarsten van den burgeroorlog. Geen koopstad had meer te verliezen, geene heeft zoo zwaar geleden. Haar hoogmoed is tot den grond vernederd en doodelijk gekwetst; maar zij doet haar best om, met prijselijke zelfverloochening, haar tegenwoordige ellende te vergeten, haar vorige verkeerdheden weer goed te maken, en zich eene betere toekomst te bereiden.

“Wat nuttigheid heeft het, den demokraat te spelen? zegt de eigenaar van een katoenplantage, met wien ik in de club over de toekomst van Zuid-Carolina spreek.—Het dient tot niets. Onze afdeeling der amerikaansche demokratische partij is dood. Zie deze kiezerslijsten. Men zegt dat die lijsten valsch zijn, en wij weten ook wel dat dit inderdaad het geval is. Maar hier liggen zij voor ons, en de federale officieren houden staande dat zij met stipte eerlijkheid zijn opgemaakt. De wet heeft aan de negers het stemrecht gegeven, en in eene republiek is het stemrecht alles in alles. Waarom zullen wij dan met ons hoofd tegen den muur loopen?

In 1868 hebben wij het beproefd. En met welk gevolg? Wij werden overal reddeloos geslagen. Te Charleston werd geen enkele conservatieve kandidaat verkozen. Een derde van de Kamer bestond uit schuim van blanken—vreemdelingen, bankroetiers, scalawags; er was niemand onder, in wien onze burgers vertrouwen konden stellen. Verder bestond de vergadering uit negers en mulatten, waarvan er ter nauwernood éen lezen en schrijven kon. Door Chamberlain geholpen, plunderden en mishandelden ons die schavuiten; wij verdroegen geduldig die beleedigingen—onder de bedreiging hunner kanonnen, het is waar:—tot bladzijde 180de tijd voor eene nieuwe verkiezing gekomen was. Door de ondervinding geleerd, sloegen wij nu een anderen weg in, wel niet met de gewenschte beslistheid en eenstemmigheid—het is niet zoo gemakkelijk, den ouden Adam uit te schudden!—maar toch met zoodanig gevolg, dat wij moed kregen, verder op dien weg voort te gaan. Hoewel wij het nog niet zoo ver gebracht hebben, dat er te Columbia eene conservatieve regeering zetelt5, zoo hebben wij toch reeds eene blanke meerderheid in den Senaat, en eene sterke blanke minderheid in de Kamer. In het graafschap Charleston, waar de negers tweemaal zoo talrijk zijn als de blanken, hebben wij toch door onze nieuwe taktiek de helft der zetels veroverd.


De brug Girard te Philadelphia.

—Hoe is dat in zijn werk gegaan?

—Door overleg en goed oordeel; door de kunst der blanken om zich te organiseeren en te kombineeren. In sommige graafschappen zijn wij te zwak, om den strijd te wagen. Waarom zouden wij zeven kandidaten stellen in het graafschap Beaufort, waar het getal der negers zes tegen éen bedraagt; of drie kandidaten in het graafschap Georgetown, waar zij zeven tegen éen sterk zijn? Waarom zouden wij dingen naar al de achttien zetels voor Charleston-county, waar de negers tweemaal zoo sterk zijn als wij? Zoolang wij niet meester zijn van het fort Sumter en van de citadel, valt er aan deze valsche kiezerslijsten niets te veranderen. Is het daarom niet beter, zoo vroegen wij ons af, in eene schikking te treden?

—En...?

—Wel, enkelen waren van meening dat elke poging ijdel zou zijn; anderen geloofden, dat er kans op welslagen bestond. De negers hebben hunne leiders, en die leiders wenschen niets vuriger, dan vooruit te komen. Het is voor een neger een zaak van groot gewicht, met een fatsoenlijk man te mogen praten; en ondanks al hetgeen gedaan was om de voormalige slaven tegen hunne oude meesters op te zetten, behielden de negers toch de diep gewortelde gehechtheid aan de plaats hunner geboorte. De meesten onzer waren van meening, dat er eene overeenkomst zou te treffen zijn.

