Monday, March 5, 2012

De Aarde en haar Volken, Jaargang 1906 - Full Text (In Oostenrijk - Stiermarken)

In Oostenrijk.—Stiermarken.

Naar het Fransch van Edme Vielliard.


Het witte kerkje Maria Trost bij Gratz.

I.

De Neumarktpas.—De Minnesänger.—Het Murdal.—Gratz en zijn omstreken.—Geschiedenis van Stiermarken.—Stiermarken een Slavonisch land.—De stiermarkensche bergbewoner.

Waarde medereizigers. Wij zullen Stiermarken binnengaan langs den weg, dien in 1797 het roemvol fransch leger volgde, nadat het lauweren geoogst had in den schitterenden italiaanschen veldtocht. Nadat Bonaparte zonder resultaat aan aartshertog Karel den “philosofischen” brief had geschreven, waarin hij den vrede aanbood op grond van zachtmoedige en menschlievende overwegingen, nam hij het besluit, dieper het bergland der Alpen binnen te dringen en den marsch naar Weenen voort te zetten met zijn klein, uit Italië meegebracht leger, dat nauwelijks 40.000 man telde. De stoutmoedige onderneming werd, zooals bekend is, met succes bekroond, en na de bezetting van den Neumarktpas en het verwoede gevecht van Unzmarkt werden de vredespreliminairen te Leoben geteekend.

Die Neumarktpas, een diepe insnijding in den hier slechts 890 meter hoogen kam der Centraal-Alpen, die als een onderstreping zijn getrokken ten zuiden van het langgerekte dal der Mur, is ten allen tijde een der meest gezochte overgangen geweest, dien de veroveraars en ook de kooplieden volgden. Langs die route zijn waarschijnlijk de Kimbren in Italië binnengedrongen in het jaar 118 vóór onze jaartelling, toen zij, als het ware, een voorspel leverden van de latere invallen der barbaren, waardoor later een eind zou worden gemaakt aan de macht van het romeinsche rijk.

Daarover liep de romeinsche weg van Aquilegia naar Ovilava, dat nu Wels is, en in de Middeleeuwen, voordat de handel onder Karel den Zesde den weg van Triëst en Gratz insloeg was het de drukst gevolgde weg tusschen Weenen en Venetië. De aanleg van de nieuwe spoorweglijn van Venetië naar Weenen over Pontebba heeft aan dezen overgang zijn oude belangrijkheid teruggegeven.

Naar den kant van Karinthië werd de pas verdedigd door de vesting Friesach, waar men nu nog op schilderachtige rotsen overblijfselen van vroeger dreigende muren kan vinden. Meer vooraan in den naar Stiermarken leidenden pas ligt het kasteel Dürrenstein, waarvan niets dan een oude vierkante toren over is, reeds aan den overkant der grens. Bosschen en weiden liggen op verschillende hoogten langs den [354] weg door de schilderachtige kloof en vormen er allerlei tinten van groen, waar slechts enkele pannen daken andere kleuren tusschen leggen.

Hier worden wij door het lachende, groene Stiermarken ontvangen, bekleed met het vriendelijk plantenkleed, en wij houden er onzen intocht te midden van een uitgezocht frisch landschap. Het is een veel aangenamer streek, dan men aan de karinthische zijde vindt. Zelfs de burchten, die de wegen bewaken, zien er gemoedelijk uit en hebben alle pretensie afgelegd.

Natuurlijk kon het niet missen, of zulk een liefelijke streek werd gekozen als plaats van vestiging voor een van de vele kloosters, die de Alpen als hebben gekolonizeerd, en inderdaad verrijst in een verborgen dal in de omstreken het Sint Lambrechtsklooster, in 1103 gesticht door hertog Hendrik van Karinthië, wiens land in de Middeleeuwen een schitterend middelpunt van letterkunde en beschaving was. Achter het spoorwegstation, dat uit de verte het klooster bedient, daalt de weg in een diepe kloof, waardoor de lijn het dal der Mur bereikt. Dit dal is het grootste der beide hoofdverkeersaderen van Boven Stiermarken; de tweede, ermee evenwijdig, maar meer naar het Noorden gelegen, is het dal der Enns.

Men kan er nog kennis maken met oude gewoonten, en een der origineelste is de Austragung der Freiung, een feest, dat in October te Nieder-Wölz gevierd wordt. Er wordt dan aan een met bloemen versierden stok in een plechtige processie een arm rondgeleid, met een zwaard in de hand, symbool van rechtszekerheid; vóór den stoet uit gaan de muzikanten, voorafgegaan door een straatveger. Na verschillende halten, waarbij er in winkels en hotels hartsterkingen worden gebruikt, wordt de Freiung op de hoofdmarkt opgesteld, terwijl er de wacht bij wordt gehouden, want indien het iemand gelukte, het symbool door geweld of list te stelen, zouden de dorpsrechten alleen door dat feit aan de overweldigers ten deel vallen.

De herinneringen aan de Middeleeuwen zijn in deze streken overvloedig. Unzmarkt bezit de hoog gelegen ruïnen van den Frauenburg, de oude woonplaats van den Minnesänger Ulrich von Lichtenstein. In de Oostenrijksche Alpen hebben verscheiden dier ridderlijke dichters geleefd of ze zijn er geboren, zooals met een der beroemdste het geval was, namelijk met Walter von der Vogelweide, die niet enkel de liefde heeft bezongen, maar zich ook heeft laten meesleepen door de politieke hartstochten van zijn tijd; dan Oswald von Wolkenstein, dien men den laatsten Minnesänger heeft genoemd, en nog anderen.

Hij, die in Frankrijk het meest bekend is geworden, Tannhäuser was, naar men meent, geboortig uit het hooge dal der Mur. Wat Ulrich von Lichtenstein aangaat, die omstreeks 1275 gestorven moet zijn, het naar hem genoemde slot, welks ruïnen wij hier vóór ons hebben, draagt terecht den naam van den Damesburcht. Hij was een vurig vereerder van de schoone sekse. Op zijn portret, waar hij te paard is voorgesteld, en dat in een oud handschrift is bewaard, staat op zijn helm een vrouwenbuste met een pijl in de hand. Zijn werk, dat in een gelikten stijl is vervat, is vooral bekend door “De dienst der vrouwen” en het “Damesboek”. Doch hij is tevens bekend geworden door zijn stoutmoedig paardrijden en hij mengde zich in de politiek. Van hoogverraad beschuldigd, werd hij lang gevangen gehouden door koning Ottokar van Boheme, die op Stiermarken aanspraken meende te kunnen doen gelden en ten slotte zijn wenschen met succes bekroond zag.

Leoben, de oude ijzerstad, waar de gesloten huizen van rijkdom getuigen, en dat te midden van een bekoorlijk landschap ligt, roept een minder ver verwijderd verleden in de herinnering terug. Daar teekende in de Eggenwaldtuinen keizer Napoleon de vredespreliminaire van Campo Formio. De voorbereidende besprekingen hadden plaats gehad in het klooster van Göss, op een half uur afstands ten zuiden van Leoben. Het was een klooster voor adellijke dames, gesticht in 1002; de abdissen van het klooster zaten in den stiermarkschen landdag en stemden mee van de bank der prelaten.

Het landschap, dat, het moet erkend, tot hier geen grootsch karakter had bezeten, wordt indrukwekkend, als men nader bij Bruck komt. Bruck aan de Mur heeft een krijgshaftig voorkomen met de rots, waarboven de hier en daar doorschoten muren van de vesting Landskron uitsteken. Het is de sleutel tot Midden-Stiermarken, en het fort werd op het eind der dertiende eeuw met succes verdedigd tegen de Salzburgers en de Beierschen, die door den oproerigen adel te hulp geroepen waren tegen hertog Albert den Eerste. Ook was de plaats in de Middeleeuwen een belangrijke handelsstad op den weg van Weenen naar Venetië, en de bouwtrant van een der huizen, waaraan een venetiaansche loggia is aangebracht, toont duidelijk den artistieken invloed van de stad der lagunen.

Te Bruck overleed in 1424 hertog Ernst der Eiserne, de ijzeren hertog, wiens tweede vrouw Cimburge, dochter van den vorst van Masovië (een deel van het tegenwoordige Polen), niet minder van ijzer was dan haar man. Zij kon een hoefijzer met haar blanke handen in tweeën breken, en door een duw met haar schouder een zwaar beladen wagen in beweging brengen. Zulk een sterke vrouw was waard, de stammoeder te worden van den tak der Habsburgers, die opnieuw in de handen van haar kleinzoon Maximiliaan de verspreide bezittingen van het geslacht vereenigde, en tevens tot achterkleinzoon te hebben dien Filips den Schoone, over wiens reusachtig rijk de zon nooit onderging.

Te Bruck wendt zich de Mur, die, van het Zuidwesten naar het Noordoosten stroomend, een aan de Alpen evenwijdige richting volgde, plotseling naar het Zuiden en gaat door een smalle kloof, aan welker uiteinde zich opeens een wijde vlakte voordoet, de “baai” van Gratz. Dat ruime landestuarium breidt aan den rand van het bergland zijn bekoorlijk groen tapijt uit, waarop aardige, witte gebouwen afwisseling brengen en de voorsteden van een stad van beteekenis laten vermoeden.

