Monday, March 5, 2012

De Aarde en haar volken: Jaargang 1877 - Full Text (Dalmatie)

Dalmatië.

(Vervolg van bladz. 40).


Gezicht op Spalato.

VI.

Onze kleine karavaan bestaat uit drie karren op lage wielen, zoo als die in Hongarije en Wallachije gebruikelijk zijn, en waaraan hoegenaamd geen ijzer gevonden wordt. De mannen liggen bijna allen op het hooi in de wagens, die door kleine, magere paarden getrokken worden; ettelijke vrouwen zitten schrijlings te paard. Daar ook ik liever te paard rijd dan in den wagen te hossen, plaats ik mij in den zadel, een turkschen zadel, waarin men even gemakkelijk zit als in een leuningstoel. De pandoeren geleiden ons, en wij trekken het binnenland in.

Het landschap vertoont een eigenaardig karakter, dat zich in een enkel woord laat samenvatten: het is een onmetelijke steenwoestijn, slechts hier en daar door vruchtbare velden afgewisseld. De enkele groenende plekjes uitgezonderd, bespeurt ge, mijlen ver, niets dan steenen, en geen anderen plantengroei dan een armelijk, laag, grauwachtig struikgewas, bijna niet van den valen bodem te onderkennen. Maar ondanks deze somberheid en deze groote armoede, heeft de natuur van Dalmatië hare schoonheid en bevalligheid. Alles straalt en schittert; van den blauwen hemel daalt de zonnegloed, als een stroom van vuur, op den rotsachtigen grond. Wij zijn in de maand October: eene verkwikkelijke warmte doordringt en koestert ons; een fijn zilverachtig stof beweegt zich trillend boven den grond en hult alle voorwerpen in een doorzichtigen sluier.

Even voorbij Lissone, een der armoedige, verstrooide dorpen, die wij doortrekken, wordt onze aandacht getrokken door een eigenaardig gezang, zacht en sleepend van toon, dat ons herinnert aan de liederen der bergbewoners van Andalusië, of aan het droevig, eentonig gezang der kabylische herders. Aan de spits harer kudde, bestaande uit mouflons, bokken, grijze en zwarte schapen, wandelt eene jonge herderin, in schitterende kleeding. Al voortgaande, borduurt zij met vlijtige hand, en geleidt tevens hare kudde, die schijnt te volgen op de maat van haar zonderling gezang. De jonge herderin volgt de uitgedroogde, met steenen bezaaide bedding van een diepen stroom, en kan ons, die langs den grooten weg door de hooge vlakte voorttrekken, niet zien. Onbemerkt volgen wij haar. Op een grooten witten doek, met een rooden zoom naar griekschen smaak geborduurd, teekent zij met de naald fraaie eikenbladeren, en dat niet naar een patroon, maar geheel naar eigen ingeving en smaak. Eene uiterst bevallige verschijning. Haar blonde hairen, kroezig en kort geknipt als die van een knaap, ontsnappen van onder haar nauwsluitend rood mutsje, met zilveren pailletten versierd; vergulde sechinen en medailles hangen aan haar ooren en tot op haar schouders; om haar hals slingeren zich glaskoralen snoeren. Hare borst is bedekt met een fraai geborduurd hemd, in kleur en teekening aan de russische hemden niet ongelijk; bladzijde 114een breede gordel van gedreven zilver omsluit den veelkleurigen wollen rok met lange franje omzoomd, die tot op de beenkleederen van dezelfde stof afdaalt. De wijde mouwen, ter hoogte van den elleboog met sterren geborduurd, steken helder af bij den donkerblauwen overrok, die tot beneden de knieën reikt. Een groote geborduurde zak hangt op haar rug; haar sierlijke herderstaf steekt in haar gordel.

Zij is geheel alleen, te midden dezer groote eenzaamheid: men zou geneigd zijn zich af te vragen, waartoe dit goud, die pailletten, die muntstukken, die koralen, en al die levendige, schitterende kleuren, te midden dezer naakte, sombere rotsen? en door welk zonderling toeval, waar de natuur zoo doodsch, het landschap zoo eentonig en dor is, kleur en leven, glans en harmonie herboren worden en triomfeeren in de kleeding eener eenvoudige herderin?

Wij komen te Ostrovitsa en overnachten aldaar. De vlakte nabij het dorp, aan alle zijden door bergen omgeven, gelijkt een reusachtigen circus: naar men zegt, werd hier eenmaal een bloedige slag tusschen de Turken en de Kroaten geleverd; het slagveld is tegenwoordig een groot moeras, waarin het wemelt van bloedzuigers. De duisternis valt plotseling in: wij hebben den voet van een hoogen heuvel bereikt, die op een lagen voorsprong de nederige kerk van Ostrovitsa draagt, waarboven zich de eigenaardig gevormde granietmassa verheft. Hier wordt de karavaan ontbonden: ieder gaat zijns weegs en zoekt een geschikt verblijf voor den nacht op. Inmiddels leggen onze pandoeren vuur aan in eene vrij groote ruïne, die tot karavanserai dient. Een geheel schaap wordt aan het spit—een eenvoudigen stok—gestoken en boven het vuur gebraden; de mannen legeren zich deels op den grond in de nabijheid van het vuur, en staan deels, half in de schaduw, half door den rossen gloed verlicht, wachtende dat het smakelijk maal gereed zij. De ruïne, waarin wij ons bevinden, is meer dan waarschijnlijk een dier groote kavaleriekazernen, die de maarschalk Marmont, tijdens het fransche bestuur, op verschillende punten in Dalmatië liet bouwen.

Wij hebben den nacht doorgebracht op een matras van maïs, in een kamer met witgepleisterde muren en zonder meubelen: de zon dringt door de reten van het luik, dat het venster afsluit: het is bereids klaar dag. Wij keeren naar de kazerne terug en laten de paarden zadelen. Kort daarna gaan wij op weg, aangestaard door de saamgestroomde nieuwsgierigen van het dorp.

Wij komen achtervolgens door Otrés, Kernievo, Varivode, Zetchévo en Kistagne. Het landschap is hier veel minder eentonig en zelfs schoon, hoewel de streek toch over het algemeen een treurigen indruk maakt. Nu eens zijn het uitgestrekte vlakten van eene fraaie grijze kleur, met sombere olijven, die zich donker afteekenen tegen den bleek gouden achtergrond van het gebladerte der wijngaarden in den herfst; dan weder, rotsige heuvelen, straks andermaal afgewisseld door grijze valleien, waarin talrijke kudden grazen, als witte en zwarte stippen alom verspreid. Overal is gebrek aan aarde: over eene uitgestrektheid van vele mijlen is de grond letterlijk als met steenen geplaveid, waartusschen gaten, spleten en scheuren, even als in die oude, vervallen romeinsche wegen, waarvan het plaveisel door den tijd is losgeraakt.

De weg is eenzaam: het is duidelijk dat de streek weinig bevolkt is; wij ontmoeten een griekschen pope met zijne echtgenoote en eene vrouwelijke bediende, allen op het hooi liggende in een kleine kar, door twee magere paarden getrokken. Nu en dan komen wij eene kleine armelijke karavaan tegen, waarvan al de vrouwen schrijlings te paard zitten, de voeten rustende in een van touw gevlochten stijgbeugel.

Een met moerbeziënboomen beplante weg brengt ons te Kistagne. Sommige eigenaardigheden van het kostuum verraden hier de nabijheid van Turkije: de oude vrouwen bedekken reeds het benedenste gedeelte van haar gelaat, terwijl de jonge meisjes haar aangezicht onbedekt houden; alle mannen dragen een tulband, en de meesten hebben in hun gordel een lange houten pijp met een kop van gebakken aarde. De bevolking behoort tot de grieksche Kerk; in de tien dorpen, die tot het kanton van Kistagne behooren, vindt men slechts enkele katholieke familiën. De vlakte is uitgestrekt en tamelijk vruchtbaar: sedert ons vertrek van Zara, hebben wij nog zoo veel boomen als hier niet bijeen gezien. Voor het eerst bespeuren wij op den rotsgrond eene laag vruchtbare aarde van eenige dikte. Vroeger was er te Kistagne een sirdar gevestigd, een hoofdman der pandoeren, onder de bevelen staande van den kolonel van het distrikt. De oostenrijksche regeering heeft, op de meeste plaatsen, deze soort van plaatselijke milicie afgeschaft en door haar bureaukratie en gendarmerie vervangen. De oorspronkelijke organisatie dagteekende uit den tijd der Venetianen. Dalmatië was destijds verdeeld in zee- en landdistrikten; de sirdars waren toen in de eerste plaats burgerlijke overheidspersonen, die tevens recht spraken in alle civiele geschillen, waarbij geen hooger bedrag dan van tien gulden betrokken was. Zij hadden onder hunne bevelen de plaatselijke milicie der pandoeren, die, zoo als ik reeds gezegd heb, niets anders waren dan gewapende boeren, bij beurte een of twee dagen in de week dienst doende, naar gelang van omstandigheden, en die, in geval van nood, eene niet onaanzienlijke macht konden op de been brengen.

Even voor wij aan Kistagne komen, juist waar de Kerka den weg snijdt, slaan wij ter zijde af om een blik te werpen op de diepe kloof, waarin deze rivier stroomt, en op enkele romeinsche bogen, aan den zoom dezer diepte verrijzende. De plek heet Archi-Romani of Soupiaia: eene verbastering van Supplia zarkva (doorboorde kerk). Daar stond de oude stad Burnum, waarvan nu niets meer overig is dan deze bogen. De Kerka vormt, op korten afstand van deze plek, in haar smalle vallei, een fraaien waterval van eenige ellen hoogte. Behalve dezen val heeft de Kerka nog twee andere cascaden: die van Roncislap en die van Scardona.

Wij keeren spoedig naar den grooten weg terug, ten einde Knin, waarvan wij nog drie uren verwijderd zijn, vóór den nacht te kunnen bereiken. Hoe verder wij bladzijde 115komen, des te vruchtbaarder wordt het land; welhaast kunnen wij ons hart ophalen aan het gezicht van groote boomen, noteboomen, en akkers met gerst en sorgho beplant; eindelijk zien wij het stadje Knin, amphitheatersgewijze gelegen aan den voet van een hooge rots, waarop eene indrukwekkende citadel is gebouwd, en waarboven zich de toppen van den berg Dinara verheffen.

Knin is wel een der schilderachtigste punten in geheel Dalmatië. Het stedeke ligt aan den oever van de Kerka, maar zijne laatste huizen bestijgen de helling van den rotsigen heuvel, die op zijn top de trotsche vesting draagt. De plaats telt betrekkelijk weinig huizen; enkelen daarvan zijn van hout, waardoor de buurt langs de rivier een eigenaardig turksch karakter verkrijgt. Vóór de uitvinding van het geschut, was deze stelling bijna onneembaar. In de oorlogen tusschen de Turken en de Venetianen, werd de stad twintigmaal genomen en hernomen. De Koningen van Kroatië en Hongarije hebben haar beurtelings bezeten; de Turken veroverden haar in 1522, en hielden haar honderd-vijf-en-twintig jaar in bezit. De venetiaansche krijgsoversten Foscolo en Cornaro ontnamen haar in 1647 aan de Turken, waarna de stad, tot aan den ondergang der republiek, in de macht van Venetië bleef. Allen, die hier achtervolgens de heerschappij in handen hadden, ten volle het belang beseffende dezer stelling, die de vallei van de Kerka beheerscht, hebben voortdurend gearbeid aan de versterking der plaats, in verband met de vorderingen der militaire wetenschap; ook nog tijdens het fransche bestuur zijn hier zeer belangrijke werken aangelegd. De bezetting van deze citadel, als een arendsnest op den top der rotsen gebouwd, en niet dan langs moeilijke, eindeloos slingerende paden bereikbaar, bestaat thans uit eene kompagnie artillerie en eene kompagnie infanterie.

Het ontbreekt der kleine stad, waar drie wegen samenloopen, niet aan levendigheid; de Kerka deelt aan de omringende streek vruchtbaarheid mede, en er wordt een vrij drukke handel met Bosnië gedreven. De Turken voeren daar het hout hunner bosschen aan; zij laden dit hout op kleine, sterk gespierde, tegen alle vermoeienissen geharde paarden, die in lange karavanen de uiterst bezwaarlijke bergpaden met hunne zware vracht beklimmen.

