Monday, March 5, 2012

De Aarde en haar Volken, Jaargang 1906

De Aarde en haar Volken, Jaargang 1906

De Aarde en haar volken

1906.
HAARLEM,
H. D. TJEENK WILLINK & ZOON.



Door Holland met pen en camera

Naar het Fransch van Lud. Georges Hamön.1


Op de kermis.

Elk land heeft een eigen karakter, dat is onbetwistbaar. Holland nu is, zoowel om den aard van zijn grondgebied als om de kleeding zijner boeren, tegenwoordig het schilderachtigste land van Europa.


Een mager oudje.

Het is de moeite waard, zich op te maken om met eigen oogen te aanschouwen die pijpjesrookers en kermisdansers, die langzame schuiten en reusachtige bruggen, die zwaaiende molenarmen en kalme overpeinzingen van rustige burgers over hun glas bier, die boerin met breede heupen, de producten der eigen boerderij naar de stad brengend, die spannen van trekhonden, die eeuwige kanalen, bevolkt met eenden, die nette dorpen en aardige huisjes, die zonderlinge visschers, grillige luchten, moerassige vlakten. Men kan dan op zijn gemak, zonder de oogen dicht te doen, vóór zich zien verschijnen de landschappen door Ruysdael’s penseel op het doek gebracht, en de tronies der bierdrinkers die Teniers teekende.

Naar Holland gaan beteekent trouwens zooveel niet.... Men stapt ’s morgens aan ’t Noorderstation in een exprestrein, en ’s avonds zit men kalmpjes in een “koffiehuis” te midden van de diepe rust der weiden en de tonen van een klokkenspel.

Als men in één adem België is doorgespoord, wat niet moeilijk is met het oog op de kleinheid van het land, komt men te Roozendaal, het grensstation, waar het gebruikelijk is, zijn krachten eenigszins te herstellen. Daarna stapt men in een langzamen [2] trein, die er saai uitziet en op weg is naar Zeeland, het land der eilanden met zonderlinge namen, doorsneden door vaarten, kanalen, rivieren, slooten en booten, en bevolkt door vrouwen met bloote armen.

Maar men houde wel voor oogen, dat Holland een wanhopig vlakke en eentonige streek is, dat het geen heftige aandoeningen wekt, noch tot opgewonden geestdrift stemt of stille innerlijke verrukking teweegbrengt. Holland is het land der rust, waar men zich dompelt in het kalmste welbehagen.

I

Een hollandsche stad.—Middelburg.—De wolken.—De “boerinnen”.—Het huis.—De brugwachter.—De markt.—Een hollandsch dorp.—Zoutelande.—Goede herbergiers.—Typische avond.—De klompjes der kleine kinderen.—De kermis.—De vroomheid van den Hollander.

Na veel eentonige moerassen te zijn voorbijgegaan en vochtige landerijen; na bruggen te zijn overgereden, stopt de langzame trein te Goes en daarna te Middelburg, de hoofdstad van het eiland Walcheren.

Het was grijs, donker weêr op den morgen van mijn aankomst. In Holland vinden de wolken geen klokkentorens om ze tegen te houden, noch boomen of heuvels, en dus komen ze van alle kanten aandrijven, wit en rose en zwart, bruin, oranje of rood, al naar den tijd van den dag, en door den wind voortgestuwd. Zij lossen zich op in zware regenbuien of vluchten in compacte massa’s heen, trachtend zich hier of daar vast te zetten; maar de molens, die steeds maar blijven zwenken en draaien, schijnen ze uit te lachen, net als de baders, die in het water duiken, als men ze roept.

O, hollandsche wolken, wat hebt ge mij een last bezorgd!... Moet ik er boos om blijven?... Ik weet het niet, want gij ziet er toch niet kwaad uit, en Holland zonder wolken zou een afschuwelijke woestijn zijn; daarom hebben de wolken en het water samen vriendschap gesloten ten bate van het landschap.

Het was dan grijs en leelijk weêr, toen ik in Middelburg uitstapte.

Middelburg, hoort ge wel? is een echt type van een hollandsche stad, half en half grootsteedsch en half en half boersch. Naast Goes en Wemeldinge is het de interessantste plaats, waar ik geweest ben.

Het was morgen. Overal ontmoette ik groenteboeren en groenteboerinnen, sommigen in lage wagentjes, getrokken door kleine, harige paardjes, anderen, bezig karren voort te duwen, hoog opgestapeld vol met groente, boter, eieren of melk.

Trip, trap, trip, trap.... Dat stapte maar voort zonder haast. Niemand heeft ooit haast in Holland. Het paard, in een zacht drafje gebracht, stond dadelijk stil, als ’t noodig was.

Boerinnen, jonge meisjes nog, goed gekleed in haar nauwsluitende jakjes, met dikke heupen door de zware rokken, liepen waggelend met een juk op de schouders en boden aan de klanten melk en boter aan in blauwe of groene emmers met deksels, alles van de uiterste zindelijkheid getuigend.

Het type is niet bijzonder mooi, ik bedoel, niet erg fijn; maar schoonheid is een zaak, die moeilijk uit te maken is, en tot veel verschil van meening aanleiding geeft. Ziet men niet dagelijks de menschen bewonderend stilstaan voor de schilderijen van Rubens, alles vleesch, want men weet, dat hij bijna niet anders dan dikke Vlamingen op zijn doeken bracht.

Deze jonge dames kennen in ’t geheel geen beschroomdheid. Meer dan eene, die op mij afkwam met de handen in de zij en met de schouders schokkend in een droge beweging van onverschilligheid, stond stil, als ik haar aankeek, ging met een coquet airtje vóór mij staan en gaf mij door teekens te verstaan, dat een geldstukje haar niet onwelkom zou wezen. Als ik beproefde haar onverwacht te kieken, stiet zij een kreet, van toorn uit en keerde mij met ostentatie den rug toe. Op andere plaatsen, bij voorbeeld op Marken, wordt die belasting van den vreemdeling bijna als een recht geheven; een belachelijk misbruik.

Middelburg!... Zeer net stadje, met straten die alle aan elkaâr gelijk zijn. Rondom kanalen en, boven de daken uitstekend, twee of drie groote molens. Enkele oude monumenten, geheel in stijl. Zangerige klokken spelen de uren en laten hun tonen plotseling druppelen in de doffe stilte der bijna verlaten wegen en straten, waar men weinig winkels ziet.

Er wordt in Holland niet veel gewandeld, en aan flaneeren wordt in het geheel niet gedaan. Men leeft te huis opgesloten in zijn dicht en keurig, goed onderhouden vroolijk woonhuis. Geen huurhuizen van vijf, zes of tien verdiepingen. Elk gezin heeft zijn thuis, zijn eigen woning, waar alleen bekenden binnentreden, van wie men zeker is.

Maar wat houdt men dan ook veel van dat “home”, hoe graag versiert men het en tooit het op, wascht het, verft het en boent erop naar hartelust! Zulk een pijnlijke bezorgdheid doet het oog goed, want men gevoelt, dat zij één is met de plaatselijke zeden en gebruiken.

De straten, geplaveid met baksteenen, vertoonen geen enkele onreinheid. De vensters, van zonneblinden voorzien, zijn niet gestoffeerd met nieuwsgierige gezichten, die op den voorbijganger neerzien met ingenomenheid of afkeuring. Men ziet geen vrouwtjes bij de deuren staan praten of gewichtige samensprekingen houden op drukke kruispunten van wegen. Zelfs de kinderen zijn maar juist even druk genoeg, om te bewijzen, dat de stad niet door spoken wordt bewoond.

Alleen de spionnetjes kijken u aan, spiegels, die van buiten aan de vensters zijn bevestigd en waarin de vrouw des huizes, gemakkelijk achter haar horrikje gezeten, dat is een groen scherm in den vorm van een klaverblad, uren aaneen gadeslaat wat er voorbijgaat, juist als visschen doen in het water van een goudvischkom.

O, die vriendelijke doodschheid der hollandsche woningen op een grijzen achtermiddag in September!

Met mijn camera in de hand, ben ik de kleinste straatjes doorgegaan, overal met mijn onbescheidenheid binnendringend, waar ik er maar kans toe zag. Ik dwaalde langs de plechtige kaden, waar het rood der daken zich voegde bij het bruin van ’t vele hout, dat in het water dreef en bij het rossige waas der boomen, dat den herfst verkondigde. Ik liep langs [3] de oevers van het groote kanaal; jonge meisjes wisselden er teekens met de melkboeren aan den overkant, omlijst door den vlakken horizon, waarin een molen draaide.


Jong boerinnetje.

Ik kende spoedig tot in de kleinste bijzonderheden den korten doolhof van wegjes en straten, die alle zonder onderscheid naar het hoofdplein leiden, waar ’t stadhuis te vinden is met al zijn beeldhouwwerk, waar de weekmarkt wordt gehouden en waar de tram van Vlissingen stopt, de zeehaven, waar stoombooten van allerlei naties binnenvallen.

De voorstad, die erheen leidt, brengt u aan een brug. Die brug gaat in het midden omhoog als een dubbel luik, om de schepen met masten door te laten. De bewerking duurt een goed kwartier, gedurende welken tijd de weinige personen, die over de brug wenschen te gaan, in ’t minst geen blijk geven van verveling. De brugwachter leunt, als een mandataris in het volle besef van zijn verantwoordelijkheid, tegen de leuning; hij zwijgt en wacht op wat de schipper zal verkiezen te doen, die zijn schuit met de plechtige langzaamheid van een voorvaderlijke schildpad doet voortschuiven.

Die brugwachter was inderdaad op zichzelf een echt hollandsch poëem. Rossig in de rossige omgeving, stond hij daar met zijn pijpje tusschen de lippen geschroefd; een kalme wijsbegeerte straalde van hem af: de philosofie van de neutrale lichamen, bij tusschenpoozen zich bewegend naar een onduidelijk aangewezen doel. In hem herleefden de gestorven geslachten der Nederlanders met de afgemeten gebaren, die zwegen en droomden en eeuwen van geduld stelden tegenover de koppige aanvallen van de verraderlijke zee.

Dit is wel echt het karakter van den Hollander. Omringd door het water, vechtend tegen het water, gevoed door het water, heeft hij de zachte zwaarte van het water zich eigen gemaakt, dat geluidloos nadert en onder zijn kleurrijke oppervlakte vreemde werelden verbergt.

Met zijn glad rond gezicht, zijn naar de mode van Lodewijk XI geknipte haren, zijn dikke handen en zijn beenen in een wijde broek, lacht de Hollander zelden of nooit, schreeuwt nimmer, vecht niet met woorden en schijnt in zijn ernstigen blik een wereld van gedachten of van nevelachtig gepeins te weerspiegelen.


Ophaalbrug te Middelburg.

Rossig in de rossige omgeving, rookte de symbolische brugwachter zijn pijpje, onbekommerd om de overdenkingen, waarin zijn beeld mij dompelde. Toen het schip voorbij was, draaide hij een ijzeren kruk om, en de toegang was weer open.

Dit hoekje van de stad was nog stiller dan het overige. Een peinzende moeder liep er met haar kleinen jongen, die in een doek gewikkeld was, en geen ander levend wezen was er te zien, geen geluid te hooren dan het geklepper van den nabijzijnden molen.

De volgende dag was een Donderdag, marktdag te Middelburg. De zon weigerde mij niet alles op mijn smeekingen en tintte rose de jagende wolken, die uit den Oceaan gekomen waren. Ik ontbeet vlug met eieren en ham, verkwikte mij met thee en bereikte de Groote Markt, het tooneel van den handel. [4]

Drie of vier verplaatsbare winkels, een stroom van boeren en boerinnen en wagens met witte kappen bewees, dat er wel lust was om zaken te doen; maar ik zocht overal tevergeefs naar de menigte, die er moet wezen om aan den straathandel levendigheid te schenken.

In Zeeland is er om zoo te spreken noch landbouw noch industrie. Bij gevolg kan men er niet uitstallen, als bij ons, die hoopen groenten, eieren, vruchten of bloemen, waar omheen de huisvrouwen zich verdringen.

In Zeeland produceert de boer niet veel anders dan melk, boter, beetwortels en aardappels. De melk en de boter worden bij de klanten thuis gebracht door de boerinnen, zooals wij reeds hebben gezegd. De beetwortels gaan per schip naar de fabrieken.

Te spreken van een “markt” voor die wekelijksche bijeenkomst die ik bijwoonde en die nog voortdurend blijft bestaan, zou eigenlijk minder geschikt zijn. Onder voorwendsel een paar kilogrammetjes boter te verkoopen, komen de brave luidjes in de stad hun wekelijksch uitstapje maken, om er kennissen te ontmoeten, enkele inkoopen te doen, pijpjes te rooken vóór het stadhuis en met de handen in de zakken te droomen in een herberg, waar een biljard staat, zittend achter een groot glas bier en luisterend naar het droge geluid der ballen, door zwijgende spelers bewogen.


Huisvrouwen aan ’t inkoopen doen.

Welk een kalmte! Dit volk, met meel en vet gevoed, heeft geen zenuwen. Breed, zwaar, gezet zonder dik te zijn, herinneren die mannen, die geen begrip van gebrek en ellende hebben aan chineesche bonzen, in rieten stoelen gezeten, die langzaam onder hun bolle oogen hun duimen draaien boven hun buik in stille overpeinzing, zonder op den voortgang van den tijd te letten.

De mannen voegen zich te zamen op een hoek van de markt, om elkander hun indrukken mee te deelen over den stand van beesten of beetwortelen en over de gezondheid van hun kinderen. Op enkele vierkante meters staan daar een heele menigte typen, die van vreugde kunnen doen beven de afstammelingen van Teniers, Ostade en Potter, al die goede, overleden schilders.


Huisvrouwen aan ’t inkoopen doen.

Groepen oude boeren met korte broeken, gebloemde kousen en hooge ketelhoeden, wier kaalgeschoren gelaat door losse haarvlokken omgeven is, voeren den geest naar voorbijgegane eeuwen.

Die oudjes zien er voor ’t meerendeel gezond, maar zeer mager uit, in tegenstelling met de dikke jongelui en aantoonend, dat juist zij het oudst worden, die wat droog van spieren zijn.

Uit die algemeene zwaarwichtigheid moet niet worden afgeleid, dat de intellectueele vermogens beperkt zijn. De Hollander is goed onderwezen; hij leest wel niet veel, maar onthoudt, wat hij leest. Zijn goedaardigheid en stugge, massieve manieren zijn dikwijls slechts iets uiterlijks; men zou, eer men er te vast op bouwde, den onmerkbaren glimlach moeten kunnen verklaren, die soms rimpels om de ronde, blauwe oogen doet verschijnen en om de zachte, ongerimpelde monden. Hij heeft, wat men [6] noemt, den moed om tegen de dingen in te gaan, voortkomend uit gezond verstand en uit berekening. De eeuwenlange strijd, ondernomen tegen de zee en de vernielende rivieren, heeft hem groote volharding geschonken en een onbegrensd geduld, een echte kracht van inertie. Hij is werkzaam, maar die activiteit is niet onstuimig en wordt aan den dag gelegd in stillen, geregelden, volhardenden arbeid.

Spaarzaam is hij ook, en in dagen van overvloed blijft hij zuinig; grootheid en ijdelheid toont hij alleen bij groote gelegenheden, openbare inschrijvingen, bruiloften of kermissen.


Conferentie over de dikte van de bieten.

Als een hollandsche boer zijn dochter uithuwelijkt, geeft hij een gastmaal van stavast. Oudtijds waren de feesten bij bruiloften zoo algemeen in de zeden doorgedrongen, dat een wet tusschenbeide moest komen, om te bepalen hoeveel violen er mochten zijn, hoe groot de waarde der geschenken mocht wezen, en wat de prijs per couvert moest zijn.

Bij tweeën en drieën staan de melkboeren te praten over allerlei kleinigheden, op neutralen toon gezegd, terwijl de rook der sigaren hun oogen in een zilverachtig schijnsel hult, of wel, ze gaan met langzame schreden naar de herberg en zetten hun vertrouwelijk praatje voort op de banken langs den muur.


Groote boerenwagen met witte kap.

De herbergzaal, of liever de biljardkamer, heeft veel overeenkomst met onze herbergen en café’s. Al de ruimte wordt ingenomen door het enorme biljard met zakken aan de vier hoeken. Verder staat er een ronde tafel met een gestreept kleed er over, en alles, wat er noodig is, om te schrijven; stoelen, netjes in rijen geschaard, voltooien het eenvoudig ameublement voor de wijze klanten.

Men zou, als men daar binnentreedt, kunnen meenen, dat men in het huis van een particulier is, die u vriendschappelijk, met de ellebogen op de tafel geleund, een lekker glaasje zal aanbieden.

Op het marktplein ziet men beslist alleen mannen. Waar gaan wel de vrouwen heen? Ik krijg een drietal huisvrouwen in het oog, die voortloopen met manden aan den arm, en ik volg ze. Zij brengen mij weldra op een groote binnenplaats, omringd door een klooster, en in het midden geeft een oude iep koele schaduw.

Dit is het heiligdom der huisvrouwen. Zij staan er kalm en langzaam en nauwkeurig zaken te doen in haar wijde rokken, groote boezelaars en helder gekleurde doeken, de witte mutsen versierd met goud en zilver. Enkele hebben hun manden neergezet op schragen, die ervoor klaar staan, of op den grond naast de afgevallen bladeren en wachten met eindeloos geduld, tot er een koopster opdaagt, om haar te ontlasten van de vette koopwaar. Anderen staan stil, draaien wat heen en weer, loopen rond en staan weer stil, zwijgend met onbeslisten blik en dwalend oog, alsof ze er niet heel zeker van waren, dat zij den vasten grond betreden.

Verlangt u boter?

Wij wenschen boter.

Hebt u kaas?

Wij hebben kaas; zie, hoe zacht ze is.

Die vragen, die antwoorden, suizen zachtjes met het geluid van den wind door de takken van den grooten boom, en enkele vrouwen vertellen elkaâr kalm, op welke wijze zij het smakelijke product bereid hebben met de melk van dien en dien dag, afkomstig van een bepaalde koe.

Onbeduidend en bolbleek zouden die hollandsche dames zijn zonder haar bijzondere kleeding, juist als die anderen in moderne toiletten, die alle bekoorlijkheid missen. Met de eigenaardigheden van het land passen zij op het archaïsche fond en blijven in haar rechte, statige houding, alsof ze altijd en overal op doek vereeuwigd moesten worden.

Haar bloote armen, hard geworden door den wind, dragen manden, die met roode, blauwe of gele doeken toegedekt zijn, en daar het nog zomer is, dragen zij hoeden op het hoofd in den vorm van omgekeerde bloempotten met groote pompons versierd.

Onder den olm met bruine takken komen haar gestreepte sjaals flink uit, zooals zij zich buigen naar de geopende manden der boerinnen, die mooi zijn als ze nog niet veel jaren tellen, zooals al wat jong is, ondanks de stijve kleeding, die de buste in rechte hoeken omspant.

Haar voeten, die niet weten wat haast is, drukken de steenen van het oude plaveisel, en dat is het eenige geluid, dat men verneemt, gedempt nog in de algemeene stilte.... De zeeuwsche vrouwen schijnen, zou men zoo zeggen, aanhoudend kostbare geheimen met zich rond te dragen, die zij enkel aan elkander kunnen openbaren achter een muur, beschilderd met lichte en donkere strepen en achter de groene zonneblinden vóór de vensters. Haar vochtige [7] oogen weerspiegelen de groote weiden, waar de jonge koeien grazen, die dikwijls worden gemolken; haar smalle voorhoofden, stijf geknepen in het kanten omhulsel, zijn blijkbaar nog onder den indruk van het liedje van ’t melken, dat tweemaal per dag wordt afgespeeld, dat liedje van de melk, die druppel na druppel met bobbels in den emmer valt, en haar handen zetten nog de bewegingen als van een harpspeelster voort, waarmee zij de blanke uiers streelen.


Boerengezin aan ’t markten in Middelburg

Zouden ze zoo zacht zijn als dat voedend vocht?... Laat ons geen te haastig oordeel vellen! In Zeeland, in Friesland en in Groningen zijn er brunetten en blondines, rossigen en anderen met kastanjebruine haren, en zoo de overdaad van zachte spijzen haar aderen heeft gevuld met een flauw en waterachtig vocht, zij zullen zonder eenigen twijfel in haar gevoelens niet verschillen van de andere dochteren Eva’s.

Dat zijn overdenkingen, waartoe de marktdag in Middelburg iemand brengt. Zonderlinge markt voorwaar, waar men op de teenen loopt in eeuwigdurend geflaneer.

Een zeventigjarige, steunend op zijn kleinzoon, lacht mij vriendelijk toe. Hij is het verleden, hij met zijn costuum van een vlaamsche schilderij; het kind is het tegenwoordige, de toekomst met zijn knellend petje en vierkant afgesneden buisje. Ik wenk en wijs op mijn camera. De kleine wil den ouden heer wegtrekken van dat gevaar, dat mijn instrument opraper van beelden wezen kon; maar de oude staat stil en neemt een nobele houding aan als een groot heer, die wel graag bewonderd wordt.

Een hevige regenbui valt plotseling neer op markt en straten en huizen met puntdaken; een uur lang klettert het en ruischt en spat en drijft de kalme boeren in de herbergen; dan schijnt de zon weer, en er worden toebereidselen gemaakt voor de thuisreis.

De groote wagens in den vorm van schuiten, overdekt met witte huiven, komen van alle kanten te voorschijn en staan in rijen geschaard. De meisjes, blij dat ze eens uit zijn; de huisvrouwen, tevreden over haar inkoopen en haar gezellig gebabbel; de boeren, voldaan over hun marktwandeling en verzadigd van bier en jenever, allen stijgen in.

Tott werziens! ... Goedag!

De paarden schudden met de ooren, tillen de slappe beenen op en vertrekken, trip, trep, trip, trep, langzaam door de nauwe straten die goed geplaveid zijn, met zoo min mogelijk gedruisch, naar de stallen.

De stad, die een oogenblik druk en woelig is geweest, herneemt haar gewone, slaperige kalmte. De zon daalt lager. De grachten schitteren in veelkleurig licht. In de vallende schemering gaan booten voorbij, stil met opgezette zeilen en een licht geklots van het water. De donkere molens maken ter begeleiding van den zonsondergang stomme teekens, voorbijgaand als de minuten. Achter de neergelaten gordijnen der huizen verschijnen bleeke lichtschijnsels. Stilte, stilte, stilte.... Middelburg, hoofdstad van Zeeland op het eiland Walcheren, verdwijnt in den nacht ...

Zoutelande, een dorp verloren achter de duinen, dichtbij de zee. Een groote molen wijst de plaats aan. De avond valt. Langs de steenachtige wegen, met slooten er naast, huilt de wind, kondigt den naderenden vloed aan. Aan den voet der hooge bergen van zand een hoofdstraat, schoon als de vestibule van een hôtel, met een bruin plaveisel en lichte, geschilderde en gewasschen huizen. Een enkele herberg, waar ik tegen de deur stoot. Rondom het biljard vier of vijf mannen met korte broeken, die rustig spelen. De waard, een kleine grijsaard met een rond, verheugd gezicht; de waardin, een groote veertigjarige met verstandige oogen. Zij gaat vóór mij staan met de handen op de heupen en begint in ’t Hollandsch een lang gesprek. Ik glimlach en maak een beweging van spijt. Met behulp van het woordenboek, dat ik uit mijn tasch haal, geef ik haar te verstaan, dat ik een kamer noodig heb en voedsel.

Zij brengt een vinger aan het voorhoofd: “Begrepen!” en gaat heen. Zij komt eenige oogenblikken later terug met haar dochter, ook groot en forsch, [8] en begint opnieuw een gesprek. Ik leg voor het meisje mijn wensch bloot, en beide zijn het geheel eens, zeggende: “Begrepen!” Helaas!... het meisje gaat den vader halen, die ja zegt op alles, wat ik aanwijs, steeds maar lacht en met het hoofd knikt op de manier van porseleinen poppetjes. Wanhopig doe ik mijn mond open, steek er den voorvinger al kauwend in, en buig mij over een tafel met de oogen dicht.


Grootvader en kleinzoon.

Zij vouwen de handen, zijn verrukt en kijken elkander aan: “Wat is die man toch gek en wat doet hij dwaas!”

“Begrepen, begrepen,” zeggen ze, en verwachten misschien, dat ik nog meer door gebaren zal aanwijzen; maar ik zeg bij mij zelven, dat ik hier toch geen Kaffers of Berbers vóór mij heb, en ik ga waardig op een stoel zitten, de tong uitstekend als bewijs, dat ik wel zou willen drinken.

Er wordt mij melk gebracht. De schemering wordt zwaarder. In de hoop, dat ze wel wat voor mij zullen braden, ga ik uit. De wind is hevig, blaast door mijn haren, en ik zie niemand buiten. Ik beklim het duin; men kan er niet staan. De zee schuimt tegen de palen, geplaatst langs de dikke steenen, die het zand moeten tegenhouden. In de verte vecht een antwerpsche stoomboot tegen den wind en schuin waait haar rookpluim achter haar aan.

Brr, wat is het koud! Ik ben wel genegen den lof der Zeeuwen te zingen hier boven van mijn berg; maar de molen, die statig ronddraait ginds aan ’t eind van het dorp, schijnt mij uit te lachen met zijn groote, zwaaiende armen.

Ik ga terug naar de “Roode Leeuw, logement en koffiehuis.” De biljardspelers zijn weggegaan. De baas rookt zijn pijp bij ’t fornuis, terwijl zijn dochter aardappelen zit te schillen.

De huisvrouw houdt mij haar vinger voor en wijst naar de deur van een kamer. Ik geef gevolg aan die peremptoire uitnoodiging en vind op een tafellaken een glas melk, twee eieren en kaas, bescheiden menu van de kluizenaars uit Gallië in den tijd der barbaren.

Mijn maag voelde hol en leêg na zoo’n middag van beweging, en ik vroeg luidop om meer. Er was niet meer. De vrouw keek mij met ontzetting aan en stelde een nieuwe speech samen, waarvan ik niets begreep.


De pijpjesrookende brugwachter.

“Brood en melk, lief moeder”, wees ik haar in het woordenboek, met een gebiedende beweging.

Begrepen!

Helaas, ik kreeg dan ook niets anders dan brood met boter, besproeid met bier en melk. [9]


De dochters van den herbergier uit Wemeldinge.

Toen ik mijn razenden honger had gestild, voegde ik mij bij de familie om ’t fornuis, waar een ketel met water stond te koken. Het meisje schilde nog altijd aardappelen, en de moeder, met het hoofd voorover, krabde zich den hals, terwijl de vader, diep gedoken in een houten leunstoel, kringetjes blies uit zijn groote pijp.

O, hollandsche avond, daar in die dichte herberg, glimmend van properheid, ik zie u nog! De geverfde hangklok scandeerde de minuten met haar rooden slinger. De muren, behangen met porseleinen borden met blauwe bloemen, gaven bij het schijnsel van de lamp een illusie, alsof ze van marmer waren en een lichtende lijst vormden om de massieve meubels van bruin mahoniehout.

Pietje is een aardig boerinnetje, en de ouders ook zijn beste luidjes. De taal der oogen, die rijk is aan uitdrukking, vervangt in voldoende mate die der tongen, en wij vangen weldra elkanders gedachten op, als we ons best doen er uitdrukking aan te geven.

Die stilte en rust irriteeren echter na verloop van een uur mijn zenuwen van levendigen Franschman. De oude is zoo tevreden, dat hij mij ergert, en het gekrab van de moeder werkt aanstekelijk. Ik profiteer van het oogenblik, waarop de dochter met haar werk klaar is en wijs met een energieke beweging naar de zoldering.

De moeder heft het hoofd op en glimlacht. Dat behoort tot haar departement. Ze legt haar breiwerk neer en voert mij naar een ladder, achter de keuken, steekt den vinger in de hoogte en reikt mij de kaars aan onder het uitspreken van een ingewikkelde redevoering.

“Goed, goed”, zeg ik, “lief moeder, ik wensch u een goeden nacht, u en uw ronden echtvriend en uw dochtertje en ’t heele huis!”

Ik klauter de ladder op en kom op een soort van zolder, waar de rijkdom aan groente der familie ligt opgestapeld, rechts een hoop aardappelen, links een pyramide van wortelen, vóór mij een berg uien, elders erwten en boonen en gereedschap; tusschen twee balken eindelijk een alcoof van ruwe planken en daarin een matras, twee lakens en een deken.

Ik sla de armen over elkaâr, vol verontwaardiging ... maar ik bedenk, dat in een dorpje verloren onder tegen de duinen van een afgelegen eiland, men geen pretensies hebben moet, en ik volg Napoleon na, die, uit vrees verrast te worden, zich geheel gekleed te slapen legde.

De wind joeg over het dak, deed de pannen kletteren met krachtige stooten; maar mij vastklampend aan de geruststellende gedachte, dat hij eerst het dak moest kapot hebben, vóór hij mij kon bereiken, sloot ik de oogen en viel in slaap....

’s Morgens stroomde een prachtige zonneschijn door het zolderraampje en legde een stralenkrans om mijn hoofd. Ik haastte mij naar beneden en naar buiten, waar ik tot mijn verbazing een abnormale drukte van klompen hoorde.

Dat geluid van het hout op de steenen riep in mijn herinnering Bretagne op en de kadans van de klompen op de bestrating der oude stadjes.

Maar dat is toch niet mogelijk, zei ik tot mijzelven, dat de jongens van Guéméné en de meisjes van Fouessant de zee zijn overgestoken in den nacht, om mij deze aubade te brengen? Misschien ook zijn het de geesten der gestorvenen uit mijn land, die mij willen verrassen en mij beletten, mij te laten [10] naturalizeeren als Hollander. Ze hadden anders in dat opzicht niet heel veel te vreezen....

Beneden aan de ladder lachten de vrouwen mij toe; de baas, weer in zijn stoel gezeten, stiet een groote rookwolk uit en rolde met zijn blauwe oogen.... De weg was eenvoudig vol met kleine kinderen, die vóór schooltijd heen en weer drentelden.

Verrassend, die kinderen! In andere landen maken huns gelijken een diabolisch lawaai, schreeuwen, stampen, loopen elkaâr achterna, spelen krijgertje, verstoppertje of springen touwtje.... Hier wandelen ze maar. De jongens met de handen in de zakken, de pet op één oor, duwen elkaâr zoo’n beetje weg. De meisjes, als groote menschen gekleed, met wijde rokjes en groote doeken, dansen in ’t rond, elkander bij de hand houdend, of loopen hard bij ’t klepperen van de wijde klompjes, terwijl ze met de dunne, bloote armpjes zwaaien.

Dit was een frisch, opwekkend gezicht. Een heldere Septemberzon, een straat, zoo schoon en rein als ’t schip van een kerk, roode, bruine of witte huizen met roode daken, kleine meisjes, in het blauw gekleed, in druk bewegen vol gratie; men kan er werkelijk spijt van hebben, dat men niet met één penseelstreek al die kleuren op het doek kan brengen, waaruit een tooneeltje van dezen aard bestaat.

