Monday, March 5, 2012

De Aarde en haar volken: Jaargang 1877 - Full Text (Montenegro)

Montenegro.


De woning van een senator te Njégosch.

De strijd in het Oosten is ontbrand. Het geduchte oostersche vraagstuk, waarvoor de europeesche diplomatie in volslagen radeloosheid stilstaat, waaraan zij geene oplossing weet te geven, eensdeels omdat zij in moedwillige verblinding den waren aard van het probleem niet wil zien, anderdeels omdat zij, door bekrompen zelfzucht en nijdigen naijver bezield, de eenig mogelijke oplossing verwerpt en hardnekkig blijft streven naar het onbereikbare, blijft reageeren tegen den onafwendbaren loop der geschiedenis; dat geduchte, zoo veel omvattende oostersche vraagstuk, telkens en telkens uitgesteld en verschoven—als werd het daardoor opgelost!—is op nieuw in vollen ernst aan de orde gesteld. De oorlog is uitgebroken: en dat het zoo ver gekomen is, wijt het in de eerste plaats aan die regeeringen, die de teekenen der tijden, het zoo verpletterend duidelijke Mene Mene, opzettelijk miskennende, iedere afdoende daad, elk krachtig optreden van het beschaafd Europa stelselmatig hebben belet, en voortdurend zich tevreden gesteld met woorden en nog eens woorden, als konden woorden de geduchte, vreeselijke werkelijkheid bezweeren en omscheppen naar willekeur! Zie, er zijn toestanden, zoo hopeloos verward, zoo door en door verdorven door jaren- en eeuwenlang verzuim, dat inderdaad geene andere oplossing dan door het zwaard mogelijk is; dat de oorlog als een weldaad, als eene uitkomst na martelende onzekerheid en vernederende weifelingen en radeloos rondtasten in den duister, moet worden begroet. Voor zulk een toestand staan wij ook hier. Jaren-, ja eeuwenlang heeft het ontwikkeld Europa zijn heiligen plicht tegenover de christelijke bevolkingen van het Balkan-schiereiland, schandelijk verzuimd; het heeft toegelaten dat eene mohammedaansche Tartarenhorde de schoonste en oudste erflanden der westersche beschaving in bezit nam en moedwillig ten verderve doemde; het heeft die schande laten voortbestaan, ook toen het voor ieder duidelijk was geworden, dat de turksche heerschappij veroordeeld was; toen de ruwe macht tot verderven, zich niet meer naar buiten kunnende keeren, toch nog steeds met de oude felheid bleef woeden tegen de weerlooze Christenbevolkingen, zuchtende onder het smadelijkst juk; toen in 't eind de logge massa van het doode Turkendom loodzwaar bleef wegen op de schouders van het nieuw ontwakende, worstelende leven der zoo lang vertrapte en mishandelde grieksche on slavische stammen. Voorwaar, aan dien toestand moet bladzijde 258een einde komen; en onze volle sympathie is verpand aan die groote mogendheid, die, alleen werkelijk wetende wat zij wil, getoond heeft den eisch des tijds te begrijpen, die nu eindelijk het zwaard heeft getrokken tot bevrijding der Christenen, tot het voorbereiden en mogelijk maken althans van eene betere toekomst. Zeker willen wij daarmede niet beweeren, dat ook Rusland, nevens eene grootsche, rechtvaardige, luid uitgesproken gedachte, geen zelfzuchtige nevenbedoelingen zou kunnen hebben:—aan wie der andere machten van het zoo jammerlijk uiteengescheurde Europa komt echter het recht toe, op dien grond vonnis te vellen? Aan Engeland misschien, welks staatkunde door het meest cynieke eigenbelang, door het onbeschaamdste en onedelste egoïsme, dat van den gierigen gouddorst, gedreven en bezield wordt; dat zich zelven alles geoorloofd rekent, maar niemand vergunt zijn voorbeeld te volgen? Doch dit staat vast: van alle europeesche mogendheden plaatst Rusland alleen zich, ten aanzien der oostersche kwestie, op de historische lijn; weigert Rusland alleen logens en huichelachtigen schijn voor waarheid aan te nemen; begrijpt Rusland alleen wat de roeping, de plicht en dus het recht van het beschaafd Europa tegenover Turkije is; handelt Rusland alleen overeenkomstig dien plicht. Daarom ook brengt het, telkens de europeesche diplomatie waar zij eigenlijk niet wezen wil; daarom schrijdt het onophoudelijk voorwaarts naar het eenmaal, met volle bewustheid, met historische noodzakelijkheid gekozen, en nimmer uit het oog verloren doel. En indien eindelijk de vrucht van al dit streven Rusland in den schoot valt; indien het eens verkrijgt wat het in het algemeen belang van Europa niet mag verkrijgen—aan wie zal dan de schuld zijn? Is het niet aan hen, die door tijdige en doeltreffende samenwerking het najagen van louter zelfzuchtige bedoelingen hadden kunnen verijdelen en eene voor allen bevredigende oplossing mogelijk maken; maar die, in laffe vreesachtigheid of kleingeestige jaloezie, er de voorkeur aan hebben gegeven, zich te onttrekken aan den onafwijsbaren plicht, hun door de geschiedenis op de schouders gelegd, en voorts hunne hoogste wijsheid hebben gezocht in het altijd maar op nieuw verschuiven van het ontzaglijk probleem, dat, eenmaal gesteld, zich niet meer verwijderen laat en waarvan de oplossing, door ieder uitstel, moeilijker wordt?

Doch het ligt niet in mijne bedoeling, te dezer plaatse over de oostersche kwestie uit te weiden; al is de verzoeking groot om, zoo mogelijk, althans eene poging te doen tot het juist stellen van het probleem, dat, meer of minder opzettelijk, door onwil of onverstand, telkens zoo zeer verward en verduisterd wordt. Beschouw de voorafgaande opmerkingen louter als eene toelichting tot de keuze van het reisverhaal, dat straks volgen zal. Wij voeren onze lezers naar Montenegro, en wel aan de hand van dienzelfden gids, den heer Charles Yriarte, met wien wij zoo even Dalmatië tot aan zijne uiterste grenzen hebben doorkruist. Dit reisverhaal sluit zich dus onmiddellijk aan het voorafgaande aan: wij trekken rechtstreeks van Cattaro naar Montenegro. En dat wij juist nu daarheen gaan, behoeft, in verband met het zoo even in het midden gebrachte, wel geene nadere rechtvaardiging. Immers ook Montenegro behoort tot het tooneel des oorlogs; ook daar wordt de groote strijd gestreden; het onverwonnen heldenvolk, dat eeuwenlang de worsteling tegen de turksche overmacht heeft volgehouden, is ook nu op de roepstem ten strijde niet achtergebleven. God zegene zijne wapenen! Al ware het alleen daarom, verdient dit kleine land thans dubbel onze aandacht en belangstelling, waarop het, om zijn verleden, ten allen tijde aanspraak heeft. Volgen wij dus nogmaals den heer Yriarte, dien wij te Cattaro achterlieten1.

I.

Een uitstapje naar Montenegro moest de bekroning zijn van onzen tocht langs de Adriatische-zee. Wij hadden Istrië, den Quarnero en zijne eilanden en geheel Dalmatië gezien; het heerlijkste weder had onafgebroken onze reis begunstigd en die tot een ongestoord genot gemaakt. Zachtkens gleden wij voort over de helder blauwe golven; de witte steden der oude venetiaansche koloniën, met haar gordel van hooge muren, haar kerken en campaniles, haar schat van herinneringen en haar monumenten van kunst en vroegere grootheid, togen langs onze oogen voorbij, afgewisseld door allerlei aantrekkelijke karakteristieke natuurtafreelen. Al verder en verder had de belangstelling ons heengelokt, en nimmer hadden wij ons beklaagd, aan de verlokking gehoor te hebben gegeven. Waarom dan niet nogmaals geluisterd naar de stem, die ons heen riep naar dat Tzernagora, dat schier ongenaakbaar bergland, die door de natuur zelve gewrochte vesting, bewoond door dat fiere, onversaagde montenegrijnsche ras, dat zich voor immer beroemd heeft gemaakt door zijn ontembaren moed en zijne onbuigbare vrijheidsliefde, dat ras van helden, waarvoor ieder mannenhart sympathie gevoelen moet? Wij aarzelden niet lang; en den 28sten October, bevonden wij ons, des morgens ten negen uur, aan de poort van Cattaro, waar de heer Radamanovich, de agent van den Vorst van Montenegro, ons bescheiden had, gereed tot de reis en met de oogen de hoogte metende van den geweldigen bergwand, dien wij te bestijgen hadden.

De berg rijst zoo steil en zoo plotseling omhoog, en de ruimte tusschen de zee en de rotsen is zoo eng begrensd, dat de mensch op kunstmiddelen bedacht heeft moeten zijn om dezen natuurlijken scheidsmuur over te klimmen; de weg is dan ook in de rots zelve uitgehouwen en kronkelt zich in zigzag, met niet minder dan drie-en-zeventig wendingen, naar boven: de naam Scala, trapladder, is dan ook, op dit duizelingwekkende pad toegepast, volkomen juist. Kort na ons vertrek, nadat wij vijf-en-dertig minuten geklommen hadden, kwamen wij aan een dorp, tusschen de citadel en de stad weggescholen, tusschen de rotsspleten verborgen; bladzijde 259de daken der huizen, even als die der zwitsersche châlets, met zware steenen tegen den wind beschut, liggen op gelijke hoogte met den weg. Naarmate ge hooger klimt, verbreedt zich het panorama: eerst overziet ge de stad, dan de eigenlijke golf van Cattaro, dan de gansche Bocca, de bergen langs de kust der Adriatische-zee. Reeds kunt ge Perasto onderscheiden, en de menigte kleine witte dorpen, die de kust omzoomen, wegschuilende aan den voet van loodrechte bergen, en al die kapen en voorgebergten, met hunne groenende tuinen en gaarden en bosschages, waarboven spitse klokketorens uitsteken, zoo scherp zich afteekenende tegen de kalme donker-blauwe oppervlakte der zee.

Weldra bevinden wij ons op gelijke hoogte met de citadel, waarvan wij door een donker en diep ravijn zijn gescheiden; wij hebben eene hoogte van meer dan duizend voet bereikt; naarmate wij hooger stijgen, schijnt de citadel als het ware met de rotsmassa saam te smelten, en het ravijn te slinken; de stad Cattaro, mede haast niet van den berg te onderkennen, zien wij thans in de diepte, vlak voor onze voeten, met haar pleinen en straten, de binnenplaatsen harer huizen, haar met boomen bezette kaai en de daarvoor geankerde schepen. Eindelijk, als ge den top des bergs bereikt hebt, hef dan nog eens uwe oogen op en omvat in een enkelen wijden blik het zonderlinge, het onvergelijkelijke panorama, half in een doorzichtigen nevelsluier gehuld: de laatste krommingen der Bocca, de grillig gevormde bergen, die haar bekkens begrenzen, en wier donkere massa zoo forsch afsteekt tegen het blauw des hemels en het blauw der wateren, en eindelijk, aan den horizon, de Adriatische-zee.

Wij hebben bijna anderhalf uur noodig gehad om hier te komen: wij bevinden ons nog altijd in Oostenrijk; wij hebben de laatste sporten van de Scala betreden, en gaan nu verder het gebergte in. Wij staan op den top, waarover de grenslijn loopt. De Scala, die geheel op oostenrijksch grondgebied ligt, wordt door de militaire genie met zeer veel zorg onderhouden; maar nauwelijks hebt ge de bergpassen betreden, of ge bevindt u te midden van den chaos. Eerst moeten wij gedurende eenigen tijd voortgaan langs den rand van een zoo diepen afgrond, dat mijn reismakker, die aan duizelingen onderhevig is, zich aan zijn zadel vastklemt en eindelijk van het paard stijgt. Eenige jaren geleden, moest men zich hier zelf een doortocht banen midden door de rotsblokken, welke de bergstroomen in den winter hadden medegevoerd; maar Nicolaas I, de tegenwoordige Vorst van Montenegro, heeft het, na veel tobbens en onderhandelens, zoo ver weten te brengen, dat er althans een begin is gemaakt met den aanleg van een weg van Cettinjé naar Cattaro; men is met den aanleg begonnen aan de beide uiteinden, aan het punt van aansluiting aan de Scala bij Cattaro, en te Cettinjé. Op de plaats, waar wij ons nu bevinden, moest noodzakelijk een leuning worden aangebracht: wij waren verplicht om ons vast te houden aan de overhangende rots, waarin men den weg heeft uitgehouwen, die letterlijk boven den afgrond zweeft.

Om van het punt waar de Scala eindigt, dat wil zeggen van de oostenrijksche grens, het berg-plateau te bereiken, heeft men omstreeks een half uur noodig: van daar overziet men eene fraaie, hoewel tamelijk steenachtige vlakte, waarin het dorp Njégosch ligt. Dit gedeelte van den weg is een der lastigste en bezwaarlijkste, een soort van ongenaakbare kloof, die voor eene ongeëvenaarde natuurlijke verdediging mag gelden. De pas wordt gevormd door de hellingen der bergen Bucovizza en Glavizza; de wateren van het riviertje de Ricovjernovitch hebben waarschijnlijk dezen smallen en diepen doorgang uitgehold: nog ziet men, diep op den bodem der kloof, een magere waterstraal. Hier ligt het dorp Verba; onze paarden lesschen hun dorst aan eene kristalheldere bron; gemeenlijk wordt hier halt gehouden; maar de heer Radamanovich zegt, dat wij te Njégosch gewacht worden, ten huize van een senator, die er eene eere in stelt ons te ontvangen. Na een half uur lang tusschen de van alle zijden loodrecht opstijgende rotsen te zijn voortgereden, komen wij eindelijk op de hoogvlakte, die wij tot dusver niet hadden kunnen zien. Op een halve mijl afstands ongeveer, ligt Njégosch, in eene schier ronde vlakte, door scherpgetande bergen omringd.

Onderweg zijn wij telkens groepen van montenegrijnsche vrouwen tegengekomen, die naar de markt te Cattaro gaan; zij komen van Njégosch, van Baïtz, van Cettinjé en van enkele dorpen, tusschen de rotsen verspreid. Onder haar zware vrachten gebogen, gaan zij langzaam voort; somwijlen voeren zij een kleinen ezel, met groenten beladen, mede. Zelden vindt ge mannen bij die groepen: meestal gaan die alleen, met de hand op de heup rustende, en de wapenen in den gordel gestoken. De arme vrouwen praten onder het loopen, breien kousen of spinnen; hoewel haast door midden gebogen onder den zwaren last takkebossen, komt toch bijwijlen een flauwe glimlach deze doorgaans zoo ernstige, droefgeestige aangezichten verhelderen. Met onuitsprekelijke verbazing zien wij, hoe deze vrouwen, in plaats van de slingeringen van den weg te volgen, recht voor zich uit gaan, en met nooit missende zekerheid hare voeten zetten op uitstekende rotspunten, die wij ter nauwernood kunnen bespeuren; zij volgen dus een soort van onzichtbaren weg, dien zij alleen kennen, maar waarlangs zij met ongeloofelijke vaardigheid omhoog klauteren en aldus den omweg van twee kilometers uithalen, dien wij moeten maken. Hoe zij dien tocht tegen de schier loodrechte helling durven wagen, is mij onbegrijpelijk. Trouwens, de jonge knaap, die ons vergezelt, doet hetzelfde, niettegenstaande men zou meenen dat de opanka, het nationale schoeisel der Zuid-Slaven, voor dergelijke expedities geheel ongeschikt is. Bij Verba ontmoeten wij een gezelschap, waarvan de aanvoerder ons met een eigenaardige, fiere beleefdheid den slavischen groet brengt. Kent het familiehoofd den heer Radamanovich persoonlijk, dan maakt hij eene buiging, en kust hem op de beide wangen, waarbij de knie een weinig wordt gebogen en de linkerhand op de borst gelegd, terwijl de rechter de beretta oplicht; de vrouwen komen ons, een voor een, de hand kussen, daarbij op doffen toon bladzijde 260de woorden prevelende: O! prijs God! Dan gaan zij verder bergopwaarts.

Wij zijn te Njégosch, in eene soort van vlakte, op het eerste plateau van den berg, tusschen Cattaro en Cettinjé: een halt, waar de reiziger even uitrust, eer hij de nieuwe berghellingen gaat beklimmen, die zich aan den horizon verheffen, en Albanië en het meer van Skutari aan zijn oog onttrekken.

Men moet den weg verlaten en een weinig links afslaan om de eerste huizen te bereiken van Njégosch, de hoofdplaats van een distrikt, dat verscheidene dorpen omvat. Zooals ik reeds gezegd heb, hebben de slavische landlieden in geheel Dalmatië, in Istrië en in Herzegowina, de gewoonte om hunne huizen of hutten op aanmerkelijke afstanden van elkander te bouwen, even als landhoeven; deze zucht tot afzondering vindt voor een deel hare verklaring in die andere gewoonte, volgens welke alle leden van een gezin zoo lang eenigszins mogelijk bij elkander onder hetzelfde dak blijven wonen. Hier, in Njégosch, staan de huizen meer in een groep vereenigd; de buitengewoon lage woningen verdwijnen bijna geheel tusschen reusachtige steenblokken en de oneffenheden van een rotsig afgebrokkeld terrein, waar de natuur, met schrale hand, hier en daar enkele plekken met bebouwbare aarde heeft bestrooid: kostbare, doch helaas al te weinig talrijke oasen, die zorgvuldig door kleine muren zijn omgeven, opdat de stormwind de aarde niet wegvoere, waaraan men het kostbare zaad heeft toevertrouwd.


Straat te Cettinjé.

Het huis, waar wij stilhouden, staat aan den ingang van het dorp, en ziet er uitwendig meer dan eenvoudig uit. Het dak is met groote steenen, aan dwarslatten bevestigd, gedekt: ongetwijfeld om het te beveiligen tegen het geweld van den wind. Wij komen op eene binnenplaats, waar, als in een slachthuis, het bloed over den harden rotsgrond vloeit en in een soort van put of bak wegloopt. Op den drempel der woning staat een man van omstreeks vijftig jaar, met de beretta op het hoofd en in de nationale kleederdracht; met vriendelijke waardigheid ontvangt hij den begroetingskus van onzen reismakker. Jongelieden, met bloed overspat, groeten glimlachend de aankomelingen en verdwijnen dan in de kleine stallen of hokken, die op de plaats uitkomen; op den grond liggen groote stukken schapenvleesch. Kleine kinderen, mede met bloed besmeerd, de kleine roode muts op het hoofd, schuilen weg bij de vrouwen, die zich eerbiedig op een afstand houden. Wij zijn in het laatst van October, en het montenegrijnsch gezin is bezig aan de gewichtige taak der toebereiding van de castradina. Met den naam van castradina noemt men hier het gezouten en gerookte geiten- en schapenvleesch, dat de voornaamste bron van inkomst is voor het geheele vorstendom, het belangrijkste artikel van zijn uitvoerhandel, nevens bladzijde 262de scoranze, een soort van visch, die in het meer van Skutari gevangen, en gezouten en gedroogd wordt. Even als in de aartsvaderlijke tijden, zou houdt ook hier het hoofd des gezins zelf het toezicht over de werkzaamheden; wij verrassen de familie bij het eerste gedeelte van haar arbeid: bij het slachten, dat tegenwoordig op de gewone wijze, door het afsnijden van den strot, geschiedt. Reizigers, die een dozijn jaren geleden Montenegro bezochten, verhalen ons, dat destijds de schapen en geiten in perken worden opgesloten, en vervolgens door den eigenaar met den yatagan in het wilde werden neergesabeld, tot de gansche ruimte met lijken overdekt was.


De lijfwacht van den Vorst.

Na de gewone begroetingen, bestijgen wij enkele trappen en treden een ruim, zindelijk vertrek binnen, met een lage zoldering, witgepleisterde muren en geplaveiden vloer; dit vertrek ontvangt zijn licht door twee kleine getraliede vensters, ter manshoogte aangebracht. Dit is de eenige kamer van het huis. De eene wand wordt ingenomen door twee groote, zeer breede bedden, door eene tamelijke tusschenruimte gescheiden. In een hoek staat eene groote lage tafel, met een kleed bedekt, en daaromheen banken en op de plaats der eere een houten leuningstoel of zetel. Tusschen het bed en de tafel, zie ik aan den muur een geschilderd rek, waaraan vier albaneesche pistolen met zilveren kolven, een prachtige yatagan (dolk), een moderne revolver en een geweer hangen. Aan de andere zijde van de tafel, in den hoek tegenover het bed, schitteren in de schaduw de gedreven zilveren gloriën der heiligen beelden, waarvoor eene kleine lamp brandt. In een anderen hoek van het vertrek, staat een dier groote, ruw beschilderde koffers, die tevens tot tafel en tot bank kunnen dienen, en die ge bijna in alle oostersche woningen aantreft: in dien koffer worden de kleederen, de juweelen, de kostbaarheden, al de have der familie, geborgen. Tusschen de twee bedden staat een minder sierlijk beschilderde koffer, waarboven eenige kleedingstukken zijn opgehangen. Het geheel vertoont den stempel van ernstigen eenvoud en betamelijkheid; er ligt over dit ruime, sober gemeubelde vertrek een zeker waas van patriarchale waardigheid verspreid. Hier woont en leeft de huisvader, het eerbiedwaardig hoofd des gezins, ook al is hij woïwode en senator; hier is zijn tehuis, zijn burcht; daar rusten de zijnen onder zijn waakzaam oog; daar zijn zijne schitterende, rijke wapenen, zijn prachtige gordel; daar ontvangt hij zijne gasten en brengt hun den beker toe; en in gindschen hoek, in de schemering, noode door het flikkerend en walmend lampje verlicht, hangt de montenegrijnsche Panagia.