De maarschalk Marmont, gouverneur van de zoogenoemde Illyrische provinciën, vestigde zich in 1806 te Knin, om in persoon de toegangswegen naar Bosnië te bestudeeren. Turkije en Rusland waren destijds in oorlog gewikkeld, en Sebastiani had voorgesteld, Sultan Selim te hulp te komen met eene afdeeling van vijf-en-twintigduizend man, die uit het bezettingsleger van Dalmatië zouden genomen worden. Daar Marmont zelf het bevel over die troepen zou voeren, was er hem veel aan gelegen, zich nauwkeurig bekend te maken met den weg, dien hij volgen moest, en met de geschiktste gelegenheden om naar Livno te komen. Dit gaf aanleiding tot de schepping van een stelsel van groote wegen en binnenlandsche communicatiën, waardoor Marmont zich voor immer aanspraak heeft verworven op de dankbaarheid van het land, voor welks ontwikkeling hij zoo veel gedaan heeft. Men kan zich tegenwoordig bijna niet voorstellen, hoe moeilijk en gebrekkig de gemeenschap vroeger was. Voor militaire operatiën was het land volstrekt ongeschikt: de marschen waren niet alleen uiterst moeilijk, maar er was geene enkele gelegenheid om levensmiddelen of ammunitie to vervoeren; aan het vervoer van artillerie viel in de verte niet te denken. Men zal mij vragen, hoe hebben dan de Venetianen, eeuwen lang, de worsteling tegen de Turken kunnen volhouden? Zij beheerschten de zee en konden met hunne vloot overal in de hun onderworpen havens aanleggen. Elke stad langs de kust, van Zara tot Ragusa, was door muren omgeven on beschermd door forten, waarop de vlag der republiek wapperde. De poorten aan de landzijde waren even zoo vele bruggehoofden, die zeer gemakkelijk konden verdedigd worden. De Turken verkeerden daarenboven in zeer ongunstigen toestand: om Dalmatië te bereiken, moesten zij eerst de steile en rotsige bergen overtrekken, die van Kroatië tot Cattaro, de natuurlijke grensscheiding der provincie vormen; zij konden daarbij hun geschut niet medevoeren; en wanneer zij, eindelijk in de vlakte doorgedrongen, het beleg voor eene stad sloegen, kon de insluiting toch nooit volkomen zijn, omdat de gemeenschap ter zee altijd voor de Venetianen open bleef. Maar tijdens het fransche bestuur was de Adriatische-zee in de macht van de vloten der gealliëerden. Marmont moest zich dus de gelegenheid verschaffen, om in het land zelf met een leger, van geschut en materieel voorzien, te kunnen opereeren: van daar de noodzakelijkheid van den aanleg van wegen, die, hoewel met een strategisch doel gemaakt, toch zooveel hebben bijgedragen tot de ontwikkeling en de welvaart des lands.

VII.

De tijd van mijn verblijf te Knin was gewijd aan uitstapjes langs de oevers van de Kerka, en aan dikwijls bezwaarlijke tochten over de steile bergen, die de rivier beheerschen. Ik had mijn intrek genomen in eene herberg, die zich door niets bijzonders onderscheidde, en waar ik mij allerlei ontberingen moest getroosten. Den avond van mijn komst had iets zeer treurigs plaats: het begon te regenen; men vreesde dat die regen schade aan het te veld staande gewas zou veroorzaken, en de eenige straat was geheel opgevuld met wagens en karren der Morlaken, terwijl de voerlieden in den donker tegen elkander schreeuwden en raasden. Na een zeer onsmakelijk avondmaal in eene groote, lage, slecht verlichte kamer, wees een aardig meisje in nationaal kostuum mij een bouwvalligen trap, die naar drie kleine kamertjes, op eene houten galerij uitkomende, voerde; die galerij ontving al haar licht door een vierkant venster, zoo laag geplaatst, dat, over dag, de planken vloer alleen door de zon werd beschenen. Omstreeks twee uren des nachts meende ik dat het huis met steenen bestormd werd. Ik greep onwillekeurig naar mijn revolver, en sloop op mijne bloote voeten naar het venster, dat met een blind gesloten was. Door een reet in het luik loerende, zag ik, in de donkere schemering, drie personen, die half luid sprekende iets schenen te beramen, met steenen naar mijn venster bladzijde 116wierpen, daarbij telkens driemaal achtereen uitroepende: “Zacari! Zacari! Zacari!” Dit duurde langer dan een half uur; daar het inmiddels was gaan stortregenen, trokken de drie mannen eindelijk af. Ik heb nooit kunnen ontdekken, wat dit te beduiden had, want de Dalmatiër, die mij tot tolk diende, had zich weder bij de karavaan gevoegd, en ik bevond mij te Knin in de onaangename positie van iemand, die alleen door teekenen en gebaren zijne gedachten kan kenbaar maken.

Knin ligt ingesloten tusschen de Kerka en den berg. De stad begint aan den zoom der rivier en reikt tot aan de hellingen van de rots, die zich eensklaps loodrecht verheft. De rivier is hier niet bevaarbaar; het water is helder en doorschijnend, zoodat men overal den bodem zien kan; de bedding is breed, en ter wederzijde verheffen zich machtige rotsen, die den loop der Kerka volgende, allengs de bedding vernauwen, en waarvan de wanden hier en daar door holen en grotten worden afgebroken, welke echter niet toegankelijk zijn, uithoofde van het water, dat in grooten overvloed van het gewelf stroomt.


Trau, van het eiland Bua gezien.

De reis van Zara naar Knin heb ik met eene karavaan gemaakt; om van Knin naar Sebenico te gaan, maak ik gebruik van de post, die de dienst tusschen de twee steden waarneemt, daarbij den weg nemende over Dernis.

Bij het verlaten van Knin, loopt de weg door een liefelijke streek; de naakte steenachtige vlakte heeft hier plaats gemaakt voor vruchtbaren grond, die echter slecht bebouwd is. Daar er niets wordt gedaan om de rivier binnen haar bedding te houden en haar overstroomingen te keeren, gebeurt het menigmaal dat de omliggende vlakte onder water wordt gezet, zoodat Knin voor vrij ongezond wordt gehouden. Er heerschen dan ook veel koortsen, vooral in den herfst, en bepaaldelijk in de maanden Augustus en September. De Slaven, die zich anders zeer weinig ontzien, zullen in dien tijd des jaars nimmer in de open lucht gaan slapen of des nachts de vensters open laten.

De dorpen langs onzen weg vertoonen hetzelfde karakter als die tusschen Zara en Knin; de huizen zijn niet schilderachtiger. Tusschen den berg Cavallo en den berg Kozak strekt zich eene fraaie, vruchtbare vallei uit, door een nevenstroom van de Kerka, de Cossovizza, besproeid. Omstreeks Klanatz versmalt zich deze vallei zoodanig, dat er tusschen de twee bergen niet meer dan een enge doorgang overblijft, waar, naar men zegt, de veiligheid der reizigers gevaar zou loopen. Eenigen tijd geleden, werd de postwagen altijd door gendarmes begeleid; onlangs was bepaald dat dit geleide alleen dan zou worden verstrekt, wanneer de wagen eene geldswaarde van meer dan drieduizend florijnen zou bevatten; men verzekert mij zelfs, dat sedert dien tijd ook deze voorzorg niet meer noodig wordt geacht; wij ontmoeten echter nu en dan pandoeren, die de wacht waarnemen. De bewoners dezer streek staan als zeer onrustig en twistziek te boek: als huns buurmans geit zonder vergunning in hun tuin komt grazen, vallen er dikwijls geweerschoten. De overheid tracht deze vaardigheid in het grijpen naar de wapenen zooveel mogelijk te beperken, maar moet overigens wel het een en ander door de vingers zien; loopt het al te erg, zoodat er menschenlevens bij gemoeid zijn, dan komt zij tusschenbeiden.


De tempel in het paleis van Diocletianus, tegenwoordig de hoofdkerk te Spalato.

Naarmate wij Dernis naderen, worden de kudden talrijker en neemt het land in vruchtbaarheid toe: leven en beweging doen zich alom gevoelen. Dernis maakt een zeer gunstigen indruk: de stad ligt op eene hoogte; de platte, lage huizen worden beheerscht door eene kolossale ruïne. De minaret van eene voormalige turksche moskee, tot heden gespaard, verheft zich hoog boven de huizen, en teekent zich scherp af tegen den donkeren achtergrond der fraaie bergen. Het bladzijde 118is Zondag, en er heerscht overal groote drukte. In geen andere plaats van Dalmatië verdient het kostuum, hoezeer eenvoudig en sober, in die mate de aandacht. Alle vrouwen van zekeren leeftijd bedekken zich het onderste gedeelte van het gelaat; even als de Jodinnen van Marokko, dragen zij dubbele valsche tressen, die zij met roode of groene linten boven op het hoofd vaststrikken en doorvlechten. De groote halsdoeken zijn helder wit als sneeuw, versierd met eenvoudige, maar zeer smaakvolle borduursels; haar beenen steken in geborduurde slopkousen; en over het donkerblauwe overkleed, met levendige kleuren gestikt, dragen zij den fraai gestikten zak, waarin zij alles bergen wat zij koopen of bij zich hebben.

Des morgens ten acht uur waren wij van Knin vertrokken, en kwamen ten twaalf uur te Dernis, dat tweeduizend zielen telt. Een uur later vertrokken wij weder. Aanvankelijk ging de weg bergopwaarts, om vervolgens weder naar de vlakte af te dalen. Daar begint de woestijn op nieuw, naakt en dor en vol steenen: een landschap als in Arabië of in sommige streken van Bretagne, waar de grauwe dolmens alleen de troostelooze doodsche eenzaamheid breken. De mensch kan den strijd met zulk eene natuur niet aanvaarden, en men behoeft deze streken slechts aan te zien, om te begrijpen waarom zij zoo schaarsch bevolkt zijn.

De aankomst te Sebenico zal niemand licht vergeten. De bergketenen, die van de hoofdketen uitgaan, nemen, naarmate zij de kust naderen, in hoogte toe, en eindigen meestal in een hooge kaap of steilen kegel. Zoo ook hier. Om de stad te bereiken, stijgt men aanhoudend, en men treedt haar binnen door een kloof of opening tusschen twee grauwe rotsen, van waar men, over Sebenico heen, de Adriatische-zee ziet, bezaaid met eilanden en klippen. Van dit punt daalt de weg steil naar beneden, langs twee hoog gelegen forten San-Giovanni en Santa-Anna.

Sebenico ligt eigenlijk niet aan de kust: de Adriatische-zee dringt hier vrij diep het land in, door een smal kanaal, het kanaal van San-Antonio genoemd; haar water vermengt zich met dat van de Kerka, en vormt eene smalle en zeer diepe baai. Bij tegenwind is de stad van de zeezijde zeer moeilijk te naderen. Ik heb tweemaal de reis van Zara naar Sebenico gemaakt: eens over land, met den wijden omweg over Knin en Dernis; en eens over zee. Voor de vaart van de eene haven naar de andere heeft men zes uren noodig. De haven van Sebenico wordt als zeer veilig geroemd; het water is zeer diep; de geringe breedte van het kanaal San-Antonio en de ligging der eilanden, die den toegang tot het kanaal afsluiten en den wind onderscheppen, bevorderen de veiligheid der schepen. Uit zee gezien, vertoont de stad zich ingesloten op een eng begrensd terrein tusschen den berg en de kust, en beheerscht door de hooge forten. Wie van de landzijde komt, heeft een meer volledig overzicht: men ziet de stad van achteren in haar geheel, en verder de golf, de eilanden, en zelfs aan den verren horizon, de Adriatische-zee.

Bij dit mijn tweede bezoek, nu ik de stad door de poort van Dernis binnenkom, is de zon reeds ondergegaan. Terwijl ik een nachtverblijf opzocht, en een beambte bij de posterijen, voor wien ik een brief bij mij had, opspoorde, was het inmiddels volslagen duister geworden. Ik gebruik mijn middagmaal in eene op italiaanschen trant ingerichte trattoria, waarna mijn nieuwe makker mij eene avondwandeling door Sebenico voorstelt. Alvorens ons op weg te begeven, gaan wij in een naburig koffiehuis eenigen zijner vrienden afhalen.

Welk eene zonderlinge stad! Wij klauteren naar boven langs smalle, kronkelende trappen, ter wederzijde omzoomd door huizen van fantastische bouworde; nauwe donkere gangen, niet ongelijk aan bedekte wegen in eene vesting, loopen eensklaps uit op campi, waar het zilveren schijnsel der maan eene fraaie italiaansche loggia uit den tijd der renaissance verlicht, en op den grond de lange smalle schaduw teekent van eene antieke zuil, eenzaam te midden van het plein oprijzende. Wij maken allerlei wendingen en omwegen; nu eens plotseling nederdalende tusschen twee muren, met vochtigen uitslag bedekt en flauwelijk verlicht door een schemerende lantaarn; en dan weder uit de diepte naar boven klauterende langs hooge, uitgesleten en glibberige trappen,—en komen eindelijk op een platform, dat de gansche stad beheerscht, en vanwaar men de golf, de eilanden en de zee overziet.

Voor onze voeten verrijzen boven elkander de daken der huizen en de koepels der kerken, tot eene donkere massa saamgevloeid, waarin hier en daar lichtpunten schitteren; uit de stad stijgt een dof gedruisch, een gemurmel als van ruischende wateren, tot ons op; aan de landzijde teekenen zich de hooge forten, scherp en donker, met hunne zware omtrekken tegen den met sterren dicht bezaaiden hemel af; aan de zeezijde wiegelen en schommelen, in zachten rythmus, de roode vuren aan de masten der schepen. In de baai kabbelen de golven, elk door het trillende maanlicht met een zilveren diadeem gekroond, die tegen de donkere kust in een regen van parelen uit elkander spat.... Sprakeloos staan wij daar, in bewondering en genot verzonken. Onze gids, een jonkman van levendige verbeelding, spraakzaam, dichterlijk gestemd, die telkens met zachte stem verzen van Dante heeft gereciteerd, begint eensklaps, te midden dezer diepe, nachtelijke stilte, koepletten uit de Gerusalemme Liberata te zingen. Hoe helder, hoe warm en welluidend klinkt dat lied, de reine, kalme lucht vervullende met harmonie, en ginds de echoos opwekkende van rots en strand, en langzaam wegzwevende over de verre, verre zee....