De kinderen werden mij gewaar en vlogen weg als opgeschrikte vogeltjes, toen ik de beweging maakte van hen te willen photografeeren. Ik liep ze achterna. Zij lachten, liepen achter muren om, verborgen zich, kwamen weer voor den dag, en ik kon mij al gauw verbeelden een wolf te zijn, die schaapjes achtervolgde.

Klik, klak, daar had ik ze! Ik overviel hen in een schuilhoekje, waar ze zich verbergden, en waar de meisjes de handen vouwden, als om genade te smeeken, terwijl de jongens daarentegen mij brutaal trotseerden.

Maar de kinderwereld met haar levendige kleuren liet mij in Zoutelande weldra alleen en trad het schoollokaal binnen.

Ik deed een omgang door het dorp. Geen levend wezen te zien. Overal dichte deuren. Geheimzinnig gesloten vensters. Stilte. Geen waschplaats, waar men het kloppen op het linnen hoorde. Geen enkele huisvrouw aan ’t keuvelen met een burin of aan het werk op haar plaatsje of in haar tuintje. Nu en dan treedt een vrouw naar buiten met emmers water en een ontzaggelijken bezem. Zij wascht haar huis van boven tot beneden af, plechtig en ernstig, en met een ladder klimt ze tot het dak, om de pannen af te vegen, en doet dan haar deur weer dicht, waarachter men zich haar denkt, altijd wasschend, boenend, vegend, poetsend en opsierend.

Er is veel gesproken over de hollandsche zindelijkheid. Die is geen mythe. Dit volk heeft den trots der properheid. Te midden van water levend, onder een regenrijken hemel, door wind geteisterd, gebruikt het wind en regen, om vuil en stof weg te waaien en weg te spoelen.

Armoede schijnt in deze streken onbekend; zoo zij bestaat, is ze zoo zindelijk, dat men haar niet herkent. Elke familie behoudt van geslacht tot geslacht de zware, massieve meubels, waaromheen een ongeschokt en rustig leven wordt geleid.

Het omringende water, de gedwongen beperktheid van de wegen te land, het ontbreken van landbouw en industrie hebben tot die zeden en gebruiken aanleiding gegeven. En Holland is een land van burgers, van schippers en makelaars, maatschappelijke kringen, waar men aan comfort is gewend.

De kleinste boer overbluft u nog met zijn kleeding, zijn porselein en zijn blinkend huisraad. Hij maakt den indruk van iemand, die zeker is van zichzelven, van zijn verleden, zijn heden en zijn toekomst, in ’t minst niet verontrust door een progressieve belasting, dreigende politiek of ongemotiveerde zenuwachtigheid.

Van nature is de Hollander teruggetrokken en stil; uit gewoonte hecht hij zich aan zijn werk, zijn zaken en het familieleven.

Hij is godsdienstig, maar zonder in uitersten te vervallen. Het hervormde geloof, dat hij aanhangt, lokt niet uit tot vroomheidsvertoon en staat geen weelde toe in beeldjes of heilige voorstellingen, zooals men wel in andere landen ziet.

De kerken hebben enkel kale of gewitte muren. Men gaat er des Zondags heen, om naar de preek te luisteren. Geen bevallige feesten of symbolieke dagen of herinneringsplechtigheden. Men gaat naar de kerk, omdat het nu eenmaal zoo behoort, en omdat men doen moet, wat volgens de traditie altijd gedaan is.

De Bijbel is een nationaal monument, dat de hervorming op één lijn stelt met de vaderlandsliefde, een gevoel, dat diep geworteld is in ’t hart der Nederlanders, en toen Lodewijk XIV, na Utrecht te hebben vermeesterd, op de groote markt alle exemplaren liet verbranden, die men ervan kon vinden, zou hij zonder grootspraak zich hebben kunnen beroemen, het intellectueele Holland van dien tijd aan de vlammen te hebben overgeleverd. De vrijheid van geweten wordt echter overal geëerbiedigd en dat wel sinds onheugelijke tijden. De godsdienstige secten zijn ontelbaar, en alle leven in de beste verstandhouding met elkander. Katholieken, protestanten, joden, muzelmannen, allen genieten precies dezelfde rechten en prerogatieven.

Men is er streng van zeden. Nooit hoort men van misdaden of avonturen, waarbij de liefde in het spel is. De jonge man, die zijn oog laat vallen op een jong meisje, doet zijn best om het tot een huwelijk te brengen, als ten minste het onderling belang erbij gebaat wordt; alles blijft kalm in de polders, ook de gevoelens.

Die ingetogenheid verdwijnt één keer in het jaar en wordt tot een deelneming aan woeste gelagen; dat is bij gelegenheid der kermissen.

Gedurende de dagen, gewijd aan deze nationale feesten, brengt de boer naar buiten alles, wat hij in gewone tijden moet binnenhouden en onderdrukken, namelijk de leelijke zijden van zijn natuur; hij danst als een schuit op hooge zee, rookt als een antwerpsche stoomboot en drinkt als den Helder op de dagen van overstrooming. Drie dagen en drie nachten lang verlaat hij, meer bepaald in sommige steden, het koffiehuis niet. Op de tafels en den grond uitgestrekt, verbijsterd door de muziek en ongevoelig geworden door den drank, blijkt hij een ander wezen geworden met buitensporige gebaren en luid klinkende woorden, en men zou niet weten, waar men hem bij moest vergelijken, als het niet bij Bacchus zelf was op zijn [11] dagen van groote uitbundigheid. De schilderijen van Rubens in het Louvre, zoo cru in hun realisme, kunnen nog als symbolen dienen, indien een schets vol echte waarneming symbool kan zijn voor een veeleischend geslacht.


Sterke paarden aan het werk.

Het bacchanaal,—dat moet erkend—verschilt naar gelang van de provincies en krijgt meer en meer neiging, tot een familiefeest te worden, ’t geen dan weer op verlies van schilderachtigheid te staan komt.

De kermissen hebben voor de jongelieden bijzonder groote beteekenis, omdat ze voor hen zeer zeldzaam voorkomende gelegenheid zijn, zich vrij te bewegen, uit te gaan. In dit moerassige land, waar van eigenlijke velden en buiten zijn geen sprake is, kan men niet, als bij ons, des Zondags gaan wandelen langs schaduwrijke wegen tusschen bloeiende weiden.

Van tijd tot tijd gaat men wel eens per boot naar Rotterdam of Zierikzee, maar die uitstapjes halen niet bij een kermisdag in de hoofdstad der provincie. Daar gevoelt men zich te huis; men kan er op zijn gemak okshoofden zwart bier verzwelgen en wafels verorberen, uien eten en komkommers of geconfijte citroenen in azijn, gekruid met harde eieren....


Het dorpje Zoutelande.

Wat de huwbare dochters aangaat, zij nemen ijverig deel aan de kermis. Lang van te voren zorgen zij voor de mooie mutsen met de ronde vleugels, die haar oogen zoo goed doen uitkomen, voor den bloedkoralen collier, het blauw fluweelen dasje, de gouden plaatjes op het voorhoofd en de gouden stiften op zij, met al die kleine extraatjes, waardoor de jongens worden bekoord.

Die kostbare sieraden zijn de trots van de boerin. De droom van ieder is, ze prachtig te kunnen vertoonen, van echt goud, opdat de wind ze even kan bewegen en ze kan doen ruischen als de vleugels van een libel.

Te Zoutelande wordt verteld, dat een zeer mooi, maar ongelukkig boerinnetje, dat door de gierigheid van haar vader geen sieraden bezat, een heftig verlangen voelde om op dit punt de gelijke te zijn van haar kermisvriendinnen, opdat zij evenals deze gevraagd zou worden te dansen, te lachen en poffertjes te eten door de jongelui, die de armoede minachten.

Toen zij naar de markt van Middelburg ging, om de melk en de boter van de boerderij te verkoopen, overpeinsde ze die lastige quaestie en was diep bedroefd, zoo geminacht te zijn, hoewel ze er aardig genoeg uitzag.

“Ik wil schitteren”, dacht ze, “want ik ben mooier dan de anderen”.

Onder het voortloopen, in haar gesloten jakje met het bruine juk op de schouders, keek ze mistroostig naar het water in de slooten, dat de zon weerspiegelde, [12] en zei tot zichzelve, dat, zoo dit water melk was, zij dadelijk genoeg zou hebben, om de mooiste sieraden te koopen van de goud- en zilversmeden in Schoonhoven.


Een miniatuurpaartje.

Toen begon ze te lachen, stond stil, nam van haar geverfde emmers het deksel af, zag, dat ze niet vol waren, deed er een weinig bij van ’t water, dat in vele tinten straalde, en zette haar weg voort.

In plaats van acht liters melk te verkoopen, verkocht ze er elken dag twaalf en verborg in een laadje de opbrengst van haar list.

Het ging zoo goed, dat ze weldra een aardig spaarpotje had en de zoo begeerde sieraden kon koopen. Zij was uitgelaten blij en kon niet laten, toen ze uit de stad terugkwam, tegen haar slapen de mooie sprieten te hechten en in het water te kijken als in een spiegel.

Helaas, toen zij zich bukte, om haar gelaat te zien, raakten de krullen, die niet goed vastzaten, los en vielen in het stroomende water.

Reneetje, op het gras gezeten, vervuld van spijt en boosheid en teleurstelling, schreide heete tranen, tot de wind haar deze verstandige woorden in het oor fluisterde:

“Wat uit het water komt, moet tot het water terugkeeren.”

Er wordt niet bij verteld, of het jonge meisje den troost aanvaardde.

II

Ontmoeting op straat.—De mooie ruiter.—Teleurstellend déjeûner.—Vader Kick.

Zoodra ze getrouwd is, na de uitbundige pret van de bruiloft, bergt de boerin in de laden alle kleine sieraden en snuisterijen, waar zij zoo op gesteld was als jong meisje. Het gebruik wil namelijk, dat zij er ernstig ga uitzien, juist als de vrouwen, die geen veroveringen meer willen maken, omdat ze een levensgezel hebben gevonden. Ze bewaren alles voor haar dochters, als die op haar beurt, bij de eeuwige herhaling der verschijnselen, een boer aan den haak moeten slaan.

Maar kom ... ik loop te lang in Zoutelande rond, luisterend naar den wind, die mij deze vroolijke dingen vertelt tusschen twee duwen tegen de wieken van den grooten molen.

Een melkboer, in zijn kar als een schuit, met een groot harig paard er voor, gaat naar het veld, en zijn wagen verbreekt de stilte.

Elders ontmoet ik even buiten het dorp een miniem klein paartje, jongetje en meisje. Zij, zeer moederlijk en grappig, beknort den kleinen jongen met een basstemmetje en wil hem terughouden van den weg naar Westkapelle, waar de overmoedige Willem zich heen wil begeven. Zij trekt hem uit alle macht bij een slip van zijn jasje, en men herkent in haar reeds het toekomstige vrouwtje, dat haar man afhoudt van verkeerde wegen ... beminnelijke zorg!


Overal kleine dreumesen.

Een doffe galop ... Wat is dat?... Een man met blauwe oogen in een verheugd gezicht, komt van het land terug met zijn twee paarden, zijn vrouw en zijn meiden. Hij groet en springt op den grond, al verblijder kijkend, wijst op zijn beesten, [14] die er goed uitzien, dan op mijn instrument, legt een hand op zijn borst en de andere in de neusgaten van zijn eene paard en geeft te verstaan, dat het beeld merkwaardig mooi moet worden.

Met een glimlach stap ik drie passen achteruit, twee naar rechts, één naar links, mompel een goedkeuring en open het klepje van mijn camera.

Atsjoem!” proest het paard nommer 1.

De ruiter, nu bepaald ten toppunt van voldaanheid, deelt mij zijn indrukken mee, helaas, zijn ze voor mij onbegrijpelijk en gaat dan weg met een beweging, die schijnt te zeggen: “Tot strakjes, wacht hier op mij!”

Nieuwsgierig kijk ik eens naar de kerk, die er kaal en somber uitziet, naar het groene veldje, waar de dooden worden begraven zonder eenige versiering of grafteeken, want wat van de aarde komt, moet tot de aarde terugkeeren zonder meer; heel de hollandsche philosofie ligt in dien zin. Ik denk er juist over, het duin te gaan bestijgen, toen opnieuw een drievoudige galop zich doet hooren. Ik bespeur mijn verheugden ruiter, die met drie nieuwe paarden komt aanhollen. Hij zegt iets en stijgt van het paard. Hij gaat bij het eene staan en verklaart, dat ik nu met mijn werk kan voortgaan.

“Je maakt misbruik, vriend!” antwoord ik in het Fransch.

En om er van af te zijn, draai ik zijn hoofd om en doe alsof ik hem kiek. Tot driemaal toe, met elk der drie paarden, herhaalde ik het grapje; toen kreeg ik een adres, met potlood geschreven, en tegelijk een betuiging van de grootste ingenomenheid.

Tot werziens, tot, tot....

Ik beklom het duin. De kinderen, uit school gekomen, toffelden in koor op hun klompjes, klots, klots, klots.... Ik moest hen tot mij zien te lokken door iets ongebruikelijks. Met mijn pet zwaaiend, begon ik hard te loopen en daarbij heftig met de armen te zwaaien, het gezicht naar de zee gekeerd, alsof ik daar iets heel bijzonders zag.

Die buitensporigheid wekte de nieuwsgierigheid. Langs alle voetpaadjes kwamen de kinderen aanloopen; ze trokken elkander mee en kogelden in het zand. Ik liep naar het strand tot aan den rand der golven. Zij volgden mij. Daar nam ik plotseling een handvol centen uit mijn zak. Zij stortten naar voren. Ik raapte wat gevallen was weer op. Een deel van de kleinen vluchtte verschrikt weg; de rest, allen meisjes, bleef om mij heen staan en stak de magere bloote armpjes uit.

“Hoepla!” riep ik; “dans eens voor mij!”

De een hief een liedje aan, en daar begonnen ze te dansen, blauw en rose geteekend tegen den grijzen hemel vóór dien blauwgroenen horizon, één en al frischheid in den koelen morgen.

Na vijf minuten werkens, gingen de kleinen om mij heen staan, en ik legde in de roode kinderhandjes de verwachte geldstukken. Toen vlogen ze weg als kwikstaarten en herinnerden mij tevens, dat het tijd was voor het lunch.

Op het duin kwam de waardin uit de herberg mij zoeken. Met de handen in de zij begon ze een lang gesprek en liet mij daarbij haar mond en haar tanden, bijna haar maag zien. Ik ging met haar naar het kleine kamertje met de blauwe, gebloemde borden aan den wand, waar een hagelwit tafellaken een reeks van schaaltjes van wit porselein droeg met deksels. Het zag er uitlokkend uit. De waard blies in alle vriendelijkheid weer veel tabaksrook uit en bracht mij een glas bier.

Plechtig nam ik met de beste verwachtingen het deksel van het eerste schaaltje, een taai stuk biefstuk dreef in de margarine.... Ik ontdekte het tweede: roodbruine worteltjes.... Ik ontdekte het derde: gekookte aardappels.... Ik deed het vierde open: gehakte kool, die naar heliotroop rook....

De waardin lachte een goddelijk lachje, vol trots.

In verslagenheid proefde ik het vleesch en verslond het in stilte, met ruime bijvoeging van bier, melk, eieren en boterhammen.... O, hollandsche keuken! Wat hebt gij mij een last gegeven! Gij vindt nergens uws gelijke, dunkt mij, of het moest zijn in de spaansche pablas, de duitsche ham of de arabische koeskoes.

Toen ik een sigaar aanstak, om het leed over het treurig onthaal wat te verzachten, trad er een der oude mannen binnen. Hij zag er nog ouder uit dan alle ouden, die ik reeds had gezien. Hij ging dicht bij het buffet zitten, liet zich een groot glas jenever geven en ging tegenover den rustigen baas een dutje doen, afgebroken door een paar zachte woorden. Ik had voor mijn oogen een doek van Teniers, en ik genoot er ten volle van. Het in woorden weer te geven, is mij onmogelijk. Geen woord zou de kalmte en rust kunnen schetsen van die beide ouden, die al rookend hun glaasjes ledigden, en daar zaten in hun houten leuningstoelen met rechte ruggen, alsof ze er nooit uit zouden opstaan. Naast hen kookte de koperen ketel; door het groene horretje vóór ’t venster vloeide de zon binnen met vaag schijnsel, dat weerkaatst werd door de borden aan den muur, en de klok, met bedachtzame haast voortgaand, stiet met haar rooden slinger de minuten over de hoofden van die heeren, die de kunst verstonden om het leven te verlengen.

Na een tijd, die lang of kort of middelmatig lang duurde, wat doet het ertoe, dronk vader Kick zijn glas tot den bodem leêg, schudde de asch van zijn sigaar en ging heen. Hij liep omhoog in de richting van de zee langs een voetpad tusschen groene heggen, met den rug naar de roode pannen van de daken.

Wat zou hij daar gaan doen?... Niemand weet het denkelijk.... Op de duinen keek hij naar den oceaan met de handen in zijn zakken en een onverschillig gezicht. Toen ik bij hem kwam, wees hij mij een stoomboot, welker rookpluim den horizon streepte en verzonk toen weer in stom en diep gepeins.

En hij, vader Kick, was mij aldus een symbool van de geslachten van Nederlanders, die als vasthoudende eilandbewoners, van de zee hun tegenwoordig land stalen, en van eeuw tot eeuw hun steenen en houten borstweringen, hun enorme dijken en hun eindelooze pieren vooruitschoven in de nevelige ruimte.

In den blik, waarmee de oude vader Kick de bewegelijke eindeloosheid peilde, scheen hij te zeggen: “Ik heb je, dochtertje, en mijn kinderen zullen je houden!”


Ze zongen er een liedje bij.

[15]

III

Het hollandsche land.—Het water.—De molens.—De landbouw.—De polders.—De dijken.—Oorsprong van Holland.—Een avond te Veere.—Wemeldinge.—De vijf jonge meisjes.—Stomme flirt.—De dronken man.—Het leven op het water.

Een deel van Nederland ligt, zooals bekend is, ver onder het niveau van den zeespiegel en zelfs van de rivieren, hetgeen de werken van allerlei aard verklaart, door de inboorlingen gebouwd om het water tegen te houden, sommige schijnbaar van weinig beteekenis, maar kolossale werken, als men ze nader onderzoekt.

Voordat de Rijn geboren was, waren de Nederlanden een zee. Op een goeden dag werd er in de Ardennen een bres geslagen door de meren, in hun omtrek opgesloten; de bergen weken voor de overweldigende kracht en hun wanden werden weggeslingerd tot op grooten afstand. De Rijn, een nieuwe waterloop, teekende toen Nederland, zooals het hem behaagde, met behulp van Maas en Schelde.

Aanhoudend een massa alluviaal slib aanvoerend, deed hij stapje voor stapje de zee terugwijken, tot deze haar revanche nam en toen werd tegengehouden door een nieuw menschengeslacht. De Rijn, zwakker geworden door de vele zijtakken, die hij uitzond, zou in het zand gestikt zijn, als de genialiteit der menschen hem niet te hulp was gekomen.

De krachten van de zee en die van het stroomende water, de neiging der rivieren, om hun mondingen te laten verzanden, de hevigheid der winden en de overvloed van regen, van watertoevoer bij den voorjaarsdooi, deden de drie rivieren zwellen en buiten haar oevers treden, waarbij zij in het land veel moerassen achterlieten en meren, die drooggemaakt moesten worden en daarna door dijken moesten worden omringd.

De geschiedenis der overstroomingen in Holland is bijgevolg een lange, treurige historie; zonder de Hollanders zou Holland er niet zijn; zonder hun voortdurende waakzaamheid, zou het land weldra een waterwoestijn wezen.

Van Middelburg in Zeeland tot Amsterdam en Hoorn wordt het land, dat eindeloos vlak is, door tallooze kanalen doorsneden, door bruggen, slooten, moerassen en sponzige weiden, waar de beesten soms tot de knieën inzakken.

Men moet zich een reuzendambord voorstellen, in alle richtingen doorsneden door waterwegen, waarin zich altijd wolken spiegelen en kleurige huizen, dikwijls van hout opgetrokken, en molens en kudden.

Smalle wegen, met steenen geplaveid, loopen langs de groote kanalen en brengen steden en dorpen met elkander in gemeenschap.

Weinig of geen landbouw. De veeteelt is voldoende en voedt den bewoner met vette melk, met kaas en biefstuk.

Het water heerscht alom, het overweldigende water, het water, dat rijst of daalt met de maan, en dat, zoo ver het oog reikt, zijn zacht vloeiend reuzennet uitbreidt, waar altijd-door de schepen en de booten en de eenden gaan.

De weide, van een wonderbaarlijk teeder groen, trekt bij den eersten oogopslag de aandacht, breidt ver zich uit tot aan den grijzen horizon en is bezaaid met pyramidevormige daken, met koeien en stieren van onbegrensde en verbazende rustigheid, die de welriekende geuren snuiven van de bloeiende grassen en hun tong laten strijken langs het fluweel der zachte groenheid vóór hen.

Het is eentonig, en die eentonigheid, verkwikkend voor het oog als een licht gewasschen waterverfteekening, wekt indrukken van vredige kalmte, welker afstraling men overal bespeurt, in de menschen zoowel als in de dingen.

Zenuwlijders en zij, wier bitter verdriet of wier heftige gemoedsopstand hen in onrust brengen, moeten hier bij ’t dwalen langs die duizenden van rimpellooze spiegels, te midden van die eindelooze natuurlijke tapijten, hun hart tot rust voelen komen.

Ziehier een paar schetsen. Na een hevigen regen op den weg van Monnikendam, een rood huis in een kring van kortdikke boomen; het lint van den weg ligt vol plassen, heldere vlekken, waarin het blauw van den hemel zich weerspiegelt. Andere huizen staan verderop; twee molens draaien heftig met stooten, houden een seconde op, beginnen weer, draaien, houden stil en draaien weer, de groote stilte brekend met hun gevleugeld rhythme.

O, die molens!... Hun aantal brengt een mensch van de wijs. Nooit zou men kunnen gelooven, dat er zooveel zijn. Ze dienen voor alles, voor het uitpersen van olierijke zaden, het braken van vlas, het zagen van hout, het pompen van water. Het minste zuchtje wind, dat over het land strijkt, moet voor de industrie zijn dienst bewijzen, wordt even vastgehouden om de duizend wieken te helpen draaien, die hun bewegelijke kruisen teekenen op de grijze lucht.

Groote en kleine, ronde en vierkante, er zijn er van allerlei soort en vorm en afmeting, van ’t kleinste watermolentje, dat wanhopig en woedend draait, tot den indrukwekkenden toren van den tolhuismolen, begroeid met zachtgroen mos.

Die molens hebben reden van bestaan. De dijken en de sluizen, die tegen het buitenwater zijn gemaakt, tegen de zee en de rivieren, zouden alleen niet voldoende zijn geweest, om Holland bewoonbaar te maken, zoo het land niet de kunst verstaan had, zich van het binnenwater te ontdoen, dat aangevoerd wordt door de regens, de hooge vloeden, de bronnen en de afgraving van het veen. Bij gebrek aan machines, ging men bij den wind om hulp, en men bevond er zich wel bij.

In 1850 berekende men, dat 30.000 H.A. lands, met inbegrip van het beroemde Haarlemmermeer, zoo van den Oceaan teruggewonnen en voor den landbouw beschikbaar gesteld waren.

De groote moeilijkheid bestond in de handhaving van het evenwicht tusschen de bijzondere belangen van die polders en de algemeene belangen van het afwateringssysteem, waaraan het land zijn bestaan te danken heeft. De verdeeling van de watermassa’s moet met oordeel geschieden, of er kunnen de grootste rampen uit voortvloeien. Maar men voorzag erin door het in ’t leven roepen van scholen voor ingenieurs, waar het kleine leger werd gevormd, dat in opdracht heeft, het grondgebied te verdedigen tegen den eeuwenouden vijand. Als het al niet zoo [16] moeilijk is, een sluis te bouwen, een dijk te dichten, een moeras droog te leggen, er is veel wetenschap en veel oplettende waarneming noodig, om op de goede wijze de watermassa’s af te voeren en te verdeelen.

Een ander schetsje. Te Westkapelle komen twee vrouwen uit den molen, waarvan de ramen twee groote oogen lijken boven een deur, die een neus verbeeldt. Eén heet Keetje; zij is getrouwd met Jocker, den eigenaar van den molen; de andere is haar schoonzuster, Van de Eserke, wier man boer is. Beide verbazen zij zich, dat de boot van Rotterdam nog niet de zakken koren heeft meegenomen, waarmee men haast heeft, als men ten minste ooit haast met iets kan maken.


Vader Kick, in gedachten verdiept.

De landbouw, voor zoo ver men eigenlijk hier van landbouw spreken kan, bepaalt zich tot aardappels, kool, wortels en bieten. Weinig koren, alleen wat tarwe en haver, en dan nog vlas, ziedaar alles. Dat is zeker een der redenen, waarom men geen brood eet, maar zich voedt met meelspijs, melk en boter.

De velden, waar iets verbouwd wordt, zien er slikkerig, vet, leemachtig uit; in regenachtige perioden zakken de karren er tot de naven der wielen in. Zoo’n land zou niet geschikt zijn voor de verschillende producten van onze landbouwstreken.

De beetwortel wordt in Zeeland over een groote uitgestrektheid verbouwd. Als de herfst in het land is, ziet men van alle kanten wagens, door sterke paarden getrokken, heele bergen er van naar de aanlegplaatsen vervoeren. Indrukwekkend verrijzen die hooge hoopen, alsof er manna uit den hemel was gevallen, en onophoudelijk worden de vrachten geschift en geteld door groepen, die niet veel haast maken, terwijl de dikke kegels, die bultig of opgezwollen en log zijn, symbolen lijken van de menschen, die ze wegen.

De schuiten, het eenig mogelijke vervoermiddel in deze vochtige oorden, komen ze halen, om ze te brengen naar de rustige fabrieken, waar de stoom hen zal vervormen.

Over de kanalen met de duizenden van zijtakken glijden de vaartuigen. Den ganschen dag gaan er zoo voorbij, en men vraagt zich af, hoe de schippers niet verdwalen te midden van die waterwegen, die alle op elkaâr gelijken.... Maar de wind, die hen leidt, bedriegt hen niet, en zij komen zonder ongevallen in de gewenschte havens, waar ze hun lading lossen en haar na zorgvuldige opeenstapeling inwisselen tegen klinkende guldens of tegen ruilwaren.

De voortglijdende schepen en de draaiende molens zijn de eenige verlevendiging van de al te groene landschappen.

Achter de kunstmatige oevers, aangelegd om het land te beschermen, komen de met wimpels versierde masten aanglijden, zachtjes en voorzichtig, en het is allermerkwaardigst, die zeilen en masten te zien passeeren boven de landen als lange, zwarte kaarsen.

Door het trillend water van ’t kanaal wenden de schuiten stil en ernstig hun steven stroomaf langs de buigende waterlelies en trekken strepen over het water, en op den kalen oever zeulen magere, kleine paarden ze voort, langzaam en voorzichtig door het groene polderland. Links en rechts strekt dat zich onafzienbaar ver uit, zeeën van groen vormend, waar het eenig teeken van menschenleven gegeven wordt door de molens met hun wijde wiekenvluchten, als spoken ijlend door de lucht. Zij knikken den reiziger toe, al springend en huppelend in een rhythme als van den dans. Ernstig loopen koeien en ossen van bruine kleuren door de velden en scheren de malsche grassen af, terwijl door het water van de vaarten de schuiten gevolgd worden door een stoet van eenden. [49]


Grazende schapen aan ’t kanaal.

Holland is het land, waar het allerminst geluiden worden gehoord, want alles glijdt er over ’t water.

Er bestaan booten voor iedere soort van transport, dus ook voor passagiers. Dat zijn kleine stoombooten, met hutten en dekken, die zonder eenigen schok voortglijden door de kronkelende wateren.


In postuur naast zijn paard.

Als de reis lang is, richt ieder zich in als thuis, zit te rooken of zet zijn werk voort, als om zuinig te zijn met de stof, waaruit het leven is gemaakt. Er wordt geschreven, gegeten, geslapen. De vrouwen naaien, breien, vertrouwen elkander geheimen toe. Van die haven tot die gindsche ligt voor haar de lengte van een halve kous, van een boezelaar of een intiem verhaal.

Men vaart langs een eentonig landschap, dat is waar; maar hoe rustig en verkwikkend is het niet, in die algemeene stilte den vorm der wolken na te gaan en het oor te luisteren te leggen naar ’t geschuifel van het water, als het door het bootje wordt gekliefd! Dit is een feest der diepe gewaarwordingen, feest van vloeiend water en nevel, van ’t koeltje en het licht en de golfjes!

De minste afwisseling krijgt dadelijk een wonderlijk groote beteekenis, en men gaat een molen bewonderen, die er wat sierlijk uitziet, of een roode boerderij, een vreedzaam rund, een jongen, die voorover buigt, om zijn bootje voort te trekken met behulp van zijn hond.

In ’t voorjaar en den zomer geven waterlelies en irissen witte en gele tinten aan het blauwgroen water van den kant der kanalen, en in de schemering werpt de zonsondergang van mooie avonden er het geheele gamma van zijn kleuren neer, en men krijgt de illusie, over goud, purper en saffier te varen. Wie Holland wil leeren kennen, moet per boot reizen liever dan per spoorweg. Het aanleggen bij de verschillende landingsplaatsen brengt den reiziger tot in het hart van ’t hollandsche land en laat indrukken na, die een vreugde zijn voor langen tijd. [50]

Trouwens die methode van vervoer beantwoordt zoo uitstekend aan de natuur van het land, dat zij de eenig mogelijke schijnt te zijn. De meeste diensten, die elders per wagen worden verricht, gaan hier door middel van booten. De groenteboer duwt zijn schuit voort, beladen met groenten, vrachten of bloemen, zooals hij in Frankrijk zijn ezeltje of zijn karretje leidt.

Te Amsterdam hebben de verhuizingen te water plaats; melk, bloemen, hout enz. worden eveneens zoo vervoerd en aan de eene gracht heeft men de markt voor het eene, aan de andere gracht die voor het andere product.

Nadat hij het water heeft teruggedreven, weggejaagd en met dijken beteugeld, houdt de Hollander ervan, het overal heen te voeren; hij leidt het door zijkanalen en slooten, maakt er de afsluiting zijner landerijen en weiden van, de barrières voor zijn kudden, zonder dat hij honden of herders noodig heeft.

Er wordt alleen een uitzondering gemaakt voor de schapen, die dwaze viervoeters, die verdrinken zouden zonder opzet, doordat ze met hun neus al te ijverig den weidegrond besnuffelden. Men komt ze soms tegen langs de vaarten, ijverig grazend, gehoed door hun eigenaar in een rossige overjas.