—En werd de proef gewaagd?

—Ja; kapitein Dawson, een onzer bekwaamste mannen, begaf zich tot de negers, die hem goed ontvingen en naar zijne woorden luisterden. Hij bracht hun onder het oog, wat ook waar is, dat blanken en kleurlingen in hetzelfde schuitje varen, en te zamen bladzijde 182moeten bovendrijven of vergaan; en hij vroeg hun, of het niet beter zou zijn, indien zij te zamen arbeidden in plaats van elkander tegen te werken? Zij waren dat met hem eens. Dawson zeide hun daarop, dat de blanken er niets tegen hadden dat de negers, waar zij de meerderheid hadden, hunne eigene kandidaten kozen; maar hij voegde er bij, dat de blanken, in het algemeen belang, er prijs op moesten stellen, dat zij geschikte personen kozen. Uit naam van zijne vrienden, beloofde hij, dat wanneer de negers in die distrikten geschikte personen wilden kiezen, hetzij blanken of zwarten, de blanken daar geen kandidaten tegenover zouden stellen, waardoor aan de negers veel moeite en kosten zou worden gespaard. Zijn voorstel beviel hun, ook door de flinke wijze waarop het werd gedaan; en ondanks den tegenstand van scalawags en andere intriganten, werd de overeenkomst getroffen en eerlijk nageleefd. Er werden gematigde republikeinen gekozen, in plaats van vreemde fortuinzoekers, bankroetiers en communisten, zoodat wij nu, in spijt van de overmacht der negers, een machtigen invloed op de wetgeving uitoefenen.”


het kapitool te Washington.

Naar men ons verzekert, heeft de goede uitkomst van deze nieuwe politiek op den gouverneur Chamberlain een sterken indruk gemaakt. Het is gebleken, dat, ter bereiking van het beoogde doel, samenwerking met de negers bepaald de voorkeur verdient boven openbaren strijd tegen hen. Dit heeft gewerkt: Chamberlain verandert van taktiek; want hij weet zeer goed, dat hij met de nieuwe Kamer nimmer te Columbia zou kunnen verrichten, wat Kellogg te Nieuw-Orleans poogt te doen.

Er is juist onlangs iets voorgevallen, dat zijne oprechtheid op de proef heeft gesteld. Sedert verscheidene maanden kwamen er bij hem voortdurend klachten in over verregaande wanordelijkheden in Edgefield-county. Dit graafschap wordt bespoeld door de Savannah, en grenst aan Lincoln-county in Georgië; de zwarte bevolking heeft hier verreweg de meerderheid. De milicie bestaat uit negers, de generaal en de officieren van zijn staf zijn negers; de sheriff, de rechter en andere ambtenaren zijn mede allen negers. De blanke bewoners worden als verwonnelingen behandeld. Als een blanke in verzet komt tegen eene of andere beleediging, dan wordt aanstonds de zwarte milicie onder de wapenen geroepen. “Gij moogt de milicie van den staat niet oproepen, zeggen de burgers: dat is in strijd met de constitutie;” maar wat weten de neger-kapiteins en kolonels in Edgefield-county van de constitutie? Ontstaat er twist tusschen een zwarte en een blanke, dadelijk roept de neger-kapitein zijn kompagnie op, en het komt onvermijdelijk tot eene bloedige botsing. Twee jaar geleden, weigerde gouverneur Chamberlain tusschenbeiden te komen. Met zijn zoetsappigsten glimlach vertelde hij aan dengeen, die zijne bescherming inriep, dat men veel beweging maakte over niets; zijn secretaris, openhartiger van aard, kwam er rond voor uit, dat de oude tyrannen hun verdiende loon ontvingen.