Er wordt te Sebenico eenige handel gedreven; de exploitatie der mijnen van het binnenland levert daarvoor enkele der voornaamste artikelen, terwijl de bergen en de eilanden zeer goeden wijn voortbrengen. De geheele stad is vol leven en beweging; ondanks de eigenaardigheden der ligging, die de straten tot trappen doet worden, zijn hier de huizen beter gebouwd dan in de meeste andere steden van gelijken rang. Ge kunt hier keurig gebeeldhouwde venetiaansche balkons vinden, die een der paleizen van het Groote-Kanaal geen oneer zouden aandoen; en het plein der Signoria is eene herhaling op kleine schaal van een dier fraaie pleinen in noordelijk Italië, waar de groenten- en bladzijde 119vruchtenmarkt gehouden wordt. De stad telt niet meer dan tusschen de vier- en vijfduizend inwoners, waarvan de groote meerderheid tot de katholieke Kerk behoort.

Toen wij weder naar de stad afdaalden, vonden wij het plein der Signoria, met zijn fraaie italiaansche loggia en de kathedraal, vol wandelaars, schitterend van licht, en levendig en druk als een Sint-Marcusplein in miniatuur. Aardige groepen jonge meisjes wandelen alleen, elkaar den arm gevende, rustig op en neder; de jongelieden komen haar groeten en aanspreken, zonder dat daarbij eenige gedwongenheid heerscht. Het spelen met den waaier en de taal herinneren geheel aan Venetië; zelfs de atmosfeer en de gesternde hemel doen mij denken aan zoo menigen liefelijken avond, in piazza gesleten.

De eene zijde van het plein wordt ingenomen door een koffiehuis, in de benedenverdieping van de Loggia gevestigd, het oude paleis der proveditoron, tegenwoordig een sociëteit. Het is Zondag, en de stad heeft een feestelijk aanzien; de straat voor het koffiehuis is geheel bezet met tafeltjes. De kathedraal van Sebenico, die eene andere zijde van het plein inneemt, is door geheel Dalmatië beroemd; zij werd in 1415 begonnen en in 1555 voltooid. Ongelukkig hapert het der kerk aan eenheid; ook is het onmogelijk, een goed overzicht te krijgen van den voornaamsten gevel, die op een klein pleintje uitkomt. De kathedraal bestaat uit een middenschip en zijschepen, van den hoofdingang gescheiden door vijf pilaren, onderling door bogen verbonden. Enkele bijzonderheden van den stijl uitgezonderd, is deze dom toch minder opmerkelijk, dan ik mij, volgens de verhalen der Dalmatiërs, had voorgesteld. Vergeleken met andere christelijke monumenten der provincie, is de kathedraal betrekkelijk van jongen datum, en de stijl is ook niet zuiver genoeg om het gebouw tot type te stempelen.

Wie Sebenico bezoekt, mag niet verzuimen naar de watervallen van de Kerka te gaan, die zich een weinig ten noordwesten van de stad in de golf stort. Men heeft twee-en-een-half uur noodig om, tegen den stroom opvarende, met een der booten, welke in de haven gereed liggen, den waterval te bereiken. Het is een vaart, die haar eigenaardige schoonheid heeft. De rivier vloeit aanvankelijk tusschen twee rotsen, en hare oevers zijn woest; na drie mijlen te hebben afgelegd, komt men aan het meer, aan welks rand zich de kleine stad Scardona verheft, die tweehonderd jaar geleden nog turksch was, en nog sporen heeft overgehouden van de tegenwoordigheid der Muzelmannen. De reiziger houdt echter te Scardona niet op, maar volgt den loop der rivier tot aan den waterval, ongeveer een mijl van de stad verwijderd.

Het is niet gemakkelijk een boot te vinden, die mij naar den waterval brengen kan; er moest een boodschap naar Vissovaz gezonden worden, om ten behoeve van een vreemdeling, daar te trachten een boot te huren. Om geen geheelen dag te verspillen, besloot ik den tocht te vervolgen met de visschersboot, die ik te Sebenico gehuurd had, hoewel de schippers een buitensporig hoogen prijs eischten.

De waterval is zeer fraai, en de omringende natuur is bevalliger dan op eenig ander punt van Dalmatië. De Kerka vloeit hier over eene bedding van zeer zachten, broozen kalksteen; in plaats van plotseling uit eene hoogere in eene lagere bedding neder te storten, wordt het afstroomende water overal door rotsen tegengehouden; daartusschen en daarover heen heeft het zich, midden door de zachte kalkrots, een weg gebaand, overal openingen en kleine tunnels borende. Men ziet hier dus niet eene groote watermassa, die van eene aanmerkelijke hoogte nedervalt: het zijn veeleer eene menigte kleine cascaden, waardoor het water in alle richtingen wegstroomt.

Er zijn daar eenige molens en een vrij groot aantal booten; de oevers zijn met fraai geboomte beplant, en de geheele omgeving is bij uitnemendheid schilderachtig; maar men beweert dat de Kerka tusschen den waterval en Scardona moerassen vormt en dat de streek ongezond is door de heerschende koortsen. Ik heb slechts een vluchtig kijkje genomen, en zelfs mijn boot niet verlaten, omdat ik tijdig te Sebenico terug moest zijn, ten einde mij aan boord te kunnen begeven van het schip, dat mij naar Spalato zou brengen.

Een vrij goede weg loopt van Sebenico naar Trau, en van daar naar Spalato; maar men ried mij de reis over land af, omdat ik het eigenaardig karakter der natuur van Dalmatië toch reeds kende. Des avonds bevond ik mij weder te Sebenico, en daar het vaartuig bereids in de haven lag, begaf ik mij aanstonds aan boord, ten einde het uur van vertrek, dat den volgenden morgen vroeg zou plaats hebben, rustig af te wachten.

VIII.

De vaart van Sebenico naar Spalato duurt vijf uren. Men volgt van nabij de kust, die hier zeer hoog en moeilijk te naderen is; voorbij kaap la Planca vormt de Adriatische-zee eene groote menigte inhammen en kanalen, die vrij diep in het land dringen. De steden liggen allen langs de kust, en hebben elk haar haven, even als in Istrië en in het noordelijk gedeelte van Dalmatië; maar zij verschuilen zich hier meer achter in de baaien en inhammen, en zijn verborgen door eilanden, vrij wat grooter dan die in de nabijheid van Zara en Sebenico. De belangrijkste dezer eilanden zijn: Bua, Solta, Brazza, Lissa, Lesina, Cursola, Sabbioncello, Melida en de groep der Elaphiten. Deze talrijke engten en kanalen, deze fjords, zijn een eigenaardig kenmerk van de Adriatische-zee, althans langs deze kust: tusschen la Planca en Ragusa, zou men zich schier kunnen verbeelden op een der groote italiaansche meeren te varen, want men verliest nimmer de beide oevers uit het oog: aan de eene zijde het vaste land van Dalmatië, en aan de andere zijde de eilanden en klippen, die elkander in lange reeks opvolgen.

In het jaar 303 na Christus, toen het romeinsche rijk, dien onmetelijken omvang verkregen hebbende waaraan het voor een goed deel zijn ondergang te danken had, na honderdvijftig jaren van bijna aanhoudenden krijg wederom een tijdperk van vrede intrad en nog eenmaal de wereld verblindde door den glans zijner heerlijkheid, verzamelde Keizer Diocletianus, bladzijde 120de hersteller van de militaire tucht en de overwinnaar der Perzen en Meden, het volk en het leger in de vlakte van Nicomedië. Daar besteeg hij, het hoofd omkranst met den lauwer der overwinning, de trappen van een prachtigen troon, en op de volle middaghoogte zijner macht en zijns roems, verkondigde hij aan de verbaasde wereld zijn besluit om van de regeering afstand te doen. Hij keerde zelfs niet meer naar zijne hoofdstad terug, maar gebruik makende van de algemeene verwondering, door deze mededeeling verwekt, verborg hij zich voor aller oog in een overdekten wagen en begaf zich naar Dalmatië, om daar, ver van het gewoel der wereld, het prachtige paleis te gaan bewonen, waaraan hij sedert twaalf jaren had laten bouwen.


De Gouden-poort van bet paleis van Diocletianus.

Dit paleis van Diocletianus, waarin hij negen jaar, tot aan zijn dood, woonde, bestaat nog altijd te Spalato, en is een der merkwaardigste monumenten, die ons van de oudheid zijn overgebleven. Nabij het paleis lagen de tuinen van Salona, waar de Keizer zich met het kweeken van groenten onledig hield. Dit paleis van Diocletianus is voor een deel de stad zelve, waar wij voet aan wal zullen zetten, want zij is op het terrein van dat paleis gesticht en binnen zijne muren omsloten.

Uit zee gezien, maakt Spalato bijkans den indruk eener groote stad: zij is dan ook inderdaad de volkrijkste en belangrijkste stad van geheel Dalmatië. Zij ligt aan den oever der zee en in eene vlakte; de lange levendige kaai wordt aan de eene zijde begrensd door het lazareth, een groot, vooruitspringend gebouw, en aan de andere zijde door de nieuwe wijk en de voorstad. Een trotsche campanile verheft zijne spits ten hemel, en teekent zich af tegen den ernstigen, donkeren achtergrond der bergen, boven wier golvende bladzijde 121lijnen de berg Mossor hoog uitsteekt. De groote merkwaardigheid van Spalato echter, datgene wat bovenal de belangstelling der reizigers wekt en hunne schreden naar deze stad richt, dat is de monumentale ruïne, waarvan de wedergade ter wereld misschien niet te vinden is, bekend onder den naam van het paleis van Diocletianus.

De Keizer was aan de oevers van de Adriatische-zee, aan den voet der Zwarte-bergen, te Dioclea, geboren. Hij was aanvankelijk gemeen soldaat bij een dier romeinsche legioenen, die het rijk moesten verdedigen tegen de invallen der barbaren. Langzamerhand tot de hoogste rangen in het leger opgeklommen, dong hij, hoewel de zoon van een vrijgelatene, als zoo vele anderen naar het keizerlijk purper; en in dien tijd, toen de kohorten naar welgevallen hunne gunstelingen op den troon verhieven, werd ook hij, in het jaar 284, tot Keizer uitgeroepen. Hij gaf zich den bijnaam van Jovius, en voegde zich een mederegent toe in den persoon van Maximianus, bijgenaamd Herculius, een soldaat van fortuin even als hij zelf, maar die noch zijn geestkracht, noch zijn buigzaam karakter, noch zijne menschenkennis bezat. Diocletianus had het rijk den vrede weergegeven. Na vele jaren gelukkig den krijg te hebben gevoerd, liet hij aan zijn ambtgenoot de zorg over om de laatste vijanden van Rome uit te roeien, en won hij voor zich zelven den roem van een voortreffelijk regent en een geniaal wetgever.


In de ruïnen van Salona.

Rome had haar alouden glans reeds voor een groot deel verloren; vier vorsten regeerden tegelijk en verdeelden het rijk onder zich: eerst Diocletianus en Maximianus, en vervolgens ook de beide Cesars, Constantius en Galerius, aan wie Diocletianus mede een deel van het gezag gegeven had. Voortdurend in oorlog bladzijde 122met de barbaren gewikkeld, gaf bij de voorkeur aan het verblijf te Nicomedië, waar hij eene oostersche pracht ten toon spreidde, boven dat in de heilige stad Rome; Maximianus had zijne residentie gevestigd te Milaan, Constantius in Gallië, en Galerius aan de oevers van den Donau.

Diocletianus hield van bouwen, en had overal gedenkteekenen opgericht: Rome dankte hem de beroemde baden, die nog zijn naam dragen; Palmyra, die heerlijke tempels, waarvan de ruïnen nog heden de bewondering der reizigers opwekken; Carthago, Milaan, Nicomedië, hadden onder zijne regeering prachtige monumenten zien verrijzen, waaraan hij met milde hand de schatten van het Oosten had ten koste gelegd, voor een groot deel door zijne wapenen onderworpen. Omstreeks het jaar 296, reeds naar rust verlangende, had hij den blik geworpen op de stad Salona, een der belangrijkste van Dalmatië, aan den oever eener stille baai, aan den voet der bergen, gelegen; hij had die stad geheel doen herbouwen en tuinen doen aanleggen, waar hij zich gaarne onthield te midden van de dalmatische natuur, waaraan zich voor hem zoo vele herinneringen hechtten, en die hij lief had, zoo als de visschers der klippen den naakten grond liefhebben, die hen heeft zien geboren worden. Omstreeks denzelfden tijd had Diocletianus, op een mijl afstands van Salona, aan den oever der zee, de grondslagen doen leggen van het reusachtig paleis, waar hij zijne laatste levensjaren in stille rust wenschte te slijten. Na een schitterenden veldtocht in Perzië, vertoonde hij zich voor het laatst aan de inwoners van Rome, werd daar als overwinnaar gekroond, en keerde toen naar Nicomedië terug, waar hij plechtig van de regeering afstand deed.

Het huis, waarin hij zich nu terugtrok, geleek in geen enkel opzicht de nederige woning van den wijze, wars van het gewoel der wereld en afkeerig van weelde en pracht: het was een uitgestrekt paleis, nog ten volle een Keizer waardig, en ruim genoeg om tempels en baden, zalen voor de lijfwachten en woningen te bevatten voor die gansche schaar van afhangelingen en cliënten, die zich om den gewezen souverein bleef bewegen.