Te Wemeldinge, ten zuiden van Goes, vindt men zulke tooneeltjes ook, getuige dit haastige schetsje, dat mij een mijner meest typisch hollandsche gewaarwordingen gaf: een avondhemel van lichtgrijze kleur, een geelachtig kanaal, een langzame schuit, stijve molens, bruine polder, witte beesten met zachte omlijning, oude man in gedachten, stilte.... Zelfs de hond blaft niet, als een schaap den verkeerden kant uitgaat, maar bepaalt er zich toe, zijn snuit tusschen de pooten van de afgedwaalde te steken.

Wemeldinge is een oud plaatsje, vooruitgeschoven sluizenpost in de wateren. Ik kwam er op een regenachtigen morgen aan, toen de hemel in toorn zijn ganschen watervoorraad uitgestort had. Ik had Zoutelande verlaten, om mij naar Westkapelle te begeven, waar de beroemde westkappelsche zeedijk is, alleen te vergelijken bij die van dichtbij den Helder. Die dijk, verscheiden duizenden meters lang, uit enorme steenen en stevige palen bestaande, stelt een verbazende hoeveelheid arbeid voor, wanneer men bedenkt, dat er noch steengroeven, noch wouden in de buurt zijn. Een kolossale molen steekt er boven uit, niet ver van de huizen met roode daken. Dat alles ziet er niet juist treffend uit, doet ten minste niet bij den eersten aanblik verbaasd staan. De natuur verzacht ook een beetje het bewijs der menschelijke energie, door elk open plekje met gras te bekleeden; maar zij kan de zee niet beletten, er onophoudelijk tegen aan te slaan, en als men zich keert naar de vlakte, krijgt men een indruk van wat de zee heeft moeten afstaan.

Van Westkapelle naar Veere is niet ver, langs een goed onderhouden weg. Te Veere is een oud kasteel in een hotel veranderd, onmiddellijk aan het water gelegen. Een ronde toren is het eigenlijke hoofdblok van het huis en dient als gezelschapszaal op de eerste verdieping. Hooge vensters met diepe vensterbanken bieden een goede zitplaats, om den strijd gade te slaan van de zonnestralen tegen de nevels en de wolken en de schaduwen.

Bij het vallen van den avond vallen er subtiele, teedere kleuren in de ruimte neer, en mooie lichteffecten worden verkregen; als dan de avond en de nacht daar zijn, dansen overal op het water de lichtjes en de vuren, teekenen zich eerst onduidelijk af, komen naderbij, worden rooder, verdwijnen weer. Men hoort geen roeiriemen plassen, noch geklepper van zeilen of liedjes van scheepsjongens, en ’t is, of het spookschepen zijn, die schatten van de diepten zoeken.

Te Veere nam ik den volgenden dag een vroege boot en voer naar Zierikzee in een fijnen regen, wanhopig eentonig, een hollandschen regen, die echter spoedig overging in dikke pijlvormige stralen, met woeste vaart uit den hooge naar beneden schietend.

Ineengedoken in mijn regenmantel, onderging ik op stoïcijnsche manier den storm, kijkend naar de wagens, die weggezakt waren in den weeken grond der velden en nu en dan omhoog gehaald werden door de krachtige inspanning van paardenheupen en pooten, met vet slib bezoedeld.

Maar ten slotte werd het toch weer helder; ik besteeg mijn fiets en rolde door het land, overal rondkijkend en tegen den wind in trappend.

Ik legde vele kilometers af, reed over ophaalbruggen en dammen, langs weiden en stukken bouwland, door dorpen, die alle aan elkaar gelijk waren, en kwam te Wemeldinge op den tijd toen mijn maag luide riep om nieuwen voorraad.

Wemeldinge heeft een hoofdstraat, beplant met geschoren olmen. Geleid door een klein meisje, kwam ik al gauw in ’t eenige logement der plaats.

De waard, een groote, magere man met een profiel voor een medaille, ontving mij vriendelijk. Hij waarschuwde zijn vrouw. Deze was niet bij machte mij te begrijpen en riep haar dochters. Vijf jonge, frissche deerntjes, lachend en rose en mooi, kwamen te voorschijn en stonden met haar bloote armen en haar gevleugelde mutsen om mij heen. Ik nam een blad papier en teekende een koe, toen een brood, een karn en andere ingrediënten, die als symbolen konden dienen van voedsel, dat ik wenschte te verorberen. Zij vouwden de handen, lachten zeer luid en spraken allen tegelijk onder druk bewegen van haar kleine handen, om mij een massa geheimen te onthullen.

Ik haalde mijn woordenboek voor den dag. Dat wekte sensatie.

“Lief boerin ... aardige meisjes...”

Zij dansten van pret. De moeder liet ze op een rij staan, telde ze met den voorvinger en klopte zichzelve op de borst.

“Ik heb ze het leven gegeven.”

“Mijn compliment... Bekoorlijk... Ik heb zoo’n honger!”

Nu haastten zij zich. Eén bracht melk, een ander roastbeef, een derde brood, een vierde kaas. De vijfde, die heel mooi was, een Martha gelijk, bleef stil bij mij en hielp mij den weg vinden in het labyrinth van mijn zinnetjes, die zulk duister Nederlandsch bleken te zijn.

Als een pacha ging ik aan de tafel zitten, bediend [51] door de bekoorlijke schoonen, wier rustige gratie en frischheid mij kalm stemden. Ik verscheurde het taaie vleesch met mijn tanden en verslond met mijn oogen de aardige tronies. Inderdaad ben ik nooit het voorwerp geweest van zooveel attenties, zelfs niet in mijn vaderland, waar de jonge meisjes toch heel lief zijn.

Toen ik verzadigd was, stak ik een sigaret aan en beloofde den jongen dames waar te zeggen. Het was vermakelijk. Zij kwamen dicht bij mij staan, terwijl ik met gefronste wenkbrauwen als een wijze sybille de lijnen van haar handjes bestudeerde.

Daarop wilde ik weten, hoe oud ze waren. De handjes gingen omhoog en als kleine kinderen, die op de vingertjes optellen, rekenden zij de lentes na, die ze achter zich hadden.

Ik vroeg ze, mij een hollandsch liedje voor te zingen. Ze vatten elkander om het middel, traden terug tot achter in de kamer en liepen naar mij toe onder het zingen van een airtje, tra la la.... Toen bukten ze allen en lachten, dat ze schaterden, om daarna haastig weg te loopen. De vader, die tusschen zijn glazen en blaadjes kalm zijn pijpje zat te rooken, lachte mee.


Groote molen op den dijk te Wemeldinge.

“Waar zijn zij heen?” vroeg ik in armzalig Duitsch.

“Naar boven,” zei hij, wijzend naar ’t plafond.

“Ik wou haar portret wel maken.”

“Wacht een oogenblik.”

Beneden aan de trap wezen vijf paar zwarte pantoffeltjes, met kralen versierd, op een overhaaste vlucht. Hoewel ik er lust toe gevoelde, durfde ik niet naar den harem opstijgen; dus vergenoegde ik mij met wachten en een sigaartje te rooken.

Een kwartier ging aldus voorbij; daarna hoorde ik achter de deur een onderdrukt geluid. Ik deed de deur open. De oudste drie stonden daar, uitgedost in de beste spullen.

“En de beide anderen?”

Zij schudden het hoofd, wezen op haar kapsel, haalden de schouders op, en ik meende uit de bewegingen te moeten opmaken, dat een aanleiding van coquetten aard ze belette, naar beneden te komen.

“Maar wij zijn er, wij!” beduidden ze mij.

Ik volgde de meisjes in den tuin, waar een groen hek dien afsloot, begroeid met klimrozen en loopend langs een wegje. De zon scheurde bij tusschenpoozen de zware wolken, die in troepen langs den hemel draafden, en verlichtte dan plotseling den violetten horizon met een geelachtig schijnsel; maar de mutsjes met de ronde vleugels vulden voor mij de gansche ruimte, zooals ze daar boven de levendige oogen een geheimzinnige taal spraken. De jonge meisjes lachten en lieten de armen hangen. Ik nam ze om beurten bij de pink en bracht ze naar het hekje, waar ik tegen leunde, om haar in oud Fransch een fijn complimentje te maken, waarvan zij enkel den klank begrepen; maar die was aangenaam, want het was dit versje van Ronsard:

“Donc, si vous me croyez, mignonnes,

Tandis que votre âge fleuronne

En sa plus fraiche nouveauté,

Cueillez, cueillez votre jeunesse;

Comme à cette fleur la vieillesse

Fera ternir votre beauté.”

Toen zette ik de drie gezichtjes door mijn voorbeeld in de gewenschte plooi van ernstige vriendelijkheid, en ik ging wandelen, na even mijn vinger gelegd te hebben op de gouden vlindertjes bij haar voorhoofd.

Ik liep langs het groote kanaal. De sluizen, die ieder oogenblik opengaan, lieten langzame schepen door, die, met de zeilen geheschen, zich verwijderden in de groene omgeving tegen den bewegelijken achtergrond der lucht, waar zware wolken voortjoegen. Wagens waren in de buurt bezig hoopen beetwortelen af te laden. Een oude man hoedde de schapen op de hellingen van den wal. En overal stilte, altijd stilte ... toen weer avond.

In de biljardkamer zie ik mij vervolgens, passend bij de omgeving, gezeten in een hoek en sigaretten rookend met tegenover mij twee van mijn jonge meisjes, die met droge tikjes aan het breien zijn. [52] Wij lachen nu en dan tegen elkander met in onze oogen werelden van onuitgesproken dingen. Ik geniet van de witheid harer aardige huiven, van de blankheid van haar teint, de lenigheid harer bloote armen, mooi uitkomend tegen ’t zwart fluweel der korte mouwtjes. En die stomme flirt in het koffiehuis van het verloren dorp bij den rook van sigaren en de schokjes van de biljardballen, bewogen door ernstige spelers, bij de kolossale glazen bier en de verbleekte chromo’s aan de muren, wekt allerlei illusies in mijn geest.

Ik denk, dat ik een der boeren ben, en dat ik hier in huis aan de tafel zit, om mijn hof te maken aan Reneetje Korstanje, dochter van Frans Korstanje, waard te Wemeldinge. Reneetje is met de laatste kermis zestien jaar geweest, en ik heb haar onder de anderen uitverkoren om haar oogen, die een gouden glans bezitten. Ik heb haar te dansen gevraagd, heb haar poffertjes laten eten, en aan haar pink heb ik een zilveren ringetje laten glijden, uit de schatten van een marskramer opgezocht. Den volgenden dag ben ik aan ’t venster komen kloppen, en ik heb mijn eerlijke bedoelingen aan den vader blootgelegd. De oudere zusters zijn een beetje jaloersch geweest, want zij wachten met ongeduld, dat voor haar de tijd van trouwen komt; maar ’t zijn goede kinderen, en ze hebben vriendelijk tegen mij gelachen, nauwkeurig lettend op mijn manieren, om te zien hoe een minnaar doet.


Westkappelsche Zeedijk.

Ik ben in het bezit van drie schuiten, en ik vaar van Goes en de andere plaatsen van de eilanden naar Rotterdam. Ik passeer alle twee of drie dagen Wemeldinge, en dat zal heel gemakkelijk zijn, want ik zal daar dan een mooi huishoudstertje op mij vinden wachten. De bruiloft moet binnen een maand gevierd worden; er zal een groot feest zijn; we zullen violen hebben en lange linten, jenever, rundvleesch en zwart bier.

Reneetje zit nog altijd te breien. In Holland breit men niet, als in Frankrijk, met de punten der vingers. De breisters hebben in de ceintuur een scheede van gesneden hout; ze steken daar een naald in en de wol wordt tot breisteken met een verbazingwekkende snelheid, begeleid door een aanhoudend gegons.... Reneetje breit. Ik schets haar portret. Zij houdt nu en dan even op, om haar vingers rust te geven, en ziet met open blik zonder schroomvalligheid of brutaliteit naar den franschen meneer, wiens baard veel indruk op haar maakt.

De oudste, een mooie blondine, komt binnen en wenkt mij, haar te volgen. Zij brengt mij naar een zaal en wijst naar de tafel, waar vijf porseleinen dekschalen op staan met melk en thee en boter.

Ik licht bevend die bedriegelijke deksels op en word bijna flauw van de geparfumeerde geuren, die opstijgen van de voor mij bereide gerechten. Maar ik moet dapper zijn, want elk oogenblik gaat de deur half open, en een der vijf gezichtjes komt eens kijken naar wat ik doe. Ik voel mij door blikken omringd.... Ze kijken stellig door het sleutelgat, door het venster en glinsteren, om mij te dwingen, die dingen daar in te slikken. Ik tracht mij te onderwerpen; maar ik stik bijna en bepaal er mij toe den biefstuk te eten, het gekookte vleesch en ’t brood, die alle redelijk smaken.


Kleine klompenjongetjes in Volendam.

[54]

De avond gaat om met langzamen tred. Een jonge onderwijzer, die brokjes kent van Fransch, Engelsch en Duitsch, heeft met mij gepraat over zijn toekomstplannen, zijn vrije gedachte en zijn familie. Om elf uur gaan de klanten opstaan en vertrekken. Alleen een kleine, ronde, oude man, wiens ambitie bij ’t biljarten ik had opgemerkt, bleef zitten en snorkte kalm.


Oolijke Volendamsche deerntjes.

De herbergier schudt hem heen en weer; verloren moeite. Men schreeuwt hem iets in ’t oor; hij beweegt niet. Men zet hem overeind; hij slaat zijn zware oogleden op en is op ’t punt te vallen. Hij wordt naar de deur geloodst; maar hij doet drie schreden, om dan op den vloer te vallen als een lijk. Zijn witte schedel met enkele gele lokken dreunt dof op den grond, en hij blijft liggen, weer in slaap vallend....

De vijf boerinnetjes zijn doodverschrikt en vouwen de handen. De vader, die het lastig vindt om de politie, gooit water in het bleeke gezicht van den dronken man, terwijl de moeder mij geschiedenissen vertelt, die zeker wel interessant zijn, maar waarvan ik geen woord begrijp.

Daarom neemt de waard een heldhaftig besluit; hij vat de beenen van den oude, wijst mij het hoofd, en samen hijschen we hem op het biljard, waar hij lekker blijft doorslapen, als lag hij in een veêren bed. Buiten valt de regen met zacht geluid. Daar wordt kort op de deur geklopt. Een stem vraagt iets. Er wordt open gedaan. Een jonge boer met het ronde hoedje en het vest met metalen knoopen, komt binnen. Het oudste meisje keert zich blozend om. Hij kijkt naar zijn oom, want hij is, schijnt het, een neef, die zoo twee van de drie avonden den dronken man komt halen. Hij schudt meewarig het hoofd, neemt hem op zijn schouders en gaat heen, begeleid door een straal van licht, die uit het koffiehuis over den weg valt onder de ronde, geschoren olmen naar de donkerheid, het water, de zee, het onbekende. En ieder volgt in stilte de schreden van den jongen man, den schutsengel, die den als dooden grijsaard meevoert.

Den volgenden morgen ging ik, na een ruime uitdeeling van handdrukken aan het geheele huishouden en slechts eenige guldens armer, aan boord van de eerste stoomboot en voer over de kronkelende kanalen tusschen molens, weiden en dijken naar Noord-Holland.

Die stoomboot zag er verbazend huiselijk uit, en ik voelde, toen ik mijn voet op het dek zette, dat ik er zou kunnen slapen, zooveel ik wilde, zonder te worden gestoord. De kapitein, een droog en ernstig heer, stelde mij voor om naar beneden te gaan, daar het boven koud en winderig was. Zijn vrouw, een jonge blondine met blauwe oogen, die er met haar krulletjes en een kleine rose boezelaar kinderlijk uitzag, zat er en streelde een dikke poes. Zij stond op bij een teeken van haar man en trad een klein keukentje binnen, achter een schot verborgen, bracht ververschingen en terwijl de rook der sigaretten haar blauwe oogen verzachtte, er iets wazigs aan bijzette, zooals de ziel is van haar volk, liet ik mij zachtjes door het bootje schommelen.

Des avonds, toen de lichten werden aangestoken, verschenen dokken en bruggen en vele masten van schepen; klokkenspel weerklonk, en het stoombootje gleed als een vlindertje tusschen reuzengevaarten Rotterdam binnen bij het slaperig geluid van de stoomfluit....

IV

De hollandsche visscher.—Volendam.—De wasch.—De kinderen.—De eenden.—De haringvangst.—De zoon van den visscher.—Een zonderling eiland: Marken.—Te midden van het water.—De huizen.—De zeden.—De jonge meisjes.—Vooruitzichten.—De turf en de veenderijen.—Nationaal product.—Hoogveen en laagveen.—Plaatselijke steenkool.

Als men visschers wil vinden, moet men ze niet in Zeeland zoeken, ondanks de drukte in Vlissingen. Men neme liever de boot, doe Kortgene, Stavenisse en Zierikzee aan en ga van Rotterdam over den Haag, Haarlem en Amsterdam, kalmpjes naar Volendam aan het strand der Zuiderzee; dat is de goede manier.

Volendam is langs den straatweg 16 K.M. van Amsterdam verwijderd. Het is een punt van bijeenkomst van schilders uit alle landen, die zich van het havenstadje hebben meester gemaakt, om er hun kunstproducten aan te ontleenen.

De kleederdrachten, de menschen en de huizen zijn alle geschikt om een kunstenaarsoog, dat het schilderachtige liefheeft, te boeien.

De huizen, die door elkander gebouwd zijn langs de pier, omgeven meertjes en binnenzeeën, kanalen, plassen en slooten, waar ze hun steunpilaren in drijven. Door het vettige water, zwaar en vuil van afval en allerlei ander ontuig, duikelen luidruchtige, onbeschaamde, vraatzuchtige eenden; zij proesten en snuiven, zonder zich te storen aan de schuiten en en bootjes, waarmee de kooplieden de nabijzijnde dorpen bezoeken.

In de verte is de grijze, vlakke, nevelige horizon versierd met molens, die hun vluggewiekte kruisen zwaaien, en met zilveren linten van kanalen.

Op waschdagen wapperen linnengoed en veelkleurige bovenkleêren overal in den wind; de huizen zijn er mee gedrapeerd, reeksen palen behangt men er mee, en alles bolt en klatert, alsof het vlaggen waren.

Volendam is eerst echt Volendam bij stormachtige lucht en op waschdag. Ieder is buiten. In tegenstelling met gewone steden, waar men alleen bij noodzaak uitgaat, wordt er hier met pleizier gewandeld, zooals in alle visschersplaatsen. Er wordt namelijk door de mannen tusschen twee vischperioden het gemakkelijke, kalme leven geleid van een solied rentenier. Ze zitten te praten of loopen op klompen rond, slap en lui, tot de klok van den afslag hen roept en, als het ware, verzamelen blaast.

In zijn buitensporig wijde broek, zijn buis en das en bontmuts, heeft de visscher uit Volendam iets aparts, dat niet te beschrijven is. Hij heeft iets van een Rus, een Laplander en een Mongool, maar toont zich Hollander door de duizenderlei kleine eigenaardigheden van zijn houding en bewegingen en woorden.

Buiten de tijden, waarop hij op de Zuiderzee zwalkt, met zijn netten werkend in de nog al kalme golven, is er weinig verscheidenheid in zijn werk. Zijn langzaamheid is een gewoonte. Hij flaneert altijd; dat zegt alles. Hij heeft niet, als menschen uit [55] andere deelen van het land, kleine zorgen voor zijn tuintje, voor den oogst of voor zijn industrie, en de vrouwen kunnen het huiswerk best af.

Hij flaneert dus maar, of maakt zonder haast zijn aas voor ’t visschen in orde en zijn netten; hij hurkt in de zon neer met zijn vrienden, om welbehagelijk te rooken, of zit met zijn massieve zwaarte op de steenen pieren en zware houten beschoeiingen, die over de zee zijn uitgebouwd door zijn gestorven voorvaderen.


Meisjes en mutsjes van Volendam.

Toch is hij bezig, maar in volslagen kalmte en geniet genoegelijk de rust der stille uren.

Dit schetsje symboliseert hem: Op een achtergrond van vastgemeerde booten en een golvende deining, waar de wolken zich in spiegelen, laat Frans, liggend op den achtersteven van zijn boot, zich zachtjes wiegelen als een kindje, wachtend, tot men hem manden brengt, om de zilverkleurige visch in te bergen, die schittert in het ruim van zijn schuit.... Met de handen in zijn zakken, de pijp in den mond, rust hij daar uitstekend, en men weet niet vooruit, wanneer die zoete kalmte een eind zal nemen.

Enkele zeelui echter—maar er zijn niet vele zoo—zijn wat actiever, laten groenten en andere levensmiddelen uit de naburige stad komen en schuiven kalmpjes hun handkarren voort, die er mee beladen zijn, en waarmee ze bij de huizen venten.

Kinderen loopen in troepjes rond, met veel drukte van klompengeklots, maar zonder roepen of schreeuwen, net als in Zeeland. De kleine meisjes dragen het kanten mutsje van den eigenaardigen om het hoofd sluitenden vorm, de jongetjes dragen, evenals hun vaders, een wijde broek, kort buis en bonten muts.

Het is wezenlijk een genot voor de oogen. Als zij in een lange rij dansen over de planken van de pier of vroolijk huppelen met de ronde, tevreden gezichtjes, moet men op mijn woord wel belang in hen stellen, en men krijgt grooten lust ze mee te nemen, die aapjes van Volendam, om ze in zijn [56] vaderland eens te laten zien als zeldzaamheden van waarde.

Er zijn verrukkelijke paartjes, precies gelijkend op personnages van oude schilderijen, die ons doen glimlachen, omdat er zooveel goed humeur en vroolijkheid van hen afstralen, zooveel gezondheid ook en gemoedsrust.


Waschdag in Volendam.

De vrouwen zijn zeer druk in beweging in Volendam, drukker dan op andere plaatsen. Zij leven veel minder binnenshuis opgesloten en doen meer mee aan wat buitenshuis geschiedt. Sommigen wasschen het huishoudwaschgoed in zeewater aan den rand der op een rij liggende booten, anderen hangen de stukken uitgespreid op aan lijnen, die daarvoor tusschen palen zijn gespannen, terwijl de wind om haar henen blaast.

Onze fransche visschersvrouwen babbelen, met het breiwerk in de hand, uren aaneen; maar deze vrouwen zijn alleen uit noodzaak buiten. Waar zouden ze ook gaan praten? Aan alle kanten is slechts water, in slooten en plassen en vaarten. Buiten de pier en de beide wegen van Edam en Monnikendam, is alles water of moeras.


Het dorp Volendam.

De eenden, die bij duizenden tusschen houten hekwerk gehouden worden, kwaken onafgebroken. Het plaatselijke leven concentreert zich op de pier, waar de mannen rondloopen bij het gebouw van den vischafslag.

Zijn dit dus de afstammelingen van de beroemde hollandsche zeelieden, die oudtijds de wereld vervulden met den klank van hunne heldendaden, toen zij den bezem voerden in den mast, om de zee schoon te vegen, en die de vloten van Frankrijk en van Engeland konden weerstaan?

Mijn God, ja ze zijn het wel, en hun schijnbare apathie verbergt waarschijnlijk een verrassende wilskracht. Is Nederland niet door hen groot geworden; heeft het aan hen niet zijn bestaan te danken?... Het vlakke, vochtige land had geen koren, geen steenen en geen hout; zij hebben er die noodzakelijke dingen aan geschonken, door er den buit der zee voor in te ruilen. Zij hebben van de zee en haar rijkdommen geprofiteerd en profiteeren er nog van, als van een grooten voorraadsschuur vol geconserveerde levensmiddelen.

Naar den aard der visschen, die in iedere haven het veelvuldigst voorkomen, onderscheidt men verschillende takken van de vischvangst. De haring is door den overvloed, die ervan gevangen wordt, en door zijn goeden naam in het verleden, een echt nationaal product, zoo goed als turf en tulpen. [57]


De vrouwen van Volendam buitenshuis bezig.

De Hollanders onderscheiden drie soorten van haringen, den pekelharing of gekaakte haring (kaken is het opensnijden van den haring met een mes en de visschen dan in lagen leggen, in vaten, op zout); den steurharing, die in den herfst op de kusten van Engeland wordt gevischt, en den panharing of versche haring, dien men in de Zuiderzee vangt en die tot voedsel dient van de armere klassen der bevolking.


Jong moedertje op Marken.

Die laatste categorie is het interessantst, want zij is het groote middel van bestaan voor de visschers van Volendam, van de andere havens der kust en van de bewoners der eilanden Urk en Marken.

De haven van Vlissingen hield zich het eerst met de haringvangst bezig in lang vervlogen tijden, zoo in de buurt van de 12de eeuw. In 1360 vond een man uit Zeeland, genaamd Willem Beukelszoon, de kunst uit van het haringkaken, dus het bereiden van den haring en het bewaren in zout, waardoor hij een grooten stoot gaf aan de plaatselijke industrie. Die ontdekking werd het uitgangspunt voor de ontwikkeling van geheele streken en legde den grond tot dien publieken rijkdom, waardoor de bataafsche natie in staat is gesteld, de enorme belastingen te betalen, noodig geworden door het onderhoud van de werken, tegen de zee opgericht.

Te Hoorn werd in 1416 het eerste groote net gemaakt, waarvan het nut, gevoegd bij dat van het inzouten, tot in ’t oneindige de opbrengst der zee vermeerderde.

Die netten, echte reuzen in hun soort, wekken de gedachte aan de milliarden visschen, eeuwen aan een door de naburige volken verslonden, en men begrijpt, waardoor Holland ondanks de armoede van zijn grond een rijk, soliede en welbehagelijk land heeft kunnen worden.

Er gebeurde bovenmatig veel voor de haringvangst. Geschiedschrijvers zijn er niet over uitgepraat en geven wonderbaarlijke statistieken, volgens welke men moet aannemen, dat het geheele volk zich bezighield met het vangen, zouten en verkoopen van haring.... In verordeningen werd het manna van de zee genoemd het Peru van de Bataafsche Republiek.... Premies tot aanmoediging werden tot aanzienlijke bedragen gegeven aan de Broederschap der Haringvisschers, tot schade van andere takken van vischvangst. Geen ander dan een geboren Hollander mocht zich met het kaken bezighouden.... In ’t kort, de uitvoerigste reglementen beschermden op allerlei manieren deze al te interessante industrie.

De nederlandsche haring trotseerde aldus langen tijd alle vreemde concurrentie en deed meer voor de grootheid van het land dan de beste kanonnen.

Toen volgden de oorlogen van het Rijk. Groot-Brittannië, altijd zoekend naar de beste gelegenheden om handel te drijven, verleende vrijstelling aan de geheele vischvangst, schafte het systeem der premies [58] af en bracht, door den haring voor minder geld te verkoopen, aan den hollandschen handel groot nadeel toe.

In hun weelde als verstijfd, gingen de eigenaars der hollandsche haringbuizen niet met hun tijd mee en zagen langzamerhand hun handel verloopen. De zaken gingen zelfs zoozeer achteruit, dat de regeering op haar beurt de premies moest afschaffen.

Tegenwoordig heeft de haringvangst geen nationale beteekenis meer, en al is zij nog voor den visscher een bron van eerlijke inkomsten, zij is niet meer een voorwerp van algemeene zorg.

De echte haringvisscher brengt zoo weinig mogelijk tijd aan den wal door. De zee is voor hem alles: zijn bruid, zijn vrouw, zijn wieg. Met zijn bijbel en zijn pijp zou hij naar het eind der wereld gaan en weer nieuwe werelden ontdekken, als er nog nieuwe waren. Er werd te Volendam met eerbied gesproken over een zekeren Hans Ouderke, tegen wien men eens in een herberg gezegd had: “Je moest eens naar Indië gaan.” De brave man ging zijn logger de volgende dagen bemannen en ging er heen.... Een anderen keer vond hij den weg naar Californië, zonder andere hulp dan zijn kompas.

Als de visscher niet op den gewonen tijd thuis komt, beschouwt men hem als verloren, en zijn vrouw mag, als er drie jaren zijn voorbij gegaan, een nieuw huwelijk sluiten. Vroeger schreef de wet een tusschentijd van tien jaren voor; maar toen de zedelijkheid daaronder leed, werd de bepaling verzacht.

De zoon van den visscher wordt visscher. Van den leeftijd van vijftien jaar af kent hij volkomen de kunst van ’t ophalen der volle netten, het omgaan met de zeilen en de beheersching van het roer.

Zeer onafhankelijk, zeer godsdienstig en zeer aan oude gewoonten gehecht, volgt hij in alles ’t voorbeeld van zijn vader, die zelf dat van den zijnen volgde. Op zee drinkt hij nooit; aan land drinkt hij betrekkelijk weinig, behalve op de kermisdagen, die echte bacchanaliën met zich brengen. Op die dagen nemen de herbergiers de meubels weg uit hun zalen en laten er enkel een tafel staan en stoelen en banken. Nacht en dag verzonken in een onrustbarende dommeligheid, met tusschenpoozende oogenblikken van groote bewegelijkheid, waarin hij hartstochtelijk aan het dansen deelneemt, gaat de visscher zich in zulke tijden te buiten aan sterken drank en slaap.

Hij trouwt al vroeg.

De kustvischvangst omvat de vangst van versche visch van allerlei soort en die van den haring, bestemd om te worden gerookt.

Een gewone boot voor die vangst kost drie tot vijf duizend gulden. Zij behoort òf aan den visscher zelven òf aan den reeder. De bemanning krijgt een groot net met touwen; het overige moet zij zich zelve aanschaffen en zij moet in haar eigen onderhoud voorzien. De onderhouds- en reparatiekosten van het schip worden gelijk verdeeld; wat boven de klamp is, dat is buiten het water, komt voor rekening van de bemanning en wat onder water is, voor dat van den eigenaar of reeder, op grond van het beginsel, dat het eerste door veronachtzaming kan lijden, en dat het laatste geleidelijk slijt. Voor de zeilen zorgt de eigenaar.

De vangst van versche visch maakt slechts vrij korte tochten noodig. Zoodra ze terug zijn, ontschepen de mannen hun buit en verkoopen dien dadelijk op het strand aan de kooplieden uit de buurt of brengen de vangst naar den vischafslag, als er zulk eene inrichting bestaat. De visch wordt dan naar de naburige steden vervoerd in wagens met sterke honden er voor, die met merkwaardigen ijver hun werk doen. Die ambitie heeft ons wel eens een glimlach ontlokt over de sentimentaliteit van onze landgenooten, die een verbod hebben uitgevaardigd tegen het gebruik van trekhonden.

De vangst van versche visch houdt op met het einde van den zomer en maakt plaats voor de haringvangst tot in December.

Daarna is de tijd der gedwongen werkstaking daar, en daar de visscher zelden zich eenigen welstand heeft kunnen verwerven, ontstaat er groote armoede en ellende, die door de autoriteiten moet worden weggenomen door geregelde ondersteuning.

De Zuiderzee vormt, zooals bekend is, een golf van de Noordzee. De massa harer wateren beslaat een ruimte van 54 vierkante mijlen en bespoelt de provincies Friesland, Gelderland, Utrecht en Noord-Holland, waarvan zij indertijd bij hooge vloeden groote stukken heeft afgeslagen, daarbij op alle kusten dood en vernieling brengend.

