Monday, March 5, 2012

De Aarde en haar Volken, Jaargang 1906 - Full Text (Van Toledo naar Granada)

Van Toledo naar Granada.

Naar het Fransch van Mevr. Jane Dieulafoy.


De synagoge Santa Maria la Blanca in Toledo.

I.

De aanblik van Castilië.—De rondtrekkende kudden.—De Mesta.—De Taag en haar dichters.—De Cuesta del Carmel.—De Cristo de la Luz.—De hydraulische machine van Juanilo Turriano.—De Zocodover.—Oude paleizen en antieke synagogen.—De Joden van Toledo.—Een herinnering aan de overstrooming van de Taag.


Castiliaansche schoone.

“Van Madrid naar Toledo,” schrijft een spaansch schrijver uit de 18de eeuw, “leidt een volkomen vlakke weg.”

Hoe waar is dat nog steeds, en wat is die weg somber en eentonig, die zich tusschen de hoofdstad van het moderne Spanje en de oude hoofdstad van het westgothisch rijk uitstrekt! Nauwelijks heeft men de huizen van Madrid, die amphitheatersgewijs gerangschikt zijn boven den blauwen halven cirkel van de Guadarramaketen, uit het gezicht verloren, of men betreedt een streek zoo verlaten, dat ze iemand een huivering bezorgt.

Boven zich ziet men den hemel onverstoorbaar blauw, en beneden strekt zich eene eentonige, grijze vlakte uit, bezaaid met sprieten van een harde grassoort, en hier en daar de asch van het stroo, dat terstond na den oogst verbrand wordt. De zeer weinige dorpen, waarvan de hutten gebouwd zijn van aarde of van steenen, die de kleur van den grond hebben, zijn haast niet te onderscheiden. Men zou ze heelemaal niet zien, wanneer niet enkele boomen een mager bouquetje van groen deden oprijzen rondom de armoedige plaatsjes. Als men door de kale vlakte gaat, komt men tot de overtuiging, dat de bevelen van den Raad van Castilië, waarbij aan elken dorpsbewoner de plicht werd opgelegd, minstens vijf boomen per jaar te planten, wel slecht werden opgevolgd.

De oorsprong van die antieke verordening klimt seker wel op tot een periode uit het grijs verleden. [370] Zou zij mogelijk nog in verband staan met zekere oude wetten van den godsdienst, waarbij het aanplanten van boomen, het ontginnen van woeste gronden en het telen van vee behoorden tot de vrome werken, door Ormuzd, den god van het oude Perzië, bevolen en gezegend? De Arabieren hadden zich in hun omzwervingen te zeer gemengd onder de volken, die ze onderworpen hadden, en de Perzen hadden door hun wetenschap, hun intelligentie en hun kunstzin te veel indruk op hen gemaakt, dan dat zij aan dien invloed konden zijn ontsnapt. Moet men zich erover verbazen, als ze aan dat volk hun wetten ontleenden en de daar heerschende overleveringen meebrachten naar Spanje, wetten, die de Christenen na de verdrijving van den erfvijand wijs genoeg waren te behouden? Wat zou het te wenschen zijn geweest, dat ze de bepalingen onveranderd hadden gelaten, die den akkerbouw regelden; de helft van Spanje zou niet onvruchtbaar en dor zijn zooals tegenwoordig.

Hoe het zij, men behoeft geen moeite te doen, boomen te zoeken tusschen Madrid en Toledo. Men zou er zijn oogen vruchteloos bij inspannen en er zijn geduld bij verliezen.

Zeker, de Castiliaan houdt wel van schaduw, die de hitte van de gloeiende zon tempert; maar hij houdt meer van de graankorrels, die opgegeten zouden worden door de vogels, nestelend in het gebladerte der boomen. Wat kan den landman het gekweel der vogels schelen, van die beeldige bouquetjes van vederen, zooals Calderon ze zoo aardig noemt, als hij denkt aan den oogst, dien hij heeft gezaaid, gewied en ingehaald met zwaren, noesten arbeid! Enkel de nachtegaal en de zwaluw vinden genade in zijn oogen, maar alleen omdat ze insecten verdelgen en de insecten verderfelijk zijn voor den oogst. De Castiliaan is arm; hij heeft slechts te kiezen tusschen het eene of het andere kwaad!

Als vergoeding mogelijk is Castilië rijk aan historische en legendarische herinneringen.

Te Esquivias zal men niet nalaten, zich het huwelijk en het langdurige verblijf van Cervantes ter plaatse te herinneren; iets verder zal men zich de schaduw van den ridder van de droevige figuur voor den geest roepen, die van Sancho Pansa en zelfs die van Dulcinea, wier geboortedorp het in de onmiddellijke nabijheid gelegen Toboso was. Al wat in die geschiedenis voorkomt, heeft sporen nagelaten in het land, en tot Rossinante toe, tot het rijdier van Sancho Pansa, tot de kudden; waar de Ridder op aan viel, hebben een talrijke nakomelingschap gekregen in magere paarden, domme ezels en langharige merinosschapen. Wie zou eraan durven twijfelen? Om zoo’n ongeloovigen Thomas te straffen, zou het nog niet eens voldoende zijn, dat men de Inquisitie weer in het leven riep.

Het is niet de eerste keer, dat ik die rondzwervende kudden aantref, die al sedert oude tijden van de eene naar de andere weide trekken van het eene eind van Spanje naar het andere, al naar de wisselende seizoenen. Ze zijn niet van heden of gisteren, die zwervende kolonies, geleid door herders te paard en gehoed door halfwilde honden, alle planten wegvretend van den grond en dien daardoor onvruchtbaar houdend, terwijl ze hem onder hun voeten treden.

Millioenen schapen in het bezit van een soort van genootschap, bekend onder den naam van Mesta en waartoe de grootste heeren en de abten van de rijkste kloosters behoorden, lieten zich in de lente en den herfst in sommige streken neer, waar hun korte, gretige tanden weldra elk grassprietje hadden afgegraasd. Er waren bepaalde privileges aan het genootschap toegekend, waardoor de omzwervingen begunstigd werden, en de Mesta werd zelfs zoo machtig, en kon zoo autoritair optreden, dat het durfde verbieden, bepaalde vruchtbare landen te bebouwen, om er overvloedige weidegronden te behouden.

En terwijl de herders, die zoo in bescherming werden genomen, al stoutmoediger werden, verloor de onderdrukte boer allen moed, want niets beschermde hem tegen een gevreesden inval van den vijand. Het zou hem niets geholpen hebben, had hij zich beklaagd over de door de kudden aangerichte verwoestingen, kudden, die toebehoorden aan de edele heeren van Santiago of Calatrava, of dat hij zich verdedigde tegen de veertig duizend tot den ongehuwden staat veroordeelde herders, daar de eischen van het nomadenleven hun niet toestonden te trouwen, en die vaak nog veel woester en boosaardiger waren dan hun honden! Zonder hoop en zonder ergens een toevlucht te kunnen vinden, liet de boer zijn ploeg in den steek en verliet het ouderlijk dak. Het was dan nog beter tot landverhuizing zijn toevlucht te nemen, naar de Nieuwe Wereld te gaan, die fabelachtige streken op te zoeken, waar men het goud met de spade opschepte; waar men niets wist van de onderdrukking door de groote grondbezitters, van den dwang tot arbeid, uitgaande van de kloosterorden, en vooral niet van de schapen! In de Middeleeuwen was het zachte, lieve schaapje een plaag, nog veel erger dan de sprinkhanen; het moderne Spanje gaat nog onder de gevolgen gebukt. De boer keert nooit terug naar den grond, die hem is lief geweest, als hij eenmaal zijn hart en zijn krachtige armen ervan heeft losgemaakt. Bij hem is een dergelijk besluit onherroepelijk.

Zoodat terwijl oudtijds de oevers van de Guadiana bezaaid waren met steden en groote dorpen, die een bloeiend aanzien hadden, men er tegenwoordig slechts ruïnen ziet of armoedige dorpjes, gebouwd rondom een kerk, die driemaal te groot is voor de luie en verarmde bevolking. Van eeuw tot eeuw zijn de moedigsten en sterksten van elke generatie heengegaan, om Zuid-Amerika of de Philippijnen te bevolken, en de beste qualiteiten zijn erdoor in de verdrukking gekomen.

Sedert 1835 zijn de voorrechten van de Mesta afgeschaft, en de rondtrekkende kudden mogen zich nu slechts bewegen over een oppervlakte ter breedte van tachtig meter; maar het gaat niet in een paar dagen, dat een zoo ingewortelde kwaal wijkt voor een zoo laat toegediend geneesmiddel, en er zullen nog eeuwen verloopen, eer de Castiliaan weer smaak krijgt in den landbouw. Ernstig, statig en somber en onverschillig, zal hij nog langen tijd de zorg voor het bebouwen van zijn velden overlaten aan de Galiciërs, de bewoners der Balearen, of van de [371] Baskische Provinciën, die op zijn kosten leven. Hij zal er de voorkeur aan geven, honger te lijden in alle vormen, door de etiquette gewild, dan van de gewoonte af te wijken, door werk te doen, dat voor dienenden is en dat een hidalgo onwaardig is.

Dat alles komt van dat domme schaap; het is niet te ontkennen, dat het beest wat op zijn rekening heeft! Zijn wol alleen pleit voor hem en bezorgt hem mogelijk vergiffenis; maar zijn côteletten! O wee, men moet eens in Spanje hebben gereisd, om voor eeuwig er genoeg van te hebben.

Daar is de Taag; een krans van donker groen wijst aan, waar de rivier stroomt. Het is een kalme rivier tusschen groene populieren, en zij vloeit zoo slaperig, dat noch de boomen haar hooren passeeren, noch het zand iets van haar voorbijgaan bespeurt. In haar stille rust waarschuwen haar de vroolijke nachtegalen met luider stem, dat de zon is opgegaan, en dat zij ook wakker worden moet. Tusschen het riet aan de oevers zegt de zoet voortvloeiende stroom niet, dat het water is ontwaakt, maar dat het althans bewegelijk is.

Om strijd hebben de dichters haar bezongen. Garcilaso de la Vega roept de grillige nimfen aan, die aan de oevers spelen, en zingt van de vier stroomgodinnen, door de Taag bemind, die te zamen er op uit gingen. Op deze nimfen doelt ook Cervantes, als hij gewaagt van de schoonheden, die het kristalheldere water tot woning hebben gekozen en zich op de groene weide neerzetten, om met haar vlugge vingers kostbare stoffen te weven, waarin zijde, parelen en goud gemengd zijn.

Op zijn beurt ondergaat Moratin de bekoring van de golfjes der Taag en hij viert ze in idyllen, waar Theocritus, noch Virgilius zich voor zouden moeten schamen; maar niemand heeft beter den statigen stroom gehuldigd, zooals hij aan het einde van zijn tocht is gekomen dan de onsterfelijke dichter van de Lusiade. De Taag is niet enkel voor hem de klare stroom, waarmee de helden uit zijn herderszangen dwepen, neen, zij is de epische, de heilige rivier, een soort van bezielende godin.

“Muzen van de Taag,” zegt hij “die mij van mijn prille jonkheid af met uw adem hebt bezield, indien ik altijd in landelijke zangen de schoonheid van uw rivier heb gevierd, wilt mij dezen keer een verheven stijl verleenen, een statigen, indrukwekkenden toon.... Verleent mij de kracht tot het vinden van klanken, wier grootschheid, zoo mogelijk, evenaart de heldendaden, door uw krijgshaftig volk verricht.”

De Taag, die al lang geblaseerd is door den hyperbolischen lof der dichters, zet traag haar loop voort als een verouderde rivier, terwijl de spoorweg zich er van verwijdert en recht op Toledo aan rijdt. Gelukkig komt hij niet dicht bij de wallen der oude stad. Toen hij den spoorweg aanlegde, is de ingenieur daarvoor als voor iets heiligs teruggedeinsd. De reis wordt voortgezet of in een of ander ouderwetsch voertuig, van niet te beschrijven aard of in een grooten wagen met vele banken, al naar gelang er meer of minder reizigers zijn of dat ze meer of minder eerbied afdwingen. De zweepen klappen, de muildieren schoppen achteruit, de koetsiers vloeken en de stijging naar de stad der zeven heuvelen begint te midden van wolken stof, zoo dicht, dat de goden van den Olympus ze vurig zouden hebben begeerd, als het hun lustte, op de aarde neer te dalen. Helaas, wat zouden ze hier nu nog te doen hebben, nu ze zooveel reden hebben, om boos op ons te zijn!

Nog wat knarsend wielgeratel, en links verschijnt op de rotsen, waar ook niet het kleinste mosplantje groeit, de allerdecoratiefste ruïne, die men zich kan denken, juist geschikt, om de etsnaald van den kunstenaar aan het werk te zetten. Het is het oude kasteel van San Cervantes met zijn zware, onvriendelijke muren, waar de zon van tallooze zomers op heeft gebrand.

Nu rijst het nog boven de Taag op, maar vroeger verdedigde het de rivier. Een vertooning van oorlog en machtsbesef is het gebouw geweest, thans door den tijd gebroken.

Ook San Cervantes is door dichters bezongen.

“Gij, die u naast Toledo verheft, koning Alfonsus stichtte u aan de Taag. Er wordt verteld, dat gij ijzer steldet tegenover de houten oorlogswerktuigen van uwe vijanden.... En nu, nu staat gij daar veracht op die kale rots; uwe kasteelen, die u eertijds tot een kroon dienden, zijn thans zitplaatsen voor troepen kraaien en zien er uit als eenzame tanden in den mond van een grijsaard, zeggend, hoe oud hij wel is.

“Luister naar mij, gij stout kasteel, en volbreng, wat ik van u vraag, hoewel twee dozijn verzen juist geen belooning verdienen. Indien mijn geliefde, die boos is als de hel en schoon als de hemel, of beter nog gezegd, die trotsch is als de stad Toledo, uitgaat, om van de bloeiende amandelboomen te genieten, als zij dan van het water van de Taag een spiegel maakt voor haar schoonheid, stel haar dan uw ruïnen tot voorbeeld en vertel haar, zonder te spreken al die duizend dingen, die gij zoo goed weet....”

Het oude kasteel is niet alleen door dichters bezongen; zijn legenden en zijn histories van strijd en liefde, vol van ridderlijkheid, zijn gewijd door den romancero.

Koning Alfonsus had zich verwijderd aan de spits van een dapper leger en liet het opperbevel over Toledo over aan Bérangère, die door afkomst een der edelste vrouwen uit het rijk was, door huwelijk tot koningin was verheven en om hare schoonheid toch reeds souvereine was.

De Mooren, die er van onderricht waren, dat de stad door haar verdedigers verlaten was, snelden toe; maar vóór ze over de Taag trokken, moesten ze het kasteel veroveren, dat aan den ingang zich verhief.

Toen beklom de koningin een der torens van het Alcazar, en met verwoede oogen zag ze, welk gevaar het handjevol dapperen liep, dat in het fort was opgesloten en dat weldra onder de slagen der opdringende ongeloovigen zou bezwijken.

En daar komt tot de Mooren de heraut van koningin Bérangère. Zij laat op een toon van verwijt zeggen:

“Is het niet laf van u, een zoo zwakken vijand aan te vallen? Indien gij zoo dapper zijt, als gij de menschen wilt doen gelooven, gaat dan heen en valt koning Alfonsus aan, zijn echtgenoot en zijn christenen onder de muren van Carelië.” [372]

De bevelhebber der Mooren was door dit verwijt vernederd, en hij wist, dat de koningin zeer schoon was.

“Laat dan boven van het meest nabijzijnde bolwerk Donna Bérangère ons haar gelaat ongesluierd vertoonen, en ik zal het beleg opheffen.”

Tegen zonsondergang verscheen de koningin en stond op het muurwerk met ongesluierd gelaat, omringd door haar jonkvrouwen in prachtige gewaden, schooner dan de opkomende maan te midden der eerste sterren, die aan den hemel schitteren.


Handelsstraat te Toledo.

De Moorenvorst zag haar lang aan, en groette haar met de teekenen van den grootsten eerbied.

Bij het aanbreken van den morgen brak hij met de zijnen het beleg op van het kasteel en sloeg den weg naar Carelië in.

In den tijd van Lope de Vega was het oude kasteel, dat ongebruikt stond, zoo verlaten en eenzaam, dat personen van hoogen rang, die om eerezaken genoodzaakt waren te duelleeren, elkaar onder zijn muren rendez-vous geven. In het aardige blijspel, getiteld “Beminnen, zonder dat men weet wie”, moet de held van het stuk er tot getuige dienen in een van die duels, die in dien tijd zoo veelvuldig waren. Als het niet uit de mode was, zou men er nu nog wel, zonder vrees voor stoornis te moeten hebben, zulke tragische conflicten kunnen uitvechten.

Nadat wij een kudde buffels waren tegengekomen van zeer mooien bouw en zwart als de duivel, wel te verstaan, als de duivel zeer zwart is, reed mijn rijtuig over de brug van Alcantara, die aan beide zijden is afgesloten door twee versterkte poorten met het wapen van het huis Oostenrijk.

Van dit punt gezien, ziet de Taag er zeer dreigend uit, en in de diepte der kloof, waarin ze stroomt, schijnt de rivier de stad Toledo te omstrengelen, als om haar te verstikken, eerder dan om haar in liefhebbende armen op te nemen. Zonder twijfel heeft de eene of andere hemelsche Durandal die bedding in de rotsen uitgehold dwars door den berg heen en de steile rotsen boven het slijkerige water afgeslepen. Ik hef de oogen op, en daar omhoog staat op den top der rotsen, als een kostbaar juweel, gevat in ijzer, de stad der gothische concilies, de oude hoofdstad van Nieuw-Castilië. Onder de lompen van haar aziatische kleêren slaapt de sombere, kloosterachtige stad, juist als in de Middeleeuwen en dat op slechts twee uren afstands van het levende, vroolijke Madrid. Zulk een snelle reis door veertien eeuwen heen is verwarrend voor den geest, en een langdurig verblijf is noodig, om iemand van den schok te doen bekomen.

Als men de tweede poort is doorgegaan, en onder de waakzame oogen der douaneambtenaren is gepasseerd, komt men op een weg, die sterk helt en den naam draagt van Cuesta del Carmel. Het is de ontaarde zoon van een nog steileren weg, die dicht langs de kerk Cristo de la Luz, een zeer oud en eerwaardig monument, voorbij ging.


De Puerta del Sol.

Het is ongeveer zeven eeuwen geleden, dat Alfonsus de dappere binnen Toledo verscheen, dat hij juist had bevrijd van het juk der ongeloovigen, en dat hij naast zich had den Cid Campeador. Toen werden [374] de blikken der beide helden plotseling aangetrokken door een zacht licht. De wanden van het oude heiligdom hadden zich geopend, een hemelsche muziek liet zich hooren, en de lamp der christelijke kapel, die sedert 369 jaren niet opgehouden heeft te branden, ofschoon niemand zorg er voor heeft gedragen, schittert voor de verrukte oogen der zegevierende krijgers.

Alfonsus en de Cid stegen van hun paarden, knielden neer en gaven bevel, dat men in het aan den eeredienst teruggegeven heiligdom een heilige mis zou opdragen.

Bekoorlijke droom van vrome zielen. Daaraan heeft dit kleine gebouw zijn naam te danken van El Cristo de la Luz.

De bouwmeesters hebben druk beraadslaagd over de vraag, tot welken tijd men moet opklimmen om den datum vast te stellen van het oudste deel van de kapel. Enkelen van hen hebben er een uiting in willen zien van arabische kunst uit een zeer primitieve periode, ongeveer vallend in den tijd der sarraceensche verovering. Zij wilden er ook een prototype in zien van de vermaarde moskee van Cordova. Het vierkante grondplan, de zijbeuken met de ijzeren bogen en de zuilen van zeer grove bewerking kunnen wel tot steun dienen van hun theorie, maar geven daaromtrent toch geen zekerheid.

Er zijn nog zoo laat als 1871 frescoschilderingen ontdekt, voorstellend de heilige martelaren van Toledo, en waarschijnlijk afkomstig uit de twaalfde eeuw. Zij kwamen voor den dag door het vallen van brokken der kalklaag, die ze bedekte. Zij behooren thuis in een tijd, toen de Ridders van Sint-Jan op die door een wonder aangewezen plek een afdeeling van hun Orde stichtten. Ter aanvulling dient ook nog gesproken van de tweede kapel, gebouwd in 1842 door kardinaal Mendoza, en die eigenlijk zou moeten worden weggenomen, om aan het oude gebouw zijn oorspronkelijk karakter terug te geven.

Een weinig hooger dan Cristo de la Luz staat, trotsch en eenzaam als een triomfboog, de wondermooie Puerta del Sol. De steenen van die poort, die zoo lang door de zonnestralen zijn gebrand en verguld, lachen den reiziger toe. Wat is zij vaak in proza geprezen, in verzen bezongen en op allerlei manieren verheerlijkt! Zelfs de Taag zou reden kunnen hebben, daarop jaloersch te zijn.

Ik herinner mij, dat ik vroeger eens onder hare bogen ben doorgegaan. Tegenwoordig loopt de rijweg er langs, zeker opdat men de poort beter zou kunnen bewonderen, en mogelijk ook om een zachtere helling te geven aan een weg met een zeer druk karrenvervoer. Het is inderdaad altijd vol op de Cuesta del Carmel, en soms heeft men moeite, zich een weg te banen door de troepen ezels, die aan de rivier water gaan halen, want Toledo, dat op een rots is gebouwd, schijnt bijna even dorstig als de Manzanares zelf.

Het is niet sinds gisteren, dat men er van droomt, de zoete wateren van de geliefde Taag omhoog te voeren tot aan de lippen der stedelingen. Het gelukte reeds aan Karel IV. Daar hij altijd veel belang stelde in mechanica, en, zooals men zich zal herinneren, langen tijd ontstemd was, doordat een zeker aantal klokken niet juist gelijktijdig wilden slaan, belastte hij een ingenieur uit Cremona, Juanilo Turriano geheeten, met het oplossen van de vraag der watervoorziening. De Italiaan stelde een hydraulisch toestel samen, dat door de tijdgenooten met meer geestdrift wordt verheerlijkt, dan dat het met juistheid wordt beschreven. Alvarez de Colmenar, die in de vorige eeuw leefde, spreekt er over naar hooren zeggen, want het bestond niet meer in zijn tijd. Het schijnt een soort van besproeier te zijn geweest.

“De Machine van Juanilo bestond uit groote ijzeren vaten, die aan elkander bevestigd waren en een soort van ketting vormden, die van het kasteel naar de Taag afdaalde; het water kwam in den eersten binnen, werd dan in den tweeden gedreven door raderen en zoo achtereenvolgens in de andere tot bij het slot, waar het in een vergaarbekken werd opgevangen en zich door de geheele stad verspreidde door een kanaal, hetgeen een groot gemak opleverde.”

Juanilo stierf in 1585, en zijn machine, door een joodschen werktuigkundige verbeterd, werkte nog vier en twintig jaren, maar toen ook die man was gestorven, stond ze voor altijd stil.

Buiten enkele bogen van het metselwerk vindt men niets terug van het werk van den ingenieur; maar de italiaansche vervaardiger gaat nog tegenwoordig in de stad door voor een toovenaar, in staat, de natuur en de bovennatuurlijke wereld aan zijn wil dienstbaar te maken.

Juanilo, die onderhouden werd op kosten van het kapittel der kathedraal, had een automaat vervaardigd, die elken dag op een vooraf vastgesteld uur uit zijn huisje trad, zich dan met onverstoorbare kalmte naar de keuken der kanunniken begaf, daar in een mandje den maaltijd voor zijn meester ontving, den kok eerbiedig groette, dan op zijn hielen omdraaide en zonder de minste onbescheidenheid of de allergeringste gulzigheid dadelijk naar de woning van zijn heer terugkeerde. De straat, waar hij door moest, heet nog de Straat van den Houten Man.

Eindelijk is de hoogte bereikt, en mijn rijtuig houdt zijn plechtigen intocht op het Zocodoverplein. Zocodover! Welk een deftige en verheven naam, ofschoon hij eenvoudig beteekent de Paardenmarkt, en wat schijnt hij goed te passen bij de heldenherinneringen van de keizerlijke stad! Op dit plateau was het wapenplein, waar de krijgers samenkwamen, vóór ze uittogen op een veldtocht; hier speelden de ridders bij de plechtige intochten der katholieke koningen; hier vereenigden zich de Communero’s, die aangevuurd werden door de groote Maria de Padilla; hier werd de rechtbank opgeslagen, waarvan de aartsbisschop van Toledo, primaat van Spanje, rechtens Groot-Inquisiteur was. Alle souvereinen van Spanje, alle beroemde mannen, moesten hun beeld vinden op den Zocodover, want bijna allen hebben dien grond betreden.

Als men thans het plein aanschouwt, vervliegen alle wonderbaarlijke of tragische herinneringen! Het Zocodover is niet anders dan een banaal, onregelmatig plein, waar de armoedige en karakterlooze huizen door ruwe zuilen worden gesteund. Onder de zoo gevormde portieken verkoopen bescheiden kooplui meloenen, sandalen en couranten.

Op een ronde steenen bank liggen, slapend of [375] rookend, bedelaars, die onbeschrijfelijk vuil zijn en fier schijnen te wezen op hun lompen. Ze doen maar hazeslaapjes, want ze kijken uit naar elken vreemdeling, die op het plein verschijnt of aan den ingang van de Handelsstraat, die naar de kathedraal voert. Deze fraaie gewoonte dateert niet van gisteren.

In een van zijn verhalen vertelt Cervantes van de ontelbare menigte bedelaars, valsche gebrekkigen en zakkenrollers, die dezen uitverkoren observatiepost innemen. Hij kon ze naar het leven schilderen uit zijn nabijzijnde woning. Er verandert niets in dien mooien zonneschijn van Spanje, die een mensch tot luiheid geneigd maakt en den geest verstompt.