Het paleis vormt een groot vierkant, aan de vier hoeken van sterke torens voorzien; de hoofdgevel is naar de Adriatische-zee gekeerd. De oppervlakte van het geheele gebouw, zonder de aangrenzende tuinen, beslaat dertigduizend-vijfhonderd el; de open galerij, die op zee uitzag, had eene lengte van tweehonderd el. Behalve de poort aan de zeezijde, had het paleis drie hoofdingangen: ten noorden, de Gouden-poort, die op den weg naar Salona uitkwam: de Bronzen-poort, die naar Epetium (tegenwoordig Hobrech) voerde; en de IJzeren-poort, die, volgens den italiaanschen archeoloog Lanza, toegang gaf tot een park, bepaaldelijk voor de jacht van den Keizer bestemd. Elke dezer poorten was gevat tusschen twee achthoekige torens. De vierde poort kwam aan zee uit, en diende voor het in- en ontschepen; zij stond in verband met uitgestrekte onderaardsche gangen en souterrains, die naar de verschillende deelen van het paleis voerden en nog heden bestaan.

Van het punt, van waar wij een blik op de stad Spalato in haar geheel geworpen hebben, is er een geoefend en scherpziend oog noodig, om het oude gedeelte te herkennen, te midden der groote veranderingen, die het in den loop der tijden en in verband met de verschillende behoeften der opvolgende bewoners ondergaan heeft. De stad is in den letterlijken zin in en tegen het voormalige paleis gebouwd, waarvan sommige gedeelten nog bijna ongeschonden in wezen zijn, schoon dan ook geheel van bestemming veranderd.

Diocletianus liet omstreeks 295 met den bouw van het paleis beginnen: hij deed afstand in 304; en als wij de kroniek van Eusebius mogen gelooven, leefde hij te Spalato tot in 313, het jaar van zijn dood. Welke lotgevallen onderging zijne vorstelijke woning sedert dien tijd?

De vierde eeuw is de eeuw van de invallen der barbaren. Het ten ondergang neigende romeinsche rijk wordt, na den dood van Theodosius, voor goed in tweeën gesplitst: Honorius ontvangt voor zijn deel Dalmatië met de andere westelijke provinciën. Gansch Illyrië wordt echter weldra de prooi der Hunnen, der Gothen, der Visigothen, en tweemaal binnen den loop van eenige jaren levert Alarik het gansche land aan de verwoesting over. Op de Hunnen volgen de Vandalen; op Alarik en Attila volgt Genserik. Marcellinus, de vertegenwoordiger van het Westersche rijk, waartoe Dalmatië heet te behooren, slaagt er echter in, de geheele provincie te heroveren, terwijl Rome zelf in de handen valt der barbaren.

Het paleis werd natuurlijk door deze vreemde horden niet gespaard: de tempels en schatkamers werden geplunderd, alles wat eenige waarde had of door fraaie bewerking uitmuntte, werd de buit der barbaren. De beelden der goden lagen, verminkt en geschonden, hier en daar verspreid; de sarkophagen werden opengebroken; Salona, de naburige stad, door Diocletianus geheel herbouwd, verfraaid en versterkt, werd der plundering prijs gegeven. Niettemin bood zij haar aanvallers heldhaftig weerstand, en weldra herleefde zij uit haar asch.

In het begin der vijfde eeuw heeft men de keizerlijke residentie van Spalato herschapen in een soort van gesticht of college voor vrouwen, waar de jonge meisjes wol komen spinnen en weven om de kleederen der krijgslieden te vervaardigen, onder de leiding van den Procurator gynecii Jovensis Dalmatiae Aspalato. Langzamerhand keert de vrede terug; het paleis wordt gerestaureerd en weer tot keizerlijke woning ingericht ten behoeve van Marcellinus, en na hem van Glycerius en Julius Nepos (475). Maar Odoaker, die zich bereids van Italië heeft meester gemaakt, doet een inval in Dalmatië, dat nu het slagveld wordt, waarop de Herulen en de Oost-gothen, onder aanvoering van Odoaker en Theodorik, elkander de heerschappij betwisten.

Theodorik roept de Gothen en de Slaven te hulp, en de steden, die bij de eerste invallen waren gespaard gebleven, worden thans verwoest: het nauwelijks herstelde paleis valt op nieuw in handen der barbaren, en Salona, de rijke stad, wordt ten tweeden maal geplunderd en aan de vlammen prijs gegeven. Wederom bladzijde 123gelukt het Keizer Constantius de provincie te bevrijden en de Gothen te verdrijven: maar de rust is slechts tijdelijk. Lombarden en Avaren overstroomen op hunne beurt het geteisterde land, dringen in Salona door en verwoesten de groote stad zoo volkomen, dat er zelfs geen spoor van overblijft. Van Salona trekken zij naar Spalato, en bestormen nog eenmaal die oude, beroemde muren, die zoo veel aanvallen hebben weerstaan.

De zevende eeuw is getuige van de geboorte der stad Spalato, en daarmede valt tevens samen de groote verandering en herschepping van het paleis van Diocletianus. De barbaren hebben op hun weg alles verwoest: er is geen tempel meer te vernielen, geen stad meer te verdelgen, geen dorp meer te verbranden: het land is bijna eene wildernis geworden. Aan de eene zijde zijn zij zuidwaarts afgetogen naar het tegenwoordige Albanië; aan de andere zijn zij langs de kust voortgetrokken, door Kroatië, Istrië en Frioul; zij hebben Aquilea en Altino verwoest, Padua geplundert, en de bewoners der kuststreken uitgedreven naar de lagunen, om daar den grond te leggen voor die machtige republiek Venetië, die hare heerschappij vestigde op de golven der Adriatische-zee.

Het schijnt dat de volkerenstroom eindelijk is uitgeput; de inwoners van Salona, die driemaal de wijk hebben genomen in de bergen en op de eilanden der Adriatische-zee, komen uit hunne schuilhoeken te voorschijn, en zoeken de plek op, waar eenmaal hunne geliefde geboortestad stond. Aan dien dierbaren grond gehecht, willen zij van de oude bekende plek niet scheiden; doch hunne vaderstad is niets meer dan een ruïne, een vormelooze aschhoop: zij willen dan voor 't minst onder denzelfden hemel leven, in de schaduw derzelfde bergen, aan den oever derzelfde zee, waarvan de frissche adem hun tegenwaait. Zij zoeken eene schuilplaats in de bouwvallen van het paleis van Diocletianus. De muren zijn zwaar en dik; zij hebben herhaaldelijk weerstand geboden aan de aanvallen der barbaren: hier is eene sterke vesting, die gemakkelijk kan verdedigd worden. De uitgewekenen vestigen hunne woningen in de portieken, in de galerijen en voorhoven, in de tempels, waaruit de goden verdwenen zijn; als schuchtere vogels, door den storm voortgedreven, hechten zij hunne nesten aan de kroonlijsten en verbergen hun kroost in de spleten en scheuren van het groote monument, onder de architraven, in de baden, in de prachtige zalen, waar de groote Keizer weleer de gezanten van Rome ontving. Het is hun slechts om eene veilige wijkplaats te doen: zij sloopen het grootsche gewrocht om zich woningen te maken, en het paleis wordt een gehucht, een dorp, eindelijk eene stad: Ad PalatiumAspalathumSpalatumSpalato.

Spalato is destijds geheel besloten binnen de omwalling van het paleis; de torens, die tot verdediging moeten dienen, worden hersteld; de poorten deels toegemetseld, deels versterkt en zorgvuldig bewaakt; de keizerlijke residentie is eene vesting geworden. De groote tempel, volgens sommigen aan Diana, volgens anderen aan Jupiter gewijd, is in eene christelijke basiliek herschapen. De meeste inwoners van Salona hadden reeds voorlang den heiligen doop ontvangen en zich tot het Christendom bekeerd: Paus Martinus (640–655) zond hun als apostolisch legaat Johannes van Ravenna, die eene beslissing moest nemen in het geschil, dat tusschen Ragusa en Spalato ontstaan was over den aartsbisschoppelijken zetel, aanvankelijk te Salona gevestigd.

Salona werd in het gelijk gesteld, en daar Spalato sedert de plaats der verwoeste hoofdstad had ingenomen, werd Spalato tot zetel van den metropolitaan verheven. Johannes van Ravenna werd door het volk tot aartsbisschop uitgeroepen; hij koos zijne woning nabij de kathedraal, onder de portiek van den vroegeren tempel, waar nog heden de prelaat van Spalato resideert. Zijn paleis heeft tot voorgevel de kolonnade van de oude portiek, en zijne vensters zien uit op het vroegere plein voor den tempel. Het Mausoleum tegenover den tempel wordt tot doopkapel ingericht; de sarkophaag, waarin, naar men zeide, het stoffelijk overschot van Diocletianus bewaard werd, wordt weggenomen en op dezelfde plaats het doopvont opgericht. Dit heeft waarschijnlijk mede aanleiding gegeven tot de heerschende onzekerheid omtrent de oorspronkelijke bestemming van dezen kleinen tempel, onder den naam van het Mausoleum bekend, maar die door sommige oudheidkundigen ook de tempel van Esculaap wordt genoemd. Zoo was het heidensche, romeinsche Salona opgevolgd door eene zuiver christelijke stad, door Spalato.

Nog altijd maakte Dalmatië in naam deel uit van het Oostersche rijk; maar de Kroaten en de Serviërs, beiden van slavischen oorsprong en tot dus ver in de streken bij de Karpathen gevestigd, krijgen vergunning zich in het land te mogen vestigen en ontvangen het burgerrecht, onder voorwaarde dat zij de provincie tegen de Avaren zullen verdedigen, en de steden langs de kust der Adriatische-zee eerbiedigen. De italiaansche invloed klimt hier tot de vroegste tijden op: die steden waren romeinsche koloniën; zij blijven onderworpen aan het gezag der bisschoppen, die op hun beurt aan Rome onderworpen zijn. Eerlang zullen zij in handen vallen van Venetië: en zoo het platte land geheel slavisch wordt, zal de kust, die den latijnschen invloed ondergaan heeft, haar italiaansch karakter onuitwischbaar blijven bewaren.

De Kroaten en Serviërs brengen hunne eigenaardige gebruiken en hunne eigene hertogen of vorsten mede. Eerst moeten zij de worsteling aanvaarden met de Franken, die hun het bezit des lands betwisten; daarna beginnen zij eene zelfstandige regeering te vestigen, en leggen aan het land en zijne bewoners hunne wetten op. Spalato was destijds in het bezit van vrije municipale instellingen: het neemt in bloei en welvaart toe, zet allengs zijne perken uit en overschrijdt de grenzen van het paleis. Maar juist die voorspoed wekt de begeerlijkheid op: de Kroaten willen de stad haar vrijheid ontrooven, de piraten van Narenta, wier naam reeds toen in de geschiedenis voorkomt, bedreigen en teisteren haar zoo voortdurend door telkens herhaalde plundertochten, dat de stad zich gedwongen ziet, de bescherming van de republiek van Sint-Marcus bladzijde 124in te roepen. De Doge Piero Orséolo II, wiens naam wij terugvinden in de geschiedenis van elke stad langs deze kust, verschijnt te Spalato, verslaat de Kroaten, verdrijft de zeeroovers, sluit een voordeeligen vrede met Kresimir II van Kroatië, en ontvangt de hulde der dalmatische steden, die niettemin hare vrijheid behouden en nog steeds worden geregeerd door hare eigene bisschoppen, overeenkomstig hare statuten of keuren.

Maar Peter Kresimir neemt den titel van Koning van Kroatië en Dalmatië aan en betwist het recht van Venetië; van den anderen kant maakt Koloman, Koning van Hongarije, mede aanspraken op het land, en trekt in 1102, Spalato met een leger binnen. Kort daarop laat hij zich zelf als souverein der beide koninkrijken te Belgrado kronen. Het is de tijd van de strooptochten der noordsche zeeschuimers: Kresimir heeft eene vloot noodig, om die piraten te kunnen verdrijven, en daar hij geen eigen zeemacht heeft, sluit hij een verbond met zijne vijanden, de Venetianen, die, nadat het kustland van de Noormannen bevrijd was, de hulp inroepen van Alexis Comnenus, Keizer van Constantinopel; deze slaat, in 1143, het beleg voor de stad, om welker bezit de twee mogendheden streden.


Alnussa, tusschen Spalato en Ragusa.

Nu volgt een tijdperk van verwarring en onophoudelijke wisselingen. Spalato gaat van de eene hand over in de andere: Kroaten, Hongaren, Venetianen, Napolitanen, hebben beurtelings de macht in handen, terwijl de stad bovendien nog herhaaldelijk geteisterd wordt door de zeeroovers, en in 1241 door een inval der Tartaren. Eindelijk, in 1420, staat Ladislas, de Koning van Napels, al zijne rechten op Spalato aan Venetië af, tegen eene som van honderdduizend gouden dukaten.

Van 1420 tot 1797, alzoo tot aan den ondergang der republiek, blijft Spalato nu in de macht van Venetië, ondanks de pogingen, door de Turken, in hunne langdurige oorlogen met de republiek, bij herhaling beproefd om de stad te vermeesteren. Van 1797 tot heden deelt zij in de lotgevallen van geheel Dalmatië.

Tijdens het venetiaansche bestuur bereikte de stad haar volle ontwikkeling, breidde zich naar het noorden uit, en werd de sterkste en voornaamste handelstad van geheel Dalmatië. De stad is sinds lang niet meer besloten binnen de omwalling van het paleis; haar piazza della Signoria zelfs ligt buiten de grenzen der oude stad, waarin de inwoners van Salona eenmaal eene wijkplaats zochten. Er zijn tegenwoordig drie steden: die buiten de voormalige IJzeren-poort, die aan de zijde der Bronzen-poort, en die buiten de Gouden-poort. De kaai is verbreed geworden; de woningen der visschers, der kooplieden van scheepstuig en van allerlei andere handelaars en winkeliers, die met de scheepvaart en den koophandel in betrekking staan, zijn tegen den antieken muur van het paleis aangebouwd; en de venetiaansche regeering laat dat groote lazareth bouwen, waar, vóór de ontdekking van de kaap de Goede Hoop, de turksche karavanen de koopwaren van Indië en Perzië plachten aan te voeren.