In de open zee vormen de eilanden Urk en Marken nog overblijfselen van die verzwolgen landen.

Marken, het grootste, ligt tegenover de stad Monnikendam. In één uur kan men met goeden wind er per boot worden heengebracht.

Dat uur legt vele eeuwen tusschen de bewoners van het eiland en die van het vasteland. Het verschil in kleeding en zeden en gewoonten is zelfs zoo groot bij dien verbazend kleinen afstand, dat men aan verschillende afkomst heeft gedacht. Sommigen beweren, dat de eilandbewoners afstammelingen zijn van de Marsotten, van wie Plinius en Tacitus melding maken. Zij bezetten een stuk gronds dicht bij het meer Flevo. Een overstrooming scheidde dit deel van het vasteland op ’t eind van de 13de eeuw.

De ruimte er tusschen was eerst slechts smal en een gewone houten brug onderhield de gemeenschap; maar langzamerhand vrat de zee meer land weg, meer velden en polders, en de boeren moesten, om te kunnen leven, visschers worden....

Ik nam de boot naar dat eiland tegen vijf uur ’s avonds en voer weg van de aanlegplaats te Monnikendam. Twee jonge knapen met korte, wijde broeken en buizen van een grove stof en ronde hoeden, zijn aan het laden van allerlei eetwaren; zij hebben met hun vader een geregelden dienst tusschen het eiland en den vasten wal in ’t leven geroepen.

Met een voor Hollanders ongewone vlugheid voerden zij de verschillende handgrepen uit voor ’t zeilklaar maken van de boot, heschen het groote, bruine zeil, maakten de touwen in orde, tot eindelijk de schuit bewoog en zich naar de open zee wendde.

De oudste der matrozen had de boom in de hand genomen en stond te duwen, kijkend naar de stad, die achteruit week in het rossige schijnsel.

Er hing een nevel over ’t water, voorbode van de vallende schemering; het klokkenspel in den [59] toren gaf in heldere klanken den tijd aan; daartusschen hoorde ik ’t geklots der golven, door ons scheepje uiteen gedreven, en dit oogenblik had iets geheimzinnig ernstigs, alsof wij naar een onbekend land gingen.


Visscher van Volendam in zijn wijde broek.

Langzamerhand hadden wij niet anders om ons heen dan water en nevels. Een der jongens floot een wijsje. De touwen van den mast knarsten onder den druk van den koelen wind; toen doken schaduwen op, eerst onduidelijk, toen helderder. Het waren puntdaken van huizen en masten, uit zee oprijzend; zonder duinen of rotsen lag Marken daar, als een zeer groot vlot op het water, half ondergedoken.

De boot stopte aan de kade en werd vastgelegd. Ik sprong aan land. Er waren daar twee of drie mannen, gekleed als mijn varensgasten, en jonge meisjes met lange losse haartressen leunden tegen een brug. Een groote stilte heerschte er in het haventje, dat daar lag te midden der bewegelijke zee. Ik moet er wel een zonderlingen indruk hebben gemaakt, zoo weinig was ik in harmonie met die houten huizen, op palen gebouwd, en die zonderlinge menschen.

De meisjes keken mij aan. In de avondschemering hadden haar oogen met de lange wimpers tusschen de hangende krullen langs hun hoofd diepten als van den oceaan, en toen zij ernstig het hoofd bogen bij mijn voorbijgaan, kon ik denken, dat ik zeegodinnen vóór mij had, jonkvrouwen, zoo dikwijls door dichters bezongen. Ik haastte mij, mijn weinige bagage te deponeeren in het eenige logement, en ik stapte de straatjes binnen, met steenen geplaveid, die naar de zeven buurtschappen voeren, kunstmatige hoogten van leem en veen, waar de huizen der bewoners staan.


Volendam. Twee oudjes in het zonnetje.

De zee had, zooals dikwijls gebeurt, den vorigen dag de magere weiden overstroomd, die om de terpen tusschen de lage dijken lagen, zoodat ik aan beide zijden door water was omringd, en de huizen in den echten zin des woords uit het water opstaken zonder eenigen horizon van land. Hoog gras groeide op sommige plaatsen en herbergde kakelende eenden, terwijl de halmen ritselden in den wind en de intense somberheid verhoogden van dat waterland.

Zoo liep ik een uurtje rond, tot het volkomen donker was, en nam die duizenderlei gevoelens in mij op, die het onmogelijk is om weer te geven, gevormd door ’t onverwachte, ’t onbekende, plotselinge kleurnuances, en altijd groetten mij de vrouwen met de diepe oogen, die zonder woorden spraken. Toen keerde ik naar de herberg terug, waar een [60] vroolijke dienstmeid, forsch en in kleurige kleedij, mij een stevig maal voorzette.

Den volgenden dag had het water zich teruggetrokken, en ik kon het eiland bekijken, want het is, in ’t groot beschouwd, één eiland.

De haven is het meest vaste deel van Marken. Overal door steen en hout stevig omringd, liggen er een honderdtal visschersschuiten veilig voor anker.

De huizen, geteerd en met pannen daken, zijn uit planken opgetrokken en staan op een veenbedding. De woningen van binnen te bekijken, behoort tot de werkzaamheden der vreemdelingen. De grootste zindelijkheid heerscht er tot in alle hoekjes; glimmen doet het vaatwerk aan de wanden, en alle koper straalt u tegen als een spiegel. Het is de glorie van ieder huisgezin, en ik zag telkens jonge meisjes mij met den vinger wenken, dat ik de mooie properheid van de woningen zou bewonderen. Die teekens en de glimlachjes, die er bij behoorden, waren, helaas, slechts vermomde verzoeken om geld, en ik moest met mijn bezoeken zuinig zijn, uit vrees van anders al mijn geld er achter te laten.


Aardig, expressief kindertype.

De meeste huizen hebben slechts één vertrek, waar geslapen, gekookt en gewerkt wordt; vele hebben geen plafond en staan rechtstreeks met den zolder in gemeenschap. Ook zijn er, die geen schoorsteen hebben; tegenover het grootste venster ligt een steenen of ijzeren plaat met een rij steenen er omheen; een opening in het dak laat den rook door, die zich over den zolder verspreidt, waar de netten drogen en de voorraad wordt bewaard.

Borden en schotels van oud porselein zijn er in de kleinste woning te vinden. Die smaak voor porselein en kristal, voor gestreepte bedgordijnen en kleurige dekens is een eigenaardige trek in het hollandsch karakter en komt vooral sterk uit op Marken. Hij wijst op de bekrompenheid van het bestaan der bewoners.

De bodem van het eiland is vrij vruchtbare kleigrond. Hij brengt hooi en riet voort, waarvan door de bewoners groote hoeveelheden worden uitgevoerd. Het hooi wordt verkocht en dient voor een deel voor de voeding der weinige koeien van het eiland.

Daar de putten van Marken slechts zoutig water leveren, zijn de bewoners genoodzaakt, regenwater te gebruiken, om hun beesten mee te drenken en hun eigen voedsel te bereiden.

Ze zijn zeer onontwikkeld in maatschappelijke aangelegenheden. Zij leven van vischvangst en brengen het overige van den tijd door met onbeduidende werkjes, die alleen voor henzelven van belang zijn. Ze hebben in ’t geheel geen handel; aardappels, groenten, kruidenierswaren, turf, drank, alles wordt hun uit Monnikendam gebracht of uit Hoorn of Amsterdam.

De bewoners van Marken trouwen altijd onder elkander. Er wordt verteld, dat ze vroeger bij gebrek aan vrouwen eens hun booten bewapenden en een razzia hielden, om vrouwen uit Edam te halen, maar die geschiedenis is niet te bewijzen.

Gewoonlijk trouwt men tusschen het vier-en-twintigste en het acht-en-twintigste jaar, en er wordt gelet op overeenkomst in leeftijd en neiging.

Over ’t algemeen zijn de meisjes lomp en ruw; maar er zijn wel aankomende deerntjes, die iets expressiefs hebben en door hun half wilde gratie de leelijkheid der anderen doen vergeten. Timide zijn ze niet en lachen doen ze graag.

Op mijn wandelingen kwamen ze in hun bonte kleeding dikwijls om mij heen staan, ze drongen mij tegen een muur en hielden mij met uitgestrekte armen tegen, of stelden mij, terwijl haar krullen tegen mij aanwoeien, allerlei vragen, die ik niet verstond, maar die zeker grappig waren, want ze lieten haar tanden zien en lachten vroolijk. Ik gaf in het Engelsch antwoord of in ’t Duitsch en ’t Arabisch en kneep haar in de armen. Toen ik even de kin van een meisje in de hand had genomen, begonnen twee anderen verbaasd te gillen en riepen een paar huismoeders te hulp. Toen omhelsde ik het kind bij verrassing. Nooit heb ik zulk een gekrijsch gehoord. Zij stonden om mij heen, zwaaiden met de bloote armen, de lange lokken in den wind, de japonnen wijd uitslaande, den hemel tot getuige roepend bij mijn onbeschaamdheid. De omhelsde vooral zette woedende oogen op; deze brutaliteit riep om een voorbeeldige straf voor den misdadiger, een bliksemslag bij voorbeeld of een verzinking in den grond.


Eene nauwlettende waschvrouw.

[62]

Daarom klom ik op een vat en sprak ze aldus aan:

“Vrouwen van Marken,” riep ik, “ik ben hier gekomen, om uwe gastvrijheid in te roepen. Mijn hoedanigheid van vreemdeling geeft mij dus het recht, te proeven van uwe vruchten, ook van de perziken uwer wangen.... Ik verzoek stilte en beloof, u presentjes te zullen geven ... boem, boem, boem!”

“Boem, boem!” herhaalden de geestdriftige jonge meisjes, zonder dat ze een woord verstaan hadden.

Daar zij mij nog altijd tegenhielden, begreep ik wel, dat ze tolgeld wenschten te ontvangen; maar ik zwaaide mijn camera op de manier van een tomahawk, uitte een gil en sprong op den dijk. Daar richtte ik het instrument, en de menigte zette het op een loopen als haringen, door de haringbuizen achtervolgd, behalve de drie jonge kinderen, die bleven en die in stijve houdingen door mij zouden gekiekt worden.

“Ik zie, jonge meisjes,” ging ik voort, genietend van de heerlijkheid, te kunnen praten zonder te worden verstaan, “ik zie, dat mijn edelmoedig aanbod welwillend is ontvangen. Sla dus uw oogen op mij en gun mij glimlachjes.”

Toen ik met centen geschud had in mijn zak, spitsten zij de ooren, gingen met mij in den zonneschijn en ik legde voor de toekomst haar vreemde trekken vast, waarna ik haar een handvol centen gaf en zij verheugd verdwenen.

Soms zijn de kleine meisjes heel aardig. Als ze naar school gaan met jongens, de kleurige pakjes boven de polders vertoonend als in een groen décor, arm in arm voortstappend, krijgt men er pleizier in, zooals voor een schilderij vol frissche kleuren en prettige gezichten. Sommigen dragen in plaats van rokjes de wijde broeken van de broertjes, wat ze er kluchtig doet uitzien.

Op bruiloften, verlovingsfeesten en kermissen ziet men een kleurenrijkdom als nergens elders. Alle tinten uit een kleurendoos voor waterverfteekening zijn uitgestrooid over de jurken, de mutsen en de boezelaars, en men knipt met de oogen, zonder te weten waar men ze rust zal geven.

Maar die dagen zijn uitzonderingen. Gewoonlijk is het op het eiland nog al somber, en het leven vloeit er voort bij peuterigen arbeid, die altijd eender is.

De mannen visschen of halen de ponten of schuiten binnen met turf en proviand, boeten de netten, schilderen hun muren over, terwijl de vrouwen het huis schoonhouden, linnen wasschen, met de kleine kinderen buiten wandelen of aan het lossen van de booten helpen.

Langs de vaarten ziet men ze soms rustig voortglijden, in booten gezeten, waar ze dan even uitstappen, om telkens de ophaalbruggen op te lichten, die bij de overgangen en kruisingen van wegen over ’t water liggen.

In den winter staat de helft van het eiland onder water, en de menschen gaan in booten naar elkander toe, bezoeken op die manier de kerk en de school, en worden per boot begraven. Het kerkhof ligt op de hoogste werf of terp van het eiland.

Men vraagt zich wel eens af, waarom toch de dijken zoo laag zijn; als men ze ophoogde, zou men die lastige overstroomingen vermijden. Maar kenners beweren, dat de grond, die niet heel vast is, geen zwaardere belasting dragen kan.

De gewoonte is een tweede natuur. Als men van de Markers ging vertellen, dat zij er slecht aan toe zijn, zou dat verloren moeite zijn. Zij voelen er zich op hun gemak; zooveel te beter.

Bij den toeloop van toeristen, die in den laatsten tijd al grooter en grooter wordt, vooral in den zomer, beginnen zij zich als merkwaardige curiositeiten te beschouwen en droomen misschien den uitlokkenden droom van geheel onderhouden en verzorgd te worden door de penningen der vreemdelingen. Zij verkoopen hun kleêren al, en het zal wel niet lang duren, of ze verruilen ze tegen hoeden en moderne broeken....

Het eiland Marken zal zijn bescheiden plaatsje wel blijven innemen tegenover het vasteland; zijn huizen, in het zoute water staande; zijn steenen straatjes in den mist; zijn hoogste punt, waar de dooden rusten, en zijn vier gehoornde beesten, wadend door den sponsachtigen grond ... tenzij op een dag, gelijk aan dien, waarop de Zuiderzee ontstond, het ook op zijn beurt worde weggevaagd, verzwolgen in den storm en neergelegd op den bodem van de Zuiderzee.

Zoo’n einde zou voor zulk een plekje uit het verleden, dat onder de modernen is verzeild geraakt, een natuurlijk en passend slot zijn, en men zou dan mogelijk een verklaring hebben van die zonderlinge aantrekkingskracht, die de oogen der meisjes van Marken bezitten des avonds, wanneer zij het hoofd buigen en den vinger waarschuwend opheffen, als spoken uit een wereld, die reeds afgedaan heeft, opgestaan uit hun graven, om u een groet te brengen....

De Hollander heeft ongetwijfeld minder verbeeldingskracht dan de Franschman. Hij is realist in den echten zin des woords en rekent in plaats van te droomen. Zoo denkt hij er niet aan, dat met de turf die hij dagelijks uit het water haalt, hij ook de overblijfselen van zijn bloedverwanten en vrienden opneemt, om aan hen de warmte te ontleenen, die ze bij hun leven hadden. Hij vindt de turf een geschikte brandstof, gebruikt die en heeft daar gelijk in, zooals hij ook, in tegenstelling met onze soms onverstandige gevoeligheid, zijn honden gebruikt voor het trekken van geriefelijke karretjes.

Van Holland spreken zonder het over de turf te hebben, zou zijn een der eigenaardigste karaktertrekken van het land over ’t hoofd te zien.

Uit geologisch oogpunt is de bodem zeer arm; hij bevat geen steenkool, noch ijzer, noch andere mineralen. Bosschen zijn er weinig en men moest, om dijken en huizen te bouwen, zijn toevlucht nemen tot pijnboomen uit Noorwegen en tot duitsche boomen, langs den Rijn aangevoerd.

Men kon er niet aan denken, dat hout te gebruiken als brandstof; dat zou te schadelijk zijn geweest. Daarom ging men het veen gebruiken, na er turf van te hebben gemaakt.

Veen is een soort van zachte, zwartachtige aarde, die men aantreft onder lagen leem of zand, ’t zij bij den aanleg van kanalen, ’t zij bij het bouwen der huizen. Op enkele plaatsen blijkt de aanwezigheid [63] van veen door den onvasten toestand van den grond. De veerkrachtige bodem, opgezwollen en verzadigd van water, buigt door onder den voet en herstelt zich dadelijk weer. Dan zeggen de menschen: “Hier zit veen in den grond.”

De opgraving van het veen is een kunst, die al sinds overoude tijden bekend is. Plinius en Tacitus gewagen ervan, de eene met een zucht, omdat een volk genoodzaakt is zijn eigen land te verbranden, de tweede met bewondering voor zooveel snuggerheid.

De veengraverij verschaft werk aan duizenden individuen. Het is een brandstof van niet heel veel beteekenis, donker en lastig in ’t gebruik; daarbij verkoolt ze meer, dan dat ze vlamt en brengt zwaren rook voort.

Veen wordt zoo wat overal in Holland aangetroffen. Men behoeft maar een weinig te graven om het te ontdekken.

Als de eigenaar van een stuk grond besloten heeft, zijn akker tot een veld van exploitatie te maken, laat hij parallelle insnijdingen maken om de aarde te ontlasten van het water, waarmee zij gedrenkt is. Die slooten, die eerst ondiep zijn, worden dieper en dieper gemaakt, tot het water er uit is.

Er zijn zes à acht jaren noodig om het land droog te leggen en het water met slooten en sluizen te leiden naar het toekomstige kanaal.

Daarna gaat men het veen te lijf met daarvoor bestemde schoppen, snijdt het in brokken, die men als steenen laat drogen en die op elkaar gestapeld worden en gedroogd in den wind.


Fleurig stappende meisjes.

Niet zelden vindt men in de veenlagen, diep in den grond, boomen, die goed geconserveerd zijn, overblijfselen van oude bosschen, door overstroomingen of hooge vloeden verwoest. Ze worden gebruikt voor wat ze waard zijn, meestal als brandstof, soms ook voor fundeeringen.

De lagen aarde, die den veengrond bedekten, worden op het land teruggebracht, vlak uitgespreid en leveren den bebouwbaren grond, waarop aardappelen en koren zullen worden verbouwd.

Zoo gaat het bij de hooge venen. In de lage venen gaat alles gauwer, en men behoeft zich daar geen moeite te geven, het land eerst te draineeren. Men tast direct den grond aan. Als gras en leem eerst zijn verwijderd, dus als twee of drie voet van den bouwgrond zijn afgegraven, legt men de veenlaag bloot, die doortrokken is met water, een soort van vette brij. De arbeiders, met groote laarzen aan, scheppen dan de toekomstige brandstof zoo maar op en plonsen die in groote schuiten. Het veen ziet er dan bruin uit, en men herkent er nog wortels in en verrotte takken. Het wordt in groote bakken geschept, gemengd en bewerkt, gestampt met zware stampers of getreden met groote platte trappers, ontdaan van steenen en wortels, gekneed als deeg en te drogen uitgespreid op riet. Als het begint droog te worden, snijdt men het in brokken en stapelt de turf in hoopen op elkaâr.

Drie maanden zijn ongeveer noodig, om de brandstof volkomen droog te maken. Dan wordt de turf in schuiten geladen en naar de verschillende markten gebracht, waar zij koopers vindt.

De hoedanigheid der turf is zeer uiteenloopend. Er is turf met meer of minder houtige bestanddeelen, meer of minder poreus van aard, zwaarder of lichter op ’t gewicht. De huisvrouwen herkennen snel aan de kleur en den vorm de eigenaardige hoedanigheden van de brandstof. Er is een soort, die voor de keuken dient, een andere voor de open haarden, een derde voor fabrieken. In ’t algemeen geeft men de voorkeur aan de turf uit de lage venen boven die uit de hooge venen. De bakkers bakken hun brood met turven, die niet zeer dicht zijn en daardoor spoedig vlam vatten. De turf dient ook nog als voedsel voor kalkovens, pannebakkerijen en wordt in bierbrouwerijen enz. gebruikt.

Bij steenkool vergeleken, geeft de turf wel de helft minder warmte; maar alles in aanmerking genomen, is zij als brandstof toch veel goedkooper.

Het grootste bezwaar is het volume, dat lastig en bezwarend wordt. Turf neemt drie- of viermaal zooveel ruimte in als steenkool. Men heeft geprobeerd de turf samen te persen, en men is daarin goed geslaagd, maar naar beweerd wordt, is de moeite te groot voor de belooning; de kosten overtroffen de waarde der koopwaar, en de eigenschappen van die laatste verbeterden er niet genoeg door.

Voor stoombooten en voor de grootindustrie moest men wel weer tot de steenkool terugkeeren.

Hoe het ook zij, turf is eeuwen lang bijna de eenige brandstof der bewoners geweest. De kool van turf heeft aanleiding gegeven tot de zuiver nationale gewoonte der warme stoven. In den winter hebben de hollandsche dames in haar eigen vertrekken, zoowel als in de kerk, onder haar rokken een stoof [64] met een kool er in, wat, naar men zegt, het teint van de dames een gele tint geeft. Zij, die deze opvatting koesteren, zijn ernstige menschen, kalm gezeten in hun groote stoelen van riet of mandwerk, met een groote pijp in den mond en een glas bier vóór zich, hoog schuimend in het glas. Zij zouden toch iets dergelijks niet beweren, als ze er niet volkomen zeker van waren door allerlei gezegden en opmerkingen, zorgvuldig bijeenverzameld uit intieme gesprekken, en men zou verkeerd doen, zich bij zulk een oordeel sceptisch te toonen. De rook van de turf maakt het teint der hollandsche dames geel, zooals de rook van droog hout aan hammen die bruine kleur geeft, die ze zoo lekker doet smaken. Ze worden er dus geen haar minder om; integendeel.

De asch dient bovendien tot mest; met het roet reinigt men ijzerwaren en tin; de rook dient tot conserveering van gezouten vleesch en haring, tot bereiding van beenzwart, inkt en vernis; kortom, het veen is een der grondslagen van de hollandsche huishouding.

Inderdaad maakt men er de fondamenten van het huis van. Daartoe brengt men de steenen en het metselwerk aan op een onderlaag van stukken brandbare aarde, in den vorm van een pyramide opgestapeld. Die veenlaag zwelt op onder het water en vormt zoo een onwankelbare basis, die door het vocht niet meer wordt aangetast. Na eeuwen, als het huis van ouderdom bezweken is, vindt men de veenachtige substantie zoo goed bewaard als op den eersten dag en nog geschikt, om verstookt te worden.

Uit een en ander volgt, dat veen het product is van de langzame vertering van plantaardige stoffen, van riet en biezen en mossen, die, op elkander gestapeld, vergingen en door de vochtigheid ontbonden werden.


Beginnende idylle op Marken.

De provincies, die het meest te danken hebben aan het bestaan van veengrond, zijn Friesland, Groningen, Drenthe en Overijsel.

Als de veenlaag geëxploiteerd is, blijft er ongelukkig veel water over, dat moet worden verwijderd met behulp van veel molens en veel slooten. Daar het onderhoud van die molens nog al kosten meebrengt, moet men zich er niet over verbazen, dat in Holland de prijzen der levensmiddelen tamelijk hoog zijn....

Desondanks heeft een oud dichter, Vondel genaamd, in geestdrift over het succes, met de turf verkregen, aan het hoofd van een zijner werken dit hoog welsprekend woord geplaatst: “Gelukkig het land, waar ’t kind zijn moêr verbrandt!”

Besluit.—Dit alles toont duidelijk aan, dat er volstrekt niet in Holland alleen water is, zooals men zou kunnen gelooven, als men zich slechts onderrichten liet door fantastische berichten. Holland, door duizenden kanalen doorsneden, omgeven door eilanden, golven, inhammen, heeft inderdaad wel zeer veel water, maar dit oppermachtige water, dat alles kan overweldigen, dat rijst en daalt en tot zoo ver het oog reikt, zijn net van bewegelijke wegen uitspreidt, waar onophoudelijk booten, schuiten, ponten, stoombooten en eenden varen, dat water is de onuitputtelijke bron van den bataafschen rijkdom, en men zou wel een prachtig, kostelijk woord willen vinden, in een lijst van metalen lettergrepen, om dat kleurloos, vloeibaar ding mee aan te duiden, dat alle tinten van de wolken overneemt, dat de molens en de polders weerspiegelt en dat van Holland maakt het waterrijkste van de waterrijke en ’t merkwaardigste van alle vlakke landen.



1 Wij hebben den franschen schrijver in zijn reisverhaal op den voet gevolgd, al kwam soms de lust boven, hem eens even in de rede te vallen, waar hij in zijn gevolgtrekkingen te ver ging en, naar het weinige dat hij zag, oordeelde ook over het vele, dat hij niet zag. Het zal onzen lezers zeker evenzoo gaan, maar om der curiositeits wille zal het oordeel van den Franschman hen interesseeren en zijn aardige verteltrant zal hen boeien.

Vert.

Reis door Tunis en Algiers


Gezicht op Tunis. Aan den gezichtseindiger de haven en het kanaal de la Goulette.

Voor ons Nederlanders, bewoners van noordelijke koude luchtstreken, hebben de woorden “het Zuiden, de Middellandsche zee” een betooverenden klank. Zij doen ons zoo denken aan schitterend zonnelicht, aan koesterenden zonnegloed, waar wij vooral in den winter met zijn korte, vaak zoo sombere dagen zoo reikhalzend naar kunnen verlangen. Ook onvergelijkelijke kleurenpracht, bonte kleederdrachten en sappige zuidvruchten roepen zij voor onzen geest. Wie, al is hij nog zoo hokvast, heeft niet eenmaal in zijn leven het verlangen, eenige weken in het diepe blauw der Middellandsche zee te staren, aan hare schilderachtige kusten te droomen en te dwepen? Welke zee, met al de kuststreken, die hare golven bespoelen, biedt den reiziger zooveel natuurschoon aan als de Middellandsche zee, kan op een verleden, op een geschiedenis bogen als de hare? Te vergeefs zou men in dit opzicht haar gelijke zoeken. Tot haar gebied toch telde zij het kleine, met zeldzamen kunstzin begaafde volk der Grieken, welks edele scheppingen zelfs nu nog ons geslacht met bewondering vervullen en voor een deel nooit overtroffen zijn; zij zag dit volk politiek, ja, ten onder gaan, maar op cultuurgebied zijn schoonste lauweren behalen, daar zijn overweldiger zelf het voornaamste werktuig werd voor de verbreiding van zijn hoogstaande kunst en wetenschap over de geheele toenmaals beschaafde wereld; zij beleefde het, hoe een enkele maal haar kusten en eilanden onder één heerschappij, die der Romeinen kwamen, waardoor aan al die kusten de vaan des kruises geplant werd; zij aanschouwde met ontzetting de verwoesting van dit vermolmde en wankelende rijk door de blonde zonen van het Noorden, die het een ander, maar jonger, frisscher, nieuwer leven inbliezen; met onuitsprekelijke droefheid [18] was zij er getuige van, dat het zegenrijke kruis bijna aan al hare kusten verdrongen werd door de troostelooze halve maan; maar ook met groote vreugde, dat het weer een rijk van haar gebied was, het kunstlievende Italië, waar oude kunsten en wetenschappen herleefden; ten slotte werd de halve maan allengs weder van hare kusten verdrongen, terwijl vooral in de laatste helft der vorige eeuw, Westersche beschaving en menschelijkheid de overhand verkregen. Vooral in de landen, gelegen aan Afrika’s Noordkust, heeft de Europeesche invloed zich doen gelden en hebben orde en goed bestuur Mohammedaansch wanbeheer vervangen of verbeterd. Engeland heeft zich vooral met het oog op ’t Suezkanaal voor goed in het Nijldal gevestigd. Frankrijk, dat zulke groote belangen heeft aan het kustgebied der Middellandsche zee, vestigde in ’t bijzonder zijn aandacht op Tunis en Algiers en in den laatsten tijd ook op Marokko. Bekend is de moeite, die Duitschland en in ’t bijzonder de Duitsche regeering zich geeft, om met den Sultan van Turkije vriendschappelijke betrekkingen aan te houden en te versterken, teneinde zoodoende den Duitschen invloed in Klein-Azië, Syrië en Palestina uit te breiden. Voor den Europeaan is in die streken een ruim arbeidsveld geopend op het gebied van handel en nijverheid. Het spreekt van zelf, dat verbetering en uitbreiding van het verkeerswezen een der eerste zaken waren, die men met ijver ter hand nam.

Aldus worden ook voor het reizend publiek landen, rijk aan natuurschoon geopend, die tot nog toe slechts door eenige weinige bevoorrechten bezocht werden. Reisbureaux wedijveren met spoorweg- en stoomvaartmaatschappij en om het den reizigers gemakkelijk en aangenaam te maken. Zoo komt het, dat men tegenwoordig in Algiers en Tunis even goed reist als in Europa. Daar wij voor eenigen tijd gelegenheid hadden deze beide landen te bezoeken, is het ons aangenaam er in dit tijdschrift het een en ander van mede te deelen. Wij doen dit ook in de hoop, dat het enkele landgenooten, die anders hun tijd in een dolce far niente aan de Riviera doorbrengen, moge bewegen eens een kijkje aan den overkant te gaan nemen. Zij zullen zich niet te beklagen hebben.

Aan gene zijde vinden zij een prachtige, dikwerf nog maagdelijke natuur, een oorspronkelijke bevolking, oude volkrijke steden en ... geen speelbank, waar zij hun geld kunnen kwijt raken.



Algiers en Tunis, te zamen iets kleiner dan Frankrijk, vormen met Marokko en Tripoli het oude Barbarye, reeds uit de tijden onzer Republiek bekend om zijn zeeroovers. Na onder de heerschappij van verschillende volken, Oostersche en Romeinsche, Germaansche en Byzantijnsche, gestaan te hebben, werd het omstreeks 700 veroverd door de Arabieren. In afzonderlijke rijken gesplitst, bleven de Mohammedanen er meester tot in de eerste helft der vorige eeuw. Tijdens hun bestuur of liever wanbestuur zonken deze landen, eertijds parels aan de Romeinsche imperatorenkroon, hoe langer hoe meer weg in het diepste verval. Het land werd verscheurd door onderlinge twisten der verschillende emirs, beys en stamhoofden, elk spoor van Christelijke beschaving uitgeroeid en in de havensteden, als Tunis en Algiers, troonden vorsten, die hun residenties verrijkten met den buit, welken hun roofschepen daar aanbrachten. Gedurende eeuwen waren de Barbarijsche zeeroovers de schrik der Europeesche koopvaardijschepen, niet het minst der Hollandsche, die hun vlag zoo dikwijls in de wateren der Middellandsche zee vertoonden. Herhaalde expedities en veroveringen hadden wel een aanvankelijk doch geen blijvend resultaat.

Meer dan eens werd de Ruijter uitgezonden om de Barbarijsche zeeroovers te tuchtigen en nog in 1816 bombardeerde een Engelsch-Nederlandsche vloot, onder bevel der admiraals Lord Exmouth en van de Capellen, de stad Algiers naar aanleiding van zeerooverij.

Eerst in 1830 kwam aan dit schreeuwende misbruik een einde door de verovering van de stad Algiers door de Franschen onder generaal Bourmont. Tevens bezetten zij de naaste omgeving der stad.

Maar eerst in 1857 werd de verovering van het geheele land tot aan de grenzen der Sahara door maarschalk Randon voltooid.