Maar de gouverneur luistert nu naar rede; en daar op nieuw klachten uit het graafschap inkwamen, heeft hij een republikeinsch magistraat, den rechter Mackey, gezonden, om een onderzoek in te stellen en middelen tot herstel aan te wijzen. Mackey is juist onlangs van zijne zending teruggekeerd, en heeft verslag uitgebracht. Hij zegt daarin, dat, in openbaren strijd met een artikel der constitutie van den staat, de zwarte officieren in het graafschap Edgefield de vaste gewoonte hadden om hunne kompagniën onder de wapenen te roepen en aan straatrumoeren en vechtpartijen deel te nemen. Hij wijt de schuld van bijna alle wanordelijkheden aan het wanbestuur en de schromelijke misbruiken der negers; en verklaart dat sinds de dagen, waarin de normandische baronnen hun saksische hoorigen dwongen een ijzeren ring om den hals te dragen, nimmer eene engelsch sprekende bevolking zulke onwaardige behandeling heeft ondergaan, als de blanke bevolking van Edgefield-county. Mackey eindigt zijn rapport met den gouverneur voor te stellen, den neger-regimenten te ontbinden en te ontwapenen.

Chamberlain is geneigd dien raad te volgen, maar dit is niet zoo gemakkelijk. De negers zijn nu aan het gebruik van wapenen gewend, en zullen zich misschien niet op die wijze laten ontwapenen. Er heerscht alom een onrustige, strijdlustige geest, en een neger-opstand behoort niet tot de onmogelijkheden. Als Chamberlain zijn zwarte troepen ontbindt, dan zal hij genoodzaakt zijn steeds meer zijn steun bij de blanken te zoeken.

Russell, Trenholm en Dawson hebben metterdaad getoond, dat de echte geest van staatsmansbeleid in hen woont; de overwinning door de conservatieven te Charleston behaald, is een aanmoediging en een gelukkig voorteken voor alle andere zuidelijke staten.

In de bibliotheek van het Kapitool staat een beeld, bekend onder den naam van de Pupil der Natie, en voorstellende een negerknaap, in al de frischheid zijner jeugd en al de onmacht van zijn ras. De neger-type is gewijzigd, hoewel niet zóó als in Story's Afrikaansche Sibylle, waarin de kunstenaar zoo aangrijpend de smart en het lijden van een onderworpen volk heeft uitgedrukt. Bij den Pupil der Natie straalt het gelaat van zonneschijn, en het gansche beeld is als doorademd van physieke bewegelijkheid en zinnelijken levenslust. De opwaarts gerichte oogen schijnen het licht te zoeken. Vrij, en zich zijner vrijheid bewust, staat de jonge neger toch verward en verlegen. Wat zal hij doen met dit ontzaglijk geschenk? Vol kracht en levensmoed, onvermoeid bij den arbeid en vlug in het leeren, is het toch nog noodig dat hem de weg gewezen worde, dien hij te volgen heeft.—Dit is de dichterlijke, ideale voorstelling van den negerknaap.

Voor de vensters der winkels van Richmond kunt ge eene andere voorstelling van hetzelfde beeld zien, maar ditmaal door een kunstenaar, die niet idealiseert: door de zon. De onverbiddelijke lens heeft den neger weergegeven, zoo als hij werkelijk is: zittende aan den ingang eener metselaarswerkplaats, op een hoop gruis en puin en stof. De plaats moet aangeveegd worden, en den negerjongen was die taak opgedragen: bladzijde 183maar de verleiding van den zonneschijn is hem te sterk geweest. Van nature is de neger afkeerig van iederen arbeid; luieren en soezen is zijne geliefkoosde bezigheid. In plaats van de straat aan te vegen, heeft Sam zich te midden van den rommel neergezet. Hij speelt met den steel van zijn bezem, laat zijn hoofd op zijn hand rusten, en verliest zich al spoedig in het land der droomen. Hij voelt er niet de minste behoefte aan, dat iemand hem voorthelpe en den weg wijze, dien hij in het leven volgen moet. Hij verlangt eenvoudig, dat men hem met rust zal laten, opdat hij zijn oogen kunne sluiten, en zich bakeren in den zonnegloed.—Dit is de prozaïsche voorstelling der nuchtere werkelijkheid.