IX.

Wij maken ons gereed om aan land te gaan. Weldra betreden wij de kaai aan den voet van den muur van het paleis, en volgen die tot aan de nieuwe stad, die in haar bouwstijl geheel het karakter van haar modernen oorsprong draagt. Daar ligt ook ons hotel, dat zich door netheid onderscheidt, en waarvan de benedenste verdieping wordt ingenomen door eene groote restauratie, waar de beambten en de officieren van het garnizoen hun maaltijden komen gebruiken.


Landlieden uit zuidelijk Dalmatië.

De ramen onzer kamers zien op de zee en op het nieuwe plein uit, waarvan slechts twee zijden bebouwd bladzijde 126zijn; alles duidt aan, dat hier eene nieuwe stadswijk in wording is. Men heeft eene nieuwe haven aangelegd; er is sprake van een spoorweg, en men wijst mij reeds de plek, waar het station zal komen te staan.

Echter is dit gedeelte der stad nog bijna geheel verlaten; door de reten onzer zonneblinden zien wij de vrouwen van Spalato, die op het plein witte lakens uitspreiden, waarop zij het zaad van turksch koren uitstrooien om te drogen; verder is er geen leven of beweging in deze buurt te ontdekken.

Ons eerste bezoek geldt natuurlijk de oude stad en het paleis van Diocletianus. Wij gaan door de smalle straten en stegen tusschen het nieuwe gedeelte en de omwalling van het paleis, en bevinden ons weldra op het plein der Signoria, het voornaamste plein der stad, vrij ruim, omzoomd door koffiehuizen, winkels en monumenten van weinig beteekenis, of die althans hun eigenaardig karakter door herhaalde verbouwing en verandering verloren hebben. Hier is het hart der eigenlijke stad, de wandelplaats, het algemeene vereenigingspunt, het centrum der beweging. Dit plein verschilt niet wezenlijk van dergelijke pleinen in de andere kuststeden: alleen mist men hier een dier fraaie italiaansche loggie of dier schilderachtige venetiaansche raadhuizen, die wij te Pola, te Zara en te Sebenico hebben bewonderd. Aan de zuidzijde van het plein bevindt zich de oude IJzeren-poort van het paleis.

Wij gaan onder een hoogen rijk versierden booggang door: daar eindigde de galerij of portiek, die, evenwijdig met de kust loopende, van de IJzeren-poort naar de Bronzen-poort, tegenwoordig de kerk van den Goeden Dood, voerde. Van deze portiek is niets meer over, dan hier en daar nog enkele sporen in het inwendige der huizen, die er tegen aangebouwd zijn, en den wijden doorgang zoo zeer vernauwd hebben, dat ge u in een der stradine van Venetië waant. De richting is echter dezelfde gebleven: de smalle straat loopt nog heden van de IJzeren naar de Bronzen-poort. De huizen zijn hoog; de zon kan nooit in deze straat doordringen; zij gelijkt bijna een reusachtigen put, langs welks wanden vensters met balkons zijn aangebracht, van waar ziekelijke, kwijnende planten afhangen, dorstende naar een weinig frissche lucht en een weinig zonneschijn.

De smalle bedompte straat volgende, komen wij aan het Domplein, het oude forum van het paleis, waarop ook de portieken uitkwamen van den Tempel en van het Mausoleum. De beide, door zuilengangen omzoomde wegen, die het gansche paleis in de lengte en breedte doorsneden, liepen hier samen. Dit belangrijkste gedeelte van het geheele gebouw is gelukkig bewaard gebleven: de stad, die de bewoners van Salona in het paleis stichtten, had ook een plein en een tempel noodig: men vond beiden bereids in het middenpunt der geïmproviseerde stad aanwezig. De nieuwe bewoners stelden de vereering van den waren God in de plaats van de dienst der afgoden, en herschiepen den tempel in eene katholieke kathedraal; toen metselden zij de bogen van de portiek toe, en bouwden op het plein, waarop het Mausoleum stond, het paleis van hun eersten aartsbisschop, waarbij de voorzijde der portiek de façade van het nieuwe paleis werd. Dit verklaart ook, waarom het kleine gebouw, onder den naam van het Mausoleum bekend, en later tot doopkapel ingericht, (naar het oude kerkelijke gebruik, dat een afzonderlijke kapel voor de doopsbediening vorderde) tegenwoordig, van het Domplein afgescheiden, in eene nauwe steeg staat.

Als wij ons op het plein plaatsen, met den rug naar de smalle straat gekeerd, die naar de Gouden-poort loopt, zien wij tegenover ons de loggia van den peristyle, op vier zuilen van rood graniet rustende. In het midden van deze loggia heeft men een onderaardschen doorgang aangebracht; van daar voeren trappen naar de lage galerijen, die met de zee in gemeenschap staan.

Aan onze linkerhand hebben wij de portiek vóór den tempel zelven, benevens de klokketoren of campanile, in 1416 door Nicolo Tverde, Dalmatiër van geboorte, gebouwd, op kosten van Maria, Koningin van Napels, en later, door de milde gaven van Elizabeth van Hongarije, voltooid. Aan dezelfde zijde, aan den hoek waar de portiek gesneden wordt door de straat, die evenwijdig met de zee loopt, hebben de Venetianen een wachthuis gebouwd, welks voorgevel mede door de antieke bogen gevormd wordt. Aan onze rechterhand bevindt zich het aartsbisschoppelijk paleis, insgelijks een geheel uitmakende met de oude portiek aan die zijde, en waarvan de vensters tusschen de arkaden gevat zijn.

Het Pantheon te Rome en de tempel in het paleis van Diocletianus te Spalato zijn de twee schoonste, nog ongeschonden gebleven monumenten der antieke bouwkunst, die door de Christenen voor hunne eeredienst zijn ingericht.

Het was in het jaar 650, dat Johannes van Ravenna, door den Paus gezonden om de aangelegenheden der Kerk in Dalmatië te regelen, den aartsbisschoppelijken zetel besteeg; tot dusver was Salona de residentie van den aartsbisschop geweest. Kort daarna werd het lichaam van Sint-Doïmo (Domnius) van Salona overgebracht naar de nieuwe kathedraal, aan dien heilige gewijd, die, volgens de overlevering, door den Apostel Petrus zelven als bisschop naar Dalmatië was gezonden, en onder de regeering van Trajanus, ten jare 107, te Salona was ter dood gebracht.

De achthoekige tempel stond oorspronkelijk op eene binnenplaats, aan de zijde van het plein afgesloten door eene portiek van zes kolommen, die nog in stand zijn gebleven, en door zijmuren, waarvan mede nog een gedeelte overig is. Als men de buitenste portiek was doorgegaan, kwam men aan eene tweede portiek van vier kolommen, die den toegang tot het gebouw zelf vormde en eenige treden boven den grond verheven was. Het geheele achthoekige gebouw was verder omgeven door eene omloopende portiek van vier-en-twintig kolommen, deels van oostersch graniet, deels van marmer, en allen bekroond met standbeelden, die tegenwoordig verdwenen zijn. De portiek vóór den tempel is eveneens verdwenen en vervangen door stevig metselwerk, waarop de campanile rust, en waarbij een aantal antieke zuilen als bouwmateriaal gebezigd zijn.

De omgang om den tempel bestaat nog, met de portiek, die hier en daar is toegemetseld, en alleen bladzijde 127aan de zijde achter het hoogaltaar is vernield. Alleen aan den rechterkant is de doorgang nog vrij; tusschen de portiek en den eigenlijken tempel, in de muren en tusschen de kolommen, ziet men eene menigte antieke graven, grafzerken en tomben van historische personen. Boven den ingang van den tempel bevond zich weleer de sarkophaag van de Prinsessen Margaretha en Catharina, dochters van Bela IV, Koning van Hongarije, ten jare 1241 overleden in de vesting Clissa, waar haar vader de wijk had moeten nemen voor de Tartaren. Haar stoffelijk overschot werd naar Spalato gebracht, en overeenkomstig een gebruik dier tijden, in een sarkophaag boven de poort van den Dom geplaatst. In de maand Mei van het jaar 1818 is dit monument verdwenen, men weet niet recht hoe; de ledige plaats getuigt nog van den gepleegden roof.

Het inwendige van den tempel maakt een grootschen indruk. De christelijke eeredienst heeft in geen enkel opzicht aan de majesteit van den antieken tempel afbreuk gedaan. Het gebouw, dat uitwendig de gedaante van een achthoek heeft, is van binnen cirkelvormig; wij staan in eene ledige ruimte, van dertien el in doorsnede en een-en-twintig el hoogte, gedekt door een koepel. Acht zuilen van korinthische orde, uit een enkel blok oostersch graniet gehouwen, en zeven el hoog, dragen een bij uitstek rijk bewerkt entablement van kolossale afmetingen, dat in zijne overmatige versiering duidelijke sporen toont van het verval der kunst. Op dit entablement rust eene galerij, mede met acht kleinere zuilen versierd, waarvan vier uit porfier en vier uit graniet, die eene kroonlijst dragen, waarop het gemetselde gewelf rust.

Het geheel is grootsch en eenvoudig; het eenige gedeelte dat, behalve het entablement, van te groote overlading getuigt, is eene fries op de bovengalerij, die om het geheele gebouw loopt en in eene reeks medaillons eene menigte bas-reliefs bevat, jachten, wedstrijden, herten, leeuwen, spelende amors, busten van Diana enz. voorstellende. De tempel is duister, hoewel men er, toen hij voor de christelijke eeredienst werd ingericht, eenige nieuwe vensteropeningen in gemaakt heeft; maar oorspronkelijk ontving hij al zijn licht door een soort van venster, boven den ingang geplaatst. Intusschen verhoogt dit halfdonker zeer het effect.

Onder den tempel bevindt zich een onderaardsche krypt, die de geheele ruimte inneemt en zeer goed bewaard is gebleven; het is niet gemakkelijk uit te maken, waarvoor zij eigenlijk bestemd was.

Bij de inrichting van den tempel voor de katholieke eeredienst, heeft men ook boven in den koepel eene opening aangebracht. Voor de plaatsing van het hoogaltaar, heeft men gebruik gemaakt van de cella tegenover den ingang, waarin het beeld van den god moet gestaan hebben; verder is een deel van den zijmuur weggebroken en een zijgebouwtje van den tempel tot kapel ingericht. De preekstoel, een heerlijk kunstwerk uit de veertiende eeuw, staat links van den ingang, en in elk der nissen tusschen de pilaren ziet men een altaar. De vloer van den tempel is onveranderd gebleven, slechts is het achterste gedeelte een paar treden verhoogd; de ruimte rechts en links van het hoogaltaar wordt door het koor ingenomen; in de hoeken verheffen zich fraaie gothische monumenten van gesneden hout, die de beide altaren moeten beschermen, in de twee nissen van den ronden muur geplaatst. De houten balkons boven de entablementen op de beide verdiepingen zijn veel later aangebracht.

De tijd heeft het marmer donker gekleurd en de glans van het porfier gedoofd; een enkel venster laat een breeden straal van licht door, die sommige gedeelten van het inwendige in helderen glans hult, maar het verdere in half doorschijnende schemering laat, welke nauwelijks het fijne beeldhouwwerk doet herkennen. De zware entablementen werpen breede en diepe schaduwen af, waartegen hier en daar de omtrekken der vergulde engelen op de baldakyns uitkomen; in de nissen en kapellen flikkeren de lampen voor het beeld der Madonna; versierde caissons, groote crucifixen, verguld snijwerk en reliefs van hout, zilveren lampen, door den tijd geel gekleurd, edele steenen in de altaren, schitteren hier en daar als lichtende stippen in het geheimzinnig halfdonker. De kerk schijnt ledig; eene enkele oude vrouw ligt in de schaduw nedergeknield en murmelt met eentonige klagende stem hare gebeden.

Driemaal hebben wij daar lange uren gesleten, in de nis rechts van den ingang zittende en schetsen makende; het was zeer donker; niettegenstaande het op den vollen middag was, moest de koster twee kaarsen ontsteken, om daarbij te kunnen teekenen. Duizenden insekten, vleermuizen, nachtvogels zelfs, daalden van het donkere gewelf en snorden en zwermden om onze ooren en verzengden hun vlerken aan de vlam der kaarsen; de koude vochtigheid drong tot op het gebeente door. De sombere indruk werd nog verhoogd door een klagend geluid, een half gesmoorden zucht, een doffen snik, nu en dan uit de schemering tot ons komende: daar lag eene vrouw of een grijsaard ter aarde gebogen en stortte hier het hart uit voor Hem, wiens oog door de duisternissen henen dringt en wiens oor de stem der klagenden hoort, van waar zij ook moge opgaan. Dan gevoelden wij toch ook, dat het hier heilige grond is.

Als wij, uit de kathedraal komende, het plein oversteken en een nauw steegje inslaan, bevinden wij ons weldra tegenover het kleine monument, dat algemeen onder den naam van het Mausoleum bekend is, hoewel het volgens sommigen een tempel van Esculaap zou zijn geweest. Het gebouw heeft den vorm van een parallelogram van acht el breedte bij eene lengte van elf en een half el. Het is betrekkelijk goed bewaard gebleven; de portiek echter, die den toegang tot den tempel vormde en die veertien treden boven den grond verheven was, is verdwenen.