Algerië, verdeeld in 3 provincies, Algiers, Constantine en Oran met gelijknamige hoofdsteden, is thans geheel een Fransche kolonie met Fransch bestuur, Fransche wetten en rechtspraak en Fransch bezettingsleger. Tunis is protectoraat. Na herhaalde expedities en verschillende moeilijkheden met den Bey, kwam in 1881 het tractaat van Kasr-Saïd of van Bardo tot stand, waardoor aan de autocratische macht van dezen een einde kwam. De Fransche regeering verkreeg het diplomatieke en militaire bewind, benevens de controle over administratie en financiën. De Bey bleef souverein en regeert in overleg met een gevolmachtigd Fransch minister, die te Tunis resideert; bovendien ontvangt hij van het Fransche gouvernement een jaarlijksche toelage van 1.200.000 frs.

De Franschen, die in Tunis wonen, zijn vnl. burgerlijke ambtenaren, militairen en kooplieden. Het grootste deel er van, ongeveer 10.000 wonen in de stad Tunis, waar dus de Muselmannen met hun aantal van 65.000 inwoners verre de meerderheid hebben. Daarom vindt men aldaar nog het Arabische leven en drijven in al zijn oorspronkelijkheid en heeft de stad voor den toerist vele en belangwekkende eigenaardigheden, die hij in Algerië te vergeefs zou zoeken. Algiers, Constantine, Oran en verreweg de meeste kustplaatsen hebben hun oorspronkelijk cachet grootendeels verloren, zijn bijna geheel Europeesche steden geworden. De Arabier schijnt hier eerder vreemdeling dan inboorling te zijn. Tunis daarentegen is gebleven wat de Arabieren het gaarne noemen: “de bloem van het Oosten.”

Het was het eerste doel van onze reis.



Mogen sommige bewoners van Noordelijke streken de reis naar Afrika’s Noordkust bedenkelijk ver vinden, met de Franschen is dit niet het geval. ”l’Algérie c’est la France,” zeggen zij. Trouwens zij zijn ook dichter bij, al bedraagt dit niet veel meer dan een halven dag sporens. Van uit Parijs bereikt men met den sneltrein in korten tijd Marseille, van waar goed ingerichte booten der Compagnie Transatlantique, die [19] ook op Amerika varen, den reiziger in anderhalven dag over de blauwe watervlakte naar Tunis brengen.

Er is veel waarheid in het gezegde van Professor Martins: “ce n’est pas la mer, c’est le mal de mer, qui sépare la France de l’Algérie”. Maar men moet de kans van zeeziekte loopen. Hij die op reis tegen eenige moeite en ontbering opziet, blijve liever thuis. Wij troffen het echter bijzonder voor de maand Maart, die gewoonlijk nog al ruw is en volbrachten den overtocht met prachtig stil weer en een schitterende zon. Een verrukkelijk gezicht was het, toen onze boot, de Ville de Naples, na het verlaten der haven van Marseille de rotsachtige kust met haar vele eilandjes al verder en verder achter zich liet. Daar de weg door de grootste breedte der Middellandsche zee ging, kwam men weinig vaartuigen tegen, slechts enkele visschersbooten en eenige kleine koopvaarders. Nog waren de kusten van Sardinië niet geheel verdwenen, of reeds kwam de Afrikaansche kust in ’t gezicht, bergachtig, met vele eilandjes, en als evenzooveel voorposten van het Mohammedanisme zagen wij hier en daar op de heuvels zich verheffen de gekoepelde, witgepleisterde graven van verscheidene Marabouts (priesters) tot de zon onder de onbenevelde kim dook en de lichten van Tunis ons tegemoet flikkerden. Nog meer dan een uur moest de boot door het Canal de la Goulette, een uitgediepte geul in de ondiepe golf van Tunis varen, voor de aanlegplaats bereikt werd. Het ontschepen ging lang niet zoo spoedig en kalm als het inschepen. Want voor de boot goed vastgemeerd lag, kwamen reeds in verscheidene bootjes de echte, onvervalschte afstammelingen der vroeger zoo beruchte zeeroovers van Tunis opzetten, de witte of gekleurde tulband of de helroode fez scherp afstekend tegen het donkerbruine gelaat. Er waren echte galgentronies onder, die duidelijk den stempel der herediteit droegen en zij waren brutaal als de beul. Spoedig krioelde het op het dek van allerlei bruine kerels, die op de wijze hunner vroede voorvaderen de boot geënterd hadden en aan boord geklauterd waren. Kortom echt zeerooversgespuis, hetwelk den passagiers zijn diensten als pakjesdragers en gidsen aanbood. Met Argusoogen werd de longroom èn de bagage door den hofmeester en de bedienden bewaakt. Bij het aan land gaan begon het ongeluk eerst recht. Want nauwelijks de loopplank over, werden wij omringd door een zestal Arabieren, mannen en jongens, die zich, luid schreeuwende, van onze bagage trachtten meester te maken om ze te dragen. Eenmaal afgegeven, zouden wij er waarschijnlijk nooit veel van terug gezien hebben.


Een kijkje in Tunis.

Dat krioelde om ons heen, trok aan onze bagage en kleederen, kroop tusschen beenen en armen door en schreeuwde ons toe in een natuurlijk onverstaanbaar Arabisch. Zoo goed als wij konden verweerden wij ons tegen de aanvallers tot een Turco, een tolsoldaat, en de gids-tolk van het hôtel waar wij kamers hadden besproken, ons van hen verlosten. De laatste bracht ons naar de omnibus, waarmede wij spoedig ons hôtel bereikten.

Dit was gelegen in het zoogenaamde quartier Franc, dat eerst dagteekent van de laatste 20 jaren en de verbinding vormt tusschen de haven en de eigenlijke oude stad Tunis. Voornamelijk wordt die verbinding gevormd door de Avenue de la Marine en de Avenue de France, prachtige breede straten, waarop verschillende zijstraten uitmonden. De reiziger staat er over versteld, welk een groote verandering de Franschen in nog geen 20 jaar in de stad gebracht hebben.

Aanvankelijk zou men denken, in een welvarende Fransche stad te zijn. Electrische trams onderhouden het verkeer, elektrisch licht zorgt voor de verlichting, terwijl de reinheid der straten niets te wenschen overlaat.

In de Fransche wijk wonen de Europeanen en bevinden zich de voornaamste Europeesche gebouwen, zooals het theater, de kathedraal, het paleis van den Franschen minister-resident, de voornaamste winkels en hôtels.

Het hôtel, waar wij onzen intrek genomen hadden, gelegen in de Avenue de France, bevond zich in de onmiddellijke nabijheid der Porte de France, die toegang verleende tot de Arabische stad. Deze bestaat uit drie deelen, nl. de middenstad, cité of Medina, die zich aansluit aan het quartier Franc, en twee buitenwijken, een ten N. de Rebat bab-el-souika [20] en een ten Z. de Rebat bab-ed-djazira, (rebat-wijk en bab-poort). De Medina is de voornaamste. Want in deze bevinden zich de beroemde Souks, de bazars of markthallen. Deze bezochten wij den dag na onze aankomst het eerst onder geleide van een gids-tolk, een Tunesiër van geboorte, die echter de schilderachtige Arabische kleedij voor de gemakkelijker Europeesche verwisseld had. Wil men Tunis en speciaal het volksleven goed zien, dan is zoo’n persoon onmisbaar.


Joodsche vrouw uit Tunis.

Met behulp van een papieren gids kan men slechts de voornaamste merkwaardigheden uitvinden; wie meer wil zien, is in de grootste verlegenheid, daar hij de landstaal, het Arabisch, verstaat noch spreekt. De tolk weet echter alles, wat noodig is, zooals: waar men te voet en met een rijtuig heen moet, tot wien men zich wenden moet om deze of gene merkwaardigheid te zien, hij weet den weg door den doolhof van nauwe straten en stegen, weet wat alles kost (behoudens de noodige provisie voor hem zelf) en laat ons meermalen merkwaardigheden zien, die men alleen nooit ontdekt zou hebben. De besparing in tijd, moeite en kosten wegen ruimschoots op tegen het matige daggeld, dat hij vraagt.

Zoodra wij door de Porte de France de Souks binnengetreden waren, viel ons op, dat wij ons in een zeer oud stadsgedeelte bevonden. Nauwe kronkelende straatjes en steegjes, te zamen één groot doolhof vormend, waar men zonder gids deugdelijk in verdwalen kon, nu eens uitloopend op een klein pleintje, dan weer doodloopend in een donker gangetje. Somtijds moest men vrij steile trappen op, dan weer daalde de straat zeer sterk.

Een liefhebber van oude gebouwen, van schilderachtige kijkjes en verrassende eigenaardigheden kon op deze wandeling veel genieten. Naast armoedige krotten verhieven de woningen van rijke Arabieren trotsch en ongenaakbaar hun platte daken, de groote deuren van massief cederhout dikwijls met ijzer- of koperwerk versierd, de ramen van onder- en bovenverdieping van stevig en kunstig traliewerk voorzien, opdat vrouwen en meisjes goed bewaard mochten zijn.


Welgestelde Arabieren uit Tunis.

Sommige huizen zijn van balcons voorzien, die dikwijls zóóver uitsteken, dat de bovenste verdiepingen der aan beide kanten der straat staande huizen elkander aanraken. Dikwijls zijn de bazars overwelfd, het gewelf gesteund door slanke Moorsche pilaren. Komt men in een onoverdekte straat, zoo valt de blik op de slanke torens der moskeeën, die ijl in de lucht stijgend, een schilderachtigen aanblik bieden en het geheel als ’t ware beheerschen. Vooral de Djama-ez-Zitouna, de groote moskee, verrukt het oog door haar slanke vormen en kunstig op de muren en relief aangebracht complex van miniatuurbogen. Ofschoon hobbelig geplaveid, viel de reinheid der straten ons erg mede, hoewel men er niet tegen op moest zien af en toe een doode hond of kat te ontmoeten, die zoo maar neergeworpen was. In die bazars wordt van ’s morgens vroeg tot laat in den middag levendige handel gedreven. De verschillende kooplieden hebben er, met uitzondering van eenige zeer rijke, slechts kleine winkeltjes, sommige slechts [21] eenige M2 groot, waar zij, in ’t halfduister neergehurkt, hun waren uitstallen. Eenige wachten met Mohammedaansch fatalisme af, of er een kooper komt opdagen, anderen prijzen luid schreeuwend hun waar aan, loopen een eind met u mede, en zijn niet van u af te slaan. Elk artikel en handwerk heeft zijn vaste bazar. Een geur van rozen, geranium of wierook verraadt, dat men in de Souk der parfums is; de lucht van leer, dat men zich in die der leerlooiers bevindt. Prachtige uitstallingen van zijde en fluweel, kunstig met goud en zilver geborduurd, afgewisseld met lange fijne burnous en helroode fezs, wijzen er op, dat men de duurste wijk, die der voortbrengselen om welke Tunis beroemd is nadert en dat het zaak is, zijn kooplust te bedwingen. In een andere bazar weer worden kunstig bewerkte koperen voorwerpen en geciseleerde wapenen verkocht of kan men het hart ophalen aan de vruchten van het Zuiden. Timmerlieden, schoenmakers, schrijnwerkers en kleermakers, allen hebben hier hun vaste wijk en standplaats. En tusschen al die uitstallingen beweegt zich de bontste menigte, die men zich denken kan. Rijke, gezette Arabieren in prachtige gewaden, zich ten volle bewust van het gewicht hunner persoonlijkheid, met glanzend witte burnous, wisselen af met bedelaars in lompen gehuld. Jonge mannen, krachtig en slank gebouwd, met fijn besneden gezichten en sprekende oogen, prachtige typen van het Arabische ras en donkerbruine Mooren met trotschen en fanatieken blik en zwarten baard; pikzwarte negers, echte knechtjes van St. Nicolaas, zich statig in een burnou van het grofste zakkenlinnen hullend, op het hoofd een fez, die eens rood was, maar nu meer op hun gelaatskleur lijkt, als eerste dandys een sigaret rookend of luidkeels lachend met een mond tot aan de ooren en dikke lippen, terwijl de hagelwitte tanden zichtbaar worden; Arabische vrouwen, zich schuchter het gelaat bedekkend, de arme en onbemiddelde met een slip van haar kleed, de rijke zich hullend in een lange kostbare shawl van fijne, doorschijnende zijde—dit zijn de typen, die men het meest tegenkomt. Niet alle vrouwen zijn echter gesluierd, slechts de Arabische, maar de Joodsche niet. Voor ’t overige hebben deze geheel de Arabische kleeding overgenomen, ook de houten pantoffels met zeer hooge hakken, waarop de vrouwen hier als ’t ware loopen te balanceeren.


De moskee Becquia in Tunis.

Vroolijk komen hier en daar de kleurige uniformen der Fransche soldaten, vooral die der zouaven uit, met hun wijde roode broeken en blauwe korte jassen, de fez met de bengelende kwast op een oor, geheel het beeld van “vive la bagatelle”. Hier en daar ziet men een bruingebranden Bedouïn uit de woestijn voortschrijden met onderzoekenden blik, het lange geweer aan den bandelier over den schouder. Kleine meisjes en aardige jongens met groote verwonderde kijkers loopen overal door het gewoel, dat somtijds zoo dicht is, dat men er zich met de ellebogen door heen moet wringen, en vragen u onophoudelijk om sous. Jongens en mannen op ezels laten u aanhoudend uitwijken, want langoor wordt hier niet gespaard, maar eigenlijk afgebeuld. Ook kameelen bezoeken de bazars, en somtijds liggen zij in rijen van 10 of meer uit te rusten van hun tocht uit de binnenlanden, van waar zij houtskool, dadels en andere voortbrengselen naar de hoofdstad brengen. Daarbij is het dikwijls een geschreeuw, dat men elkander niet verstaan kan, kooplieden, die hun waren aanprijzen, koopers, die afdingen, druk redeneerende en gesticuleerende Arabieren en Mooren. Kortom het is een tooneel vol Oostersche levendigheid en Oostersche [22] kleurenpracht, dat door zijn bontheid en telkens afwisselende indrukken, mede door de bekoring van het nieuwe, den vreemdeling van het Westen ten zeerste boeit en verrukt.



Hoewel de Bey van Tunis in de hoofdstad een paleis heeft, Dar-el-Bey (huis van den Bey) genaamd, houdt hij daar zelden verblijf. Hij vertoeft er slechts voor regeeringszaken en bewoont liever het schoone buitenverblijf Kasr-Saïd of El-Bardo, in de nabijheid van Tunis. Geregeld eens per maand komt hij in de hoofdstad om in den voorhof van zijn paleis in hoogste instantie recht te spreken. Dit gebeurde juist eenige dagen na onze aankomst, en hiervan tijdig door onzen gids verwittigd, maakten wij aanstalten van zijnen intocht getuigen te zijn. Reeds te half acht begaven wij ons daartoe naar het plein van de Kasba (de burcht), waar ook het paleis gelegen is en waren getuige van de aankomst der verschillende hoogwaardigheidsbekleeders van den Bey. Militaire en burgerlijke autoriteiten, allen het hoofd bedekt met de onvermijdelijke fez, stelden zich bij de poort op, velen versierd met de orde der Beys, de Nicham-Iftikhar. Beambten van gelijken rang begroetten elkander plechtig met een kus op elke wang; de jongeren de ouderen met eerbiedigen handkus. Na eenigen tijd wachtens kondigden eenige Fransche officieren van de Chasseurs d’Afrique, als ordonnansen, de komst van den Bey aan. Weldra kwam een afdeeling cavalerie in Turksche uniformen, op kleine vlugge paarden, wit van het stof, aandraven, daarop volgden eenige rijtuigen met hofbeambten en ten slotte de Bey zelf in een à la daumont gereden rijtuig met 6 muilezels. Bij ’t uitstappen vertoonde hij zich een oogenblik. Een man van middelbare lengte, met korten grijzen baard, geelachtig, streng gelaat en ernstige sombere oogen. Er wordt van hem verteld, dat hij nooit lacht. Niet onwaarschijnlijk, zoo men de gebeurtenissen der laatste jaren in aanmerking neemt. Na de Fransche bezetting toch is het met de onbeperkte heerschappij van den Bey voor goed gedaan. Reden genoeg voor een Oostersch despoot om over te treuren.

Wie zich wel degelijk nog in ’t bezit van hun onbeperkte heerschappij mogen verheugen, al is het dan maar over redelooze dieren, zijn de Arabische slangenbezweerders, die nog steeds de giftigste exemplaren van het, den menschen zoo weinig sympathieke ras, in letterlijken zin, naar hun pijpen laten dansen. Ongeveer eens om de 14 dagen kan men te Tunis een dergelijke vertooning bijwonen, die gegeven wordt door een derwisch, een soort van armen priester of monnik uit de binnenlanden. Het is in zekeren zin een godsdienstige plechtigheid. Maar dan toch zeker een van een weinig ernstig en meer vroolijk karakter, want het in grooten getale toegestroomde publiek vermaakt zich er goed bij. Voor den vreemdeling gaat natuurlijk de godsdienstige beteekenis door onbekendheid met Arabische taal en Mohammedaansche gebruiken verloren; hij beschouwt het als een kermis-voorstelling, een merkwaardig schouwspel, nl. om de groote moreele kracht, die de mensch op de dieren kan uitoefenen. De voorstelling heeft plaats in de open lucht, meestal op een plein voor een Arabisch café, waarvan het in Tunis krioelt. Deze keer op het plein Halfoüin.

Hier worden in de maand Ramadan, die der vasten, de groote Arabische feesten gevierd. In gewone tijden is het de plaats van samenkomst van Arabieren uit alle standen. Men vindt er dan ook vele koffiehuizen, zoowel voor Arabieren uit de volksklasse, negers en kleurlingen als die, welke door de rijken en dandys bezocht worden. Een groote menigte Arabieren, Mooren en negers, benevens een aantal vreemdelingen had zich om een opene ruimte in een kring opgesteld. Daar binnen bevond zich de bezweerder met zijn helpers, een drietal Arabieren, die op de hurken gezeten, een oorverdoovende muziek maakten. Een bespeelde een soort van herdersfluit, een tweede een Arabische viool, terwijl degene die in ’t midden zat, uit alle macht met duim en handpalm op een groote tamboerijn trommelde. Deze laatste beantwoordde ook de vragen, die de derwisch telkens tot hem richtte. Deze, donkerbruin, forsch gebouwd en toch lenig, met katachtige snelle bewegingen, de donkere schitterende oogen onophoudelijk in beweging, het beenige gezicht met een dun baardje omgeven, het geschoren hoofd slechts op de kruin bedekt met een ruigen, zwarten scalplok, geleek veel op een der fanatieke krijgslieden van den Mahdi, die in een wit kleed en met een breed zwaard in de vuist op de Engelsche carré’s losstormden, een wissen dood tegemoet. De voorstelling, die tamelijk lang duurde, had in ’t kort ’t volgende verloop: Uit een der bruinlederen zakken, die hij bij zich had, haalde de derwisch een zeer vergiftige slang ter lengte van ongeveer een M., licht bruin van kleur en aan den buik voorzien van gele ringen, de naâdja of slang van Cleopatra, door de Arabieren Bouftira genoemd. Deze schijnbaar levenlooze slang legde hij op een kleedje, iets grooter dan een M2. neer. Daarop danste hij, op een klein herdersfluitje blazend, om haar heen, tot zij hoe langer hoe levendiger werd en zich eindelijk met een schok oprichtend, met de kleinste helft van haar lichaam op het kleedje overeind kwam te staan. In die houding danste de slang nu, op de maat van de muziek, steeds met den derwisch mede; bewoog hij zich naar rechts of links, zoo deed zij ’t zelfde. Het opmerkelijkste daarbij was, dat zij het kleedje niet verliet en, ofschoon zij door al het gesar van den bezweerder tot de hoogste woede geprikkeld was, er niet aan dacht, iemand aan te vallen. De derwisch, die weldra droop van ’t zweet, was voortdurend in beweging, dansend en springend, lachte onophoudelijk met breeden mond, hevig gesticuleerend, nu eens tot de omstanders of den man met de tamboerijn vragen richtend, welke met toestemmend geschreeuw of gelach beantwoord werden, dan weer de armen zwaaiend of ten hemel heffend, luide gebeden tot Allah of den een of anderen heilige opzendende. Vooral voor Ab-del-Kader, den bekenden vrijheidsheld, scheen hij groote vereering te gevoelen, want herhaaldelijk riep hij hem aan. Zooals de meeste Oostersche voorstellingen en plechtigheden, werd ook deze ten laatste eentonig. Wij verlieten het plein om ons naar het gerechtsgebouw te begeven, met het doel daar een nieuwen kijk op het Tunesische leven te krijgen. [23]

Zooals reeds vermeld, heeft de Fransche regeering aan de Arabieren in Tunis hun eigen rechtspraak gelaten. Een zeer wijze maatregel, die haar eindelooze moeilijkheden en wrijvingen met de inboorlingen bespaart. De Arabier wordt dus gevonnist door zijn eigen rechter of raëse.

Op verzoek zijn de zittingen ook toegankelijk voor vreemdelingen, die hier gelegenheid hebben menig tafereel van echt oorspronkelijk Arabisch leven te zien. De gids-tolk stelde ons hiertoe gemakkelijk in de gelegenheid. Toen wij het gerechtsgebouw, waar gevallen van echtscheiding en andere civiele zaken behandeld werden, binnentraden, bevonden wij ons op een ruime binnenplaats, omringd door een zuilengaanderij en aan de kanten voorzien van steenen banken. Daarop hadden aan de eene zijde plaats genomen een aantal dicht gesluierde vrouwen in ’t zwart gekleed, die zich over haar echtgenooten te beklagen hadden en zich wilden laten scheiden, aan den anderen kant de echtgenooten dier dames, allen wachtend tot zij opgeroepen zouden worden, om beurtelings voor den rechter te verschijnen. Aan den ingang der gerechtszaal, die op de eerste verdieping was, stond een zeer zwaarlijvige gendarme in een blauwe uniform op wacht, die ons, na een kort onderhoud met den gids, welwillend binnen liet en voor den rechter leidde, dien hij het verzoek overbracht om een zitting te mogen bijwonen. Beleefd beantwoordde de magistraat onze buiging, heette ons met een vriendelijken glimlach welkom en noodigde ons uit, dicht bij hem plaats te nemen aan den kant der toehoorders.

Daartegenover zaten in een bonte groep de getuigen. Nadat de woordvoerder van ons gezelschap den rechter bedankt en zijne vreugde te kennen gegeven had, dat wij als vreemdelingen mochten kennis maken met de Arabische wijsheid, van ouds beroemd uit de tijden van Kalief-Harun-al-Raschid, namen wij plaats en de zitting werd voortgezet.

Een sprekende kop die rechter, met beschaafde vormen en schitterende, doordringende oogen, waarvoor de beklaagden bijzonder veel ontzag hadden. Geschoeid met gele pantoffels, het witte gewaad met een langen, lichtbruinen gendorah (opperkleed) bedekt, droeg hij aan een zijner vingers een ring met smaragd, als teeken zijner waardigheid. Hij was gezeten aan een met allerlei papieren bedekte tafel, waarvoor de beklaagden en getuigen zich plaatsten om hun relaas te doen. Wij woonden eenige zaakjes bij, waarvan de gids ons de toedracht vertelde en kregen eenige zeer ongure schelmengezichten te zien. Allen zonder onderscheid hadden echter grooten eerbied voor den rechter. Met een diepe buiging, de armen over de borst gekruist, naderden zij hem en hieven deze onder ’t spreken tot aan de schouders op, de handpalmen vlak naar hem toegekeerd. Met zachte stem begonnen, werd hun spreeklust hun al spoedig te machtig; al radder ging hun tong, al luider werd hun stem en zelfs de eerbied voor den rechter kon hun woordenvloed niet stuiten.

Zij lieten dezen zelfs niet uitspreken en vielen hem herhaaldelijk pardoes in de rede, zoodat een tweede, insgelijks zeer welgedane gerechtsdienaar hun herhaaldelijk de zware hand op den schouder moest leggen en hun een gebiedend “barka, barka” (genoeg, genoeg) toeroepen. Deze had zelfs moeite hen de zaal uit te krijgen, nadat hun vonnis uitgesproken was. De raëse hoorde alles met Mohammedaansche kalmte aan, zeide van tijd tot tijd een enkel woord, stelde een enkele vraag, terwijl hij den spreker doordringend aanzag of volgens de rozenkrans, die hij in de hand hield, den grooten profeet bad, hem wijsheid te geven. Hij had blijkbaar de zaken grondig bestudeerd en sprak kort recht. Zoo kreeg een Arabier wegens mishandeling 5 maanden gevangenis; een Arabische vrouw, die kamers verhuurde en hare huurster, die één termijn vooruit betalen moest en dit gedaan had, daarop terstond haar huis uit gezet had, 2 maanden; een jongmensch, die wijn gedronken had, moest dit met 5 dagen opsluiting boeten, een bewijs dat in Tunis aan de wet van den Koran streng de hand gehouden wordt, hetgeen in Algerië niet zoozeer ’t geval is. De vrouwen waren het breedsprakigst en drukst en moesten door den gendarme nog veel meer tot de orde geroepen worden dan de mannen. Eenige dagen later woonden wij ook een zitting voor strafzaken bij, waar dezelfde rechter als de hierbovenvermelde de rechtbank presideerde. Een eivolle zaal, een lange rij beschuldigden, een menigte getuigen. Een viertal advokaten voerden het woord, waar wij natuurlijk niets van begrepen; echter bleek uit ’t vuur, waarmede zij spraken, dat zij de zaak hunner cliënten wel ter harte namen.

De vreemdeling, die eenigen tijd te Tunis verblijft, komt herhaaldelijk in de Souks, want telkens en telkens weer wordt hij aangetrokken door het bonte, opgewekte, oorspronkelijke volksleven, dat hij daar aantreft. Bij die herhaalde bezoeken is het af en toe betreden van een winkelmagazijn moeilijk te vermijden, zelfs al bestaat daartegen bij hem principiëel bezwaar, hetgeen meestal niet het geval is. Integendeel de kooper is meestal maar al te gewillig, en vrienden en verwanten in ’t vaderland willen ook wel bedacht zijn.

Ook ontbreekt het niet aan uitnoodigingen en aanmoedigingen van de zijde der winkeliers om binnen te treden. Reeds aan de deur, zelfs op de straat, noodigen ze u met vele plichtplegingen en buigingen als knipmessen daartoe uit. De argelooze vreemdeling, die toestemt, treedt in het hol van den leeuw, een leeuw met fluweelen pootjes. Vriendelijk wordt hij uitgenoodigd plaats te nemen en op de kennismaking een geurig kopje Arabische koffie, echte Mokka, in kleine porceleinen kopjes voorgediend, te drinken. Dit mag men niet weigeren, want het is een bewijs van gastvrijheid. Bovendien gelooven de winkeliers, dat het hun geluk aanbrengt, want zij zijn zeer bijgeloovig en zouden zich door een weigering beleedigd gevoelen.

Middelerwijl stallen de bedienden allerlei fraaie voorwerpen voor u uit en wordt men door den winkelier overladen met de vleiendste opmerkingen over zich zelf, zijn land en volk en met verzekeringen, dat hij zich zoo vereerd gevoelt door uw bezoek. Al die poes-lievigheid is echter maar schijn. Want in werkelijkheid is hij er slechts op uit, u zooveel mogelijk af te zetten. De voorwerpen in de Tunesische [24] winkels zijn niet vast geprijsd, de verkoopers vragen een buitensporig hoogen prijs. Vandaar een loven en bieden zonder eind, waarbij de vreemdeling gewoonlijk aan ’t kortste eind trekt. Zelfs al krijgt hij de voorwerpen voor een 3de of 4de van den gevraagden prijs, hetgeen geen zeldzaamheid is, dan is hij nog bekocht. Zelfs gebeurde het ons eens, dat wij een kleedje voor een zesde van den gevraagden prijs behielden.

Kortom, het is de grofste afzetterij. De fraaiste winkels zijn die der zijdewevers en zijdeborduurders, die de artikelen vervaardigen, waar Tunis beroemd om is en die het in groote hoeveelheid uitvoert. Men vindt deze in “de Souk des Femmes”, waar voor 40 jaar nog slavenhandel gedreven werd, en de prachtige magazijnen van Boccara père et fils en van Barbouchi gelegen zijn. Men vindt daar inderdaad een rijkdom van zijde en fluweel, shawls en doorzichtige sluiers, kleeden en kleedjes van damast, waarvan de randen met gouden of zilveren lovertjes en bloemen omzoomd zijn, in de fijnste, afwisselendste en teederste kleuren. Als een stuk van groote waarde toonde men ons een lange looper uit den tijd van Lodewijk XIV, geheel stijf van zilver en met gouden bloemtrossen ingelegd.


In den Souk der zijdewevers.

In andere winkels ziet men weer verschillende wapenen van allerlei vorm en afmetingen, met zilver en ivoor ingelegd of zwaar met koper beslagen; de sabels en dolken rijk gedamascineerd. Evenmin ontbreken rijke uitstallingen van lederwerk en met fijne figuren geïncrusteerd koper. Een belangrijk artikel van uitvoer zijn ook de parfumerieën en aetherische oliën, die volgens oude Oostersche gewoonte meestal bereid worden door de vrouwen uit den harem van den gegoeden parfumeur.

Niet alleen door haar bonte verscheidenheid van bevolking, door haar eigenaardige zeden en gewoonten biedt de stad Tunis den vreemdeling veel bezienswaardigs, maar ook hare omstreken hebben groote aantrekkelijkheid en verlokken tot menig heerlijk uitstapje. Daartoe moet men zich steeds op eenigen afstand van de stad begeven.

In de naaste omgeving is er alleen het stadspark “le Belveder” met zijn statig wuivende palmen en groene Oostersche gewassen, waar inwoner en vreemdeling eenige koelte en schaduw kunnen vinden. Overigens is de omgeving nagenoeg boomloos, vooral des zomers een groot nadeel. Want in Tunis, dat evenals Algiers het klimaat der Regio Mediterranee heeft, kan het afmattend heet zijn. Reeds in Maart is het er in den middag als bij ons in Augustus, en midden in den zomer kunnen de bewoners alleen aan de zeekust eenige koelte vinden. [25]


Constantine en het ravijn van de Roumel.

De winters, voor zoover zij dien naam verdienen, zijn in Tunis zeer zacht. Sneeuw kent men er niet dan bij overlevering; ’t laatst had men die in 1883 gezien. Tegen zonsondergang komt echter meest de koude N. wind, de mistral opzetten, waartegen de reiziger zich steeds met mantel en shawl moet wapenen. Als de verzengende Sirocco, de heete woestijnwind blaast, kan men nauwelijks ademhalen. Soms bereikte deze 40° Celsius, zoodat de streek waar zijn verzengende adem overheen gegaan is, als ’t ware verbrand ter neder ligt. Ook de Bey vertoeft niet geregeld in Tunis, maar heeft zijn residentie in de nabijheid, het paleis het Bardo. Dit gebouw, waaraan verbonden is het oudheidkundig museum Aloüi, is wel een bezoek waard.