Indien men eenige dagen te Toledo blijft, doet zich het moeilijke probleem voor, of men al of niet aalmoezen moet geven, waar er met zooveel aandrang om gevraagd wordt. Zult ge een klein beetje goeden wil toonen? Goed, maar onmiddellijk zijt ge bekend, en ge zult niet kunnen uitgaan, of dadelijk hechten zich vijftig vuile handen met haakvingers aan uw kleêren, zien u onderzoekend honderden oogen aan en waagt men het, den onderzoekingstocht tot in uw zakken voort te zetten, om daar ... pikante herinneringen achter te laten.

Houdt ge u doof, dan wordt ge toch gevolgd, bedrongen en met scheldwoorden bovendien overladen onder het vaderlijk oog van een politieagent, wiens hart de bedelaars hebben weten te verteederen.

Dus is het probleem onoplosbaar. Is men eenmaal tot dat besluit gekomen dan gaat men de dieven te slim af worden en men doet een wandeling door den dichten doolhof van straatjes en steegjes, die de stad doorsnijden, en waar het stil en rustig is. Soms loopt men op die smalle verkeerswegen, waar een beladen muilezel beide muren raakt, gevaar, verpletterd te worden, en er moet vlug een schuilplaats worden gezocht in een inspringend gedeelte van een huis, om niet te worden platgedrukt. Maar welk gevaar zou men niet willen loopen, om maar niet de Handelsstraat binnen te gaan en in handen der bedelaars te vallen!

Het gebeurt wel eens, dat men in die bochtige straten antieke koetsen tegenkomt, verschijnend uit de monumentale ingangen van oude paleizen, en de zaak krijgt een tragischen kant, als twee rijtuigen zonder elkaar op te merken, van beide einden dezelfde straat inrijden. Het eenige redmiddel is dan af te spannen en den wagen met de handen terug te schuiven.

Maar wie moet uitspannen? Wie zal achteruitgaan? Ernstige vraag in een land, waar het gevoel van eer een eeredienst is geworden, en waar de bewustheid van eigen waardigheid nog eerder dan het geloof bergen zou verzetten.

Het is ... een zeker aantal jaren geleden, dat er een beroemd geworden ontmoeting plaats had tusschen de koets van de echtgenoote van den President van den Raad van Castilië en die der vrouw van den President van den Raad van Indië. Door bemiddeling van de palfreniers hadden de dames de onderhandelingen gevoerd, zonder dat ze elkaar konden overtuigen. Geen van beide wilde teruggaan. Al meer dan drie uur stonden de paarden neus aan neus, en de koetsiers scholden op elkaar. Bij gebrek aan een Salomo, die al eenige jaren dood was, en bij ontstentenis van de scheidsrechters in den Haag, die nog niet waren geboren, stelde een goede ziel, die zich het ernstige geval aantrok, voor, haar te onderwerpen aan het oordeel van den Kardinaal en zich aan diens beslissing te onderwerpen.

“Hier bestaat in het geheel geen moeilijkheid,” zeide de prelaat, volkomen op de hoogte van vraagstukken van étiquette, “de jongste van de dames moet aan de andere den doorgang vrij laten.”

Nauwelijks was deze beslissing aan de partijen meegedeeld, of uit de beide koetsen hoorde men terzelfdertijd het formeele bevel:

“Span de paarden uit en ga terug; ik wijk voor de Presidente van den Raad van Castilië. Zooals Zijne Eminentie terecht zegt, geeft haar leeftijd haar daar recht op.”

“Ga zoo spoedig mogelijk achteruit; ik laat den voorrang aan de Presidente van den Raad van Indië; zooals Zijne Eminentie terecht heeft beslist geven haar jaren haar aanspraak op die eer.”

Ik heb geen dergelijke ervaring opgedaan, want ik stapte af in een echt spaansche herberg, een fonda, waarvan de deur in prachtig snijwerk allerlei wapens vertoonde en uitkwam aan de breede straat, die van het Zocodover naar het Alcazar voert, ’t Is een paleis, dat er heel mooi moet hebben uitgezien, vóór het voorplein of de patio ter hoogte van de eerste étage overdekt is geworden, om er een eetzaal van te maken.

Magnifieke deuren, zwaar en massief als die van een kathedraal, voorzien van sleutels van een armslengte, gaven toegang tot de kamers. De mijne was dubbel, dat wil zeggen, voorzien van een alkoof, die zeer groot en zorgvuldig afgesloten was, en waar niet alleen twee reuzenbedden stonden, maar buitendien alles, wat tot de waschbenoodigdheden behoort, te vinden was. Noch geluid, noch licht, noch warmte zouden daar kunnen binnendringen, zelfs al zouden er honderd menschen zich op de patio bevinden, en al zond de zon van het zenith haar stralen naar omlaag. En hier besteeg weldra mijn geest zijn geliefd ros, dat mij dezen keer snel wegvoerde naar Sjiras en Zasjan. Want is ook niet aldus in de rijke perzische huizen elke kamer samengesteld uit drie achter elkaar gelegen vertrekken, waar het al koeler en geheimzinniger wordt, en die men al of niet bewoont naar het seizoen of zelfs naar het uur van den dag?

Ik was ongeveer twintig jaren geleden in Toledo geweest en sinds dien tijd had ik er altijd spijt van gehad, dat ik de stad alleen als toeriste had gezien. Nu moest ik mijn verzuim goed maken.

Maar hoe zou ik methodisch kunnen te werk gaan in deze stad van helden, waar alle beschavingen van Spanje vertegenwoordigd zijn geweest en waar elk van haar sporen heeft nagelaten? Toledo in wijken verdeelen, zou dat niet zijn, alles door elkander mengen en alles tegelijk overhoop halen? Daar zij op een niet zeer groot plateau is gebouwd, heeft de stad zich niet ver kunnen uitbreiden of verplaatsen, zoodat zoowel in het Noorden als in het Zuiden, in het Oosten als in het Westen de heerschers hun paleizen en hun tempels hebben gebouwd. Zal het [376] niet beter wezen, door de eeuwen heen, van stap tot stap het zedelijk en godsdienstig leven en de kunstuitingen te volgen, dan zonder overgang tot de bestudeering over te gaan van monumenten, die soms vier of vijf eeuwen van elkander in leeftijd verschillen?

Ik heb een besluit genomen in laatstbedoelden zin, ook al op raad van mijn geleerden vriend, professor Ventura Prosper y Reyes, dien geheel Toledo hoog vereert om zijn talenten en zijn ongeëvenaarde goedheid. Geen deur blijft voor hem gesloten, als hij vraagt om te worden binnen gelaten en den magischen groet uitbrengt, die nooit uit een zondigen mond wordt gehoord, “Ave Maria purissima”, waarop geantwoord wordt met een “Sin pecado concebida” en een vriendelijken glimlach.


Madrileensche.

Na het bezoek aan de kapel van Cristo de la Luz en aan de in een winkel veranderde overblijfselen van de oude moskee der Torneria moest volgen het bekijken van de oude synagogen, bekend onder den naam van Santa Maria la Blanca en Transito. Als men de israëlietische families mag gelooven, door de vervolging al sinds vijf eeuwen naar de overzijde der straat van Gibraltar teruggedreven, zouden de Hebreeërs in Spanje zijn gekomen na de vernietiging van Jeruzalem door Titus. Allen, die aan de gevangenschap konden ontkomen, volgden de kusten der Middellandsche Zee en aarzelden niet, om de zee over te steken, ten einde zich in het vruchtbare Andaluzië te vestigen. Men is niet gehouden, deze overlevering als een geloofsartikel aan te nemen. De eerste vermelding van de spaansche joden klimt op tot de vierde eeuw en komt voor in een zeer onvrijzinnig besluit. Daar er onder de joden een krachtige geest van initiatief was te vinden en groote werkzaamheid, namen zij toe in rijkdom en daar zij zich sterk vermenigvuldigden, kregen zij een voorsprong op de Westgothen, die lui en zorgeloos waren. Maar toen de arische heerschers tot het orthodoxe geloof waren overgegaan, begon de geest van vervolging vaardig over hen te worden. Een wreede wet veroordeelde het gansche jodenvolk tot slavernij. Montesquieu kon zonder veel overdrijving de opmerking maken, dat het gothisch wetboek in principe alle voorwendsels bevatte, waarvan later de Inquisitie en de vorsten uit de veertiende eeuw gebruik maakten in hun strijd tegen de Israëlieten.

De verovering van Spanje door de Mohammedanen was een weldaad voor de Joden. Zij muntten uit in kunst en wetenschap; zij monopoliseerden het bankwezen en waren zoowat de eenigen, die aan geneeskunde deden en medicijnen verkochten. De scholen van Cordova, Toledo en Barcelona telden hen onder hun beste leerlingen. Zelfs verkregen ze in dien tijd zulke hooge betrekkingen, dat men ze na de bevrijding der Mooren er niet weer uit durfde ontzetten.

Men ontmoet een menigte joodsche namen onder die van geleerden en financiers uit den tijd en aan de hoven van Alfonsus X, Alfonsus XI, Hendrik IV en vele andere christelijke vorsten. Alfonsus de Wijze gebruikte hen voor de samenstelling van zijn beroemde astronomische tabellen; Jacobus I van Arragon had een Israëliet tot leermeester; Johan II, vader van Isabella de Katholieke, droeg een van hen op, de liederen te verzamelen, die het Cancionero nacional vormen.

In dezen tijd richtten de Joden uit Toledo de beide synagogen op, die een zoo gunstig getuigenis afleggen voor hun smaak en voor hun rijkdom. De kerk, die den naam draagt van Santa Maria la Blanca is de oudste van de beide heiligdommen. Zij heeft tot 1405 haar oorspronkelijke bestemming behouden. Maar op dat tijdstip kwam Vincentius Ferrer, wiens heftige bekeersijver zooveel Israëlieten tot het Christendom had bekeerd, in Toledo het Evangelie prediken. Hij preekte verscheiden malen per dag in Santiago de Arabal, een kerk dichtbij de Visagrapoort, waar men u nog zijn preekstoel kan laten zien, die een wonder is van fijn smeedwerk. Maar de joden van Toledo gingen naar de preek, doch werden niet bekeerd. Gewend aan de zachtheid en meegaandheid der Andaluziërs, werd Vincentius Ferrer boos om de mislukking van zijn pogingen. Op een avond, toen het christelijk gehoor talrijk was en vol geestdrift, kwam de monnik, die door zijn eigen woorden buiten zichzelven was geraakt, van den preekstoel naar beneden, greep een kruis, sleepte zijn geheele schare mee, die aangroeide bij het trekken door de stad, trad met geweld in de synagoge binnen, dreef de rabbijnen eruit, en wijdde het gebouw voor den christelijken eeredienst onder het aanroepen van Santa Maria la Blanca, ter herinnering aan een wonder, dat in Rome was voorgevallen in 152 onder het pontificaat van den H. Liberius. [377]


Handwerkersgezin in een oud paleis van Toledo.

Sedert die transformatie heeft de oude synagoge nog menige lotwisseling beleefd. In 1550 werd het gebouw door den kardinaal aartsbisschop Johan Siliceo vergroot, en er werden enkele gebouwen bijgevoegd. Hij maakte er vervolgens een soort van Bagijnenhofje van voor boetvaardige vrouwen en meisjes. Maar hetzij dat de toledo’sche vrouwen alle deugdzaam waren, of dat ze, zooals een sceptisch schrijver opmerkt, zelden zich berouwvol voelden, het Bagijnenhof kwam nooit tot bloei en moest eindelijk worden gesloten bij gebrek aan Bagijntjes. Santa Maria la Blanca, nu verlaten en ongebruikt, zou afgebroken zijn geworden, als men niet besloten had er troepen te herbergen en er later een militair magazijn van te maken.

Nog slechts even dertig jaren geleden is dat wonder van bouwkunst door de Commissie voor de historische Monumenten opgeëischt. Sinds dien tijd heeft men het gebouw een belangrijke restauratie kunnen doen ondergaan, dank zij een jaarlijksche subsidie der regeering en den inkomsten, gevormd door de entrées van de vreemdelingen.

Het uitwendige heeft niet veel bekoorlijks of sierlijks, maar pas is de deur geopend of men ziet in hun geheel vijf kerkbeuken, verdeeld door drie rijen achthoekige pilaren, waar bogen op rusten. De kapiteelen, met gebeeldhouwd stuc versierd, herinneren door hun prachtige fijnheid en door den aard van het ornament aan hun prototypen, nog bewaard in sommige oude perzische moskeeën. In de boogruimten zijn rijke rozetten aangebracht, terwijl langs het astragaal zich een slinger windt van ineengevlochten bladeren met pijnappels er tusschen, zooals men ook vindt in de versieringen van het Alhambra en die opklimmen tot den tijd van het Kalifaat. Een rijk houten plafond, ingelegd met parelmoer en ivoor, bedekt het hoofdschip en geeft aan dit gedeelte van het gebouw groote sierlijkheid.

De Joden konden niet protesteeren tegen den roof aan hen gepleegd; zij onderwierpen zich en kwamen later samen in een grootere en mooiere synagoge, gebouwd door Samuel Levy, den beroemden schatmeester van Peter den Wreede, volgens de plannen van den rabbijn Don Meir Abdeli, en voltooid in 1336. Zij hielden er hun godsdienstoefeningen tot 1492, het jaar, dat tegelijk zoo roemvol en zoo verschrikkelijk was, waarin Isabella Granada innam, waarin de Nieuwe Wereld werd ontdekt, en door een hand in onbedachtzaamheid het decreet werd geteekend, dat Spanje beroofde van 120,000 ijverige, intelligente en welvarende Joden.

De synagoge van Samuel Levy onderging op haar beurt het lot van haar voorgangster en werd een christenkerk onder den naam van Transito de Nuestra Senora. Het gebouw vertoont de weelde, die in harmonie was met den rijkdom van den stichter en is een der mooiste voorbeelden van de arabische kunst in Andaluzië. Het bestaat uit één enkel schip, overdekt ter hoogte van veertien meter door een merkwaardig schoone zoldering van lorkenhout, ingelegd met ivoor en parelmoer, als die van Santa Maria la Blanca. Op de muren ziet men zeer fijne stucornamenten, zoo sierlijk en elegant, dat men ze op het eerste gezicht voor teedere venetiaansche kant zou houden, die sinds eeuwen daar was blijven hangen. In het bovengedeelte, waar fraaie vensters zijn aangebracht, leest men tusschen bloemen en lofwerk een prachtig opschrift in hebreeuwsche letters. Daarin wordt de lof gezongen van den stichter der synagoge, Samuel Levy en van Don Pedro, den regeerenden vorst. Toen de waardige schatbewaarder ter dood veroordeeld werd door een meester, die [378] inhalig en afgunstig was, moest hij uit den grond van zijn hart het geld betreuren, dat hij besteed had aan het koopen van zijn beul. Het opschrift heeft intusschen weerstand geboden aan den tijd, en aan zijn hooge plaatsing is het toe te schrijven, dat het de woede der Christenen heeft kunnen tarten en hen heeft kunnen uitdagen in den tijd, toen ze de synagoge tot Christenkerk wijdden.

Thans wordt het schip der kerk door een reusachtig steigerwerk met opeenvolgende zolderingen, waarheen trappen toegang verleenen, verdeeld in verscheiden verdiepingen, zoodat het moeilijk wordt, de schoonheid van het geheel te waardeeren. Toch is het mogelijk, enkele prachtige fragmenten te bewonderen, den tempel in zijn groote lijnen te reconstrueeren, en in te zien dat, als de ondernomen restauratie op de nu begonnen wijze wordt voortgezet zij mogelijk wel een halve eeuw kan duren, maar dat ze tenminste wordt uitgevoerd met echte kennis van zaken en een onvergelijkelijk helder inzicht in wat aan zulk een kunstwerk toekomt.

Rondom het Transito, waar het paleis van Samuel Levy dichtbij was, en in de buurt van Santa Maria la Blanca. is de oude jodenwijk geweest. Helaas, op die plek, waar het volk van Israël een toevlucht voor goed had hopen te vinden, ziet men nu slechts puin en stof. Welk een droeve uittocht is dat geweest van dat ongelukkige volk, dat den grond moest verlaten, waar het sedert eeuwen woonde, en binnen enkele maanden al zijn goederen te gelde maken, zonder dat het de kleine hoeveelheid goud mee mocht nemen, die er de belachelijk lage prijs voor was!

Aan den voet van de beide synagogen daalt de bodem af naar een vlakte aan de Taag, die soms door de rivier wordt overstroomd, als ze buiten haar bedding treedt. De woningen zijn er weinige; maar een huis, dat hooger was dan de andere en er wat welvarender uitzag, trok mijn aandacht. Op den voorgevel en op meer dan acht meter hoogte was er een groote steen in aangebracht, waarop een in zwart gegraveerd opschrift te lezen was, dat mij vertelde, dat de Taag tot hier gestegen was bij een hoogen vloed, die beroemd was gebleven.

Verbaasd, vroeg ik aan een vrouw om inlichting, die op de stoep van haar huisje haar kind het haar kamde.

“Wel, wel! Komt het water der rivier soms tot zulk een hoogte?”

“O, neen!... De hoogste vloeden zijn nooit hooger gekomen dan een paar meter, en dat is waarlijk al hoog genoeg!... Maar toen de kinderen altijd met ballen tegen het opschrift gooiden en het dreigden te bederven, heeft de alcade ons bevolen, het buiten hun bereik te plaatsen.”

Nadenkend over de wijsheid en voorzichtigheid van dien uitgezochten ambtenaar, wandelde ik voort tot aan de Visagrapoort, een massief bouwwerk, dat tot den tijd van Karel V opklimt, en door zijn nauwheid een groote last is voor de muilezeldrijvers.

Ergens anders zou men zulk een sta-in-den-weg opruimen, maar te Toledo heeft men eerbied voor het verleden, zooals de voorzorg bewijst, die er genomen wordt om de herinnering aan een overstrooming te bewaren.

II.

De Taller del Moro en de salon van het Casa de Mesa.—De pupillen van bisschop Siliceo.—Santo Tomé en het werk van Green. De moskee van Toledo en koningin Constantia.—Juan Guaz, de eerste bouwmeester van de kathedraal.—Wat er veranderd en aan toegevoegd is.—Herinnering aan den slag van las Navas.—Het graf van kardinaal Mendoza.—Isabella de Katholieke en haar testamentaire beschikking.—Ximenes.—Alvaro de Luna.—De vaandeldrager van Isabella in den slag van Toro.

“Ik heb veel huizen gezien, veel leêgloopers en, in de straten, de rijke zoowel als de arme, hoopen vuil. Ik heb den hemel aanschouwd door venstertjes, zoo klein als schietgaten, en er is mij verteld, dat een vriendelijk gezicht dikwijls het masker is van den snoodaard, dat de perziken in den zomer rijp worden en dat er in den herfst muskieten zijn.”

Deze beschrijving van Toledo, die in het midden van de zeventiende eeuw gegeven is door den hoofschen Garcia de la Chataigneraie in het beroemde drama Francisco de Rojas, past nog volkomen, en als men bij het vuil ook nog allerlei puin voegde, zou men er geen tittel of jota aan behoeven te veranderen.

De monumenten, die opgericht zijn in den loop der drie eerste eeuwen, volgend op de herovering, en die den mudejarstijl of den mozarabischen vertoonden, hebben het meest geleden, of doordat de booze mode het zoo heeft gewild, of doordat de versieringen onsterk en niet duurzaam waren. Ik heb dien stijl in Saragossa bestudeerd, met zijn moorsche en gothische motieven dooreengemengd.

Zoo staat het met het prachtige paleis aan de Calle del Moro. Men stapt een poort binnen en komt in een verwilderden tuin, waaromheen vele arbeidersgezinnen wonen. Zij hebben hun schamele woningen aangeleund tegen de nog sterke muren, en den rijkdom afgebroken om de armoede plaats te geven. Van dit groote gebouw is slechts een zaal van mooie afmetingen over, met een prachtige zoldering, gelijk aan die van het Transito. Het bovengedeelte der muren, dat niet bereikbaar was, noch voor den hamer van den werkman, noch voor het speeltuig van de kinderen, is versierd met zeer lijn pleisterwerk.

Die schoone zaal, waaraan ter weerszijden twee kleiner vertrekken grenzen, heeft langen tijd gediend tot bergplaats voor de steenen, die voor het onderhoud der kathedraal noodig waren, en heeft naar die bestemming den naam gekregen van Taller del Moro, dat is werkplaats van den Moor. In de laatste jaren is het een gewone remise geworden.

En toch is eenmaal dit paleis bewoond geweest door Karel V. Er wordt verteld, dat de erbij behoorende tuinen ineen liepen met die, welke de woning omgaven van graaf Fuensaline, waar de echtgenoot van den grooten keizer stierf, die sombere Isabella van Portugal, de moeder van Filips II, wier door Titiaan geschilderd portret ons haar zachte trekken heeft bewaard onder de fijne, zijdeachtige blonde haren.

Een ander voorbeeld van den eigenaardigen stijl, die ontstond uit de vereeniging van de kunst van het Oosten met die van het Westen, maar een dat veel kleiner is en in uitstekenden staat is gebleven, is het salon van de Casa de Mesa. Ook dat heeft den mudejarstijl.

Het pleisterwerk, bij de bekleeding aangebracht, heeft veel overeenkomst met de versieringen van het [379] Transito, dat in 1366 werd opgericht, maar het gelijkt nog meer op de ornamenteering van het paleis van Ayala, dat van 1440 dagteekent. Het is dus niet gewaagd, te veronderstellen dat het gebouw tot stand kwam in de XVde eeuw.

In 1551 vestigde de aartsbisschop Don Juan Martinez Siliceo er een inrichting van onderwijs onder den naam van Collegio de las Doncellas virgineas. De jonge meisjes, honderd in getal, werden er slechts toegelaten, nadat ze bewijzen hadden bijgebracht, niet alleen van haar kwartieren van adel, zooals men bij vergissing wel heeft gezegd, maar van volkomen zuiverheid van bloed, wat nog heel iets anders is. Om zuiver bloed te hebben of oud christenbloed, moest men onder zijn verst verwijderde voorouders noch een jood, noch een Arabier, noch een door de Inquisitie veroordeelde hebben van vaders- zoo min als van moederszijde. Cervantes voegt er zelfs bij, en dat is logisch, dat er een onafgebroken en bewezen wettige afstamming moest bestaan. Natuurlijk was men niet zoo streng in zake het laatste punt als in zake het eerste.

De pupillen van den aartsbisschop Siliceo werden tusschen zeven en tien jaar in zijn school toegelaten. Zes plaatsen werden open gehouden voor kinderen van de familie van den stichter. Zeer belangrijke sommen werden haar levenslang uitgekeerd, als ze in de inrichting bleven. In geval van een huwelijk ontvingen ze een bruidschat van 5535 realen; maar geen enkel gunstbewijs viel haar ten deel, als ze de school verlieten om in een klooster te gaan, daar het hoofddoel van den stichter was, goede en flinke huismoeders op te voeden, die bekwaam waren in huishoudelijke zaken en in staat, een huishouding goed te besturen.

In 1810 ging de Casa de Mesa over in het bezit van de Karmelieters, die van den grooten salon hun kapel maakten. Aan hen is het uitstekend behoud van die zaal toe te schrijven. Zij behoort thans aan iemand, die ervoor zal zorgen, dat het interessante gebouw veilig en ongeschonden blijft.

Behalve de bekende gebouwen zijn er nog een groot aantal arme woningen, waar men interessante fragmenten van den ouden bouwstijl vindt. Om die te zien te krijgen, moet men zich niet wenden tot de gepatenteerde en zoogenaamd officiëele gidsen; liever moet men een bewonderaar van de ruïnen van Toledo volgen, en met hem doordringen tot de patio’s en stallen, welker eigenaars de opvolgers zijn van Peter den Wreede en der groote heeren van diens hof.

Terwijl de mozarabische metselaars en bouwmeesters in de verschillende wijken der stad Toledo paleizen van den adel deden verrijzen, droeg de geestelijkheid hun den bouw van kerken op. De meeste zijn verwoest geworden door den ijver der priesters, die ontijdig smaak kregen in een nieuwen stijl. San Justo, San Juan de la Penitencia, San Roman, San Pedro Martyr, San Miguel, Santa Leocadia, het klooster van de Ontvangenis en Santo Tomé hebben er nog een en ander van bewaard. Hier is nog een toren in den vorm van een minaret te zien als een protest tegen de verandering der kerken, die oudtijds onder hun hoede waren geplaatst, daar is een fries of een plafond te bewonderen, waar de technische bekwaamheid en de wetenschap der bouwmeesters uit blijken. Al die kerken zijn een bezoek overwaard; maar Santo Tomé bevat twee meesterwerken, die haar een eereplaats doen innemen, namelijk het veelkleurig standbeeld van den profeet Elia, waarvan de draperieën ongelukkigerwijze gerestaureerd zijn en de begrafenis van graaf Orgaz, het bewonderenswaardigste kunstwerk, dat de wereld aan het penseel van den realist Greco heeft te danken.

De olympische schoonheid van het hoofd van Elia, de krachtige modelleering van de handen en de voeten, die uit het wollen gewaad te voorschijn komen, doen dadelijk denken aan de spaansche leerlingen van Michel Angelo. En daar men niet aan Berruguete wordt herinnerd, moet het werk worden toegeschreven aan Tordesillas of misschien eerder aan Bercera.

Domenico Greco of Theotocopuli, om hem zijn waren naam te geven, is een van die langen tijd miskende kunstenaars, die een glorie zijn voor de steden, waar ze verblijf hebben gehouden. De strenge en forsche kleuren, de compositie vol harmonie, de magistrale teekening en de uitdrukking der gezichten zijn treffend. Deze waardige afstammeling van de groote kunstenaars uit Hellas was in Griekenland geboren, zooals zijn naam en zijn bijnaam aanduiden, en daarna was hij, na Italië te hebben doorreisd en daar een leerling van Titiaan te zijn geweest, naar Spanje gekomen en had zich te Toledo gevestigd. Buiten deze begrafenis van graaf Orgaz, dagteekenend van 1584, bezit de stad nog eenige prachtige portretten door dien grooten meester gemaakt en geschilderd in de grijze tinten, welke aan de manier van Frans Hals herinneren.