Gratz is de voornaamste stad op de zuidhelling der Alpen in Oostenrijk; ook is het de laatste uitlooper van het germaansche element in deze streken. Naast deze plaats slaan al hoog de golven van de [355] zee der slavische stammen, die in Karinthië en Krain de meerderheid vormen en die oudtijds zich verspreidden tot op den drempel van Toblach in het Pusterthal, zooals uit de namen van allerlei plaatsen blijkt. Ten tijde van de kolonizeering der Alpen door de Beierschen is het terugdringen van die stammen begonnen en de slavische bevolking heeft eerst weer stand gehouden even vóór Gratz, welke stad uit het Slavisch den naam van haar vesting, Grad, heeft behouden. Toen de stad heroverd was, nam ze den naam van Bairisch-Gratz aan in tegenstelling van Windisch-Gratz, dat is Slavisch-Gratz, een stadje dicht bij de Drave.

De met bosschen bedekte heuvel bij die vesting, die als een eiland uit de vlakte verrijst, en zich wel honderd meter boven de stad verheft, is een sprekend uithangbord voor de stad. Hij zag er vrijwat indrukwekkender uit, toen hij nog de torens en bastions droeg, waar oude gravures de glorie van hebben bewaard en die door de Franschen in 1809 zijn geslecht. De kanonnen, die in de open lucht dicht bij het restaurant hun lange monden rekken, en die wij te zien krijgen, nadat de kabelspoorweg ons boven heeft gebracht, hebben alleen vreedzame bedoelingen, en de schitterende officier, die zijn paard mooie kunstjes laat verrichten in de buurt, geeft slechts bevelen voor de salvo’s van den volgenden dag, den verjaardag van den keizer. Op den feestavond vooraf zagen wij door het donkere dal een fakkeloptocht langzaam retireeren, en terwijl de lichtende punten weken, klonk de verzwakte nagalm der muziek tot ons op.


Kaart van Stiermarken.

Toch heeft de Schlossberg nog wel iets karakteristieks, als men er van het voornaamste plein naar opziet, en dat wel dank zij den klokketoren met de reuzenwijzerplaat, het spitse dak met een houten galerij eromheen en de overblijfselen van de bastions, waar nu bloemperken zijn aangelegd. Op den top staat nog een ander monument, dat aan de stelselmatige verwoesting is ontkomen, ook een toren in renaissancestijl, door de inwoners teruggekocht na de algemeene vernieling. De hellingen van den berg, die voorheen terugstootend waren, zijn thans met groen bekleed door het initiatief van baron Welden, en de idylle is nu heerscheres op het pantser van het ontwapende monster.

Er zingen heele koloniën van vogels, naar het heet wel 26 soorten, die door de goede zorgen van den Bund der Vogelfreunde getracteerd worden op maaltijden van lekkere zaden, voorgediend in kleine houten huisjes, een soort van open kooien, die hier en daar op palen zijn neergezet. Dichterfiguren lachen u uit de boschjes tegen, een buste van Schiller bijvoorbeeld, van Anastasius Grün of wel graaf Auersperg, en Rosegger’s heldin de Woudlelie leidt er onder het groen haar lievelingshinde.

Een klein terras ten zuidoosten van den Schlossberg vertoont rondom een onregelmatig pleintje drie der oudste gebouwen van Gratz, den Burcht, den Dom en de oude Universiteit, gezag, godsdienst en wetenschap. Er is niets overgebleven van de gebouwen die tot den vroegeren burcht behoorden en dagteekenen uit het eind der elfde eeuw, toen de markgraven van Traungau het slot bouwden. Zij waren de grondleggers van de eerste eigenlijke stiermarksche dynastie. Dit gedeelte van het romeinsche Noricum, dat na den val van het romeinsche rijk een tijd lang een slavisch koninkrijk was, werd een mark of grensprovincie van het rijk van Karel den Groote, toen deze de Avaren had onderworpen.

Karinthië, de mark der Karantanen, een slavischen stam, had ten doel, Germanië te beschermen tegen invallen der Magyaren, die door keizer Otto den Eerste afdoend teruggeslagen werden in den slag aan de Lech in 955. Wat later verschenen de markgraven van Traungau, die aan het land den naam van Stiermarken gaven, Steiermark, naar de stad Steir of Steyer in Boven-Oostenrijk, waar zij de heeren van waren. Frederik Barbarossa verhief Stiermarken tot den rang van hertogdom; maar toen het huis Traungau uitgestorven was, werd Stiermarken bij Oostenrijk ingelijfd als de Ostmark, later Oostenrijk onder de dynastie van Babenberg, en zoo ontstond in de moedervloeistof der historie de eerste kern van die kristallisatie, die de oostenrijksche monarchie zou opleveren. Die kristallisatie zou nog heel wat troebelingen moeten doormaken.

Het huis Babenberg stierf op zijn beurt uit, en toen volgde de tijd van het groote interregnum. Hongaren en Bohemers betwistten elkander Stiermarken. De koning van Boheme droeg de zege weg in den slag van Kessenbrunn in 1260, en men zag er de banier van Stiermarken wapperen, “groen als de kleur des velds, waar als levend een witte panther op voortijlt”. De heerschappij der Tsjechen breidde zich toen uit van Boheme tot de Adriatische Zee.

Op dat oogenblik viel de beslissing, welke der drie rassen in Midden-Europa het overheerschende zou zijn, het slavische, het duitsche of het magyaarsche. Rudolf van Habsburg besliste de quaestie ten [356] voordeele van de Duitschers, toen hij koning Ottokar in 1278 bij Bürrenkraut versloeg. De slavische macht stort ineen, en de overwinnaar gaf Oostenrijk aan zijn zoon Albert, die hem opvolgde. Zij waren daarna gedurende meer dan een eeuw van den keizerstroon uitgesloten, maar hun afstammelingen herwonnen dien weer in 1438, om er bijna niet weer van te worden verdreven. Gratz werd een keizerlijke hoofdstad onder Frederik III (Frederik V van Stiermarken), die in 1608 er geboren was; hij was de laatste keizer, die zich te Rome liet kronen, de meester en beschermer van Aeneas Sylvius, die Paus werd onder den naam van Pius II.

Het slot heeft uit dien ver verleden tijd niets anders overgehouden dan een wenteltrap van 1500; van de restauratie, door Maximiliaan I begonnen en eerst na zijn dood voltooid, in 1523, is niets over dan een bronzen gedenkplaat. De afbraak in 1854 van een vleugel, aan Frederik III toegeschreven, die met instorting dreigde, heeft een monumentale trap doen verdwijnen, in 1570 door een italiaanschen architect gebouwd, zoodat het slot, waar nu kantoren van de administratie zijn gevestigd, geen andere belangrijkheid aanbiedt, dan dat het de herinneringen oproept, die wij juist hebben gememoreerd, en die wij willen besluiten door de toevoeging, dat Stiermarken zijn autonome regeering verloor onder Jozef den Tweede, die den hertogshoed naar Weenen liet overbrengen. Die hoed was toen allang niet anders dan een embleem, en de Staten waren het laatst in 1728 samengekomen.


Bij den Semmering. De Kalte Rinne.

De oude, in 1586 gestichte universiteit, die eertijds onder het bestuur der Jezuïeten stond, is onlangs verlaten geworden, en men heeft de inrichting naar moderner gebouwen overgebracht, die in een andere wijk der stad opgericht waren.

Het uitwendige van den Dom, die onder Frederik den Derde gebouwd is, heeft niets aantrekkelijks. Een oude frescoschildering, die veel geleden heeft onder de ongunst van het weder en boven een der poorten is aangebracht, verhoogt volstrekt niet het vroolijk aanzien van het gebouw, want zij schildert de plagen, die in 1480 de stad teisterden, zooals de pest, de turksche horden, de sprinkhanen en dergelijke. Het inwendige van het gebouw, dat gewit is, en alleen wat afwisseling vertoont doordat er om de pilaren een nabootsing van tapijten is aangebracht, is streng gehouden, en alleen de gekruiste balken van de zoldering geven een idee van sierlijkheid. Op dit eenvoudige gothische bouwwerk heeft men aanhangsels in rococo-stijl geplakt, en zoo zijn de preekstoel, de gangen en het altaar toonbeelden van wansmaak geworden als voor een kermistheater.

De mooie ijzeren hekken van de kapellen zijn veel beter; dat ijzerwerk is een succes van de echte stiermarksche kunst. Aan elken kant van het koor, dat smaller is dan het schip der kerk, volgens een in die streken veel gevolgde gewoonte, staan twee groote reliekenkasten van Italiaansch maaksel, die allegorieën voorstellen uit de “Trionfi” van Petrarca, van ivoor gemaakt op ebbenhouten grond. Behalve op het groote altaar, dat beschilderd is door Ignatius Flurer, is het inlandsche schilderwerk alleen door italiaansche kunstenaars behoorlijk vertegenwoordigd. Zij werden op het eind der zestiende eeuw in het land geroepen door aartshertog Karel den Tweede en later door diens weduwe, om bij gebrek aan inlandsche kunstenaars de kerk te versieren. Het [357] waren Giulio Licinio, leerling en neef van Pordenone, en Peter de Pomis, waarschijnlijk een leerling van Tintoretto.


De Schlossberg bij Gratz.

Indien de barokstijl zich ertoe heeft bepaald, op de strenge lijnen van den gothischen dom wat versieringen aan te brengen, hij heeft zich vrij kunnen laten gaan in het naburige monument, dat den naam draagt van het Mausoleum. Dit is een werk van Peter de Pomis, dien we als schilder hebben genoemd, maar die, zooals veel kunstenaars uit dien tijd, ook bouwmeester was en zelfs militair ingenieur. Het Mausoleum is een klein gebouw in den vorm van een latijnsch kruis, met koperen koepels erop; de jonische gevel, die aardig versierd is, vertoont goede proporties, maar die schuil gaan onder een verwarrende menigte driehoekige en ronde frontons. Het inwendige, waar men fijn stucwerk kan bewonderen, bevat in een onderaardsche kapel het graf van keizer Ferdinand den Tweede van Stiermarken, den leerling van de Jezuïeten van Ingolstadt, die in de geschiedenis van zijn land bekend is, omdat hij er radikaal de hervorming uit heeft verdreven, wat hem echter niet zeer moeilijk viel, daar de overtuiging van zijn landgenooten niet bijzonder vast was.