Het geheele gezin komt nu bijeen: de vrouw, ernstig en droefgeestig van voorkomen, even als alle servische moeders, oud vóór haar tijd, en wie het moeite schijnt te kosten te glimlachen; de dochter, beschroomd, teruggetrokken, maar bevallig; de zoons, wilde knapen, die blijkbaar den baas spelen en met den vader stoeien. Mijnheer Radamanovich groet allen met dezelfde hartelijkheid; de vrouwen komen ons eerbiedig, met gebogen knie, de hand kussen. De vader neemt aan deze begroetingen geen deel; ernstig, deftig, schijnt hij ter nauwernood op te merken wat er geschiedt; hij spreekt enkele woorden, en allen gaan heen om den maaltijd te bereiden. Weldra is de tafel gedekt; het ontbijt bestaat uit een gebraden schaap, dat met een kandjar in vier stukken gesneden wordt; de wijn is goed: het is de gewone roode wijn van de dalmatische kust, die een weinig troebel is, maar waarmede de reiziger zich spoedig verzoent. Wij zijn alleen met ons drieën mannen aan tafel gezeten, de vrouwen bedienen ons staande of houden zich eerbiedig op een afstand.

Wij moeten al spoedig afscheid nemen; wij hebben nog een langen weg af te leggen, en moeten in hetzelfde dorp nog een bezoek brengen bij den broeder van onzen gastheer, die eenige schreden verder woont. Zijn huis is minder ruim, maar toont toch ook alle sporen van welvaart; wij zijn dan ook bij de aanzienlijksten des lands, bij de heeren, die in den Senaat zitting hebben, en in tijden van gevaar, de bewoners der nahiya van Njégosch ten strijde voeren. In een klein vertrek, waar de tafel toebereid staat, wordt ons de eerewijn aangeboden, en het geheele gezin voorgesteld. Ook hier, als overal, heerscht bij de vrouwen dezelfde terughouding, dezelfde stille onderworpenheid; maar het blijkt duidelijk genoeg, dat, ondanks de hoogheid van den heer en meester, het hier niet aan liefde en tederheid tusschen de echtgenooten ontbreekt, en dat de moeder des gezins door hare zonen bemind en geëerd wordt.

Wij moeten naar den grooten weg terugkeeren; maar ik wensch nog even een blik te werpen op dat groote dorp Njégosch, met zijne lange en lage huizen, die zich nauwelijks boven den grond schijnen te verheffen, verspreid tusschen de rotsen. Hier en daar, in kleine akkers rondom de huizen, door steenen muurtjes omringd, groeien aardappelen; schapen en paarden zoeken een schraal voedsel in de spleten en kloven der rotsen. Njégosch is de bakermat van het geslacht Petrowitch, dat tegenwoordig over Montenegro regeert, en Vorst Nikolaas, die hier geboren is, brengt er gewoonlijk een gedeelte van het warme jaargetijde door: het is hier veel minder heet dan in de hoofdstad, omdat de zeewind de lucht verfrischt en afkoelt. Van hier kan ik de vorstelijke residentie zien: een eenvoudig gebouw, met twee torentjes; boven het dak verheft zich de stok, waaraan, tijdens het verblijf van den Vorst, de nationale vlag geheschen wordt.

Het dorp Njégosch behoort tot de provincie Katounska, die elf plémena of gemeenten bevat, waarvan Njégosch de welvarendste is, vooreerst omdat het in eene vlakte ligt—althans wat men hier eene vlakte noemt;—en ten andere omdat hier een zeker aantal groote veehouders gevestigd zijn, die zich allen toeleggen op den uitvoer van castradina, welk bedrijf hun aanzienlijke voordeelen bezorgt. Elk jaar levert het vorstendom gemiddeld honderdduizend stuks klein vee, die gerookt en gezouten worden, en door de stoombooten van Lloyd naar al de havensteden der kust en vooral naar Triëst worden vervoerd.

Met uitzondering alleen van deze vlakte, waar men ten minste nog eenigen bebouwbaren grond en eenige sporen van kultuur ontmoet, is dit gedeelte des lands niet bladzijde 263veel meer dan een dorre steenwoestijn, een chaos van wild door elkander geworpen rotsen, het ruwste en onvruchtbaarste deel van geheel Montenegro. Later zullen wij, in de Berda, weilanden vinden, die het althans voor den mensch mogelijk maken te bestaan, en eenigermate het raadsel helpen verklaren, dat deze zoo schraal bedeelde bevolking niet van honger omkomt.

II.

Njégosch ligt ter zijde van den weg, die van Cattaro naar Cettinjé loopt: wij moesten dus rechts afslaan en de vlakte oversteken; onze paarden wachtten ons aan den voet van den berg, waarachter Cettinjé ligt, en dien wij nu moeten beklimmen. Wij werpen een weemoedigen blik op de armzalige akkers en de treurige kultuur van deze streek: het zijn kleine, ronde, vierkante of driehoekige stukjes grond, verloren te midden dezer wildernis van rotsen. Elk dezer stukjes, dat voor den eigenaar schier een fortuin vertegenwoordigt, is zorgvuldig omringd door eene omwalling van rotsbrokken; naar men mij verhaalt, is de koopwaarde van zulke perceeltjes zeer aanzienlijk. Naar het schijnt, zijn al de mannen, die niet bij de bereiding der castradina noodig zijn, naar buiten gegaan om op den akker te werken of aardappelen te rooien. Ten einde mij van de kwaliteit van dit gewas te overtuigen, daalde ik in een klein ravijn af, waar eenige vrouwen bezig waren een kuil in den grond te delven, om daarin de aardappelen te bewaren; deze kuil wordt vervolgens overdekt met eene laag aarde, met kleine steentjes vermengd, die zoo lang bewerkt en plat getreden wordt, tot zij zoo hard en vast is als macadam. In Bosnië worden de aardappelen op dezelfde wijze bewaard. De knol is gezond en zeer goed uitgegroeid, hoewel hij in een bij uitnemendheid steenachtigen grond is gepoot; die kleine akkers in de ravijnen en spleten, zoo klein dat zij somwijlen niet meer dan vier of vijf el in doorsnede meten, zijn trouwens voor mij niet nieuw. Zij zijn eene herhaling op kleiner schaal van de dollinas in Istrië en Dalmatië, waar de bora met verwoestende kracht waait, en waar de weinige plekken vruchtbare grond, tusschen de rotsen verscholen, met de uiterste zorg worden bebouwd door de landlieden, wie hun geboortelot veroordeelt om op dezen ondankbaren bodem te leven te midden eener stiefmoederlijke natuur, die zij echter liefhebben, als overlaadde zij hen met haar rijkste en schoonste gaven.

Om den afstand tusschen Njégosch en Cettinjé af te leggen, hebben onze paarden, die niet buitengewoon vlug of sterk zijn, ongeveer drie uren noodig. Onze weg voert door smalle, steile passen, schier als kleine tunnels in de rotsen uitgehouwen. Ter linkerzijde daalt de bergwand naar beneden; wij rijden langs een ravijn, waarin wij, diep beneden ons, nog eenige boeren bespeuren, die den grond bewerken; verder heerschen hier volstrekte eenzaamheid en stilte. In het eerste uur vooral was onze rit uiterst bezwaarlijk: voortdurend rolden de losse steenen onder ons weg, en onze paarden struikelden en gleden uit, alsof zij tegen een gletscher opklauterden. Als wij eindelijk uit dit woeste doolhof geraken en de horizon zich verbreedt, zien wij rechts en links en voor ons uit niets dan kleine scherpe spitsen en naalden, die elkander mijlen ver onafgebroken opvolgen, en die alle reizigers, welke Montenegro bezochten, hebben vergeleken bij de plotseling versteende golven van eene onstuimige zee. Het beeld is volkomen juist: ik zou geen beter weten om den indruk dezer zonderlinge natuur weer te geven. Een gevoel van moedeloosheid grijpt u aan, en sombere, weemoedige aandoeningen overmeesteren u, te midden van deze akelig doodsche omgeving; hier geen blauwe horizon meer, als in de dorre velden van Dalmatië; geen prachtige berglandschappen, als in de Alpen en Pyreneën; hier geen levend wezen, boom noch plant; hier niets dan grauwe naakte bergen, afgewisseld door even kale heuvelen; de menschen verplicht saam te scholen in eene armzalige vlakte, die zij in het zweet huns aanschijns een mageren oogst afdwingen, en die toch nog een uitverkoren paradijs, een gezegend Eden schijnt, te midden van dezen akeligen oceaan van steen. Ondanks de nieuwheid en het zonderlinge van het landschap, valt de weg toch ieder lang, die niet weet welke verrassing hem aan het einde wacht. Nu eens moeten wij ons aan den zadelknop vasthouden, om niet achterover van het paard te vallen; dan weder worden wij voorover geworpen en moeten haastig de manen grijpen, om niet over den kop heen te buitelen. Wij komen langs de fontein van Danilo, op last van den Vorst aangelegd, als een halte voor de reizigers; omstreeks vier uur hebben wij eindelijk de grens bereikt van dezen verbijsterenden rotsenbaaierd, waarvan geene beschrijving eenig denkbeeld geven kan, en die u werkelijk de beteekenis duidelijk maakt van het zeggen der Montenegrijnen, dat toen God de wereld schiep, de zak, waarin Hij de bergen bewaarde, juist boven hun land scheurde, zoodat de rotsen er in massa uit vielen. Deze streek ziet er inderdaad uit, alsof geweldige titanen deze ontzaglijke steenklompen, in moedwilligen luim, zoo wild en ruw door en op en over elkander hadden geworpen, dat de menschelijke voet nauwelijks een doortocht vinden kan. Wij waren eindelijk afgestegen, daar wij liever gevaar wilden loopen onze voeten te kwetsen aan de harde rotspunten, dan langer de geweldige horten en stooten in den zadel te verdragen. Nu hebben wij het hoogste punt bereikt; en nu ook ontrolt zich voor onzen blik een onbeschrijfelijk panorama, gevat tusschen twee ruw geteekende rotsen, die als het ware de massieve lijst uitmaken dezer wondervolle schilderij. Het is eene opeenvolging van bergen, die, van deze hoogten gezien, schier heuvelen gelijken, en waarachter wij het meer van Skutari zien, stralende in den zonnegloed, als eeen reusachtig zilveren schild, in de groene vlakte achtergebleven. Zie daar de Moratcha, die zich als een wit lint afteekent tegen den blauwenden achtergrond; verder, de met sneeuw bedekte bergtoppen van zuidelijk Albanië en het land der Mirditen. Aan onze rechterhand, tusschen de omlijsting van rotsen op den voorgrond en de vlakte van Cettinjé beneden ons, verheft zich, ter hoogte van ongeveer zeventien honderd el, de berg Lowchen, bladzijde 264op welks top, als een onverwoestbaar ex-voto, het grafmonument verrijst van Peter II, den laatsten Vladika van Montenegro. De Lowchen onderschept voor ons het gezicht op Cettinjé, de hoofdstad van het vorstendom: maar aan onze voeten breidt zich de vlakte uit, die zelve niet anders is dan een bergplateau, achthonderd el boven den waterspiegel der Adriatische-zee en slechts een weinig minder boven het meer van Skutari verheven. Deze top, waarvan ik een der schoonste panorama's heb aanschouwd die in mijne herinnering zijn bewaard, draagt den naam van den berg Kerschmach, en verheft zich tot eene zeer aanzienlijke hoogte boven Cattaro. En zie hier, op den top van gindsche vooruitstekende rots, de palen van den telegraafdraad, die de in haar wildernis van bergen en gesteenten verloren hoofdstad van Montenegro met het beschaafde Europa verbindt.


Een senator.

Onze weg voert nu bergafwaarts, maar de helling is zoo steil en moeielijk, dat de paarden telkens uitglijden en struikelen op deze kantige, rollende steenen. Wij gaan liever te voet; al is het stil op den weg, toch zijn wij ook hier niet geheel alleen. Boven onze hoofden, op steile klippen, zitten jonge herdersknapen; zij trekken de aandacht door hun roode muts, die scherp tegen de grauwe steenen uitkomt; somwijlen hooren wij hun eentonig gezang; een licht geritsel van bladeren doet ons opkijken, en wij zien enkele geiten, die tusschen de schrale heesters langs de steile rotswanden haar mager voedsel zoeken. Bij het omslaan van een hoek verschijnt ons, rustig neergezeten aan den weg, een bergbewoner, met de hand in de zijde, de beretta op het hoofd, gekleed met de witte gougne en den over de borst gekruisten djamadan, geheel met goud geborduurd; in zijn kolan of rood marokijnen gordel bladzijde 266bergt hij een gansch arsenaal. Zoo zit hij daar alleen, in deze eenzaamheid, en verwaardigt ons nauwelijks met een blik. Ondanks het goud, waarmede zijn djamadan, vest, versierd is, behoort deze man toch, naar mijn reismakker mij verzekert, tot den middenstand; zijne wapenen zijn zeer prachtig en kostbaar; vooral trekt een sierlijke yatagan met een schede van gedreven zilver en een met koraal ingelegd handvat, onze opmerkzaamheid. De Montenegrijn vergunt ons, schoon niet zonder eenigen weerzin, dit kostbare wapen, dat zeker de waarde eener woning vertegenwoordigt, in handen te nemen; twee pistolen van italiaansch fabriekaat en een mes met ivoren handvat in in een lederen scheede, voltooien zijne wapenrusting; naast hem staat een vuursteengeweer. Toch is deze man geen soldaat van beroep; hij woont te Baïtz en komt van Njégosch, waar hij den nacht heeft doorgebracht.


De Vorst en de Vorstin van Montenegro.

Veertig minuten nadat wij den top van den Kerschmach verlaten hebben, komen wij aan een klein dorp, in een halven cirkel gebouwd tegen de helling aan de noordzijde der vlakte. Wij gaan langs eene uiterst eenvoudige kerk, zonder eenige versiering hoegenaamd. In eene rotsholte, nevens den weg, bevinden zich enkele vrouwen, die op haar schouders eenige houten vaatjes laden: er is daar eene bron, in de rots uitgehouwen; de vrouwen komen hier water putten, en dalen in lange rijen naar het dorp af. De helling is zeer steil, en wij gaan sneller voort, dan wij wel zouden wenschen. Onze paarden zijn achtergebleven; wij hebben den Lowchen nu achter ons, en de vlakte aan onzen voet vertoont zich in hare volle uitgestrektheid van drie mijlen van het noorden naar het zuiden, aan deze zijde ingesloten door bergen, welke ons, nu wij afdalen, weder in hunne natuurlijke hoogte verschijnen.

Weldra wordt de weg beter; hier is de arbeid der menschenhand kenbaar: de helling is minder steil en de weg is behoorlijk gebaand: dit is het tweede stuk van den grooten weg, nabij de hoofdstad, zoo goed mogelijk aangelegd, en voor rijtuigen zeer wel bruikbaar tot aan het vlek, dat wij daar ter linkerhand zien. Hier zijn ook sporen van bebouwing: maïs, waarvan het graan reeds is ingezameld en de bladeren staan te verdrogen; akkers, die met rogge, gerst of haver zijn bezaaid geweest, en aardappelvelden. Wij zijn nu midden in de vlakte; ter rechterhand zien wij ginds de witte huizen van Cettinjé. De heer Radamanovich wijst ons een langwerpig gebouw, blijkbaar in den laatsten tijd gesticht en eenigszins op eene schuur gelijkende: dat is het arsenaal. Tegenover ons verheft zich eene kerk, en vlak daarbij een klein monument, met een kruis gekroond. Volgens het reisverhaal van de heeren Frilley en Vlacovij, is dit een grafteeken, opgericht ter herinnering aan een gezelschap bergbewoners, Drobniaken, die in 1862 over de grenzen waren getrokken om wapenen en munitie te halen, en die op hun terugweg over het turksche gebied werden gedood. Wij gaan nog langs een groot gebouw, dat op een hospitaal gelijkt; en eindelijk, ten vijf ure in den namiddag, doen wij onzen intocht in Cettinjé. Wij hadden des morgens ten negen ure Cattaro verlaten, en ons anderhalf uur te Njégosch opgehouden. Bereids was een adjudant van Zijne Hoogheid Vorst Nikolaas, de heer Nikolaas Matanovich, ons te gemoet gekomen, om ons uit naam van den Vorst en uit zijn eigen naam, in het zuiverste fransch, welkom te heeten op het grondgebied van Tzernagora. Voor den tocht over de bergen hebben wij zeven-en-een-half uur noodig gehad.

Cettinjé, in eene vrij ruime, door bergen omringde vlakte gelegen, is sedert het jaar 1485 de hoofdstad van het vorstendom. Als wij de geschiedenis van dit land zullen verhalen, zullen wij zien, door welk een samenloop van omstandigheden Iwan Tzernojewitch, die nabij de boorden van het meer van Skutari woonde, in het kasteel van Zabljak, zich genoopt zag, den aartsbisschoppelijken zetel en den troon der Vorsten van Zèta naar herwaarts over te brengen.

Het voorkomen der kleine stad heeft niets grootsch noch schilderachtigs; voor ongeveer dertig jaar telde men er niet veel meer dan een twintigtal woningen, rondom het klooster gegroept. Het plan van aanleg is zeer eenvoudig, overeenkomende met dat der meeste steden in Kroatië: eene zeer breede straat, omzoomd door zeer lage huizen, en in het midden afgebroken door een plein, waarop zich een gewone waterput bevindt, door een prachtigen moerbeziënboom overschaduwd. Rechts opent zich eene tweede straat, die met de eerste een rechthoek vormt, en even breed, maar veel minder bewoond is. Links staat een vierkant gebouw, met een balkon versierd en door een muur omgeven, waarvoor eenige gewapende Montenegrijnen op wacht staan: dat is het paleis van den Vorst; iets verder, aan de andere zijde, staat een tweede, nog grooter, maar eenvoudiger gebouw, met een voorhof door muren met hoektorens omgeven: dit is het oude paleis, dat sedert den dood van Vorst Danilo ledig staat. Tegenover ons, tegen de hellingen van den Lowchen geleund, verrijst het klooster, de zetel van den archimandriet, met twee hoven boven elkander, een kerk en vrij uitgestrekte gebouwen. Nog iets hooger tegen de berghelling, op de rots gebouwd, verheft zich de toren van het klooster, een toren, waarvan alle reizigers verhalen. Tegenwoordig hangen er klokken in, om de geloovigen tot het gebed op te roepen; maar tot voor eenige jaren werden aan dien toren de hoofden der Turken gespijkerd, die in de onophoudelijke gevechten aan de grenzen waren gedood.

Keeren wij naar den put terug en zien wij recht voor ons uit, dan stuit onze blik tegen het eenige hotel van Cettinjé, een eenvoudig, maar bij vergelijking zeer ruim gebouw. Dit hotel werd in 1867 gesticht, voor rekening van het gouvernement, dat welwillend de zorg voor het gemak der reizigers op zich nam. Ter linkerhand verrijst de meisjesschool, die onder de bescherming staat der Keizerin van Rusland, en bestuurd wordt door eene zeer beschaafde en zeer ontwikkelde dame, mejuffrouw N. Patzévitz.—Dit kleinsteedsche geheel heeft hoegenaamd niets bijzonders of aantrekkelijks; zelfs de minst-eischende toerist gevoelt zich teleurgesteld door het volslagen gemis van alles wat pittoresk mag heeten: een gemis, te sterker gevoeld bladzijde 267na de sombere grootheid en de aangrijpende, angstwekkende verhevenheid van den weg van Cattaro naar hier. Zulk eene teleurstelling bleef ons gespaard, omdat wij niets anders verwacht hadden, daar ons verblijf in de dalmatische dorpen, die ook allen hoogst onschilderachtig zijn, ons op iets dergelijks had voorbereid. Vóór het jaar 1870, hadden deze ruwe, schier vormelooze huizen althans nog iets eigenaardigs door hun rieten daken; maar deze bedekking was uiterst gevaarlijk in eene stad, waar de huizen tegen elkander zijn aangebouwd, en waar in de woningen geen uitgang voor den rook en geen stookplaats voor het vuur wordt gemaakt. Het gebruik van pannen is dan ook bij iederen nieuwen aanbouw verplichtend gesteld.

Ik meen reeds gezegd te hebben, dat de vlakte van Cettinjé niet dan met zeker voorbehoud op den naam van vlakte aanspraak maken mag: het is eigenlijk een bergplateau, tusschen de zeven- en achthonderd el boven de zee verheven. Als ge, in die vlakte staande, rondom u ziet, dan rust uw oog aan alle zijden op een krans van bergen of heuvelen; de voornaamste die ten westen en ten noordwesten, verheffen zich ter hoogte van drie- en vierhonderd el boven den beganen grond, en zijn langs hunne hellingen geheel bedekt met kreupelhout, steeneiken, dennen en berken; de bergen ten noorden en oosten zijn minder hoog, grauw van kleur, kaal en naakt. De zon is ondergegaan; het is dat stil en weifelend uur, waarin het nog geen nacht en niet meer ten volle dag is; de bergachtige achtergrond, waartegen de omtrek van het hotel, aan het einde der groote straat, scherp uitkomt, hult zich in donkere, harmonische, warme tinten, als violetkleurig fluweel, gelijk aan die der heuvelen op de heide, tegen het einde van den herfst. Mij dunkt, wij behoeven niet lang te twisten over den oorsprong van den naam des lands: Tzerna-Gora, Montenegro, Zwarte-bergen. Even als de Turken hunne goede redenen hebben om de bergbewoners met den naam van de Verschrikkelijken aan te duiden, zoo kan ook zeer goed de eerste reiziger, die van dit voor hem nieuwe landschap eene beschrijving wilde geven, getroffen door de eigenaardige kleurschakeering, welke hier op sommige uren van den dag valt waar te nemen, dien naam van Montenegro hebben bedacht, als het best zijn indruk wedergevende2.