De kathedraal is nog tegenwoordig wel het middelpunt van Toledo. Van alle trekt zij het meest de aandacht. Nu eens ziet men haar boven de huizen verrijzen, dan weer vult ze open hoeken in het uitzicht tusschen de straatjes, die alle op dat kerkgebouw uitloopen. Aan beide zijden heeft zij zware contreforten, rondom zijn open galerijen, en boven steken dikke torens en spitse torentjes hun punten in de blauwe lucht op. Aan haar voeten dringen zich huizen samen en paleizen; maar men let daar niet op, zoo overheerschend is de kathedraal voor den geest en voor het oog.

Men vindt niets anders in de ruimte, en als men, gelijk opeenvolgende geologische lagen, de bijgebouwen, de sacristieën en de kapellen uit allerlei tijden naast en in het primitieve gebouw vindt, gaan die zaken, die al zoo langen tijd met elkaar in aanraking zijn geweest, zoo goed te zamen, dat de eeuwen er als ineensmelten, zonder dat men haar grenzen uit elkander houden kan. De kathedraal is de Sint-Pieterskerk van dit andere Rome, van die stad der zeven heuvelen; maar dan een zeer mystieke Pieterskerk, een zeer vrome, die ernstige gedachten wekt en niet de herinnering aan de fiere pracht van het Keizerrijk. Ik neem het Mariana kwalijk, dat hij haar de Rijke heeft genoemd, terwijl door de eeuwen heen Jupiter, Jezus, Allah en toen weer Jezus eerbiedig werden aangebeden op die plaats. De plek, waar zooveel menschelijke wezens hun geest tot de hoogte eener ideale wereld verhieven, zou een andere aanduiding verdienen.

De geschiedenis der kathedraal is niet alleen die van de stad Toledo, maar zij is die van geheel Spanje. De eerste christenkerk, die op de heidensche [380] tijden volgde, moet opgericht zijn in de 4de eeuw. Zonder twijfel werd voor dat primitieve gebouw de kerk in de plaats gesteld, die gesticht was door Recarede, dien gothischen koning, die het Arianisme afzwoer en, het kerkgebouw onder de bescherming stellend van de H. Maagd, het den 12den April 587 inwijdde. Het moet een eenvoudig huis zijn geweest; maar binnen zijn muren werden de heilige bisschoppen van Toledo tot het pontificaat verheven. Dat geschiedde met Eugenius, Eladio, Ildefonso en Julianus; onder de gewelven der kerk kwamen de conciliën samen, waar de gothische monarchie haar wetten gaf en zich in theologische haarkloverijen verdiepte, terwijl de Arabier in den galop van zijn snel en vurig paard al meer naar het westen den teugel wendde.

De Halve Maan werd geplant op den grond, dien Viriathes zoo lang aan de Romeinen had betwist. De kerk werd omvergehaald en vervangen door een schitterende moskee, met kostbaar marmer bekleed. En toen na drie eeuwen de stad door de Christenen heroverd werd, was zij zoo schoon, dat de Mooren erdoor een afzonderlijk artikel van de capitulatie beslag op legden en van den overwinnaar de belofte kregen, dat zij er vrij hun godsdienstoefeningen zouden mogen houden. Koning Alfonsus beloofde onder eede, altijd aan deze plechtige overeenkomst trouw te zullen blijven.


Ingang tot het paleis van Peter den Wreede

De Mooren hadden met den koning onderhandeld, maar niet met koningin Constantia. In overleg met bisschop Bernard maakte zij van de afwezigheid van den vorst, die in verre landen oorlog voerde, gebruik, om te komen tot wat zij de kostbaarste der overwinningen noemde. Op een nacht vereenigden zich drieduizend goed gewapende Christenen onder haar bevelen en, door den bisschop aangevoerd, stormden zij op de moskee los. De deur bezweek onder hun slagen, en de verraste bewakers konden geen weerstand bieden. San Vincentius Ferrer moest het voorbeeld van overgave twee eeuwen later volgen.

Den dag na de inneming werd de moskee voor den christelijken eeredienst gewijd, en gesteld in het bezit van de kanonnieke rechten der kerk, die zij had vervangen, in spijt van de protesten van Aboe Valid, die met verontwaardiging eischte, dat het verdrag der capitulatie zou worden nageleefd.

Dadelijk zonden de Mooren een bode naar den koning met de opdracht, hun beklag te doen en naast de vervulling der belofte van den vorst ook de bestraffing te eischen van de koningin en den bisschop.

Alfonsus, in woede ontstoken, beloofde de schuldigen te straffen en sloeg in groote haast den weg naar Toledo in.

Toen ze den haastigen terugkeer van den koning vernamen, waren de koningin en de bisschop zeer verschrikt en vol vrees. Nu was er onder de Mooren een wijs en voorzichtig man, die niet te vergeefs zielkunde had bestudeerd.

“Wat zult gij lieden nu beginnen?” vroeg hij zijn geloofsgenooten. “Koning Alfonsus is eerlijk; hij zal zijn woord houden en hij zal, naar ze verdienen, straffen de koningin, die hij liefheeft en den bisschop, die zijn geheele vertrouwen bezit. Gij zult voor een oogenblik getriomfeerd hebben, maar weest er zeker van, dat, als er recht is gedaan, de rechter een wrok tegen u zal behouden. Om in het bezit te blijven van een moskee, die voortaan te groot voor ons zal zijn, zoudt gij de goede gezindheid van uwen souverein jegens u verspelen. Neemt u in acht voor de gevolgen, waardoor hij ons de strengheid zal doen berouwen, die wij van hem hebben gevorderd.”

Deze alfaqui of wetgeleerde wist zijn gehoor te overtuigen, en nog dienzelfden avond reisde hij, door zijn geloofsgenooten afgevaardigd, den koning te gemoet, om zijn goedertierenheid ten gunste der schuldigen in te roepen.

Alfonsus gaf zijn groote ontevredenheid aan de koningin te kennen en aan den bisschop; maar in den grond van zijn hart gelukkig, dat hij niet de strengheid behoefde uit te oefenen, die de eer van hem eischte, toonde hij voortaan aan de in Toledo gebleven Arabieren zijn goeden wil en een welgezindheid, die slechts een rechtvaardige vergoeding waren voor het geweld, in zijn afwezigheid gepleegd. [401]


Waar Cervantes woonde, toen hij te Toledo vertoefde.

Toledo behield gedurende meer dan anderhalve eeuw, de arabische moskee als kathedraal en eerst onder de regeering van Ferdinand III, den heiligen veroveraar van Sevilla, werd ze afgebroken. De eerste steen van de tegenwoordige kerk werd door dien monarch gelegd, bijgestaan door bisschop Dom Jimenez de Rada, op 4 Augustus 1227. Met den bouw is men bezig geweest tot op het einde van de 16de eeuw. De mozarabische kapel, die der laatste koningen, die van Sagrario, van Ochavo, de Sacristie, het huis van den Schatmeester, de Zaal der Onderhandelingen, de Leeuwenpoort en die der Voorstelling, het snijwerk van het koor en een menigte andere toevoegsels dateeren van nog lateren tijd.


Castilië en Sevilla.

De naam van den eersten bouwmeester is ons bewaard gebleven. Hij heette Pedro Perez, zooals men kan lezen op zijn grafschrift, dat in de kapel van Santa Maria gevonden is, toen die kapel werd afgebroken bij den aanleg van het Sagrario. Hij stierf op hoogen leeftijd in 1285. Onder zijn talrijke opvolgers moeten wij niet vergeten den beroemden Juan Guaz, wien de Katholieke koningen den bouw opdroegen van het klooster San Juan de los Reyes.

Het zou vervelend zijn de optelling te hooren van het aantal pilaren, die het schip van de kathedraal van Toledo dragen; van de vensters, die er licht geven; van de vierkante meters gewelven, die het overdekken; van haar kapellen, vensterruiten, deuren en binnenpleinen. De kanunniken zelf zouden u geen completen inventaris kunnen geven van de schatten van allerlei aard, die men er vindt. Ik wil mij er dus toe bepalen, de hoofddeelen te bespreken en allereerst mijn aandacht wijden aan drie groote figuren, die scherp uitkomen tegen de groepen van koningen, ministers, krijgslieden en bisschoppen, die allen te rusten gelegd zijn in de kathedraal of haar iets van hun eigen roem hebben meegedeeld. Ik zal [402] namelijk spreken over Alvaro de Luna, den beroemden en ongelukkigen minister van Juan II, van den grooten kardinaal Mendoza, minister van Isabella de Katholieke, en van den niet minder grooten Ximenes de Cisneros, die, bekleed met koninklijke macht op het eind van het leven der groote koningin, ze behield in de eerste jaren der regeering van haar dochter, Johanna de Krankzinnige.

Zooals in bijna alle gothische kerken van Spanje, wordt de schoonheid van het centrale schip bedorven door de zware massa van het koor, dat onvermijdelijk voor de kanunniken moest gereserveerd. Maar toch, omdat het koor zoo mooi is, kan men het veel vergeven. Nadat men het prachtige hek van verguld koper en verzilverd ijzer heeft bekeken, waarin men de karakteristieke ornamenten aantreft van den platereskenstijl of dien der spaansche vroeg-renaissance; nadat men daarboven de wapens heeft herkend van kardinaal Siliceo, primaat van Spanje in den tijd toen de beroemde meester van het smeewerk, Domingo Cespedes, dit kunststuk voltooide in 1548; nadat men het opschrift heeft ontcijferd, dat vertelt, hoe dit wonder werd gewrocht onder de regeering van Karel V en onder het pontificaat van Paulus III, begint men de grieven te vergeten, die voor een opmerkzaam beschouwer van het schip der kerk geheel verdwijnen.

Langs de muren, die zich tot halver hoogte de zuilen verheffen, staan twee verdiepingen van koorstoelen van rijkgebeeldhouwd notenhout, maar van verschillende stijlen. De benedenste rij is niet de schoonste; maar wel is ze de oudste en de interessantste. Elk basrelief stelt een gebeurtenis voor uit den strijd, ter verovering van het koninkrijk Granada, door de Katholieke koningen gevoerd, en de daarna volgende inneming van de talrijke versterkte plaatsen, waardoor de tien jaren van den oorlog gekenmerkt waren. Die koorstoelen, die in 1495 werden voltooid, dateeren uit den tijd van kardinaal Mendoza en zijn het werk van den meester-beeldhouwer Rodriguez. Ze zijn in den bloemrijken gothischen stijl gemaakt en vloeien over van curieuse en aardige bijzonderheden over de vestingen, de kleederdrachten, de wapens, de gewoonten der Christenen en der Mooren op het tijdstip der verovering.

De stoelen van de bovenste rij zijn afkomstig uit de 16de eeuw en dragen alle den duidelijken stempel der Renaissance. Marmermozaïeken en inlegsels van jaspis en albast zijn ingevoegd in het notenhout van een mooie, warme tint, om de versieringen mee aan te brengen.

Filips Vigarni, genaamd van Bourgondië, heeft de linker koorstoelen gemaakt, terwijl Berruguete die aan den rechter kant vervaardigde. De figuren, die bijna levensgroot boven de leuningen zijn aangebracht, zijn ontleend aan het Oude en het Nieuwe Testament. De stoel van den aartsbisschop, die zoo bijzonder mooi is, was voor Berruguete bewaard gebleven. De dood overviel hem, en zijn medewerker had de eer het kunstwerk te snijden. Er staat het schild op van kardinaal Siliceo, onder wiens bestuur het werk werd voltooid in plaats van dat van den aartsbisschop Talavera, dat men op de andere stoelen vindt.

De bronzen zuilen, die het koepeltje steunen, dat zich er boven uitbreidt, zijn wonderlijk mooi gesneden. Op de leuning stelt een basrelief van albast, dat wij aan de beitel van Gregorio Vagarni verschuldigd zijn, broeder van Filips, genaamd van Bourgondië, de H. Maagd voor, zooals zij een kasuifel om de schouders van den H. Ildefonsus hangt. De bevalligheid en de schoonheid der heilige kunnen slechts vergeleken worden bij de verheven en verrukte uitdrukking van dengene, die haar aanschouwt. Een belangrijke groep is aangebracht boven het koepeltje en stelt de transfiguratie van Jezus voor, die tusschen Elia en Mozes staat. Berruguete had den tijd het werk te voltooien en zelfs om oneenigheid te krijgen met het kapittel over de betaling van zijn arbeid. De bouwmeester van het Alhambra, Pedro Machuca, werd als deskundige gekozen en stelde den prijs vast op 82628 realen, een zeer belangrijke som voor dien tijd, want ze staat gelijk met 13000 hollandsche guldens.

Boven de koorstoelen vindt men rechts en links orgels, die om de schoonheid der registers en de voortreffelijkheid van het mechanisme terecht beroemd zijn. Het eene is van 1756, het andere van 1796, en beide zijn vervaardigd door bekende orgelbouwers. De overige meubels van het koor kunnen wedijveren met de stoelen. In het midden draagt een arend met ontplooide vleugels, de klauwen rustend op een gothisch voetstuk van ouderen stijl, de enorme en zware boeken van de liturgieën. Die schoone vogel is zeker uit Duitschland gekomen in den tijd der Renaissance. Twee andere lessenaars van verguld brons van verschillenden vorm, staan een weinig lager, gelijk met de stoelen. Zeer mooie basreliefs, die den doortocht door de Roode Zee en David, dansend vóór de ark, voorstellen, versieren de vlakke deelen van die lessenaars. Ze zijn zoo stevig verguld, dat men ze het gebruik niet kan aanzien, ofschoon ze van 1750 moeten dagteekenen. Indien dan al het kapittel veel van kunst hield, het hield ook veel van zuinigheid, want er rezen nog moeilijkheden met den vervaardiger Nicolaas de Vergara, den Oude. Er volgde een twist, maar ten slotte werd men het toch eens.

Tusschen het koor en de Capilla Mayor van tegenwoordig, die afgesloten wordt door een hek, waar een prachtige Christus aan het kruis boven hangt, ligt een vrij groote ruimte. Zij werd tot de 15de eeuw ingenomen door de oude Capilla Mayor, terwijl aan de achterzijde zich de kapel der Oude Koningen verhief, gesticht door koning Dom Sancho den Dappere, om als begraafplaats voor zijn familie te dienen. Toen Ximenes de Cisneros kardinaal en primaat van Spanje was geworden, verkreeg hij van de Katholieke koningen vergunning, om de stoffelijke overblijfselen hunner voorgangers naar elders over te brengen, en tevens om van de beide kapellen een enkele te maken van grooter afmetingen en dus meer in overeenstemming met de belangrijkheid van het gebouw. Zulk een optreden heeft natuurlijk meer sporen nagelaten. De Capilla Mayor ziet er, nadat ze de beelden en sieraden uit de beide heiligdommen heeft geërfd, overladen en vol en niet in harmonie met het andere uit. Onder de beelden van koningen en [403] koninginnen is ook een binnengedrongen van een boer.

Toen de beroemde slag van las Navas aan den gang was, en het leger der Christenen door de ongeloovigen in het nauw was gebracht, en dreigde vernietigd te worden, verscheen er een herder voor koning Alfonsus VIII en bood hem aan, hem langs een onbekenden, maar volkomen veiligen weg buiten den pas te brengen, waar de troepen ingesloten waren. Toen hij zijn woord had gehouden, verdween de herder, zonder op den dank des konings te wachten of om een belooning te vragen. Dadelijk liep het gerucht, dat de redder van het leger der Christenen een afgezant van den hemel was. Ten bewijze van zijn dankbaarheid gaf Alfonsus bevel, een standbeeld op te richten voor den hemelschen gids en beschreef hem aan den kunstenaar, zooals hij hem had gezien.

Tegenover dien Pastor de las Navas staat de waardige gestalte van den alfaqui Aboe Valid, die door zijn beleid koningin Constantia redde van de straf, die zij wel een weinig verdiend had. Voorbij de koninklijke standbeelden dichterbij het altaar vindt men boven elkaar een rij van graven, waar de leden der koninklijke familiën rusten, die niet zijn overgebracht naar de kapel der Nieuwe Koningen. Daar heeft zich op een echt koninklijke plaats een persoon ingedrongen, die door zijn geboorte niet voor zulk een eer bestemd was. Het is niemand minder dan de beroemde Dom Pedro Gonzales de Mendoza, kardinaal, primaat van Spanje en eerste minister der Katholieke koningen.

Het heeft moeite gekost, om het stoffelijk overschot te plaatsen in een graf, dat meer op een kapel gelijkt, en waar een altaar staat. Op dat altaar moesten volgens de laatste wilsbeschikking van den prelaat drie missen per dag worden gelezen. Toen de kardinaal gestorven was, haastten zich de kanunniken, die hem misschien tijdens zijn leven wel eens lastig hadden gevonden, tegen de bepalingen van zijn testament te protesteeren.

De plaats, die de overledene had aangewezen, om er zijn graf te graven, kon, zoo zeiden zij in den aanvang, slechts aan een vorst of een prins van koninklijken bloede worden afgestaan. Toen Isabella, die door den slimmen Mendoza tot zijn executrice testamentaire was aangewezen, hoorde van den tegenstand, zond zij aan het kapittel het bevel, zich naar den laatsten wensch van den kardinaal te voegen. Toen men zich niet haastte om te gehoorzamen, dacht zij aan koningin Constantia. Door metselaars vergezeld, begaf zij zich des nachts naar de kathedraal en beval den werklieden, in haar tegenwoordigheid den dikken muur door te breken. Toen de kanunniken den volgenden morgen in de kerk kwamen, vonden ze de doorboring zoo goed als voltooid. Het gaf toen niets, nog langer te protesteeren.

De kapel, het graf en het mooie beeld, dat op de sarcofaag is geplaatst, zijn het werk van den meester Alonso de Covarrubias. Zeven-en-twintig beeldhouwers hielpen hem bij zijn arbeid. In vier jaren was die voltooid, en in 1504 werd het monument ingewijd, na den dood van Isabella.

Door aan het stoffelijk overschot van Mendoza een plaats af te staan tusschen die van koningen en prinsen van Castilië, had de koningin den trouwen dienaar willen beloonen, en den dapperen krijgsman, den grooten staatsman, die na den slag van Toro er toe had meegewerkt, haar den troon te verzekeren, en die vóór Granada haar zoo krachtig hielp in het winnen van een koninkrijk. Hij was het, die, zich stellende boven de vooroordeelen van zijn tijd, en van zijn Orde, het oor leende aan de smeekbeden van Columbus, voor diens inzichten gewonnen werd en hem den nog wel wat weifelenden steun van de koningin bezorgde. Zonder Mendoza zou Isabella misschien nooit vorstin over een Nieuwe Wereld zijn geworden.

Daar zij edelmoedig van aard en dankbaar was, nam zij het hem niet kwalijk, dat hij bij zijn leven zich den bijnaam had verworven van “den derden beheerscher van Spanje”, en na zijn dood voerde zij gewetensvol zijn laatste wilsbeschikking uit. De kloosterschool van Santa Cruz te Valladolid en het hospitaal van denzelfden naam, waarvan zij den eersten steen te Toledo legde, zijn ook een uitvloeisel van die gevoelens.

De groote kardinaal was juist een man, zooals men zich de groote vorsten van dien tijd kan denken. Eens maakte een geestelijke, die op een dag in de tegenwoordigheid van den kardinaal preekte, van de gelegenheid gebruik, om uit te varen tegen de verslapping van den godsdienst in de tijden, die hij beleefde, en deed dat in zulke bewoordingen, dat het onmogelijk was, zich in zijn bedoeling te vergissen.

Het gevolg van den prelaat kookte van ongeduld en wilde zich op den overmoedige wreken. Maar wel verre van zich beleedigd te toonen, beval Mendoza den prediker een schotel wild te brengen, dien men hem nog denzelfden dag moest voorzetten, en hij liet het geschenk vergezeld gaan van een beurs, gevuld met dubloenen bij wijze van specerij.

Ter verontschuldiging van den wereldschen zin van Mendoza moet men bedenken, dat aan het celibaat der geestelijken niet de hand werd gehouden en dat het in Arragon zelfs aan afstammelingen van priesters geoorloofd was te erven van hun overleden ouders, ook al hadden dezen geen testament gemaakt. Dit zijn gebruiken, die men mudejarisch of mozarabisch zou kunnen noemen en die tot de westersche zeden in dezelfde betrekking staan en er op dezelfde wijze van verschillen als de architectuur der paleizen van Toledo, voor de Christenen gebouwd, van die der in denzelfden tijd in Frankrijk opgerichte gebouwen.

Bij een der laatste bezoeken, die Isabella bracht aan haar stervenden minister, vroeg de koningin hem, zijn opvolger aan te wijzen, een keuze, die van bijzonder groot belang was, daar de aartsbisschop uit den aard der zaak president was van den Raad van Castilië. Gedrongen, om den naam te noemen van dengene, die het meest waardig was deze dubbele functie te vervullen, beval Mendoza haar den broeder Francisco Ximenes de Cisneros, van de orde der Franciscanen aan, die reeds haar biechtvader was, ofschoon dan zeer tegen zijn zin. Nooit heeft Mendoza zijn vaderland een grooteren dienst bewezen, want hij vertrouwde den staat toe aan reiner handen dan de zijne, en stelde de leiding onder de hoede van een veelomvattenden geest, die in staat was Spanje [404] verder te voeren op den weg der eenheid en de unificatie tot een goed einde te brengen.

Ximenes rust niet als zijn voorganger in de kathedraal van Toledo. Hij had als plaats om zijn laatsten slaap te slapen een bescheidener hoekje gekozen, namelijk in de universiteit van Alcala, die hij had laten bouwen; maar toch leeft de herinnering aan hem in zijn kerk en vooral in de mozarabische kapel, waar allerlei oude en de eeuwen trotseerende herinneringen opleven.

Wat is dat eigenlijk, die mozarabische eeredienst?

Toen de Mohammedanen Toledo hadden ingenomen, oefenden zij er zulk een gematigde heerschappij uit, dat de Christenen vergunning kregen, er hun eeredienst uit te oefenen. Drie eeuwen later vond Alfonsus VI, bij het heroveren der stad er een christelijke bevolking, die alle vormen van den ouden gothischen eeredienst had behouden, terwijl ze zich sterk hadden gewijzigd in landen, die christelijk waren gebleven. De toledaansche ritus werd dus bewaard in de zes kerken, waar hij in stand was gebleven tijdens de vreemde overheersching; maar langzamerhand nam het aantal Mozarabieren af, en die dienst zou onherroepelijk verloren zijn geweest, als Ximenes er niet een kapel aan had gewijd, die in directe gemeenschap werd gesteld met de kathedraal. De mis, die er dagelijks met groote praal wordt voorgediend, verschilt van de zoogenaamd romeinsche mis. Ofschoon er hier slechts sprake is van bloote vormquaesties, zooals van het breken der hostie in negen stukken, de volgorde der gebeden, de weglating van het laatste Evangelie enz. toch was er vroeger een hevige strijd tusschen de aanhangers der twee richtingen. Er werden formeele gevechten voor geleverd; ieder had zijn ridders, die voor haar in het strijdperk traden, en als de kamp onbeslist bleef, ging men tot de vuurproef over, om des hemels wil te vernemen. Er werd een brandstapel ontstoken, en in tegenwoordigheid van een angstig wachtende menigte werden de boeken van den eeredienst van Toledo en de latijnsche richting er tegelijk op geworpen. De eerste bleven ongedeerd, terwijl de andere verteerd werden. De stem des hemels had gesproken; de toledaansche ritus of die van den H. Isidorus werd behouden.


Ene Torera of stierenbestrijdster.

Tegenwoordig wordt de mozarabische mis min of meer als een curiositeit beschouwd; zij behoort tot het gebied der christelijke archaeologie. Hoewel de vreemdelingen er in grooten getale heen stroomen, kan men dat zelfde niet zeggen van de stadgenooten, die enkel door de ceremoniën der groote kerkfeesten er nog eens worden heengelokt. Het steeds afnemend aantal van de Mozarabieren behoeft geen verwondering te baren, als men bedenkt, dat bij de gemengde huwelijken de echtgenoot, die den latijnschen ritus aanhangt, meer voorrechten heeft dan hij, die den toledaanschen ritus volgt. Zoo ook moet in het eerste geval de vrouw terugkeeren in den schoot der latijnsche kerk, terwijl in het tweede zij niet mozarabisch wordt.

Het is zeer moeilijk te begrijpen, aan welk gevoel een hervormer als Ximenes gehoorzaamt, als hij door den bouw van een eigen kapel het voortbestaan waarborgt van een eeredienst, die bezig is te verdwijnen. Hoe het zij, het gebouw, dat in 1504 werd begonnen naar de plannen van Enriques de Egas en gebouwd door mohammedaansche meesters, Faraux en Mahomet genaamd, heeft niets opmerkelijks. Maar op den muur tegenover den ingang is een mooie fresco te zien van Jan van Bourgondië, gedagteekend 1514. De schildering stelt voor de episoden der ontscheping van het spaansche leger onder aanvoering van den grooten kardinaal vóór de stad Oran, en beslaat drie prachtig bewaarde groote schilderijen. De gebeurtenis had plaats in 1509 en de inneming van Oran, nog in denzelfden avond van den dag der ontscheping, was de groote triomf in het leven van Ximenes. Na zijn gebed had de hemel, volgens het zeggen der soldaten, het wonder van Jozua vernieuwd en de zon doen stilstaan tot de Christenen de muren van de muzelmansche vesting hadden vermeesterd.

Het is niet te verwonderen, dat de kardinaal, in spijt van zijn vurig geloof en zijn nederigheid, die algemeen bekend zijn, bezweken is voor de verzoeking, om voor het nageslacht de herinnering te bewaren aan den grooten dienst, welken hij aan zijn vaderland had bewezen, een dienst, die hem op de afgunst van Ferdinand kwam te staan, en hem voor verscheiden jaren veroordeelde tot een soort van ballingschap in zijn universiteit van Alcala.