“Ge zult de meesten van onze nationale pupillen wel in slaap vinden, juist als Sam,” zegt lachende een mijner vrienden. Langs de James-rivier ontmoet men echter enkele exemplaren eener soort van negers, die door eigen arbeid zich eene positie hebben weten te verwerven. Men verhaalt mij van kleurlingen, die, de steden met al haar ongerechtigheden verlatende, zich op het land gevestigd hebben, die na harden arbeid kapitaal zijn begonnen op te leggen en voor hunne spaarpenningen boerderijen hebben gekocht. Vele negers zijn op die wijze kleine grondbezitters geworden, en leggen zich vooral toe op de winstgevende tabakskultuur. Deze kleurlingen zenden hunne kinderen naar school. Mulatten hebben aan amerikaansche universiteiten een akademischen graad verworven, en zich eene wetenschappelijke loopbaan gekozen, waartoe de weg hun open staat, ook in Virginië.

Doch, met hoeveel blijdschap men ook dergelijke verschijnselen moge begroeten, zij zijn en blijven zeldzame uitzonderingen. In den regel is de neger landbouwer van beroep, en tracht hij ook naar niets hoogers—tenzij de hartstocht der politiek zich van hem meester make. Hij heeft geen prikkel, die hem tot iets anders drijft. Is hij geen huisbediende, dan is hij boerenarbeider. In beide gevallen verdient hij met zijn arbeid een vijfde van hetgeen een blanke met denzelfden arbeid verdient; maar zijn voedsel is goedkoop, zoodat hij van de opbrengst van zijn ruwen en onzekeren arbeid gemakkelijk leven kan. Hij kent de waarde van een dollar, die eene zekere hoeveelheid druiven en spek, bonen, whisky en tabak vertegenwoordigt; maar hij heeft geen besef van de waarde van een tweeden en derden dollar, omdat hij niets anders kan doen dan den ganschen dag door eten, drinken, pruimen en rooken. Morgen is de toekomst, en de neger leeft alleen voor en in het tegenwoordig oogenblik. In die toekomst is er slechts éene zaak, die hem genoeg ter harte gaat om daarvoor te zorgen: zijne begrafenis.

“Wat ons arm maakt, zegt Bill, de bediende in mijn logement, dat is de uitgaaf voor onze begrafenis.” Inderdaad zou het geld, dat een neger voor zijne begrafenis uitgeeft, voldoende zijn om zijn gezin voor een paar jaar te onderhouden.

“Gisteren is een vriend van mij gestorven, zegt Bill; hij wordt van middag begraven:—eene mooie begrafenis.

—Gaat ge hem ook de laatste eer bewijzen?

—Neen, Mijnheer; ik behoor niet tot zijn maatschappij.

—Wat bedoelt ge?

—De begrafenis-maatschappij. Iedere zwarte is lid van twee of drie dezer maatschappijen. Hij moet daar veel voor betalen. Als hij sterft, krijgt hij dan ook eene mooie begrafenis.”