Het inwendige ontving al zijn licht door den ingang; de muren zijn naakt; aan drie zijden loopt een rijk bewerkte kroonlijst, waarop het uitnemend goed bewaarde gewelf rust. De basreliefs der fries stellen amors, wijngaardranken, offervazen, leeuwen en luipaarden voor; naar deze attributen te oordeelen, zou men veeleer denken aan een tempel voor den god des wijns dan voor dien der geneeskunde. Voor den ingang staat bladzijde 128een antieke sarkophaag, met beeldhouwwerk versierd en blijkbaar uit denzelfden tijd als de tempel afkomstig. Onder verschillende allegoriën herkent men duidelijk de afbeelding van den strijd van Meleager met het wilde zwijn. De sarkophaag komt waarschijnlijk van Salona; onderscheidene geleerden hebben gemeend, dat het basrelief eene zinnebeeldige voorstelling was van den dood van Arius Aper, den moordenaar van Numerianus, die door Diocletianus, toen nog generaal, doch straks Keizer, ten aanschouwe van het geheele leger, met eigen hand werd geveld. De overlevering verhaalt, dat eene priesteres der druïden hem het keizerlijk purper had voorspeld, als hij een wild zwijn (aper) zou hebben gedood; de italiaansche archeoloog Lanza heeft zelfs op dien grond beweerd, dat deze sarkophaag eenmaal het stoffelijk overschot van Diocletianus moet hebben bewaard. Zoo als ik reeds zeide, dient het gebouw tegenwoordig nog voor doopkapel; waarschijnlijk heeft het daaraan zijn behoud te danken.


Een schaap aan het spit.

Dit zijn de voornaamste overblijfselen van het beroemde paleis; maar volstrekt niet de eenige. De gansche oppervlakte, eenmaal door de keizerlijke residentie ingenomen, is thans bebouwd met nauwe en donkere straten. Behalve de kathedraal, bevinden zich nog drie kerken binnen deze ruimte; en wie nauwkeurig alle sporen en overblijfselen wil nagaan, waarop de oudheidkundigen hunne voorstellingen van het paleis ten tijde zijner heerlijkheid gegrond hebben, moet niet alleen dit gansche terrein onderzoeken, maar moet ook in de huizen, op de binnenplaatsen en zelfs tot in de kamers doordringen. Op een bovenverdieping, achter een bed, op een trap, in een kast, vertoont zich soms eensklaps een korintisch kapiteel; elders steekt een zuil half uit den muur; ginds wederom is het een basrelief of een deel van een muur, die dikwerf het spoor wijzen tot belangrijke ontdekkingen.

Wij verlaten het paleis door de Gouden-poort, die wij bereiken door de straat, welke op het Domplein uitkomt, ten einde te volgen. De afbeelding op bladz. 120 ontslaat mij van alle verdere beschrijving. De poort waarvan de voet tegenwoordig eenige ellen in den grond begraven is, was vroeger ongetwijfeld een prachtig monument; de nissen, waarvan de sporen nog zeer duidelijk zijn te herkennen, waren oorspronkelijk met standbeelden versierd, die, zoo als men zegt, naar Venetië zijn overgebracht. Tijdens het venetiaansche bestuur, werd de Gouden-poort, in het belang der verdediging, voorzien van twee achthoekige torens, die nog voor een deel zijn in stand gebleven.

Intusschen is de oude stad, hoe belangrijk ook, niet het eenige gedeelte van Spalato, dat de aandacht van den reiziger verdient. Aan den oever der zee, links van den muur van het paleis, verheft zich een achthoekige toren, dien wij niet met stilzwijgen mogen bladzijde 129voorbijgaan. Het plein, waarop deze toren, die uit den tijd der hongaarsche heerschappij dagteekent en den naam van toren van Harvoje draagt, zich verheft, dient tegenwoordig tot markt. Dit plein behoort tot de schilderachtigste gedeelten der stad, en toont door het eigenaardig karakter der omringende gebouwen, als het ware den geleidelijken overgang tusschen drie verschillende tijdvakken: tusschen de antieke periode, de hongaarsche heerschappij en het tijdperk der venetiaansche regeering. Ook elders in de stad hebben deze verschillende tijdperken overblijfselen en monumenten achtergelaten. Natuurlijk heeft het venetiaansche karakter de overhand: gedurende haar lange heerschappij heeft de trotsche republiek ook op Spalato haar onmiskenbaren stempel gedrukt.


Op de jaarmarkt te Salona.

Het klimaat is gezond; de omstreken zijn vruchtbaar; de warmte is niet te drukkend en de winter is er doorgaans zacht; verder heeft de stad—natuurlijk met uitzondering van het paleis—weinig dat boeien kan; en de gedaanteverwisseling, die zij heden ondergaat en die haar den maar al te bekenden type onzer moderne steden nader brengt, doet haar dat oorspronkelijke en eigenaardige karakter verliezen dat ons in de andere steden van Dalmatië zoo zeer getroffen heeft. Binnen twintig jaar zal te Spalato zeker eene derde nieuwe, geheel moderne stad zijn verrezen, regelmatig van aanleg, maar koud en zonder eigen physionomie; doch de eigenlijke oude stad, binnen de muren van het paleis van Diocletianus besloten, zal aan die herschepping geen deel kunnen nemen, want daar kunnen geene groote veranderingen worden aangebracht, zonder hetgeen nog van het paleis over is, geheel te vernielen; en de oostenrijksche regeering heeft alle mogelijke maatregelen genomen om verdere schending van deze eerwaardige ruïnen te voorkomen.

Spalato mag op een aantal beroemde mannen bogen, die hetzij daar geboren zijn, hetzij daar hun verblijf hebben gehouden. Onder de breede rij harer aartsbisschoppen komt menige schitterende naam voor; een der meest bekende is wel die van den beroemden Marc-Antonio de Dominis, den voorlooper van Newton en Descartes. Aanvankelijk hoogleeraar in de wijsbegeerte aan de hoogeschool van Padua, werd hij door Clemens VIII tot aartsbisschop van Segna benoemd, en besteeg in 1602 den zetel van Spalato. Wijsgeer, wiskundige, natuurkundige van naam, voegde hij bij zijne uitgebreide wetenschap een vast karakter en eene zeldzame energie; bovenal man der daad, had hij het hoofd geboden aan de Uskoken, en bewees hij tijdens het heerschen der pest in 1607, de uitnemendste diensten te Spalato. Zijn levensloop is zeer merkwaardig: ten gevolge van een geschil met het hof van Rome, gedwongen zijn vaderland te verlaten, begaf hij zich naar Venetië, waar hij geschriften in het licht gaf, die door de Inquisitie werden bladzijde 130veroordeeld. Sir Henry Wotton was destijds gezant van Engeland bij de republiek; hij noodigde Dominis uit, hem te vergezellen, en de voormalige aartsbisschop van Spalato zwoer zijne Kerk af en schreef pamfletten tegen den Heiligen Stoel. In Engeland gekomen, werd hij door Jacobus I beschermd en tot deken van de anglikaansche kerk van Windsor benoemd. Toen Gregorius XV den pauselijken troon beklommen had, wendde hij een poging aan om dezen afgedwaalden zoon der Kerk, dien hij persoonlijk gekend had, en wiens zeldzame gaven hij bewonderde, terug te brengen. Overtuigd dat Dominis juist door de vervolging verbitterd en tot buitensporigheden gedreven was, zond de Paus den spaanschen gezant tot hem, die geene moeite spaarde om hem weder voor Rome te winnen. Dominis keerde ook inderdaad terug, wierp zich voor de voeten van den Heiligen Vader, en zwoer zijne dwaling af. Maar na den dood des Pausen, sloeg het Heilige College een anderen weg in. Men beschuldigde Dominis van afval, men beweerde dat hij in verstandhouding stond met de ketters, en in 1624, twee jaar na zijn terugkeer te Rome, werd hij in den Engelenburcht opgesloten, waar hij stierf. Zijn lichaam werd openlijk, op het Campo del Fiori, verbrand, met een exemplaar zijner pamfletten.

X.

Spalato, wij zeiden het reeds, is de opvolgster van Salona, de romeinsche kolonie, door de barbaren verwoest. Door de oostenrijksche regeering waren gelden beschikbaar gesteld voor het doen van onderzoekingen en opgravingen in deze streek, en de leiding dier werkzaamheden was opgedragen aan professor Glavinich, directeur van het museum van Spalato. De professor had de beleefdheid, ons tot een bezoek aan zijn arbeidsveld uit te noodigen: de kleine reize zal dus ook uit een historisch en archeologisch oogpunt, althans voor ons, niet zonder belang zijn.

De plaats, waar Salona stond, is een uur van Spalato verwijderd; een goede, gemakkelijke weg, die naar het binnenland der provincie loopt, voert daarheen; nabij dien weg ziet men nog de buizen, die het water naar het paleis van Diocletianus brachten. Het eenige dorpje, dat de reiziger op zijn weg ontmoet, draagt zelfs den naam van Pozzo Buono (goede put). Ter rechterhand ziet men een vierkant gebouw, door vrij hooge muren omringd, dat bij de omwonende bevolking als de Zecca (munt) van Diocletianus bekend staat. Dit is natuurlijk een dwaling: waarschijnlijk is dit gebouw eene bisschoppelijke woning uit de dertiende eeuw.

De baai, waaraan Salona lag, levert nog heden een schoonen aanblik op. De stad verrees aan den noordelijken oever van den Giadro, die in de golf van Spalato uitloopt; de rivier komt eensklaps uit de spleten van een rots te voorschijn; haar lengte bedraagt niet meer dan een halve mijl; zij levert voortreffelijke forellen op, die van ouds beroemd zijn. Het landschap buiten Spalato is zeer bekoorlijk; voor het eerst zien wij populieren; de geheele vlakte is vruchtbaar en weelderig; overal groeien wijnstokken en olijven, die buitengewoon groote vruchten voortbrengen. De vlakte strekt zich uit tot aan de kust, maar een landtong steekt in zee uit, en draagt een aardig miniatuurstadje, dat zich in de heldere golven spiegelt: Branizza, het klein Venetië genoemd, dat welhaast een eiland schijnt.

De weg, die naar de plek voert waar eenmaal Salona stond, steekt de rivier over op dezelfde plaats, waar zich reeds ten tijde der Romeinen eene brug bevond. Wie niet vooraf op de hoogte was gebracht, zou dezen klassieken grond kunnen betreden, zonder zelfs te vermoeden, dat hier eenmaal eene groote stad verrees. Wel ziet men hier en daar enkele brokken muur, maar zij verliezen zich in de oneffenheden van den bodem; en met uitzondering van enkele bogen eener waterleiding, niet of nauwelijks in de verte zichtbaar, is nergens eenig spoor te ontdekken van eene antieke stad, die tot de voornaamste steden der provincie behoorde. Even als te Pompeji en te Herculanum, is ook hier de bodem belangrijk verhoogd; maar hier is die verhooging niet te weeg gebracht door de asch- en lavastroomen van een vulkaan, die alle monumenten heeft begraven: hier zijn alle verwoestingen aangericht door menschenhanden, en heeft de tijd over alles zijn sluier geworpen. Langzamerhand heeft de weelderige natuur haar gebied hernomen; groote vijge- en amandelboomen wortelen in de aardlaag; de boer heeft zijne hut gebouwd op de plek, waar de paleizen zijner voorvaderen bedolven liggen, en de verwoeste stad slaapt in haar graf onder de aarde. Het tegenwoordige dorp draagt nog den naam van Salona, maar het beslaat slechts een zeer klein deel van de oppervlakte der oude stad. Doch, zoo uitwendig niets het oog trekt, behoeft men slechts even in den grond te delven, om tot de zekerheid te komen dat daar eenmaal Salona stond. Reeds lang voor de tegenwoordige opgravingen bestond daaraan geen twijfel; alle antieke overblijfselen in het museum van Spalato, beelden, vazen, graftomben, opschriften, enz. getuigen onwedersprekelijk van de juistheid der traditie, die in het tegenwoordige dorp Salona den nederigen opvolger ziet der eenmaal zoo beroemde stad.