De mozarabische kapel heeft niet alleen het voorrecht, het getrouw weergegeven portret van den [405] grooten kardinaal te mogen bewaren. Men vindt ook zijn ascetengezicht onder de portretten der primaten van Spanje aan de wanden der Capitulatiezaal, en eveneens op een fresco boven de deur van die zaal. Dat schilderij stelt het Jongste Oordeel voor en de eindbestemming van den mensch. Toen de kunstenaar den kardinaal onder de uitverkorenen wilde plaatsen in de glorie des hemels, zei de prelaat: “Dat is te veel eer!”

“Moet ik dan Uwe Eminentie in de hel doen plaats nemen?”

“Dat zou een te groote vernedering zijn!”

Er werd een gemiddelde gevonden, en de kardinaal werd in het vagevuur gezet, maar geheel gereed om het te verlaten en van zijn kleederen ontheven, ten einde zoo snel mogelijk naar de oorden der gelukzaligen te kunnen verhuizen.


In het klooster San Juan de los Reyes.

Een andere groote figuur, maar deze onderworpen aan een bloedig en tragisch lot, had vóór Mendoza gepreekt onder de gewelven van het oude gebouw. Ik bedoel Alvaro de Luna, den gunsteling en minister van Juan II, vader van Isabella de Katholieke, wiens troon en hoofd in de kapel van Santiago rusten, welke hij bij zijn leven had laten bouwen en die een der schoonste is gebleven van de kathedraal. Nooit is een leven zonderlinger geweest dan dat van dezen laaggeboren man, tot macht verheven door de gunst van zijn heer, over Spanje regeerend gedurende twee-en-dertig jaren, stervend op een schavot, ten slotte in de kathedraal een bijna vorstelijk graf vindend en eerst langen tijd gerust hebbend in een graf op het kerkhof der terechtgestelden. Alleen het lot van kardinaal Wolseley kan met het zijne worden vergeleken.

Omstreeks 1437, toen hij op het toppunt van zijn macht was, had Alvaro de Luna de kapel van Santo Tomé gekocht, die in 1177 gesticht was door graaf Dom Muno de Lara. Hij had er naburige terreinen bijgevoegd en had de prachtige kapel laten bouwen, die aan den H. Jacobus was gewijd ter herinnering aan de Orde, waarvan hij tot Grootmeester was benoemd. Op de plaats, die hij voor zijn graf had bestemd, had hij een automaat van brons laten zetten, bezet met émail en verguldsel en op hemzelven gelijkend, die op kon staan en bij de zegenspreking kon knielen.

Volgens sommige kronieken werd de automaat vernield nog bij het leven van den Grootmeester door Dom Erique van Arragon in den oorlog, dien deze vorst tegen Castilië voerde in 1440. Een van die kronieken laat Dom Alvaro tot Dom Enrique zeggen:

“Waarom hebt gij mijn beeltenis niet geëerbiedigd en waarom hebt gij ze vernield, gij, die op het slagveld voor mij zijt gevlucht?”

Volgens andere schrijvers werd het beeld weggenomen op bevel van Isabella, de Katholieke, die gehinderd werd door de afleiding voor de geloovigen, [406] als het zijn bewegingen uitvoerde. Het is waarschijnlijk, dat de eerste lezing de goede is, want het standbeeld van den Connétable zal zijn schande niet hebben overleefd, om tot de regeering van Isabella te wachten, eer het van zijn voetstuk neerdaalde. Hoe het zij, het brons van den automaat was niet verloren, en men meent er de overblijfselen van terug te vinden in de twee gebeeldhouwde preekstoelen, die links en rechts in de Capilla Mayor staan.

Op de beide sarcofagen, midden in de kapel geplaatst, liggen de marmeren beelden van Alvaro de Luna, gekleed in de wapenrusting en den mantel van de Grootmeesters der Orde van Santiago, en van zijn vrouw, Donna Juana de Pimentel. Een opschrift geeft niet anders dan den datum van den dood van den Connétable, die plaats had in 1453. De trekken van den beroemden gunsteling van Juan II doen denken aan die van het kleine portret, dat op het altaarblad is geschilderd, een portret, dat zeker naar een origineel is gecopiëerd, want het altaarblad werd ten geschenke gegeven en op zijn plaats gebracht in 1498, op bevel van Donna Maria de Luna, dochter van den Connétable. De sarcofagen, beide zeer mooi, zijn het werk van Pedro Ortiz.

Niet ver van de kapel van Santiago, en gekenmerkt door de veelkleurige standbeelden van de wapenherauten van Leon en van Castilië, vindt men de poort van de kapel der Nieuwe koningen, gebouwd door Alonzo Covarrubias, op bevel van Karel V. Zij is in den platereskenstijl opgetrokken, dat is de spaansche vroegrenaissance, en geeft daarvan een zeer schoon voorbeeld. Trots de betrekkelijke nieuwheid van het gebouw en vooral van de altaren, die van het einde der 18de eeuw zijn, leeft men er nog te midden van oude herinneringen. Onder de sierlijke ornamenteering van de Renaissance liggen in hun strenge heiligheid op hun graftomben de beelden der stichters van de eerste kapel, die op deze plaats werd opgericht, Dom Enrique van Castilië en zijn vrouw Donna Juana, gestorven, de eerste in 1378 en de tweede in 1381. Verderop die van Enrique III en zijn vrouw, Donna Catalina, gestorven in 1418.

In den hoek van de kapel hangt een zeer belangwekkend en zeer goed portret van Dom Juan II, den eerst te zwakken en later te strengen meester van den ongelukkigen Alvaro de Luna; het is het werk van Juan van Bourgondië.

De kunstenaar moet zich hebben laten inspireeren door het een of ander getrouw portret, want in die blauwe oogen, die frissche tint, de gevulde wangen en het ronde hoofd vindt men al de trekken terug, die op de meest authentieke portretten van Isabella, de Katholieke, werden aangetroffen. De blik van de dochter is alleen dieper en vaster dan die van den vader.

Aan het zeer hooge gewelf van de vestibule hangen aan den ingang van de kapel twee beroemde trofeeën, die Isabella zelve had laten plaatsen boven het graf van haar voorouders en die werden overgebracht naar de nieuwe kapel, gebouwd door haar kleinzoon, Karel V. De eene is een portugeesche vlag, buitgemaakt in den slag van Toro, die in 1476 is geleverd door de Katholieke koningen, en ten gevolge waarvan Isabella onbetwist meesteres bleef van Castilië; de andere is de volledige wapenrusting van den aferez Dom Duarte de Almaïda, die, toen hij in dienzelfden slag ernstig aan den arm gewond was, den koninklijken standaard bleef dragen tusschen zijn tanden tot aan het einde van het gevecht.

De historie zal het voorbeeld van de Katholieke koningen volgen en zal den vaandeldrager van Toro zich blijven herinneren.

Als men een bezoek heeft gebracht aan het groote schip der kathedraal van Toledo, en aan de tallooze kapellen, die erbij behooren, kent men nog slechts een deel van het monument. Er blijven nog over de sacristieën en magazijnen, de archieven en de bibliotheek, waar men sinds eeuwen bezig is de giften der koningen, prinsen en primaten van Spanje te rangschikken en behoorlijk te verzamelen. De omhulling is den inhoud waardig. De lambrizeeringen, de deuren, de kasten zijn voor het meerendeel meesterwerken van houtsnijwerk. Het plafond der groote sacristie met de ster- en kruisvormige vakken, rood of blauw, met goud ingelegd, is een wonder van de mudejarsche of mozarabische kunst. De bronzen, die er talrijk zijn, kunnen wedijveren met de bekleeding van de Leeuwenpoort.

Verscheiden boekdeelen zouden nauwelijks voldoende zijn, om een beschrijving te geven van de kostbaarheden, de tapisserieën, de banieren, de sieraden, de meubels en de historische herinneringen, waaronder men allereerst de tent van goudlaken aanwijst, die Isabella de Katholieke, vóór Granada liet opslaan. Dan zijn er beeldhouwwerken en schilderijen, het portret van kardinaal Borgia, geschilderd door Velasquez, alleen bekend bij enkele ingewijden, en de H. Antonio d’Alonso Cano, een beroemd beeldje, dat in werkelijkheid van Pedro de Mena is, een der leerlingen van den meester uit Granada.

En wat te zeggen van den schat der bibliotheek en der archieven, die nog zoo goed als ondoorzocht is? Wat zou het een genot zijn voor den onderzoeker, daar in de afdeeling voor muziek de werken terug te vinden, waarvan de meeste onuitgegeven, van de beroemde kapelmeesters uit de 15de en 16de eeuw, Francisco Penalosa, Bernardio Ribera, Andres Torrentes, Morales, Escovedo, Pedro Fernandes, Antonio Bernal, Navarro. Als men de bladzijden van enkele dier beroemde meesters inziet, moet men dan niet verbaasd zijn te constateeren, dat die in cijfers zijn geschreven, en in hun aanteekeningen de grondbeginselen aan te treffen van de methode Galin-Paris-Chevé, die dertig jaar geleden zooveel opgang maakte?

Maar diep binnen te dringen in de geheimzinnige schuilhoeken van de antieke kathedraal en haar inwendig leven grondig te leeren kennen is den stervelingen niet gegeven. Drie duizend sleutels zijn, naar het schijnt, noodig, om al haar deuren te sluiten; ik geloof, dat er nog veel meer vereischt worden, om ze te openen. Den H. Petrus zou dat niet gelukken, en wijs is hij, die zijn wenschen binnen de grenzen van het mogelijke weet te houden. Al peinzend over dat oude voorschrift, nam ik afscheid van mijn gidsen en verliet de kathedraal. [407]

III.

Intocht van Isabella en Ferdinand volgens de kronieken.—San Juan de los Reyes.—Het hospitaal van Santa Cruz.—De zusters van Sint Vincentius a Paulo.—De beroemde portretten van de universiteit.—De engel en de pest.—De heilige Leocadia.

De groote naam van Isabella, de Katholieke, heeft vele malen in de kathedraal weerklonken, en in den loop van mijn herhaalde bezoeken heb ik hem door alle echo’s hooren herhalen. In dit schoone heiligdom, vroom juweel aan de kroon van Castilië, kwam de bewonderenswaardige koningin God danken, toen de overwinning in den slag van Toro haar in het bezit had gesteld van den schepter, dien zij met zoo grooten roem zou voeren. De verhalen uit dien tijd hebben een trouwe herinnering bewaard van dien beroemden intocht. Hij had plaats op 31 Januari 1476.

De straten en het Zocodover waren reeds van zonsopgang af gevuld met een luidruchtige, zeer opgewonden menigte. De rechters en de wethouders waren op straat gekomen, dezen in costumes van schitterende kleuren; genen in lange, prachtige zijden gewaden. Aan de deuren en aan de weinige buitenopeningen van de huizen had men fijne geweven stoffen opgehangen, oostersche tapijten, heerlijke stoffen uit Venetië of geweven door bekwame weefkunstenaren uit Toledo. Langzamerhand was het in de stad leeg geworden, en de menigte, die de aanwijzingen van de hoofden der aanzienlijke families volgde, had zich verspreid naar den kant van de hermitage van Sint Eugenius, waar men reeds jongleurs, zangers, dichters, muzikanten, en danseressen had bijeengebracht, die alle rijk gekleed waren.

Weldra verscheen, aangekondigd door fanfares en begroet met gezang, dat de vereeniging van Castilië met Arragon blij begroette, de koninklijke stoet; de hoofden gingen omhoog en de halzen rekten zich uit, om de souvereinen beter te kunnen zien, wier overwinning den vrede verzekerde aan de twee koninkrijken, en wier glorie op aller lippen was. Ferdinand, nog zeer jong, met goed figuur, donkere oogen en haren, intelligent gezicht, bereed al uitstekend een prachtigen klepper. De koningin was gezeten op een muildier, dat rijk was opgetuigd, en geleid werd door twee pages uit de edelste geslachten van het land. Zij was niet groot, maar er sprak uit haar houding en haar trekken een fiere majesteit. Haar hoogblonde haren waren bijna geheel verborgen onder de sluiers, die om haar hoofd waren geslagen; haar zeer blanke huid, de grijsblauwe oogen herinnerden er aan, dat van vaderszijde zij vermaagschapt was aan het huis van Lancaster. Een uitnemende gratie en een engelachtige glimlach maakten de strengheid van het voorhoofd en de vastheid van den blik zachter. Isabella was zes-en-twintig jaar, twee jaar ouder dan haar echtgenoot, en reeds had ze een rijk onderworpen, dat haar betwist werd door vreemdelingen en oproerlingen.

Na den eed te hebben afgelegd, dat zij de privileges zouden handhaven, die aan de stad geschonken waren, en na de wallen overgetrokken te zijn, begaf het koningspaar zich naar de kathedraal. Zij traden er binnen door de poort der Vergeving, terwijl jeugdige kinderen, die engelen voorstelden, hun met muziek welkom heetten. En geknield aan den voet van het altaar, dankten zij den Eeuwige, die hun had vergund, den vreemdeling uit Castilië te verdrijven en hem had gedwongen, zich over de grens terug te trekken naar Portugal. Misschien plantte de onvergelijkelijke vorstin op dien dag in den tuin van het klooster den nu veel honderden jaren ouden taxisboom, waarvan elk eenigszins begunstigd reiziger eenige bladeren ontvangt bij wijze van souvenir.

Onder de regeering van Juan II, den vader der koningin, had de beroemde gunsteling, Alvaro de Luna, eenige vertrekken van het Alcazar ter beschikking van zijn heer laten stellen. Daarheen begaven zich de vorstelijke personen. Er was een eenvoudig ontbijt gereed gezet, want zij vastten dien dag; maar in spijt van de berooidheid der schatkist werden de armen niet vergeten.

Den tweeden Februari kwamen de koning en de koningin weer in de kathedraal met nog grooter luister.

Isabella straalde in verheven schoonheid; men had alleen oogen voor haar, want alles verbleekte naast de lelie van het koningschap. Op haar kleed van wit brocaat waren in goudborduursel de kasteelen en de leeuwen, als symbolen van haar erfelijke rijken aangebracht; een lange mantel van hermelijn viel neer van haar schouders en vormde een lange sleep, door twee jonge pages opgehouden. Op haar hoofd, door lichte sluiers omgeven, schitterde een gouden kroon, bezet met edelgesteenten; om haar hals hing een prachtige collier van bleeke robijnen. Het edelgesteente, dat op haar borst fonkelde, trok aller blikken tot zich, niet enkel om zijn buitengewone grootte, en den onvergelijkelijken glans, maar omdat het, naar men zeide, toebehoord had aan Salomo. Het bewijs daarvoor vond men in het hebreeuwsche opschrift, dat er op was gegraveerd.

Vóór het koningspaar uit wapperden hoog en fier de vlaggen van Leon, Castilië en Arragon, terwijl de vlaggen van Lusitanië, die door den vijand achtergelaten waren in de wanorde, die op den slag van Toro was gevolgd, omgekeerd en in vernedering in den stoet werden meegedragen. De triumphators, die na een gelukkig ten einde gebrachten oorlog in de stad van Romulus binnentrokken, boden met geen grooteren trots de op den vijand buitgemaakte eereteekenen aan het romeinsche volk aan.

Na de mis te hehben gehoord, en na boven het graf van haar voorvaderen, wien zoo vaak door de Portugeezen ontzag was ingeboezemd, de getuigenissen van de zegepraal te hebben laten ophangen, wilde Isabella in Toledo een duurzamer herinnering van de overwinning achterlaten. Dat denkbeeld leidde tot de oprichting van het beroemde klooster van Juan de los Reyes.

Het gebouw, dat aan den rand van het plateau is gelegen boven het groene, bloeiende dal van de Taag, als de rivier zich van de stad verwijdert, is aangelegd in den vorm van een latijnsch kruis, en opgetrokken van witte kalksteen, die zeer fijn en hard is en daardoor zich uitstekend leent voor de meest grillige fantazieën der beeldhouwers. Midden tusschen de verschillende onderdeelen verrijst tot op groote hoogte een zware en mooie koepel. De steunsels [408] der bogen rusten op twee sierlijke tribunes, die voor het koningshuis waren gereserveerd, terwijl een gebeeldhouwd fries, rondom de beuken der kerk loopend, een prachtig opschrift droeg in gothische letters, verheerlijkend de roemrijke namen der stichters.

Aardige kleine onderdeelen trekken telkens de aandacht, zonder den indruk van grootschheid en strengheid weg te nemen, die door het geheel wordt gemaakt. Hier ziet men bloemen, kransen, vogels; ginds een aap, als monnik gekleed, met een kap over het hoofd, in diepe aandacht zijn brevier bestudeerend. Welk een zonderlinge oneerbiedigheid, die men toeliet in die tijden van innige vroomheid!

Toen Isabella aan de Franciscaners het klooster en de kerk San Juan de los Reyes gaf, waar zij haar laatsten slaap wilde slapen, begiftigde ze hen tevens met een inkomen van 7000 maravedi’s, (een koperen spaansche munt van nog geen nederlandsche cent waarde) die genomen moesten worden uit de koninklijke schatkist, zonder dat de inkomsten in geld en in natuurproducten, die van het land geheven werden, ervoor behoefden te verminderen. Buitendien verrijkte zij hen met kunstwerken, met miniaturen, juweelen en kostbare manuscripten, in Duitschland gekocht en in Italië. Inderdaad meende de groote koningin van Castilië, dat zulk een mildheid haar volk ten goede kwam. Met het doel, haar volk te beschaven, wist zij de oprichting van twee leerstoelen voor de theologie door te zetten voor de studenten, en voor kinderen uit de provincie werden scholen gebouwd; zij stond erop, dat men er de christelijke leer duidelijk uiteenzette op een wijze, die deze leer begrijpelijk en bemind maakte. Nu was geen enkele orde van geestelijken aard meer het vertrouwen van Isabella waardig dan die der Franciscaners; geen godsdienstig genootschap verdiende zoozeer om zijn talenten en deugden te worden uitverkoren door de vorstin.


San-Martinobrug te Toledo.

Na de verovering van het koninkrijk Granada wijzigden zich Isabella’s denkbeelden, en in haar testament, een voorbeeld van wijsheid en voorzichtigheid, beval zij, dat men haar stoffelijk overschot zou bijzetten in de stad, die met zooveel opofferingen was vermeesterd.

De gunst, waarin zich het klooster van Toledo mocht verheugen, verminderde niet onder de volgende regeeringen; Karel V voltooide het werk van zijn bloedverwante; Filips II schonk er groote giften aan, en deed het de verheven eer aan, het kapittel-generaal van alle groote militaire orden van Spanje te mogen bewaren, en eindelijk bedekte Filips III er de wanden met schilderijen en logeerde bij voorkeur in het Alcazar bij de verkiezing van den Generaal der Franciscanen, bij welke gelegenheid de vorst er feesten gaf en luisterrijke maaltijden.

Toen Mevrouw d’Aulnoy Spanje bezocht, was zij zeer getroffen door de pracht van de kerk. “Zij is groot en schoon,” schreef zij, “en staat vol met oranjeboomen, granaatboomen, jasmijn en zeer hooge myrten, die in hun bakken heele lanen vormen tot aan het hoofdaltaar, dat met een zeer rijke versiering is getooid. Zoodat met al die groene bladeren en al die bloemen van verschillende kleuren, en als men er het goud en het zilver ziet fonkelen tusschen de borduurwerken en de aangestoken waskaarsen, waarmee het altaar is overdekt, het is, of men de zonnestralen zelve ziet. Er zijn ook kooien, mooi geschilderd en verguld, waarin nachtegalen, sijsjes en andere vogels een bekoorlijk concert geven.” [409]


Moskee van Cordova.

De kerk en vooral het klooster hebben verschrikkelijk geleden van den oorlog en van den brand, die in 1809 veel onheil stichtte en een deel van het altaar, de geschilderde glazen, de bibliotheek en de helft van het klooster verwoestte. In 1835, ten tijde van de Revolutie en van de afschaffing der godsdienstige orden, werd het gebouw in een kruitmagazijn veranderd.


Fransiscus van Assisi in de
kathedraal van Toledo.

Het zou geheel ten onder zijn gegaan, indien niet in 1844 de Commissie voor de historische Monumenten er de beschermende hand over had uitgebreid, door de gemeente van San Martino erheen over te brengen. Aan den dienst teruggegeven, en voor de bedelaars gesloten zoowel als voor de plunderaars, is de kerk bewaard gebleven voor de verwoesting, waarmee ze werd bedreigd.

Wat het klooster betreft, dat heeft sinds 1858 een restauratie ondergaan, die even talentvol wordt uitgevoerd als ze langzaam tot stand komt, en het is tegenwoordig het kostbaarste en schitterendste voorbeeld van den gothischen bouwtrant in Spanje. De bogen, die een lengte van 26 meter innemen aan elk der vier zijden, zijn versierd met een menigte beelden, sieraden, vogels, vruchten en bloemen, uitgelezen kunstig bewerkt. Op den binnenmuur, die ook met beelden is versierd, gedragen door elegante caryatiden, onder de fijne kroonlijst, ziet men een lang opschrift in de castiliaansche taal. De mooie gothische letters, die het vormen, zijn gelijk aan die, welke binnen in de kerk zijn gebruikt, al zijn ze minder groot. Ferdinand en vooral Isabella worden er uitbundig maar niet overdreven geprezen.

Dit klooster en de kerk werden opgericht op bevel van de katholieke en zeer uitnemende vorsten Ferdinand en Donna Isabella, koningen van Castilië, Arragon en Jeruzalem, vanaf de eerste fondamenten, voor de eer en de glorie van den Koning der Hemelen en zijn gelukzalige Moeder en tevens van den H. Johannes den Dooper en den H. Franciscus, hun ijverige bemiddelaars. En na den bouw van dit huis veroverden zij het koninkrijk Granada, roeiden de ketterij uit en verdreven alle ongeloovigen, verkregen alle rijken in Spanje en Indië, en voerden hervormingen in bij alle kerken en gemeenten van monniken en nonnen, die in hun gebied hervorming van noode hadden; en na zoo groote en voortreffelijke [410] werken stierf de koningin te Medina del Campo, gekleed in het gewaad van den H. Franciscus, den 5den November van het jaar 1503.

Evenals de kerk is het klooster gebouwd naar de plannen van een der beroemdste bouwmeesters van de kathedraal, Juan Guaz, een Vlaming, naar men meent, en wiens trekken voor ons bewaard zijn gebleven op een fresco, dat behoort in San Justo y Pastor. Om tusschen de beide verdiepingen van het klooster een verbinding tot stand te brengen, die het gebouw waardig was, beval Karel V later aan Covarrubias, een prachtige trap te maken, die overdekt is met een koepel in den vorm van een schelp, waarop het wapen van den grooten keizer voorkomt naast dat van zijn voorvaderen. Op de bovenste galerij komt ook uit de cel van Ximenes, die er met eerbied wordt vertoond. De latere groote staatsman was de eerste nieuweling, die te San Juan het kleed der Franciscanen aannam.

Nog in de allerlaatste jaren is San Juan de los Reyes bedreigd geworden met een groot verlies. Na de inneming van Malaga had Isabella als krijgstrofeeën de ketenen van de door haar in vrijheid gestelde christelijke gevangenen erheen gezonden en had bevolen, ze te hangen aan de buitenmuren der kerk. Sinds vier eeuwen beschreven die donkere ringen hun kringen op het witte gesteente, toen een alcade met veel practischen zin ze liet loshaken en bevel gaf ze om te smeden tot deelen van banken en tot een slot voor den openbaren tuin. Gelukkig had men den tijd, de volvoering van zulk een heiligschennend plan te voorkomen, en de ketenen hernamen de zoo lang ingenomen plaats.

In een der lage zalen van het klooster, misschien een ruime sacristie, heeft men een massa ongelijksoortige voorwerpen bijeengebracht, die meer of minder droevige of merkwaardige gebeurtenissen in de herinnering terugroepen, zooals schilderijen, stukken gebeeldhouwden steen of houtsnijwerk, émails en eerwaardig ijzerwerk. Te zamen heet het min of meer pompeus het Provinciaal Museum. Men kan er een bezoek brengen, als de portier zoo vriendelijk is op het schellen aan de deur te letten. Indien zijn bezigheden hem in zijn vertrekken vasthouden, mag men wachten; maar als men niet wordt binnen gelaten, behoeft men daar niet al te rouwig om te zijn; alle voorwerpen, die werkelijk eenige waarde hadden, zijn naar Madrid gebracht.

Isabella liet het niet bij die vrijgevigheid jegens de oude hoofdkerk van Castilië. In de laatste jaren van haar leven begiftigde zij haar nog met het toevluchtsoord van Santa Cruz voor vondelingen. Toen zij den bouw van dit schoone gebouw ondernam, trad zij op als uitvoerster van den uitersten wil van haar getrouwen minister, kardinaal Mendoza, denzelfden staatsman, wien zij met geweld een laatste rustplaats schonk in de Capilla Mayor van de kathedraal.

De kardinaal was gestorven in 1495, vóór de eerste steen was gelegd. De koningin kwam dadelijk tusschen beide, hief de moeilijkheden op, die rezen naar aanleiding van de verwerving van terreinen, in handen van kloosterorden, en toen zij op haar beurt stierf, in 1503, waren alle schikkingen zoo goed getroffen, dat de bouwmeester Enrique de Egas op geen enkelen hinderpaal stuitte. Tien jaren later was het gesticht gereed. Het is gebouwd in den vorm van een grieksch kruis of het kruis van Jeruzalem. De kerk bevond zich vroeger bij het snijpunt van de armen van het kruis; de gebruiksverandering tot Kadettenschool heeft ertoe geleid, dat het altaar verplaatst werd naar het uiteinde van een der armen.

Ofschoon het vondelingenhuis van Santa Cruz zeer weinige jaren na San Juan de los Reyes gebouwd is, lijken de stijlen niets op elkaar. De velerlei aanraking met Italië had Spanje de oogen geopend voor nieuwe richtingen. Dadelijk had het die met geestdrift aanvaard, vergetend zijn eigen verleden en de overleveringen, die uit Bourgondië en Vlaanderen in vroeger eeuwen waren overgekomen. Alleen de prachtige houtbetimmeringen met de houtmozaïeken in de vier zijbeuken zijn van die mozarabische kunst, waarvan Toledo zooveel kostelijke voorbeelden bezit.