Op zekeren dag wandelde ik, door Jackson's-Ward (een der wijken van Richmond) naar buiten, om een blik te werpen op de schilderachtige ravijnen en smalle dalen, die de stad omringen en haar eene flauwe gelijkenis met Jeruzalem geven. Wij dalen langs een heuvel af, gaan een stroom over, en beginnen eene andere helling te beklimmen:—plotseling wordt onze aandacht getrokken door een luid gejammer en geklaag. Opziende, bemerk ik dat zich op den heuvel boven ons een kerkhof bevindt, met eenige witgeverfde palen en steenen. Bij den rand der groene glooiing staan eenige negerinnen, die luid weenen en snikken; terwijl een zwarte predikant teksten uitgalmt, en vier of vijf negers bezig zijn met in de aarde te delven. Toen wij den top bereikten, was de plechtigheid reeds geëindigd en het graf weer gesloten; maar terwijl deze stoet zich verwijderde, was reeds een andere in aantocht. Een prachtige lijkwagen met groote glazen portieren; en in dien wagen een kist, zoo rijk versierd, dat die in Engeland voor een hertog of prins zou kunnen dienen; daarachter volgen acht koetsen, elk met twee fraaie zwarte paarden bespannen, en begeleid door een twaalftal personen in uniform, met standaarden en opgerolde banieren.

“Wie wordt daar begraven? vraag ik aan een der negers, die staan te kijken.

—Mozes Crump.

—Wie is Mozes Crump?

—Een arbeider.

—Een boerenarbeider?

—Ja.”

De paarden trappelen en komen met moeite voort over dien ongelijken grond. Onder luid geschreeuw en gejammer wordt de kist naar het gat—nauwelijks een grafkuil—gedragen, waarin zij nedergelaten zal worden; en hier wordt nu, bij het neigen der banieren en het spelen der muziek, Mozes Crump ter ruste gelegd. De gansche familie is tegenwoordig—mannen en vrouwen, knapen en meisjes. Er wordt zeer luid gesnikt en gejammerd; maar de zwarte dominee overstemt al dit rumoer, behalve de klagelijke stem van eene oude vrouw, die, half snikkende en gillende, onophoudelijk roept: “Ik zie mijn zoon nooit weer! Ik zie mijn zoon nooit weer!”—De dominee tracht haar tot bedaren te brengen. Zijne stem verheffende, schreeuwt hij haar toe: “Wees stil; leef zooals hij, dan zult ge uw zoon weerzien!”—De zwarte Rachel weent en jammert, en weigert vertroost te worden, zelfs door haar eigen dominee. Als de mannen in uniform hunne spaden opnemen, en onder een eentonig gezang het graf beginnen te vullen, roept de oude vrouw nog luider: “Neen, ik zal mijn zoon nooit weerzien!” Arme ziel, zij alleen kent haar eigen smart.

De jongeren lachen en huilen beurtelings; en als het bladzijde 184graf gedicht is, verspreiden zij zich in groepen, praten met hunne vrienden, nemen dan weer plaats in hunne koetsen, en rijden weg, dwars door eene saamgevloeide gapende menigte van negers, negerinnen en mulattinen, gekleed in blauwe omslagdoeken en rose mutsen, vast overtuigd dat zij bewonderenswaardig zijn, en zeer gestreeld door de tegenwoordigheid van twee vreemde heeren.

Mozes Crump blijft alleen achter, zonder een steen om de plaats aan te wijzen waar hij rust. Zijn gezin blijft ook alleen achter, met een weinig brood en een weinig zoete aardappelen, en verstoken van den arbeid des vaders. De kosten van die begrafenis zouden voldoende zijn geweest om de jonge Crumps gedurende eenige jaren te onderhouden.


Sam in rust.

Er zal veel tijd noodig zijn om de negers te doen beseffen, dat zij voor zich zelven moeten zorgen. Sedert langen tijd gewoon op de blanken te steunen, valt het hun moeielijk nu op eigen beenen te staan. In de meeste gevallen verstaat de neger onder persoonlijke vrijheid niets anders dan de vrijheid der werkeloosheid. Wat toch was, in zijn oogen, het voornaamste kenmerk van den blanke? Vrijstelling van arbeid. Een blanke nam nimmer ploeg of spade ter hand. Voor den neger bestaat het wezen der vrijheid hierin, dat hij met over elkander geslagen armen mag staan kijken, terwijl anderen arbeiden en spinnen. Hij heeft immers den blanke nooit iets anders zien doen. Waarom zou hij dat voorbeeld niet volgen?