Een monumentale leeuwentrap voert naar een rijkversierde vestibule, die toegang tot de verschillende zalen verleent. Onder deze zijn het opmerkelijkst de groote receptiezaal, waar de feesten aan het corps diplomatique gegeven worden, benevens de troonzaal, die aan de wanden versierd is met twee rijen rijk vergulde pendules uit verschillende tijdperken; op consoles; dit laatste meer rijk dan smaakvol.

Verder kan de reiziger te Manouba de overblijfselen van de grootsche waterleiding voor Carthago bewonderen, de ruïnen van Utica, de havenwerken van Bizerta of de badplaats Hammam-El-Lif bezoeken.

Vóór alles zal hij echter naar een plaats gaan, waarheen de stemmen uit het verleden hem met onweerstaanbare kracht geroepen hebben. Geen vreemdeling, al vertoeft hij nog zoo kort te Tunis, kan nalaten de ruïnen van Carthago te bezoeken. Hoe worden echter zijn verwachtingen omtrent hetgeen hij te zien zal krijgen teleurgesteld, zoo hij niet van te voren ingelicht is! Want van de eenmaal zoo bloeiende en trotsche hoofdstad der Karthagers, eertijds de koningin der Middellandsche zee, is bedroefd weinig meer over. Wel is de vloek van den meedoogenloozen Cato: “delenda est Carthago!” in vervulling gegaan. Niet eenmaal, maar drie keer is de stad grondig verwoest. Na de Romeinen kwamen de Vandalen, daarna de Arabieren. De laatsten vooral hielden deerlijk huis; hun dolzinnig fanatisme wilde elk spoor van de toenmaals christelijke stad met wortel en tak uitroeien. Geen steen werd op den anderen gelaten, alles kort en klein geslagen. De tocht naar Carthago is een verrukkelijke rit langs de ondiepe golf van Tunis, Bahira geheeten.

De onafzienbare zee verkwikt het oog door hare tallooze wisselende tinten van donker- en helderblauw tot smaragd-groen en lichtgrijs. Het strand wordt verlevendigd door groote troepen reigers, flamingo’s en andere zeevogels, die nu eens onbeweeglijk op een hunner lange pooten om zich heen staan te zien, dan weer onder krijschend geschreeuw hoog in de lucht opvliegen. Verblindend schitteren de witte huizen, slanke torens en gekoepelde daken van het verdwijnende Tunis in ’t felle zonlicht. Het schiereiland, waarop de bouwvallen van Karthago gelegen zijn, verheft zich vrij steil uit zee. Het hoogste punt vormt het terrein, waar vroeger de sterke burcht van Karthago, de Byrsa, gelegen was. Op den top van dien heuvel is het museum, waar alles verzameld [26] is, wat aan de verwoesting geheel of gedeeltelijk ontkomen en door ijverige opgravingen aan ’t licht gebracht is. Het zijn de zoogen. Pères Blancs, die zich hiermede bezig houden, in opdracht van kardinaal Lavigerie. Deze ijverige priester-zendeling, die van de Fransche regeering voor ongeveer 25 jaar verlof kreeg, bij de bouwvallen van Karthago een kathedraal te bouwen, gaf aan de monniken last, nevens hun godsdienstige plichten het werk der opgravingen met kracht ter hand te nemen. Dit leverde de beste resultaten op. Het museum is verdeeld in drie afdeelingen: voorwerpen uit den Punischen tijd, die uit den tijd van Romeinsch-Karthago, en ten slotte hetgeen er uit de Christelijke periode overgebleven is. Die uit de eerste periode zijn het meest bezienswaardig. Daaronder treft men menig fraai voorwerp aan, dat door eigenaardigen, dikwijls grilligen vorm en bewerking verraadt, dat in den Punischen voortijd Phoenicische en Oostersche invloeden zich in de kunst sterk deden gelden.

De bouwvallen van Karthago zijn voor de Fransche pelgrims een bedevaartplaats, daar er een kapel gebouwd is ter herinnering aan Lodewijk den Heilige, die hier op den 7den Kruistocht, te midden van zijn leger, door de pest werd weggerukt. Hoog boven dit bescheiden monument verheft zich een gebouw uit later tijd, eveneens aan hem gewijd, de basilica of kathedraal van Lodewijk den Heiligen. Fier en statig rijst zij met hare vier gekoepelde witte torens in de wolkenlooze lucht omhoog, en het kruis op den top weerspiegelt zich in de blauwe golven aan haren voet, zoo vredig en kalm, alsof die zee nooit iets anders, nimmer de verschrikkingen van oorlog en verwoesting aanschouwd had. Moge dit voortaan zoo blijven en Tunis en haar omgeving onder Fransch gezag een tijdperk van ongestoorden bloei en ontwikkeling deelachtig worden.



Sedert de vestiging van het Fransche protectoraat in Tunis, zijn de verkeerswegen aldaar enorm verbeterd. Dit geldt zoowel van de straatwegen als wat betreft den aanleg van spoor- en tramwegen. Door de stad Tunis snorren de electrische trams en meer en meer breidt het spoorwegnet op het platte land zich uit. De hoofdlijnen zijn aangesloten bij de Algiersche lijnen. De maatschappijen, wel inziende hoe bevorderlijk een goede inrichting voor de toename van ’t vreemdelingenverkeer is, nemen dit zeer ter harte, zoodat men in Tunis en Algiers even goed en even geriefelijk, ja soms nog beter reist dan in Frankrijk en in sommige streken van Europa. De hoofdlijn loopt van ’t Oosten naar ’t Westen en verbindt de voornaamste plaatsen, o.a. de hoofdplaatsen der provincies. Deze liggen ver van elkander af, en daar de treinen overal ophouden, zijn de trajecten lang. Meestal rijdt er slechts een per dag. Vroeg begonnen, eindigt de reis eerst ’s avonds of in den nacht. Soms is er gelegenheid in den trein te dineeren, zoo niet, dan wordt deze op bepaalde haltestations opengesteld, na voorafgegane bekendmaking. Men ziet, alles evenals in Europa. Al duurt de reis wat lang, zoo behoeft de reiziger zich niet te vervelen, want steeds biedt het landschap hem de grootste afwisseling. Meermalen gaat de weg langs een schilderachtige rivier. Een enkele orographische opmerking vinde hier haar plaats. Tunis en Algerië worden, wat de gesteldheid van den bodem betreft, in vier gordels verdeeld. De eerste gordel, de zoogenaamde Tell, strekt zich langs de zeekust uit en wordt landwaarts in begrensd door het Atlasgebergte, dat met zijn machtige keten, van oostelijk Tunis, door geheel Algerië, tot aan de westelijke grens van Marokko doordringt. De tell is het vruchtbare gedeelte bij uitnemendheid, waar veel graan en ooft geteeld wordt en de wijnstok rijke oogsten geeft. Men denke slechts aan den Algierschen wijn, die ook hier het burgerrecht verkregen heeft en aan de meer dan 40 millioen sinaasappelen, die Algerië nu reeds uitvoert. De tweede gordel is de Atlasketen. Daarop volgt de streek der hoogvlakten en steppen, waar de bodem onvruchtbaar en rotsachtig is, afgewisseld met vele zoutmeren. Ten slotte de woestijn, de Algerijnsche Sahara, die slechts een klein deel vormt van de groote woestijn van dien naam. Omdat het Atlasgebergte nagenoeg evenwijdig met de zee loopt en de waterscheiding vormt voor de rivieren, die Noordelijk in zee en naar ’t Zuiden in de zoutmeren uitmonden, hebben deze geen langen loop, hetgeen niet in ’t voordeel is van de besproeiing des lands. De voornaamste rivier van Tunesië is de Medjerda, die van Algerië de Seybouse. De eerste doorsnijdt Tunis van W. naar O., de tweede ontspringt op den Atlas en stroomt bij Bône in de zee. De spoorweg van Tunis naar Bône loopt voor ’t grootste deel door de dalen der beide stroomen, waardoor het natuurschoon langs den weg niet weinig verhoogd wordt. Van tijd tot tijd vernauwt het dal zich zoo zeer, dat de spoorweg het karakter van een echte bergbaan aanneemt en men hem met geweld een doortocht door de rotsen heeft moeten banen. Een ander maal doorsnijdt de spoorbaan een onafzienbare vlakte, gedeeltelijk met hoog gras bedekt, op andere plaatsen prijkend met den rijksten kleurenschat der meest verschillende bloemen. Men zou zich verplaatst wanen in de hyacinthen en tulpenvelden van Haarlem in ’t voorjaar, behalve, dat hier de verscheidenheid van kleuren grooter, de groepeering minder regelmatig is. Ongekunsteld schitteren de bloembedden in onvergelijkelijke pracht, zooals de natuur ze er neergezet heeft. Velden met donkergele goudsbloemen wisselen af met witte plekken, waar trotsche Aronskelken haar witte hoofden fier verheffen. Hier wedijveren teeder rose Malva’s met helroode klaprozen, ginds paren zich bescheiden witte madeliefjes met blauwe convolvulussen in teedere kleurenharmonie. Aan den oever der rivier wiegen oleanderstruiken hun witte en rose kelken op slanken stengel heen en weer, schitteren bloesems van perzik- en amandelboomen tusschen het donkere groen der laurierboomen, of wel het is een mimosastruik, die, om zijn schoonheid des te meer te doen uitkomen, niet beëngd door omringend geboomte, zijn volle gele trossen in het zonlicht laat schitteren en het oog verrukt. Somtijds ook kleine oerwouden van knoestige steen- en kurkeiken, machtige cederboomen, donkere cypressen en hoog opgeschoten eucalyptussen, waar alles verward door elkander staat en met klimplanten omstrengeld is. Ook levende [27] wezens ziet men langs den weg. Nieuwsgierige inboorlingen in kleine Arabische dorpen; karavanen met groote en kleine kudden vee, de eigenaar op een vurigen Arabier voorop; tenten van nomaden, soms niet veel meer dan lappendekens op palen, waaronder alles, menschen en vee, eendrachtiglijk te zamen huist. En steeds wordt het geheel omlijst door de eindelooze, golvende keten der Algerijnsche gebergten, wier golvingen zoo zacht zijn, dat zij geen horizon schijnen te bezitten.

Bône, met een bekoorlijke ligging aan zee, bevindt zich in de onmiddellijke nabijheid van het “massif de l’Edough”, een bergketen, die vrij steil in zee afdaalt en voor ’t grootste deel begroeid is met prachtige bosschen van kurkeiken, een rijke bron van inkomsten voor de exploiteerende maatschappijen.

Geheel anders is de ligging van Constantine te midden van een heuvelland op hooge rotsen. Als hoofdstad van het aloude Numedië, was het eens de residentie van den krijgshaftigen koning Massinissa, den bondgenoot van Scipio tegen de Karthagers en getuige van den fieren dood van Hannibals’ dochter Sophonisbe, die als een echte afstammelinge van den stam der Barciden geen schande verdragen wilde. Daarna zetelde er de wreede, roofzuchtige Jugurtha, die geheel Rome omkoopbaar achtte. Zijn geest scheen weer levendig te worden, nadat de Arabieren zich van de stad hadden meester gemaakt. Ten minste tot aan de verovering door de Franschen in 1837 was en bleef het een roofnest van de ergste soort. Hierbij werd de stad vooral begunstigd door haar eigenaardige ligging. Deze is inderdaad zeer bijzonder. Van het Oosten loopt het riviertje de Roumel op de stad toe door een uitgestrekte, vruchtbare vlakte, aan weerskanten met kalkrotsen omzoomd. Vlak voor de stad stroomt de Roumel door de groenende pépinière, den botanischen tuin, die elke Algiersche stad van beteekenis bezit. Plotseling houdt de vlakte op en ziet de rivier zich den loop versperd door de rotsen, waarop de stad gebouwd is. Het is een werk van eeuwen geweest, eer zij zich met geweld een weg daar doorheen gebaand had en hetzelfde geval als met den Rijn tusschen Coblentz en Bingen. Met dit verschil echter, dat de Roumel zich slechts een nauwe spleet tusschen de rotsen gewrongen heeft, die loodrecht oprijzen en op sommige plaatsen een hoogte van meer dan 100 M. bereiken. De stad, die den vorm van een ongelijkbeenig trapezium heeft, wordt aan twee der langste zijden door de Roumel omgeven, aan de twee andere zijden door hooge rotsen, met uitzondering van één punt, van waar zij uit de vlakte toegankelijk is. Een nagenoeg onneembare ligging dus, uiterst geschikt voor een roofnest. Langs de Roumel, van de Porte du Diable af, waar zij uit de vlakte komt, tot aan den waterval, waarmede zij zich weder, na doorbraak der rotsen, in de vlakte uitstrekt, is een smalle, van een balustrade voorziene weg gemaakt, “le chemin des touristes”. Deze, die volstrekt geen gevaar oplevert, is interessant en bijzonder mooi. Nu eens is de rivier slechts enkele meters breed, dan weer verwijdt zij zich als ’t ware tot kleine meertjes; hier is zij kalm, ginds schiet zij schuimend tusschen grillig opeen gestapelde rotsblokken door. Nu eens stroomt zij in ’t volle daglicht, een andermaal baant zij zich een weg onder den bodem en vormt indrukwekkende gewelven en wondervolle grotten, waaruit de puntige rotsmassa’s als stalactieten neerhangen. Door de vele bochten biedt de wandeling de bekoorlijkste en meest afwisselende gezichtspunten. Aan het einde, dicht bij den waterval, bereiken de rotsen haar hoogste punt en eindigen in een naakten steilen top. Na inneming der stad poogde hier een deel der verdedigers zich te redden door zich met touwen naar beneden te laten zakken. Maar de touwen braken en vele mannen, ook vrouwen en kinderen, kwamen om in de Roumel.

Door de ontoegankelijke ligging heeft de verovering den Franschen veel moeite gekost. Zij geschiedde tijdens een wapenstilstand met Ab-del-Kader, toen de onderwerping der provincie Constantine ter hand genomen werd. Een eerste aanval op de stad onder maarschalk Clauzel mislukte. Het volgend jaar werd een nieuwe expeditie onder ’t opperbevel van den hertog van Nemours en vier generaals uitgezonden.

De sultan Ahmed-Bey en diens fanatieke Arabieren, steunend op de onneembare ligging, weigerden hardnekkig elke capitulatie en zonden den parlementair spottend terug. Na voorafgegane beschieting bestormden de Franschen met groote dapperheid de stad en maakten zich na een hevig straatgevecht er van meester. Maar ten koste van groote offers, want de generaals Damrémont, Perrégaux en Combes sneuvelden. De bey, met klein gevolg ontvlucht, gaf zich, na eenige jaren den guerilla-oorlog gevoerd te hebben, over en verbleef als gevangene te Algiers.

Behalve haar ligging heeft de stad niet veel bijzonders. Er ligt een groot garnizoen. Met hun kleurige uniformen en de opgewektheid den Franschen soldaat eigen, brengt het militair veel vroolijkheid aan. Aanhoudend ziet men troepen door de straten trekken. Nu eens zijn het chasseurs d’Afrique op hun vurige, kleine Arabische schimmels, dan weer bruine turco’s met de korte blauwe jasjes en dito wijde pofbroeken of het is een bataillon kranige zouaven, dat voorbij marcheert. Ook ligt er een kleine afdeeling spahi’s, dat keurkorps bij uitnemend, in garnizoen. Dit zijn Arabieren, die een bijzonder goeden staat van dienst hebben en gebruikt worden als ordonnansen, estafettes en lijfwachten van den generaal. Gehuld in hun roode of blauwe mantels, een breeden tulband op het hoofd, maken zij met hun hooge laarzen en kromme lange sabels een zeer krijgshaftigen indruk. Men vindt er menig type van den echten, fieren, mannelijken Arabier onder.

Op het groote plein midden in de stad is het paleis van den generaal, den militairen commandant, voorheen de residentie van Ahmed-Bey. Dit paleis, dat zeer bezienswaardig is, bevat nog vele bijeengeroofde kunstschatten uit de oudheid. De binnengalerij is versierd met 265 slanke pilaren van Corinthische bouworde, van Carthago geroofd, maar bovenal wordt het oog getroffen door een buste van Julia Domna, de vrouw van keizer Alexander Severus. Van wit marmer, is deze zoo fijn uitgevoerd, dat men als ’t ware den arm onder den mantel kan zien doorschemeren. Een der façaden van het binnenplein wordt bedekt door één enkelen rozenboom, zoo weelderig, [28] dat hij van boven tot onder met de schoonste witte rozen bedekt is.

Het plein voor ’t paleis is de plaats van samenkomst voor de bewoners van Constantine. Het is er des middags van 5 tot 6 een vroolijk en levendig gedoe. Want dan speelt de militaire muziek, eerst de Fransche kapel, daarna de Arabische. De laatste, waar veel snerpende fluiten den boventoon voeren, is voor Europeesche ooren nu niet bepaald aangenaam om te hooren.


Triomfboog van Trajanus te Timgad.

De provincie Constantine is niet alleen de boschrijkste, maar ook de meest bergachtige van Algerië. Daar toch komt de Atlasketen te zamen met een andere bergreeks, die uit het Zuiden komt en tot het gebied der hoogvlakten en steppen behoort. Die bergreeks is samengesteld uit verschillende gebergten; o.a. het gebergte der Ksour, de bergen der Ouled Nayl, die der Zibans (zoo genoemd naar verschillende Bedouïnenstammen van denzelfden naam) en de Djebel-Aoures (djebelberg). Sommigen bereiken een aanzienlijke hoogte. De Djebel-Aoures b.v. heeft toppen van 2000 M., waarop de sneeuw des zomers niet smelt. Dit gebergte onderscheidt zich door groote woestheid en ruwheid van vormen, maar ook door indrukwekkendheid. Het is zeer verlaten en weinig bewoond. In de rotskloven huizen somtijds nog beren en leeuwen, die elders reeds lang verdwenen zijn.

Toen de Arabieren zich van Algerië meester maakten, hebben de bergvolken van den Aurès het langst hun onafhankelijkheid bewaard en ook de Franschen hadden met de daarheen uitgeweken oproerige Bedouïnenstammen veel te stellen. Het Zuiden grenst aan de Algerijnsche Sahara.

Ten einde nu den toegang tot de woestijn tegen een mogelijken aanval van roofzuchtige stammen te verdedigen, bouwden de Franschen de militaire stad Batna aan de uitloopers van het Aurès-gebergte en aan de spoorlijn, die van Constantine naar het Zuiden, naar Biskra loopt. In dat gebergte nu ligt een der grootste merkwaardigheden op oudheidkundig gebied van geheel Algerië verborgen.

Het zijn de bouwvallen van Timgad, eertijds Thamugadi geheeten, een der bloeiendste Afrikaansche steden van het Romeinsche keizerrijk.

Oorspronkelijk slechts een militaire post met bestemming de woestijn te bewaken, werd eerst onder de regeering van keizer Trajanus de eigenlijke stad gesticht door den legaat en propraetor Lucius Munatius Gallus. Door de gunst van haar beschermer, Trajanus, tot municipium verheven, breidde zij zich hoe langer hoe meer uit en geraakte tot grooten bloei. Zij deelde in de afwisselende lotgevallen van Afrika’s Noordkust, die beurtelings onder Romeinsch, Vandaalsch, Byzantijnsch en Arabisch gezag kwam. Maar in 698 sloeg voor haar het uur van ondergang. Ingenomen door de volgers van Mohammed, werd zij in brand gestoken en verwoest. Gedurende meer dan 12 eeuwen sliep de stad haar doodslaap onder de asch, tot het tegenwoordige geslacht, bezield met ijver voor wetenschappelijke onderzoekingen, haar daaruit opwekte, om, al is het dan slechts gedeeltelijk, hare vroegere heerlijkheid aan den dag te brengen en van hare voormalige grootheid te getuigen. Timgad noemt men wel het Afrikaansch Pompeï, maar er is wel eenig verschil tusschen die twee. Terwijl men te Pompeï een duidelijker beeld krijgt van de inwendige inrichting der huizen en van het huiselijk leven der Romeinen, ontvangt de bezoeker van de bouwvallen van het oude Thamugadi een juister indruk van een groote, bloeiende stad uit den keizertijd, van haar gansche bouworde en inrichting. Licht zal men vragen, hoe het komt, dat van Timgad zooveel bewaard gebleven is, terwijl van andere oude steden van Afrika b.v. Carthago, niets meer over is? Dit komt door hare afgelegen ligging midden in een bergland, ver van de zeekust. Want deze omstandigheid verhinderde de Grieken, de Genueezen, de inwoners van Pisa en den bey van Constantine om van de stad, zooals zij van Karthago en andere plaatsen deden, een dépôt van bouwmateriaal te maken. Timgad bereikt men van Batna uit; het is ruim 10 uur rijdens heen en terug. Een lange tocht dus, maar die wel de moeite loont. De goed onderhouden straatweg dagteekent reeds gedeeltelijk uit den Romeinschen tijd, daar hier vroeger de heerbaan liep van Lambesse naar Timgad. Lambesse, dat men na een uur rijdens voorbij gaat, diende vroeger tot versterkt kamp van het derde legioen van Augustus, dat met de verdediging van Afrika belast was. Er is nog een tamelijk goed behouden hoofdingang van het praetorium te zien, dat tot woning diende voor den keizerlijken legaat of onderbevelhebber, benevens overblijfselen van een tempel van Esculapius en van een triomfboog van Alexander Severus. Het is frisch in het dal waar men doorrijdt, want Batna ligt op meer dan 1000 M. en de bergen van den Aurès, die men niet uit ’t gezicht verliest, zijn hier en daar met sneeuw bedekt. Na onderweg nog de ruïne van den triomfboog van Markouna (met ziet, men is en plein pays de l’antiquité) voorbijgereden te zijn, dagen eindelijk [29] de bouwvallen van Timgad in het nevelachtig verschiet op als een moeilijk te beschrijven verwarde massa. Dit wordt echter anders, als men naderbij gekomen is. Dan bespeurt men dadelijk, dat de stad volgens een vast plan gebouwd is. Niet alléén echter bezoeken de reizigers de bouwvallen. Hun wordt een gids medegegeven en niet tot hun nadeel, want anders zouden zij kans loopen te verdwalen tusschen de talrijke overblijfselen der verschillende monumenten en bovendien menige nuttige aanwijzing missen. Men kan zich een klein denkbeeld vormen van de uitgestrektheid, die de stad vroeger besloeg en tevens van haren bloei, uit de vermelding dat wij een rondgang maakten van meer dan 3 uur en toen nog alleen maar de voornaamste dingen gezien hadden. Daarbij komt nog, dat men aanhoudend nieuwe ontdekkingen doet, nieuwe schatten uit den bodem toovert. De gids bracht ons het eerst naar het middelpunt der stad, het snijpunt der beide hoofdwegen, den Decumanus maximus en den Cardo. Deze snijden elkander rechthoekig en dit snijpunt bepaalt de plaats der voornaamste gebouwen. Alles in navolging van Rome. Dicht bij het snijpunt ligt het schoonste en best behouden monument der geheele ruïne, de triomfboog van Trajanus. Opgetrokken uit grijzen baksteen, maakt het met zijn drie bogen, ter hoogte van 16 M., een indrukwekkend effect. De middelste boog, juist ter breedte van de straat, was voor wagens bestemd, de andere, kleinere voor de voetgangers, die zich op de trottoirs bewogen. Voor de bestrating droegen de Romeinen veel zorg. Dit blijkt ook uit die te Timgad, die nog uitstekend behouden is. Zij bestaat uit groote platte steenen, waar men nog duidelijk het wagenspoor in zien kan, door de wielen er in gegroefd.


Gezicht op de oase en de bergspleet van El-Kantara.

Van het Forum, het politieke middelpunt der stad, de verzamelplaats van alle burgers, is niet veel meer over. Slechts een paar zuilen ter hoogte van 13 M. en een menigte opschriften getuigen van vroegere heerlijkheid. Onder die opschriften is er één, dat de aandacht trekt. Het is de luchtige levensopvatting van een Romeinschen nietsdoener: “venari, lavari, ludere, ridere, hoc et vivere”, in goed hollandsch: “jagen, baden, spelen, lachen, dat is leven”.

Het theater is beter bewaard gebleven. Tegen een heuvel aangebouwd of liever in de rots uitgehouwen, zijn de rijen zitplaatsen in den vorm van een halve maan nog vrij volledig aanwezig. Ook de zuilengaanderij, die achter het tooneel liep, staat, hoewel de meeste zuilen afgeknot en afgebrokkeld zijn, [30] tamelijk goed overeind. Het theater kon meer dan 4000 toeschouwers bevatten, behalve die nog op den heuvel plaats namen.

Natuurlijk bezat Timgad zijn Kapitool of burcht, tevens tempel van Jupiter, Juno en Minerva. Latere onderzoekingen hebben uitgemaakt, dat hij een oppervlakte van 840 M2. moet beslagen hebben. Over ’t geheel moet alles er van reusachtige afmetingen geweest zijn. Dit bewijzen twee zuilen, die indertijd tot de propylaeën, een zuilengaanderij, die om den tempel heen liep, behoord hebben. Deze lagen in 8 brokstukken verspreid. De reconstructie daarvan heeft niet minder dan 10,000 frs. bedragen, waarvan 3000 frs. voor een hijschtoestel. De opgezette zuilen zijn 16 M. hoog en hebben aan de basis een breedte van 1 M. 50 cM. Voorts zijn door de opgravingen nog aan het licht gebracht de thermen of baden, die bij de Romeinen zoo’n voorname rol speelden. Vier zijn er tot nog toe te Timgad ontdekt, 2 groote en 2 kleine. Natuurlijk is alleen de onderbouw gedeeltelijk bewaard gebleven, maar juist daaraan kon men zien, op wat voor vernuftige wijze de Romeinen den aan- en afvoer van water, benevens de verdeeling van heete en koude lucht ten behoeve der verschillende vertrekken regelden. De kleine thermen beslaan te zamen een oppervlakte van ruim 2000 M2.; de riolen ten behoeve van den waterafvoer doen heden nog dienst om het overtollige water van de bergen naar de vlakte te leiden.

In een museum zijn al de kunstschatten bijeengebracht, door de opgravingen aan het licht gekomen. Deze zijn van den meest verschillenden aard en meestal geschonden. Voortreffelijk behouden is een beeldig bronzen Venuskopje, dat aan den bloeitijd der Grieksche kunst doet denken.

Wij zeiden het reeds, ijverig worden de opgravingen voortgezet, begunstigd en aangemoedigd door de Fransche regeering. Zij worden verricht onder toezicht van den bekwamen heer Ballu, chef van den archaëologischen dienst voor Afrika. Hare subsidies heeft de regeering vermeerderd van frs. 25,000 tot 100,000 frs. Zoo poogt zij dus ook hier een verzuim der Arabieren te herstellen en blijft door het bevorderen van wetenschappelijke en geschiedkundige onderzoekingen haar roeping van beschaving brengende mogendheid getrouw, daarbij de schoone kunsten niet vergetend.

Ten zuiden van Batna ondergaat niet alleen het landschap, maar ook de gesteldheid van den bodem en het klimaat spoedig een groote verandering. Geen wonder, want men verlaat de hoogvlakte en nadert de woestijn, die haar invloed doet gevoelen. Van Batna loopt een spoorlijn naar het Zuiden, die de verbinding tot stand brengt tusschen Biskra, een voornaam punt van samenkomst van verschillende karavaanwegen uit de Sahara, en de noordelijker gelegen streek der Tell. Op korten afstand van Batna neemt het landschap reeds een woestijnkarakter aan, dat voortdurend ruwer en onherbergzamer wordt. De bergen en heuvels vertoonen de grilligste vormen, nu eens spits toeloopend, dan weer met een breeden, ronden koepel gekroond. Soms staan zij in groepjes, in langere of kortere ketenen bij elkander; op andere plaatsen verrijzen eenzame kegels en toppen plotseling uit de vlakte. Het is als ’t ware, of de natuur nu eens moeite gedaan heeft, deze landstreek in den meest chaötischen toestand te brengen, er alles onderste boven te keeren. De bodem, nu eens rotsachtig dan weer klaar zand, vertoont met uitzondering van eenige mossoorten niet den minsten plantengroei. Zoutmeren met lage, bruine, half uitgedroogde oevers verhoogen slechts de intense treurigheid van het landschap. Dit duurt zoo voort tot aan de halte El-Kantara, waar de bergen hooger worden maar het landschap iets vriendelijker, want er is een riviertje in de nabijheid.

In het nauwe dal, waardoor de oued El-Kantara (oued = rivier) stroomt, ligt, door hooge rotsen ingesloten, het vriendelijke, geriefelijke hôtel Bertrand, waar de bestoven en verhitte reiziger gaarne afstapt. Volgt men nu de goed onderhouden chaussee door het dal naar het Zuiden, zoo schijnt het, dat de bergketen van den djebel-Gaouss dit weldra geheel zal afsluiten. Er is slechts ruimte voor den weg en het riviertje; de spoor heeft zich door een tunnel baan moeten breken. Maar plotseling, op een punt, waar de berg slechts een nauwe spleet vormt, met wanden, die onder een hoek van 60° steil naar boven rijzen, wijken de rotsen terug en laten den verrasten reiziger den blik slaan op een breed dal, waarin de uitgestrekte en bekoorlijke oase van El-Kantara ligt. Voor hem die dit voor ’t eerst aanschouwt, een tooneel van natuurschoon om nooit te vergeten. Het opmerkelijkste is de schrille tegenstelling tusschen de absolute onvruchtbaarheid der naakte rotsen en de oase met haar donkergroenen bladerdos van statig wuivende palmen, waartusschen het kleine, vruchtbaarheid brengende stroompje zich een weg baant. De Arabieren noemen de bergspleet van El-Kantara den mond der woestijn, en de geleerden hebben uitgemaakt, dat hier de grens der Sahara is. Neemt men van meer nabij een kijkje in de oase en bezoekt men het dorp El-Kantara, zoo geraakt men meer en meer in verrukking. De huizen, uit grijze leem opgetrokken, gelijken op kleine vestingen, met smalle vensters als schietgaten. De tuintjes, door leemen muren van elkander gescheiden, zijn slechts eenige M2 groot, doch bevatten voor den eigenaar zijn levensonderhoud, de onwaardeerbare dadelpalmen. De dadelpalmen, in ’t Zuiden van Europa en aan Afrika’s Noordkust, geven, hoezeer zij de schoonheid van het landschap ook verhoogen, geen vruchten. Deze rijpen eerst veel zuidelijker, op ongeveer 38° breedte en hebben daartoe gedurende de zomermaanden een warmte van 40° a 50° Celsius noodig. De dadelpalm, zegt de Arabier, “moet met het hoofd in ’t vuur, met de voeten in ’t water staan.” Daarom groeit de dadel ook alleen dáár in de woestijn, waar water voorkomt, n.l. in de oase, hetzij natuurlijke, hetzij kunstmatige. De laatste komt verreweg het meest voor, daar zij zeer veel zorg behoeft wat de besproeiing betreft, en de eerste bij gebreke daarvan spoedig te gronde gaat. Evenals elders, stonden de dadels in de tuintjes te El-Kantara met den voet in een kegelvormig gat, waar men het water in laat loopen. Door de geheele oase loopt een kunstig net van kleine stroompjes tot aan en afvoer van water, en zijn lage dijken aangebracht tot afdamming. [31] Men moet spaarzaam met het kostbare water omgaan, daarom worden alle tuinen beurtelings eens om de 14 dagen besproeid. Onder het dichte bladerdak wordt de dadel in de zoele hitte veilig rijp en dragen andere boomen, ook Europeesche gewassen rijke vrucht; vijge-, abrikozen- en perzikboomen verrukten het oog door den rijken kleurenschat hunner bloesems, terwijl de wijngaardranken en clematis zich door de toppen heenslingeren. Ook verschillende groentesoorten tieren er welig. Een steenachtig, hobbelig pad voert door de oase; af en toe moet men de rivier doorwaden, die bijna droog is en geniet dan een schilderachtigen aanblik op de rotsachtige, met bloeiende oleanders en cactussen omzoomde oevers. Arabische jongens en meisjes komen u tegemoet, willen u met alle geweld den weg wijzen en doen aanslagen op uw beurs. De avond valt. In groepen zitten de Arabieren, jonge en oudere mannen, voor de lage huizen bijeen, allen in de witte burnou gehuld, waaronder menige grijsaard door zijn statig voorkomen de aandacht trekt. Waarlijk een eerste bezoek aan een oase in de woestijn maakt op den reiziger een onuitwischbaren indruk en doet hem denken aan de schoonste tafereelen der 1001 nacht.