Rechts van de ruimte, die tegenwoordig tot ingang dient, is een kloostergang met zuilen in klassieken stijl. Men komt op de bovenverdieping langs een zeer fraaie trap, die begint onder een portiek, gevormd door drie zuilen met verrukkelijk fijn snijwerk. Groote treden uit één stuk fijn, wit marmer voeren naar galerijen, waar bedelaars en plunderaars de houtbekleeding van hebben weggeroofd, zoodat men nu van balk op balk moet springen op gevaar af in de spleten te vallen en door het dunne plafond terecht te komen op de steenen van de lager gelegen gang.

Deze gang staat in verbinding met een andere kleinere, die zware zuilen en kapiteelen heeft, afkomstig uit de antieke kapel van de H. Leocadia. Uit de weinige vensters, die een paar cellen van die kloostergangen verlichten, ziet men neer in de kloof, waar de Taag door stroomt, op de brug van Alcantara en het kasteel van San Cervantes, dien mooien, strengen toegang tot Toledo. Men kan zich zeer goed voorstellen, dat de overlevering op de terreinen, nu door het hospitium ingenomen, het oude Alcazar heeft geplaatst, dat zich in 1085 aan koning Alfonsus VI overgaf, gedwongen door een hongersnood, dien een streng en langdurig beleg had veroorzaakt. Op geen enkele plaats kon men een betere positie innemen ter verdediging van de rivier. Wat is er van die vesting overgebleven? Niets dan een vervallen en half ingestorte toevlucht, die er uitziet of ze een beleg heeft doorstaan, en dan de diepe melancholie van de dingen die niet worden gebruikt.

Het werk van Karel V is niet enkel vertegenwoordigd door de Visagrapoort, Toledo is ook aan hem verschuldigd het mooie binnenplein van het Alcazar, en bovendien dateert uit zijn regeering het hospitaal van San Juan a Fuera, gebouwd door den kardinaal-aartsbisschop Dom Juan Tavera. In 1541 begonnen, werd het eerst in 1624 voltooid. De indrukwekkende gevel van uitstekenden smaak strekt zich uit over een lengte van ongeveer honderd meter. Uit de kerkpoort zagen wij de zusters van Sint Vincentius a Paulo komen met haar witte mutsjes, die alleen al door haar tegenwoordigheid den indruk van orde en netheid geven, die ieder moet treffen zoodra hij den drempel overschrijdt.

Welk een verrassing is het, de steenen van de gangen zonder vlekken te zien, de hoeken zonder [411] vuil en de oude mannen gewasschen en gekamd, terwijl er geen bewakers rondloopen, die bedelen met een dreigement in den blik! Men gevoelt, dat Frankrijks goede engelen over de bergen zijn gevlogen, en dat voor haar goede werken de wereld nooit groot genoeg zal zijn.

Bij de kruising van het schip der kerk met de armen van het kruispand welft zich een zeer hooge en wijde koepel over het graf van den stichter van het liefdehuis. Dat is het laatste werk van Alonso Berruguete. Mogelijk is de koepel zelfs wel afgemaakt door zijn zoon, in 1561. De jaren hadden de hooge vlucht van den kunstenaar wat getemperd, want hij heeft nooit beter de zachte kalmte van den dood van den rechtvaardige weergegeven. De versieringen van de sarcofaag zijn van een lateren tijd dan het beeld van den doode, en hoewel in goeden italiaanschen stijl, zijn ze veel minder waard. Zij zijn het werk van een inlandschen kunstenaar; maar in dien tijd, en als ze zich aan het marmer waagden, waren de spaansche beeldhouwers zoo gewend aan de italiaansche manier, dat het moeielijk wordt, hun werk te onderscheiden van wat uit de werkplaatsen in Genua en Florence kwam.

De burgers van Toledo mogen graag hun stad vergelijken bij de hoofdstad der Christenheid. De parallel valt dan geheel in hun voordeel uit. Men oordeele:

Toledo en Rome hebben zeven heuvels, Toledo en Rome hebben een tarpeïsche rots; Toledo en Rome zijn beide vol kloosters; Toledo en Rome hebben beroemde prelaten zien geboren worden; maar het Rome van Italië heeft ernstige fouten begaan en dwaasheden, waarvoor het Rome van Spanje zich heeft weten te behoeden. En eindelijk steekt Toledo haar mededingster de loef af door de algemeene vermaardheid, die haar marsepein heeft verkregen, het marsepein met amandels; op dat gebied behoeft niet te worden gestreden, daar komt de eerepalm toe aan het Roma del Marzapan.

Ik geloof, dat geen vreemdeling Toledo beter heeft gezien dan ik onder het geleide van mijn uitstekenden vriend, professor Ventura y Reyes. Er is geen stukje van de oude stad, of hij heeft het onderzocht met een talent, dat alleen te vergelijken is met zijn bescheidenheid. Daar vandaag, Zondag, het provinciaal museum gesloten was, had de doctor mij ten zijnent geïnviteerd, om dan samen een wandeling buiten de stad te doen.

“Wij hebben daar,” had hij tot mij gezegd met een zekere geheimzinnigheid, “twee vrouweportretten, die u zeer zullen interesseeren”.

“Uit welken tijd?”

“Uit den tijd van Filips IV.”

“Een Velasquez, een Greco?”

“Wie weet?”

Ik ging heen in groote spanning. Wat een rijkdommen heeft toch dat Spanje, dat zoo geheimzinnig is en zoo bescheiden! De ontroering deed mijn hart sneller kloppen, toen wij in de bibliotheek binnen gingen. Achter in de zaal, in een soort van afgesloten hoekje bij den katheder van den professor, hingen twee doeken van vrij groote afmeting tegenover elkander. Ik liep er snel op toe; mijn oogen doorboorden de duisternis, en ik zie een prachtige vrouw met een baard, omringd door haar man en kinderen. Een roode sluier bedekte het gelaat, terwijl het laag uitgesneden corsage de borst van de kleur van leliën en rozen liet zien.

Natuurlijk heeft Velasquez niets met dit portret uit te staan.

“Wat zegt u ervan?” vraagt mij lachend mijn gids.

“Dat moet een reclame wezen van een fabrikant van schoonheidsmiddelen of van een middel voor den haargroei.”

“U vergist zich; het is het authentieke portret van een dochter van het blonde Germanië. Geboren in Duitschland, in 1620, kwam zij in 1664 in Spanje, en zoowel om haar baard als om haar talent als organist wist zij belangstelling te wekken. Dit portret en het uitvoerige opschrift dat het draagt, zijn er de onmiskenbare blijken van. En nu, keer u eens om.”

’t Is, of het om een weddenschap te doen is! Daar sta ik weer tegenover een vrouw met een baard!

“Meent u dan, dat Spanje bij Duitschland achter heeft willen blijven?”

De eerste vrouw was hoogblond en zag er vroolijk uit; deze tweede met witten baard heeft een zeer streng uiterlijk. Hier geen laag uitgesneden kleed; een hooge guipure en een stijve kraag omsluiten hals en borst en het gezicht kon dat zijn van een uit China teruggekeerden zendeling. Onder dit beeld zocht ik te vergeefs naar een opschrift, en ik vond er slechts een cijfer. Deze tijdgenoote van Filips IV was vijf-en-vijftig jaar, toen men haar weinig aantrekkelijk uiterlijk vereeuwigde.

Neen, de jeugdige leerlingen van het provinciale lyceum worden niet op de proef gesteld door wat men hun te zien geeft!

Maar wat is de aanleiding geweest tot de dwaasheid, dat deze dochteren Eva’s er zoo op gesteld waren, aan de wereld den rijkdom van haar baard te vertoonen? De methodische exploitatie en het winstgevend bedrijf om phenomenen te laten zien, was nog niet in de zeden doorgedrongen.... Een paar eeuwen later zou Barnum haar fortuin en het zijne hebben gemaakt.

De dag, die onder zoo gelukkige voorteekenen was begonnen, was als een vergoeding voor de ernstige studiën van de vorige week. Sedert mijn aankomst had ik vertoefd in de geheimzinnige schaduw der kerken, onder kloostergewelven, bij graven en tot ruïnen vervallen paleizen; had ik dan niet verdiend, ook eens naar buiten te gaan?

Zoodra we de stad hadden verlaten, was het alles een schittering van licht en vreugde; de herfstzon glimlachte met haar vriendelijkste gezicht. Toch keerde ik mij even om, en keek naar de versterkte poort, die ik was doorgegaan. Een engel stond daar met een zwaard in de hand, streng en toornig tusschen twee zware torens. En de bewoners van Toledo, de jongen en de ouden hebben zich afgevraagd, waarom die godsgezant hun een zoo donker gezicht liet zien. Er moest een verklaring wezen, en er is een legende ontstaan.

De engel des Heeren waakt over Toledo en verbiedt de rampen en ellenden de stad te naderen; zij, die [412] zooveel leed over de arme menschheid brengen.

Eens verscheen de afschuwelijke pest en vroeg om te worden toegelaten.

“Wat komt gij hier doen?” vroeg de engel in woede ontstoken.

“Ik ben een gezant van God, gij hebt niet het recht mij te weren.”

“Mijn volk is vroom; als God in zijn ontevredenheid enkele armzalige visschers wil tuchtigen, dat hij er ten minste rekening mee houde, dat Toledo trouw de Heilige Maagd heeft gediend. Beloof mij, dat gij u met twintig slachtoffers zult tevreden stellen.”

De engel bad en smeekte; maar de pest vond dat niet genoeg en wilde niet met minder dan tweehonderd tevreden zijn.

Toen moest de vreeselijke schatting, die gevraagd werd, worden toegestaan. De pest ging binnen, en gedurende drie maanden richtte zij vreeselijke verwoestingen aan en deed de bewoners van Toledo bij duizenden sterven.


Vrouw uit Cordova met mantilla van chenille.

“Ellendeling, leugenaarster, meineedige!” schreeuwde de engel, toen de ziekte eindelijk vertrok. “Ik zal u bij den hemel aanklagen.”

“Waarom die woede? Gij hadt mij de levens van tweehonderd slachtoffers afgestaan. Die heb ik genomen. De anderen zijn allen van vrees gestorven. Daar heb ik geen schuld aan!”

Van de vlakte, waarop men uitkomt, als men de wallen achter zich heeft gelaten, rust het oog eerst op de meer dan middelmatige beelden van eenige koningen van Spanje, om daarna in het dal af te dalen naar de ruïnen van een romeinsch circus, dat systematisch verwoest werd, toen Abd el Rahman, gouverneur van Tolestane, zich onafhankelijk trachtte te maken.

Langzaam dalend, komt men bij het heiligdom van Cristo de la Vega. Het kerkgebouw is opgericht op de plek, waar de heilige Leocadia den marteldood onderging.

Leocadia was schoon en werd bemind. Toen men van haar eischte, dat zij het Christendom zou afzweren, was zij bang, niet sterk te zullen zijn en door de pijn te zullen worden overwonnen en haar God te verraden. Daarom riep zij hem te hulp en smeekte hem, haar tot zich te roepen en haar de smadelijke ontrouw aan het geloof te besparen. En terwijl zij met haar hand een kruis op den grond teekende en dat eerbiedig kuste, stierf zij met den naam van Jezus op de lippen.

Er verloopen eeuwen. Pas tot het Christendom bekeerd, heeft koning Sisebuth een prachtigen tempel laten oprichten op de plek, waar de martelares gestorven is. In de nabijheid van haar hoogvereerd graf werden conciliën gehouden. Monarchen en bisschoppen hebben naast haar willen rusten, en daar op eens doet een nieuw wonder de vroomheid van het volk en de koningen nog stijgen.

Het was op 9 December 666. Bisschop Ildefonsus vierde in het heiligdom den jaardag van den dood der heilige. Plotseling verdween de grafsteen in den glans eener lichtende verschijning. Een engelengedaante gehuld in witte sluiers, vertoonde zich voor de blikken der aanwezigen. Leocadia leeft, zij glimlacht, zij spreekt, zij prijst Ildefonsus, dat hij op het Concilie de maagdelijkheid van de Moeder Gods heeft verdedigd.

De bisschop is op de knieën gevallen, hij luistert, beeft en twijfelt. Neen hij is niet het slachtoffer van een gezichtsbedrog, de verrukking, die op aller gezichten te lezen staat, stelt hem gerust. Hij beeft van vreugde, strekt zijn handen naar de verschijning uit, en, aangemoedigd door den koning, wil hij de stralende grijpen. Maar Leocadia behoort niet meer tot deze wereld van smarten; zij zal zich niet door een aardsch wezen laten aanraken. Zij wordt minder duidelijk zichtbaar en verdwijnt als een vluchtige schaduw onder den steen, die zich weer sluit. Maar de verdwijning heeft niet snel genoeg plaats gehad. Een slip van haar lichten sluier is tusschen den steen en den vloer blijven zitten. De vorst springt naar voren om die te grijpen, maar plotseling tegengehouden door het gevoel zijner onwaardigheid, reikt hij den bisschop zijn degen toe, die het kostbaar stuk, getuigenis van het wonder, afsnijdt.

“Maagd en martelares,” roept de bisschop uit, “gij, die waardig zijt, den Verlosser in zijn hemelsche glorie te aanschouwen, die uw leven hebt gegeven, om zijn liefde te verdienen, zie met genadig oog neder op de stad, waar het Gode behaagd heeft, u te doen geboren worden, bescherm haar, en laat uw tusschenkomst strekken tot heil van den monarch, die plechtig uwen feestdag viert.”

Nog heden wordt in de kathedraal de eenige reliek der schutsvrouw van Toledo bewaard. Een standbeeld van de H. Leocadia, dat echter niet veel kunstwaarde heeft, is in de kapel te zien.

In den zonneschijn te middernacht.

Naar het Duitsch van Karl von Dahlen.


De haven van Soolvär op de Lofodden.

In de Lapland-express! Behagelijk zit een klein reisgezelschap in den rooksalon bij elkaar. Het toeval heeft ze uit alle deelen der aarde hier bij elkaâr gebracht en op zulk een tweedaagsche spoorreis wordt men spoedig vertrouwelijk. Daarbuiten ligt de gloed van een noorschen nacht over de eentonige wildernis. Bosch, bosch, zoo ver het oog reikt, maar niet het schoone hoogstammige woud, de vriend van een mensch, die een wandelaar vriendelijk in zijn armen sluit, maar dat eindelooze bosch, zonder paden of wegen, het wreede beeld van den moeielijken strijd om het bestaan, waar het kleine het groote verwoest, en de ongelukkige sparren, geheel bedekt met blad- en korstmossen, tusschen groote granietblokken hopeloos een langzamen dood afwachten. In het spookachtige licht van den nacht schijnt het landschap geheel doodsch en uitgestorven, en het is alsof men zich over het uitgestrekte oppervlak van een andere planeet beweegt.

De aardige zweedsche dokter dringt wel is waar tot rusten, maar de helderheid van den nacht laat ons niet slapen. Houdt de trein eens op, om water of kolen in te nemen, dan is het toch al te verleidelijk om in dit middernachtelijk uur eens naar buiten te gaan in het zwijgende land. Men is zoover van het eigenlijke Europa verwijderd, en de weinige schreden naar beneden, de glooiing af, om bessen of mossoorten te verzamelen, brengen ons onmiddellijk in een vreemd land. Langzamerhand sterft de plantengroei onder de harde hand van een noordschen hemel, kleiner en kleiner worden de boomen, spoedig ontdekt mijn plantkundige reisgenoot de eerste gletscherberk met zijn fijn getande bladeren. De bloemen lichten ons tegen met haar teringachtige kleuren, en daar in de verte schemert de sneeuw ons tegen, als reuzenflarden van een verscheurd lijkkleed. Zoo gaat het voort door Lapmarken, voorbij de steden Gellivara en Viruna, die een amerikaanschen indruk op ons maken.

Welk uur onze horloges ook mogen aanwijzen, aan ieder station staat de bevolking gereed ons te begroeten. Langzaam klimt de trein naar boven. Het naakte graniet komt meer en meer te voorschijn, en ofschoon wij slechts een paar honderd meter boven ’t zee-oppervlak zijn, heeft de geheele omgeving het karakter van het hooggebergte. Dezelfde aangrijpende verlatenheid als in de Alpenpassen, maar nu op reusachtige wijze uitgebreid. Hier en daar glinsteren kleine meren tusschen de gesteenten, de beken storten zich woest van boven neer en aan de rechter zijde schittert de zilveren streep van Torne Fräsk, de groote binnenzee in het Noorden van Zweden.

Boven de bergen aan den anderen oever ligt een donkere muur van wolken, maar de eene waterval [382] naast den anderen schijnt uit de wolken neer te storten, en hunne zilverachtige strepen komen helder uit tegen de blauwe bergwanden. Hier en daar weiden enkele troepen rendieren en vluchten in moeilijken gang, zoodra de fluit van de locomotief zich doet hooren. Tegen den middag bereiken wij de grens tusschen Zweden en Noorwegen; “Riksgränsen” heet trotsch hier het kleine stationnetje. Daar heerscht nu een opgewekt leven; jonge Zweedschen, met heerlijk blond haar, zijn zoo even van een voetreis in het binnenste van Lapland teruggekomen. Ze dragen de bij de Lappen gebruikelijke schoenen met banden, hebben den Alpenstok in de hand, de botaniseerbus op den rug en maken een ondernemenden indruk. Hun eenig geleide is een jonge, nauwelijks de school ontgroeide student. Onwillekeurig denkt hierbij iemand aan de plaats in Goethe’s Brieven uit Zwitserland, waar hij van de zorgvuldige voorafgaande onderzoekingen en de omvangrijke voorbereidingen verhaalt, vóór de oude Saussure met zijn reisgezelschap besloot in den laten herfst in het Chamonixdal tot aan den voet van den Mont Blanc door te dringen. Welk een onderscheid! Tegenwoordig ontmoet men de jeugdigste reizigsters bijna zonder geleide op een tocht door een onbebouwde wildernis aan de grenzen van het poolgebied.


De middernachtszon over de IJszee.

Van Riksgränsen daalt men, met talrijke bochten, door vele tunnels heen, naar de zee af. Al groener en groener wordt de bodem. Eindelijk: Thalatta, Thalatta! In de diepte schittert de stille waterspiegel van den Rombake-Fjord, waarin zich aan alle zijden witschuimende watervallen uitgieten. Spoedig is Narwik bereikt. Wij verlaten den trein, en Anna, de keukenmeid van een eetsalon, die ons elken morgen zoo vriendelijk begroette, wuift tot afscheid met haar witte muts.

Nu moeten wij ons aan de goden der zee toevertrouwen en menigeen mijner reisgenooten zinkt het hart in de schoenen, als hij het kleine stoombootje ziet—“Hadsel” is zijn naam—dat ons tot aan de noordelijkste punt van het vaste land moet brengen. Dwergachtig klein ligt het daar naast de groote stoombooten, die het in Kiruna gewonnen erts hier laden, en de hemelhooge rotswanden van den fjord doen trouwens elk menschenwerk nietig schijnen.

Wij vormen echter ook maar een zeer klein reisgezelschap, niet meer dan een dozijn, en in een vroolijke, moedige stemming lichten wij het anker en stoomen nu noordwaarts. Welk een zonderlinge sprookjesachtige wereld rondom ons! De hoogste bergtoppen zijn in donkere wolken verborgen, de rotswanden zien donkerblauw, groengrijs glanst de zee. Heinde en ver ziet het oog geen andere stoomboot. Slechts een paar visschersschepen, juist zoo gebouwd als de oude draakschepen der Vikingen, vóór en achter met den hoog opstijgenden boeg, en met roest-bruine zeilen, kruisen onzen weg. Maar in het water wordt het levendig; dolfijnen spelen rondom het schip, nu eens ziet men hun plompe lichamen in de lucht opspringen, dan weer kan men in het heldere water hun bliksemsnelle bewegingen volgen. De lommen tuimelen voor ons heen; angstig beproeven zij zich in de lucht te verheffen, en storten zich dan weer met den kop omlaag in de diepte. De meeuw stoot zijn schril geluid uit en de kormoraan vliegt met stillen vleugelslag voorbij. Zoover het oog reikt, rijen zich eilanden aan eilanden; de boomgroei wordt steeds schraler, maar toch bedekt nog een licht, geelachtig groen de fijne rotswanden. Dichter en dichter trekt zich de hemel om ons heen te zamen, en in de onzekere schemering nemen de rotsachtige eilandjes steeds phantastischer vormen aan. Het maakt den indruk, alsof wij door een groote kudde voorwereldlijke reuzendieren omgeven zijn, die, half in het water verborgen, zich plotseling op ons konden werpen, om onzen notedop te verpletteren. O, anti-diluviaansche stemming! Men zou hier weder aan de Scylla en Charybdis gaan gelooven.

Zoodra echter de zon den sluier verscheurt, en een frissche wind uit de IJszee de wolken uit elkaar jaagt, ziet men overal rondom ons toppen en spitsen, en heel in de hoogte glanzen gletschers. Zoo stoomt en stampt onze kleine “Hadsel” langzaam vooruit. Niet voor ieder passagier is echter deze vaart een onvermengd genot. Meestal beschut ons, wel is waar, de voor ons liggende keten van eilanden, maar als op open plekken de zware deining van den oceaan [383] ons scheepje bereikt, danst het lustig op en neer, en menigeen buigt zich in stilte voor deze hoogere macht.

Terwijl wij kort voor middernacht bij een glas warme groc—de thermometer wijst maar een paar graden boven nul—in de kajuit bij elkaar zitten, schitteren plotseling de ruiten der ronde venstertjes, het koperwerk glanst helder op, het licht wordt gegrepen door onze glazen op tafel en weerkaatst op onze gezichten. Daarna, in eens, is alles weer koud en vaal. Het was de eerste luchtige groet van de middernachtzon!

Onze weg voert ons langs een der grootste vogelbergen van het Noorden. Reeds van verre hoort men het krijschen der schuwe dieren; naderbij gekomen ziet men ze in tallooze rijen op de rotsen neergehurkt. Nu lossen wij een kanonschot en iets wonderbaars gebeurt er. De berg schijnt als een veêren kussen uiteen gebarsten te zijn. Als een wolk omhullen ons plotseling millioenen en millioenen vogels, het is een oorverdoovend leven; wie naar boven ziet, meent zich in een dichte sneeuwbui te bevinden. Wij vervolgen onzen koers, maar nog zwermen de opgeschrikte vogels in dichte wolken rondom hunne rotsen.


Oud houten huis in Tromsö.

Eindelijk duikt de Noordkaap voor ons op. Scherp, als de ram van een panterschip, steekt zij uit de oneindige zee op. Onze “Hadsel” vaart er langzaam om heen en gaat dan in een door rotsen omsloten bocht voor anker. De oever der vergetelheid. De zee ligt bijna doodstil, de steile wanden hebben een vochtigen glans, hun kleur is staalgrijs, erboven zijn dichte wolken opgestapeld, een sneeuwveld trekt zich in een hoek terug en zendt een kleinen waterstroom uit, die met dof gemurmel in zee valt. Overigens diepe stilte. Op den achtergrond in de bocht een kleine hut, nauwelijks zichtbaar; daarin wonen een paar visschers, en een Duitscher, die aan de zomertoeristen daarboven op de hoogte prentbriefkaarten en champagne verkoopt. Met moeite beklimmen wij den vrij steilen wand. Tusschen het sneeuwveld en den zigzagsgewijs loopenden weg is een schoon bloemtapijt uitgespreid. In het langdurige licht van den zomer komen hier de bloemen tusschen sneeuw en ijs met wonderlijke kracht te voorschijn. Daar ziet gij een zeer zeldzame soort van gevulde ranonkel; gele viooltjes komen te voorschijn, geel en wit zijn over ’t algemeen hier de heerschende kleuren. In de vreeselijkste woestenij het heetste verlangen naar het leven!

Juist toen wij het plateau bereikt hadden, omhulde een wolk den geheelen top. Een oogenblik zagen wij totaal niets. Langzamerhand gewent echter het oog aan de schemering en nu liepen wij, geleid door een gespannen touw, naar de uiterste punt van ons vaste land. Wit glinstert het graniet op den grond, daartusschen schittert een kleine anjelier. Sneeuwhoenders loopen voor ons uit en verdwijnen in den nevel. De branding wordt steeds luider, en spoedig zijn wij bij het paviljoen, waar men, ter viering van het oogenblik, een glaasje champagne pleegt te drinken.

Maar waar is de zon? De stoomfluit maant ons reeds aan, terug te keeren. Daar komt er plotseling beweging in de ons omringende massa’s, sneller en sneller trekken de nevelstrooken voort; op eens ontstaat een breede spleet en ver aan den horizon, dicht boven de phosphoresceerende zee staat de lichtende zonneschijf. Daarop valt het gordijn neder, en [384] verheugd over het genoten schouwspel, dat niet allen reizigers naar de Noordkaap ten deel valt, beginnen wij af te stijgen.

Onze “Hadsel” zet nu haar koers weer naar het Zuiden. Een kort bezoek wordt gebracht van Hammerfest, dat zonder zon onder een regenzwangere lucht een uiterst melancholieken indruk maakt. Maar dan komt een glanspunt van den tocht, de Lyngen-fjord. Hier vereenigen zich zee en bergen tot een grootsch natuurbeeld. Langzaam vaart de stoomboot langs de steile rotswanden, en terwijl wij in stomme bewondering op het dek neerzitten, trekt de eene gletscher na den anderen ons voorbij, donkerblauw aan den bergrug hangend, met hun ijstong tot in het donkere water reikend.