III.

Wij trekken de stad binnen in gezelschap van den adjudant van den Vorst, die ons, namens Zijne Hoogheid, uitnoodigt, onzen intrek te nemen in het oude paleis; naar het schijnt, is het hotel van Cettinjé niet comfortabel genoeg ingericht en op dit oogenblik zelfs niet van meubelen voorzien. Wij krijgen in het paleis eene vrij ruime kamer op de eerste verdieping; de deur dier kamer komt uit op een langen gang, waarop nog eene reeks andere kamers uitkomen, allen volkomen gelijk als de cellen van een klooster. Dit was de residentie van Danilo, den voorganger van Vorst Nikolaas, in Augustus 1860 te Cattaro laaghartig vermoord. In zijn tijd stond het paleis bekend als het Bigliardo (billart): zoo zeer was de verbeelding der inboorlingen getroffen geworden door het zien van een billart, dat in een der vertrekken van den Vorst was geplaatst, en wel in de kamer, waar hij vreemde bezoekers ontving en ook de raad vergaderde. Dit meubelstuk was uit elkander genomen, en bij gedeelten, door vijftig man, van Cattaro, over de bergen, naar Cettinjé gebracht: geen wonder, dat de herinnering aan zulk een feit lang in het geheugen bleef gegrift. Vóór Danilo—toen de Vorsten van Montenegro tevens bisschoppen waren en dus het wereldlijk en geestelijk gezag in hun persoon vereenigden;—hadden zij geen ander paleis dan het klooster; maar Peter II, de laatste Vladika (bisschop), een in vele opzichten merkwaardig man, die veel gereisd had en in ontwikkeling zijn volk ver vooruit was, had reeds het klooster verlaten en de grondslagen gelegd van het Bigliardo, dat ongetwijfeld nog heden tot vorstelijke residentie zou dienen, indien niet Vorst Danilo, de laatste bewoner, op zoo treurige wijs om het leven was gekomen.

Om ons te bedienen, wordt ons een Montenegrijn toegevoegd, een bescheiden, ordentelijke man, die er zeer fatsoenlijk uitziet en zijne functiën naar behooren waarneemt; hij behoort tot het hofgezin van den Vorst en draagt een zwarte liverei, die, wat de snede der kleedingstukken aangaat, met het gewone nationale kostuum overeenkomt.

Wij beginnen met eene wandeling te doen door het gebouw, waarin wij onzen intrek genomen hebben. Het hoofdgebouw staat tusschen twee binnenplaatsen, waarvan de eene op de straat uitkomt, waarin het paleis staat en die naar het klooster voert; op de andere binnenplaats bevinden zich de stallen van den Vorst. De eerste, ommuurde plaats is aan de hoeken voorzien van kleine torens, die tot verdediging kunnen dienen en aan het geheel een zeker karakter geven. De lange smalle gang, waarop de kamers uitkomen, is van afstand tot afstand met zware, massieve deuren afgesloten; breede trappen voeren naar beneden. Aan het eind van den gang, is, onder de regeering van Vorst Danilo, aan het paleis een vleugel bijgebouwd, waarin zich de vergaderzaal van den Senaat bevindt. Het overige van het gebouw wordt deels voor bergplaats, deels voor het verrichten van allerlei werkzaamheden gebruikt; uit een der benedenvertrekken, dat voor school schijnt te dienen, zie ik kinderen komen. Vreemdelingen van zekeren rang en zij, die met eene of andere diplomatieke zending zijn belast, worden door den Vorst uitgenoodigd, hier hun intrek te nemen; zijn lijfarts woont ook hier, en somwijlen ook zijn sekretaris. In de kamer nevens mij logeert een zeer warme en bekende Slavenvriend, een bevrijde Pruis, zooals hij zich zelven noemt, de heer Gustaaf Rasch, schrijver van een werk over Montenegro, bladzijde 268 Vom Schwarzen Berge getiteld, en aan Vorst Nikita (Nikolaas) opgedragen. Wellicht nog meer bekend is hij door een ander boek, eerst te Brunswijk in het duitsch verschenen, maar dat in Duitschland verboden is, en waarvoor de schrijver door de rechtbank tot vier maanden gevangenisstraf is veroordeeld. Dit werkje is, door den heer Louis Léger, in het fransch vertaald onder den titel Les Prussiens en Alsace-Lorraine, par un Prussien. Het spijt mij zeer, dat wederzijdsche beschroomdheid of al te groote terughouding ons heeft verhinderd, met elkander kennis te maken. Ik heb mij daardoor van de gelegenheid beroofd om profijt te trekken van de zeer degelijke kennis van den heer Rasch, die de servische taal, waarin ik onbedreven ben, grondig verstaat.

Het wordt donker; ik zit hier tusschen vier naakte, koude muren; mijn bediende verstaat eenige woorden italiaansch, zoodat ik mij althans voor hem verstaanbaar kan maken. Ik ga mij nu naar behooren installeeren. Binnen een half uur is de kamer zoo veranderd, dat de ernstige Montenegrijn, als hij mij het verlangde waschwater brengt, zijn oogen nauwelijks gelooven kan en mij allerlei vragen doet. Ik wil die vragen van uwe zijde, lezer, voorkomen, en u mededeelen, dat ik gewoon ben, met een volstrekt niet grooten zak te reizen, dien ik wel haast onuitputtelijk zou mogen noemen, en waarin ik eene gansche huishouding berg. Te paard reizende, bind ik dien zak aan den zadel vast; ga ik te voet, dan draag ik hem aan twee riemen op mijn rug, even als den ransel van een soldaat. Met dien zak gewapend, ontbreekt mij niets. Wat daar al inzit? Zie hier een groote, zeer fijne, veelkleurige zijden doek, die mij tot tafellaken dient en ook nog op menige andere wijze gebruikt wordt. Dan een blikken kapdoosje, met toiletspiegel, voorzien van blakertje en kaarsen; een lamp voor wijngeest, onontbeerlijk in deze streken, waar ge dikwijls geen droppel melk kunt krijgen voor uw thee; een schrijfportefeuille; een platte inktkoker, die hermetisch gesloten kan worden. Voorts Liebig-extracten, bouillon en melk, in potjes, naar de grootte gerangschikt; suiker; een platte veldflesch met besten brandewijn; potlooden, albums, een aquarellen-doos: genoeg schildergereedschap in één woord om een meesterstuk te kunnen scheppen—als het noodige talent er ook was. Verder eenige boeken; vooreerst reisboeken, natuurlijk verschillende naar gelang van de streek, die ik bezoek, maar dan ook andere, die ik voor mijn eigen uitspanning mede neem: allen in klein formaat. Toen ik tusschen de twintig en dertig jaar oud was, placht een Musset mijn trouwe reisgezel te zijn; tegenwoordig gebeurt het mij meer, dat ik een Montaigne of Pascal uit mijn kast neem en in mijn valies pak. Eindelijk de onontbeerlijke toiletartikelen, schoensmeer en borstels, want ook daarop moet men bedacht zijn. Mijn lijfgoed is, met een paar schoenen, benevens een overjas met kap, voor het geval dat ik buiten moet overnachten, in een plaid gerold. Zoo uitgerust, trek ik onbekommerd voort, zonder van iemand afhankelijk te zijn.

Men heeft mij meermalen gevraagd, of ik op reis geen wapens medeneem. Ik moet eerlijk bekennen, dat ik, ook in de meest ter kwader naam staande streken, nooit een pennemes uit mijn zak heb gehaald, dan om een puntje aan mijn potlood te maken. Ik heb Bosnië en Herzegowina doorreisd, toen zij reeds in vollen opstand waren; ik ben daar twee- of driemaal in moeielijkheden geraakt, maar ik houde mij overtuigd, dat ik onherroepelijk verloren zou zijn geweest, indien ik een revolver bij mij had gehad. Niets is gevaarlijker, dan in deze landen eene zekere uitdagende en tartende houding aan te nemen. De voorzichtigheid van Zadig verdient verre de voorkeur boven de vermetelheid van Gusman. Het is zeker een voorrecht en een genot, merkwaardige landen te bezoeken, vreemde zeden en gewoonten te kunnen gadeslaan, het hart te kunnen ophalen aan schilderachtige tooneelen en wonderlijke kleederdrachten:—maar toch, om daar het rechte genot van te hebben, moet men het er levend afbrengen; mijn huid is mij lief—mi preme la vita—en ik houd er niet van, mij onnoodig in gevaar te begeven. Koelbloedigheid en tegenwoordigheid van geest, een rustige toon van gezag, en vooral onschuldige bedoelingen: ziedaar mijns erachtens de beste wapenen op een tocht door deze en dergelijke half-barbaarsche landen.

Na mijn reiszak ontpakt en mijn kamer zooveel noodig gemeubeld, en vervolgens een half uurtje gerust te hebben, is het tijd om wat voedsel te gaan nemen, want het ontbijt van Njégosch, hoe stevig ook, is niet meer dan eene herinnering. De heer Matanovich, de adjudant van Z.H., biedt ons bereidwillig zijne hulp aan; hij is vooruitgegaan naar het hotel van Cettinjé, om te zorgen dat wij het een en ander te eten bekomen. Dit hotel is, zoo als ik zeide, nu geheel ledig: de kastelein, die het gepacht had, was niet in staat het gebouw te meubileeren; zijn opvolger is pas in functie getreden, en heeft daar nog geen tijd voor gehad. Echter vinden wij er een open tafel, waar voor mij eene plaats is beschikbaar gehouden.

Verbeeld u een groot, hol vertrek op de eerste verdieping; in het midden der zaal staat een tafel, maar flauwelijk verlicht door eenige lampen, die het grootste gedeelte van het ledige, naakte vertrek in donkere schemering gehuld laten. Een voor een treden de gasten binnen, bijna allen opperhoofden en mannen met eenige waardigheid bekleed, zonder twijfel tot de naburige stammen behoorende en tijdelijk in de hoofdstad verblijvende. Eene kleine, vrij vlugge dienstmaagd, meer dan waarschijnlijk uit Dalmatië en wel van de kust geboortig, daar zij even goed italiaansch als servisch spreekt, wijst mij de eenige ledige plaats aan; en daar zit ik nu, als elfde man, tusschen tien Montenegrijnen, weinig innemend van voorkomen, bijna allen rijzige forsche mannen met lange hairen en zware bruine knevels, de meesten met medailles versierd, en allen met een volledig arsenaal in hun gordel! Niemand legt zijne wapenen af, eer hij aan tafel gaat. Als het eerste gerecht, een soort van aardappelenragout, wordt rondgediend, wijst een der Montenegrijnen, die mij eer wil bewijzen, met den vinger op mij, als een teeken dat men mij het eerst moet bedienen. In de bladzijde 270tien gordels tel ik vier-en-twintig pistolen. Alle gasten houden hun beretta op het hoofd; zij dragen allen het witte buis en het roode, met goud geborduurde vest. De heeren fluisteren onder elkander, terwijl zij mij voortdurend aanzien; een hunner vraagt aan de dienstmaagd, of ik servisch spreek; ik merk dat zij mij tot een Italiaan maakt, omdat ik mij met haar in die taal onderhoud. “Fransouski” zeg ik, om mijne nationaliteit bekend te maken. Dit scheen de gasten gunstiger te stemmen, maar hunne manieren zijn ruw, en ik voel mij niet op mijn gemak, hoewel men mij blijkbaar met beleefdheid wil behandelen. Als ik weiger om het eerst bediend te worden, dan beduidt men mij met een hooghartig gebaar, dat het niet te pas komt, komplimenten te maken, dat ik slechts heb te gehoorzamen, en mij te schikken naar de regelen der montenegrijnsche gastvrijheid. Intusschen gaat de maaltijd zijn gang; een half schaap, aan het spit gebraden, wordt opgedischt on met de yatagan in stukken gesneden; de nationale kaas dient tot dessert. Nu worden de pijpen aangestoken; terwijl de heeren nog met elkander blijven praten, verwijder ik mij; mijn groet wordt door een korten wensch beantwoord. Ik gevoel, dat die hooge personages, voor het meerendeel senatoren, niet den schijn willen hebben, dat zij aan een vreemdeling, dien zij niet kennen, bijzondere aandacht schenken, en dat zij ook geene verbazing willen toonen.


De Vorst, in het openbaar recht spreekende.

Ik steek de groote straat over, waar eenige schimmen mij voorbij glijden, allen in de strouka gewikkeld; voor den muur van het paleis van den Vorst kuieren de schildwachten op en neer. Somwijlen opent zich een deur: een helder licht, afkomstig van het midden in de kamer brandende vuur, schijnt over de straat en teekent zwarte schaduwen op den grond. Al tastend bereik ik mijne kamer in het oude paleis, en eer ik mij ter ruste begeef, teeken ik in mijn dagboek de herinneringen en indrukken van dezen dag op, mijn zonderlingen tocht van Cattaro naar hier.

Een laatste blik naar buiten, in den kalmen, helderen herfstnacht. Hoe hoog zijn de bergen! Hoe ver, ver ben ik hier van Frankrijk! Hoe afgezonderd van de wereld, door een geweldigen muur van haast onbeklimbare rotsen gescheiden van de blauwe Adriatische-zee....

IV.

Wij bevinden ons op montenegrijnschen bodem, in de hoofdstad van het kleine vorstendom. Wij willen nu, eer wij verder het land ingaan, een vluchtigen blik werpen op zijne geschiedenis. Welke volken en stammen hebben deze bergen bevolkt, en wie hebben over hen geregeerd? Welke zijn de groote lijnen, de hoofdmomenten hunner geschiedenis; en krachtens welk beginsel oefent de thans regeerende Vorst een bijna onbeperkt en onbetwist gezag uit over dit hooghartige, fiere en tot hiertoe nog onverwonnen en ongetemde volk? Ik wil trachten, zoo kort mogelijk, die vragen te beantwoorden.

Honderd-acht-en-zestig jaar vóór Christus namen de Romeinen van deze landstreek bezit: eene ontwijfelbare herinnering aan hunne heerschappij is nog altijd overig in een ouden heirweg, die van het antieke Epidaurum naar het tegenwoordige Skutari of Skodra voert. Het land behoorde toen, met geheel Dalmatië, tot de provincie Illyrië. In de derde eeuw verschijnen de Gothen, later opgevolgd en verdrongen door de Slaven, die reeds van Dioclea hunne hoofdstad hadden gemaakt. Omstreeks de zevende eeuw verdwijnt de naam van Illyrië, te midden van de verwarring der opeenvolgende invasiën van Kroaten, Bulgaren en Serviërs. Het servische rijk wordt gegrondvest en neemt snel in macht toe; dit rijk, dat nog steeds het ideaal is, naar welks verwezenlijking alle Zuid-Slaven smachtend uitzien, omvatte, behalve het tegenwoordige Servië, ook Bosnië, Moesië, een deel van Dalmatië en Dacië. Bij den noodlottigen slag van Kossovo (1389) ging dit servische rijk te gronde, en vielen de tot dusver aan de servische kroon behoorende landen in de macht der Turken.

Toen aldus de slavische macht gebroken werd, behoorde ook het tegenwoordige Montenegro tot Servië, en werd bestuurd door een ban, die het oppergezag der servische Koningen erkende. De nederlaag bij Kossovo verbrak die banden; de bans, hertogen of vorsten van Zèta weigerden zich te onderwerpen aan de mohammedaansche heerschappij, en weken met eenige stammen (plemena) naar de bijna ontoegankelijke bergen, waar zij hunne onafhankelijkheid wisten te handhaven. Dat zij, ondanks de bijna rusteloos herhaalde pogingen der Turken om dit laatste overblijfsel der eenmaal zoo machtige servische natie onder hun juk te doen bukken, deze hunne onafhankelijkheid nu welhaast gedurende vijf eeuwen inderdaad hebben bewaard:—ziedaar een eeretitel, waarop de Montenegrijnen met het volste recht trotsch mogen zijn, en die hen de rechtmatigste aanspraak moest geven op de warme sympathie en de krachtige ondersteuning van het christelijk Europa, indien dat Europa zich heden nog door andere beweegredenen, dan die aan het cynische eigenbelang ontleend, liet leiden. Maar toch, al worden zij door hunne natuurlijke bondgenooten te vaak alleen gelaten in den strijd tegen den gemeenschappelijken erfvijand, zij hebben de worsteling tegen de overstelpende overmacht niet opgegeven, en nog altijd staat Montenegro als een laatste bolwerk der zuid-slavische nationaliteit:—moge het ook zijn als de profecie eener betere toekomst.

Na het uitsterven van de oude vorstelijke familie van Balschich, in 1421, verkozen de Montenegrijnen den dapperen Stophan Tzernojewitch tot Vorst; deze stichtte twee havensteden aan de Adriatische-zee, en bouwde ook het klooster te Cettinjé, dat in 1485 tot den zetel der regeering verheven werd. Stephan sloot een verbond van vriendschap met Venetië, en leefde, even als zijn zoon Iwan, in onophoudelijken krijg met de Turken. Een der gewichtigste feiten van dit tijdvak is wel de overbrenging van den vorstelijken zetel van Zabljak, eene vesting in de vlakte ten noorden van Skutari, naar het klooster te Cettinjé, in het hart van het gebergte, dat gemakkelijker te verdedigen was, en waar het kostbaar pand der nationale onafhankelijkheid beter kon worden bewaard. George, de laatste bladzijde 271Vorst uit het geslacht van Tzernojewitch, die met eene dame uit Venetië was gehuwd, deed in 1515 afstand van de regeering en begaf zich naar het vaderland zijner vrouw. Met hem eindigt de reeks der Woïwoden of wereldlijke Vorsten van Montenegro: George Tzernojewitch droeg namelijk het oppergezag over aan den Vladika (bisschop) Vavil, welk besluit door het volk werd goedgekeurd.

Sedert dien tijd tot in 1851, werd Montenegro nu door deze tevens geestelijke en wereldlijke opperhoofden geregeerd, die de bevoegdheid hadden zelf hun opvolger aan te wijzen. Intusschen waren de stammen bijna geheel onafhankelijk geworden; de band, die de kleine natie tot dus ver had saamgesnoerd, was allengs verbroken; onderlinge twisten, veeten en oorlogen hielden de stammen tegen elkander verdeeld, en alleen de gemeenschappelijke strijd tegen den erfvijand vermocht nog tot op zekere hoogte de eendracht te bewaren. De Turken maakten natuurlijk van die verdeeldheden gebruik, om telkens nieuwe veroveringen te maken, de Montenegrijnen al verder in het gebergte terug te dringen en hen bij herhaling tot in hunne laatste wijkplaatsen te bestoken. Maar altijd moet de grimmige vijand zijne prooi weer loslaten, en weet het ongetemde volk, dat nimmer zijne wapenen aflegt, de vrijheid te heroveren en te handhaven. In 1687 staan de Montenegrijnen, van de Venetianen verlaten, alleen tegenover de verpletterende overmacht der Turken, en Soliman-pâsja dringt tot Cettinjé door, dat hij te vuur en te zwaard verwoest. Maar ook nu kan de turksche macht zich in dit onbedwingbare land niet staande houden. De stamhoofden, in het dreigend gevaar hunne onderlinge verdeeldheden ter zijde zettende, verkiezen tot Vladika Danilo Petrowitch, uit den stam van Njégosch, een man van groote bekwaamheid en energie, die als krijgshoofd niet minder dan als bisschop een bijna onbeperkt gezag over zijne onderdanen uitoefende. Danilo peinsde op middelen om zijn land van de turksche heerschappij te verlossen; en de gelegenheid bood zich weldra daartoe aan. De pâsja van Skutari noodigde den Vladika uit, eene nieuwe kerk te Podgoritza te komen inwijden: op zijn eerewoord beloofde de pâsja vrijgeleide. Maar nauwelijks was Danilo to Podgoritza aangekomen, of hij werd gevangen genomen en in den kerker geworpen; om aan den dood, die hem wachtte, te ontsnappen, moest hij een losgeld van dertigduizend dukaten betalen. Te Cettinjé teruggekeerd, vatte nu de Vladika het besluit op om alle Muzelmannen, die zich op montenegrijnsch grondgebied bevonden, te dooden; en in den Kerstnacht van 1702 werd dit besluit ook werkelijk uitgevoerd. Zoo rustte het zwaard nimmer: en wanneer men de geschiedenis van dit kleine land leest, dan is niets gemakkelijker te begrijpen dan de felle, onverzoenlijke, doodelijke haat, die Montenegrijnen en Turken jegens elkander koesteren. Inderdaad, tracht u voor een oogenblik dezen toestand helder voor den geest te brengen: een volk, zeer gering in aantal, opgesloten in eene door de natuur gevormde vesting van steile, naakte bergen, waar het schier aan alles mangelt wat ook voor het soberste leven onontbeerlijk is; en dat volk, bijna vijf eeuwen lang, gedwongen met het zwaard zijne onafhankelijkheid te verdedigen tegen een overmachtigen vijand, die zijn ondergang gezworen heeft; vijf eeuwen lang gewikkeld in een bijkans rusteloozen strijd met woeste, bloeddorstige barbaren, die overal waar zij verschijnen een spoor van verderf en dood achter zich laten; in een strijd, die de voortdurende inspanning, de onvoorwaardelijke toewijding van allen vraagt, die letterlijk allen dwingt onophoudelijk de wapenen te voeren en te ieder uur bereid te zijn, den dood tegemoet te gaan. Denk u, voor zoo ver ge dat in onze toestanden vermoogt, in dezen toestand in: en verwondert het u dan nog, dat de Montenegrijn boven alles soldaat is, dat het volkskarakter zich onder die invloeden niet altijd ten goede heeft ontwikkeld en meer dan wenschelijk is heeft overgenomen van de ruwheid en woestheid der barbaarsche horden, tegen wie deze bergbewoners voortdurend lijf en goed hadden te verdedigen?