Veel heeft het Fransche gouvernement sinds de bezetting van Algerië voor het behoud, de stichting en de uitbreiding der oasen gedaan. Natuurlijk was zulks eerst mogelijk, nadat de Fransche troepen tot aan den rand der Sahara waren doorgedrongen. Zooals men weet is de Sahara vroeger zee geweest. Het water is in ’t zand weggezonken, zoodat zich in verschillende streken uitgestrekte onderaardsche meren gevormd hebben, die somtijds meer dan 200 M. diep liggen. Elders verkrijgt men bij ’t graven reeds op 6 M. diepte water. Het geldt nu, dit water te voorschijn te brengen en door bevloeiing den naasten omtrek vruchtbaar te maken. Den Arabier staan daartoe slechts gebrekkige hulpmiddelen ten dienste. Daarom moet de Franschman met zijn machines voor ’t boren van artesische putten hem te hulp komen. In 1856 liet kolonel Desvaux, commandant van Batna, de eerste boringen doen te Tumerna, waar men een put aanboorde, die 4010 L. water per minuut gaf. Somtijds spuit het water met zoo’n geweldigen aandrang en in zoo’n rijkelijke hoeveelheid uit den bodem, dat het een deel der landstreek onder water zet en de aanwezigen zich in allerijl moeten bergen, ten einde niet verzwolgen te worden. Dit duurt echter maar kort, waarna de toevloed vermindert. Het water wordt afgedamd en door kunstige kanaliseering wordt een zoo groot mogelijke streek bevloeid.

Uitbundige vreugde heerscht er bij de bevolking. Fantasia’s worden gehouden, saluutschoten in de lucht afgevuurd en de dorpcheik betuigt den “vader van het water” (naam, dien de Arabieren aan den ingenieur, met de boringen belast, geven) de dankbaarheid der bevolking. Alle nood is vergeten, de toekomst der oase, der bewoners verzekerd, nieuwe bronnen van bestaan geopend, de arbeid vermeerderd, de welvaart toegenomen. Alleen van 1856–’66 liet de Fransche regeering 150,000 palmen planten. Zij legt den bewoners der oase slechts de matige belasting van 20 à 30 centimes per dadelboom op. Eenige jaren geleden schonk zij aan een dorp 2/5 der belasting kwijt wegens mislukking der oogst. Men houde wel in ’t oog, dat de geduldige, vlijtige bebouwer der oase niet is de luie, rondzwervende Arabier, maar tot den stam der vroegere inwoners, der Berbers behoort.

Vroeger was het gewoonte, dat de Arabier tegen den oogsttijd zijn tenten in de nabijheid der oase kwam opslaan, om van den oasebewoner schatting van den oogst te eischen. Deze schatting bedroeg dikwijls meer dan de helft. Aan dit misbruik heeft het Fransche gouvernement een einde gemaakt, en dit is dus ook in dit opzicht den inboorling tot zegen geweest.

Niet alleen echter voor het stoffelijk welzijn, ook voor het geestelijk heil der bevolking wordt goed gezorgd. Dit bewijzen de vele scholen, die overal in steden, dorpen, ja zelfs in afgelegen oasen opgericht zijn. Ook El-Kantara bezit een school. Jaarlijks wordt uit de schranderste dorpskinderen van ongeveer een jaar of 6 een keus gedaan ten getale van 10 of 12, om een cursus van 6 à 7 jaar te volgen. Het onderwijs, dat ’s winters gegeven wordt, bestaat in Fransch (dat de Arabieren zeer gemakkelijk leeren), teekenen, hand- en tuinarbeid en rekenkunde. Desverkiezende kunnen leergierigen op hun 13de of 14de jaar nog een hoogeren cursus volgen, waar ook geschiedenis onderwezen wordt. De schoollokalen te El-Kantara zijn voldoende en ruim ingericht. Aan de wanden prijken, behalve vele schoolprenten, de teekeningen van jeugdige Berbertjes, die van goede opmerkingsgave getuigen. Zelfs te Ouargla, een oase midden in de Algerijnsche Sahara gelegen, is een Fransche school. Van Biskra uit moet de schoolmeester per kameel de reis daarheen doen, welke 14 dagen duurt. Wel een bewijs, dat zelfs afgelegen plaatsen op onderwijsgebied niet vergeten worden.

El-Kantara is zeer gezocht door hartstochtelijke jagers, die in de kloven van het gebergte en in de valleien der woestijn jacht maken op de mouflon, het ruige bergschaap met breede, gekrulde hoorns en de snelvoetige antilope. Wij, toeristen, maakten een interessant uitstapje naar het schilderachtige dal van Tilatou. ’s Morgens vroeg op muilezels onder geleide van een levendigen Arabier, een dorpsjongen uit El-Kantara, vertrokken, drongen wij in een zijdal der rivier door, dat hoe langer hoe nauwer toeliep. Slechts een smal voetpad voerde langs den steilen oever, ontbrak soms ook geheel. Dan daalden de muilezels in de rivier af en vervolgden daarin hun weg. Een andermaal klauterden zij als katten tegen de steile hellingen op of daalden behoedzaam tusschen groote rotsblokken naar beneden. Voortdurend riep de jonge Arabier ons toe: “Laissez le mulet, il sait son chemin.” Waarlijk, men kon niets beter doen dan zich lijdelijk aan zijn muildier overgeven en de kalme, behoedzame zekerheid bewonderen, waarmede het steeds den reeds vroeger afgelegden weg terug vond. Tegen ’t middaguur stapten wij af op een plaats, waar het dal, door hooge krijtrotsen omgeven, breeder werd. Was het vroeger woest en onbegroeid, hier heerschte een weelderige plantengroei. Langs de rotsoevers der beek bloeiden en geurden om strijd oleanders en wilde rozen, hoogerop [32] vormden vijge- en laurierboomen, amandel-, perzik- en abrikozenboomen, omstrengeld met wijngaardranken en lianen, een dicht bosch, waarboven een enkele palm zijn trotsche kruin verhief.


Gezicht in het dal van Tilatou. Op den berg het dorp der holbewoners met den toren der moskee.

Na een bezwaarlijke klimpartij tegen een met rotsblokken bezaaide berghelling was het punt bereikt, waar wij op korten afstand het gezicht op het doel van onzen tocht hadden, een dorp van holbewoners of oermenschen. De natuur heeft hier n.l. in de krijtrotsen vrij diepe holen en grotten gevormd, die door de gemakzuchtige Arabieren met geringe moeite tot woningen voor zich zelf en stallen voor hun vee ingericht zijn. Tegen de rotsen aangeleund, verheft zich de afgebrokkelde toren van een moskee. Daar leven ongeveer een 300 mannen, vrouwen en kinderen, ver van de wereld, met bijna geen behoeften, zich voedend met de opbrengst hunner kudden en der weinige vruchtboomen die zij verzorgen onder het aartsvaderlijk opzicht van een kadi (rechter) en een marabout (priester). Een idyllische toestand voorwaar, die ons Westerlingen, vermoeid door het gejaagde, de zenuwen op de proef stellende, dikwerf zoo ongezonde leven der hedendaagsche maatschappij, jaloersch zou kunnen maken, zoo ... wij wat meer van ’t karakter van den Arabier in ons hadden.



Biskra, ongeveer twee uur sporens ten Zuiden van El-Kantara, is het eindpunt van de lijn van Constantine naar de Sahara. Het is een oase, die, wat uitgestrektheid en schoonheid betreft, El-Kantara nog ver overtreft. Juister gezegd, bestaat het uit elf oasen van uiteenloopende uitgestrektheid, die schilderachtig verspreid aan den voet van twee massieve bergmassa’s liggen, den reeds vroeger vermelden Djebel Aoures en den berg der Zibans (ziban-dorpen, enkelv. zab). De Arabieren, steeds er op uit om alles, wat door bijzondere schoonheid of bekoorlijkheid uitmunt, bij een koningin, sultane of prinses te vergelijken, noemen daarom Biskra de koningin der Zibans. En terecht verdient het dien naam. Want als een koningin, stralend van schoonheid, de trotsche kruinen van zijn 160,000 palmen badend in den zonnegloed, ligt het daar aan den ingang der woestijn bij de grenzen der beschaafde wereld. Het is als ’t ware of het aan de wereld toonen wil, dat ook de woestijn hare overweldigende schoonheid bezit. En niet alleen schoonheid is haar deel, ook leven, rusteloos en bedrijvig leven, drukte en vroolijkheid vol Oostersche levendigheid en schitterende kleurenpracht. Wat Tunis voor het Noorden is, dat is Biskra voor het Zuiden. Heeft men daar het Arabische leven in al zijn oorspronkelijkheid, hier kan men den nomadiseerenden Arabier in zijn ware natuur aanschouwen.

Biskra is het knooppunt van karavaanwegen bij uitnemendheid. Daar toch komen tallooze wegen uit de Sahara te zamen; daarlangs loopt sinds eeuwen de hoofdweg van het binnenland door de poort van El-Kantara naar Tunis. Van Biskra uit gaat ook de groote karavaanweg over de oasen Tougourt en Ouargla dwars door de Sahara naar het geheimzinnige Tomboktou aan den Niger. Het ideaal van het Fransche gouvernement is, dien weg binnen niet al te langen tijd, van oase tot oase, te vervangen door een spoorweg, den Transsaharien. De 60,000 inwoners van de oase bestaan uit de meest verschillende rassen uit de woestijn en het gebergte afkomstig, n.l. negers uit de Sahara en Centraal-Afrika, Berbers uit den djebel-Aoures, Arabieren uit het Noorden en uit de Zibans benevens een menigte nomaden, die overal hun tenten in ’t vrije veld opslaan. [33]


De Col des Sfa bij Biskra. Gezicht op de Sahara.

De Europeanen te Biskra bestaan voor ’t grootste deel uit ambtenaren, militairen en vreemdelingen. Om het gezonde klimaat, de droge, reine, uitstekende lucht wordt Biskra meer en meer gezocht als winterverblijf voor vreemdelingen, die er evenals in Egypte genezing voor longaandoeningen komen zoeken. De toeloop van vreemdelingen heeft te Biskra paleizen van hôtels doen verrijzen, die in niets voor Europeesche behoeven onder te doen. Vooral het Victoria-hôtel en Hôtel Royal munten uit door hun ruime bouworde, prachtige ligging en uitstekend ingerichte lees- en gezelschapszalen. Daar treft men ook nomaden aan, maar Europeesche, nl. globe-trotters en mondaines in de elegantste toiletten. In het voor- en najaar is het te Biskra het drukst, en wordt het ook het meest bezocht door de karavanen.

In ’t voorjaar, als de hitte zich in de woestijn doet gevoelen, de zonnebrand het schaarsche gras verdort, maken de nomaden zich op, om met hunne kudden naar de noordelijker gelegen bergstreken te trekken, waar zij voedsel voor hun vee vinden. In ’t najaar heeft de trek in omgekeerde richting plaats. Daar wij juist in ’t voorjaar te Biskra waren, konden wij getuigen zijn van het drukke verkeer, dat er dien tijd heerscht. In lange rij kwamen de karavanen uit de binnenlanden opzetten, al naarmate van den rijkdom des eigenaars door groote of kleinere kudden schapen, geiten en kameelen vergezeld. Meestal reed de eigenaar op een vurig paard voorop, dan volgden vrouwen en kinderen op den rug der kameelen, de vrouwen nu eens gesluierd, dan weer door een palankijn van bont gestreept doek voor onbescheiden blikken verborgen. Huisraad en koopwaren, zooals dadels, harst en houtskool, waren eveneens op kameelen en ezels verpakt. Vlugge, slanke, bruine jongens en mannen liepen hier en daar naast den stoet, een wakend oog op de kudden zwarte schapen en geiten houdend. Voor de kameelen is dit niet noodig, die volgen van zelf een enkele moederkameel vergezeld van een jong, dat gedwee bij de moeder blijft en er in zijn schonkige magerheid onoogelijk uitziet. Herbergen, gelijk bij ons, kent men in ’t Oosten niet. De karavanen moeten hun toevlucht zoeken in een gebouw, karavanserai genoemd, bestaande uit vier vleugels, rondom een vierkante plaats. Op dit plein verzorgt men het lastvee en in het gebouw betrekt de Bedouïn een cel, waarin hij niets vindt dan een mat. Het is een schilderachtig tafereel, een drukke karavanserai, maar de zindelijkheid laat er veel te wenschen over. Natuurlijk vinden in den drukken tijd lang niet alle karavanen er plaats, en daar de toegang aan de [34] vrouwen verboden is, geven de meeste Bedouïnen er de voorkeur aan, in de open lucht te kampeeren. Onder een paar palmboomen wordt de tent opgezet, en broederlijk huist de geheele familie daar te zamen met honden, schapen en geiten. Sommige dier tenten zijn van zeildoek of linnen, en men kan zien, dat daar binnen eenige welgesteldheid heerscht; de eigenaar ligt in zijn volle waardigheid zijn pijp te rooken, vrouwen en meisjes zijn bezig met den maaltijd toe te bereiden, of weven doeken en shawls uit kleurige stoffen.

Andere tenten zijn niets dan een lappendeken van vodden op eenige staken, omringd met een doornhaag (zeriba) ter bescherming van het vee; groezelige vrouwen zitten neergehurkt voor den ingang, of werpen den vreemdeling schuwe blikken door de scheuren der tent toe; magere half wilde honden blaffen hem toe, en havelooze, smerige, halfnaakte kinderen stuiven op hem af, onder ’t geroep van “donnez un sou, m’siou” (’t eerste wat elk Arabierenkind leert), waarbij zij zoo onbeschaamd aanhouden, dat men ze bijna met geweld verjagen moet.

Evenals in alle steden, die zich kenmerken door een internationaal va-et-vient van reizigers, is ook te Biskra voor de noodige afleiding en ontspanning gezorgd.

Na zijn zwerven door de woestijn, dikwijls gekweld door hitte, dorst en den verraderlijken woestijnwind, den simoun, wil de Arabier, zelfs de meest nomadisch aangelegde, wel weer eens de genietingen der beschaafde wereld smaken.

Daarbij komt, dat het drukke vreemdelingenverkeer nu niet bepaald voordeelig op de zeden gewerkt heeft, zoodat te Biskra druk aan Venus en aan ’t spel geofferd wordt; ook houden de Arabieren zich daar niet zoo streng aan de wet van den profeet als hun voorgeschreven is ten opzichte van wijn en alcoholische dranken, zooals wij zelf eenmaal aan onzen gids konden bemerken. Des avonds en gedurende een deel van den nacht is het in sommige straten vrij druk en rumoerig; danshuizen en café’s stralen van licht, harde snerpende muziek weerklinkt, in ’t kort een soort oostersch boulevard-leven in ’t klein. Dit concentreert zich voornamelijk in de zoogenaamde straat der Oulad-Nayl. De Oulad-Nayl is een Bedouïnenstam, die in het gebergte van dien naam ten westen van Biskra huist. Tegen den winter gaan de dochters van dien stam naar die plaats toe, om er zich in de arabische café’s als dansmeisjes te verhuren, tevens haar harten zoo wijd mogelijk voor alle vreemdelingen openstellend. In ’t Oosten wordt de danskunst in ’t openbaar slechts uitgeoefend door meisjes van twijfelachtige zeden.

Dit doet echter der dochters der Oulad-Nayl geen kwaad. Integendeel. Want evenals de japansche Greishameisjes, zijn zij bij haar terugkeer naar haar stam met de opgespaarde verdiensten als bruiden zeer gezocht.

In tegenstelling met de andere Arabische vrouwen ongesluierd, zitten zij voor de deuren van haar lage huizen, in lange bonte kleederen gehuld, den kleurigen tulband op ’t hoofd, dat aan weerskanten omlijst is met een dikken dot valsche krullen van dunne zwarte wol, hals en borst behangen met tallooze kettingen van louis d’or, munten, steenen en schelpen; armen, polsen en enkels met armbanden en ringen versierd, de nagels rood geverfd met hennéh, de wenkbrauwen met kohl tot één dikke zwarte streep getrokken, die de donkere oogen onnatuurlijk groot maakt. De vreemdelingen gaan natuurlijk een kijkje in deze wijk nemen, omdat zij hier een eigenaardig stuk oostersch leven te zien krijgen en niets dat tegen de borst stuit. In ’t café binnengetreden, waar een talrijk publiek van allerlei stand en landaard is, zetten zij zich op de met tapijten belegde steenen banken neer, om naar het dansen toe te zien. Op een soort estrade maken eenige muzikanten eentonige muziek, eerst zacht en slepend, om eensklaps over te gaan tot fortissimo in een razend tempo, dat eindigt met den Europeaan wanhopig te maken. Op de maat dier muziek voeren de dochters der Oulad-Nayl hare gracieuse dansen uit, met voorzichtige schuifelende passen, lenige lende- en heupbewegingen en sierlijk soms statig armgebaar.

Een kunststukje daarbij is, een ontvangen geldstuk op het voorhoofd te plaatsen en dit onder ’t dansen en ’t achteroverbuigen van het bovenlichaam steeds daarop te houden.

Uren lang kan de Arabier naar die dansen toezien; voor den Europeaan worden zij spoedig eentonig. In een ander café worden krijgsdansen uitgevoerd door negers uit Centraal-Afrika, die zich daarbij zoo afschuwelijk mogelijk toegetakeld hebben, behangen als zij zijn met lynx- en vossevellen. Onder het uitstoot en van rauwe, brullende kreten, die niets menschelijks meer hebben, draaien zij met snelle sprongen en bewegingen om elkander heen, onder ’t zwaaien van kromme sabels, met klapperende castagnetten en een kleine oorlogstrom een oorverdoovend lawaai makend.

Zoodanig tooneel biedt de straat der Oulad-Nayl den vreemdeling des avonds. Door zijn licht en leven, zijn oostersche vrouwen en kleurenpracht en al het exotische maakt deze plek een eigenaardigen indruk, dien hij niet licht vergeet.

Zeer loonend en vol afwisseling is een wandeling door het dorp oud-Biskra, bewoond door de eigenlijke inwoners der oase. Men bewondert hier even als te El-Kantara het kunstige irrigatie-stelsel en de hoog opschietende dadelpalmen, terwijl de nettere, ruimere woningen van meer welstand dan ginds getuigen.

Niet ver van daar liggen op een lagen heuvel de overblijfselen van een turksch fort, dagteekenende uit den tijd dat het gezag van den Grooten Heer te Constantinopel zich nog over Tunis tot aan de grenzen der Sahara uitstrekte. Van den top heeft men een gezicht op het zuidelijk gedeelte van Biskra en tevens op den Col des sfa (sfa: kameelen), waar een vale, golvende streek te kennen geeft, dat hier het ruwste en onvruchtbaarste deel der Sahara, de zandwoestijn, waar de simoun heerscht, door de Arabieren El Erg genoemd, een aanvang neemt.

Beter nog dan van den heuvel bij oud-Biskra kan de reiziger de zandwoestijn aanschouwen van den toren der moskee van Sidi-Okba. Dit is een dorp geheel bewoond door Arabieren, op 3 uur rijdens van Biskra verwijderd. Het is voor hen een beroemde bedevaartplaats, want in de moskee [35] ligt begraven Sidi-Okba, een neef van Mahommed en fanatiek strijder voor ’t geloof van den profeet, die in den strijd met de Berbers sneuvelde. Hier ziet men geen Europeesch gebouw, geen spoor van westersche beschaving. Men is geheel in een Arabisch milieu, hetgeen het interessante van het bezoek verhoogt, maar in hooge mate de vrijheid van beweging belemmeren zou, als niet de Fransche regeering speciaal een Arabier als beambte aangesteld had, om de vreemdelingen als gids te dienen en tegen de al te groote indringerigheid en bedelzucht van zijn landgenooten te beschermen.

Bij ’t bezoek aan het graf, dat met kostbare wijgeschenken en fraai met goud en zilver bestikte tapijten versierd is, bestijgt men ook den toren der moskee; en van den omgang, waar de muezzins bij ’t ondergaan der zon met luidklinkende stem de geloovigen tot het avondgebed oproepen, heeft men een onmetelijk uitzicht op de golvende zandzee, die zoo veel drama’s en verschrikkingen in haren schoot bergt en waarvan het kleine, in het zonlicht schitterende dorp met zijn slanke palmen slechts een verlaten post schijnt te zijn. Toch is het bewoond door ongeveer 3000 Arabieren en negers.



Een der voornaamste aantrekkelijkheden van het reizen in Algerië is de groote afwisseling, die de natuur telkenmale aanbiedt. Een halve dagreis is dikwijls voldoende om den reiziger in een landstreek te brengen, die zoo in alle opzichten verschilt van die, waar hij den vorigen nacht het moede hoofd ter ruste legde, dat hij zich zelf bijna verwonderd afvraagt, of deze verandering toch werkelijk in zoo korten tijd heeft plaats gehad. Grooter tegenstelling dan tusschen het landschap van Biskra en Kabylië is wel niet denkbaar. Kon ginds de blik een onmetelijken horizon bevatten, zoo wordt hij hier op korten afstand gestuit door massieve bergmassa’s waarvan de toppen met sneeuw bekroond zijn, want Kabylië is het hoogste en meest uitgestrekte bergland van geheel Algerië. Het behoort tot twee provincies. De oostelijke helft is de grootste en ligt in de provincie Constantine. De bergen bereiken er echter niet zoo’n hoogte als die der westelijke helft, in de provincie Algiers gelegen. Van Constantine naar het Westen sporend, komt de reiziger eerst in de door graan vruchtbare maar eentonige vlakte van Sétif. Langzamerhand, bij ’t naderen van den Biban-keten, wordt het landschap woester en meer bergachtig; steunend en hijgend zwoegt de machine tegen de berghelling op, van tijd tot tijd stil houdend, waar werklieden bezig zijn den veel onderhoud vereischenden weg te herstellen. Het is of men in een Zwitsersch landschap verplaatst is. Verdwenen zijn de karavanen met Bedouïnen en kameelen, als waren zij door den sirocco weggevaagd, verdwenen ook de palmen met hun sierlijke bladerkronen. De beambten en arbeiders langs den weg zijn bijna allen van Europeeschen stam en de schilderachtige oasen zijn vervangen door spaarzame boomgroepen van het soort dat men “pin d’Aleppe” (een variatie van den den) noemt en naakte, loodrecht oprijzende rotswanden. Steiler wordt de weg, langzamer kruipt de trein naar boven, tot hij bij de Portes de Fer het hoogste punt bereikt heeft. Van daar daalt de weg dan weder met vele zig-zagwendingen en slingeringen in de vruchtbare vlakte van de Sahel, waar talrijke olijfboomgaarden en velden met wijnstokken en graan beplant, van de vruchtbaarheid getuigen. Steeds breeder en liefelijker wordt het dal, tot de spoorweg zijn eindpunt, het aan zee gelegen Bougie bereikt, waar ook de Sahel zich in zee stort. Geen plaats in Algerië is schooner gelegen dan Bougie, amphitheatersgewijze tegen de heuvels gebouwd, die een tamelijk groote golf omringen. Het gezicht, dat men op de golf heeft van de balkons van het in Zwitserschen trant gebouwde hôtel, is werkelijk eenig mooi. Op den voorgrond de kleine haven, waar slanke vaartuigen met driehoekige zeilen op de donkerblauwe watervlakte heen en weer schommelen; aan den overkant bergketenen uit de zee oprijzend, steeds hooger en hooger, de voorste lagere, met groenenden wasdom, de achterste hoogere, witgekuifd door sneeuw; aan de linkerhand de volle zee, aan de rechter de vruchtbare vlakte der Sahel, hier en daar door verschillend genuanceerde, groenende boomgroepen onderbroken. Op een eenzame, ver in zee uitstekende rots, kaap Carbon, staat een vuurtoren met draaiend licht, hetwelk op 45 K.M. van uit zee te zien is. Want de kust is hier zeer gevaarlijk, daar er dikwijls zoo’n sterke mist heerscht, dat men geen twee passen voor zich uit kan zien.

Bougie is het uitgangspunt voor tochten te voet en per rijtuig door Groot- en Klein Kabylië. Wegen, hôtels en middelen van vervoer laten er echter nog veel te wenschen over, zoodat de Arabieren met dien primitieven toestand hun voordeel doen en er geen streek is, waar de reiziger meer op zijn tellen en op zijn beurs moet passen dan in dit deel van het beschaafde Algerië.

Onderscheidt Kabylië zich, wat de natuur en de gesteldheid van den bodem betreft, van het Zuiden, ja men kan veilig zeggen van geheel het overige Algerië, zoo is er ook op het gebied van bevolking groot verschil. De Kabyl is een afzonderlijk type, dat zich door de afgeslotenheid van zijn ontoegankelijke bergen door vele eeuwen heen zeer zuiver gehandhaafd heeft, weinig vermengd als het is door nauwere aanraking met de verschillende volksstammen, die achtereenvolgens het land overstroomden. Van middelbare gestalte, lenig, welgemaakt en gespierd, met blauwe oogen en rosachtig haar, vertoont hij een geheel ander type dan de Arabier. Hij behoort tot de oorspronkelijke Berberstammen, die voor de komst der Romeinen het land bewoonden en zich gedurende de onophoudelijke oorlogen en vervolgingen in het ontoegankelijke gebergte terugtrokken. Ook in het Aôures-gebergte vindt men dergelijke stammen. Fanatiek, sober, dapper en vrijheidslievend, met open, vrijen oogopslag, heeft de Kabyl al de deugden van den bergbewoner. Een langen, hardnekkigen oorlog hebben de Franschen in Kabylië moeten voeren, eer het voor goed onderworpen was. Telkens verslagen, trokken de bewoners zich weder in ontoegankelijke streken terug, om den aanval onverwacht te hervatten als de kans hun gunstig scheen. Vele Fransche veldheeren hebben hun sporen in dezen veldtocht [36] verdiend. Ook de hertog van Aumale, later stadhouder van Algerië, heeft er als dapper soldaat zijn plicht gedaan. Onder de dweepzieke leiding van den bekenden emir Abd-el-Kader was Kabylië een brandpunt van verzet. Een treurige vermaardheid verwierf er door zijn wreedheid de overste Pelissier, later voor zijn verdienste bij Sebastopol tot hertog van Malakoff benoemd. In 1845 liet hij een geheelen Kabylenstam ten getale van 800, die met vrouwen en kinderen in een ruime rotsspelonk gevlucht waren en van overgave niets weten wilden, door den rook van een brandende houtmijt door verstikking om ’t leven komen. Eerst in 1857 gelukte het generaal Randon den taaien tegenstand der Kabylen te breken en daarmede Algerië tot aan de Sahara te onderwerpen. In ’t midden des lands werd een sterkte, Fort National, gebouwd, van waaruit excursies ondernomen werden om het land tot rust te brengen. Een wijs en gematigd bestuur heeft er zeer toe bijgedragen de onderwerping te bevorderen. Na verloop van tijd hebben de Kabylen zich in ’t onvermijdelijke geschikt, zoodat de regeering van Algerië hen thans onder haar beste onderdanen moet rekenen. Geen nomaden, als de Arabieren, zijn zij aan hun bergen, aan vaste woonplaatsen gehecht en houden zich met goed gevolg met landbouw en veeteelt bezig.


Touaregs uit de Sahara.



Is Tunis een echte Arabische stad, waar men de Mooren (zoo noemde men vooral ten tijde der Republiek de inwoners der steden aan de Noord-Afrikaansche kust) nog in al hun oorspronkelijkheid kan gadeslaan, geheel anders is het met Algiers gesteld. Algiers is geheel en al een Fransche stad. Men zou denken in de een of andere Fransche havenstad der Middellandsche zee te zijn, zoo Europeesch is het uiterlijk met de ruime haven, uitgestrekte kaden en prachtige, uit vele verdiepingen opgetrokken, hôtels en gouvernementsgebouwen. Wandelt men dieper de stad in, zoo wordt die indruk nog versterkt. Van een uitgestrekte Arabische wijk, zooals te Tunis, geen spoor en bijna met verbazing beschouwt men de moskee El-Djedid met haar in ’t felle zonlicht schitterende muren en met een halve maan gekroonde koepeldaken op de Place du Gouvernement, juist tegenover het ruiterstandbeeld van den hertog van Orleans, alsof men dit gebouw nu het allerminst hier verwachtte. Eigenlijk is het niet meer dan natuurlijk, dat de stad Algiers haar oorspronkelijk karakter nagenoeg geheel verloren heeft, zoo men bedenkt dat de Franschen zich daar het eerst gevestigd hebben. De bezetting dateert van 1830.

In dat jaar had in de kasbah van den bey de befaamde audiëntie plaats, verleend aan den Franschen consul. Deze had zich over eenige rooverijen en andere schendingen van ’t volkenrecht door Algerijnsche onderdanen ernstig te beklagen, welke klachten door den despoot met zeer ongepaste woorden beantwoord werden. In zijn toorn liet hij zich zelf vervoeren, den consul met zijn waaier in ’t aangezicht te slaan, een daad, die hem zijn heerschappij kostte. Daar elke voldoening geweigerd werd, landde een Fransch leger onder maarschalk Bourmont aan de kust, maakte zich zonder veel moeite van de stad en omgeving meester en zette den bey af. Nog heden ten dage toont men op de kasbah aan de vreemdelingen het Pavillon du coup d’éventail, waar die gedenkwaardige audiëntie plaats greep. De omstandigheid, dat Algiers de residentie der geheele kolonie werd, droeg er eveneens toe bij de stad meer en meer Fransch te maken in de 70 jaar, sinds de bezetting verloopen.

Bovendien is Algiers zeer gezocht, om het heerlijke klimaat als winterverblijf, door tallooze vreemdelingen, een reden te meer, waarom het inlandsche element op den achtergrond treedt.