( Wordt vervolgd .) bladzijde 185



1 Voor den burgeroorlog was Milledgeville de hoofdstad van Georgië. (Red.)

2 Bijnaam der negers in de Vereenigde-Staten.

3 Twee riviertjes in Zuid-Carolina.

4 Den 8sten Januari 1861 werd door eene batterij op het eiland Morris, in de baai van Charleston, gevuurd op de federale stoomboot Star of the West. Dit was het begin der vijandelijkheden in den onafhankelijkheidsoorlog der zuidelijke staten. (Red.)

5 Dit zal nu eindelijk het geval worden. Immers, naar hetgeen de dagbladen melden, heeft de onlangs opgetreden President Hayes aan de republikeinsche regeering van Zuid-Carolina den steun van het bondsleger, waardoor zij zich alleen kon staande houden, onttrokken, en heeft de gouverneur Chamberlain bereids de stad verlaten. (April 1877). (Red.)

Herinneringen van den Stillen-Oceaan.


Eene vallei op Tahiti.

(Vervolg van bladz. 110).

II.

De Gambier-eilanden.

II.

In den morgen van den 27sten waren wij in het gezicht van Hao, en draaiden bij voor het kanaal, waarvan de oostelijke oever kenbaar is door eene fraaie reeks kokospalmen. Het voornaamste dorp ligt vijf mijlen oostwaarts, op eene niet onaanzienlijke hoogte, die bijna den naam van heuvel zou verdienen, en met een prachtig bosch van kokospalmen is bekroond; dit is het hoogste punt van het eiland. De eertijds zeer talrijke bevolking is sterk afgenomen door de emigratie. Het huis Brander van Papeete heeft van hier zijn meeste parelvisschers gekregen; tegenwoordig telt het eiland nog slechts ongeveer driehonderd inwoners. Zooals ik reeds zeide, gelijken al deze eilanden op elkander. Mettertijd heeft zich, op de hoogste gedeelten der lange koraalgordels, eene dunne laag van vruchtbare aarde gevormd, voldoende voor de ontwikkeling en den groei van den pandanus en van een soort van myrtheboom, mikimiki genaamd, die in dichte bosschen opschiet.

Omstreeks elf uur vervolgen wij onze reis naar Amanoe, dat reeds sedert den morgen boven uit den mast zichtbaar was. Het dorp en de kanalen die toegang geven tot het binnenmeer, bevinden zich op de noordwestkust van het eiland. Die kanalen, ten getale van twee, zijn slechts voor kleine vaartuigen bruikbaar. De gezagvoerder begeeft zich aan land, met Paiore, onzen loods, en den tolk, om een onderhoud te hebben met de eilanders, die aan den mond van het kanaal zijn saamgekomen. Kort daarop keert hij naar boord terug, en ten half vier verlaten wij Amanoe, steeds op korten afstand van de kust blijvende.

Den volgenden dag, den 28sten, omstreeks drie uren in den namiddag, varen wij eenige mijlen ten zuiden langs Akiaki, dat zich door het gemis van een binnenmeer onderscheidt. Dit kleine eilandje verheft zich iets hooger dan de anderen. Enkele inboorlingen, wier bladzijde 186hutten zichtbaar zijn door het dichte geboomte, komen naar het strand geloopen om ons te zien. Er ging eene geweldige branding langs het gansche eiland: het was niet mogelijk daar te landen.