De moord van 1702 moest gewroken worden. De verbitterde Turken willen nu voor goed aan die eindelooze worsteling een einde maken: honderd-twintig-duizend man trekken, onder aanvoering van den grootvezier Köprili, tegen Montenegro op. De verbonden stammen moeten voor de overmacht naar het hart van het gebergte wijken, en op nieuw wordt Montenegro door de Turken overstroomd, Cettinjé andermaal geplunderd en verbrand, en tweeduizend man in gevangenschap weggevoerd. Doch ook ditmaal was de plaag voorbijgaande en herwon het volk zijne onafhankelijkheid. Omstreeks dien tijd werd de waardigheid van Vladika in het geslacht Petrowitch, dat tegenwoordig nog regeert, erfelijk verklaard; daar echter de bisschoppen niet mochten huwen, werden zij door een hunner neven opgevolgd.

Toen, in 1788, Keizer Jozef II van Duitschland en Keizerin Katharina II van Rusland aan de Porte den oorlog verklaarden, riepen zij ook de medewerking der Montenegrijnen in. Deze grepen aanstonds naar de wapenen, en gaven tot in 1791 aan een turksch leger van vijftigduizend man de handen vol werk; maar toen in Augustus van dat jaar de vrede van Sistowa gesloten werd, vergaten de beide monarchen, ondanks hunne plechtige beloften, hun trouwe bondgenooten en werd te hunner behoeve niets bedongen. Nu volgde voor Montenegro een betrekkelijk lange tijd van rust, dien de later heilig verklaarde Vladika Peter I Petrowitch gebruikte om de inwendige aangelegenheden des lands zooveel mogelijk te regelen. Hij maakte een einde aan de onderlinge veeten der stammen, breidde de bevoegdheid van het opperste gerechtshof uit, en vaardigde in 1798 een algemeen wetboek (Zakonik) uit, waarin de tot dusver in Montenegro gebruikelijke en overgeleverde wetten en regelen van bestuur, rechtspleging enz. waren bijeenverzameld. Aan de oorlogen van Rusland tegen Turkije en Frankrijk, in de eerste jaren dezer eeuw, namen de Montenegrijnen zeer levendig aandeel; en in 1812 veroverde Peter de Bocca di Cattaro met de stad van dien naam, waardoor hij eene voor zijn volk schier onmisbare gemeenschap met de Adriatische-zee verkreeg. Men vergunde hem evenwel niet, die natuurlijke haven van Montenegro te behouden; hij moest bladzijde 272de stad aan Oostenrijk afstaan, dat toch, naar men zou meenen, met geheel Dalmatië tevreden kon zijn en het arme vorstendom dezen eenigen uitgang naar de beschaafde wereld niet behoefde te benijden.

De opvolger van Peter I, de jonge, edele Peter II, die in Petersburg zijne opvoeding ontvangen had, heeft zich door zijne onvermoeide pogingen tot beschaving van zijn volk een welverdienden roem verworven. Zelf een man van veel aanleg en ontwikkeling, ook dichter, bevorderde hij krachtig de belangen van het zoozeer verwaarloosde onderwijs, en maakte zich als regent verdienstelijk door de vestiging van eene regelmatige regeering en de zorg voor de welvaart en de ontwikkeling zijns volks. Ook hij voerde bij herhaling oorlog tegen de Turken en was daarin meestal gelukkig, al was het ook, bij gebrek aan medewerking, indien al niet door rechtstreeksche tegenwerking der europeesche mogendheden, onmogelijk, de gemaakte veroveringen te behouden. Peter II, die den 31sten October 1851 stierf, was de laatste Vladika: zijn neef en opvolger Danilo deed afstand van zijne geestelijke waardigheid, en werd in 1852 door Oostenrijk en Rusland als erfelijk Vorst van Montenegro erkend. Met hem begint een nieuw tijdperk in de geschiedenis van Montenegro; wij hopen later meer uitvoerig over dezen merkwaardigen man te spreken. Danilo I werd op den 12den Augustus 1860, door een Montenegrijn, uit persoonlijke wraakzucht te Cattaro doorschoten, en bezweek den volgenden dag. Daar hij slechts eene dochter naliet, werd hij opgevolgd door den zoon van zijn broeder Mirko Petrowitch, den tegenwoordigen Vorst Nikita (Nikolaas) I.


De waterputten te Cettinjé.

Prins Nikolaas I, Petrowitch Njégosch, die in officieele stukken den titel voert van Vorst en Gospodar van Tzernagora en Berda, werd in 1841 geboren, in het dorp Njégosch, waar wij hebben stil gehouden. Het geslacht der Petrowitch is uit Herzegowina afkomstig en was ook daar in een vlek, Njégosch genaamd, gevestigd. Terwijl een aantal aanzienlijke servische families, na de verovering des lands door de Turken, tot den Islâm overgingen en zich daardoor het bezit van hare oude en het genot van nieuwe privilegiën verzekerden, bleven de Petrowitch aan hunne christelijke belijdenis getrouw, en moesten zich deswege allerlei kwellingen en onderdrukkingen getroosten. Omstreeks 1550 verlieten al de leden van het geslacht, met hunne onderhoorigen en hunne kudden, hunne toenmalige woonplaats en sloegen hunne tenten op in een bergvlakte, waar zij gras voor hun vee vinden konden. De familie of clan stichtte daar een vlek, waaraan zij den naam gaf van hare aloude vaderstad, breidde zich uit, nam in welvaart toe, en bekleedde weldra, dank zij de bekwaamheid en den moed harer hoofden, haar rijkdom en macht, een eerste plaats bladzijde 273onder de aanzienlijkste geslachten des lands. In 1697 werd een Petrowitch, ondanks zijn jeugdigen leeftijd, uit hoofde van zijn onversaagden heldenmoed en den invloed, dien hij op de stammen uitoefende, door de algemeene vergadering der woïwoden tot Vladika gekozen, welke waardigheid kort daarop erfelijk in de familie werd verklaard. De dynastie der Petrowitch zit dus sedert honderd-tachtig jaar op den troon van Montenegro; daar echter de Vladika, uit hoofde van zijn geestelijk karakter als bisschop, niet huwen mocht, werd hij steeds door een zijner neven opgevolgd. Krachtens dit beginsel regeert ook de tegenwoordige Vorst, zoon van Mirko Petrowitch, oudsten broeder van Danilo I en aarts-hertog of weliki-woïwode van Montenegro. De laatste Vladika, Danilo, had echter, zooals reeds gezegd is, van zijne geestelijke waardigheid afstand gedaan en zich in het huwelijk begeven, zoodat de erfelijkheid in rechte lijn kon worden ingevoerd; bij gebreke van mannelijk oir, had dan ook Danilo's broeder, Mirko Petrowitch, den troon moeten beklimmen; maar ten gevolge van bijzondere omstandigheden deed hij afstand van zijne rechten, zoodat zijn zoon Nikolaas tot Vorst werd gekozen, de eerste van dien naam en de zevende soeverein uit zijn geslacht.


Slavische boeren van Grahovatz.

Gelijk bijna niemand naar Rome gaat (of althans ging), zonder den Paus te zien, zoo gaat men ook niet, en nog minder, naar Montenegro, zonder een bezoek af te leggen bij den Vorst. Bovendien is men te Cettinjé als in een circus of schouwburg, en al wilde men onopgemerkt blijven, zou dit welhaast onmogelijk zijn, want uit zijn paleis overziet de Vorst zelf de gansche stad; niets van hetgeen er gebeurt ontgaat de aandacht, en de aankomst van een vreemdeling is eene gebeurtenis, hoewel de Montenegrijn uit zijn aard bladzijde 274zich weinig om vreemden bekommert. Een gewoon toerist waagt zich in den regel niet te midden dezer bergen; wie hier komt, doet dit doorgaans met een bepaald doel, hetzij wetenschappelijk, hetzij politiek, en het kleine hof van Cettinjé weet gaarne wie de bezoekers van het land zijn. In iederen onbekenden reiziger vermoedt men allicht een geheimen zendeling: trouwens iederen avonturier valt het niet moeilijk, zich in het geheele Balkan-schiereiland voor een russisch agent te doen doorgaan. Al mijne brieven voor het vorstendom en ook die persoonlijk aan Zijne Hoogheid gericht, waren ten gevolge van een misverstand in Italië achtergebleven. De agent van den Vorst te Cattaro, met wien ik bij toeval te Sebenico kennis had gemaakt, had per telegraaf van onze komst bericht gezonden; en daar de adjudant van den Vorst, die zijne opleiding te Saint-Cyr had ontvangen, het fransch zoo goed sprak als ik zelf en een trouw lezer was van de Revue des Deux-Mondes en van andere fransche tijdschriften, werden wij al spoedig aan het hof voorgesteld.

Het paleis van Cettinjé gelijkt, wat zijne afmetingen betreft, op eene aanzienlijke villa uit den omtrek van Parijs; toen wij er des avonds voor het eerst ontvangen werden, gingen wij eerst door eene met wapen-trofeeën versierde voorzaal, en beklommen vervolgens een trap, die naar de wachtkamer op de eerste verdieping voerde. Voor de deur dier kamer stonden, op het portaal, ter wederzijde vier lijfwachten, in groot uniform en in volle wapenrusting. Het getal dier lijfwachten, kabahadié, bedraagt niet meer dan tien. Een adjudant ontving ons aan den ingang van dezen salon, die met de portretten prijkt van Vorst Danilo, van de Keizers en de Keizerinnen van Rusland en van Oostenrijk, van den gewezen Keizer en de Keizerin van Frankrijk, van den Vladika Peter II, van Mirko Petrowitch, van de Prinses-weduwe Darinka, en van de Prinses Milena, de regeerende Vorstin. Al die portretten schenen mij toe van de hand van Czermak, den bekenden servischen schilder, te zijn.

Zoodra ik den drempel van den tweeden salon overschreden had, kwam de Vorst naar mij toe, en weldra waren wij in gesprek gewikkeld. De omstandigheden waren zeer ernstig; de Vorst was gedrukt, ontstemd en blijkbaar niet op zijn gemak. Een bewoner van Herzegowina, een turksch onderdaan, was onlangs op montenegrijnsch gebied vermoord gevonden, juist toen de bergbewoners, naar hunne gewoonte, gereed stonden zich naar de markt te Podgoritza te begeven. De Turken hadden daarop, zonder verder onderzoek, de op niets kwaads bedachte Montenegrijnen aangevallen, en zeventien hunner, mannen en vrouwen, vermoord. Natuurlijk had dit feit door geheel Montenegro de heftigste verontwaardiging opgewekt, en brandden de bergbewoners van begeerte om hunne broeders te wreken. De Vorst deed wat hij kon, om zijne onstuimige en krijgshaftige onderdanen in bedwang te houden: de diplomatie was in de zaak gemengd, en Nikolaas I wilde tot iederen prijs eene botsing met het overige Europa en vooral met zijn natuurlijken beschermer, den Keizer van Rusland, vermijden. Hij twijfelde niet aan zijn invloed, hij wist dat hij gehoorzaamd zou worden; maar zoo de Vorst al bereid was zich te voegen naar de eischen der diplomatie en den langzamen gang der kanselarijen, is het wel te begrijpen dat de vurige Montenegrijn met moeite de beleediging verduurde en ten volle den toorn billijkte, die in het hart zijner onderdanen kookte.

Rijzig van gestalte, donker van gelaatskleur, met een laag voorhoofd, zwaar, vol, glanzend hair, levendige en doordringende oogen, statig en eenvoudig van voorkomen, vertoont de Vorst den echten type van den volmaakten montenegrijnschen ridder. Deze man, die als driftig en onstuimig bekend staat, heeft eene zachte en doordringende stem; hij spreekt langzaam en weegt zijne woorden; hij bedekt zijn hartstocht en energie onder een waas van eenvoud, kalmte en rustige zachtmoedigheid, dat een zeer aangenamen indruk maakt, en u bijna doet vergeten dat Prins Nikolaas in lichaamskracht, vlugheid en behendigheid door weinigen overtroffen wordt, en dat hij de eerste ruiter en de eerste schutter van het geheele vorstendom is. Hij heeft ongetwijfeld ook het voorkomen van een krijgsman; maar tevens heeft hij getoond een voorzichtig en bekwaam diplomaat te zijn, die zijn tijd weet af te wachten en begrijpt dat hij, om zijn doel te bereiken, rekening moet houden met de omstandigheden. Nikolaas I stelt er blijkbaar meer zijne eer in, de onstuimige drift zijns volks te beteugelen, dan nieuwe lauweren te zoeken in den strijd, al heeft hij reeds blijken te over gegeven van persoonlijke onverschrokkenheid. Hij spreekt met groote liefde van zijn volk; hij weet wat hun ontbreekt, en kan, door eigen aanschouwing, oordeelen over het verschil tusschen de sociale toestanden in zijn land en in de andere landen van Europa; maar hij waardeert ook zijns volks natuurlijke gaven en krachten, hij begrijpt en deelt de groote nationale aspiraties en verlangens, en daarom juist houden de Serviërs het oog op hem gericht.

Zijne eerste jeugd heeft hij gesleten te midden dezer woeste en dorre natuur; als kind heeft hij die naakte rotsen beklommen en zich nedergezet in de armste woningen, luisterende naar de oude volksliederen, die de grootsche en smartelijke herinneringen der geschiedenis van Montenegro bewaren; en de servische muze, die de helden bezingt en treurt op de graven der verslagenen, heeft ook hem met haar vleugelslag aangeraakt: hij zelf is dichter-zanger. Dit is trouwens eene traditie in de vorstelijke familie, want een zijner voorgangers behoort tot de voornaamste rhapsoden van Servië; maar bij Vorst Nikolaas is dit tevens de uiting van eene natuurlijke aandrift. Door dit alles, door zijne liefde voor den wapenhandel, zijn smaak in lichaamsoefeningen, zijne kracht, zijne vlugheid, is hij een echte zoon zijns volks, maar tevens is hij Vorst, in den echten ouden zin des woords: hij is inderdaad de Voorste, niet alleen in gezag, maar ook in al die oefeningen en kampspelen, die aan de oude wedstrijden doen denken. De Vorst heeft eene europeesche opvoeding ontvangen; zijn vader Mirko heeft hem tot zijn tiende jaar in vrijheid laten rondloopen door de bergen; daarop werd hij naar Triëst gezonden, waar de knaap, bij eene servische familie, het onderricht bladzijde 275ontving, voegende aan den rang, dien hij eenmaal bekleeden zou; maar zonder dat hem, met verwaarloozing van het nationale element, die zoogenoemd kosmopolitische gezindheid werd ingeprent, die den Vorst, bij zijn terugkeer in het vaderland, dikwijls tot een vreemdeling onder de zijnen maken.

Van Triëst ging hij naar Parijs. Frankrijk oefende destijds een soort van protektoraat over het vorstendom uit en stond overal zijne belangen voor; deze omstandigheid, gevoegd bij de persoonlijke betrekkingen tusschen Danilo I en Napoleon III, deed de fransche hoofdstad kiezen als de plaats, waar de jonge Nikolaas zijne verdere opleiding zou ontvangen. Om dezelfde reden zendt hij zelf thans zijne kinderen naar Sint-Petersburg. Hij werd in het college Louis-le-Grand opgenomen; maar de vurige jonkman, die zijne vakantiën in zijn vaderland ging doorbrengen, voelde zich nooit recht te huis in die soort van groote kazernen, waar het aan lucht en vrijheid ontbreekt. In den herfst van 1860, toen hij nauwelijks negentien jaren telde, zag hij zich door den plotselingen dood van zijn oom, die slechts eene dochter, Prinses Olga, naliet, eenklaps tot den troon van Montenegro geroepen.

Mirko, de vader van den Vorst, was de incarnatie van den ruwen, onversaagden Montenegrijn, zoo als vroegere reizigers, Viala de Sommières, Wilkinson en Marmier, dien geteekend hebben. Deze Mirko is overigens eene historische figuur; zijn naam, die in de nationale liederen voortleeft, was de schrik der Turken, en niet zonder recht droeg hij den bijnaam van het Zwaard van Montenegro. Danilo I, een zeer ontwikkeld en begaafd man, die veel gereisd en gelezen had, verscheidene vreemde talen sprak, en, met de westersche beschaving volkomen vertrouwd, misschien zijn volk te ver vooruit was, was minder krijgsman dan wel regent, wetgever en hervormer, die zijn volk tot een hooger trap van beschaving wilde opvoeren. Mirko, zijn broeder, was daarentegen volbloed soldaat, en wel een montenegrijnsch soldaat, die zich bitter weinig bekreunt om de vormen en eischen en behendigheden der diplomatie. Zijn leven lang was hij het meest geduchte krijgshoofd; hij was het, die als opperbevelhebber te Grahovo, aan de Turken, onder aanvoering van Hussein-pâsja, die geduchte nederlaag toebracht, die zijn roem door het gansche Oosten vestigde en die de Turken niet kunnen vergeten. De Porte liet ook de gelegenheid niet voorbijgaan, om haar wraak aan hem te koelen; toen het turksche leger, met verpletterende overmacht op verschillende punten te gelijk in het land gedrongen, eindelijk voor de derde maal de hoofdstad bedreigde en Europa zich genoodzaakt zag tusschenbeiden te komen, werd in art. 5 van het vredesverdrag tusschen den jongen Vorst Nikolaas en Omer-pâsja bepaald, dat Mirko uit het land gebannen zou worden. Het was zeker hard voor den zoon, zulk een traktaat te moeten onderteekenen; maar aan den anderen kant was het eene vleiende onderscheiding voor Mirko, dat de gezworen vijanden van zijn volk zoo hoogen prijs stelden op zijne verwijdering. Deze bepaling bleef evenwel een doode letter, en gedurende de vijf jaren van betrekkelijken vrede, die nu volgden, wijdde Mirko zich met alle kracht aan de reorganisatie der strijdkrachten van het vorstendom. In 1867, toen Vorst Nikolaas in Frankrijk vertoefde, brak de cholera te Cettinjé uit en verspreidde zich met snelheid door bijna alle provinciën; de Vorst keerde onmiddellijk terug, en kwam nog juist bij tijds om zijn vader in zijn armen te zien sterven, slachtoffer der onverbiddelijke kwaal.

Kort na zijne troonsbeklimming, in November 1860, trad de Vorst in het huwelijk met Milena Petrowna, dochter van den woïwode Petar Voukotich: eene verbindtenis, naar de gewoonte des lands, reeds lang te voren vastgesteld tusschen Mirko en den woïwode, die wapenbroeders en vrienden waren. Het huwelijk had al aanstonds dit voordeel, dat aan het hoofd der kleine hofhouding geene vreemde dame optrad, wier gewoonten, wier smaak en geheele levenswijze misschien in contrast zouden zijn met die des lands. De Prinses, eene rijzige, statige vrouw met een regelmatig ernstig schoon gelaat, waarvan de mat bleeke tint nog te meer uitkomt door het fraaie zwarte hair en de groote levendige oogen, draagt altijd het nationale kostuum, dat bij personen van hoogen rang, door de toegevoegde versierselen, in dubbele mate schilderachtig mag worden genoemd. De Prinses is moeder van zeven kinderen, zes dochters en een zoon, die den Keizer van Rusland tot peter heeft.

Prinses Milena spreekt vloeiend fransch, en neemt rechtstreeks aandeel aan de regeering: eene uitzondering op den gewonen regel in deze landen, waar alleen de moeder met bijzonderen eerbied bejegend wordt, maar de echtgenoote en de zuster doorgaans eene ondergeschikte plaats innemen. Nicolaas I, die meermalen van de nationale gewoonten is afgeweken, heeft, bij eene plechtige gelegenheid, openlijk als zijn wil te kennen gegeven dat zijne gemalin de leiding der regeering op zich zou nemen. Het was in December 1868, toen de Vorst naar Rusland ging om den Keizer, van wien hij voortdurend zoo vele bewijzen van genegenheid ontvangen had, zijne hulde te brengen; vóór zijn vertrek deelde hij aan de consuls te Ragusa en te Skutari, en aan de pâsjas der naburige provinciën mede, dat de Prinses gedurende zijne afwezigheid met het regentschap was belast. Dit is eene nieuwigheid. Prins Milan van Servië handelt op gelijke wijze, daarbij onze westersche gewoonte volgende, maar zeer in strijd met de bijkans oostersche zeden van het land, waar de Turken, hunne gezworen vijanden, sedert vier eeuwen nevens hen gekampeerd, hunne vrouwen naar den harem verwijzen, en alleen aan de Sultane-Valide soortgelijke voorrechten toekennen.


Montenegrijnsche vrouw uit Berda.