Van het Franzensplein, door historische gebouwen omgeven, komt men door hellende, kronkelende straten, waar nog eenige houten huizen zijn te vinden van den stiermarkschen adel met in italiaanschen stijl gebeeldhouwde portieken, op het hoofdplein, waar men den karakteristieksten indruk van de stad krijgt door de vele oude huizen, die beschilderd zijn of versierd met arabesken in gips. Daarop ziet uit de hoogte de steile rots van den Schlossberg neer, waar de lijnen van de nog gespaarde bastions verdwijnen onder het groen bij den origineelen klokketoren, dien wij reeds als een kenmerkende aanwijzing van Gratz hebben genoemd.

Midden op dit plein staat het monument voor aartshertog Johan, die in 1859 overleden is, den zoon van keizer Leopold den Tweede. Hij had zich in het land gevestigd en riep er allerlei wetenschappelijke, economische en weldadige instellingen in het leven. Daarbij was hij een hartstochtelijk liefhebber van muziek en litteratuur, hield de oude nationale gebruiken in eere en leeft in de herinnering van de Stiermarkers voort als een nationale held, omgeven door een aureool, die aan de legende schijnt ontleend.

In een der liederen heet het: “Zie daar staat hij op een steile rots in stiermarksch costuum, daar staat aartshertog Johan nog altijd; ze zeggen, dat hij gestorven is, o God; maar voor ons, Stiermarkers leeft hij nog, zal hij altijd leven.”

Hij staat hier op de markt een weinig pompeus, gedrapeerd in den mantel met lange plooien, op het hooge voetstuk, omgeven door de beelden die de vier rivieren voorstellen, de Mur, de Enns, de Save en de Drave, van waar hij neerziet op de groote regenschermen der kooplieden van fruit en groenten, met wie hij vroeger vertrouwelijk een praatje hield. Hoeveel gemoedelijker is zijn houding als peinzend Alpenjager op de schilderij van P. Krafft, die door [358] Höffel’s gravure in het geheele land zoo verspreid is geworden.

Een groot modern raadhuis, vol regelmaat en ernst, in den stijl der duitsche Renaissance sluit het plein af aan den hoek van de grootste, drukste straat in Gratz, de Heerenstraat, waar de deftige paleizen in den trant der voorname woningen aan den Ring te Weenen, meer en meer de overhand krijgen. De Groote Kerk staat aan het einde der straat met haar veel te drukke versieringen, die haar op een nogataart doen gelijken, vooral door den klokketoren, maar tevens vindt men in de Heerenstraat het interessantste huis van Gratz, het Landhaus, het gebouw der provinciale regeering.

De eenvoudige, slechts in bescheiden mate versierde gevel doet denken aan de strenge paleizen der Renaissance, met hun groote vakken, door weinige gepaarde openingen afgebroken. Al het effect wordt bereikt door de groote lijnen en door den indruk van kracht, dien de gewilde bescheidenheid maakt. De achterzijde, die aan de Schmiedgasse grenst, werd in 1531 voltooid en vertoont in de behandeling der klassieke vormen sporen van duitsch werk; maar de hoofdgevel aan de Herrengasse, in 1558 door Domenico de Lalio begonnen, toont met de grootste duidelijkheid, dat de kunstenaar te Venetië heeft gestudeerd. Het hoofdportaal, waarboven men een loggia ziet, gevormd door de groepeering van tegenoverliggende vensters, door een klein zuiltje gescheiden, is blijkbaar een herinnering aan het Canal Grande.

Vóór wij er binnentreden, zullen wij onze wapens in de vestiaire moeten afgeven, zelfs ons broodmes, want een plakkaat van 1588 bedreigt diegenen met de doodstraf, die gewapend in het Landhaus zullen binnengaan, en er rumoer of herrie maken. De binnenpleinen met booggalerijen zijn zeer interessant, klassiek, maar ietwat theatraal met hun dorische galerijen, rustend op pilaren met obelisken; dat alles doet aan decoraties denken; de bouwmeester heeft stellig aan die op linnen geschilderde werken gedacht, die de italiaansche kunstenaars deden verrijzen op feesten ter eere van hun Maecenen.

In een hoek bespeuren wij echter iets meer origineels. Dat is de overdekking van een put, een soort van bronzen zomerhuisje, als die woorden, waarvan het eene aan lichtheid en het andere aan kracht doet denken, te zamen genoemd mogen worden. Hier voorzeker gaan ze samen, zoo gewillig heeft het brons zich geschikt naar alle luimen van den kunstenaar, zoo fijn en teer zijn de verbingen en de spijltjes van het opengewerkte koepeltje, waar de liefdegodjes op dolfijnen spelen in de krullen van het lofwerk, zoo dun zijn de zuiltjes, door satyrs gedragen, waarop éénarmige nimfjes balanceeren.

Dit merkwaardige stuk werd in 1590 uitgevoerd door de burgers van Gratz, Thomas Auer en Max Wening, en doet de inlandsche kunst alle eer aan. Terecht laat een geharnast ruiter de panthervlag van Stiermarken boven zijn hoofd vrij uit waaien. Op den muur naast den put herinnert een gedenkplaat eraan, dat de groote sterrenkundige Kepler te Gratz verblijf hield van 1594 tot 1606. Hij was uit Tübingen erheen geroepen, om wiskunde te onderwijzen, trouwde in het land, maar moest, daar hij de leer der Hervormden was toegedaan en men dien godsdienst in Stiermarken niet gunstig gezind was, het land verlaten, dat hem als een nieuw vaderland lief was geworden.

Aan het Landhaus grenst een smal zeer typisch gebouw, het Arsenaal of Tuighuis. Het is van 1642 tot 1644 gebouwd door Adam Wundegger en heeft een belangwekkenden hoofdingang, geflankeerd door twee nissen, waar de eenigszins gemaniëreerde beelden van Mars en Bellone staan in decoratieve houdingen, die van den italiaanschen invloed getuigen. Wat van het arsenaal in Gratz iets eenigs maakt in zijn soort is, dat het geen museum is, geen kunstmatige opeenhooping van ongelijksoortige voorwerpen, onttrokken aan hun natuurlijke omgeving, maar dat het ’t wapenmagazijn der stad is, juist zooals het op het eind der zestiende eeuw in gebruik was, toen de Staten er de noodige wapens bijeenbrachten, die benoodigd waren voor het contingent, dat zij in den strijd tegen de Turken hadden op te brengen. Er zijn daar meer dan 28.000 voorname nommers, methodisch gerangschikt in lange zalen.

Hoewel het hoogst interessant is, zoo de merkwaardigheden op hun eigen plaats te zien, toch moet men niet verzuimen, het museum een bezoek te brengen, namelijk het Johanneum, zoo genoemd ter herinnering aan aartshertog Johan, en gehuisvest in een elegant gebouw, dat in 1895 werd ingewijd. De belangrijkheid van dit museum is vooral gelegen in zijn verzamelingen van cultuurhistorischen aard en in wat het aan voortbrengselen van kunstnijverheid bezit.

Men vindt er kamers met prachtige lambrizeeringen, als in de eerezaal van het kasteel Radmannsdorf in Weiz, van 1564; of bescheidenlijk gestoffeerd, als dat boereninterieur, waarvan de groote kachel met een bank eromheen het hoofdmeubel is en dat ’s avonds alleen verlicht wordt door een brandend stuk hout aan een ijzeren staaf gebonden; of gemaniëreerd, als het rococosalon met japansch schilderwerk op de paneelen. Verder zijn er reuzenkachels van porselein; fijne clavecimbalen, die de voorloopers onzer piano’s waren; allerlei ander huisraad van onze vernuftige voorvaderen, zooals bij voorbeeld dat braadspit, dat bewogen wordt door den rook uit den schoorsteen. En dan historische merkwaardigheden, als de koets van keizer Frederik den Derde, een lange karos met gotische bogen, gebeeldhouwd, verguld en beschilderd; merkwaardige voorwerpen van goud en zilver, zooals een vrouwehaarvlecht van zilver, afkomstig uit de veertiende eeuw, die als zwaarwichtige herinnering door den weduwnaar om den hals werd gedragen; de beker van den Landschadenbund, een meesterstuk van augsburgsche goudsmeedkunst uit het einde der zestiende eeuw; de zegelpers van de Landhausvergadering met den panther van Stiermarken erop en versierd met geëmailleerde schilden en fijn filigraanwerk.

De heuvels en bergen rondom Gratz, die het dal der Mur omsluiten, vormen een aantrekkelijk kader voor de mooie stad. De Franschman, altijd galant, heeft haar eens genoemd, la ville des Grâces a la rivière de l’Amour. Rondom de vlakte van het Gratzer Feld, die in het Noorden afgesloten wordt door de hooge Alpenketenen, licht een dichte opeenhooping [359] van heuvels en dalen, vol schilderachtige hoekjes tusschen weiden en bosschen, die als een mantel de hellingen bedekken, bezaaid met witte kerkjes, pelgrimsoorden, als Maria Trost en Maria Grün. Het zijn ook alle geschikte plaatsen voor uitstapjes, een aantrekkelijkheid dus voor de vele burgerlijke en militaire gepensionneerden van de Oostenrijksch-Hongaarsche monarchie, die deze stad bewonen en haar den schertsenden naam Pensionopolis hebben bezorgd.