Welke was de oorsprong dezer stad? Dit is niet te zeggen; vóór den tijd van Julius Caesar is alles duisternis en onzekerheid. Na de verwoesting van Delminium, wordt Salona de hoofdstad van Dalmatië, en Caecilius Metellus vermeestert haar voor de eerste maal; andermaal opent zij hare poorten voor Cneius Cosconius, en gedurende den burgeroorlog tusschen Pompejus en Caesar, tast Octavius haar tweemaal te vergeefs aan. Salona kiest in 't eind partij voor Brutus en Cassius; C. Asinius Pollion slaat het beleg voor de stad, vermeestert haar, en zij komt in de macht van Octavianus. Aanstonds na de tweede verovering wordt zij tot den rang van romeinsche kolonie verheven, en ontvangt, uit hoofde van haar gewicht, den titel van Colonia Martia, Julia Salona, later dien van Colonia Claudia Augusta Pia veteranorum. Onder Augustus bereikt zij haar volle ontwikkeling: zij geldt als het voornaamste bolwerk der romeinsche bezittingen aan dit gedeelte der Adriatische-zee. Achtervolgens bladzijde 131republiek, Conventus Colonia, Metropolis, Prefectura, en Praetorium, naar gelang van haar belangrijkheid en de wisseling der tijden en toestanden, wordt zij in den christelijken tijd hoofdplaats van een bisdom, door Sint-Doïmo gesticht; een-en-zestig bisschoppen volgen elkander op dien alouden zetel. Onder de latere romeinsche Keizers was de stad reeds aanmerkelijk verfraaid geworden; maar toen Diocletianus den troon beklom, herinnerde hij zich dat hij Dalmatiër van geboorte was; hij beminde zijn vaderland en wilde daar zijne dagen eindigen: hij liet mitsdien de stad geheel herbouwen. Tot omstreeks de helft der vijfde eeuw, alzoo gedurende ongeveer honderd-vijftig jaar na den dood van Diocletianus, ondergaat zij weinig verandering; maar in 481 maakt Odoaker, Koning der Herulen, zich van de stad meester en verwoest haar. In de zesde eeuw valt zij in handen van Totila, den Vorst der Gothen, tot zij in 535 door Keizer Justinianus wordt heroverd. Zij is nu op nieuw eene romeinsche stad; haar verwoeste muren worden hersteld en van nieuwe versterkingen voorzien; en nauwelijks weder uit haar verval opgeheven, weerstaat zij met goeden uitslag twee belegeringen, door de soldaten van Vitiges en door Totila. Van Salona vertrekken, in 544 en 552, de beroemde grieksche veldoversten Narses en Belisarius, om Italië aan de handen der barbaren te ontrukken; gedurende bijna eene eeuw geniet de stad nu eene betrekkelijke veiligheid; maar de inwoners, in stede van zich in den wapenhandel te oefenen en tot de onvermijdelijke worsteling voor te bereiden, leven in zorgelooze weelde en verbrokkelen hunne kracht in onderlinge partijschappen. Zoo nadert haar laatste ure. In 639 veroveren de Avaren Clissa, een sterke rotsvesting, die Salona beheerscht; de stad zelve biedt nauwelijks wederstand; zij wordt vermeesterd, geplunderd, en voor de laatste maal aan de vlammen prijs gegeven;—zij stond niet weder uit haar asch op.

Bezoeken wij nu haar graf. Sedert zeventien dagen is men met de opgravingen bezig; een veertigtal werklieden spitten den grond om, en de vrouwen van Salona voeren de aarde weg in korven, die zij op het hoofd dragen. Bij afwezigheid van den directeur, is de katholieke pastoor van het dorp met de leiding der werkzaamheden belast. Wij vinden hem bij de opgravingen; een geneesheer, die te paard voorbij komt rijden, houdt, ons gezelschap ziende, stil, en voegt zich bij ons. Er is een gelukkige ontdekking gedaan: op een diepte van zes tot acht el onder den bebouwden grond, heeft men eene begraafplaats gevonden, waarvan de aanleg nog duidelijk te herkennen is, met den kleinen ronden tempel, waar de lijken werden gewasschen en toebereid. De steenen kuip ligt op den grond: de voetstukken der dorische zuilen zijn ongeschonden, de schachten zijn ter hoogte van een el afgebroken. De sarkophagen zijn, in vrij grooten getale, hier en daar verspreid: allen zijn zeer eenvoudig van vorm. Wij bevinden ons op eene christelijke begraafplaats uit de eerste eeuwen: de sarkophagen zijn meest allen versierd met een grieksch kruis, en afkomstig uit de vierde of vijfde eeuw onzer jaartelling; maar tot onzen spijt zijn zij allen aan de hoeken gebroken: blijkbaar hebben de barbaren deze graven geschonden. Bijna alle sarkophagen zijn dus of ledig of met aarde gevuld. Vermoedelijk was dit hier eene voorstad van Salona, daar het niet waarschijnlijk is dat de Christenen hunne dooden binnen de muren der stad mochten begraven.

Eindelijk wordt een ongeschonden sarkophaag ontdekt, die nog zijn zegels, met het jaartal 437, behouden heeft. “Toen Honorius en Theodosius consuls waren, de eerste voor de zevende maal, de tweede voor de tweede maal” ... zoo luidt de aanhef van het opschrift. Niet zonder aandoening zien wij, hoe de arbeiders, op eene knie liggende, den hefboom tusschen den sarkophaag en het deksel schuiven; al de landlieden hebben den arbeid gestaakt en zich op de aardhoopen en heuveltjes gegroept, om getuigen te zijn van hetgeen hier voorvalt; de vrouwen, met den korf op het hoofd, houden haar oogen gevestigd op de groep in het midden. Het deksel heeft losgelaten: het is nog ongeschonden en wordt zachtkens op den grond nedergelegd; maar het regenwater is langzamerhand in de lijkkist doorgedrongen en heeft haar tot den rand gevuld. Het water wordt uitgeschept, en nu vertoont zich een geraamte benevens stukken aardewerk: verder bevat de sarkophaag niets. Professor Glavinich kopieert het opschift, dat hij echter niet ontcijferen kan; volgens hem, zijn er maar twee mannen, die deze letters kunnen lezen: Mommsen te Berlijn en Léon Rénier te Parijs.

Inmiddels gaat men met de opgravingen voort; de gansche begraafplaats is reeds ontbloot, en wij wandelen door de ruimte rond. Hetgeen wij van elders omtrent de inrichting der antieke nekropolen weten, stelt ons in staat ook hier de bestemming der bijzondere gedeelten te onderkennen. Dáár werden de lijken gewasschen, eer ze in het graf werden bijgezet; dáár werden zij voor het altaar nedergelegd, en kwamen de bloedverwanten en vrienden hunne gebeden uitstorten. Wij zijn er echter niet zeker van, of zich onder den bodem van de begraafplaats niet nog eene onderaardsche krypt bevindt; want in een der hoeken van de nekropolis hebben de arbeiders een gewelf geopend en bogen van romeinschen oorsprong ontbloot, die aantoonen dat daar eene belangrijke uitgraving moet aanwezig zijn. Wij zien eene zwarte opening, maar zij is nog te klein om te kunnen nagaan, wat men eigenlijk heeft gevonden: en men durft het gewelf niet verder te ontgraven, uit vrees dat het zal instorten en het souterrain verstoppen. Heeft men hier boven op de antieke bouwwerken later andere gebouwen aangebracht, zoo als meermalen het geval is in die romeinsche steden, die door de barbaren werden ingenomen en bezet? Of hebben wij hier werkelijk een grafgewelf, eene krypt voor ons? Wij kunnen bij ons vluchtig bezoek dit niet uitmaken, en hebben ook geen tijd, de oplossing van dit vraagstuk af te wachten: morgen hopen wij reeds ver weg te zijn. De heer Glavinich echter is zeer opgewonden en vol hoop.

Toen zij nog eene romeinsche kolonie was en tijdens hare verdelging door de barbaren, was de stad geheel omgeven door een versterkten muur: een klein gedeelte van dien muur is aan de oostzijde nog zichtbaar, maar naar den kant der rivier kan men zijn bladzijde 132spoor niet volgen; daarentegen is het noordelijk gedeelte vrij wel bewaard, en de uitspringende hoeken der torens en bolwerken zijn zelfs voor de oningewijden te herkennen; over het geheel genomen, geeft deze omwalling een vrij duidelijk denkbeeld van het stelsel van fortificatie der romeinsche steden. Ik moet hier echter bijvoegen, dat men niet zoo zeer de vestingwerken zelven, maar alleen het plan dier werken kan wedervinden. Ditzelfde geldt trouwens van de openbare gebouwen, het raadhuis, het forum, het rechthuis, de verschillende tempels, de schouwburgen en het gymnasie. Men weet uit de berichten der oude schrijvers, dat Salona ook eene wapenfabriek, eene schatkamer, een vrouwengesticht en een baphium, dat wil zeggen eene inrichting voor het verwen van stoffen, bezat. Deze laatste gebouwen behoorden aan den staat, en stonden onder het toezicht van beambten, procuratores genoemd, aan wier hoofd de zoogenaamde “graven der heilige uitdeelingen,” zoo veel als keizerlijke aalmoezeniers, waren geplaatst. De verwerij was voor het persoonlijk gebruik des Keizers, wien bij eene wet het uitsluitend recht was toegekend om stoffen purperkleurig te verwen; overtreding dezer wet door andere inrichtingen werd als een staatsmisdaad gestraft. Salona had ook een haven van eenige beteekenis; maar om daarvan de overblijfselen terug te vinden, zal men langs en waarschijnlijk ook in de Adriatische-zee nasporingen en opgravingen moeten doen.


Sarkophaag, te Salona gevonden.

De heer Glavinich toonde ons het theater en amphitheater, die zeer goed te herkennen zijn: zij zijn geheel opgegraven en zouden gemakkelijk hersteld kunnen worden. Van het theater is niets meer over dan het grondvlak en voetstukken van zuilen, die zeer goed bewaard zijn gebleven, en waarvan de bewerking een vrij zuiveren stijl verraadt. Het amphitheater is veel vollediger: een gedeelte van het proscenium en de grondslagen der bogen waarop de galerijen der zitplaatsen rustten, zijn nog aanwezig; de galerijen zelven zijn verdwenen: en geen wonder: geen ander gedeelte der antieke bouwgewrochten is zoo gemakkelijk weg te nemen en voor andere doeleinden te gebruiken. Bij het beschouwen van deze overblijfselen der oude monumenten van Salona, kan ik den indruk niet van mij weeren, dat de stad toch niet zoo groot en belangrijk was, als men ons wel verzekert: noch het theater, noch het amphitheater, noch de begraafplaatsen, noch de tempels, passen bij eene stad, zoo als ons beschreven wordt. Te Verona, te Nimes, te Arles, te Pola, te Rome, krijgt men een levendigen indruk van de grootheid der stad en de talrijkheid der bevolking, door de groote afmetingen der monumenten zelven; maar hier is dit geenszins het geval: of het theater kon de inwoners niet bevatten, of het getal der inwoners was minder dan de geschiedschrijvers zeggen.

De stichting van Salona, althans de herbouwing der stad, geschiedt in een tijd van verval: de romeinsche wereld neigt ten ondergang: de Christus is verschenen en heeft een nieuw tijdvak in de wereldgeschiedenis geopend; en het paleis van Diocletianus, hoe prachtig en grootsch ook van aanleg, mist de onuitputtelijke sobere bevalligheid, de volkomen harmonische schoonheid van den echt antieken geest: het draagt veelmeer de kenmerken van oostersche overlading en mateloozen praal.


Zijwand van den sarkophaag, door de barbaren geopend.


Andere zijwand.

Onder de beelden, bas-reliefs, gegraveerde steenen, bladzijde 134vazen, opschriften, sarkophagen, architectonische fragmenten van allerlei aard, van Salona en Spalato afkomstig, en tegenwoordig bijeengebracht in het museum dezer laatste stad, vindt men een aantal voorwerpen die, afgescheiden van hunne onbetwistbare historische waarde, ook wezenlijke kunstwaarde bezitten. Vooral onder de sarkophagen zijn er velen, die in hooge mate de aandacht verdienen. Zij zijn niet allen van Salona afkomstig, en men is omtrent hunne herkomst nog dikwijls in het onzekere, daar zelfs de geleerde Lanza, de voormalige directeur van het nationaal museum van Zara, die zoo geheel op de hoogte is van al hetgeen Dalmatië betreft, noch de juiste dagteekening wanneer, noch de juiste plaats waar men deze sarkophagen gevonden heeft, kan opgeven. Maar het is tot op zekere hoogte onverschillig, op welke plek zij nu juist opgedolven zijn: dit is zeker dat zij door romeinsche of dalmatische kunstenaars vervaardigd zijn, en meer dan waarschijnlijk tot Salona behooren. Een dezer sarkophagen, waarvan wij boven reeds spraken, en waarop de jacht op het calydoonsche zwijn is afgebeeld, wordt zelfs door sommigen voor den sarkophaag van Diocletianus gehouden. Een andere sarkophaag, waarop de strijd tusschen de Centauren en de Lapithen is afgebeeld, is ongetwijfeld van Salona afkomstig, en evenzoo die andere, met het opschrift Mesia Capta Temporum Felicitas, betrekking hebbende op de verovering van Moesië. Vooral merkwaardig is een christelijke, mede van Salona afkomstige sarkophaag, waarop onder anderen de doortocht der kinderen Israëls door de Roode-zee is afgebeeld, benevens Christus als de goede herder. Het bas-relief is uitnemend goed bewaard; de steensoort is niet minder fraai dan oostersch albast; nog heden kan men dit kostbaar gedenkstuk zien voor den ingang van een klooster, nabij het nieuwe plein van Salona; langen tijd heeft het als altaartafel gediend in de kerk der Minderbroeders. Blijkens de bewerking, moet deze sarkophaag uit de derde eeuw onzer jaartelling afkomstig zijn. Men verhaalt u, dat de voorstelling van het bas-relief onbekend bleef tot in 1818, toen Keizerin Carolina Augusta, die met Keizer Frans I Dalmatië bezocht, op het eerste gezicht de uitlegging gaf. Nog zijn op deze tomben de sporen te herkennen van het werktuig, dat de barbaren gebruikten om de graven te openen.


De jaarmarkt te Salona.