Tusschen den Vorst en zijne onderdanen staat geen tusschenpersoon, en niets misschien treft den vreemdeling meer, dan de echt patriarchale eenvoudigheid, die aan iederen Montenegrijn zonder onderscheid het recht toekent, onmiddellijk tot den soeverein te naderen: een recht, waarvan zelfs de eenvoudigste zonder schroom of aarzeling, zij het ook met betamelijken eerbied, gebruik maakt. Toch vertoont Nikolaas zich nooit aan zijne onderdanen dan omgeven van den praal en de staatsie, aan zijn rang verbonden,—en ook deze bladzijde 276vertooning strookt geheel met de zeden des volks; maar desniettegenstaande is er hier nog iets overgebleven van de antieke zeden, van die aloude gemeenzaamheid tusschen Vorsten en onderdanen, die niet in het minste afbreuk deed aan de achtbaarheid en het ontzag, doch waarvan wij geen begrip meer hebben. Den morgen na onze komst te Cettinjé, terwijl ik in de kamer van het logement zat te teekenen, zag ik den Vorst uitgaan, vergezeld van een talrijken stoet, bestaande uit senatoren, ministers, woïwoden, de lijfwachten en de perjaniks of gendarmen, in alles een dertigtal personen, allen in nationaal kostuum. De meesten, althans de aanzienlijksten, droegen hooge kaplaarzen; de anderen, zoogenaamde dokolienitsé of albaneesche slopkousen. De Vorst liep alleen, eenige schreden vooruit, ongewapend en met een rijzweep in de hand; de hooge staatsambtenaren volgden hem, en daarachter de hoofden, naar hun rang gegroepeerd. Van tijd tot tijd stond de Vorst stil om een voorbijganger aan te spreken, die, met de beretta in de hand, na eene lichte kniebuiging, op zijne vragen antwoordde. In de vlakte gekomen, zette Nikolaas zich op een boomstam neer; enkele personen waren hem gevolgd, en een daarvan ging recht op hem toe, bleef op eenige schreden afstands voor hem staan en richtte het woord tot hem. De Vorst luisterde, en gaf nu en dan een kort bescheid; anderen volgden den eersten spreker op, en het onderhoud duurde alzoo een geruimen tijd. Op dezelfde wijze spreekt Nikolaas bij wijlen recht, beslist een geschil, smoort in de geboorte eene dreigende vendetta, verhindert een misdaad, voorkomt een ongeluk of troost een beproefde. Dien eigen avond, toen wij ten paleize waren, verhaalde Zijne Hoogheid ons, dat een boer uit Rjeka niet had geschroomd hem bladzijde 278te spreken over den moord te Podgoritza, en hem met die woordenrijkheid, aan alle Serviërs en met name aan de Montenegrijnen eigen, den indruk had geschetst door dien moord veroorzaakt, en het vertrouwen uitgesproken dat hij, Nikolaas, tijdig zou weten te handelen.


Koopvrouw te Cettinjé.

Zooals ik zeide, die rechtstreeksche gemeenschap van den Vorst met zijn volk is een der opmerkelijkste, en laat ik er bijvoegen een der beste, eigenaardigheden van deze regeering. De Vorst verneemt persoonlijk allerlei klachten; hij is in onmiddellijke aanraking met iedereen, van den woïwode tot den armsten herder, die zijne toevlucht tot hem neemt; hij weigert niemand gehoor, en geen Montenegrijn, hoe onaanzienlijk hij ook moge wezen, zal ooit de hulp van een ander inroepen, als het er op aankomt zijne eigene zaak voor te dragen en te verdedigen. In het goede jaargetijde wordt deze vierschaar doorgaans onder den moerbeziënboom, nabij den put in de hoofdstraat, gespannen, of wel onder den boom voor den ingang van het klooster, waar een rondloopende bank is geplaatst. Men denkt daarbij aan den klassieken eik, onder welken Lodewijk de Heilige placht recht te spreken. Ook van nog andere tooneelen zijn die boomen vaak getuige. In 1861 was de Vorst, toen twintig jaar oud, werkeloos toeschouwer van de worsteling tusschen de Serviërs van Herzegowina, onder aanvoering van Luka Voukalovicz, en de Turken. De openbare rouw over den dood van Danilo I was nog niet afgeloopen, toen op zekeren morgen een bode van een woïwode nabij de grens aan het paleis aankwam met de tijding dat de vijand den voet had gezet op montenegrijnsch grondgebied. Nikolaas beval dat de standaard, die van wege den rouw van het paleis was weggenomen, weder zou worden geplaatst; paarden, wapenen en ammunitie werden in gereedheid gebracht; naar alle zijden werden boodschappen gezonden, en des avonds, tegen het ondergaan der zon, zette de Vorst zich neder onder den grooten boom in de vlakte. Alle inwoners van Cettinjé schaarden zich om hem, en daar verklaarde hij den oorlog door het aanheffen van de Pesmas, die schoone, opwekkende, vurige, nationale krijgszangen, die ook in de minst strijdlustige harten den moed en de geestdrift doen ontvlammen.

V.

Tot voor weinige jaren was de regeering in Montenegro zuiver autokratisch; er bestond geene andere wet of recht dan het aloude gewoonterecht, dat bij overlevering van het eene geslacht op het andere overging. Danilo I heeft, in overleg met de stamhoofden en de oudsten des volks, een algemeen wetboek uitgevaardigd, dat, zooals in het besluit wordt gezegd, is opgesteld, opdat “voortaan daarnaar allen zouden worden geoordeeld, Montenegrijnen en Berdianis, grooten en kleinen, armen en rijken, daar allen er gelijke aanspraak op hebben dat hun recht geschiede.” Dit wetboek, den 23sten April 1855 uitgevaardigd, en waarvan genoeg exemplaren gedrukt zijn dat ieder inwoner er een bezitten kan, bestaat uit drie-en-negentig artikelen; het handelt over allerlei onderwerpen en schijnt in alle mogelijke gevallen te hebben voorzien, behalve die uitsluitend eigendomskwesties betreffen. Zoo als wij later zullen zien, heeft de regeerende Vorst de noodzakelijkheid erkend, om het wetboek van Tzernagora meer in overeenstemming te brengen met de wetboeken, die in de andere landen van Europa gelden. De taak om een nieuw wetboek te ontwerpen is in 1871 opgedragen aan een zeer bekwaam rechtsgeleerde, den heer Bogosic, van Ragusa, staatsraad en hoogleeraar aan de universiteit van Odessa, die daaraan zijne beste krachten wijdt.

Het was in het jaar 1851, dat de grootste en belangrijkste staatkundige hervorming door Danilo I werd tot stand gebracht. Tot dien tijd toe was, zooals ik gezegd heb, het wereldlijk en geestelijk gezag in ééne hand vereenigd: de Vladika was tegelijk bisschop, vorst en opperbevelhebber des legers; met nog meer recht dan de Tsaar, kon de Vladika van Montenegro autokrator worden genoemd. Danilo deed afstand van zijn geestelijk gezag; en daardoor onderging de regeering van het vorstendom eene zeer belangrijke verandering, zoowel wat den aard van het gezag betrof, als de wijze waarop het wordt uitgeoefend; sedert dien tijd kan men zeggen, dat de regeeringsvorm van Montenegro de absolute, erfelijke monarchie is. Hier doet zich eene gewichtige vraag voor: zijn de Turken, die beweeren dat Montenegro door Sultan Moerad I bij hun rijk, en door Mahomed II meer bepaald bij Albanië, werd ingelijfd,—rechtens en feitelijk de suzereinen van het vorstendom?

De volledige bespreking dezer ingewikkelde vraag zou ons ver kunnen leiden, en zou eene ruimte vorderen, waarover ik hier niet beschikken mag; op grond van zeer ernstige historische studie en de nauwkeurige lezing van alle turksche en montenegrijnsche diplomatieke dokumenten sedert de vredesverdragen van Carlowitz en Passarowitz, meen ik echter het recht te hebben, zeer stellig te antwoorden: Montenegro is eene van de Porte onafhankelijke mogendheid. In den franschen Moniteur officiel van 11 Mei 1858 verscheen eene opmerkelijke nota, die te Constantinopel groot opzien baarde, en welke, zoo als naderhand bekend werd, was opgesteld door den heer Faugère, die eene aanzienlijke betrekking bij het departement van buitenlandsche zaken te Parijs bekleedde. Deze nota is zeer kategorisch, zeer positief, en stelt tegenover de oostersche spitsvindigheden de onverbiddelijke logika der feiten. “De ottomannische Porte kan zich noch op onbetwistbare rechten, noch op redenen van dringende noodzakelijkheid beroepen. Er zijn hier twee vraagpunten, die wel onderscheiden moeten worden: vooreerst, bezit de Porte soevereiniteitsrechten op Montenegro; ten andere, moeten sommige distrikten, die beurtelings in handen der Turken en in die van den Vorst van Montenegro zijn geweest, gerekend worden tot dat vorstendom te behooren, of maken zij deel uit van turksche provinciën? Ten aanzien van het eerste punt, beroept de Porte zich op het recht van verovering; en dit is ook inderdaad het eenige recht, waarop zij zich met eenige waarschijnlijkheid zou kunnen beroepen, want er bestaat tusschen haar en Montenegro geen enkel verdrag, bladzijde 279waarbij haar eenig recht van soevereiniteit wordt toegekend. Blijft dus de verovering: maar het feit der verovering op zich zelf vestigt geen wezenlijk recht dan onder zekere voorwaarden, waarvan de voornaamste is de voortdurende en blijvende bezetting van het veroverde land, of ten minste de volkomen onderwerping blijkbaar uit daden van soeverein gezag, zoo als bij voorbeeld, het opleggen van een schatting, de tegenwoordigheid van een garnizoen, enz. Nu weten wij uit de geschiedenis, dat zoo de Turken somwijlen met goed gevolg Montenegro hebben aangevallen, zij zich toch nooit in dat land hebben kunnen staande houden; en het is een onbetwistbaar feit, dat nu welhaast sedert een eeuw Montenegro voor hen volkomen gesloten is geweest.”

Nikolaas I, soeverein van een onafhankelijk land, bezat, gedurende de eerste jaren zijner regeering, een onbeperkt gezag; sedert heeft hij, althans in theorie, vrijwillig van een deel van zijn gezag afstand gedaan door de instelling van een ministerie, en door het beheer over verschillende takken van administratie aan sommige door hem gekozen aanzienlijken op te dragen. Tot op dien tijd beschikte hij, zonder eenige controle, over al de inkomsten zoowel van den staat als van de kerk. Er bestond wel nevens, of liever onder den Vorst, eene algemeene vergadering of Skoeptchina, maar zij werd niet dan in buitengewone omstandigheden bijeengeroepen, en dan slechts om in een of ander bepaald geval eene beslissing te nemen. Er was ook een Senaat; deze bestaat nog; wij zullen zien hoe dit lichaam is samengesteld, en het zal ons blijken, dat het gezag van den Vorst door dit college niet te zeer aan banden wordt gelegd.

De Senaat (in het servisch Sovjet) werd in 1831 door den Vladika Peter II in het leven geroepen; destijds benoemde de Skoeptchina of volksvergadering de twaalf leden, waaruit de Senaat bestond; de Vladika had echter het recht van veto, en kon de benoeming van hem ongevallige personen weigeren; langzamerhand, en reeds in de eerste jaren der regeering van Danilo, werd de keus der senatoren geheel aan den Vorst overgelaten, en benoemde de Skoeptchina alleen diegenen, die hij aanwees:—het was de officieele kandidatuur in optima forma. Het duurde niet lang, of de vergadering werd in het geheel niet meer opgeroepen; de Vorst zelf benoemde nu rechtstreeks de twaalf senatoren, en droeg het voorzitterschap van den Senaat op aan zijn broeder of een zijner naaste bloedverwanten. In eene soort van constitutie was de bepaling opgenomen, dat de Senaat over de wetsontwerpen zou beraadslagen en die aan de goedkeuring der Skoeptchina onderwerpen; maar aangezien in landen als Montenegro de rechtsbedeeling hoofdzaak en rechtsmacht het voornaamste privilegie is, en de Senaat door Peter II juist was ingesteld om den al te grooten invloed te breken, dien de stamhoofden in hunne hoedanigheid van rechters bezaten,—lag het in den aard der zaak, dat ook de Senaat zelf, reeds onder de regeering van Danilo I, een zuiver rechterlijk college werd. Zoo vaak hij heeft gepoogd, die perken te overschrijden, heeft de Vorst onmiddellijk aan die aanmatiging een einde gemaakt, door, overeenkomstig het hem bij de constitutie toegekende recht, den Senaat te ontbinden. Kort voor mijne komst in Montenegro had dit wederom plaats gegrepen.

Onder Danilo was het voorzitterschap van den Senaat opgedragen aan Mirko, den vader van den regeerenden Vorst; na zijn dood, werd deze waardigheid toevertrouwd aan een neef van den Vorst, Bozidar Petrowitch, die zijne opvoeding in Frankrijk ontvangen heeft, en van wien wij later nog spreken zullen. De schoonvader van den Vorst, Petar Stephanow Voukotich, is onder-voorzitter van den Senaat. Men ziet dat de toegangen tot het gezag wel bewaakt zijn: en sedert de uitvaardiging van de fameuse turksche constitutie, zijn de Montenegrijnen, in vergelijking met de Porte, bepaald als reactionnairen te beschouwen!

De montenegrijnsche Senaat telt zestien leden, de voorzitter en ondervoorzitter daaronder begrepen; het budget van dit regeeringscollege bedraagt vijftienduizend-negenhonderd francs. De president geniet een jaarwedde van drieduizend-vijfhonderd francs; de vice-president van drieduizend; vijf senatoren, die uit de invloedrijkste bewoners van de hoofdstad gekozen worden, ontvangen jaarlijks vijftienhonderd francs, en de negen anderen, uit de meest gegoede bewoners der verschillende provinciën gekozen, krijgen zevenhonderd-vijftig francs. Die jaarwedden zijn niet overdadig, maar het geheele budget is even nederig, en het is ook meer eene tegemoetkoming, dan wel eene eigenlijke bezoldiging. De senatoren hebben geen bijzonder kostuum, maar spreiden toch in hunne kleeding eene weelde ten toon, overeenstemmende met den hoogen rang, dien zij bekleeden.

In den eersten tijd vergaderde de Senaat in een soort van loods, nabij het klooster te Cettinjé staande en in twee afdeelingen gesplitst: de eene afdeeling diende voor paardenstal, de andere was de vergaderzaal van den Senaat. In den stal bond ieder senator, die van buiten kwam, eer hij zich naar de vergadering begaf, zijn paard of muilezel aan een spijker vast; in de vergaderzaal zelve ging het niet minder huiselijk toe: men zat, al rookende, rondom den vuurhaard, en hing de geweren in een rek op, maar hield de dolken en pistolen in den gordel. Duurde de discussie wat lang, dan gebeurde het meermalen, dat in de zaal zelve een schaap aan het spit gestoken, gebraden en opgegeten werd; inmiddels hield de secretaris, op turksche manier neergehurkt, op zijn knie aanteekening van het verhandelde. Maar deze zeden, die aan de homerische tijden herinneren, zijn sedert veranderd.

Tegen het einde der regeering van Danilo, werd er aan het oude paleis een vleugel bijgebouwd, om de senatoren te herbergen, en sedert 1873 houdt de Senaat daar zijne zittingen. Van de vergaderzaal valt niets te zeggen: zij is zonder eenig sieraad hoegenaamd, een hol vertrek met naakte muren. Een soort van balustrade vormt de scheiding tusschen de senatoren en hen, die voor hunne rechtbank moeten verschijnen. Als de Vorst, hetgeen dikmaals gebeurt, de vergadering bijwoont, eischt de etikette dat op de voor hem bestemde bank een wollen zak worde gelegd, bladzijde 280even als voor den kanselier in Engeland. Gewoonlijk echter vergaderden de senatoren vroeger niet in deze zaal, maar onder den moerbeziënboom in de voornaamste straat der stad; maar dat waren toch, geloof ik, meer officieuse bijeenkomsten, zoo als de heeren nu nog wel, bij goed weder, bijeenkomen voor de poort van het klooster onder den lommer van den prachtigen boom, die zich daar verheft.

In 1873 stelde de Vorst een ministerie in; maar de plaag der bureaukratie bleef tot hiertoe aan Montenegro gespaard. Van nature is de Montenegrijn geen liefhebber van een zittend leven. In 1871 werden de stamhoofden, de woïwoden, die aan de spits van elke nahija stonden, en tegelijk met rechterlijk en militair gezag waren bekleed, vervangen door een soort van gouverneurs of prefecten; tegelijker tijd werd een krachtige stoot gegeven aan het lager onderwijs, werden telegrafen aangelegd, en allerlei hervormingen en nieuwigheden ingevoerd. Er werd zelfs een echt officieus dagblad opgericht, de Tsernagorats, dat, bij gebrek aan abonné's, de uitgave moest staken, maar spoedig daarop herleefde onder den titel Glas Tsrnagorski, Stem van Montenegro. Dit alles is nu zeer loffelijk: maar de eerste en meest dringende hervorming, belangrijker dan alle andere, is toch het aanleggen van wegen. De Vorst is er nog niet in geslaagd, de verschillende deelen van zijn kleinen staat met elkander in gemeenschap te brengen; men kan in Montenegro nog niet anders dan te voet of te paard reizen, en ook dan zelfs is dit op sommige punten niet zonder inspanning en gevaar mogelijk. Er is een begin gemaakt met den weg, die Cettinjé met Cattaro moet verbinden; maar van dien weg is nog maar een klein stuk voltooid. Trouwens, het is een zwaar en moeilijk werk, en voor de voltooiing zou men over ruimer middelen moeten beschikken, dan het arme vorstendom vermag; bovendien heeft men er eene politieke kwestie van gemaakt, en wordt het werk opzettelijk tegengehouden.


Rouwbedrijvende Montenegrijnen te Cettinjé.

( Wordt vervolgd .) bladzijde 281



1 Geschreven half Juni 1877.

2 De naamsafleiding blijft onzeker. De verklaring van den heer Yriarte schijnt niet vrij van gezochtheid. De naam van zwarte bergen is te zonderlinger, omdat de bergen van Montenegro kalkbergen, en dus niet donker, maar lichtgrijs of wit van kleur zijn. Heeft men die bergen zoo genoemd, toen zij vroeger met donkere pijnbosschen waren bedekt? Of moet de naam in figuurlijken zin worden opgevat, en beteekent zwarte bergen zooveel als bergen der ballingen, bergen der verschrikkelijken? (Vert.)

Reis naar de mijndistrikten van westelijk Zevenbergen.

(Vervolg van bladz. 152.)


De Maagdenrots.

VI.

Ten westen van Thorda verheffen zich naakte, grijze, leelijke heuvelen, die, althans op het eerste gezicht, zich door niets bijzonders schijnen te onderscheiden. Echter wees men ons van verre een spleet, niet ongelijk aan den mond van een ravijn, en men beschreef ons die kloof als een verwonderlijk schoone bergpas. Wij lieten ons overhalen, en togen op weg ter bezichtiging van dit wonder.

De zeer moeilijke en lastige weg, met steenen bezaaid en zeer steil afdalende, loopt om een heuvel, waarin hier en daar sneeuwwitte albastrotsen door de dunne aardlaag te voorschijn komen, die met distelen, onkruid, gras en mos bedekt is. Wij gaan door een kleinen pas en dalen af in een weiland, waar een smal beekje zich murmelend tusschen het hooge gras kronkelt. Den loop dier beek volgende, komen wij weldra aan een geheel met meel bestoven molen, die daar als te midden der aardige watervalletjes schijnt neergeworpen. Voor den ingang zit eene schoone rumenische vrouw te spinnen. Haar echtgenoot, een prachtige jonge man met lange blonde hairen en een vriendelijken lach om de lippen, leidt ons zijne woning binnen, richt eenige bescheiden vragen tot ons, en laat ons zijne heiligenbeelden zien: oude byzantijnsche kunstwerken, die voor een liefhebber van antieke symbolische kunst veel geld waard zouden zijn.

Deze molen staat juist aan den ingang van de bergengte. De heuvelreeks met hare eentonige hellingen splitst zich hier, en vormt twee witte of goudgele rotswanden, bezaaid met zwartachtige mossen. De blik klimt langs de grillig gevormde wanden omhoog en ziet op naar den hemel, die zich als een blauw lint boven den langen, smallen pas uitspant; beneden is men in de vochtige schaduw als verloren.

Een der uitgetande rotspunten, die de smalle kloof beheerschen, is geheel doorboord en laat een helderen lichtstraal door; andere spleten en kloven schijnen daarentegen zwarte gapende muilen. Twee dezer grotten hebben dit eigenaardige, dat zij inderdaad maar eene enkele grot vormen, die door de kloof in tweeën gedeeld is. De reusachtige portalen, ter wederzijde van het enge dal, passen volkomen bij elkander: een bergstroom holde de rotsen uit toen de kloof, die volgens de legende door het zwaard van den heiligen Ladislaus geopend werd, nog niet bestond, en de heuvel nog slechts ééne samenhangende massa vormde. In voorhistorische tijden moeten vluchtelingen de ingangen dezer grotten hebben versterkt; de overblijfselen der poorten zijn nog op de hellingen zichtbaar. Scharen van vleermuizen bevolken thans de straten der twee oude onderaardsche steden.