Onder de vele kasteelen, die om Gratz verspreid zijn, is het belangrijkste het slot Eggenberg, met de stad verbonden door een prachtige kastanjelaan. Het is een zwaar bouwwerk uit de zeventiende eeuw, met roode daken en een menigte vensters, juist zooveel, heet het, als het jaar dagen heeft. De groene luiken dier vensters steken scherp af tegen de gele pleisterkalk. De familie van Eggenberg, een der oudste van Stiermarken, maar die thans is uitgestorven nadat zij uit in den adelstand verheven kooplieden der vijftiende eeuw was ontstaan, heeft aan Oostenrijk een heele reeks staatslieden en veldheeren geleverd. De bekendste is Ruprecht von Eggenberg, die in 1503 den bloedigen slag bij Sissek won op de Turken, toen dezen viermaal talrijker waren dan hun tegenstanders, terwijl de veldheer van Oostenrijk hen tot den laatsten man in de Kulpa dreef. Toen de Franschen Gratz in 1809 belegerden, vestigde Macdonald zijn hoofdkwartier op het slot Eggenberg.

Boven Gratz loopt de Mur nog eenigen tijd in Stiermarken door een breed dal tusschen met wijnbergen begroeide heuvels. Dichtbij het punt, waar zij Hongarije bereikt, verheft zich boven op een hooge, steile bazaltrots het kasteel Riegersburg, een wonderlijk complex van bastions, binnenpleinen en geheime poorten, alles bedoeld als verdediging tegen Turken en Hongaren. Het gebouw kreeg zijn uitgebreidheid pas in de zestiende eeuw tijdens het beheer van een vrouw, die een merkwaardigen zin voor bouwen had.

Dat gedeelte van Stiermarken, dat ten zuiden van het Murdal is gelegen, omvat hoeken van de dalen der Drave en der Save, welke laatste het van Krain scheidt. Daar de groote inhammen van de hongaarsche vlakte er diep in doordringen, is het, zoowel uit natuurkundig oogpunt als wat de bevolking aangaat, zeer verschillend van Boven-Stiermarken, waaraan het alleen door het toeval der staatkundige grensregelingen is verbonden en dat duitsch, niet, zooals het Zuiden, slavonisch is.

Marburg, waar admiraal Tegetthof, de held van Lissa geboren werd, is er feitelijk de voornaamste stad van; maar Cilli is het centrum van de slavonische politieke verlangens. Die stad, waar, toen zij nog Celeja heette, de proconsuls Pertinax, Septimius Severus, Valerianus en Aurelianus resideerden, voor ze keizers werden, heeft nog andere dan romeinsche herinneringen.

De macht der graven van Cilli groeide in de veertiende eeuw snel aan en ging echter spoedig te niet in de vijftiende. Herman de Eerste huwde de dochter van den koning van Bosnië; zijn neef Wilhelm trouwde met de dochter van den koning van Polen, Casimir den Groote, en zijn dochter besteeg den troon van Polen als echtgenoot van den eersten der Jagellonen, Wladislaw. Diens zoon, Herman de Tweede, was de gunsteling van den hongaarschen koning Sigismund, in 1410 tot koning gekozen, die met zijn dochter Barbara trouwde en haar met voorrechten overlaadde.

Maar daarna neemt de geschiedenis een tragische wending. De oudste zoon van Herman den Tweede, Frederik, doodde zijn vrouw, om een adellijke jonkvrouw uit Kroatië, Veronica, te trouwen. Zijn vader liet hem in de gevangenis werpen en was voornemens hem te onterven. Intusschen stierf zijn tweede zoon door een val van zijn paard, en daar de koning van Bosnië hem zijn kroon had nagelaten, moest hij zich met zijn oudsten zoon verzoenen. Maar eerst wilde hij zich van Veronica ontdoen. De jonge vrouw ontvluchtte en leidde in de bosschen een zwervend leven. Men maakte zich van haar meester en trachtte haar als toovenares veroordeeld te krijgen onder beschuldiging, dat zij den graaf behekst had. Toen de rechters geen bewijzen tegen haar in handen konden krijgen, liet graaf Herman haar in het bad verdrinken. Nadat dit bezwaar uit den weg was geruimd, verzoende hij zich met zijn zoon Frederik, die bij zijn dood door keizer Sigismund tot den rang van rijksvorst werd verheven. De zoon van Frederik, Ulrich de Tweede, die ertoe had bijgedragen, dat de jonge Ladislas tot koning van Hongarije was verkozen, een zoon van keizer Albert den Tweede, zette het kind geheel naar zijn hand en nam de eerste plaats in het rijk in. Hij werd te Belgrado vermoord door een zoon van zijn doodsvijand, Johan Hunyados. De heraut riep op zijn graf driemaal uit: “Vandaag nog graaf van Cilli en voortaan nooit meer!” Hij brak het schild met het wapen, en het huis Cilli had opgehouden te bestaan.

Laat ons op onze schreden terugkeeren en naar Boven-Stiermarken gaan, waar we minder historische herinneringen zullen aantreffen, maar een schilderachtiger natuur, ook grootscher landschappen, en waar we ons in het echte hart van Stiermarken bevinden. Wij hebben bij Bruck het dal verlaten, waarin tot nu toe de Mur vloeide, om met de rivier ons te begeven naar de kloven, leidend naar Midden- en Beneden-Stiermarken. Daarna komen wij in dat dal terug, als we de oevers van de Mürz volgen, die er dan door stroomt.

Het landschap vervult nog niet de gedane beloften. Het dal is breed, bebouwd, omgeven door middelmatig hooge bergen en wordt door talrijke dalen, die een eentonige reeks beboschte driehoeken vormen op de hellingen, doorsneden. Men krijgt nog geen vermoeden van de schoonheden van het hooge bergland, want om die te vinden, moest men de dalen aan den linkerkant hoogerop volgen.

De streek, waar wij nu zijn, is rijk aan legenden. Daar ligt op een bergtop het pelgrimsoord Rehkogel, waar een herder in het bosch geiten geknield vond liggen voor een beeld van de Moeder Gods. Te Krieglach dreef er eens een kruikje met het portret van den H. Jacobus op het meer, dat toen nog het dal vulde, en op de plek, waar het kruikje aan land spoelde, werd een kapel gebouwd. In een naburigen berg hoort men steeds een kindje schreien, [360] dat door de moeder verlaten werd. Deze had in een grot hoopen goud en kostbare steenen gevonden, waardoor ze haar kind vergat en de plaats niet kon terugvinden, waar ze het gelaten had. Ginds is een rots, genaamd de Teufelstein, basis van een toren, dien de duivel eens wilde bouwen in den Kerstnacht en die tot den hemel reiken zou, een onderneming, die jammerlijk mislukte.


Het raadhuis in den stijl der Duitsche Renaissance.

Hier in de buurt zijn ook nog overblijfselen te vinden van versterkingen tegen de Turken. De Fischbacher Alpen zijn inderdaad de kam van het naar Hongarije afdalende bergland; de Raab en zijn zijtakken dalen ervan af naar de vlakte. Men vond er vroeger een reeks kasteelen en “tabors”. Men noemde tabor een kring van huizen rondom een kerk, en ingesloten door een muur met schietgaten en door een gracht. De bevolking zocht daarbinnen een schuilplaats, als de ottomaansche benden aanrukten.

In dit land van de Raab verrijst ook het oude klooster Vorau, gesticht in 1163, waarop de aandacht der paleografen is gevestigd door de vondst van de Keizerkroniek, een rijmkroniek uit de twaalfde eeuw, en waar men nog veel andere documenten vindt, die van waarde zijn voor de geschiedenis van het land.

Dichtbij Krieglach staat de Kluppeneggerhof, waar Rosegger in 1843 geboren werd, de nationale stiermarksche dichter en schrijver, die met fijne opmerkingsgave den bergbewoner van zijn land heeft geschilderd en daardoor gelegenheid heeft gevonden voor het teekenen van zooveel aardige, typische tooneeltjes, vol karakteristieke trekjes, nog interessanter gemaakt door het dialect, waardoor hij een der origineelste schrijvers van Oostenrijk is geworden. Dat dialect is door hem tot den rang van schrijftaal gerezen en er verschijnt daarin sedert 1876 ook een maandblad “Der Heimgarten”, waarvan Rosegger redacteur is.


Het standbeeld van aartshertog Johan op de markt te Gratz.

Stiermarken is door aartshertog Johan, die het land goed kende, genoemd het land van hartelijkheid en gemoedelijkheid. Het is ook een land van dans en vroolijkheid, waar de paren zwieren bij de muziek van het “Hackbrett” een snaarinstrument, dat met twee hamers bespeeld wordt, en de stiermarksche volksdans heeft ver de grenzen van zijn vaderland overschreden en is in de internationale opera’s te huis. De dans voert den zang in zijn gevolg, en Rosegger heeft eens aldus de prijzen uitgereikt aan de landen der Oostenrijksche Alpen: Stiermarken gaat voorop met de dichtkunst, dan volgt Karinthië met muziek en daarna Tirol met beeldende kunst. Het bergland trilt van de liedjes van de Alm, die houthakker, jager en strooper zingen en die tot tal van nabootsingen hebben aanleiding gegeven, zoodat Rosegger, die het beroemdst is geworden, niet alleen staat.