Dien eigen avond kregen wij Vahitahi in het gezicht. Dit eiland is niet anders dan een uitgestrekt rif, ter nauwernood boven de golven verheven, met drie groote, boschrijke eilandjes in het noordwestelijk gedeelte. Voor de schepen, die van het oosten komen, is dit een der gevaarlijkste punten van den geheelen archipel, want het rif heeft aan deze zijde eene zeer aanzienlijke oppervlakte, en zelfs bij een zeer helderen nacht zou het gemakkelijk kunnen gebeuren, dat het schip op het rif stootte, eer men de eilandjes ten noordwesten had bespeurd. Het voornaamste dorp ligt op het noordelijkste eilandje, dat tevens het grootste en het rijkste aan boomgewas is. Daar ook hier overal eene zeer sterke branding stond, was het ons niet mogelijk het strand te naderen.

Den 31sten kregen wij Maroetea in het gezicht. Dit is een groot onbewoond eiland, dat somwijlen door de inwoners der Gambier-eilanden bezocht wordt, ter wille der parelvisscherij. Er is hier geen kanaal, waardoor een vaartuig in het binnenmeer zou kunnen doordringen. Het eiland beslaat eene aanmerkelijke oppervlakte; de eilandjes waaruit het bestaat zijn zeer laag, en voor zoo ver wij ze gezien hebben, ook arm aan geboomte. Men ziet er slechts enkele kokospalmen; de flora bepaalt zich hoofdzakelijk tot dichte boschages van mikimiki.

Den volgenden morgen, bij het krieken van den dageraad, bevonden wij ons op een mijl ten noorden van de riffen van den Gambier-archipel; het hooge land van Mangareva hadden wij reeds des nachts in het gezicht gekregen.

De Gambier-archipel bestaat uit vier grootere eilanden, die zich vrij hoog verheffen: Mangareva, Taravai, Akamaroe en Aoekena; en voorts uit een groot aantal onbewoonde eilandjes en riffen, waarvan sommigen, vooral die in het zuidwesten, eene vrij aanzienlijke hoogte bereiken.

Op eenige mijlen afstands van de ankerplaats, komen de loodsen bij ons aan boord. Een hunner, Daniel Guilloux, zoon van een Franschman, heeft geruimen tijd het bevel gevoerd over een goëlet van de katholieke missie, en staat tegenwoordig aan het hoofd van een klein handelshuis. Hij brengt ons met veel bekwaamheid door den onafzienbaren doolhof van koraalbanken, die zorgvuldig vermeden moeten worden.

De Gambier-archipel, ten zuidoosten grenzende aan de Toeamotoe-eilanden, is daarvan echter, zoowel in physiek als in staatkundig opzicht, ouderscheiden. Het voornaamste eiland, Mangareva, maakt op den aanschouwer een zeer gunstigen indruk. De berg Duff, aan de zuidpunt des eilands, bereikt eene hoogte van vierhonderd el; de ongeveer even hooge borg Mokoto heeft een bijna regelmatigen kegelvorm.

In 1844 diende de koning dezer eilanden, in overleg met de hoofden, een verzoek in om onder het protektoraat van Frankrijk te worden gesteld. De inlandsche bevolking heeft zich gedwee onder deze leiding gevoegd en is blijkbaar met deze schikking tevreden. Over het algemeen is zij een goedaardig slag van volk, dat zich willig onderwerpt aan het gezag van meerderen, indien dit gezag zich slechts niet onder den vorm van dwang vertoont.

In den namiddag begeven wij ons naar wal. Het hoofd is opgevuld met eene talrijke menigte, waaronder wij eenige inboorlingen van het Paasch-eiland (Rapa-Noei) opmerken. Zij zijn zeer fijn getatouëerd; hunne gestalte is rijziger en hunne vormen zijn schooner dan die van de inboorlingen der Gambier-eilanden. Dit Paasch-eiland heeft thans bijna geen bewoners meer. De eerste zeevaarders, die het aandeden, vonden daar op verschillende plaatsen, vooral nabij den middelsten krater van het eiland, een aantal kolossale steenen beelden. Het fregat la Flore heeft, nu twee jaar geleden, eenige overblijfselen dezer reusachtige kunstwerken, getuigen eener ondergegane beschaving, naar Frankrijk gebracht. Ik zelf heb te Papeete photografische afbeeldingen gekocht van een houten bord, op het Paasch-eiland gevonden, en met tot dusver onverklaarde hiëroglyphen bedekt.