De bergengte is niet uitgestrekt, maar wij hadden ons lang opgehouden, en beklommen nu haastig een uitspringenden heuvel, om daarna weder af te dalen bladzijde 282naar het dorp Meskö, op een albastrots gebouwd, die den Aranyos beheerscht. Daar wachtte ons, sedert eenige uren, het rijtuig, dat een gastvrije Magyaar ons te gemoet gezonden had. De vier vurige paarden, die naar den stal verlangden, joegen voort in galop; maar telkens moesten zij hun drift betoomen, want de weg is een echte zevenbergsche weg: dat wil zeggen, goed, overal waar de natuur daarvoor gezorgd heeft, maar doorgaans hobbelig, vol gaten en kloven, bezaaid met steenen en rotsblokken, en door afgronden omzoomd. Het was ons dus eene ware uitkomst, toen wij in de vlakte van Keresztes de groep van hooge populieren bespeurden, waarachter de woning wegschool, in welke ons een gewenschte avondmaaltijd wachtte. Welk een aangenaam verblijf in deze eenvoudige landelijke woning! Zij maakt geen aanspraak op architectonische schoonheid; maar het is een genot, dien houten trap te beklimmen en te wandelen onder die ruime veranda, die de welriekende heesters van den tuin schier met hunne bloemrijke takken omslingeren. Door het gebladerte heen ziet ge de stallen en de schuren, om een ruim grasveld gebouwd; eene ruischende beek stuwt haar helder water voort achter een dichte rij boomen en verdwijnt straks onder de wilgen langs de oevers van den Aranyos. Ik meende een oogenblik overgebracht te zijn naar eene plantage in Louisiana, en de gulle gastvrijheid, waarmede wij in het huis ontvangen werden, droeg er toe bij, om dien indruk te versterken.

Den volgenden morgen vroeg rolde ons rijtuig reeds door de vruchtbare vlakte, waar het ongetemde volk der Daciërs vergeefs den schok poogde te weerstaan der legers van Trajanus, en zagen wij steeds duidelijker de opening der bergvallei voor ons, waaruit de Aranyos te voorschijn treedt. Wij stonden aan den drempel van het beroemde land, dat, vóór de ontdekking van Amerika, door den rijkdom zijner mijnen, voor de volken van Europa de groote schatkamer der kostbare metalen was.

De ingang van het smalle dal, een ware triomfboog, wordt gevormd door eene opening, die de ingenieurs, ten behoeve van den weg, in de porfierrots hebben uitgehouwen. De soort van obelisk aan den noordelijken oever van den stroom draagt den naam van Leany-Kö of Maagdenrots, ter eere eener jonge prinses, die door de Tartaren in haar burcht belegerd werd, en die een middel wist te vinden om 's nachts te ontsnappen en de wijk te nemen op deze rots.

Het meest in de nabijheid van Thorda liggen de mijnen van Torotzko, in eene nevenvallei, ten zuiden van de rivier. Naar het schijnt, bevatten de bergen van dit distrikt ook een overvloed van lood, zwavellood en kwikzilver; maar sedert onheugelijke tijden worden alleen de ijzermijnen geëxploiteerd. Sedert eeuwen danken de inwoners aan deze industrie hunne buitengewone welvaart, en vooral ook hunne vrijheid. Als mijnwerkers en vervaardigers van allerlei gereedschappen en wapenen, hadden zij het voorrecht verworven, zich zelven naar eigen wetten te mogen regeeren.

Terwijl ons rijtuig langzaam den weg volgde, die uit de vallei van den Aranyos, al slingerende, de hellingen van den berg Szekel-Kö bestijgt, verhaalde een mijner reisgenooten in 't kort de geschiedenis van het mijnwerkers-stadje. Reeds in de tiende eeuw werden de mijnen dezer streek door magyaarsche kolonisten bewerkt, maar de wijze van bewerking was hoogst gebrekkig; de eerste vaste smeltovens werden opgericht door oostenrijksche kolonisten uit het distrikt Eisenwürzel. Die bekwame mijnwerkers verbroederden zich gemakkelijk met de bewoners des lands, namen de taal en de zeden der Magyaren aan, en losten zich geheel in de massa der bevolking op. Slechts eene enkele gewoonte is in stand gebleven als eene herinnering aan den duitschen oorsprong: bij bruiloftsmaaltijden, zijn het de genoodigden, die voor den wijn zorgen. Maar deze gewoonte, die eene ergernis is voor de Hongaren der andere distrikten, daargelaten, onderscheiden de inwoners van Torotzko zich, wat hunne zeden aangaat, gunstig van de meeste andere bewoners van Zevenbergen. De vrouwen genieten hier de algemeene achting en eene groote mate van vrijheid; voor het onderwijs wordt behoorlijk gezorgd; mannen en vrouwen kunnen bijna zonder uitzondering lezen, schrijven en rekenen, en weten iets van de geschiedenis des vaderlands; de magyaarsche taal wordt hier met groote zuiverheid gesproken; luiheid is eene schier onbekende ondeugd.

Dadelijk na onze komst te Torotzko, trachtten wij de herberg op te sporen; maar te vergeefs wandelden wij het groote marktplein rond, dat, op dit uur van den dag, eene gloeiende zandwoestijn geleek. De huizen, van steen gebouwd, en niet, zoo als veelal in Zevenbergen, van leem of van hout, trokken onze aandacht door hunne groote zindelijkheid. De gevels geleken allen op elkander, en prijkten met halve kolommen en ruw beeldwerk: dit is wel geene kunst, maar in ieder geval verdient de bouwmeester waardeering wegens zijne goede bedoelingen. Korten tijd geleden was Torotzko door een hevigen brand geteisterd, waarvan hier en daar nog zeer duidelijke sporen te herkennen waren; eene geheele wijk der stad was nieuw opgebouwd. Maar de herbouwing was nog niet voltooid, en zoo ontbrak ook nog steeds de herberg. Wij moesten dus een beroep doen op de hongaarsche gastvrijheid.

Wij spraken een man aan, die op den nok van een dak zat, en eenige beleefde woorden waren voldoende om de deur der woning voor ons te openen. De mooie kamer, waarin wij gelaten werden, was niet zeer ruim; maar zij bevatte niettemin eene menigte voorwerpen, die er allen even netjes uitzagen en die met groote kunst in deze kleine ruimte waren gerangschikt. Langs de witgepleisterde wanden hingen de portretten van de hoofden en leiders der hongaarsche omwenteling van 1849, voorts gekleurde platen en photografiën; aan de balken der zoldering hingen beschilderde potten van verschillenden vorm; de banken, de tafel, het bed waren beschilderd met bloemen naar oosterschen trant; in een hoek van het vertrek stond een fraai bewerkte kachel, waaromheen een steenen bank eene geschikte zitplaats aanbood; op het bed, dat met geborduurde gordijnen omhangen was, lagen vier reusachtige matrassen of dekbedden, geheel met rood borduursel overdekt en bijkans tot aan de zoldering reikende; fraaie, rood en zwart bladzijde 283gewerkte doeken waren aan de zoldering bevestigd, overal waar de schotels en pannen eene plaats vrij lieten. Naar men mij zeide, vindt men in de meeste huizen van Torotzko gansche reeksen van boeken opgehangen aan de balken, even als de hammen en worsten in de boerenwoningen van het zuiden van Frankrijk; maar bij onzen gastheer was geen ander boek te vinden dan eene verzameling van nationale liederen. Wij dorsten ons nauwelijks verroeren in dit kleine museum, uit vrees van iets omver te werpen of te beschadigen; en toch wist de vrouw des huizes ons hier een maaltijd te bereiden en een behoorlijk nachtverblijf in te richten, zonder de orde in de kamer eenigszins te verstoren. Toen wij den volgenden morgen van deze vriendelijke lieden afscheid namen, zag de kamer er weer geheel als een museum uit.

Er heerscht te Torotzko eene algemeene welvaart, zoo als genoegzaam blijkt uit de weelde en den rijkdom der kleeding op zon- en feestdagen: hier vindt men de oude duitsche kleederdrachten terug uit de middeleeuwen, nevens die van Hongarije en het Oosten. De gehuwde vrouwen en de jonge meisjes, de jongelingen en de volwassen mannen zijn van elkaar onderscheiden door de kleur der linten en borduursels hunner gewaden; bovenal munten de jonge meisjes, die er voor het meerendeel gansch niet onaardig uitzien, door pracht en rijkdom van kleeding uit. Om het fijne middel dragen zij een gordel van roode zijde met gouden kwasten, en dikwijls met edele steenen versierd; de fuzö, die de borst bedekt, is met parelen en gekleurde zijde gestikt, terwijl een prachtige witte bonten pels den glans dezer sieraden nog beter doet uitkomen; van haar mutsje van goudlaken hangen veelkleurige linten en vergulde franjes af. Zulke kostumen, die inderdaad eene kleine fortuin vertegenwoordigen, zijn alleen mogelijk in een land, waar de voornaamste kleedingstukken en sieraden onveranderd van geslacht op geslacht overgaan; toch vraagt men zich met eenige bevreemding af, hoe de middelen hier zulk eene weelde kunnen veroorloven.

De oude ijzerindustrie draagt nog maar voor een zeer klein gedeelte bij tot dien voorspoed van Torotzko. Wij bezochten de armzalige smeltovens van den omtrek; moeilijk kan men zich iets ongelukkigers en onbeholpeners denken: mij dunkt, zóó moeten de negers in het hart van Afrika arbeiden. Als men ziet, hoe, in afgelegen streken, zulke aartsvaderlijke wijze van werken van eeuw tot eeuw blijft voortbestaan, dan begrijpt men eerst ten volle de kracht der gewoonte of liever der erfelijkheid: de zoon werkt op dezelfde plaats, waar zijn vader en zijn grootvader hebben gearbeid; hij hecht zich aan dezelfde mijn, aan dezelfde manier van werken, hoewel hij er maar weinig voordeel van trekt, en door anderen arbeid veel meer zou kunnen verdienen; er is niets minder dan eene omwenteling noodig, of wel de prikkel van het uiterste gebrek, om hem los te maken van den ouden, traditioneelen sleur.

Tegenwoordig worden de kosten van exploitatie der meeste smeltovens niet meer door de winsten opgewogen, en het aantal der verlaten mijnen vermeerdert van jaar tot jaar. In een menschenleeftijd is de produktie van het metaal met tweederde verminderd: zij is van zeshonderd tot tweehonderd ton gedaald, en zal waarschijnlijk binnen kort geheel ophouden, tenzij de industrie eene herschepping onderga en de bereiding van het erts op goedkooper wijze geschiede. De burgers van Torotzko, verstandiger dan velen hunner buren, zijn er dan ook reeds op bedacht om deze vervallen industrie door een ander meer winstgevend bedrijf te vervangen: zij leggen zich voornamelijk toe op het kweeken van ooftboomen. Zij zijn ook algemeen bekend als uitmuntende landbouwers, en het graan hunner akkers is het beste van geheel Zevenbergen. Het ware te wenschen dat zij ook de boschkultuur ter harte namen, en aan hunne naakte velden de groene kroon wedergaven, die zij sedert eeuwen met zoo ruwe hand hebben uitgeroeid!

De berg, die zich ten oosten van Torotzko verheft, is in de geschiedenis van Zevenbergen beroemd: hij draagt den naam van Szekel-Kö of Rots der Szeklers. Op den top stond weleer een sterk kasteel, dat in de dertiende eeuw door de Mongolen belegerd werd. De bezetting, tot het uiterste gebracht, stond op het punt zich over te geven, toen eensklaps de Szeklers, uit hunne valleien in de Karpathen toegesneld, ter hulpe opdaagden en de aziatische horden op de vlucht dreven. Sedert deze overwinning, behoort de berg aan de bevrijders, en de brokken muur, die men nog heden op den top ziet, zijn de overblijfsels van door hen gestichte gebouwen. Nog altijd wordt de dag dezer zegepraal feestelijk gevierd; volgens een overoud gebruik, gaan de inwoners van Torotzko dan naar buiten om hooge masten te planten, waaraan vlaggen en banieren wapperen, en die de opgerichte lansen moeten verbeelden, welke voorheen de grafkuilen der krijgslieden aanwezen.

Om naar Torotzko terug te keeren, namen wij den weg door een andere bergkloof, niet minder beroemd dan die van Thorda, en waar ook menigmaal het bloed heeft gestroomd; de grotten in de prachtige rotsen zijn een geliefkoosd verblijf voor de arenden. Aan het boveneinde dezer enge vallei ligt het dorp Torotzko-Szent-Györgyö, waardoor wij naar de stad terugkeerden. De beide burchten, waaraan het dorp zijn naam ontleent, en die beiden aan een geslacht behoorden, dat in erfelijke veete met de burgers van Torotzko leefde, zijn thans niet meer dan bouwvallen. De oude feodale burcht, die den heuveltop kroonde, is geheel verdwenen, op een geschonden, half ingostorten toren na; en het meer moderne kasteel, dat zich in de vlakte verhief, werd in 1849 door de Walachen verbrand, en is sedert een ruïne gebleven. Maar de omstreken van het dorp zijn belangwekkend om de grotten van den berg Bedellö.

Deze kalkrotsen danken aan de boomen en het dicht struikgewas, tot dus verre aan de vernielende bijl des houthakkers ontsnapt, eene zekere wilde bekoorlijkheid, die aan de dorre wanden van de Rots der Szeklers ontbreekt. Langs de scherpe kanten der rots hangen groene kransen; saamgestrengelde takken verbergen halverwege den ingang der grotten; tusschen twee fijne varenstruiken ziet men de grillige kegels der stalaktiten. Het is een stuk maagdelijke natuur, als bij vergissing overgebleven te midden van deze naakte velden; en wel bladzijde 284voegt hier die natuurlijke poort of boog, gevormd door een geweldig rotsblok, op twee andere steenmassaas rustende, die de wijde, wazige vlakte zoo schilderachtig omlijst. Boven op deze rotspoort staat een lange stok, waaraan eenige takken gebonden zijn, niet ongelijk aan een reusachtigen bezem: misschien is dit zonderling ornament wel een soort van talisman om de booze geesten te verdrijven.

VII.

Offenbanya, waarheen wij ons met rijtuig begaven, de goudstad, ligt in een fraaier en lachender vallei dan Torotzko, de ijzerstad. Murmelende beekjes dalen, met dartele sprongen, in schuimende watervalletjes naar de rivier af; aan den oever der stroomende wateren groeien populieren en wilgen; de huizen en hutten staan verspreid tusschen de weilanden en langs de helling der heuvelen. Nabij den top der omringende bergen ziet men zelfs—eene groote zeldzaamheid in dit gedeelte van Zevenbergen—nog overblijfselen der oorspronkelijke bosschen, met hunne door den bliksem getroffen boomen, hunne van ouderdom omgestorte beuken en dennen, hunne mengeling van allerlei geboomte, dat zijn gebladerte tot een dicht gewelf samenvlecht.


Goudmijn van Csetatye.

Den morgen na onze aankomst in het vlek Offenbanya, beklommen wij den trachietkegel Kolczu-Csoramului (dertienhonderd-twee-en-zeventig el hoog), en smaakten het genot, door een dezer wouden te wandelen. Aan den voet van den vulkanischen kegel ontsprong eene kristalheldere bron, waarvan het water, dank zij het dichte lommer, niettegenstaande de drukkende warmte, heerlijk frisch was; de zuivere, verkwikkende atmosfeer der weiden en bosschen schonk ons de noodige kracht voor de niet zeer gemakkelijke taak der beklimming; het gerucht van de vlakte drong niet door in dit zwijgende, eerwaardige woud, met zijn dicht aaneengesloten stammen, waar alles rust en vrede en heilige kalmte ademde.

De omstreken van Offenbanya, met zijn schilderachtige valleien en zijn trachietbergen, zijn nog altijd een bezoek waard; maar de goudmijnen, waarom het vlek vroeger en reeds in de middeleeuwen beroemd was, bestaan eigenlijk nog slechts in de herinnering.

De tijd, waarin, naar de overlevering meldt, de opzichters bij de mijnwerken zich over een pad van gouden schotels naar de kerk konden begeven, is sinds lang vervlogen. Een inwoner der streek gaf de meest juiste beschrijving van den tegenwoordigen toestand der mijnen, toen hij spottend opmerkte, dat bij de metaalwerken der streek acht personen geëmployeerd waren, vier mijnwerkers en vier beëedigde controleurs.


Magyaren van Torotzko.

Laat in den namiddag vertrokken wij van Offenbanya, bladzijde 286in de hoop dat wij in het dorp Bisztra een nachtverblijf zouden kunnen vinden. Het landschap beviel ons al meer en meer. De dichte en zware maïsstengels verborgen geheel en al de leemen wanden der hutten en lieten niets zichtbaar dan de puntige strooien daken, die op hooibergen geleken; de rivier kronkelde tusschen weilanden en bosschages, en weerspiegelde in haar heldere wateren het zonnelicht en de met purpergloed omzoomde wolken. Kleine walachijsche jongens, met aardige guitige gezichten en lange blonde hairen, maakten langs den weg de dolste duikelingen; bevallige jonge meisjes, met witte chemisette, geborduurd lijfje, groot, blauw en rood gestreept voorschoot, wierpen ons in het voorbijrijden een vluchtigen groet toe. Het land en de bewoners hadden iets idyllisch over zich; zelfs de kerkhoven zagen er feestelijk uit: rondom de kerken stonden mastboomen geplant, waaraan witte wimpels vroolijk wapperden.

Een mijner reisgezellen zeide mij, wat die vlaggen en wimpels te beduiden hadden: en nu kwam het landschap mij minder vroolijk voor. Bij den dood van een jonkman richt men op zijn graf zulk een vlaggestok op, als een symbool dat zijn geest tot een hooger leven is overgegaan en elders tot nieuwen arbeid geroepen: dit is eene overoude dacische gewoonte, die tot op onzen tijd is bewaard gebleven. Voor de andere dooden richt men alleen een houten kruis op. Maar hoe talrijk waren de nieuwe kruisen en de witte wimpels, en hoe zichtbaar overal de versch gedolven graven! Helaas, hier woedde de cholera. Alleen in het dorp Lupsa, waar wij stilhielden, was, binnen eenige weken, een vijfde der bevolking bezweken.

In het dorp Bisztra, waar wij gerekend hadden den nacht door te brengen, vonden wij de bewoners druk bezig met aan de cholera werk te verschaffen. De groote gelagkamer van de herberg was opgevuld met drinkers, zangers en dansers. Het was een oorverdoovend geraas en een stikkende stinkende dampkring; wij hoopten echter dat men ons eene ordentelijke kamer zou kunnen geven, en dat tegen middernacht het leven wel zou ophouden. IJdele hoop! De herberg behoorde aan een pope, en die had zich teruggetrokken in de kamer met de heiligenbeelden, het bidvertrek.

“Ga hem dan roepen, zeiden wij; wij hebben honger en zijn vermoeid.

—Onmogelijk. Als hij bidt, mogen wij hem niet storen; en slaapt hij, dan willen wij hem niet wakker maken.

—Maar te midden van dit helsche leven kan hij noch bidden, noch slapen. Zeg hem dat er vreemdelingen zijn, die hem spreken willen. Als pope zal hij toch de plichten der gastvrijheid wel kennen?”

Het hielp altemaal niets. Er schoot niet anders over dan aanstonds te vertrekken; en laat in den nacht kwamen wij in het dorp Topanfalva, waar een magyaarsche herbergier zich over ons ontfermde.

Eenige mijlen voorbij Topanfalva beginnen de goudwasscherijen. Langs de oevers der rivier de Abrud zijn kleine loodsen opgericht, en groote balken, beurtelings opgetild door een wiel, dat door het water in beweging wordt gebracht, zuiveren het goudhoudend zand, hetwelk de rivier uitwerpt.

Overigens moet men niet verwachten, bij de goudzoekers der transylvanische bergen de vernuftige werktuigen te zullen vinden, welke de mijnwerkers in Californië gebruiken. De exploitatie van het metaal geschiedt hier waarschijnlijk nog geheel op dezelfde aartsvaderlijke wijze als ten tijde der Daciërs. De eigenaar van den molen, dien wij het eerst aanspraken, was echter zeer achterdochtig: hij scheen bang te zijn, dat wij hem een of ander geheim van zijne kunst zouden afzien. Eindelijk gerust gesteld, liet hij zich evenwel overhalen om ons de bewerking te toonen. Hij hield in de linkerhand een grooten bak, dien hij met uitgezocht zand vulde; in de rechterhand nam hij een met water gevulden ossehoorn, waarin aan de punt een klein gaatje geboord was: nu bewoog hij dien ossehoorn over het zand heen en weder, om door middel van den dunnen waterstraal de lichtste deeltjes te verwijderen. Na ongeveer een tien minuten te zijn bezig geweest, waarbij hij voortdurend den bak zachtjes en regelmatig liet ronddraaien, begonnen de kleine goudschilfers zich te vertoonen tusschen de flikkerende kwartzkristallen; allengs nam het geheele, steeds meer gezuiverde bezinksel een helderen metaalglans aan, en welhaast bracht de Walachijer, terwijl hij ons met een zegevierenden blik aanzag, het weinige stofgoud bijeen, dat op den bodem lag. Volgens zijn zeggen, leverde dit handwerk, naar gelang van het jaargetijde en van het gunstige toeval, hem tusschen de tien en veertig gulden per maand op; somwijlen was het gebeurd, dat hij twaalf gulden in ééne week won; maar de gemiddelde opbrengst van zijn arbeid kon op niet meer worden geschat dan twintig gulden per maand, dat is omstreeks vijftig francs. Uit inlichtingen, die mij later werden verstrekt, zou ik opmaken, dat de gemiddelde winst der goudwasschers nog minder bedraagt.