Maar zullen die originaliteit en die eenvoudige gevoelens lang bestand zijn tegen de invasie van toeristen en Zondagsgasten? [361]


De winkels met kerkelijke voorwerpen te Maria Zell.

Hoewel wij nog 130 kilometer van Weenen verwijderd zijn, begint de groote stad toch al haar makers van uitstapjes hierheen te zenden, en tal van treinen brengen massa’s toeristen naar Mürzzuschlag. Des winters is het een centrum voor de skisport, die er zachte, bijzonder geschikte hellingen vindt, en jaarlijks hebben er wedstrijden plaats, internationale zelfs, die een aantal mededingers lokken, tot zelfs uit Noorwegen.


Naar Maria Zell ter bedevaart.

Te Mürzzuschlag verlaten wij de Mur, maar volgen toch nog steeds de inzinking in het bergland, die we bij het begin der reis gekozen hebben. Nu vloeit er de heldere beek, de Fröschnitz, door een landschap, dat met weiden en bosschen een echt Alpenkarakter heeft. De bedoelde kloof loopt stijgend voort tot aan den Semmering, waar het bergland zich verbrokkelt in Beneden Oostenrijk, maar men kan haar dan nog volgen door het dal der Leitha. De Alpen zijn er ten einde, want zij zenden slechts een zeer onbeduidend takje als Wienerwald tot aan de poorten der hoofdstad en de oevers der Donau.

De Semmering, die zooals wij zeiden tot het gebied van Weenen behoort, is te cosmopolitisch geworden, dan dat wij er ons lang behoeven op te houden, en als wij dan ook op onze schreden terugkeeren, vinden we in het bovendal der Mürz een echt stiermarksche streek met het dorp Neuberg, welks huizen gedrukt worden door de aanwezigheid van een hooge kerk zonder toren, oprijzend uit een groep gebouwen van kloosterachtig aanzien.

Dat is inderdaad een Cistercienser klooster, gesticht in 1327 door Otto den Vroolijke, wiens naam een droevige tegenstelling vormt met het treurig lot van zijn broeder Frederik den Schoone, hertog van Stiermarken. Deze was eerst voor de keizerlijke waardigheid bestemd, maar hij werd verslagen en gevangen genomen bij Mühldorf door zijn mededinger Lodewijk van Beieren. Ten gevolge van dien tegenslag werden zijn haren plotseling grijs, zegt de kroniek, en zijn vrouw werd blind van het vele schreien. Het klooster werd in 1783 geseculariseerd door Jozef den Tweeden, en de binnenpleinen, die openbare doorgangen zijn geworden, zoowel als de groote gewitte gangen, waarop de deuren uitkomen van woningen en kantoren, zien er verwaarloosd uit als dingen, die niet meer voor hun ware bestemming worden gebruikt.

Die indruk van verwaarloozing blijft iemand ook bij onder de hooge gewelven van de kerk, die tegen het einde van de vijftiende eeuw voltooid werd onder keizer Frederik den Derde. Alles is er vervallen en koud en vochtig. De proporties zijn mooi, en aan de onderdeelen is indertijd veel zorg besteed. In stoffige hoeken ziet men resten van oude pracht, bij voorbeeld een prachtig gothisch doopvont, een merkwaardigen stoel met troonhemel, de portretten van [362] de stichters der kerk, maar alles dooreen en ongeordend in het ruime schip der kerk zonder koor of zijbeuken.

II.

Jacht in Stiermarken.—De bedevaart van Maria Zell.—De Hochschwab.—Metalen in Stiermarken.—IJzererts.—Het Gesäuse.—De Admont-abdij.

Wij zullen nu een der wegen volgen van de bedevaartgangers van Maria Zell en in dat deel van Stiermarken, waar nog geen spoorwegen zijn, een bezoek brengen aan het beroemde heiligdom. Wij willen intusschen niet zoo trouw de pelgrims volgen, dat we te voet gaan, als die lange slierten bergbewoners op bloote voeten, die, naar het heet, soms als penitentie erwten of stukjes glas in de schoenen hebben en een zwaren zak op den rug of op het hoofd, en die wij langs den geheelen weg zullen zien, onder het zingen van liederen langzaam hun doel naderend, zonder zich om het weder te bekommeren, terwijl ze aan de twijfelzieke moderne wereld den roerenden en troostenden aanblik van het geloof aanbieden.

Wij hebben meer haast dan die pelgrims, en het stortregent. Dus huren we een stevige stiermarksche kales, en daar gaat het voort op den weg naar Mürzsteg. Een gedenkplaat op de rots van den Calvariënberg roept ons den populairen aartshertog Johan in de herinnering. De rook van de hoogovens van Neuberg is niet te onderscheiden achter het gordijn van regen, en wij rijden snel het Stiermarken der jagers binnen. Te Mürzsteg ontmoet men een keizerlijk jachtslot met in den gevel den verplichten hertekop. De herbergen, zelfs de meest bescheidene, hebben dat teeken, en als men in de “mooie” kamer komt, vindt men die onveranderlijk versierd met jachttrofeeën, welke gegroepeerd zijn om het portret van aartshertog Johan. Te Krampen reden we over een met moeite aangelegden weg, die naar een zeer hoog gelegen jachtslot voerde te midden der ondoordringbare bosschen van Nassköhr. Herten, gemzen, korhoenders hebben een veilige schuilplaats gevonden in die van de wereld verafgelegen kloven, en het jachtgebied of Revier van Mürzsteg is overrijk aan groot en klein wild.

Stiermarken is het echte land der groote jachtpartijen. De eigenaars der terreinen zenden heinde en ver uitnoodigingen voor de gemzen- en de hertenjacht. Zij vragen de ambtenaren, den predikant, den schoolmeester en de welgestelde boeren. De overige bewoners der streek doen als drijvers dienst, en zoo begrijpt men, dat de liefde voor de jacht den Stiermarker in het bloed zit en dat de volksliederen er vol zijn van den gemzenjager, die opklimt naar den Gemsberg. De aanzienlijken geven het voorbeeld, en de keizer zelf verzuimt nooit zijn jaarlijksch bezoek aan Stiermarken voor de jacht.

Het regent nog steeds, en de Hohe Veitsch verbergt zich in den nevel, waardoor wij alleen het naastbijzijnde zien. Het Scheiterbodendal, dat wij nu volgen, wordt smaller en smaller en is eindelijk niet meer dan een kloof met prachtig begroeide rotsen. Midden op den weg komt een breede waterstraal uit een spleet in den rotswand op ongeveer vijftig meter boven het dal, en stort zich in de Mürz onder schuimend uiteenspatten op de rotsen. Een houten trap met treden, die door het slijk glibberig zijn geworden, voert een eindje in de geheimzinnige duisternis van de spleet. Een grafkruis geeft iets lugubers aan deze plek, waar het donderend geraas van den waterval nooit ophoudt. Enkele passen verder had een ongeluk met haar paard bijna het leven gekost aan keizerin Elisabeth in 1883. De edele vrouw bleef toen bewaard, om later onder het mes van een moordenaar te vallen.

De donkere vallei, waar eens zeker een spoorweg door zal loopen, om de scharen pelgrims naar Maria Zell te brengen, loopt uit in een diepte, waar alles groen is en waar de kleine protestantsche gemeente Frein aan den voet van den Hohen Proles en den Hohen Student is gelegen. Bemodderde voetgangers, allen bedevaartgangers, de vrouwen met hoog opgeschorte rokken, stappen over de vuile dorpsstraat. De bosschen rooken, en de wolken hangen laag op de hellingen. Groen Stiermarken wordt al groener en groener, ook door den regen, die zijn deel heeft aan de frissche tinten.

Het dal, waardoor wij langzaam stijgen naar een pas, is geheel met een groen tapijt bekleed. Geen veld, geen rots, geen stukje grond, of het is een deel van de groote symphonie in groen. Alleen de hemel, die met grijze wolken is bedekt, steekt af bij de algemeene hoofdkleur.

Nu hebben wij den weg bereikt, die van het station Kernhof, het dichtst bij Maria Zell gelegen, naar de bedevaartplaats leidt. Het uithangbord van een herberg leert ons, dat wij de grens van Beneden-Oostenrijk naderen, en toen we stilhielden, kuste een oude bedelaar ons de hand met zijn zwaren, natten knevel. Dit is hier het dal der Salza, waardoor wij in enkele dagen dat der Enns zullen bereiken, de tweede hoofdader van Stiermarken naast de Mur.

Nog één steile helling, waar telegraafpalen aantoonen dat we beschaafder streken naderen, en we zijn boven Maria Zell, dat over de berghelling verspreid ligt en een prachtig ruim uitzicht geniet over wijde, groene golvingen. De kerk trekt dadelijk de aandacht, ofschoon groote moderne hotels er rondom heen verrijzen, zoodat zij niet meer als vroeger boven nederige hutten troont.

Die kerk, die zoo eerbiedwaardig is uit het oogpunt van het geloof, is zeer leelijk uit aesthetisch oogpunt. Men is op het crimineele denkbeeld gekomen, haar gothische spits te omlijsten met twee vierkante torens met toscaansche pilaartjes en leelijke rococo-daken, en daarachter verrijst een soort van duiventil in cilindervorm, waaruit men ieder oogenblik de vluchten witte duiven denkt te zullen zien uitvliegen.