Niet ver achter Tromsö opent zich dan eindelijk de wonderwereld van het Noorden. De rotsenwildernis der Lofodden neemt ons in zich op. Het is moeielijk met woorden een ook maar eenigszins gelijkend beeld van dit zinnenverbijsterend schouwspel te geven. Is het een verzonken gebergte of een nieuw uit zee opduikende wereld? De schoonste van al de Lofoddenstroomen is de Raftsund. Een breede rivier midden door het hart van een indrukwekkend gebergte. Hier ontsluiten zich voor het oog beelden, die anders slechts de bergbeklimmer na een moeielijken tocht te zien krijgt. De Troldfjord is het wonderlijkste in deze wonderwereld. Het schip vaart recht op een loodrechten rotswand aan, dan een kleine wending, en voorzichtig glijden wij door een smalle spleet tusschen blanke, gladde granietmuren door. Nu drijven wij op een klein, donkergroen Alpenmeer, onder in de diepte van een ketel tusschen de bergen. Er omheen sneeuw en ijs; een waterval stort zich met dof gebruisch in het meer, maar zijn spiegel blijft onbewogen. Roode algen schijnen te roeien door het klare water, de lomme duikt op en verdwijnt weder, de zwarte zeezwaluwen zweven langs de rotswanden, anders alles doodstil! Alles houdt hier onwillekeurig den adem in. Troldfjord noemen de Nooren deze plaats; iets spookachtigs zit er in de lucht, een sprookjesstemming waart er rond. Hier hebben de Grieken den ingang naar de onderwereld gezocht.


De middernachtszon gezien op het plateau van de Noordkaap.

Soolvär, de hoofdplaats der Lofodden, is ons laatste station. Daar verlaten wij onze kleine “Hadsel”, om met een grooter schip de reis naar het Zuiden voort te zetten. In de oude kroningsstad Drontheim gaan wij weer aan land. Nog omgeeft ons de ernstige natuur van het Noorden, maar na het huiveringwekkende schoon, dat wij hadden gezien, scheen ons hier het landschap lief en vriendelijk. Wederom legt de lichte nacht zijn schemering over land en zee. Het is bijna middernacht, als wij uit de stad naar buiten gaan, naar berg en bosch. Jongens en meisjes komen ons tegen, hand aan hand, met bloemen getooid. Het eene paartje na het andere; de nacht is hier ook zoo wonderlijk licht. Frissche hooigeur doorwasemt de lucht. En terwijl wij nu omzien en neerkijken op den zilveren fjord, is het ons als voelden wij, na het doodsche van het Noorden, hier voor de eerste maal weder den levenden polsslag van onze liefhebbende moeder natuur.

In het bergland van Tripolis.

Naar het Fransch van A. de Mathuisieulx.


Karavaan op weg naar Rhadames.

Mijn eerste onderzoekingstocht in Tripolis in 1901 was maar zeer onbeteekenend geweest door opgekomen politieke moeilijkheden. Gelukkig heb ik daarna nog twee reizen kunnen doen, namelijk in 1903 en 1904, waarbij ik een veel uitgestrekter gebied heb kunnen bezoeken en meer op mijn gemak dit deel van Afrika heb bestudeerd, dat tot hiertoe nog zoo weinig bekend is. De onderzoekingen, in het geheele vilayet ingesteld, tot de streken, behoorend bij Fezzan, worden in dit verhaal weergegeven.

Den 20sten Maart 1903 verliet mijn karavaan Tripolis bij het aanbreken van den dag. Ik had buiten mijn eigen personeel den ouden Arabier Hammer meegenomen, die mij reeds in 1901 had vergezeld, en dan den jongen Maltezer Pepino.

Wij sloegen ons eerste kamp zes kilometer ten westen van Tripolis op, te Gargaresj, opdat onze lieden veel tijd ervoor zouden hebben, want ze waren nog nieuwelingen in het werk, dat natuurlijk in den beginne met veel misgrepen en onhandigheden gepaard gaat. De tenten, de keuken, alles was in orde, toen de leden van het Consulaat-Generaal van Frankrijk ons in den namiddag een bezoek brachten voor een laatste afscheid. Daar mijn landgenooten den wensch te kennen hadden gegeven, hier te dineeren, zette de fezzansche kok hun een vrij bescheiden maal voor, dat echter door hen op de vriendelijkste manier tot gul en hartelijk onthaal werd gestempeld.

Toen de bedienden den volgenden morgen het kamp opbraken onder het oppertoezicht van Pepino, bracht ik een bezoek aan de omstreken en aan een dubbel graf van hooge antiquiteit, dat kort geleden gevonden was in een onderaardsch vertrek. Dit monument, met fresco’s versierd, werd gebouwd door een weduwe, Arisuth genaamd, voor haar man Juratanus en voor haar zelve. De namen van de bedoelde personen verraden reeds hun afrikaansche afkomst, en wel een numidische voor den echtgenoot en een semitische voor de vrouw. Zooals zoo dikwijls gebeurt bij archaeologische ontdekkingen, hebben de opschriften van dit graf het mogelijk gemaakt, een belangwekkend punt uit de geschiedenis op te helderen. De heer Clermont Ganneau heeft er het bewijs in gevonden van de opneming der vrouwen in de heidensche secte van Mithra. Mevrouw Arisuth bekleedde daarin een eereplaats en had recht tot deelneming aan de godsdienstige feesten. Tot nu toe had men gemeend, dat alleen mannen tot den dienst van Mithra werden toegelaten, dien machtigen arischen godsdienst, welks wieg dezelfde is als die van het gansche menschengeslacht, en die zich over de geheele wereld heeft verspreid gedurende de oudheid, zelfs tot de verst verwijderde grenzen van Perzië [386] ter eene, en de Zuilen van Hercules ter andere zijde.

In de buurt van die graven gaat een romeinsche toren voort, met al meer te vervallen. Het is waarschijnlijk, dat in de middeleeuwen de Arabieren zich ervan bedienden voor de lijn van telegraafposten, die ze langs de kusten der Middellandsche Zee hadden opgericht; bekend is, dat een reeks van optische seintoestellen de afrikaansche kust volgde, zoodat de berichten in een enkelen dag van Egypte naar Marokko konden worden overgebracht.

Vóór we ons zuidwaarts wenden, om ons in het binnenland te wagen, volgen wij eerst de kust tot Aboe Adjila, om daarbij de ruïnen van de haven Sabathra te bezoeken, die we in 1901 maar even hadden gezien. Op die plaats werd ik ontvangen door een arabischen kaïmakan, een hoog personnage. Ahmed Bey behoort tot de oudste en rijkste familie uit Tripolitanië; daaraan heeft hij het te danken, dat hij reeds op zeer jeugdigen leeftijd een prachtige oase te besturen kreeg, waar omheen de weelderigste havervelden lagen, die ik ergens in Afrika heb gezien. Om mij het verblijf bij de ruïnen van Sabathra aangenamer te maken, laat hij een arabisch kamp oprichten aan den oever en laat er gerechten heen brengen, die een verrassend menu vormen in een zoo van voedingsmiddelen misdeeld land.

De vrijheid van handelen en het schoone jaargetijde staan mij thans toe, de overblijfselen van Sabathra te bestudeeren, voor zoo ver dat mogelijk is in het turksche dorp, waar opgravingen strikt verboden zijn. Die ruïnen op 80 KM. afstands van Tripolis zijn die van een der drie handelsplaatsen, welke daar hebben gelegen. Evenals te Oea en Leptis Magna waren ook hier de Phoeniciërs de stichters, die er een karakteristieken naam aan hebben gegeven, want Sabathra beteekent Korenmarkt. De Romeinen maakten er een gemeente van en verhieven de plaats tot kolonie. De moeder van Titus en Justinianus, die er beiden geboren werden, stelde bijzonder veel belang in de stad. De plotselinge achteruitgang en de latere totale ondergang van de plaats dateeren van de invallen der Arabieren.

Het zand bedekt bijna geheel de kostbare resten, en de zee ondermijnt de mooie muren van de haven. Naarmate de wind een hoekje der duinen opruimt en een standbeeld voor het licht brengt, of een zuil, of wel een mozaïek, haasten de dweepzieke Arabieren zich, die relieken der gehate Roemi’s te vernielen. Gelukkig bewaart het zand trouw en goed die historische rijkdommen, en er zal een heele schat van in te zamelen wezen, als eenmaal verlof tot opgraven zal worden gegeven. De sporen der wallen en andere duidelijke resten toonen inderdaad, dat daar een groote en rijke stad moet hebben gelegen; de lengte was meer dan drie kilometer langs de kust; er waren zeer veel paleizen en tempels, en het theater kon tien duizend toeschouwers bevatten. Men kan nog de plaats onderscheiden, gereserveerd voor de Garamantes-stammen uit Fezzan, die er hun tenten kwamen opslaan ten tijde van de groote jaarmarkten.

Waaraan moet de keus voor de plek van deze zeehandelsstad worden toegeschreven? Dit deel van de kust biedt toch in het minst geen beschutting aan. Gebouwd aan een der einden van de bebouwde zone en ver van de vermaarde zoutwerken van Zarzis, kon ze geen middelpunt voor landbouw of industrie worden. De ligging van Sabathra laat zich, naar mijne meening, alleen verklaren als directe uitvoerhaven van Rhadames, het oude Cydamus, bij den doorgang van den breeden pas van Djado, waar de karavanen door gingen, en waar ze nu nog passeeren, om zoo de streek van Rhadames met de zee te verbinden.

Tusschen de kust en Djado heeft men over een breedte van 100 KM. de groote vlakte, een uitgestrekt gebied van laag land, Djeffara genaamd, den toegangsweg van de zee naar het hooge plateau in het binnenland. De vlakte loopt onmerkbaar op naar den voet der hooge rotsen van den Djebel of het bergland, waar ze door een reeks van onafgebroken verhoogingen eindelijk 300 M. hoogte bereikt.

Gedurende de zes-en-vijftig uren rijdens door Djeffara moesten wij steeds op onze hoede zijn, vooral des nachts, want arabische roovers zwerven onophoudelijk door deze streek, op de zoek naar een karavaan of een kamp, die niet voldoende beschermd zijn.

Het zand, dat afkomstig is van het verweerende gesteente, dekt de meeste der kleine heuvels, welke zich op de vlakte verheffen; maar tusschen die onbeteekenende hoogten vinden de Arabieren soms water genoeg, om haver te planten, omdat een laag van blauwachtig leem het regenwater vasthoudt.

Djeffara is in dit gebied veel minder dor dan in het Zuiden van Tripolitanië. Dit jaar is de oogst bijzonder goed geweest. Wij ontmoeten dan ook dikwijls inboorlingen, die hun voorraad in naburige silo’s bergen. Zoo worden hier als elders de onderaardsche bergplaatsen genoemd, die in den vorm van een karaf worden gegraven met een nauwen ingang van boven. Men daalt er in af met een touw van alfa en de opening wordt gesloten met een grooten steen. De inrichting laat zich misbruiken voor verschrikkelijke dingen. Zoo heeft in het weidegebied van Montsor een Arabier onlangs zijn broer levend begraven, omdat hij diens erfenis begeerde. Toen men het lijk vond, bleek, hoe de ongelukkige tegen de verstikking geworsteld had.

De weg, dien men volgt in Djeffara, is aangewezen door de punten, waar water te vinden is, en die op groote afstanden van elkander liggen. De putten aanvankelijk in de buurt van de zee niet zeer diep, nemen snel in diepte toe. In zeer harden grond gegraven, bevatten ze een helder water, dat van uitstekende qualiteit is; maar het ontbreken van een steenen rand om de putten en van toestellen, om het water op te hijschen, gevoegd bij de zorgeloosheid van de Arabieren, doet het zand van boven steeds in den put vallen en maakt het vocht vuil en modderig. Om water te putten, maakt ieder voorbijganger een touw los van zijn kameel en laat den zak van schapevel zakken, die het voornaamste stuk huisraad is in een nomadische huishouding. Indien de kampen niet te ver af zijn, nemen ze soms een koe mee, waaraan ze het uiteinde van het touw vastmaken, en het dier hijscht den vollen zak op, door zich van de opening te verwijderen. [387]

Op die vlakten ziet men in het verblindende licht alles wit. De overdaad en de scherpte der zonnestralen eten de kleuren op, en het oog heeft moeite de bijzonderheden te onderscheiden. Het zand, de wol van de kudden, de kleeding van de inboorlingen, alles wordt op korten afstand reeds een verwarde massa. Alleen de kleine vlekjes menschelijk aangezicht vormen bruine ovaaltjes, en het mooie licht, dat overal elders zooveel vroolijkheid brengt, is hier de bron van een onverbiddelijke melancholie.

Voordat wij den voet van het groote tripolitaansche bergland hebben bereikt, passeeren we nog twee smalle zones, die ermee evenwijdig loopen, eerst een lint van weiden, dan een tweede lint van reuzenkeien. Het eerste is een gevolg van de wadi’s der hooge gronden, die daar alle doodloopen op een tiental kilometers afstands van de Djebels, en den grond vruchtbaar maken; het tweede is het bekken, waarin het bergpuin zich verzamelt. Die beide strooken, zoo verschillend van aanzien, zetten zich onafgebroken voort van de grens van Tunis tot Tarhoena over een lengte van meer dan 200 K.M.

De bestijging van de rots, ofschoon vergemakkelijkt door de bressen, die vroegere waterstroomen erin hebben geslagen, vereischt drie of vier uur arbeids, de reiziger kan zich op de klimpartij voorbereiden door in de oase aan den voet uit te rusten. De palmentuinen van Sjeiksjoek beneden Djado boden ons een rustgelegenheid, waaraan mijn lieden de grootste behoefte hadden.

De bewoners van die tuinen vegeteeren in een armzalige armoede, en de koorts woedt er met ongekende hevigheid door een naburige bron, die in een moeras uitloopt.

De steensoort van Sjeiksjoek dient voor de vervaardiging van molensteenen, die de bewoners van den stam der Sjograns te Tripolis verkoopen, om in hun behoeften te kunnen voorzien. Dichtbij het dorp kan men nog het graf vinden van Aboe Obeïda, een plaatselijke beroemdheid, die over de heele streek gezag uitoefende en zich in bloedige gevechten wikkelde met de Berbers van de hooge plateaux, om de macht te behouden, hem door den imam geschonken.

Op den 28sten Maart bestegen wij te voet de wijde spleet bij Djado, waardoor de rivier Djinaoen het bergland verlaat. De kameelen en paarden volgden ons en klommen minder moeilijk dan wij door dien doolhof van verbrokkelde rotsen, waar voetpaden op de schuine hellingen boven onpeilbare afgronden smalle linten vormen. Zoo ging het door palmboschjes, die hier en daar in de holten gegroeid waren en soms boven het ledige schenen te hangen als kraaiennesten op den nok van kathedralen.

Als men ze van dezen kant nadert, lijken de hooge gronden van Tripolis op een echt bergland, en men kan best begrijpen, dat de inboorlingen den naam van Djebel gegeven hebben aan deze noordgrens van het plateau, vanaf de bergen van Tunis, waarmee zij samenhangt door Doeïrat, tot aan Gariana toe. Maar in werkelijkheid is het niets anders dan een eindeloos vlak terras, dat naar Djeffara steil afloopt met een muur van 800 M. hoogte. De atmosferische invloeden hebben niet weinig ingewerkt op deze grens en hebben er over een terrein van 10 tot 12 K.M. in de breedte diepe kloven in uitgehold vol bochten, hebben alleenstaande toppen afgeslepen en, zware steenblokken ondergravend, ze als gevaarlijke uitsteeksels boven afgronden opgehangen. Heeft men eenmaal den schilderachtigen doolhof van dit verweerde gebergte beklommen, dan ziet men voor zich tot in oneindige verte de vlakke en eenvormige uitgestrektheden van Afrika’s binnenland.

De wijdste spleten tusschen de rotsen dienen tot doorgangen tusschen de lage landen en het plateau. Zooals te Gariana en te Kikla de wegen naar Fezzan geopend worden, zoo opent de kloof van Djado, die wij zullen passeeren de route naar de oasen van Rhat en Rhadames aan de kust.

De naam Djado is die van het dorp, waarboven de Turken hun fort hebben gebouwd; de toppen van het dal dragen veel dorpen, tot het administratieve district Fossato behoorend. Rondom die naar de vlakte open baai vormen de plaatsen Moghat, Ojlin, Mesdoe, Endabas, Masgoera, Oeïfat en Regreg volkrijke middelpunten, omringd door olijfboomen.

In Tripolitanië hebben de invallen der Arabieren de Berbers teruggedrongen in de Djebels, en die laatsten zijn daardoor bijna uitsluitend bergbewoners geworden, zooals ook met hun broeders, de Kabylen uit Algerië het geval is. Alleen zij, die zich hebben verscholen in de oase van Rhadames en op het eiland Djerba maken daarop een uitzondering. Die Berbers, even werkzaam als de Arabieren lui zijn, houden zich met landbouw bezig. Bij hen is op de kleinste bebouwbare plekjes, die beschermd worden door steunmuurtjes op de steile hellingen der kloven, haver geplant; andere minder bewerkte gedeelten, waar het verweerde bergland in de vlakte begint af te dalen, dragen mooie aanplantingen van olijfboomen. Ik heb er besproeiingswerken gezien, die voor onze europeesche ingenieurs onmogelijk zouden zijn. Ook kan men zeggen, dat de bergen van Nefoesa het rijkste deel zijn van het vilayet.

De geschiedenis van deze Berberstammen moet nog worden geschreven. De arabische auteurs leveren ons geen gegevens voor de verschillende perioden; de geschriften van de bergbewoners zelven, in het Arabisch vervat, maar in Tamazirletters zooals die van de Toearegs, worden in de moskeeën angstvallig bewaakt door de kadi’s. Ik heb te vergeefs beproefd, mij die kostbare boeken te verschaffen, door er sommen voor aan te bieden, die in dit land een fortuin vertegenwoordigen. Geen enkele inboorling was bereid, zulk een heiligschennis te plegen.

Het is zeker, dat men in de Berbers, die tegenwoordig in Tripolis wonen, geen rechtstreeksche afstammelingen kan zien van de volken, die bij Herodotus en Strabo worden genoemd. Men vermoedt, dat een stam uit Azië of Ethiopië zich vermengd heeft met de oorspronkelijke bewoners, en dat zoo de stammen van Zoeara, Nefzaoea enz. zijn ontstaan.

Men ontmoet dikwijls onder die bergbewoners, die zeer donker zijn, enkele blonde individuen met blauwe oogen, juist als in Algerië en Marokko. De oorsprong van die talrijke afwijkingen blijft nog onverklaard en de verschillende hypothesen, opgesteld om ze op te helderen, spreken elkander tegen. Op grond van het bestaan der monumenten van groote steenblokken [388] of megalithen, die volkomen gelijk zijn aan die van Europa, geven enkele geleerden ons als broeders blonde bergbewoners uit Noord-Afrika; andere zoeken ze in Midden-Azië of in Ethiopië. De theorie van de eenen steunt op het bestaan van die typen in Egypte, die der anderen op de aanwezigheid van het blonde ras in Algerië. De onwetendheid, waarin men verkeerde ten aanzien van Tripolis, wees van beide zijden deze streek aan als grens der verhuizingen van uit tegengestelde richtingen. De aanwezigheid van individuen van het blonde type is geheel berbersch. Tripolitanië zal de quaestie nog maar meer ingewikkeld maken, tot een of ander archaeologisch document, dat onbetwistbaar is, haar kome oplossen.


Antiek graf bij Gargaresj.

Hoe het zij, bruin of blond, de Berbers van Tripolis vormen een zeer apart ras, afgezonderd van de arabische wereld, die door hen veracht wordt en waarvan ze zich altijd afgezonderd hebben gehouden in die mate, dat ze nooit een huwelijk toelieten tusschen de vrouwen uit de bergen en de afstammelingen der overweldigers. De Islam is er verspreid geworden, maar de standvastigheid van het ras heeft een menigte oude leerstellingen behouden, waardoor hun godsdienst veranderd is in een bijzondere secte van den abhadietischen tak. Men vindt er christelijke overleveringen in terug, vermengd met heidensch bijgeloof, zooals bij de bewoners van het land Mzab in Algerië, waaraan zij nauw verwant zijn. De lieden van Nefzaoea, Rhadames en Mzab gehoorzamen aan een kerkelijk hoofd, die in Oman zijn zetel heeft.

De tripolitaansche Berber gevoelt zich krachtig en flink en is zeer ingenomen met zijn betrekkelijke onafhankelijkheid, die hij in het midden van de vorige eeuw dapper tegen de Turken heeft verdedigd, zooals hij dat in de elfde tegen de Arabieren had gedaan. Ook onderhoudt het turksche gouvernement te Djado alleen een garnizoen van achthonderd man, wier citadel de heele streek beheerscht. De woeste stammen mogen in het geheel geen vuurwapenen bezitten, en ze blijven thans rustig in hun dorpen en komen ’s avonds samen, om elkander met verhalen over de heldendaden van de voorvaderen te vermaken. Die bijeenkomsten, waar de roem van den vermaarden Roema het voorwerp is van een waren eeredienst, eindigen meestal met vaderlandsche liederen, vervat in de taal, die ook de Toearegs van de Sahara gebruiken. De moderne beschaving heeft geen vat op deze menschen, die de hulp van een geneesheer weigeren en liever sterven onder de handen van onwetende toovenaars. Zij voeren de matigheid zoo ver, dat ze zich van sigaretten en thee onthouden, omdat het gebruik van tabak en thee zonde is in hun oogen. Toch is het bekend, hoe de menschen in Afrika op het rooken gesteld zijn, en hoeveel ze van thee houden, die overal voor koffie in de plaats komt.

Te Djado, zooals in bijna het geheele bergland, is het water ondrinkbaar door de vele magnesia, die het bevat. De bewoners moeten daarom naar de vlakte, om zich van het noodige te voorzien. De turksche troepen, genesteld in hun kasr of vesting ter hoogte van 750 M., gebruiken een kudde kameelen voor het opvoeren van de gevulde waterzakken, hetgeen een groote vermeerdering van kosten meebrengt.

Daar de belastingen overal in natura worden opgebracht, zoowel in mannen als in dieren en landbouwproducten, regelt de ottomaansche regeering die naar een omslag, verschillend naar de opbrengst der verschillende streken. Te Djado betalen een man en een kameel een éénheid, dat wil zeggen, dezelfde belasting als twee koeien, of tien schapen, of vijf-en-twintig geiten, of vijf-en-twintig olijfboomen, of vijftig palmboomen, of tweehonderd vijgenboomen.

De moskeeën, die op enkele hoogten in het district Fossato staan, zijn oudtijds het godsdienstig middelpunt geweest der Nefoesiërs. De historische en philosofische wetenschap zijn er nog in eere, en de Berbers beschouwen het gansche district als een heilige plaats. Maar eenige van die moskeeën zijn tegenwoordig verlaten, en daar moeten, naar booze tongen verhalen, zeer weinig stichtelijke dingen gebeuren.

Als men Naloet bereikt aan het westelijk uiteinde van het gebied der Berbers, gaat men langs den voet der rotsen, en wij maken van de gelegenheid gebruik, om den geologischen bouw van die mooie, loodrechte wanden na te gaan. Op dezen weg passeeren we de tallooze stroompjes, die voor de afwatering zorgen van de hoogte, maar nu droog zijn. Zij graven ondiepe beddingen in Djeffara.


Voorraad voor een verwijderd kamp.

Bij de oase Djoch vond ik romeinsche ruïnen, te herkennen alleen aan eenige brokken muur. Toch [390] was dit een voorname plaats, Sabria genoemd, naam die ook wel gegeven werd aan Sabratha aan de kust der zee. Die naam, die ontwijfelbaar van vreemden oorsprong was, duidt dus een in het binnenland liggend Sabratha aan, waarvan veel geleerden het bestaan geloochend hebben, ondanks de beweringen van Ptolemaeus. De grieksche aardrijkskundige was beter ingelicht dan wij, en als er een marktplaats bestond voor de groote haven aan de Middellandsche Zee, dan moest het hier wezen, bij een der hoofddepots, waar het plateau op de vlakte uitkwam.

Iets verder doet zich de oase Tizi voor, waar een ondragelijke stank viel waar te nemen. Toen we er aankwamen, vonden we er een troep Arabieren, bezig met een bron bloot te leggen, door met hun handen in den grond te graven.

Dit werk, waarmee ze al een maand aan den gang waren en dat op de alleronhandigste manier werd gedaan, heeft water over den omtrek verspreid; het gaat tot bederf over en vergiftigt de buurt. De grachten om het kerhof liggen vol lijken, die men zich de moeite niet geeft te begraven; en we zagen menig geraamte, waarvan het doodshemd tot lompen is geworden.

De ingang van de kloven van Naloet is nog grootscher dan die van Djado. Het dorp, dat de inboorlingen liever Daloet noemen, ligt op 750 M. hoogte op den top van een steile rots, die over afgronden van tweehonderd meter heen hangt. Een der woningen is gebouwd tegen de bijna loodrechte wanden van de rots, een ander ligt verspreid over het begin van het plateau. De oorsprong van een rivier dient tot hoofdstraat. Enkele van de andere straten zijn zoo nauw dat een man er niet langs kan gaan, zonder zijn schouders te stooten. Het dorp bestaat ten deele uit ondergrondsche woningen, want er zijn een massa troglodyten in het bergland van Tripolis.

De Turken hebben een fort gebouwd op een helling van de kloof; daartegenover staat tusschen de hutten een oude citadel, geheel in de rots uitgehouwen, zonder een enkel laagje steenen. Daar borgen de bewoners hun rijkdommen en daar vonden ze een schuilplaats in tijden van gevaar. Tegenwoordig bergen ze er nog hun koopwaren en hun voedingsmiddelen. Elke familie heeft haar eigen magazijnen in de vesting; in de rotswanden zijn de bergplaatsen gehouwen. En de driehonderd openingen, vrij regelmatig gerangschikt, geven aan het geheel het aanzien van een columbarium of romeinsche grafkamer met haar vele nissen voor de urnen met asch. Des morgens komen de huisvrouwen er weghalen, wat ze noodig hebben voor het maal van den dag; in den namiddag ziet men er de mannen hun handel drijven als op een markt, waarna ze den sleutel aan den bewaker ter hand stellen, die den naam van dellal draagt. Er is geen trap, om bij de bovenste openingen te klimmen, en de eigenaars hijschen zich tot vijf of zes meter in de hoogte, door zich aan de uitspringende gedeelten van de rots vast te houden.