De groote smeltoven der hongaarsche regeering ligt zeer gunstig, aan het vereenigingspunt van de vallei van de Abrud en het dal, waardoor de beroemde transylvaansche Pactolus, de Veres-Patak, stroomt. Dit etablissement onderscheidt zich in alle opzichten zeer gunstig van de armoedige hut van Offenbanya. Het is een splinternieuw gebouw, midden in de vlakte geplaatst, en meer dan honderd-vijftig el lang. Hier vindt men de nieuwste werktuigen, ingericht volgens de allerbeste methode. De directeur der fabriek, zelf een man van groote kennis, toonde ons met een zeker welgevallen de kunstige werktuigen, waarmede hij zelfs het laatste gouddeeltje uit den steen te voorschijn wist te halen. Maar tot welken prijs worden die, uit een wetenschappelijk oogpunt zoo belangrijke, resultaten verkregen? Dat is eene vraag, waarop de hongaarsche minister van financiën, als hij in zijne ledige schatkist staart, misschien het beste antwoord kan geven. Naar hetgeen men ons hier vertelt te oordeelen, zouden de tweeduizend tonnen erts, die jaarlijks in de groote smelterij van Veres-Patak bewerkt worden, aan het gouvernement nog niet zoo veel opbrengen als het handjevol stofgoud in den bak van den armen walachijschen delver.

Vlak bij de fabriek begint de onafzienbare reeks van hutten, huizen en gebouwen van allerlei aard, bladzijde 287die te zamen de stad Veres-Patak, of Opidu di Rocia, zoo als de Rumeenen haar noemen, vormen. De benedenste voorstad bestaat slechts uit kleine molens, schilderachtig gegroept langs den zoom van het riviertje en langs de afleidingskanalen. Al die miniatuurfabriekjes moeten een aardig gezicht opleveren, als het water hoog is en zich schuimend en ruischend uitstort over de raderen der molens, die het in beweging zet. Dan gaan de duizenden balken, die de steenen en het zand moeten breken en fijnmalen, onophoudelijk op en neder; overal in de vallei is dan leven en beweging. Maar tijdens ons bezoek had de droogte reeds geruimen tijd aangehouden; een magere dunne waterstraal kronkelde door de bedding der beek, niet zonder recht Veres, de Roode, genoemd; slechts nu en dan kon het water met groote moeite een niet te zwaren balk een weinig optillen.

De jaarlijksche opbrengst aan goud wordt geschat op vierhonderd-vijftig pond zuiver metaal, eene waarde vertegenwoordigende van ruim anderhalf millioen francs; maar in gunstige jaren, als de mijnwerkers het geluk hebben een ader van onvermengd goud aan te treffen, klimt die opbrengst tot over de tien millioen. Daarbij zou nog gevoegd moeten worden de hoeveelheid edel metaal, die de arbeiders, ondanks het strengste toezicht, toch nog altijd weten te ontvreemden. Als zij 's middags hun boterham eten, kunnen zij, zonder veel moeite, licht een paar goudkorrels inslikken, in spijt van de argus-oogen der opzichters.

De mijnen van Veres-Patak hebben dan ook volstrekt niet alle belang verloren: integendeel, in Europa, aan deze zijde van het Oeralgebergte, zijn zij, voor de exploitatie van edel metaal, nog altijd de voornaamste. De goudhoudende rots der twee bergen Kirnik en Affinis, tusschen een groep van trachietkoepels en de zandsteen-formatie der Karpathen, beslaat eene oppervlakte van bijna vier vierkante mijlen, terwijl tot dusver nog niemand de diepte gepeild heeft. Deze gansche rotsmassa bevat goud; niet alleen wordt zij in alle richtingen door meer of minder rijke aderen doorsneden, maar ook in het gesteente zelve vindt men het edel metaal in onderscheidene vormen; men heeft hier klompen zuiver goud gevonden ter zwaarte van acht en negen pond. De mijnwerkers graven dan ook niet enkel galerijen, om de rijkste aderen op te sporen, maar zij graven de rots zelve uit, en laten slechts de noodige pijlers staan, om het instorten van den berg te voorkomen. Een dezer kunstmatige grotten, de beroemde Katrincza, heeft den vorm van een onregelmatigen koepel, en eene hoogte van honderd-zes-en-twintig el, bij eene breedte van ruim acht-en-dertig el. De gids, die ons hier vergezelde, betrad niet dan met eerbied deze grot; hij sprak met gedempte stem, als bevonden wij ons in eene kerk! Was hier, uit dit gat, niet genoeg goud uitgegraven, om daarmede de halve wereld te kunnen koopen? Naar men ons verzekerde, leverde hier ieder kwintaal erts gemiddeld honderd-vijftig goudstukken, zoowat duizend francs; en hoe veel kwintalen heeft de mijnwerker niet reeds uitgehouwen!

De top van den Affinis is door twee groote romeinsche steengroeven uitgehold, waarvan de breed gebeeldhouwde wanden, op sommige plaatsen, eenige gelijkenis vertoonen met gebouwen: van daar de namen Csetatye Mare en Csetatye Mika (Groote Stad en Kleine Stad), hun door de Walachen gegeven. Inderdaad heeft men hier indrukwekkende monumenten van de romeinsche macht voor zich. Het midden van de groote groeve wordt ingenomen door een soort van open circus, waarboven zich de hemel welft, en dat omringd is door reusachtige rotswanden, waardoor zich aderen van verschillende kleur slingeren. Torenhooge rotsmassaas, die men heeft laten staan, verheffen zich boven die omwalling; langs de wanden van het reuzenamphitheater ziet men, op verschillende hoogten, breede galerijen, in den steen uitgehouwen, en die met andere onderaardsche gangen en galerijen in gemeenschap staan. Vergeleken bij de nauwe gaten, waardoor de tegenwoordige mijnwerkers heenkruipen, schijnen die hooge gewelfde portalen, die breede bogen en poorten der romeinsche steengroeven welhaast het werk van een geslacht van titanen: alles is veel grootscher, op veel ruimer schaal aangelegd. Men gevoelt dadelijk dat zulke werken niet in een paar dagen werden tot stand gebracht, en dat de bouwlieden zich niet hebben gehaast om hun arbeid, hoe dan ook, maar klaar te krijgen: dit zijn de scheppingen van een volk, dat aan zijne eigen toekomst geloofde en daarom geduld en geen haast had. Bovendien, zij die in deze mijnen en steengroeven werkten, waren slaven. Mochten er ook duizenden bij den arbeid bezwijken, zij werden door andere duizenden vervangen.

De breede galerijen der “Groote Stad” verlatende, haasten wij ons te paard te stijgen, en zoo spoedig mogelijk weg te rijden: wij hadden geen oogenblik te verliezen, wilden wij nog vóór zonsondergang den beroemden bazaltberg, de Detunata, de Door den Bliksem Getroffene, bereiken. Wij volgen een schilderachtig pad langs de groenende heuvelen van het plateau. Enkele groepen pijnboomen en kleine, met houtgewas begroeide vulkanische kegels teekenden hunne lange schaduwen op het malsche gras; de lucht was zuiver, en de schuine zonnestralen verguldden de omtrekken der verwijderde bergen. Al de toppen van westelijk Zevenbergen vertoonden zich aan ons oog binnen den onmetelijken omkring van den horizon.

Reeds sedert lang hadden wij de Detunata in het gezicht, maar slechts van ter zijde. Zij scheen ons toe, niet veel meer dan eene vrij onbeteekenende hoogte te zijn; maar toen wij, aan den uitgang van een bosch, plotseling de kolonnade van bazalt voor ons zagen, konden wij een kreet van verrassing en bewondering niet onderdrukken. De rots, ongeveer honderd el hoog, hangt van boven naar voren over; al de bazaltzuilen buigen evenzoo naar voren: de gansche geweldige massa maakt den indruk van eene reusachtige zeegolf, eensklaps versteend, juist toen zij op het punt stond neer te storten. Eene menigte fragmenten van zuilen, allen rechthoekig afgebroken, zijn van den bergwand tusschen de pijnboomen gevallen; sommigen dienen den herders en bezoekers tot rustbanken. bladzijde 288Waarschijnlijk heeft de berg aan al dit puin, dat zeker voor een deel door den bliksem is neergeworpen, zijn naam van Detunata te danken.

VIII.

Om van de mijnen van den Aranyos naar de lage vallei van den Maros te komen, moet men de bergketen oversteken, die de groep der metaalhoudende bergen verbindt met de gebergten van Bihar. Een prachtige rots, die zich als een citadel op den breeden grondslag van het heuvelachtig plateau verheft, beheerscht het dal, waardoor de weg van Abrudbanya naar de vlakten van Hongarije loopt. Deze alleenstaande rots (twaalfhonderd-zestig el hoog), die van alle kanten zichtbaar is en die vroeger de natuurlijke grenssteen der volken was, draagt den naam van Vulkan. Toch bestaat deze massa niet uit vulkanisch gesteente, zoo als de kegels en koepels der bergen in den omtrek van Veres-Patak: vorm en kleur beiden bewijzen dat zij tot dezelfde kalkformatie behoort als de Rots der Szeklers en de rotsen bij Thorda. De naam Vulkan is, naar ik meen, afgeleid van een walachijsch woord, dat doorgang of bergpas beteekent.


De Detunata.

De zuidelijke helling der rots behoort aan Hongarije; maar, zoo de paal langs den weg het niet vermeldde, zoudt ge aan niets bemerken dat ge Zevenbergen verlaten hebt. In de dorpen, dezelfde groepen van huisjes met spits toeloopende rieten daken, omringd door dezelfde groene pruimeboomen, met dezelfde, half door de zon verschroeide maïsakkers. Langs de wegen kampeeren dezelfde Tsiganen; in de stoffige straten, groeten dezelfde walachijsche boeren, met onderdanige beleefdheid, dezelfde kleine magyaansche burgers. bladzijde 289

Eenige uren nadat wij de bijna verlaten goudmijnen van Boicza bezocht hadden, bevonden wij ons aan de oevers van den blanken en snelvlietenden Maros. Tegenover ons, op den top van een zuiver regelmatigen trachietkegel, verheft zich de oude citadel van Deva, die weleer den hoofdtoegang tot Zevenbergen moest bewaken. Deze vesting werd, zooals de boeren zeggen, in den “tijd der feeën” gebouwd; en inderdaad verliest zich haar oorsprong in den nacht der eeuwen: de ligging zelve, aan den ingang der vlakten van Zevenbergen, moest Deva tot een punt maken van het uiterste strategische gewicht, waarop van den beginne de aandacht van alle veroveraars was gevestigd. Nog in 1849 betwistten het oostenrijksche leger en de hongaarsche troepen elkander het bezit dezer oude vesting; zij werd toen, hetzij bij toeval, hetzij door verraad, door de ontploffing van een kruitmagazijn grootendeels vernield, waarbij de kleine magyaarsche bezitting onder het puin begraven werd.


Romeinsch mausoleum in de vallei van Demsus.

Ongeveer vijftien mijlen zuidwaarts, in eene zandige, stoffige vallei, waardoor een nevenstroom van den Maros vloeit, ligt een ander vlek, wel minder bladzijde 290oud, maar niet minder beroemd dan Deva in de jaarboeken van Hongarije, en dat nog altijd den naam heeft behouden van zijn stichter, den “Vayda” of voïvode Hunyad. Deze krijgsman van de vijftiende eeuw, de geliefde held der twee groote nationaliteiten van het Karpathenland, omdat hij, van geboorte Rumeen, door zijne zeden en door zijne verbindtenissen tevens Hongaar of “Hun” was, is nog voor de bewoners van Zevenbergen de meest populaire figuur van het verleden, en van alle kanten komt men nog steeds als in bedevaart zijn kasteel bezoeken. Dit kasteel, hoewel door hooge muren omringd en op een rots aan den oever der rivier gelegen, schijnt meer een lustslot dan eene vesting te zijn geweest. Koning Matthias Corvinus, die met eene italiaansche prinses getrouwd was, had de beleefdheid gehad om van over de bergen kunstenaars te ontbieden, die op een der bolwerken eene “venetiaansche galerij” moesten bouwen, versierd met schilderwerk, spiegels, porselein en gehouwen steen. In deze galerij kon de Koningin, des verkiezende, het genot smaken, de veroordeelden, die in den berenkuil aan hare voeten geworpen waren, te zien verscheuren. Dit was misschien een soort van amusement: maar het donkere, sombere paleis zal der italiaansche wel menigmaal als een kerker zijn geweest.—Het oude kasteel wordt tegenwoordig gerestaureerd.

Vayda-Hunyad ligt als verloren te midden van een kring van dorre, onvruchtbare heuvelen, acht of tien mijlen verwijderd van den spoorweg, die door de vallei van de Strel loopt; maar de vroeger verwaarloosde ijzermijnen zijn tegenwoordig van zeer groot belang, omdat men bevonden heeft dat deze erts bij uitnemendheid geschikt is voor de bereiding van staal. De dorre eenzame omtrek der kleine stad is dan ook, in den laatsten tijd, plotseling verlevendigd geworden door spoorbanen, machines en werkplaatsen; terwijl bij het naaste spoorwegstation eene groote ijzergieterij is gebouwd, die hare voortbrengselen naar Hongarije verzendt.

De spoorweg, die, ten oosten van Deva, van de Maroslijn uitgaande, zuidwaarts de breede vallei van de Strel doorsnijdt, brengt ons in die streek van Zevenbergen, waar de romeinsche heerschappij de meeste sporen heeft achtergelaten. Vlak nevens den spoorweg verrijst de oude toren van Zeykfalva, tegenwoordig tot kerk ingericht. Een ander soortgelijk gebouw, dat geenerlei verdienste heeft behalve zijne oudheid, staat op korten afstand van den spoorweg, in het dorp Boldogfalva, aan den ingang der rijke vlakte van Hatszeg, waar de wateren, van de westelijke Alpen van Zevenbergen afdalende, samenvloeien. In het verschiet ziet men, naar het westen, de vallei van Demsus, waarin een antiek mausoleum uit den tijd van Trajanus staat, dat mede in eene kerk is herschapen; niet ver van daar eindelijk, in het lagere gedeelte der vlakte, in den omtrek van het dorp Varhely, vindt men nog zuilen, kapiteelen, brokken muur, onkenbare mozaïeken, sporen van schouwburgen en paleizen. Dit is alles wat er rest van Sarmiz-Ægethusa, de oude hoofdstad der dacische Koningen. De Romeinen maakten haar tot eene kolonie, onder den naam van Ulpia Trajana; de stad moest vooral den bergpas van de “IJzeren Poort” bewaken, die ten westen toegang geeft tot de vlakke velden van den Donau, en waar men nog de sporen vindt van een romeinschen weg. Dien naam van IJzeren Poort, in de bergstreken van het Oosten zoo herhaaldelijk voorkomende, dankt ook deze pas aan de vroegere stevige vestingwerken.

Het district van Hartszeg is nog tamelijk dicht bevolkt, maar arm en slecht bebouwd. De zeldzame vruchtbaarheid van den grond, die de romeinsche kolonisten naar deze vlakte had heengelokt, zou dus op zich zelve voor de hongaarsche regeering zeker geen voldoende reden zijn geweest om in deze streek een kostbaren spoorweg te maken: het doel was dan ook voornamelijk, de exploitatie mogelijk te maken van een zeer rijke steenkolenlaag, in het hart van het gebergte, in eene hooge, vroeger bijna woeste vallei, van wier bestaan zelfs de aardrijkskundigen van beroep niets wisten. Deze vallei is een soort van kloof of verwijding tusschen twee evenwijdig loopende bergketenen der transylvanische Alpen. Zoo als ook elders meermalen voorkomt, wordt de waterscheiding hier niet gevormd door de voornaamste keten; de noordelijke keten, die deze scheiding vormt, en waarover de spoorweg moest worden aangelegd, is lager dan de zuidelijke; maar toch hadden de ingenieurs hier met zeer ernstige moeilijkheden te kampen. De hongaarsche regeering, zeer in haar schik dat zij nu ook een mijn van “zwarte diamanten” bezat, heeft zich evenwel noch door de moeilijkheden van het terrein noch door de enorme kosten laten afschrikken, en zoo werd Petroseny, (spreek uit Petrosjènje) door een prachtigen spoorweg met het groote europeesche net verbonden.

De baan volgt aanvankelijk de oevers van de Strel, en kronkelt zich langs den zuidelijken voet van een hooge heuvelgroep; dan, aan den oostelijken hoek der vlakte gekomen, waar nog op een kalkheuvel een oude romeinsche toren, als een eenzame schildwacht staat, begint zij in wijde krommingen de hellingen van de Karpathen te beklimmen. Dit is het belangrijkste gedeelte van het geheele traject. Bij elke opeenvolgende kromming vertoont zich een nieuw landschap voor uw oog: nu eens ziet ge de wijde vlakte van Hatszeg met zijne slingerende reeksen van populieren en abeelen, tusschen wier gebladerte, hier en daar, de zilveren wateren flikkeren; dan weder ontwaart ge aan alle kanten niets dan steile rotswanden of lange glooiingen met eikenopslag begroeid. De lange trein—want er zijn een menigte wagens, die met steenkolen moeten geladen worden—slingert en wringt zich om de uitstekende rotsen en door de smalle kronkelende ravijnen; hij buigt en plooit zich als eene slang, en het gebeurt wel dat ge u eensklaps op de helling weer terug vindt, vlak boven het punt, dat ge zoo even verlaten hebt. Eindelijk, na geruimen tijd gestegen te hebben, bereikt ge het hoogste punt, ruim zevenhonderd-vijftig el. Witte, steile rotsen, vol spleten en gaten en scheuren, verheffen zich ter wederzijde van den nauwen doorgang, dien de spoorweg bladzijde 291zich hier heeft gebaand. Een dezer berggevaarten draagt den naam van Csetatye, om zijne min of meer onbestemde gelijkenis met een citadel of vesting; de steenmassa is in haar gansche diepte uitgehold: deze opening, waaruit somwijlen een waterstroom te voorschijn komt, heet de grot van Boli.

Tien jaar geleden, was Petroseny een ellendig gehucht, door eenige half barbaarsche Walachen bewoond. Een beschaafd Europeaan zou zich hier niet hebben kunnen vertoonen, zonder verbazing en zelfs schrik te veroorzaken; de oude vrouwen zouden waarschijnlijk het teeken des kruises hebben gemaakt om de rampen af te weren, die op de verschijning van een zoo vreemdsoortig wezen noodzakelijk moesten volgen. Maar de industrie heeft eene nieuwe bevolking naar dezen verloren uithoek der Karpathen gelokt, en de nederige groep van armelijke hutten veranderd in eene levendige stad, die, met haar rechtsgebied ruim zevenduizend inwoners telt. Nog eer de naam dezer stad in het buitenland bekend was, was Petroseny reeds het middelpunt en de groote marktplaats geworden van den levendigsten handel van geheel het zuid-westelijk distrikt van Zevenbergen.

De moderne stad heeft, in officiëelen stijl, twee verschillende namen: het eene gedeelte, waar zich het spoorwegstation bevindt en waarvan de grond aan een mijnkompagnie behoort, is het eigenlijke vlek Petroseny; de hooger op in de vallei liggende wijken daarentegen, die aan den staat toekomen, dragen den naam van Livadzel of Livazeny, aan een gehucht in de nabuurschap ontleend; maar in de werkelijkheid vormen deze twee gedeelten niet meer dan eene en dezelfde stad, zonder andere grensscheiding dan eene denkbeeldige lijn, en geheel naar hetzelfde plan gebouwd. Overal regelmatige vierkante blokken, gescheiden door straten van gelijke breedte, en op dezelfde wijze in kleinere vakken verdeeld, waar de woningen der werklieden te midden van kleine tuintjes zijn gebouwd. Van afstand tot afstand vindt men aanzienlijker gebouwen, met balkons en verandas versierd, en bestemd tot woning voor de opzichters en meesters. Geen enkele barak, geen enkele palissade breekt de mathematische eenheid van het door de ingenieurs ontworpen plan; waarschijnlijk was, nog eer een spade in den grond gestoken werd, de platte grond der stad reeds geheel en netjes geteekend op een of ander papier, in de bureaux van Weenen of Pest berustende. Deze overdreven regelmatigheid maakt geen aangenamen indruk: de stad ziet er uit als een militair kamp, voor korten tijd daar opgeslagen en dat eerlang weer verdwijnen zal. Gelukkig troost u de schoonheid der omringende natuur van de afzichtelijke wijken en straten van het vervelende Livadzel en het onuitstaanbare Petroseny. De vlakte, waardoor zich de onstuimige Sil kronkelt, is eene aaneenschakeling van groene weiden en lommerrijke boomgaarden; bevallige bergen, gedeeltelijk met bosch begroeid, nu eens uitloopende in pyramiden, dan zich tot koepels welvende, omlijsten de vlakte met hun schilderachtige hellingen; ten oosten verheffen de toppen van den Paring zich met zachte glooiing tot eene hoogte van ruim tweeduizend-vierhonderd el. Achter den eersten top vertoont zich een tweede, daarachter een derde, en nog verder een vierde, in paarskleurige tinten gehuld. De laatste is de voornaamste kruin, een kale rotskegel, die zich eenige honderden ellen boven de streek der beuken en dennen verheft.