Er blijft ons slechts één troost, namelijk een prachtig paneel in het hoofdportaal, het eenige voorbeeld van naïeve kunst, dat ontsnapt is aan de beeldstormers van de Renaissance. Het stelt voor den slag aan de Maritza, waarin koning Lodewijk van Hongarije de Turken, of liever de Hongaren, hun bondgenooten, versloeg. Het onderwerp is met een merkwaardige levendigheid behandeld, en boven een verwoed gevecht waait de standaard met het kruis [363] van Hongarije. Naast dit tooneel van strijd troont de Heilige Maagd rustig in den hemel, terwijl de koning in geknielde houding haar het beeld overreikt, dat zijn wensch symboliseert. En daar er iets fantastisch moet wezen bij een voorstelling uit de Middeleeuwen, iets, dat aan magie herinnert, wordt een hoek van het paneel ingenomen door een onbegrijpelijke nabootsing van den duivel.

Al zijn er buiten aan de kerk nog sporen overgebleven van de gothische kerk uit het eind der veertiende eeuw, toen de zegevierende koning van Hongarije haar liet bouwen, wiens standbeeld vóór den ingang tegenover dat van markgraaf Hendrik van Moravië staat, van binnen is al het oude geheel verdwenen, zoo zelfs, dat men meende, dat alleen de middentoren van den gevel van het oude gebouw was overgebleven, totdat een kundig archaeoloog, professor Petschnigg, bewees, dat de oude kerk opgenomen was in de kerk van de zeventiende eeuw.

De slanke gothische pijlers zijn in de zware moderne pilaren opgenomen en het oude schip is verbreed en langer gemaakt. Wel heeft het inwendige van de kerk, waarvan de Italiaan Sciassia in 1644 de herstelling begon, iets grootsch en indrukwekkends door de wijde ruimten, de breede lijnen en de goede proporties; maar men moet zich wel met smart te binnen brengen, dat de arme, oude gothische kerk, die al het verledene heeft bijgewoond en die zoo luid tot onze verbeelding zou hebben gesproken, ingemetseld is als de personnages uit sommige legenden in de pilaren van deze pompeuse kerk, die wit en crême is als een salon, en vol geschilderde medaillons als aan den wand hangende schilderijen. Zoo wij er al geen pleizier aan hebben, deze weelde van slecht allooi boeit de goede bergbewoners, wier onder tucht staande groepen, blootsvoets en met hun bagage op den rug in alle richtingen door het kerkgebouw schrijden, terwijl de beelden van de Moeder Gods voor de processie uit gedragen worden.

Het middelpunt van de processies en de gebeden is de Gnadenkapelle, een gothisch gebouwtje, waarvan de kolommen zonder twijfel vroeger, behalve aan den voorgevel, door wanden van echt marmer verbonden waren. Over den voorgevel loopt een traliewerk van zilver, een gift van keizer Frans den Eerste van Lotharingen en zijn vrouw Maria Theresia. Daarboven ziet men een versiering van schelpwerk, waar borstbeelden tegen uitkomen, die men houdt voor die van koning Lodewijk van Hongarije en zijn vrouw. Achter in dit heiligdom van een barbaarsche pracht staat op een zilveren altaar, in een met goudborduursel en zilveren pailletten getooid kleed, de wonderdoende Maagd, die door de kracht van het geloof, dat bergen verzet, maar hier bergen doet overschrijden, de vrome menigten aantrekt uit alle vier hoeken van de Oostenrijksche monarchie. En in onze gedachten zien we hen allen door regen en sneeuw, over de moeilijkste bergpaden naar dit lichtend punt, deze ster der wijzen samenkomen. Het middelpunt dier machtige aantrekking is een beeld, uit lindenhout gesneden, slechts 47 centimeter hoog, op gouden grond geverfd in bonte kleuren. Volgens de legende is het beeld afkomstig uit de cel (Zelle) van een kluizenaar-priester, die met nog vier anderen omstreeks 1147 door de abdij van Sint Lambrecht was uitgezonden, om aan de herders van deze bergen het Evangelie te verkondigen.

De kerk zelve heeft niets bijzonders dan enkele mooi bewerkte ijzeren hekken en het groote altaar, waarboven men een wereldbol ziet van zilver, waaromheen zich de symbolische slang slingert. Ook is er een hoog ebbenhouten kruis met de zilveren beelden, in natuurlijke grootte, van den Vader en den Zoon, geschonken door keizer Karel den Zesde. Voor het altaar staat een zuil met het beeld der Maagd, waar de bedevaartgangers op de knieën omheen moeten gaan. Op de bovengalerijen zijn de muren behangen met ex-voto’s en schilderwerk, dat de wonderen voorstelt.

In de schatkamer zijn, als in een soort van museum, allerlei interessante zaken bijeen gebracht, bijvoorbeeld een schilderij van Maria, gegeven door koning Lodewijk van Hongarije, dat, naar men meent, op zijn huisaltaar stond. Het schilderwerk van dit beeld doet denken aan de school van Giotto; de achtergrond is van blauw émail, met gouden leliën bezaaid, en de zilveren lijst is een mooi stuk zilversmidswerk. Er zijn ook kerkelijke gewaden, waarvan enkele aan Matthias Corvinus worden toegeschreven, dan een ivoren diptiek uit de veertiende eeuw, ook van dien vorst ontvangen.

Geheel Maria Zell is maar een aanhangsel van de kerk; de hotels en herbergen zijn er slechts om de pelgrims te logeeren, en in de winkels spelen vrome prenten en beelden de hoofdrol. Lange rijen winkeltjes, waarvan de nieuwste van ijzer, vormen een echte markt van kerkelijke voorwerpen. De oude houten winkeltjes waren in 1827 de aanleiding tot een brand, die bijna het geheele dorp verwoestte.

Het is een curieus gezicht, de boerinnen met haar wijde rokken en bonte doekjes, vol eerbied met gevouwen handen en wijd geopende oogen, kijkend naar al die vrome pracht van goedkoop klatergoud, en ze dan even daarna waar te nemen, al dingend om de prijzen wat lager te krijgen, terwijl men in de verte de liederen der processie hoort, die onophoudelijk met wapperende banieren door het dorp trekt.

Wij zullen, om weer in de buurt van den spoorweg te komen, nog lange einden te voet en per rijtuig moeten afleggen, maar het gaat door een streek, welker schoonheid ons de lengte van den weg zal doen vergeten.

We gaan langs den voet van den Hochschwab, een interessant kalkgebergte, waar men een modelhoeve kan zien, die daar aan den oostelijken voet werd opgericht door aartshertog Johan, om in deze achterlijke streek de menschen op de hoogte te brengen van de verbeteringen in den landbouw.

Ook is dit de klassieke streek van de gemzenjacht. Het is een moeilijk bedrijf; dat blijkt al uit de uitrusting van hen, die wij ontmoeten. Zooals zij daar gaan met den Alpenstok in de eene hand, het geweer in de andere, om de schouders een lap vilt met een gat erin voor het hoofd, de kuiten in kousen van grove wol en schoenen met enorme spijkers, lijken ze meer op roovers dan op ordentelijke [364] jagers. Ze vertellen ons niettemin zeer vriendelijk, dat er morgen een groote jacht zal zijn, en dat als wij op die en die plaats gaan staan, wij de gemzen zullen kunnen zien voorbijkomen.

De gems is hier geen legendarisch dier zooals in Zwitserland; integendeel, men ontmoet er soms troepen van 50 tot 100 stuks, en als ze niet gejaagd worden, kan men ze wel eens tot op vijftig pas naderen.

De jachtverblijven van den hertog van Parma, van prins Hohenlohe en anderen volgen elkander op in het dal der Salza, en hertengeweien zijn het sieraad van elke herberg.


De terrassen van den Erzberg.

Uit het dal der Salza gaan we over den pas van de Eisenerzer Höhe te voet naar Eisenerz. De aankomst te Eisenerz, dat zeer hoog boven het dal is gelegen, is treffend. Een nieuw Stiermarken doet zich daar aan ons voor, het metaalhoudende Stiermarken. Beneden in het dal verrijzen de hooge schoorsteenen van de fabrieken en de kolossale forten, waarop de hoogovens gelijken, terwijl de met erts beladen treinen onophoudelijk langs de hellingen rijden. Maar boven die drukte in de diepte liggen de groene weiden, en weer hooger de zone van dichte wouden, terwijl op dat alles neerzien de hooge, edele bergreuzen, de Kaiserschild, de Wildfold, die een bekroning zijn, waarvan de majesteit al het rumoerige en vuile werk der menschen doet vergeten. Men komt hier tot het besluit, dat de industrie alleen de middelmatige landschappen kan bederven, maar dat zij niet vermag, de grootsche aspecten der natuur te ontsieren.

Een hooge, roodgekleurde berg met afgeronde vormen en gestreept als door treden, die donkerder schijnen in het licht der ondergaande zon, steekt af bij al het groen van het landschap, het is de Erzberg, symbool van den metaalrijkdom van het land. Die waardevolle berg bestaat geheel uit mineralen, en reeds sinds eeuwen zijn de menschelijke mieren op zijn flanken aan het graven en wroeten, knagen den berg methodisch af, en zoo de menschheid, zooals waarschijnlijk is, voortgaat ijzer noodig te hebben, zal de berg ten slotte geheel zijn opgebruikt. Aan den voet liggen, dicht opeengehoopt, de oude huizen van het ouderwetsche stadje Eisenerz onder bescherming van de kerk, die op een fort gelijkt.