Naloet lijkt als alle dorpen van den Djebel in de verte op een hoop puin, omdat de huizen er zijn aangelegd met de allergrootste minachting voor de rechte lijn en het effen vlak. De muren van pleister en steenen staan scheef en dragen een dak, dat een chaos is van balken van olijf- en palmhout.

Wat mij het meest verbaasde, is dat er geen ongelukken aan de kinderen overkomen in dit dorp boven afgronden, waar in de diepte nooit een zonnestraal doordringt. Ik zag er een troep jong goedje in lompen spelen aan den rand van gapende diepten, die iemand een huivering aanjagen. Van daar overzag men een panorama, dat zich tot dertig kilometer in het rond uitstrekte; aan den eenen kant de verweerde bergmassa’s, aan den anderen de effen oppervlakte van het plateau. In een paar spleten waren palmboschjes gegroeid, waar beekjes hun oorsprong namen.

De huwelijksplechtigheden hebben veel eigenaardigs in Naloet. Vier geheele dagen lang blijven de genoodigden opgesloten en slijten den tijd met het eten van hoopen meel, met olie aangemengd. Op den dag der plechtigheid gaat de bruid eerst haar linnengoed wasschen in het geleide van een escorte van jonge meisjes. Door de vriendinnen wordt ze dan naar het huis harer ouders teruggebracht, en het echte feest begint met het zingen van gehuurde koorzangers. Een kameel met een palankijn van levendige kleuren voert daarna de bruid naar haren echtgenoot tusschen ruiters, die zich aan de meest woeste fantasia’s overgeven. Alle aanwezigen blijven buiten de woning van de jonggehuwden en wachten, tot de echtgenoot hun komt mededeelen, dat de huwelijksvereeniging heeft plaats gehad. Op dat moment gaan van alle kanten voetzoekers af, om in de naburige dalen te verkondigen, dat er een huwelijk is voltrokken.

De ingewikkelde ceremoniën zijn daarmee niet afgeloopen, maar duren nog wel een week, waarbij ook de nachten aan spel en braspartijen zijn gewijd. Soms hebben gefingeerde schakingen plaats tusschen jonge mannen en jonge meisjes, en grijsaards komen dan tusschenbeide, om vrede te stichten tusschen de schuldigen en hun ouders. Dat zijn nog eens bruiloften, waar men zich vermaakt!

De kaïmakan van Naloet is een beminnelijke grijsaard, die aan een heupziekte lijdt, gevolg van een ongeluk, dat hij een twintigtal jaren geleden heeft gehad. Terwijl hij zich mengde in een bloedige vechtpartij, om er een einde aan te maken, had hij een kogel ontvangen, die nog niet is verwijderd. Voor mij was deze ambtenaar vol oplettendheden; zelfs werd ik genoodigd op een revue over de troepen van het garnizoen en genoot de eerbewijzen, die aan generaals toekomen, wat geen kleinigheid was voor een officier buiten dienst, die het nooit tot de hoogere rangen heeft gebracht.

Ongelukkig kon ik niet de toestemming krijgen om tot Rhadames door te reizen, waar wij nog slechts 250 K.M. van verwijderd zijn. De gouverneur-generaal, bij wien ik nog een poging deed, om verlof te krijgen, gaf een categorisch weigerend antwoord, het gevaar voorwendende, dat een Europeaan in die groote targuïsche stad liep. Ik moest mij tevreden stellen met kleine uitstapjes in die richting, en daarna ging het naar Wazzen, het laatste bewoonde middelpunt op de grens van Tunis.

Van Naloet keerden we op onze schreden terug, om geheel het bergland van het Westen naar het [391] Oosten door te trekken, maar dezen keer over den kam van het plateau, hetgeen ons in staat stelt, alle berbersche districten te bezoeken. De eerste dagreis brengt ons te Mahmoed, een vesting, even hoog gelegen als de vorige. Het zigzagpad, dat er heen leidt, is zoo steil, dat de kameelen kermen en ten slotte uitgeput stilstaan. Wij moesten ze ontladen en de pakken één voor één naar boven dragen. Ik moest mijn met spijkers beslagen schoenen uittrekken, want de geringste glijpartij zou mij op een leelijken val zijn te staan gekomen.

Te Mahmoed is een deel der bevolking arabisch. Het is een der weinige plaatsen, waar de stroom der veroveraars uit de elfde eeuw er in geslaagd is, een der inhammen binnen te dringen, die tot boven op het plateau voeren. Ongeveer honderdvijftig huizen en enkele olijfboomen staan om de vesting. Het zeer smalle deel heeft mooie aanplantingen van olijven van, naar het mij voorkomt, nog jongen datum.

Onze weg liep nu verder in rechte lijn achter de laaglandzone en wij naderden die alleen, om de berbersche districten te bezoeken. Het volkomen verlaten plateau was met alfagras in dikke bundels begroeid, waarbij niemand op het denkbeeld komt, ze te exploiteeren, omdat men er te ver van de zee is verwijderd, waar schepen dit gras laden voor de papierfabrieken in Europa. Mijn gids, een kloeke Berber met koperkleurige huid, bukte zich herhaaldelijk, om iets van den zandigen grond op te rapen. Op een goeden dag bracht hij mij een gevuld zakje; het waren witte truffels, die hij onderweg had ingezameld. Dit knolletje heeft volstrekt niet den geur van zijn broertje uit Périgord, en het is, of men een raap proeft.

Mijn mooie gids, die op den naam van Ikissa antwoord geeft, heeft geen flauw begrip van tijd, noch van ruimte, hetgeen trouwens een gebrek is van veel nomaden. Als ik hem vraag, hoe lang het nog duurt, voor we bij de aangewezen plek voor het kamp zijn, kan hij mij altijd alleen deze aanwijzing geven: “We zijn er niet ver meer af, we zullen er spoedig wezen,” en dan hebben we vaak nog vier of vijf uur vóór ons.

Zoo kwamen we op een avond zeer laat te Kabao, waar volgens de inlichtingen van Ikissa ik om drie uur in den namiddag had gehoopt aan te komen. Onze lieden waren zoo vermoeid, dat ieder ging slapen zonder avondeten. Maar wat was het een prachtig gezicht, toen de aanbrekende dag ons de stad vertoonde, hangend, als het ware, boven een diepen afgrond in een omlijsting, die het mooiste, wat de fantasie van Gustave Doré geschapen heeft, overtrof!

Rabao heeft een in de rotsen uitgehouwen vesting, zooals Mahmoed en Naloet, en die bestemd is voor hetzelfde doel. Het is de laatste, die wij zullen aantreffen. De stam van dit district, Baraba genaamd, is zeer geleerd en voorziet de geheele streek van priesters en godsdienstleeraars. Ongeveer vierhonderd huizen omringen den kasr en loopen door tot een moskee onder grond in een kloof, die op een reuzenwagenspoor geleek tusschen twee steile wanden van wel honderd meter hoogte, door nauwelijks twintig meter gescheiden.

De bebouwde centra zijn hier op ongeveer vijftig kilometer afstands van elkander, zoodat elk een dagreis voor ons is. Onze voorraad zou ons wel vergunnen, ons kamp op te slaan op het eenzame plateau, maar het is beter, zuinig te zijn met onze middelen in een land, waar men niet juist den duur van het verblijf kan bepalen. Overal waar we stil hielden, werd een schaap geslacht, en er werden bergen rijst aangevoerd of meel voor de karavaan, tegen prijzen, die in Europa belachelijk zouden klinken, maar die daarom toch hoog zijn in Nefoesa.

Landbouw en schapenteelt, die met zorg worden beoefend in de dalen tusschen de bergen en op enkele gedeelten van Djeffara of van het plateau, zijn de middelen van bestaan voor de bergbewoners. Aan havermeel, olie, vijgen en vleesch hebben ze zelden gebrek. In October begint het oogsten der olijven. De vijgen worden in April geplukt. De wijnbouw, die beoefend wordt op velden, waar de ploeg overgaat, houdt meer in het bijzonder kleine joodsche koloniën bezig, die verlof hebben er wijn te vervaardigen uit druiven, een wrang smakend wijntje. Het vee vindt in het slechte jaargetijde een schuilplaats in grotten; en als de eerste lauwe winden van de lente waaien, verspreidt het zich over de weiden van het plateau.

Sommige Berbers gaan zaaien tot midden in Djeffara. Ze laten hun vrouwen in de dorpen, om de woningen te bewaken en wollen kleedingstoffen te maken. Na drie maanden van afwezigheid komen die kolonisten dan terug.

Te Tramezin, als overal, waar geen bronnen zijn, hebben de inboorlingen waterréservoirs aangelegd, die in den winter boordevol loopen.

Slamat heeft een arabische bevolking, net als Mahmoed, en mooie vijgenboomen. Te Rhebat is de dichter Ismaïl geboren, die volgens Sjemmaki nooit één leugentje in zijn verzen liet binnensluipen. Die Ismaïl, die zijn gedichten zelfs in de gevangenis schreef, was daarbij een profeet. Toen hij Tripolis verliet, waar de pacha hem langen tijd in boeien had laten smachten, sprak hij over de stad den volgenden vloek uit: “Dat Grod u een vijand zende, die noch Hem, noch de zonde vreest!” En zeer kort daarna maakten de Christenen zich van Tripolis meester.

Wij passeerden Djado, zonder er ons op te houden ondanks het vriendelijk aandringen van den kaïmakan. De tijd drong, en wij konden dien niet besteden in plaatsen, waar we reeds geweest waren.

Zentan, 20 K.M. ten oosten van Djado ligt nog hooger dan de andere plaatsen aan het begin van het bergland. De Senoessi’s hebben er een klooster in Elgoeassen en hebben rijke kudden van vrouwelijke kameelen voor de fokkerij. De meeste der woningen zijn onderaardsch. Ik geloof, dat het aantal inwoners de duizend overtreft, van wie de meeste landbouwers zijn. Er zijn veel oliepersen aan het werk, door kameelen in beweging gebracht, die met verbonden oogen in de molens rondloopen. De afval, [392] tot koeken gemaakt, wordt bewaard en als veevoeder gebruikt.

Yffren kende ik reeds, daar ik er in 1901 had vertoefd, maar ik moest er nu stilhouden, om een bezoek te brengen aan den gouverneur-generaal van de Djebels, die er resideert. Die hooge ambtenaar had recht op mijn dankbaarheid, want aan zijn behulpzaamheid hadden wij de ontvangst te danken, die onze expeditie overal te beurt viel op zijn grondgebied. Daarbij had de beminnelijke monteçarref, zoo is zijn turksche titel, mij geschreven, dat hij mij in persoon eenige dagen wenschte te vergezellen op mijn verdere reis.


Berbers uit Nefzaoea.

Wij kwamen juist te Yffren, toen een nieuw bataljon het oude kwam aflossen, dat er sedert een jaar verblijf hield. Het stadje was in groote drukte. De grootste en bontste levendigheid heerschte rondom de vesting en in de café’s van Tagrebost. De esplanade vóór de kazerne weerklonk van het gehinnik der duizend kameelen, welke de benoodigdheden voor het nieuwe garnizoen hadden meegebracht. En dat alles gaf aan dit afgelegen hoekje in den verblindenden zonneschijn een vroolijkheid, die men er zelden zal treffen.

De Turken hebben een modern fort gebouwd op de plaats van de oude vesting, waar de Berber Roema in 1850 het turksche garnizoen opsloot en zoo voor een korten tijd het geheele district aan de overweldigers ontrukte. De herinnering aan den moedigen patriot is er dan ook nog levendiger dan elders. Dagelijks hoort men de heldendaden roemen van dien eersten schutter, die bij den krijg aan zijn omgeving den vijand aanwees, dien hij raken wilde en als hij het geweer tegen zijn wang had gelegd, nooit zijn schot miste. Zijn belangrijkste tactiek bestond in een nadering gedurende den nacht tot aan den voet der vestingen met al zijn aanhangers, die veel stroo droegen. Door middel van ladders en lange stokken wierpen dan de belegeraars bossen brandend stroo over de wallen en meestal stierven de garnizoenen den dood door verstikking, vóór ze zich nog hadden kunnen overgeven.

Bij mijn nieuwen gastheer vond ik een uitstekende keuken, waar onze vermoeide magen de grootste behoefte aan hadden. Aan tafel was een jonge gazelle van de partij, die uiterst aanhalig was en die allerlei lekkers kreeg. Maar liever dan iets anders had ze een snuifje tabak.

Toen we ons den 15den April weer op weg begaven, was onze karavaan vrijwat aangegroeid door het gevolg van den monteçarref Yoessoef, die vergezeld werd door zijn secretaris-generaal, zijn uitstekenden kok, een menigte bedienden en politiebeambten en eindelijk door de jonge negerin Zenep. Dit krachtige, mooie meisje van ongeveer twintig jaar wist niets van haar eigen afkomst. Al in haar eerste jeugd was zij door kooplieden van haar ouders weggevoerd en was naar Fezzan gebracht, waar de turksche overheden haar in vrijheid hadden laten stellen.

Ons doel was nu het district Orfella, dat is het zuidoostelijk gedeelte van het tripolitaansche plateau. [393]


In de Boven-Soff ed Dinn.

Geheel Tahar, zooals men het binnenland van het groote plateau wel noemt, helt af naar het Zuiden. De helling begint al bij den noordrand, zoodat de grond aan de Middellandsche Zee snel daalt, terwijl de kant van de Sahara geleidelijk overgaat tot de hoogte van Rhadames en Sokna. Een andere helling is aan den oostkant, maar die is nog van minder beteekenis dan de eerste. De wadi’s Soff ed Dinn en Zemzem, de groote waterbergplaatsen van de streek, zouden dus zich naar het Zuiden moeten richten; maar zij stuiten op reeksen kleine rotsen, evenwijdig aan die van de Djebels, waarlangs ze genoodzaakt zijn een abnormale richting in te slaan, die ze naar de golf der Groote Syrte voert. Om van Yffren naar Orfella te gaan is de rechte weg, en de eenige bruikbare vanwege het water, de bedding van een dezer wadi’s, de Soff ed Dinn. Wij betraden die bedding op eenige kilometers afstands van Djendoeba, waar we ons ophielden, om interessante ruïnen te zien.

We hielden er een triomfantelijken intocht, in staatsie begeleid door de notabelen van de plaats, die toegesneld waren voor de begroeting van hun grooten turkschen heer. Een talrijk escadron omringde ons met hulde, en de levendige, kleine paardjes van de inlanders gingen ten slotte allen aan het galoppeeren. Toen we het punt bereikten, dat voor het kamp bestemd was, konden velen hun paarden niet inhouden en reden een heel eind door.

De ruïnen van Djendoeba komen plaatselijk overeen met het Vinaza van de bekende route van Antoninus. De inboorlingen noemen de plaats tegenwoordig Ibaria of Jeriben. Ik heb daar veel overblijfselen gevonden van een dorp op een reeks van heuvels. Goed bewaard waren die van een christelijke basiliek, waar men de byzantijnsche kruisen nog op vele plaatsen kan herkennen.

Er bestaan in Tripolis verscheiden sporen van het Christendom, dateerend uit den tijd toen de keizers in Konstantinopel regeerden, of liever te Byzantium. Het zijn geen kluizen voor eenzamen zooals in Boven-Egypte, maar kloosters en kerken, zooals Pacho in zoo grooten getale heeft gezien op het cyreneïsche plateau. Zulke koloniën van geloovigen en getrouwen vindt men tot aan de uiterste grenzen van het vilayet en ze bewijzen, dat in den aanvang hunner heerschappij de overheerschers, die het mohammedaansche geloof aanhingen, de christelijke ongeloovigen met rust lieten. Maar dezen, die te kampen hadden tegen aanvallen van de zuidelijker wonende volken, versterkten hun woningen en verscholen zich erin bij het minste gevaar. Daarom treft men, als men verder naar het binnenland komt, een grooter zorg voor de weerbaarheid in die christelijke streken; van Misda af worden het echte vestingen, liggend op alleenstaande hoogten.

Gedurende drie marschdagen, drie lange en moeilijke dagen, ontdekten wij geen enkel nomadenkamp. De onvruchtbaarheid van den grond is zoodanig, dat [394] men veronderstellen moet dat in de oudheid de streek tusschen Yffren en Misda al niet meer bevolkt was; maar er waren stellig enkele stations van een weg, die erdoor liep, want daarvan zijn sporen te vinden te Elmdina en Skiffa.

Elmdina, op 20 K.M. afstands ten zuiden van Djendoeba, is een eindelooze, zandige vlakte, in welker midden zich de muren van een groot vierkant verheffen. De schoonheid en de afmetingen van de behouwen steenen leggen getuigenis af van veel en zorgzamen arbeid. De plaats moet wel belangrijk geweest zijn, dat de Romeinen er gewerkt hebben met van verre aangebrachte materialen. De groote buitenmuur, waarvan elke zijde 40 M. lang is, diende zonder twijfel tot verblijf voor de karavanen, die op reis waren. Men kan er nog in het midden overblijfselen van de vesting vinden met den zeer versterkten ingang. De antieke documenten leeren ons niets omtrent Elmdina, dat van de Arabieren den bijnaam van Ragda heeft gekregen. Die benaming beteekent “Slapende Stad” en is waarschijnlijk afkomstig van een mohammedaansche legende, volgens welke het in de ruïnen spoken zou, zoodat er elken nacht schimmen zwierven, die dan op de muren zouden slapen.

Wij bereiken de bedding van de Soff ed Dinn bij de samenkomst met de wadi Lilla. Samenvloeiing zou men zeggen, als het rivieren waren, maar hier vloeit niets; het zijn niet anders dan kloven, waarin geen enkel adertje water te zien is.

Voortgekomen uit de golvende vlakten ten zuiden van Djado, wordt de Soff ed Dinn al gauw een kloof met loodrechte wanden. Te Misda is ze reeds een kilometer breed en verder strekken zich soms tien of twaalf kilometer uit tusschen den eenen en den anderen oever van de bedding.

Ik denk, dat de naam van Soff ed Dinn, die Dal der duivels beteekent, aan de wadi gegeven is om de massa slangen, die er in het zand leven. Die groote pythons maken slachtoffers onder de kudden vanaf de velden van Toeboel tot de zee toe. Mijn mannen lieten mij vlokken wol zien, die aan de struiken hingen. Dat waren volgens hen de bewijzen van verwoede gevechten tusschen de boa’s en hun prooi. Ik heb in een doear den vader van een herder gekend, die gedood werd door een slang; dat was het vorige jaar gebeurd, en toen de kameraden van den jongen man op zijn kreten naderbij waren gekomen, hadden ze geen hulp meer kunnen bieden, want hij was al dood zonder een enkele wond. De slang werd doodgeslagen, maar men had nog alle moeite gehad, om het lijk los te maken, zoo vast had het gezeten tusschen de spiralen van het monsterachtige beest.

De reeks van ruïnen zet zich onafgebroken voort op de beide oevers der wadi. Tininaye bezit een mooien tempel met fraai behouwen steenen, waar de nomaden van heden de totems van hun stam op de wanden teekenen. De muren zijn er vol van.

Ronde torens vindt men vooral daar, waar de Soff ed Dinn zich tot een vlakte verbreedt. De kasr Argoes schijnt de hoofdvesting te zijn geweest voor het geheele vlakke land, want de hooggelegen ruïnen zijn ontegenzeggelijk die van een versterkt kasteel, waar desnoods alle bewoners der streek een toevlucht konden vinden.

Er bestaat een steeds weer voorkomend samentreffen van de romeinsche ruïnen en de tegenwoordige kampen van de nomaden. Wij konden dat vaststellen, niet alleen voor de bedding der Soff ed Dinn, maar ook voor alle andere wadi’s uit de buurt. Dus zijn de bebouwbare gedeelten van het land dezelfde nu en vroeger.

Men treft geen enkel spoor der Romeinen buiten de laagten; een bewijs, dat de Romeinen zich, evenals de nomaden van thans, tot de beddingen der wadi’s bepaalden. De voet der oude monumenten, gelegen aan de rand der steenachtige vlakten, toont buitendien, dat de grond zich op zijn niveau heeft gehandhaafd, en dat tusschen de rivierdalen de cultuur oudtijds even onmogelijk was als nu. Maar de sporen, die we ontdekken in de diepten der kloven, duiden op een veel belangrijker exploitatie van den grond dan tegenwoordig.

In een land, waar de oudheid haar rijke landouwen had, leidt de inboorling in onze dagen een kommervol bestaan. En toch zijn de klimaatstoestanden niet veranderd, zooals blijkt uit de teksten en de monumenten. Dat is een gevolg van het feit, dat de Romeinen werkers waren, terwijl de Arabieren in smadelijke luiheid verkwijnen. Men moet in Tahar zich de grootste inspanning getroosten, wil men op eenig resultaat hopen, omdat het water, dat aan de oppervlakte ontbreekt, overal onder den grond te vinden is. Zoodra men het maar boven brengt, om het leemhoudend zand te besproeien, groeit de haver, dat het een lust is. Maar de vochthoudende lagen liggen op groote diepte. De weinige putten, die ik heb ontdekt, hadden een diepte van 60 of 80 meter. Ten tijde der Romeinen had men door talrijke boringen en vernuftige stuwwerken, die eeuwen lang in goeden staat werden gehouden, schitterende resultaten bereikt. De Arabier wil liever in den zonneschijn liggen slapen en een ellendig leven leiden, en sinds hij zich in het land heeft neergezet, heerscht er de verlatenheid. Buiten enkele oasen aan de zee en de dalen, waar in het bergland Berbers wonen, wandelt de reiziger in Tripolitanië door maanlandschappen; als niet de intensiteit van licht en de hevige winden het anders leerden, zou men zich kunnen wanen op de koude schors van onzen nachtelijken wachter.

Wij verlieten de Soff ed Dinn te Argoes, om de steenachtige plateaux over te steken, die de wadi van Orfella scheiden. Dat oversteken van vlakten vol enorme steenen is des te vervelender, daar wij het moesten doen in donker, nevelachtig weer. Geen grassprietje, geen enkele bodemverheffing verbrak de doodsche eentonigheid. Wij moesten vaak afdalen in diepe wadi’s, die plotseling voor ons lagen met zoo diepe, steile wanden, dat wij van hun bestaan nog geen vermoeden hadden op een afstand van 200 M. Zoo eentonig zijn die vlakten, dat de inboorlingen er den weg niet zouden kunnen vinden zonder de hoopen steenen, die ze op bepaalde afstanden hebben bijeengebracht om de richting aan te geven. De resten van zwart vulkanisch gesteente geven een verhoogde somberheid aan het landschap. Men denkt aan een aardbeving, die alles heeft opgebroken en de brokken heeft rondgestrooid.

Orfella, waar we den 22sten April aankwamen, bestaat uit een tiental dorpen op een rij langs de [395] beide oevers van een diepe kloof, de Ceni Cellid. Boe Abbas, Guaïda, Sikha, Dahaka, Hosna, Turba, Kir Anala, Trara liggen, boven de breede, vlakke rivierbedding, op hun hoogten van ongeveer honderd meter. Vlakte, rand en dal, alles is vleeschkleurig. De steenen, waarvan de huizen zijn gebouwd, hebben dezelfde nuance, en men zou de dorpen niet kunnen onderscheiden, als niet de deuren of poorten er zwarte rechthoeken in aanbrachten. Boe Abbas geeft eenige afwisseling met zijn bazaltlagen, want de turksche vesting is geheel en al van zwarte steenen opgetrokken. De lava schijnt er zich over het kalkgesteente hebben uitgespreid als een half gestolde massa. Op de bewonderenswaardige doorsneden, die de wanden der kloven te zien geven, kan de geoloog in diepere lagen het kalktufgesteente herkennen, gevormd uit oever- en mosselschelpen. Boven dat tufgesteente konden wij een laag van zeer mooi marmer onderscheiden. De bedding van de wadi Orfella is door de inboorlingen herschapen in een goed onderhouden olijvenaanplanting en in havervelden. Te Tripolis roemt men de vruchtbaarheid van dit hoekje der woestijn; maar wat beteekent dat eigenlijk? Nauwelijks de uitgestrektheid van een fonteinbekken op het Concordeplein! Dit hoekje is daarenboven een geliefd oord voor schorpioenen. Men kan gerust zeggen, dat ze zich onder elken steen ophouden. Er werden drie gevonden in mijn mantel, toen die een oogenblik op den grond had gelegen. Ik weigerde de aangeboden gastvrijheid in de woningen, omdat de schorpioenen er in de daken huizen en zich ’s nachts op de slapenden laten vallen. Beter is het, de tenten in de open lucht op te slaan en den vloer van het kamp goed aan te vegen.

In Orfella is het afschuwelijke insect grooter dan dat in Europa, maar groenachtig van kleur. De inboorlingen zijn bang voor zijn steek, maar zeggen, dat die niet doodelijk is. Als men de wond inwrijft met zekere kruiden, is men binnen vier-en-twintig uren weer beter. Misschien zijn ze op den duur ongevoelig geworden voor het gif van geslacht op geslacht. Maar zeker is het, dat een vreemdeling het grootste gevaar loopt, getuige een arabisch bakker uit Tripolis, die eenige minuten nadat hij gestoken was, aan de wond overleed.

Elken avond vulde zich mijn tent met verschillende bezoekers. Er werd mij veel verteld van zekere ruïnen te Ghirza in het bekken van Zemzem, en ze werden mij beschreven op een manier, dat men wel lust moest krijgen, ze te gaan zien. Ik vatte dus het besluit, ons zoo ver naar het Zuiden te begeven.

Na drie dagen kwam ik tot de overtuiging, dat ik daarvoor noch gidsen, noch escorte zou hebben. Het zij zoo! Dan er maar alleen op uit! Zoo verliet ik Orfella, om naar het Zuiden te trekken zonder een andere aanwijzing dan een vage omtrent de richting. Daar er doears in Zemzem moesten wezen, had ik slechts voor drie dagen proviand en voedsel voor de beesten meegenomen, wat ook al juist zooveel was, als onze kameelen konden dragen. Ik trok voorop, zonder mijn zakkompas een oogenblik van onder mijn oogen te verwijderen—dat arme kompas, dat ons eenig houvast was in een afgrond van eenzaamheid, waar de aan vaste woonplaatsen reeds gewende Arabier geen voet zal zetten.