In den morgen van den 5den Februari lichtten wij het anker om naar de Markiezen-eilanden terug te keeren. Den 21sten liepen wij wederom den archipel van Toeamotoe binnen, door het kanaal, dat Takapoto van Tikei scheidt. Den volgenden middag wierpen wij het anker uit in de lagune van Kauchi, tegenover het dorp, waar onze loods Paiore woont.

Kauchi is een eiland van bijna cirkelvormige gedaante, met een doorsnede van bijkans dertien mijlen. De bevolking is niet talrijk, maar te oordeelen naar het zindelijke en nette voorkomen der huizen, moet zij niet van zekere beschaving ontbloot zijn. Wij gaan aan land; vlak tegenover de aanlegplaats verheft zich een wit gebouw, dat tot gevangenis dient. Als wij naar boord terugkeeren, ontmoeten wij Paiore, die onze boot met versche kokosnoten, kippen, varkens en eieren van zeevogels heeft volgeladen. Dat is een geschenk, dat hij ons aanbiedt.

Wij vertrekken naar het naburig eiland Fakarava, en stevenen door het noordelijke kanaal de lagune binnen. Ik begeef mij naar land; het dorp is bijna verlaten: de inwoners zijn ter parelvangst naar het naburig eiland Toaoe getogen. De bewoners der Toeamotoe-eilanden gaan altijd op de parelvisscherij uit, zoodra het weer en de zee dit maar eenigszins toelaten. Enkele duikers dalen tot eene diepte van vijf-en-twintig en zelfs dertig el af; maar de meesten gaan niet dieper dan twintig el. Dikwijls keeren zij van den bodem der zee terug zonder iets gevonden te hebben; als zij een oester vinden, moeten zij toch doorgaans twee of driemaal duiken om haar van de koraal los te maken, of uit het zand, waarin zij bijna geheel begraven is, op te delven.

Den volgenden dag verlaten wij Fakarava om naar Rairoa te gaan. In den namiddag varen wij voorbij Apataki; in de lagune liggen drie goëletten voor anker. Op dit eiland is het voornaamste etablissement in dezen archipel van het huis Brander, van Papeete, gevestigd. bladzijde 187

Den volgenden morgen bevonden wij ons op korten afstand van de noordkust van Rairoa. De kommandant was voornemens, in het binnenmeer te gaan ankeren; maar de gesteldheid der kanalen liet dit niet toe. Onze lange kruistocht is thans geëindigd: wij keeren naar Tahiti terug.

De gezamenlijke bevolking van de Toeamotoe- en van de Gambier-eilanden wordt op achtduizend zielen geschat, die van de opbrengst der visscherij en der kokosboomen leven. Op elk eiland vestigen de inwoners zich doorgaans langs de oevers van het binnenmeer, nabij eene goede ankerplaats, of in den omtrek van een kokoswoud, waarin men altijd, indien men gaten in den zandigen bodem graaft, drinkbaar water vindt.

De inboorlingen van den Toeamotoe-archipel vertoonen eene sterke gelijkenis met die van Tahiti en van de Markiezen-eilanden: dezelfde schoone lichaamsvormen, hetzelfde schrandere en uitdrukkingsvolle gelaat. Zij schijnen donkerder van kleur, en zijn ruwer van aard dan de inboorlingen van Tahiti; dit is een gevolg van hunne minder gemakkelijke levenswijze, waardoor zij voortdurend aan de brandende zonnestralen zijn blootgesteld, hetzij op hunne meeren, hetzij op hunne door de zee overspoelde koraalriffen.

III.
De Aarde en haar volken: Jaargang 1877 - Full Text (De archipel van Tahiti)

No comments:

Post a Comment