Dat antieke stadje is herhaaldelijk door plagen geteisterd, door branden, pest, godsdienstoorlogen; maar het stond altijd in groote gunst bij de vorsten, die de economische beteekenis ervan begrepen. Maximiliaan de Eerste gaf het plaatsje zijn privileges, die verbrand waren bij den grooten brand van 1492; Jozef de Tweede kwam zelf in een der mijnen de mijnboor hanteeren. Toen de Franschen er viermaal doorgetrokken waren tusschen 1800 en 1809, en er aan de bevolking zware belastingen hadden opgelegd, waarvan de onaangename herinnering nog bewaard gebleven is in den naam van een berg, die Franzosenbüchel heet, ging Frans de Eerste zijn volk troosten bij die nieuwe beproeving. De overlevering van die vorstelijke bezoeken leeft nog in onze dagen, en de oude residentie van de graven van Eisenerz, de Kammerhof, is in een keizerlijk jachtslot veranderd.

De oude gemeentekerk van Sint-Oswald heeft al die gebeurtenissen overleefd, die zij van hoog standpunt heeft zien gebeuren; zij staat op een vooruitspringend gedeelte van den Erzberg boven de oude boomen van het door haar behoede stadje. Er hiermee wordt niet alleen bedoeld de moreele bescherming, waarvan Luther zingt in zijn Eine feste Burg ist unser Gott; maar feitelijk is de kerk omgeven door een muur met groote, ronde torens, zoodat het een echt fort [365] is, waar alle bewoners geborgen konden worden bij de eerste verschijning der turksche horden. Het oude heiligdom, reeds in 1190 vermeld, herbouwd onder Rudolf van Habsburg, vergroot onder Frederik den Derde, en versterkt in 1482, is nog eens gerestaureerd onder Maximiliaan den Eerste, zoodat het een zeer geavanceerd gothisch karakter heeft. De orgeltribune en de gewelven waarop zij rust, herinneren zelfs aan de Renaissance.

Een andere toren, op vierkanten voet en met een puntig dak, beheerscht het dorp aan den anderen kant van het dal. Dat is de Schichtthurm, welks klok vroeger de uren van de Schicht sloeg, dus de tijd van het neerdalen in de mijn. Van daar heeft men een goeden kijk op de eigenaardige ligging van Eisenerz, en men staat er vlak tegenover den berg, die in trappen is uitgehouwen en met welks vernieling steeds legioenen van arbeiders bezig zijn.


Eisenerz aan den voet van den Erzberg.

Boven op den berg staat een kolossaal kruis, aan welks voet een groot medaillonportret is te zien van ... ik behoef het wel nauwelijks te zeggen ... aartshertog Johan. Het is een eigenaardige tocht van daar naar beneden naar Eisenerz langs de reuzentrap van de mijnwerken, te midden van het rollen der treinen met erts, die in alle richtingen den berg doorkruisen, het klinken der signalen, het geluid der houweelen en hamers, het gedonder der ontploffingen, dat door de echo’s wordt herhaald, en het gegons van den menschelijken bijenkorf, met de vernieling van den ijzerberg bezig.

Nu en dan brengt een bosch, een weide of een dichterlijk kapelletje wat afwisseling. Zoo is er de kapel van Sint Barbara, waar men u de Wonderstufe laat zien, een stuk mineraal, waarin bereidwillige oogen een beeld van de H. Maagd aanschouwen in een stralenkrans.

Op een uur afstands van die drukte van de industrie kan men, ook wel per spoor, het meer Leopoldstein bereiken, een juweeltje, dat omsloten wordt door het Münichdal, rechts van het dal der Erzbach, waarvan het gescheiden is door een lagen heuvel, die het middeleeuwsch kasteel draagt van hertog Arnoud van Beieren. De oevers van het meer zijn een heerlijk rustoord in een prachtige omlijsting. Het water is in den zonneschijn blauw als dat van de Middellandsche Zee, en het weerkaatst een zwaren muur van rotsen, de Seemauer, en den trotschen top van den Pfaffenstein. Men kan een aangename wandeling doen, als men den oever van het meer ziet glanzen onder het zachte zuchten van den wind. Laat echter de wind eens tot storm opsteken, en zwarte wolken hangen boven het diepe meer, dan verdwijnt alle vroolijkheid uit het landschap en als sinistere reuzen staan de rotsmuren in het rond; het geheel krijgt een tragisch aanzien, en de schipper, die met zijn boot door den storm wordt overvallen, is ver van veilig op dit watervlak van vijftig hectaren, waar de stormen vreeselijk kunnen woeden, maar dat in een volgend oogenblik weer lacht in den zonneschijn.

Als wij de Erzbach stroomaf volgen, komen we in het dal der Enns, waar nog indrukwekkender natuurtooneelen ons wachten. Over een lengte van vier mijlen wringt zich die stroom door een diepe kloof in het kalkgebergte; al springend doet hij hoog het schuim opspatten en laat een klagenden toon [366] hooren, als het snelstroomende water zich voortspoedt tusschen de van de rotswanden neergestorte blokken. Vandaar de naam Gesäuse.

De gewone weg en de spoorweg hebben toch kans gezien, binnen te dringen in de diepe, smalle kloof, al moeten zij telkens van de eene naar de andere zijde overspringen. Na elke tunnel krijgt men een nieuw en altijd imposant landschap te zien, en het zou heiligschennis zijn, zich tevreden te stellen met wat men ervan uit de raampjes van den spoorwagen kan bespeuren. Ieder, die de mooie natuur weet te waardeeren, is verplicht, bij het station Gstatterboden, dat halfweg de mooie route is gelegen, den trein te verlaten.

Daar verheft zich in zijn onmiddellijke nabijheid een steile berg, zooals hij er nooit een op het perron van een spoorweg zoo dichtbij zal hebben aanschouwd. De gezichtslijn vormt, als men naar den top kijkt, een hoek van 35 graden, 50 minuten, wat op een respectabele steilte wijst.

Die top, de Planspitze, die in het kalkgebergte is uitgespaard, rijst wit omhoog uit een dicht groen plantenkleed en beheerscht de rivier, waarboven hij zich 1500 meter verheft. Hij schijnt onbestijgbaar en het heeft dan ook lang geduurd, eer men hem had vermeesterd. Wanneer men echter zeer nauwkeurig let op een richel, die aan den linkerkant van den reus er langs loopt, en waar zich langs den trotschen muur een waterval naar beneden stort, zal men met goede oogen een heel smal paadje ontdekken, dat den formidabelen top beklimt, en welke verschrikkelijke steilte den eenvoudigen toeschouwer beneden in het dal al duizelig maakt. Hier herkent men het stoutmoedige werk van de Alpinisten. En inderdaad is dat pad in het leven geroepen door de Alpenvereeniging “Ennsthaler”, en het voert na een klimpartij langs touwen, ijzeren koorden en in de rots geslagen haken naar de schuilhut, genaamd de Hesshütte, naam van den beroemden Alpinist H. Hess, die met Purtschellen geschreven heeft het boekje, “De Hochtourist”, handboek der bergbestijgers en een lijst bevattend van die toppen in de Oost-Alpen, die bijna ontoegankelijk zijn, met nauwkeurige aanwijzingen hoe ze te overweldigen zijn, terwijl de gemakkelijk toegankelijke toppen in het geheel niet genoemd worden.

Van de Hesshütte kan men dan de Planspitze bereiken en met nog meer inspanning den Hochtor, den vorst der Alpen van het Ennsdal, hoog 2372 Meter. Als men op het station Gstatterboden den blik naar het Westen wendt, kan men daar een tooneel aanschouwen, minder afschrikwekkend, maar dat het oog weldadig aandoet. De Enns, die wat rustiger is geworden, kronkelt zich met de sierlijkste slingeringen door het boschrijke dal over een bedding van witte steenen. Overal op de hoogten staan de prachtige wouden, iets dunner wordend hooger op de bergen, en samen een heerlijke omlijsting vormend voor den Reichenstein, dien men niet moet verwarren met den berg van dien naam bij Eisenerz.

De gemakkelijke weg door het dal is zeer gezocht bij de wandelaars; men ontmoet er jonge meisjes, die Alpenbloemen plukken, jongelui, die hun rijwiel in zijn gang vertragen, om het spel van licht en schaduw te volgen, dat zich voltrekt op het groene watervlak van den bergstroom, en Alpinisten met den langen bergstok, die moeilijke steilten gaan vermeesteren. Er ontbreken nog maar de heeren automobilisten aan met hun apocalyptische voertuigen, die even gauw verdwijnen als ze zijn verschenen, maar welker nagelaten geur een alleronaangenaamste herinnering achter zich werpt; ze zouden hier geen wolken stof kunnen opjagen, waarin ze zich zoo gaarne als de goden hullen, om zich aan het oog der gewone stervelingen te onttrekken.

Een weg, die op den grooten weg uitkomt, wenkt ons met een door groen omslingerde poort, waarboven het woord ”Willkommen” prijkt. Zoo stappen wij het Johnsbachdal binnen en verdiepen ons al meer en meer in de bergen, waar telkens de heerlijkste kijkjes ons worden gegund in smalle kloven, terwijl we plotseling worden verplaatst uit de schaduw der bosschen op groote vlakten, die met witte steenen zijn bezaaid. De zon zendt steil haar stralen op ons neer, en wij begroeten daarom met genoegen de groene oase van Johnsbach, waar het dal van aard en van richting verandert. De dorre kloof wordt een breed dal, de rotsmuren maken plaats voor groene, golvende terreinen, en uit het kalkgebergte komen we in de streken van de afgeronde, ijzerhoudende bergen.