Het verschrikkelijk steenachtige plateau, dat zich tusschen de evenwijdig loopende wadi’s, de Beni-Cellid en de wadi Zemzem uitstrekt, maakt deel uit van de oostelijke uitloopers der hooge tripolitaansche gronden, die in lage rotsen eindigen aan de lagune van Taorgha, die nu verzand is. De paarden en kameelen struikelden onophoudelijk over de enorme steenen, vielen soms en bezeerden zich. Men zou hun spoor kunnen volgen, door de bloeddruppels, die ze laten vallen te midden van al dit puin, dat wel wat lijkt op de ruïnen van een reuzenstad. Wij moesten wel besluiten te voet te gaan in een hitte, die iemand een zonnesteek dreigt te bezorgen. Nachtigal klaagde over een dagreis, waarbij hij acht uren had moeten loopen; wij legden er 12 af en een enkele maal 15. De reusachtige, maar smalle kloven van de wadi’s Akrima, Ageroe, Sjdaff, Tala noodzaakten ons tot moeilijke afdalingen en daar op volgende klimpartijen om weer op het plateau te komen, waarbij telkens de kameelen moesten ontladen en weer belast worden, zooals al eenmaal te Mahmoed het geval was geweest. Een zandstorm bij Tala hield ons gedurende tien uren op onze plaats en had den verstikkingsdood van een der paarden ten gevolge.

Tot overmaat van ramp raakten de levensmiddelen op. Ik kon er niet aan denken, op onze schreden terug te keeren in den staat, waarin zich onze menschen en dieren bevonden na twee dagen zonder water en in een toestand van algeheele uitputting. We zouden allen dood zijn, vóór we de helft van den terugweg hadden afgelegd. De ellende scheen ten top gestegen, en alleen een wonder scheen ons te kunnen redden....

Het wonder deed zich voor. Op denzelfden avond van den storm bij Tala, op het oogenblik, toen het kamp juist gereed was in een zijdal van de Zemzem, deed een alarmsein mijn heele personeel opschrikken. Er verschenen gewapende mannen, in de schemering naderend.... Ik greep naar de wapens en trad naar voren. Die schrikwekkende figuren waren slechts vreedzame leden van een karavaan, die zout tusschen Siout en Nefoesa moesten vervoeren. Wij gaven elkander inlichtingen en verbroederden ons. Voor eenige geldstukken werd mijn voorraad aangevuld voor twee dagen, en de karavaanleiders brachten ons op den rechten weg.

In deze buurt is de Zemzem niet anders dan een breed lint van gras zonder rotsen. Het gele zand van de bedding is wel geschikt voor den verbouw van graangewassen, en de arme nomaden gaan zaaien, waar ze oude leidingen aantreffen, die nog in staat zijn het regenwater vast te houden. Zoo is Sadé bewoond door een honderdtal menschen, terwijl men ver in het rond geen levende ziel vindt.

De beroemde ruïnen van Ghirza liggen tien kilometer ten westen van Sadé bij de monding van een kleine wadi op den zuidelijken oever van de Zemzem.

Er was mij niets te veel verteld van die ruïnen; de monumenten overtroffen nog ver mijn verwachtingen; ze zijn de mooiste van geheel Tripolitanië.

Toen we er aankwamen, werd ons oog het eerst door de muren van een echte stad getroffen. De 8 tot 10 meter hooge gebouwen hebben muren van kleine, vierkante steenen, zorgvuldig ineengevoegd, Een twintigtal van die reusachtige woningen bekronen [396] nog den linkeroever van de wadi Charza, 300 M. van de uitmonding in de Zemzem. De huizen hadden minstens twee verdiepingen en waren door omheiningen ingesloten; eenige vertoonden zware, ronde torens. De stad gelijkt in niets op Sabratha, Oca en Leptis, waar alle gebouwen van gehouwen steen zijn, waar de tempels, de paleizen, de openbare bouwwerken druk versierd zijn.

Te Ghirza heeft de zeer soliede aangelegde stad in het geheel geen versieringen; alles is er ingericht alleen met het oog op stevigheid en gemak. De afmetingen en het aantal der huizen doen denken aan die regelmatig aangelegde plaatsen in Amerika, de nieuwe steden, plotseling verrezen te midden van pas geëxploiteerde terreinen.

De welvaart is hier zeker vroeger groot geweest en heeft blijkbaar lang stand gehouden, want twee even groote plaatsen liggen naast Ghirza, één op denzelfden oever en de andere op de tegenoverliggende zijde. Nergens in Afrika vindt men graven, met deze te vergelijken, wat de proporties en den rijkdom van het beeldhouwwerk betreft.


De moesjir van Kasr Karaboeli.

De ondergrondsche doodenstad bestaat nog uit zeven mausoleums, boven elkander op de helling van de kloof. Het eerste, het dichtst bij de stad, heeft vorm en grootte van een echten tempel. De forsche, min of meer gedrongen bouw doet denken aan egyptische bouwwerken. Hier is het graf van een vrouw, Mnimir genoemd, wier gedenkteeken is opgericht door haar zoons, Nasif en Nathsjisj. Dat zijn blijkbaar inlandsche namen, ofschoon het opschrift en de aanleg van het monument romeinsch zijn. De andere mausolea, die nog hooger, maar smaller zijn, doen niet voor het eerste onder; de zuilen en de reliëfs zijn zelfs nog rijker.

De necropool, die aan de andere zijde van de kloof ligt, gelijkt veel op de eerste; maar zij bezit een graf, dat eenig is in zijn soort. Het is een obelisk van wel 15 M. hoogte op een voetstuk, welks zijden niet meer dan 1.50 M. breed zijn. Twee lijsten verdeelen het in drie verdiepingen, waarvan de hoogste in een kapiteel uitloopt. In de verte denkt men aan een naald. Alle opschriften leeren ons, dat de daar begraven personen Numidiërs waren.

Uit die doodensteden kan men nog meer leeren, en wel feiten, die we niet zouden hebben verwacht. Ze staan duidelijk te lezen op de middenlijsten en de basreliëfs, waar de bijzonderheden van het huiselijk leven uit dien tijd, dat is uit de vierde of vijfde eeuw, zijn voorgesteld. Ik heb er afdrukken gemaakt van tooneelen, die even merkwaardig als amusant waren. Men ziet er o.a. vrouwen, die haar kinderen zoogen of voor den haard de spijzen bereiden; krijgslieden, die met zonderlinge wapens strijd voeren; jagers, die leeuwen vervolgen en gazellen en giraffen. Al die personages zijn gekleed in costumes, waarvan zelfs de herinnering is verloren gegaan.

De kameel, voor den ploeg gespannen, komt zeer dikwijls terug. Bekend is het, dat de archaeologie zich nog niet had uitgesproken over den tijd, waarop de kameel in Afrika werd ingevoerd. Men nam algemeen aan, dat het dier uit Arabië afkomstig was. De onlangs plaats gehad hebbende opgravingen in Tunis hebben bewezen, dat het schip der woestijn reeds zijn diensten bewees in den romeinschen tijd aan den oever der Middellandsche Zee. Maar men had nog geen zekerheid over zijn voorkomen in het binnenland; daar had men de aanwezigheid nog niet vastgesteld. Ghirza zegt, dat het nuttige beest er zes eeuwen vóór de komst der Mohammedanen al bestond en dat het niet alleen, als tegenwoordig, voor het bereizen van de woestijn werd gebruikt, maar ook bij den landbouw zijn werk verrichtte.

Het fokken van een sierlijk paardenras hield eveneens de bewoners van Ghirza bezig, die aan wedrennen deden, niet met het leelijke, lompe berbersche paard, maar met een slank en lenig dier, dat aan de mooiste syrische paarden herinnert. Waarschijnlijk had men den struisvogel nog niet getemd, zooals tegenwoordig in Soedan en aan de Kaap; maar men hield zich bezig met de jacht op den struis, stellig reeds om van de veêren gebruik te maken. Ik vermoed zelfs, dat de stierengevechten niet onbekend waren, want op de kroonlijsten staan mannen afgebeeld, die met stieren worstelen.

Enkele medaillons stellen personen voor, behangen met edelgesteenten en sieraden, waardoor men aan groote plechtigheden of feesten wordt herinnerd.

Men staat versteld over het onderscheid tusschen het verleden dezer stad en den tegenwoordigen uitgestorven toestand rondom die ruïnen. De tooneelen uit bakkerijen, wijngaarden, oogstfeesten, die op de steenen zijn gebeeldhouwd, zeggen met groote duidelijkheid, dat korenvelden, wijngaarden en vruchtenboomen den nu dorren en kalen bodem vroeger hebben bedekt. Buiten enkele Johannesbroodboomen in de wadi Ghirza, ziet men nu geen sprietje boven den zandigen, steenachtigen grond uitkomen. Dus nog eens, wat kan die geheimzinnige stad geweest zijn?


Goochelaar bij de Berbers.

Ik had daar op die plek een paar zware oogenblikken [398] in mijn leven.... Toen we ons gereed maakten, de eerste photografieën te maken, weigerden de drie toestellen, die te veel geschud hadden op de ruggen der kameelen, den dienst. Zoo zouden wij dan beroofd worden van de kostbaarste documenten der geheele reis! Bij geluk kon Pepino, de vernuftige Pepino, de instrumenten herstellen en avond op avond ontwikkelden wij met levendige voldoening de uitstekendste cliché’s.

Ik was eerst voornemens, langs de kust naar Tripolis terug te keeren en wel achter de oude lagune van Taorgha, maar de bewoners van Sadé, die den weg kennen, hebben er nooit iets bijzonders van de dingen, die ons interesseeren, gezien, terwijl we, als we over Misrata gaan door Nefed en Merdoem, nog meer “zeer groote en zeer schoone” graven zullen ontmoeten.

Onder het geleide van den kaïd rijden we dus naar de wadi Nefed, die we bereiken bij de monding van haar zijtak, de wadi Ahmed. De Nefed heeft zich in deze buurt een zeer diepe bedding uitgeschuurd in het plateau. De oevers zijn zoo steil en zoo volkomen evenwijdig aan elkander, dat ze doen denken aan de gevels van een reuzenstraat.

Al de oude plaatsen, waarvan wij de overblijfselen hebben gezien, lagen op de hoogte een eind van den den rand der kloven, om geen last te hebben van den plotselingen was van het water. De stad van de Ahmed lag op vijf of zes meter van den rand slechts. Ik kon mij die anomalie, ik zou zelfs zeggen die zorgeloosheid, niet verklaren, want dit was niet een dorpje, ’t welk maar voorloopig werd gebouwd, maar een voor vast bestaand middelpunt, dat nu door zijn ligging aan plotselinge overstroomingen blootstond. Een graf in den vorm van een obelisk, minder hoog en minder weelderig dan dat van Ghirza, stond boven op een rots. Aan den anderen oever van de Nefed zag men dergelijke sporen der romeinsche beschaving in overvloed. Zij kwamen voor langs de geheele wadi tot aan de zee. De mooiste zijn die van Lakadië.

Onze kaïd verliet ons te Merdoem. Wij werden toen meteen den ouden Hammer kwijt, dien ik zijn congé gaf. Dat lastige personage had mij bij verschillende gelegenheden doen twijfelen aan zijn eerlijkheid en betrouwbaarheid. Te Orfella had hij ... verloren, dat wil zeggen, gestolen mijn degenstok dien ik nuttig oordeelde in een land, waar het goed is, altijd gewapend te wezen, zonder dat het steeds noodig is, dat ieder dat ziet. Te Tala had hij er schuld aan gehad, dat we verdwaalden, door vol te houden wat hij bleek niet te weten. Dienzelfden avond eindelijk had hij de nachtwake op zich genomen, die nooit verzuimd mag worden om de vele gevaarlijke zwervers. Toen ik wakker werd, vond ik hem niet in het kamp, en niemand stond in zijn plaats op schildwacht. Ik liet dadelijk allen opstaan. Hammer kwam bij het krieken van den dag terug, en nooit ben ik gewaar geworden, waar hij vandaan kwam. Ik betaalde hem zijn loon en met zijn zoon er bij verdween hij.

Hieruit blijkt nog eens voor de zooveelste maal, dat men nooit vertrouwen moet stellen in een Arabier, zelfs niet in den besten. Dit was er nu een die gedurende twintig jaren bediende geweest was van den engelschen consul en meeging op diens jachtpartijen; die mij op de geheele reis van 1901 had vergezeld; dien ik altijd als vriend had behandeld, en wien ik alles gaf waar hij om vroeg. Zonder eenige reden, misschien maar zoo door een herleving van den haat tegen de Christenen, verbittert hij willekeurig ons leven. Ik kan niet laten, de schouders op te halen, als ik fantazeerende critici hoor zeggen: “Wij weten niet om te gaan met de Arabieren”. Men kan de Arabieren niet winnen; ze verachten ons, omdat wij Roemi’s zijn. Behandel ze streng, ze zullen gehoorzamen, maar om later wraak te nemen. Behandel ze met zachtheid en ze zullen gelooven, dat ge bang voor hen zijt, en ge zult niets er bij winnen, noch iets van hen gedaan krijgen. Met strengheid komt men nog het verst.

Tusschen Merdoem en Misrata is de weg zeer goed; men passeert vlakten, waarin de Mimoevan Misrata, de Sassoe en haar zijtak, de Aoegeran mooie, groene linten trekken en waar veel kampen en groote kudden zijn.

De bevolking is er bij uitzondering zachtzinnig en gastvrij. Elken avond bracht ze mijn lieden een grooten schotel bazine in een zeer gekruide saus, die voor een europeesch verhemelte niet te verdragen is.

De notabelen hurkten neer bij den ingang van mijn tent en zaten er uren lang. Daar ieder Roemi in de oogen van de Afrikanen een dokter is, brachten ze hun zieken naar mij toe, en mijn apotheekje werd onder hun handen ledig. Een van hen dreef de naïveteit zoo ver, dat hij mij naar het geheim vroeg, om mannelijke kinderen te krijgen, de eenige die meetellen in de mohammedaansche wereld. Een ander vertrouwde mij een middel toe, om oogenblikkelijk de hevigste kiespijn te genezen, door namelijk op de pijnlijke plek een weinig water te brengen, dat lauw was gemaakt door een gloeienden vuursteen.

Enkele van die notabelen bezaten Le-Grasgeweren. Die hadden ze gekocht van smokkelaars, wier voorraad afkomstig was uit Griekenland, waarheen ons ministerie van oorlog zijn oude geweren kwijt wordt. Maar die geweren dienen niet anders dan voor de pronk, omdat ieder patroon ongeveer drie francs kost, een enorme som voor dat land.

Onze laatste dagreis, om te Misrata te komen, had zeventien uren geduurd. Het was middernacht, toen we eindelijk de stad binnenreden bij maneschijn, na twee uur een kronkelenden weg onder palmen te hebben gevolgd. Daar ze van onze komst verwittigd waren, wachtten ons de turksche ambtenaren met een flink maal. Een glas frisch water en een sigaret, waarvan we lang gespeend waren geworden, doen mij een genoegen, als niets anders mij had kunnen verschaffen. En welk een vreugd, een bed met witte lakens te vinden! Mijn kamer was het zonderlingste museum, dat men bedenken kan. De Arabier, wien zij toebehoort, heeft er alle europeesche voorwerpen bijeengebracht, die hij te Tripolis had kunnen vinden, muziekdoozen, lampen, phonografen, stereoscopen lagen op de meubels met braadpannen, komforen, en laarzen. De dientafeltjes en kastjes waren overdekt met gekleurde prenten, ontleend aan het Petit Journal en modeplaten. Aan de wanden hingen decoraties tegenover risten schoenen. Het was een allercurieuste kamer en ze werd dan ook bewaard voor vreemdelingen [399] van beteekenis. De eigenaar zelf houdt er nooit verblijf.

Ik gebruikte er mijn maaltijden met den kaïmakan, een jongen turkschen ambtenaar, die goed Fransch sprak. Wij dronken abominabele champagne, die in Duitschland gemaakt was en naar Afrika was geëxpediëerd met de beste fransche namen.

De hoofdplaats Misrata ligt ongelukkig niet aan zee, dus geniet zij niet of weinig van de booten der italiaansche maatschappij, welke de naburige havens aandoen. De oase, waar de plaats het middelpunt van is, heeft een lengte en breedte van ongeveer tien K.M. en wordt bewoond door zoowat 30.000 inwoners, die voorraden haver in silo’s opstapelt en zich verder bezighoudt met het vervaardigen van zeer gewaardeerde wollen tapijten. Volgens Barth zou de stad het oude Thebunte zijn van de reis van Antoninus.

Naar het zeggen van den arabischen schrijver Marmol dreef men er in de Middeleeuwen een levendigen handel met christelijke zeevaarders, voor wie de bewoners de tusschenpersonen waren met de negers uit den Soedan. De Venetianen kwamen er een kostbare soort wol halen en men sprak van de Misrataolie zooals nu van Genuaolie. Venetië verkreeg ook haar muskus, ivoor, struisvogelveêren van de karavanen en verkocht er glaswaren. Te Misrata voorzagen zich de marokkaansche en algerijnsche pelgrims naar Mekka van paarden, die ook naar Alexandrië werden uitgevoerd. Tegenwoordig bepaalt zich de markt bijna alleen tot de dingen van plaatselijk gebruik en tot wat de karavanen noodig hebben tusschen Tripolis en Benghazi. Een dezer karavanen komt elken Vrijdag en neemt stoffen van gestreepte wol mee, die Margoem heeten en in het vilayet worden gebruikt.

De meeste kooplieden zijn joden; enkelen zijn Franschen, omdat ze uit Algerië of Tunis afkomstig zijn. De arabische reiziger Hasjaïsji beweert, dat er geen veiligheid van personen en goederen is, maar wij hebben ons hier over niets te beklagen gehad. Zlitten, vijftig K.M. verder westelijk, ligt in een groote oase; de bevolking is er zeer vechtlustig en vlug met het mes, wat de joden dikwijls tot hun nadeel ondervinden.

Van Zlitten bracht een marsch van drie dagreizen ons te Tripolis terug. Het was hoog tijd, want mijn personeel en de dieren konden niet meer, en de duur van de reis was langer geworden dan ik had verwacht.

In April 1904 begaf ik mij met een nieuwe karavaan weer op weg. Moeni, een Israëliet, ging met ons mee; hij was photograaf van professie. De moesjir van Kasr Karaboeli gaf mij vijf ruiters tot geleide, onder bevel van den turkschen luitenant Mehemet Ali.

Mijn reisplan, dat opgemaakt was met den wensch voor oogen, zooveel mogelijk datgene te zien, dat ons in 1901 en 1903 was ontgaan, bracht ons eerst naar de wadi Lebda, de droge bedding, die van den Tarhoena komt en oudtijds de binnenhaven van Leptis Magna voedde. Wij volgden de kloof, en we vonden telkens sporen van verdwenen welvaart.

Te Hamoet was onze eerste halt op een eenzamen heuvel met een zeer vervallen kasteel erop. De zorgeloosheid der Arabieren op het punt der hygiëne bleek er door den afschuwelijken stank, dien het lijk van een hond verspreidde, zonder dat de Arabieren het uit de nabijheid van hun kamp verwijderden.

Msellata, waar we nog denzelfden avond aankwamen, is het voornaamste middelpunt in die buurt en onderscheidt zich door zijn vruchtbaarheid en door de steenen huizen.

Gedurende ons trekken door de heuvels van Msellata ontmoetten we telkens kudden schapen en geiten. Het was een mooi ras, en deze schapen voorzien dan ook ten deele in de behoeften van de slagerijen van Malta, Soessa en Sfax. Ze worden gemiddeld voor 12 francs verkocht op de markten van Tripolis, van waar ze tot zelfs naar Engeland worden verzonden.

Ten zuidwesten van Msellata verdwijnen de boomen geheel, we ontmoeten nog slechts hier en daar een nomadenkamp, in de zandvlakte verloren of te midden van een alfagraswoestijn. Het alfa is hier zeer algemeen.

Te Kasr Tarhoena hervond ik den uitstekenden Ahmed Bey, die mij het vorige jaar in Aboe Adjelat had ontvangen. Hij was nu kaïmakan van dit plateau en hield verblijf in een der primitieve fondoeks. De kaïmakan had juist een nieuwe vrouw aan zijn harem toegevoegd; ze was den vorigen dag aangekomen op een kameel in een prachtigen palankijn, waarvan de gordijnen zorgvuldig gesloten waren. Wij konden het schoone getimmerte met de weelderige behangsels en het fraaie schilderwerk bewonderen, want de kameel wandelde op de esplanade rond met het geheele toestel op den rug.

Er werd gefluisterd, dat de jonge vrouw zeer schoon was. De eerste echtgenoote moet veel tranen hebben vergoten, toen zij hoorde van de andere. Maar zij zal zich nog wel eens aan iets dergelijks stooten, want de man is nog zeer jong, en de Arabieren vullen hun gezinnen meer dan eens op deze wijze aan. Wie door den heer niet weggestuurd wordt, mag zich al gelukkig rekenen.

Het diepe dal van de Rhane scheidt Tarhoena van Cariana. Langs steile kloven gingen wij erheen en troffen daar de eerste troglodytenwoningen.

De bevolking van Gariana is arabisch en bestaat uit vier stammen; allen hebben woningen onder den grond. Het land is er vruchtbaar en brengt veel koren voort; enkele dalen zijn bedekt met prachtige olijven, zoo forsch, dat hun takken elkaâr raken en over heele afstanden schaduw geven. Er bestaat in geheel Tripolitanië geen zoo frisch en groen land.

Ten zuiden van Gariana ontmoette ik veel karavaanleiders, die na drie jaren van afwezigheid uit Soedan terugkeerden. Zij waren vol lof voor de Franschen en schenen de beste herinneringen te hebben behouden aan de fransche troepen, die de karavanen tusschen Zinder en Aïr begeleiden.

Van Gariana sloegen we de richting naar Misda in Tahar in, dat midden in de Soff ed Dinn is gelegen. Te Koeleba, waar wij juist onze tenten zouden opslaan, kwam een man op ons toeloopen, een arabisch koopman uit Tripolis, die een groot vriend van onzen officier was. Hij was rijk en was erop gesteld, om ons ten zijnent te ontvangen. Hij drong zoo aan, dat wij er wel in moesten toestemmen ondanks onzen afkeer van de woningen der inboorlingen, waar de rust altijd door legers van ongedierte wordt verstoord. Een grot, die veel te klein was voor ons allen, kon ons voor den nacht [400] worden aangeboden en wij waren blij toen de morgen aanbrak.

Op den weg naar Misda deed ik een uitstapje met Mehemet Ali in oostelijke richting, om de ruïnen van El Edjab te zien, die wij zonder moeite vonden. Er was nog een reusachtig mausoleum te midden van veel puinhoopen; maar we konden geen enkel fragment vinden van de standbeelden, die in de nissen moesten hebben gestaan en ook geen enkele aanwijzing in een opschrift. Te Tesjé voegden wij ons weer bij de anderen en spraken daar met het hoofd Salem el Soehlé, die zich erover beklaagde, dat de handel zich zoo langzaam herstelde van den slag, hem door Rabah toegebracht door de verwoestingen, die hij aanrichtte in den Soedan, en die den doorvoerhandel hebben geknakt.

Van de drie uitvoerartikelen zijn twee hem geheel ontgaan, namelijk de struisvogelveêren en het ivoor. Hij voert nu nog gelooide huiden uit, waarvan er vele naar de Vereenigde Staten gaan. De veêren worden haast niet meer verhandeld op de markt te Parijs, omdat men de voorkeur geeft aan die van de Kaap boven die uit Tripolis, en het ivoor, dat veelal uit Wadaï werd aangevoerd, gaat, sedert de spoorweg naar Khartoem klaar is, den Nijl af naar Alexandrië in plaats van met karavanen naar Tripolis en Bengazi.


Chemsa-moskee in het Garianadal.

Misda, waar we tegen den avond aankwamen, is arabisch en ligt in de Soff ed Dinn. Ook die plaats heeft in den laatsten tijd geleden door de verplaatsing van den handelsweg. Het ligt, waar de wegen naar Fezzan en Rhadames samenkomen; maar tegenwoordig gaan de karavanen van Tripolis naar Fezzan over Orfella en die van Tripolis naar Rhadames over Djado. Zoo is Misda een verlaten plaats geworden en de menschen leden er blijkbaar gebrek. Wij hielpen hen nog aan eenige voedingsmiddelen, want het jaar was zeer droog geweest en de ellende was groot.

De secte der Senoessi’s heeft veel invloed in het gebied om Misda, en al gehoorzaamt men er voor het uitwendige aan de turksche ambtenaren, in hun hart is de gehoorzaamheid aan de “broeders”.

Een dag nadat we Misda achter ons hadden gelaten, kwam een bode uit die plaats ons waarschuwen, dat de weg niet veilig was, want dat er Toearegs op roof uit waren. Het zijn lastige roovers, die het vooral op fransche karavanen voorzien hebben, sinds velen der hunnen uit de fransche Sahara verwijderd zijn. Mehemet Ali dacht er over, om te keeren, maar ik besloot goed wacht te laten houden en het ergste af te wachten. De Toearegs vertoonden zich niet, en wij zetten over Kedoea onzen tocht naar Tripolis voort.

Daar aangekomen, konden wij met voldoening op de reis terugzien, die ons veel merkwaardigs had geleerd en ons had doen zien, dat de landbouwkolonies der Romeinen op juist dezelfde plekken waren aangelegd als waar nu nog bouwland is. Waterleidingen, stuwdammen, putten, steden, dorpen en versterkte vestingen toonen aan, hoe belangrijk de romeinsche kolonie er was, en hoe de latere bezetting door de Arabieren aan een periode van bloei een eind heeft gemaakt. Indien ooit de vervallen plaatsen weer tot bloei zullen komen, moet het zijn zonder de luie en onverschillige Arabieren, maar met andere kolonisten, hetzij met blanken of met negers.

No comments:

Post a Comment