Eéne straat slechts onderscheidt zich, maar niet tot haar voordeel, van al de andere. Dit is eene bochtige en onregelmatige straat, omzoomd door de smerige huizen der joodsche handelaars en herbergiers, die zich, als roofvogels, op eene hoogte gevestigd hebben, van waar zij de stad kunnen overzien en de nadering van vreemdelingen en kooplustigen van verre gewaar worden. Hier ziet ge niets dan stof en slijk, mesthoopen en onreinheid, en niet zonder een gevoel van walging kunt ge het terugstootende verblijf van dit volk betreden. Het was reeds donker toen wij hier aankwamen, geleid door een joodschen herbergier, die zich met listig geweld van onze personen had meester gemaakt; en het kostte ons veel moeite, de herberg te bereiken, zonder door de vuile, stinkende plassen van stilstaand water te moeten waden. De onaangename indruk, dien de onreinheid van die echte Jodenbuurt op ons maakte, werd nog verhoogd, toen wij, dwars door den modder, een lange stoet werklieden zagen naderen, met toortsen in de hand, waarvan de flikkerende, walmende vlammen haar rossig licht wierpen op een doodkist. Dat was de cholera, die wederom een nieuw offer, het vijftiende op dien dag, had geveld! Ondanks hare ligging in een bergvallei, op eene gemiddelde hoogte van minstens zeshonderd el, werd Petroseny dus even goed door deze plaag geteisterd als de steden in de vlakte. Om hieromtrent zekerheid te verkrijgen, richtten wij eenige vragen tot onzen kastelein. “O ja, zeide hij, het hoofd in den nek werpende, het gemeene volk wordt aangetast, maar de ziekte treft geen menschen van verstand!” Dit hoorende, waren wij gerust, want wij mochten ons vleien, niet minder dan onze herbergier, tot het “denkend deel” te behooren!

Den volgenden morgen gingen wij reeds vroegtijdig op weg om de steenkolenmijnen te bezoeken. De hoofdingenieur had de beleefdheid gehad, zijn rijtuig tot onze beschikking te stellen; en de kleine hongaarsche paarden brachten ons weldra, in snellen draf, naar het voornaamste mijnwerkersdorp, in een groen dal gelegen, waar de eerste beeken van de hongaarsche Sil samenvloeien. Op den stroom dreven duizenden dennenstammen, die in lange rijen met het water worden medegevoerd, om eindelijk op de kiezelbanken te stranden en tijdelijke dammen te vormen. Op de berghellingen nabij de rivier zijn de boomen reeds geheel verdwenen; zonder verschooning wordt alles geveld. De weg langs de Sil is geheel open, en om zich tegen de zonnestralen te beschermen, gebruiken de inwoners dicht gebladerde takken van olmen of populieren.

Het dorp Lonyay, waar de mijnspoorwegen van Petrilla samenloopen, is een zeer levendig vlek. Nevens de huizen der mijnwerkers, die grooter en rijker aan bloemen zijn dan te Petroseny, verrijzen de met kolen gevulde loodsen, de bergplaatsen der machines, bladzijde 292de winkels van werktuigen en levensmiddelen, benevens werkplaatsen van allerlei aard. Lange treinen, door zeer kleine lokomotiven getrokken, komen en gaan onophoudelijk, hetzij om in de omringende valleien eene lading steenkolen te gaan halen, hetzij om hunne lading in de magazijnen te lossen. Vooral bij aankomst van den “damestrein” is het tooneel zeer levendig. De mijnwerkers verdringen elkander dan op het perron, om hunne vrouwen en dochters te ontvangen, die hun het middagmaal komen brengen; dan is het een luid gepraat, geroep, gelach, in alle talen van Zevenbergen: in het walachijsch, in het magyaarsch, in het duitsch; enkele kleurige nationale kostumes komen sprekend uit te midden van het eentonige werkpak.

De exploitatie der mijnen van dit bekken is zeer gemakkelijk; de steenkolenlagen, waarvan de totale dikte ongeveer zes-en-dertig el bedraagt, liggen evenwijdig onder elkander, slechts bedekt met eene vrij dunne laag van lateren oorsprong; ter wederzijde van het bekken nemen zij eene bijkans rechtstandige houding aan. Daar arbeiden de mijnwerkers in de open lucht, en het uithakken geschiedt met het grootste gemak. Hoewel veel minder sterk en minder werkzaam dan de engelsche of belgische mijnwerker, bedraagt de opbrengst van den arbeid van den hongaarschen of walachijschen delver van Lonyay toch gemiddeld twee ton steenkool per dag, en daar zijn salaris niet meer dan gemiddeld twee gulden per dag beloopt, trekt de staat van deze exploitatie zeer belangrijke winsten. Echter is niet alles louter voordeel. Vóór drie jaar is er in een der rijkste mijnen, den “put van Deak”, brand ontstaan, die zich al verder en verder uitbreidde en de aangrenzende lagen aantastte. Onmiddellijk werden de noodige maatregelen genomen om de ramp te stuiten, anders zouden alle mijnen van Petrilla verloren zijn geweest, want de buitenlucht, alleen door eene dunne laag tuinaarde van de steenkolen gescheiden, wakkerde den brand steeds meer aan. Maanden lang moesten honderden arbeiders het gewone werk in de mijnen staken, om al de uitgangen van den brandenden put toe te stoppen, en nog heden slaat men met de grootste nauwlettendheid alle gevaarlijke punten gade. Een dikke, grijze rook stijgt uit de brandende laag, door den grond heen, omhoog, en verspreidt zich soms als een ondoordringbare mist over de gansche vlakte.


Het kasteel van Vayda-Hunyad.

IX.

Wij wilden de transylvanische Alpen niet verlaten, zonder althans een van de voornaamste toppen beklommen te hebben. De hoogste van allen, en waarschijnlijk ook de schoonste, de Negoï, ligt op een grooten afstand ten oosten van Petroseny, aan gene zijde van den bergpas van den Rooden Toren, en de tijd ontbrak ons om zoo verren tocht te ondernemen. De Paring, veel dichter bij, scheen ons te bekend en te gemakkelijk te beklimmen. Wij bepaalden daarom onze keus tot den Retyezat (tweeduizend-vierhonderd-zes-en-negentig el), den koning van de westelijke berggroep, door een driedubbelen gordel van zeldzaam bezochte wouden en rotsen omgeven.

Na Livadzel in zuidelijke richting verlaten te hebben, komen wij in een der bekoorlijkste vlakten van geheel Zevenbergen. Deze streek was vroeger het laagste gedeelte van het groote meer, waarin de twee Sils, de Hongaarsche en de Walachijsche, uitliepen, voor zij zich een doortocht hadden gebaand door de hoofdketen der Karpathen. Zonder eigenlijk moerassig te zijn, is de grond nog vochtig; de vlakte is met het weelderigste, rijkste gras bedekt; de boomen zijn recht, krachtvol, glad van stam; de akkers, hoewel op barbaarsche wijze bearbeid, brengen prachtige oogsten bladzijde 294voort. Overal murmelen en kabbelen heldere beekjes. Een kleine schilderachtige hermitage kroont den heuvel, die zich aan de samenvloeiing der beide rivieren verheft. Tegenover ons, zagen wij, tusschen twee steile bergen, de zwarte spleet van den Szurduk, of engte, waardoor de wateren van de Sil met snellen stroom wegvloeien.


Woning van rumeensche boeren.

Het dorp Vulkan, waar de rijweg ophoudt, is slechts eene enkele lange straat, op de onderste helling van den gelijknamigen berg gebouwd. Omstreeks de helft der bevolking van het dorp bestaat uit ambtenaren, met de bewaking der walachijsche grenzen belast, kommiezen, gendarmen, ambtenaren der belasting, oppassers bij de quarantaine. Uit alle streken van Oostenrijk en Hongarije afkomstig, schijnen deze ballingen hier geen zeer aangenaam leven te leiden, maar zij troosten zich met het kegelspel. Hoe armoedig ook, ziet Vulkan in zijn slijkerige straat een vrij druk handelsverkeer. De Rumeenen van Walachije brengen, langs de slechte bergpaden, voortreffelijke vruchten, maïs en andere granen, benevens versch vleesch, naar Petroseny; op marktdagen kan men hen den berg zien afdalen, in lange karavanen, kudden ossen en varkens voor zich uit drijvende. Volgens de ontvangen rechten aan het grenskantoor, is hier in 1872 voor ongeveer vier millioen francs doorgevoerd en omgezet. Deze geheele handel, waarbij nog de sluikhandel gevoegd moet worden, is bijna uitsluitend in handen der Walachen; met uitzondering van eene kleine hoeveelheid ijzer, die zij van Vayda-Hunyad ontvangen, danken zij niets aan de industrie der Hongaren en Saksers van Zevenbergen. Terwijl hunne trotsche buren meermalen den schijn aannemen van hen te verachten wegens hunne traagheid en hun gemis, aan ondernemingsgeest, ontvangen de bewoners van Petroseny juist van hen wat zij voor hun levensonderhoud en dagelijksche behoeften noodig hebben. De Walachen voeren alle verbruiksartikelen aan, en nemen niets mede dan geld, waarvan natuurlijk de joodsche makelaars en woekeraars wel zorgen dat zij het leeuwendeel in den zak steken. Jammer slechts dat een zoo belangrijke handelsweg nog heden voor wagens en rijtuigen even ontoegankelijk is, als toen de Turken er de vestingwerken bouwden, waarvan nog de overblijfselen zichtbaar zijn.

Het dorp Vulkan verlatende, nemen wij afscheid van wat men overeengekomen is de beschaafde wereld te noemen: maar onze joodsche herbergier had ons, naar gewoonte, behoorlijk bedrogen en bestolen, waarschijnlijk om ons den overgang minder smartelijk te maken. Wij zijn nu in het hart van het dacische land, en moeten, zoo lang wij den Retyezat niet beklommen hebben, afstand doen van alle comfort. Trouwens, dit hinderde ons niet te zeer. Wij waren vroolijk en opgewekt; onze paarden liepen in een vluggen draf, en de vallei, die wij doortrokken, bood ons, bij elke kromming, eene opeenvolging der liefelijkste landschappen.

Al de bergen zijn met bosch bedekt, uitgezonderd alleen de uitstekende kalk- of granietrotsen, die te steil zijn dan dat de wortels er kunnen vatten. De beeken, die in watervallen uit de donkere valleien te voorschijn treden, breiden in de vlakte hare bedding uit en vloeien murmelend voort over gladde steentjes. Enkele hutten staan verspreid onder de groote wilgen, die nimmer door de bijl worden aangeraakt, en die in niets gelijken op de ellendige dwergachtige stronken, welke men langs onze weilanden ziet. Landlieden, in schilderachtig kostuum, groeten ons met vrijmoedige beleefdheid. Van afstand tot afstand staan, langs den weg emmers met water gevuld, op een soort van steenen palen, opzettelijk daarvoor opgericht. Getuigt deze oplettendheid voor den onbekenden reiziger niet ten gunste van het karakter der Walachijers?

De vorm van die steenen banken of palen trok mijne aandacht. Een archeoloog, die zulke steenen op eene heide van Bretagne vond, zou zonder aarzelen daarin een dolmen zien, zoo als onze keltische of vóór-keltische voorvaderen die plachten op te richten; en het zou hem niet in de gedachte komen, dat die steenen niet moesten dienen om daarop den goden te offeren, maar enkel om een watervat te dragen, bestemd om den dorst te lesschen van den vermoeiden wandelaar. Even zoo zouden de met een rieten afdakje gedekte massieve zuilen of palen van ruw graniet, aan de kruispunten der wegen, overal elders voor menhirs worden aangezien; maar een kleine steen, dwars aan den top bevestigd, herinnert u dat deze pilaren een kruis moeten verbeelden; bij gebreke van zulk een steen, is zelfs eene horizontale groeve voldoende om het granietblok te wijden. Men vindt hier exemplaren van alle mogelijke overgangsvormen tusschen den ruwen menhir der heidensche tijden, en het fraai bewerkte, met opschriften en beeldwerken bedekte christelijke kruis.

Onze reis, onder de gunstigste voorteekenen begonnen, zou dien dag niet zoo gelukkig afloopen. Onze gids wist den weg niet, en wij waren meer dan eenmaal genoodzaakt, hem in het rechte spoor terug te brengen. Daarmede ging echter een kostbare tijd verloren, en wij waren nog op aanmerkelijken afstand van het dorp Kampuluinyag, toen een geweldig onweer boven onze hoofden losbarstte, gepaard met sterken wind en plassenden stortregen. Wij waren er zeer ongelukkig aan toe. Onze verschrikte en beangste paarden klauterden, als met wanhopige drift, tegen de in stroomen veranderde paden op, lieten zich langs de doorweekte hellingen afglijden, wierpen zich te midden van de dennentakken, die ons in het gezicht sloegen, en toen de weg geheel onkenbaar werd, waadden zij blindelings voort door de steeds klimmende wateren der beek. Eindelijk zagen wij aan de andere zijde van het dal eene half voltooide hut, waarop het dak reeds gelegd was; en in rechte lijn voorthollende, dwars door het plassende water, door slooten en weilanden, bergden wij ons, menschen en paarden te zamen, in de woning. Gelukkig lagen er blokken hout in menigte op den grond. Wij haastten ons, een groot vuur te ontsteken om ons zelven en onze kleederen te drogen, en weldra zagen wij er weder als gewone menschen uit.

Het onweer had uitgeraasd, en de verdeelde wolken trokken naar het oosten af, toen een jonge Walachijer de hut binnentrad. Dat was de eigenaar, die, rook uit zijn dak ziende opstijgen, haastig kwam aangeloopen, meenende dat zijn hut in brand stond. Weldra door ons gerustgesteld, was hij dadelijk bereid om ons te helpen bij bladzijde 295de inrichting van ons voorloopig domicilie, en bood zich zelfs aan om ons naar den Retyezat te brengen, waarmede hij, volgens zijn zeggen, zeer goed bekend was. Wij namen dit aanbod gretig aan, en lieten onzen gids met de paarden vertrekken.

Verheugd, dat er nog kans bestond om voor het vallen van den avond den voet van den Retyezat te bereiken, maakten wij zoo veel mogelijk voortgang. De lucht, door het onweer gezuiverd, was heerlijk frisch; enkele nevelwolken zweefden nog om de donkere toppen der met dennen begroeide bergen; van alle kanten stroomde het water, in schilderachtige valletjes, naar de hoog gezwollen beek. De weg volgde beurtelings den eenen en den anderen oever, en telkens moesten wij het rivierke oversteken, nu eens over zware boomstammen tot een brug saamgevoegd, dan over losse planken, half in het water gedompeld en met schuim omzoomd. Wij hadden in de transylvanische Alpen reeds menig bekoorlijk landschap gezien: maar dit scheen ons wel het schoonste, door de wondere harmonie van weilanden en bosschages, stroomende wateren en met mos begroeide rotsen: het geheel geleek een prachtig park. De hooge top van den Plesa, die zijn regelmatige pyramide aan het einde van het dal ten hemel beurt; de donkere bergkloof, die ten noordwesten gaapt en waaruit u de verre donder der watervallen tegengromt, verhoogen nog, door de tegenstelling, den indruk van rust en vrede, dien de liefelijke vallei op u maakt. Terwijl wij onder dien prachtigen lommer wandelden of ons neervleiden op het malsche gras, konden wij niet zonder weemoed en schrik aan de misschien nabijzijnde toekomst denken, wanneer ook dit stille dal der Karpathen de aandacht van leegloopers en spekulanten zal trekken, de reis daarheen mode zal worden, en deze heerlijke natuur bedorven zal worden als in zoo menig dal der Alpen en der Pyreneën.

De schaapskooi, waarheen onze gids ons bracht, en die ook het eenige gebouw was, waar wij, mijlen in den omtrek, een schuilplaats konden vinden, was een dier vormelooze hutten, die in de fransche Pyreneën “coueylas” of “jasses” worden genoemd; het eenige verschil was, dat zich hier rondom de steenen loods een poel bevond van slijk en mest, een zee van vuiligheid, waarin door elkander menschen, koeien en varkens ploeterden. De koemest wordt hier niet gebruikt voor bemesting van het land of als brandstof: alles blijft liggen en vormt, met het vuile water, een afschuwelijken poel. Mijne makkers en ik, wij kijken elkander in stomme wanhoop aan; maar wat te doen? Zeker ware het beter geweest, ons bivouak op te slaan in de open lucht, onder een boom; maar de grond was doorweekt van den regen; de avondlucht was, op deze hoogte, reeds zeer koud, en wij vreesden onbeleefd te zijn jegens de herders, die ons zoo gastvrij ontvingen. Wij verzamelden dus onzen moed, en van steen tot steen springende, trachtten wij zonder ongeval den ingang der “jasse” te bereiken.

Al de bewoners der woning stonden verbaasd bij het zien van vreemdelingen, die bij hen zouden overnachten. Zij betastten onze kleederen en verschillende voorwerpen, die wij bij ons hadden en die voor hen stellig geheel nieuw waren, en konden hunne nieuwsgierigheid niet bevredigen. Aanvankelijk ging het vrij goed: de jonge mannen zongen voor ons eenige liederen en antwoordden, zoo goed zij konden, op onze vragen naar het land en de plaatselijke gebruiken; maar toen het later werd, en de gansche bevolking, mannen, vrouwen, grijsaards, kinderen, zich naar een hoek terugtrok om te gaan slapen, toen begon de foltering. De nachtwandelende insekten, waarvan alle walachijsche huizen wemelen, kwamen uit alle hoeken en gaten te voorschijn, en wierpen zich op de versche prooi. Mijn twee metgezellen, minder dan ik tegen dergelijke kwellingen gehard, konden het niet uithouden, stonden op, gingen weer liggen en stieten allerlei gesmoorde kreten uit. Gaarne zouden wij naar buiten zijn gegaan, maar er viel niet aan te denken, om in den donker den modderpoel over te steken. Met hoeveel vreugde werd eindelijk, na den korten zomernacht, de dageraad door ons begroet! Wij gunden ons zelfs geen tijd, om het prachtige panorama te genieten en haasten ons, zoo spoedig mogelijk weg te komen.

De Retyezat verheft zich hoog bezijden de bergketen, die zijn naam draagt, als een herder die zijn kudde bewaakt. De weg derwaarts, die over twee bergreeksen voert, is lang en vermoeiend, maar zeer schoon. De hooge weilanden in dit gedeelte der Karpathen gelijken sprekend op sommige streken in de Pyreneën: dezelfde waterkommen, meertjes en watervallen; dezelfde beeken en bronnen, ontspringende tusschen het dichte gras en de bloemen, om tusschen het mos en de steenen te verdwijnen; dezelfde krachtige, knoestige dennen, de vooruitgeschoven wachters van het woud. Boven deze streek zijn de toppen en plateaux, die ten noorden door de steile hellingen van den Retyezat begrensd worden, geheel bedekt met een oceaan van steenen, zooals men waarschijnlijk noch in de Alpen, noch in de Pyreneën vinden kan. Somwijlen vormen deze steenen allerlei zonderlinge figuren, maar doorgaans zijn zij in chaotische wanorde door elkander geworpen.

Het uitzicht van den top van Retyezat is zeer schoon en omvat een wijden horizon, met name aan de noordzijde, waar men de gansche vallei van Hatszeg, en verder de heuvels en bergen van centraal Zevenbergen overziet. Maar vooral wordt de aandacht getrokken naar den eenige honderden ellen diepen afgrond, aan den noordelijken voet van den berg: daar is geen chaos van steenen, maar een loodrechte diepte, waarin beneden kleine meertjes en beeken schitteren, die ge ziet, maar wier geluid ge niet hoort; slechts enkele grijze mossen verlevendigen de akelige doodschheid van deze kloof. Het was reeds laat, toen wij van den Retyezat afdaalden; wij hadden nog juist den tijd, voor zonsondergang een weiland te bereiken, waar wel geen woningen te vinden waren, maar waar wij toch, in een kamp van herders, onder de overhangende takken van dennen, rustig den nacht doorbrachten.

Wij hadden nu slechts den loop van de beek te volgen om de vallei van Hatszeg te bereiken. De weg is vrij goed onderhouden, maar in deze gansche uitgestrekte vallei, die wij niet dan in acht uren konden bladzijde 296doorrijden, vonden wij geen enkele vaste woning, niettegenstaande de grond overal de sporen van de weelderigste vruchtbaarheid vertoont.

Aan den uitgang der vallei, ligt het dorp Rua de Mora, waar we gelegenheid hadden de schilderachtige kleederdrachten der rumeensche landlieden te bewonderen, want het gansche dorp was, ik weet niet waarom, in feestgewaad gehuld.


Rumeensche bruid.

Onze tocht naar de mijnen was afgeloopen, en wij keerden over Vayda-Hunyad naar het station Deva terug. Tijdens mijn bezoek, verkeerde het land in geen gunstigen toestand. Reeds sedert twee jaren heerschte er gebrek, dat in hongersnood dreigde over te gaan; de cholera, een gevolg mede van armoede en dronkenschap, woedde met groote hevigheid. Zoo kwam het, dat de landen, tijdens de omwenteling aan de boeren afgestaan, ziender oog in andere handen overgingen en de Joden overal eigenaars van den grond werden. Deze inbezitneming van den grond door vreemdelingen, die zich geen ander doel stellen dan het volk, waaronder zij wonen, zooveel mogelijk te onderdrukken en uit te zuigen, is een zeer bedenkelijk verschijnsel, vooral in een land, waar de verschillende rassen zoo scherp tegenover elkander staan. Daar komt nog bij, dat de zoogenoemde Saksers van Zevenbergen, wier aantal voortdurend afneemt, en die vroeger er niet aan dachten den Magyaren den voorrang te betwisten, tegenwoordig, sterk door de ondersteuning hunner duitsche broeders, den strijd op nieuw hebben aangebonden. Het is te vreezen, dat de onderlinge haat der verschillende nationaliteiten aan Zevenbergen nog bange dagen zal bezorgen. bladzijde 297

Drie Toskaansche steden.

De Aarde en haar volken: Jaargang 1877 - Full Text (Empoli - San Gamignano)

No comments:

Post a Comment