Gezeten in de schaduw bij de herberg Donnerwirth, bewonderen wij de andere zijde van de Alpen van het Ennsdal en de onmiddellijker omgeving, die een bekoorlijk hoekje is met een klein wit kerkje, dat al van 1310 dagteekent en in een nestje van groen is gelegen onder rotsen, gelijk aan ruïnen van oude kasteelen. De wolken, die voor de zon langs trekken, wijzigen ieder oogenblik het landschap en geven er een soort van leven aan; wij worden er door geboeid, zooals men aan het strand nooit moe wordt op het spel der golfjes te letten.

Wij vreesden dat onze dichterlijke stemming verstoord zou worden door een gezelschap, dat er zeer epicuristisch uitzag, iets als de Cent-Kilos met korte broeken en bloote knieën boven grove wollen kousen en bock na bock verorberend. Maar daar staat een van hen op, en ondanks het aanplakbiljet, waarop verzocht wordt alle rumoer te vermijden, om het wild niet te verschrikken, begint hij met zuivere stem geen bacchantenliedje of een mopje uit een café-concert aan te heffen, zooals men verwacht zou hebben, afgaande op zijn uiterlijk en manieren, maar een ernstig lied, waarin van de bergen en het vaderland en van Duitschland sprake is. De moeilijk verteerbare grappen hebben opgehouden, de luisteraars hebben allen ernstige gezichten en luisteren naar den zanger met een soort van vromen eerbied. Die wonderlijke mengeling van lyrische sentimentaliteit en zeer prozaïsche neigingen geeft wel een goed denkbeeld van de tegenstellingen, waarop men altijd stuit bij de germaansche rassen.

Een klimpartij tusschen dennen door brengt ons naar de Treffner Alm, van waar wij ons gemakkelijker kunnen oriënteeren in den doolhof van de Alpen van het Ennsdal. Die hooge weide ligt op een pas, die over den Reichenstein leidt en den Sparafeld en het mogelijk maakt, om uit het Johnsbachdal te komen bij de Kaiserau, de herberg van de Admont-abdij, [367] waar een klein kasteeltje het zomerverblijf is der abten.

Van de Treffner Alm overziet men het Johnsbachdal, dat overal groen is, waar men geen enkel roodgekleurd spleetje van den bodem te zien krijgt, en waar boerenhoeven zich uitstrekken tot aan den Neuburger Alp. Maar wat het meest hier de aandacht trekt, is de zuidkant van de kalkbergen en vooral op het eerste plan de scherpe pyramide van Idstein, welks kale top door de natuur als palet wordt gebruikt, om er steeds weer nieuwe verven op te strijken. Wij keken lang naar de afwisselende verlichting, die ook de vormen schijnt te veranderen, tot in fellen gloed de zon onderging en den piek verguldde, hem eerst grooter makend tegen den zwarten achtergrond der kloof, en hem ten laatste uitdoovend in de opstijgende geuren uit het dal, waar het versch gemaaide gras het grootste deel aan heeft.

Aan den uitgang van het Gesäuse, waar wij den spoorweg weer vinden, wijken de bergen ver van het dal terug, en zoo doet zich het vriendelijke Admontbekken voor. Hier is alles anders, een kleine vlakte, bedekt met bebouwde velden, afgewisseld door boschjes en weiden en nette huizen, die van welvaart getuigen. Maar daarom is het nog geen prozaïsch landschap, want een kring van hooge bergen geeft er stijl aan.


In de kloof van het Gesäuse.

Het Benedictijnerklooster van Admont is gesticht door den aartsbisschop Gebhard van Salzburg in 1074, dus later dan het klooster van Göss, dat het oudste uit de streek is, maar vroeger dan die van Sint Lambrecht, Rein en Verau. De stichtingsdata van die groote kloosters, die zooveel hebben gedaan voor de beschaving in de Oost-Alpen, liggen meestal tusschen het begin der elfde eeuw en de tweede helft der dertiende.

Admont was van het begin af een centrum van intellectueele ontwikkeling. De latijnsche geschriften van de eerste en geleerdste abten, Gottfried, Irembert en Isenrik hebben groote dichterlijke bekoorlijkheid. Men deed in het klooster ook aan muziek, en abt Engelbert heeft in de dertiende eeuw een geschrift gemaakt, waarin hij samenvat wat er in zijn tijd aan muzikale kennis in de wereld bestond, een werk van groote waarde voor onze geschiedschrijvers der muziek.

Doch kunst en wetenschap waren niet altijd voldoende voor de abten van Admont. Abt Hendrik de Tweede, die keizer Rudolf van Habsburg in het klooster geherbergd had, werd in 1286 benoemd tot Landeshauptmann van Stiermarken, een waardigheid, die den woeligen adel van het land tegen hem in het harnas joeg. Hij had een tragisch einde, want een van zijn bloedverwanten vermoordde hem in de buurt van het klooster. Na dien onrustigen tijd wijdde men zich weer aan de studie; er werden scholen opgericht en zelfs een gymnasium en een hoogeschool behoorden bij het Admontklooster.

Van de in 1074 gestichte kerk is niets meer over; zij is in 1152 een prooi der vlammen geworden. De nieuwe kerk, die terstond weer werd gebouwd, is alleen terug te vinden in een portaal en in een gebeeldhouwden leeuw. Admont is dikwijls door de plaag van brand geteisterd, het laatst in 1865. De vlammen in het dorp door een misdadige hand ontstoken, bereikten ook de abdij en richtten er enorme schade aan. De brand duurde vier volle dagen, en een maand later brak het vuur nog weer uit de puinhoopen, toen ze opgeruimd werden. De kerk stortte in, de klokken stortten neer als een gesmolten massa, en alleen eenige gewijde voorwerpen ontsnapten aan de algemeene vernieling op een werkelijk wonderdadige wijze. De tegenwoordige kerk, de Blasienmünster, dadelijk opgebouwd na de ramp, zal dus weinig belang inboezemen aan hen, die graag luisteren naar wat oude dingen te vertellen hebben. Haar twee scherpe spitsen maken een goed effect in het landschap.

De gebouwen, die bij het klooster hebben behoord, [368] besloegen een groote ruimte; er wordt gesproken van zes binnenpleinen en 1180 vensters. Na den brand van 1865, waar de bibliotheek gelukkig aan ontkomen is, heeft men alleen drie vleugels weer opgebouwd om een plein. Zij maken nog een treffenden indruk en geven een denkbeeld van wat het oude klooster moet zijn geweest

De door den brand vernielde gedeelten waren in 1734 gebouwd en moesten volgens de eerste plannen de afmetingen van het Vaticaan hebben, dus van het grootste paleis ter wereld, maar die plannen zijn nooit tot uitvoering gekomen in hun geheel.

Bij een bezoek aan het klooster verzuimt men gewoonlijk niet het Kellerstübel, een klein gewelfd zaaltje met betimmering van dennenhout, waar men tusschen de worst en de kaas den Lüttenberger kan proeven, die in de wijngaarden van de abdij is gegroeid. Het is een eigenaardige omgeving in dat lage zaaltje met de geschilderde zoldering, waarop de wapens van het klooster prijken, een crucifix tusschen twee hertehoorns naast een aan den muur hangende guitaar, terwijl men door een oud renaissancepoortje het uitzicht op een park met allerlei klassieke versierselen heeft.


Het Johnsbachkerkje in zijn nestje van groen.

Dat was ons afscheid van Stiermarken, van dat schoone land, waarop de Dachstein neerziet, die hooge berg, dien Stiermarken, Salzburg en Boven-Oostenrijk met elkander deelen.

Hij staat, als ’t ware aan Stiermarkens begin en in het bekende gedicht van J. Dirnböck, dat door L.C. Seydler op muziek is gezet, zingt de Stiermarker:

Hoch vom Dachstein an, wo der Aar noch haust,

Bis zum Wendenland am Bett der Sav’,

Und vom Alpthal an, das die Mürz durchbraust,

Bis ins Rebenland im Thal der Drav’:

Dieses schöne land ist der Steirer Land

Ist mein liebes, theures Heimathland.

En daarna vervolgt hij, zijn land met vaderlandslievenden trots omschrijvend en telkens met de beide laatste bovenstaande regels besluitend:

Wo die Gemse keck von der Felswand springt,

Und der Jäger kühn sein Leben wagt;

Wo die Sennerin frohe Jodler singt

Am Gebirg, das hoch in Wolken ragt:

Wo durch Kohlengluth und des Hammers Kraft,

Starker Hände Fleiss das Eisen zeugt;

Wo noch Eichen stehn, voll und grün von Saft

Die kein Sturmwind je noch hat gebeugt:

Wo der Mais und Haid’n herbstlich duftend blüh’n

Und des Obstes Füll’ so lachend keimt;

Wo im Unterland süsse Trauben glüh’n,

Deren edles Blut wie Perlen schaumt:

Wo am Kirchweihfest noch nach alter Weis’

Sanfter Zither Ton und Hackbrett klingt.

Und der wack’re Bursch rasch und flink im Kreis’

Holde Dirnen froh im Tanze schwingt:

Wo noch deutsches Wort und ein Handschlag gilt,

Frommer Sinn noch herrscht und Tugend währt,

Wo auf Mädchenwang’ noch das Schaamroth spielt

Und die Hausfrau klug den Segen mehrt:

Wo’s im schlichten Rock wie im Fürstgewand

Edle Männer giebt voll weisem Rath;

Die ein Schutz und Schirm für das treue Land

Rüstig vorwärts geh’n in reger That:

Wo in jedem Arm die geerbte Kraft

Habsburgs Enkeln blüht voll alter Treu,

Für den Kaiser gern Jeder auf sich rafft

Und dann eisern steht in Schlachtenreih:

De Aarde en haar Volken, Jaargang 1906 - Full Text (Van Toledo naar Granada)

No comments:

Post a Comment