Te Salona waren wij getuigen van een tooneeltje, dat waardig was door eene teekening in de herinnering bewaard te worden, en dat overigens herhaaldelijk voorkomt. Terwijl wij uitrustten bij eene hut, in welker muur oude inscripties waren ingemetseld, kwam een jong meisje van Salona, bijkans nog een kind, in het schilderachtige nationale kostuum gekleed, aan professor Glavinich eene inscriptie aanbieden, die zij op het veld gevonden had. De archeoloog heeft hun, die dagelijks dezen historischen grond bewerken, op het hart gedrukt, geen enkel fragment te vernietigen; als zij het een of ander aanbrengen, krijgen zij eene kleine geldelijke belooning. Toen zij de hand had uitgestoken, om het geld te ontvangen, bleef het meisje, beschaamd en verward, staan; weldra echter vatte zij moed, en vroeg of het opschrift niet het aanwezen van een schat bewees op de plek waar zij het gevonden had. Wij lachten om de naïeve vraag, maar oordeelden het beter, de eenvoudige landlieden in den waan te laten, dat elke inscriptie een schat kan verbergen: dit is het zekerste middel om hen van vernieling of veronachtzaming terug te houden. En is zij geen kostbare schat, zulk eene inscriptie, die somwijlen eensklaps aan de historische wetenschap het aanzijn openbaart van een tot dusver onbekend volk, dat niemand in die streek gekend had en welks tegenwoordigheid onwedersprekelijk blijkt uit eenige regelen, voor tweeduizend jaar op een marmeren plaat gegraveerd? Dit toch was het geval met eene inscriptie, eenige jaren geleden nabij Sign gevonden.

Als ware het eene herinnering aan lang vervlogen grootheid, heeft Salona nog een jaarmarkt overgehouden, die door geheel Dalmatië beroemd is, en in de eerste helft van September gehouden wordt. Afgescheiden van den levendigen handel, die bij deze gelegenheid gedreven wordt, heeft de jaarmarkt voor den reiziger nog eene bijzondere aantrekkelijkheid: hij vindt daar eene bijna volledige verzameling van alle kleederdrachten van zuidelijk Dalmatië, beneden Sebenico, bijeen. Al de dorpen tusschen de Adriatische-zee en de turksche grenzen zijn op deze kermis vertegenwoordigd; het tafereel laat aan rijkdom en verscheidenheid niets te wenschen overig, en de reiziger, die het geluk heeft, in dezen tijd des jaars Dalmatië te bezoeken, brengt van deze jaarmarkt eene onuitwischbare herinnering mede.

De Turken van Herzegowina vertoonen zich hier in grooten getale, want de grens is niet veel meer dan eene dagreis verwijderd; maar toch is het turksche element in geenen deele het meest schilderachtige; er is zelfs een geoefend oog toe noodig om een Dalmatiër van Sign of Knin te onderscheiden van een Muzelman van Livno of Trebigne. Het is de kleederdracht der vrouwen, die aan dit feest zijn grootsten luister bijzet: ieder dorp heeft hierin zijne eigene schakeeringen van kleur en tint, zijne eigenaardigheden van snede en patroon. Bovenal wordt de aandacht van den vreemdeling getrokken door de vrouwen van de Castelli: dit is de naam van zes kleine dorpen langs de kust der baai van Spalato, die haar oorsprong ontleenen aan zestien burchten, in de vijftiende en zestiende eeuw gesticht door de heeren, aan wie de venetiaansche regeering landen in leen had gegeven, onder voorwaarde dat zij er vestingen zouden bouwen, tevens bestemd tot wijkplaatsen voor de boeren gedurende de oorlogen met de Turken. De dorpen hadden zich allengs gevormd onder de wallen der burchten, en waren gaandeweg in welvaart en ontwikkeling toegenomen; de voornaamste rijkdom der bewoners bestond in hunne kudden. Van de zestien kasteelen, zijn er tegenwoordig nog acht over: Castel Sucuraz, Abadessa, Castel Cambio (dat nog heden aan de graven van Cambio behoort), Castel Vetturi, Castel Vecchio, Castel Novo, Castel Stafileo en Castel Papali. De burchtheeren bezaten verschillende heerlijke rechten, bladzijde 135waarvan nog enkelen zijn overgebleven, maar dezen hebben niets drukkends of buitensporigs. Zoo bestaat, bij voorbeeld, een dier heerlijke rechten hierin, dat de kop van ieder varken, hetwelk op zijn land geslacht wordt, aan den heer behoort; ook ontvangt hij van ieder huisgezin per jaar een paar kippen. Tot voor korten tijd ontving hij eene maat olijven op elk dozijn maten, die de oogst opleverde; en had hij ook recht op de tong van ieder rund, op zijn land geslacht. Daarentegen gaf hij aan ieder, die hem als heer de verschuldigde hulde kwam bewijzen, een brood ten geschenke.

De ligging der Castelli is allerbekoorlijkst. De uitstekende landpunt van Spalato en het eiland Bua vormen daar een veilige, wel beschutte golf, en de grond is zeer vruchtbaar; de kasteelen verrijzen allen vlak aan den oever der zee; het is een der liefelijkste en schoonste landschappen van geheel Dalmatië.

Tot de eigenaardigheden der Castellanen behoort ook deze, dat zij eene sterke ontwikkeling der borst tot de voornaamste schoonheden der vrouw rekenen; ik behoef nu wel niet te zeggen, dat de vrouwen, om genade te vinden in de oogen der mannen, tot de zonderlingste kunstgrepen haar toevlucht nemen. Dit valt nog te meer in het oog door den bijzonderen vorm van het kleine vest, zeer kort en nauwsluitend en van voren zeer laag uitgesneden, dat hier door alle vrouwen gedragen wordt. Ook de jurk is zeer nauw aan het lijf sluitend; een kleine lage hoed, met bloemen versierd, gele kousen, groote gespen op haar zwarte schoenen, breede en lange zilveren kettingen, waaraan een mes hangt, dat aan den gordel bevestigd is, en een geheel garnituur van knoopen van filigraan aan haar jakje, voltooien het kostuum.

Natuurlijk begeven alle inwoners van Spalato zich naar de jaarmarkt, en ook zij dragen tot het schilderachtig effect bij, want de stad heeft hare eigene kleederdrachten. De gezeten burger vooral maakt aanspraak op bijzonderen smaak en elegantie in kostuum; de vrouwen onderscheiden zich door niets bijzonders, evenmin als die van de andere steden langs deze kust. Men kan zich gemakkelijk verbeelden, in Livorno, in Spezzia, in Apulië, of in eenige andere streek aan de overzijde der Adriatische-zee te zijn. De hier vergaderde menigte is zeer talrijk, zeer levendig en zeer woelig; daar niets dan slavisch gesproken wordt, kan ik niet zeggen of er goede zaken worden gemaakt. Men ziet hier een groot aantal ossen, schapen en varkens bijeen; de nijverheid is voornamelijk vertegenwoordigd door hout- en aardewerk, bekers, huisraad, knoopen, gedrukte stoften uit Oostenrijk, juweelen en sieraden van dalmatischen oorsprong. Ik wil niet zeggen, dat de jaarmarkt maar een voorwendsel is om pret te maken, doch dit laatste wordt stellig niet veronachtzaamd, en draagt niet weinig bij tot het schoone on schilderachtige van het bonte tafreel. Hier ziet ge aardige groepen, die op het kleine plein voor de kerk van Salona, aan de oevers van den Giadro, zijn gekampeerd; andere bezoekers nemen hun intrek in de nederige woningen hunner vrienden in het dorp; sommigen installeeren zich aan den oever zelven der rivier, zoo dicht mogelijk bij het water; zij graven een gat in den grond, maken vuur aan en bereiden hun maaltijd in de open lucht. Het geheel maakt bijna den indruk van eene groote karavaan in rust. Gansche kudden worden aan het spit gestoken; even als in geheel het Oosten, wordt het schaap in zijn geheel, aan een langen stok geregen, gebraden. Er wordt veel gegeten on gedronken en zeer druk gepraat: tegen den avond heerscht er dan ook eene algemeene opgewondenheid, maar er wordt veel minder getwist en ruzie gemaakt dan men oppervlakkig zou meenen, vooral als men bedenkt dat de deelnemers aan dit feest voor het meerendeel onbeschaafde en onwetende lieden zijn. Alles bepaalt zich tot luidruchtig en niet zeer welluidend gezang, met begeleiding van de guela, het nationale instrument, en tot zeer karakteristieke dansen. Vooral des avonds stroomen de stedelingen naar de kermis, om deelnemende getuigen te zijn van de pret der landlieden, die zij te zamen met den naam van Morlaken aanduiden.

Dank zij de krachtige maatregelen der oostenrijksche regeering, draagt de jaarmarkt van Salona thans een ander, vreedzamer karakter dan vroeger: zij was weleer de uitgezochte gelegenheid voor de uitoefening der nationale vendetta, waarbij in den regel bloed stroomde en verbitterd gevochten werd; men heeft, ten voorbeelde, eenige schuldigen zeer streng gestraft, en tegenwoordig wordt de orde stipt gehandhaafd door de sirdars en hunne onderhebbende pandoeren.

Op de jaarmarkt te Salona vond ik ook gelegenheid om den nationalen slavischen dans, den kollo, te bestudeeren, die ook in Servië en onder de slavische bevolkingen van Turkije inheemsch is. Het woord kollo beteekent kring; men danst dan ook in een kring, mannen en vrouwen paarsgewijze, met deze eigenaardigheid, dat de man niet de hand geeft aan zijne buurvrouw, maar zijn arm onder den arm doorsteekt der danseres, naast wie het lot hem geplaatst heeft, om dan de hand te vatten van de danseres, die op haar volgt. De gansche keten slingert zich alzoo dooreen en danst, onder het zingen van een eentonig lied, dat eenigszins droevig klinkt, maar toch niet onbevallig is. Bij dat woord dansen, moet men zich evenwel iets anders denken, dan hetgeen wij daaronder verstaan. Deze dans is, als alle oorspronkelijke volksdansen, veeleer een soort van mimiek, waarbij het niet zoo zeer op kunstmatige bewegingen, veelmin op onnatuurlijke tours de force aankomt, maar op de plastische voorstelling van een hartstocht of gemoedsaandoening, die mede uitdrukking vindt in het den dans begeleidende lied. Zoo is de kollo meer een soort van omgang met rythmische beweging, dan wel wat wij een dans noemen: desniettemin, of liever juist daarom, maakt hij een levendigen indruk. Te Gradisca zag ik eens, op een zondag, den oever der Save, wel een mijl ver, geheel bezet met groepen van zonderling uitgedoste vrouwen, met groote kransen van kunstbloemen op het hoofd, met allerlei juweelen en sieraden getooid en stralende in de meest schitterende kleuren. Er werd een feest gevierd—ik weet niet meer voor welke gelegenheid;—de vrouwen dansten alleen, bij groepen, langzaam, en schier zonder van plaats te veranderen; zij bladzijde 136maakten met haar lichaam eene eigenaardige beweging, die mij aan de jota, den bolero en fandango van Castilië en Andalusië denken deed; ik heb zelden iets zonderlinger en meer karakteristiek gezien.

Mevrouw de prinses Dora d'Istria, die van de zeden en gewoonten der slavische volksstammen eene bijzondere studie gemaakt heeft, heeft in de Revue des deux Mondes, in een artikel over de servische poëzie, een lied aangehaald, waaruit blijkt welken machtigen invloed de kollo op het gemoed dezer volken kan uitoefenen.

“De haïdouk Radoïtza, in den kerker te Zara opgesloten, veinst gestorven te zijn, en speelt zijn rol zoo goed, dat Bekis bevel geeft hem te begraven. De vrouw van den aga, twijfelende aan de waarheid van een zoo plotselingen dood, geeft den raad, dat men vuur zal ontsteken op de borst van den haidouk, om te zien of de “roover” nog teeken van leven geeft. Radoïtza, in wiens hart de echte heldenmoed woont, maakt geene enkele beweging. De turksche vrouw eischt dat men de proefneming voortzette; men legt op de borst van Radoïtza een door de zon verwarmde slang; de haidouk blijft onbewegelijk en kent geen vrees. De vrouw van den aga geeft nu den raad, hem twintig spijkers onder de nagels te drijven: hij houdt zich goed en laat geen zucht ontsnappen. Eindelijk beveelt de boosaardige, dat men een kollo om den gevangene zal vormen, in de hoop dat Haïkouna den haidouk een glimlach zal afpersen. Haïkouna, de schoonste en slankste der dochteren van Zara, leidt den rondedans; haar halssnoer rammelt bij iedere beweging, men hoort het ruischen van haar zijden onderkleed. Radoïtza, wien de marteling niet deeren kon, kan aan deze betoovering geen weerstand bieden; hij ziet haar aan en glimlacht; maar het jonge servische meisje, verrukt en tevens bedroefd over haar zegepraal, laat haar zijden zakdoek op het gelaat van Radoïtza vallen, opdat de andere meisjes den glimlach van den haidouk niet zullen zien. Nadat de proef voleindigd is, wordt Radoïtza in de diepe zee geworpen; maar, weergaloos zwemmer als hij is, keert hij des nachts in het huis van Bekis-aga terug, houwt hem het hoofd af, doodt de turksche “draak”, door haar de spijkers, die hij uit zijn lichaam gehaald heeft, onder de nagels te drijven, voert Haïkouna, “het hart zijner borst”, mede, brengt haar naar het land van Servië en huwt haar in eene witte kerk.”


Venetiaansche fontein te Sign.

In waarheid, waar aan een dans zulk een vermogen wordt toegeschreven, moet hij wel inderdaad nationaal zijn, in het volksleven wortelen, evenzeer als de erfelijke, traditioneele Turkenhaat, waarvan ook dit lied met zoo ruwe welsprekendheid getuigt.

De Aarde en haar volken: Jaargang 1877 - Full Text (Reis naar de mijndistrikten van westelijk Zevenbergen)

No comments:

Post a Comment