De ligging aan een ruime baai, die het volle uitzicht op de zee verleent en met haar rechteroever in een zachten boog naar het Noord-Oosten loopt, is eenig schoon.

Niet weinig dragen daartoe bij de twee voorsteden, Mustapha inférieur en Mustapha supérieur, juist in die boog gelegen, de landstreek aan zee en de glooiende heuvels bedekkend met vroolijke landhuizen en prachtvolle villa’s, afgewisseld door welige boomgroepen en boschpartijen. De beide Mustaphas worden bij voorkeur door de vreemdelingen gezocht.

Ook de gouverneur-generaal van Algerië heeft zijn zomerpaleis in Mustapha supérieur. Op een heuvel gelegen, biedt het, tusschen de breede bladeren der palmen door, een verrukkelijk uitzicht op de zee en is door een uitgestrekt park omgeven. Voor den ingang staan op zuilen de marmeren busten van eenige vroegere gouverneurs, meest militairen, die een groot aandeel gehad hebben in de verovering. Men leest de namen van Bugeaud, den grooten generaal-pacificateur, Randon, Mac-Mahon, Chanzy, die Frankrijks eer en wapenroem redde in den rampspoedigen veldtocht aan de Loire, en van zoovele [37] anderen. Tegenover het paleis vindt men het museum van oudheden, met vele schatten op oudheidkundig gebied, door de opgravingen der laatste 25 jaren aan ’t licht gebracht. In ’t bijzonder zijn hier eenige zeer fraaie mozaïeken te zien, geheel ongeschonden en van groote afmeting. Deze komen in grooten getale in Algerië voor.


Danseressen van den stam der Oulad-Nayl.

Het mooiste in de omstreken van Algiers, en geen vreemdeling verzuime dit te gaan zien, is de Botanische tuin van le Hamma.

Op korten afstand van de stad, onmiddellijk aan zee gelegen, is deze tuin eenig in haar soort, en hij wordt slechts door dien van Buitenzorg overtroffen. Van al de proeftuinen, overal in Algerië door de Franschen aangelegd, is deze tuin van Hamma (zoo wordt hij genoemd naar een dorpje in zijn nabijheid) de oudste en de belangrijkste. Door een breeden schaduwrijken rijweg omgeven, bedraagt de uitgestrektheid 84 hectaren, welke in twee deelen verdeeld is, waarvan het aan zee gelegen gedeelte den eigenlijken tuin uitmaakt, terwijl het andere bestaat uit met verschillende houtsoorten bewassen heuvels. De ingang is in de onmiddellijke nabijheid der zee, op een historische plek. Want in 1541 mislukte hier een strafexpeditie van Karel V tegen den dey van Algiers. Zijn kostbaar uitgeruste vloot werd door geweldige stormen deels op het strand geworpen, deels door de zee verzwolgen. Zelfs met moeite gelukte het den machtigen keizer zich te redden. Het heerlijke klimaat van Algiers kwam den tuin zeer ten goede en bracht de vele uitheemsche tropische gewassen tot snellen wasdom. Bij ’t binnenkomen betreedt de bezoeker een der vier prachtige lanen, die deze tuin rijk is en die hem in verschillende richtingen doorkruisen.

Het is de palmenlaan, afwisselend bestaande uit Amerikaansche palmen die de aandacht trekken door hun forschen, knoestigen stam en kolossale waaiervormige bladen, en uit kaarsrechte, slanke dadelpalmen, hun wuivende kruin hoog in de reine lucht verheffend. Voorts is er een laan eeuwenoude platanen, van den voet tot hoog in de takken met klimop omrankt. In de bamboes-laan buigen de stammen met het dun uitloopende eind naar elkander toe tot zij elkander aanraken, zoodat het den bezoeker toeschijnt als wandelt hij in het schip eener kathedraal. Het meest wordt hij echter getroffen door de prachtige laan van ficussen, 20 minuten gaans lang, waar elke boom afzonderlijk een weelde der oogen is. Vijftien tot twintig luchtwortels, meer of minder dik, hangen bij den stam neer, omstrengelen hem met forsche omarmingen, of richten zich bij den voet [38] weer omhoog, zoodat het geheel een grillig complex van wortels en takken vormt, overschaduwd door de machtige bladerkroon. Men is verrukt door de zeldzame sycadaëen, door de musa’s met hun breede, laag neerhangende bladeren en purperen vrucht. Een wonderlijken indruk maakt de pinangboom, met kegelvormigen stam, licht grijs van kleur, hard en glad als steen. In ’t bijzonder munt deze tuin uit door het groote getal exemplaren van eene zelfde boomsoort in één groep bijeengeplant. Zoo ziet men b.v. een groep van 40 verschillende palmen uit alle deelen der wereld afkomstig. Op groote schaal worden in den tuin allerlei gewassen aangekweekt, die door de kolonisten in cultuur kunnen gebracht en voor hen tegen matigen prijs verkrijgbaar worden gesteld.

De provincie Algiers is de vruchtbaarste van geheel Algerië en wordt door de provincie Oran alleen wat betreft den rijkdom van graan overtroffen. De tel, het bebouwbare land, heeft er de grootste breedte en de vlakten van de Sahel en van de Metidja leveren de grootste verscheidenheid van producten op. Rijk aan wijn, heeft dit edele vocht al sinds jaren in geheel Europa, ook in ons land het burgerrecht verkregen. Keeds in 1865 bedroeg de uitvoer 3 millioen H.L. en in jaren van misgewas zijn de wijnboeren uit Frankrijk blijde, hun voorraad uit de Algiersche wijnen te kunnen aanvullen. Overal in de omstreken van Algiers uitgestrekte velden met Europeesche groenten en breedbladerige artisjokken, waarmede des winters de markt van Parijs voorzien wordt.



Niet alleen om hare snelle, gestadige ontwikkeling, maar ook uit een politiek oogpunt neemt de provincie Oran, meer dan de andere, de aandacht van het bestuur van Algerië en van de regeering te Parijs in beslag. Zij is niet veilig tusschen twee andere gelegen, als Algiers, grenst evenmin aan een land als Tunis, waarover Frankrijk door zijn protectoraat de beschermende en strenge hand uitstrekt, maar heeft tot nabuur het woelige Marokko, waar de heerscher slechts in schijn gezag uitoefent. Vooral in ’t zuiden zijn de nagenoeg onafhankelijke Bedouïnenstammen, die zich aan bevelen en vertoogen uit Fez niets gelegen laten liggen, bij voortduring een onrustig en beroering brengend element.

Want ook in ’t Zuiden der provincie Oran wordt onverdroten voortgegaan met het scheppen van oasen en het devies van generaal Bugeaud opgevolgd: “refoulez le désert.” Langzamerhand heeft Frankrijk zich reeds op vreedzame wijze gevestigd op verschillende punten in de Marokkaansche Sahara, met ’t oog op den verbindingsweg dwars door die woestijn naar den Niger en om zijn invloed in Marokko uit te breiden. Onlangs nog is met de noodige praal, in tegenwoordigheid van den minister Etienne en den gouverneur-generaal Jonnart, de spoorweg geopend naar het zuidelijkste punt in de Sahara, een heel eind voorbij Figuig, naar Colomb-Bechar, hetgeen op de nog voor zoo korten tijd oproerige Bedouïnen een beslisten indruk gemaakt heeft.

Rust heeft het gouvernement voor de provincie Oran en hare grenzen noodig, rust en vrede voor hare reusachtige ontwikkeling. De hoofdstad Oran is de eerste handelstad van de kolonie. Telde zij in 1866 vier-en-dertig-duizend inwoners, dit aantal was in 1886 verdubbeld en bedroeg in 1901 reeds over de 100,000. Slechts Amerikaansche steden bieden hiervan een voorbeeld. De voorstad Karguentua is de eigenlijke handelstad. Van daar uit wordt met de haven, die een deel uitmaakt van de nieuwe Fransche stad, een druk verkeer onderhouden. Treinen stoomen af en aan, en van ’s morgens tot zonsondergang trekken de volgeladen sleeperskarren, met 5 à 6 paarden voor elkander gespannen, in lange rijen door de hoofdstraten naar de kaden. Want voor den uitvoer van graan en wijn is de provincie Oran de belangrijkste. Ten Westen van de Fransche stad ligt het oudste gedeelte van Oran, de vroegere Spaansche stad, aan den voet van den steil uit zee oprijzenden, barren Djebel-Mordjado, bekroond door het fort en de kathedraal van Santa-Cruz. Niet alleen in de stad Oran, maar in de geheele provincie is het Spaansche element sterk overwegend, geen gering punt van zorg voor de regeering. Aan de haven en kaden, in de hoofdstraten, waar het verkeer het drukst is, wemelt het van lieden uit de volksklasse van allerlei slag, voerlieden, schepelingen, sjouwerlieden en arbeiders, die zich door hun luidruchtig, schreeuwerig optreden en barbaarsch, rauw klinkend mengelmoes van Spaansch en Arabisch als niet-Franschen doen kennen. Vooral de koetsiers zien er met hun kort geknipte stoppelbaarden en weinig verzorgde kleeding als echte bandieten uit. Van vijf tot zeven uur in den namiddag heerscht er in de hoofdstraten een vrij wat aangenamer drukte. Op de Promenade de l’Etang, heerlijk aan zee gelegen, bewegen zich talrijke wandelaars met hunne dames in lichte, kleurige toiletten, die komen luisteren naar de militaire muziek in het Casino der officieren op de Place d’Armes. Op den Boulevard Seguin, met fraaie, ruime winkelmagazijnen, moet men voetje voor voetje gaan en heeft men ruimschoots gelegenheid de Spaansche schoonen te bewonderen, die met kleinen, sierlijken voet over de trottoirs schijnen te zweven en wier donkere, vurige oogen en blauwzwarten haartooi op bewoners van noordelijker streken zoo’n diepen indruk maken. Het Spaansche karakter, dat Oran zoo sterk vertoont, is nog een overblijfsel uit vroeger eeuwen. Want van 1509 af, toen de troepen van Kardinaal Ximenes Oran veroverden, is de stad meer dan eens met tusschenpoozen geruimen tijd in ’t bezit der Spanjaarden geweest. Maar dat alles behoort tot het verleden, want nooit konden zij er zich op den duur handhaven en het eenige monument, dat aan de Spaansche bezetting herinnert, is het fraai uitgevoerde, in steen gebeitelde Spaansche wapen boven de kasbah der stad. Maar dit is door den tijd verweerd, geschonden, gebarsten en verbrokkeld, een treurig beeld van alles wat Spanje hier en elders over de geheele wereld ondernam op koloniaal gebied.

Ver in ’t Westen der provincie Oran, in de nabijheid der Marokkaansche grens, ligt de oude emirstad Tlemcen, een heilige stad. Zij is in zekeren zin voor Tunesië en Algiers, wat Mekka voor Arabië, en Fez voor Marokko is. Eens de trotsche residentie van de machtige koningen van Tlemcen, ging in de onophoudelijke [39] binnenlandsche twisten veel van haar ouden luister verloren, maar in tegenstelling met bijna alle andere emir-residenties uit de binnenlanden, wist zij zich toch tot in den nieuweren tijd staande te houden. Gelegen in een uitgestrekt bergland, dat op sommige plaatsen een hoogte van bijna 2000 M. bereikt, biedt zij door haar sterke muren en voordeelige ligging den Franschen een welkom steunpunt in de nabijheid der Marokkaansche grens. Tlemcen bezit eenige zeer merkwaardige gebouwen.

De oude Medersa, Arabische school, is vervallen, maar werd door de Fransche regeering gerestaureerd en is tot museum ingericht. Gesteund door prachtige zuilen van onyx, bestaat het gewelf en de bogen daarvan uit het fransche stucadoorwerk, met tallooze Arabische spreuken, woorden en karakterteekens bezaaid. Het werken in stuc is een kunst, waarin de Arabieren een hoogte bereikt hebben, die later nooit overtroffen is en waarvan men vooral in Tlemcen en omgeving de schoonste specimina kan bewonderen. Op sommige plaatsen zijn de fijne krulletters bijna ter lengte van een vinger ingesneden. Dat Tlemcen een heilige stad voor de Arabieren is, bemerkt men uit de vele gekoepelde minarets, die boven de stad zelve en overal boven de verschillende dorpen in de omgeving verheffen. De mannen meten den giaour (christenhond) met somberen, trotschen blik, de vrouwen wikkelen zich bij eene ontmoeting dichter in haren sluier of wenden met een minachtend schoudergebaar het hoofd af. Het grootste heiligdom in den omtrek is de moskee van Sidi-Bou-Medine, in het dorp van dien naam op eenige uren van Tlemcen, dat men bereikt langs den schilderachtigen waterval van de Mefrouch-el-Ourit, die zich schuimend met breeden stroom in twee trappen in het dal stort. Het heiligdom van Sidi-Bou-Medine is er een, een groot marabout waardig. Reeds het trotsche voorportaal, weder geheel uit fijn bewerkt stuc opgetrokken, wekt de hoogste bewondering, die nog stijgt als men den ruimen tempel zelf binnentreedt, onder geleide natuurlijk. Een marmeren preekstoel en een mihrab van stuc zijn van zeer ouden datum. De mihrab ontbreekt in geen enkele Arabische moskee. Het is een boogvormige nis in den muur aan de oostzijde van den tempel, naar den kant naar Mekka gekeerd, waarheen de Arabier bij ’t verrichten van zijn gebed het aangezicht wendt. Aan de zoldering der moskee hangen talrijke kroonluchters van glas en koper, waaronder sommige zeer oud en van hooge waarde.


Palmenlaan in den Botanischen tuin van Algiers.

Ten Oosten van Tlemcen liggen, dicht bij de stad, de overblijfselen van den ringmuur van het oude Mansourah. Met ruig struikgewas begroeid, waaruit hier en daar afgebrokkelde kanteelen opsteken, omspannen zij de stad in een wijden boog, doorsnijden vruchtbare akkers en schaduwrijke olijfboomgaarden. Zij herinneren aan een episode uit den strijd tegen de vijandelijke emirs, die zoo dikwijls het overheerschende Tlemcen met verderf en verwoesting bedreigden. De emirs Yacoub en Youssef belegerden de stad en hadden gezworen haar met den grond gelijk te maken. Dapper verdedigd door den koning, werden echter drie achtereenvolgende stormaanvallen afgeslagen. Toen bemerkten de inwoners op zekeren morgen bij ’t ontwaken, dat er om den ringmuur hunner stad een tweede muur gebouwd was, die al hooger en hooger werd.

Achter dien ringmuur verhief zich weldra de massieve toren eener reusachtige moskee, daarna paleizen voor de belegerende emirs, huizen voor hunne bevelhebbers, voor het voetvolk en voor de ruiterij, stallen voor de paarden en ten slotte woningen voor allen, die zich in de nieuwe stad kwamen vestigen. Want een stad was het, Mansourah genaamd, die zich om het in ’t nauw gebrachte Tlemcen, belegerd, van alle verbinding afgesneden, in een omtrek van 3400 M. verhief, een nieuwe stad, die aan de oude den dood gezworen had. Acht lange jaren duurde de belegering. Maar het was niet het belegerde Tlemcen, dat met den grond gelijkgemaakt werd, maar hare jeugdige, trotsche mededingster. Zóó groot was de haat der inwoners van Tlemcen tegen de overwonnen stad, dat zij na de verwoesting den inwoners op straffe des doods verboden, ooit haren naam weder uit te spreken, en ook nu nog durft de Arabier, die te midden der grootsche bouwvallen woont, door den vreemdeling ondervraagd, nauwelijks met fluisterende stem den naam “Mansourah” uitspreken.


Bougie.—Gezicht aan zee en op het fort Abd-el-Kader.

Maar, is Mansourah verwoest, ook de macht der koningen van Tlemcen nam een einde, en met verbazing aanschouwt de vreemdeling de overblijfselen van Bab-el-Karmdir, het oude paleis dier koningen, dat eens een cyclopisch indrukwekkend bouwwerk geweest moet zijn, zooals de verlaten ingestorte torens, muurstukken en bolwerken nog bewijzen.

De geheele omgeving en de geschiedenis der oude emirstad Tlemcen wekken bij den bezoeker eigenaardige gewaarwordingen en gedachten op. Zij schijnt hem een beeld te zijn van het Mohammedanisme aan Afrika’s noordkust, van haren verdwenen invloed en heerschappij, waarvan ook slechts bouwvallen over [40] zijn. Is niet het beeld van verwoesting aldaar hetzelfde, wat men overal in de streken van den Islam aantreft, verdelging van alles wat niet tot haar behoort? En doet niet dat Tlemcen, in zijn trotsche afzondering te midden van bijna ontoegankelijke bergen, met zijn fanatieke, zelfgenoegzame, indolente bevolking, met de torens van zijn eeuwenoude moskeeën, zijn graven van marabouts en heiligen, met al de bouwvallen van zijn vroegere grootheid, denken aan het Mohammedanisme, dat ook meende, dat het steeds op de hoogte van zijn macht zou blijven tronen en dat de loop der geschiedenis, de stroom der wereldgebeurtenissen steeds aan hetzelve zouden voorbij gaan. Maar de wereldgeschiedenis stoort zich niet aan ’t geen de volken willen, maar vervolgt onweerstaanbaar haren loop. Zoo verdween de Muzelmansche heerschappij, om plaats te maken voor de Christelijke, de Westersche, de Fransche. En geenszins ten nadeele van land en volk. Want als er één indruk, één waarheid is, die de vreemdeling bij zijn vertrek uit Tunis en Algiers medeneemt, dan is het wel deze, dat de Fransche bezetting voor die landen een zegen is. Voor land en volk beiden. Door het zwaard gewonnen, hebben de Arabieren deze landen ook weder door het zwaard verloren. Maar de Franschen hebben van hun overwinning een geheel ander, een beter gebruik gemaakt, dat in den loop der jaren land en volk tot heil, hun zelven tot eer, de menschheid en de beschaving tot voordeel geweest is.


Gezicht op de stad en op de kaden van Algiers.

Pondichéry, hoofdstad van Fransch-Indië

Pondichéry, moeilijk te naderen over zee.—Witte stad en Indische stad.—Het Regeeringspaleis.—De hôtels in onze koloniën.—Engelsche enclaves.—De bevolking; de kinderen.—Bouwkunst en godsdienst.—Handel.—De toekomst van Pondichéry.—De markt.—De scholen.—Politieke koortshitte.


Groep van kiesgerechtigde Brahmanen.

Een klein strookje gronds vertegenwoordigt op dit oogenblik het belangrijkste gedeelte van ’t geen Frankrijk heeft weten te behouden uit zijn oud Indisch Rijk, dat thans een der machtigste koloniën van de britsche kroon is. Op die alluviale strook gronds ligt de stad Pondichéry, hoofdstad der fransche bezittingen, waarvan de groote Dupleix zich gansch andere horizons gedroomd had.


Indische muzikant uit Pondichéry.

Het bescheiden grondgebied van Pondichéry omvat niet meer dan 29145 H.A. De dépendances van wat men gewoonlijk Fransch-Indië noemt, zijn de volgende vier: Chandernagor, Karikal, Mahé en Yanaon. Zij liggen verspreid over verschillende deelen van het groote schiereiland, de drie laatstgenoemde op korten afstand van het grondgebied van Pondichéry, het eerste in de onmiddellijke nabijheid van Calcutta.

De gouverneur der Fransche nederzettingen in Indië woont te Pondichéry, maar zijn ambt brengt mee, dat hij zich dikwijls moet verplaatsen naar de verschillende andere fransche plaatsen, waar de leiding der zaken in handen is van administreerende ambtenaren, die aan hem ondergeschikt zijn. Het spreekt vanzelf, dat er verscheiden lagere ambtenaren zijn, dat er een Plaatselijke Raad is evenals een Algemeene Raad, dat de kolonie te Parijs een afgevaardigde in den Senaat heeft, zoowel als in de Kamer, en dat op het grondgebied van Pondichéry de politiek de spil is, waarom alles draait en de voortdurende zorg van iederen dag. Wij zullen nog wel meer een woordje te zeggen hebben over die noodlottige politiek, dien knagenden kanker, waarvan zeker geen enkele fransche kolonie zooveel te lijden heeft als dat arme Pondichéry.

Laat ons eerst voet aan wal zetten, wat niet altijd gemakkelijk gaat, als men, zooals met mij ’t geval is, over zee aankomt. Daar de golven dikwijls hoog gaan op de reede, kan de ontscheping soms zoo moeilijk zijn, dat het onmogelijk wordt, gemeenschap [42] met de kust te krijgen. Het is vaak gebeurd, dat ten gevolge van het stormachtige weer de paketboot, die Pondichéry aandoet op haar reis heen en terug tusschen Colombo en Calcutta, niet met den wal gemeenschap kon krijgen en zich genoodzaakt zag, met passagiers en lading haren weg te vervolgen. Weinige jaren geleden heeft dat geval zich driemaal achtereen voorgedaan. Met platboomde vaartuigen, chelingues genoemd, die geen inhouten (ribben) hebben, nadert men de kust. Er wordt aangelegd bij een pier, die 252 M. lang is en recht in zee vooruitsteekt; staat de zee hoog, dan heeft men de behendigheid van een acrobaat noodig, om zijn evenwicht te bewaren bij het vastgrijpen van het touw, waarmee men de ladder kan bereiken. Om aan dien last te ontkomen, geeft de toerist er veelal de voorkeur aan, zich per spoor naar Pondichéry te begeven, want de kolonie is sinds 1877 aan het groote Engelsch-Indië verbonden en staat door zijlijnen in verbinding met de van Frankrijk afhankelijke gebieden.

Pondichéry is een vrijhaven. Levensmiddelen en koopwaren van allerlei streken afkomstig, mogen over zee binnenkomen en uitgaan, zonder eenige douanerechten te betalen, onverschillig onder welke vlag zij varen. Alleen zout en opium zijn van deze gunstige beschikking uitgesloten, want bij verdragen zijn die voortbrengselen verboden; noch de productie ervan noch de handel erin zijn geoorloofd.

Moet ik de geschiedenis in herinnering brengen? Pottoutchéri of Poultchéri, het “nieuwe dorp”, door menschen van hooge kaste Poudou-nagar of “Nieuw Kasteel” genoemd, is in 1693 gekocht van koning Vidjayanagar door den beroemden commandant Martin, ter vergoeding voor Sint-Thomas, waarvan de Hollanders zich hadden meester gemaakt. Het dorpje van paria’s nam snel toe in grootte en werd het middelpunt van een aanzienlijke handelsbeweging trots de wederwaardigheden van zijn politieke geschiedenis.

Al dadelijk in den aanvang werd het door de Hollanders vermeesterd; maar in 1699 werd het ons teruggegeven. Daarna werd het viermaal door de Engelschen belegerd; admiraal Boscawen werd in 1748 teruggeslagen door Dupleix; in 1760–61 gaf Lally-Tolendal, door hongersnood gedwongen, zich over, na een hardnekkigen tegenstand te hebben geboden, en de vrede van Parijs in 1763 herstelde ons in het bezit van de stad.

In 1778 maakten de Engelschen zich er opnieuw van meester, om de stad in 1785 bij den vrede van Versailles terug te geven en haar daarna voor de derde maal in 1793 te veroveren. Voor goed herkregen wij deze bezitting in 1816–17, met verbod er eenige versterking aan te leggen of er een andere gewapende macht te onderhouden dan de politie.

De stad is in twee deelen verdeeld, de witte stad en de indische stad, door een gracht gescheiden. De eerste, aan de oostzijde en aan zee gelegen, is regelmatig gebouwd; de straten zijn breed en recht, wat ook het geval is met de tweede, die echter over grooter uitgestrektheid zich uitstrekt.

Ik kende Pondichéry, doordien ik er op een vroegere reis een week had doorgebracht, en met waar genoegen zette ik er weer den voet op vasten grond, na mijn aankomst aan die lange pier van slecht ineengevoegde planken. Sinds mijn vorig bezoek was het aanzien der plaats niet veranderd. Ik zie weer het nog al indrukwekkende standbeeld van den grooten Dupleix, dat dichtbij het strand zich verheft, en na eenige honderden meters te zijn voortgegaan, bereik ik het Gouvernementspaleis, waar de tegenwoordige bewoner, dien ik de eer heb te kennen, mij gastvrijheid heeft aangeboden. Ik voel er mij te huis, want in de prettige kamer, die voor mij in orde gebracht is, heb ik ook eenige jaren vroeger gelogeerd.

Het Gouvernementspaleis te Pondichéry is een alleraardigste residentie, en de gouverneur, de heer Lemaire, is er, evenals zijn beminnelijke echtgenoote, veel meer naar zijn zin dan in het sombere huis, dat ze twee jaren geleden op Martinique bewoonden, waar ik ’t genoegen had hun een bezoek te brengen. De ligging en de indeeling van het huis zijn uitstekend; het lange balkon, dat langs de groote ontvangzaal loopt, biedt een verrukkelijk uitzicht over een groote, vierkante ruimte, aan de overzij begrensd door een rij sierlijke en regelmatige gebouwen, en als men er ’s avonds gemakkelijk is gezeten, geniet men met welbehagen dien verrukkelijken geur der tropische landen, die een temperatuur bezitten, door ’t verdwijnen van de zon heerlijk en verkwikkend geworden.

Het klimaat van dit gedeelte van Indië is over ’t geheel gezond. In gewone tijden is de gemiddelde temperatuur 30° C. over dag en 26 ’s nachts. In de maanden December en Januari daalt zij tot 3 à 5° C. over dag, terwijl van Mei tot September de thermometer tusschen 32° en 40° C. staat; dat is de periode van de zeer heete westenwinden, die op onaangename manier de lucht oververhitten. Het droge jaargetijde duurt van het begin van Januari tot omstreeks den 15den October; de rest van het jaar heet dan de winter. In ’t algemeen gesproken, regent het zelden in dit deel van Indië; slechts in November en December komt nog al dikwijls regen voor.

Als men te Pondichéry een zindelijk en goed verzorgd hôtel vond, dat bij een goede keuken voor het moderne comfort zorgde, zou ik niet aarzelen, de stad een zeer aantrekkelijk verblijf te noemen voor de europeesche wintermaanden, wanneer zooveel menschen zich afvragen, in welk hoekje van de wereld men aangenaam verblijven kan in zachte lucht. Ongelukkig ontbreekt dit materiëele gerief; de beide hôtels, die men er vindt, zijn beneden het middelmatige, en als men niet van de gastvrijheid van bloedverwanten of vrienden kan genieten, zal men er niet gauw toe komen, er eenigen tijd te vertoeven.

Het gebrek aan goede hôtels in de koloniën is onbetwistbaar een hinderpaal voor de ontwikkeling van het toerisme. De Engelschen hebben dat goed begrepen; nemen wij als voorbeelden de eilanden van de keten der Antillen en de engelsche bezittingen in Azië. Op Trinidad, Jamaica, Ceylon, in geheel Indië vindt men prachtige hôtels, even comfortabel als ergens in Europa, en wat zien wij op Martinique, Guadeloupe, te Nouméa, op Bourbon? [43] Niets dan bescheiden herbergen! Daaruit volgt, dat geen enkel toerist, die niet door een vriend is uitgenoodigd, er langer blijft dan volstrekt noodig is. De arme stad Saint-Pierre maakte in zekeren zin een uitzondering op den regel; men had er twee nette, goed ingerichte en goed bestuurde hôtels, maar de uitbarsting van den Mont-Pelé heeft ze voor altijd gesloten.

Al wandelend, nu eens door de stad zelve, dan in de omstreken van Pondichéry, is het mij, of ik in een aardig provinciestadje ben of ergens buiten, waar het mooi is. De woningen zijn sierlijk, getuigen van een zekeren welstand en hebben een zindelijk voorkomen, dat in verschillende andere koloniën ontbreekt. De gouverneur is zoo goed geweest, een tweewielig wagentje, pousse-pousse, te mijner beschikking te stellen, dat ik dikwijls in den morgen gebruik, en een victoria, waarmee ik grooter afstanden kan afleggen, ’s Avonds vóór het diner zijn de heer en mevrouw Lemaire zoo vriendelijk, mij per rijtuig in verschillende richtingen den omtrek te laten zien.

Wat die ritjes wel merkwaardig maakt is, dat ik nu eens over fransch dan over engelsch grondgebied voortrol, en in een minimum van tijd dien overgang verscheiden malen maak. Het grondgebied van Pondichéry is door het tractaat van 1816 op de zonderlingste manier verdeeld, toen de kolonie na verscheiden malen in engelsch bezit te zijn overgegaan, voor goed aan Frankrijk kwam. Overal, tot voor de poorten der stad, zijn enclaves van britsch grondgebied in het fransche land uitgesneden, zóó, dat de Engelschen juist die hooge stellingen bezitten, die geschikt zijn voor de plaatsing van batterijen. Hier behoort de weg aan Engeland, terwijl de slooten onder fransche jurisdictie staan; ginds behoort een waterplas tot Madras, terwijl het land, dat er door geïrrigeerd wordt, onder Pondichéry ressorteert. Er is zelfs ergens een stuk gronds, welks eigenaar onbekend is. De Engelschen zijn bekwame politici; bij de sluiting van het tractaat van 1816 hebben zij zich er niet mee tevreden gesteld, aan de fransche regeering de verplichting op te leggen, nergens eenige versterking aan te leggen en geen gewapende macht te onderhouden buiten de politie, maar zij hebben ook het middel gevonden, het terrein zoo te splitsen en in stukken te deelen, dat er hoeken volkomen onverdeeld zijn gebleven.

Wat mij onbegrijpelijk voorkomt is, dat na het dîner de stad geheel uitgestorven is. Men strekt zich gemakkelijk uit op zijn balcon of in zijn tuintje, maar gaat niet uit, en men schijnt er geen prijs op te stellen, op de pier of aan het strand de zuivere versterkende zeelucht te gaan inademen. Het is mij tweemaal gebeurd, dat ik ’s avonds ging wandelen en lange overpeinzingen hield op een bank van de pier; maar ik heb geen enkelen Europeaan ontmoet. Alleen een inboorling heeft mij aangesproken in een taal, die ik niet verstond; waarschijnlijk vroeg hij een aalmoes.

Een dame, die ik den volgenden dag ontmoette en wie ik mijn verbazing te kennen gaf over die wonderlijke afzondering, begreep niet, wat ik voor bekoorlijks vinden kon in die rust van het tropische land en dat gemis aan afleiding. Voor haar was het een leven als in de hel; hoe miste ze haar Parijs! Ik heb later gehoord, dat haar man, die ambtenaar was, verlof had gevraagd, daar zijn vrouw het klimaat niet kon verdragen! Trouwens men zou een merkwaardig boek kunnen schrijven over die quaestie van de verloven in de koloniën, alsook over de verschillende redenen, die de belanghebbenden aanvoeren, om ze te krijgen.

De bevolking van Pondichéry is zachtzinnig, onderdanig en beleefd. Welk een treffend verschil met den onaangenamen neger, dien ik zoo dikwijls heb bestudeerd op de Antillen en elders! Het zijn zelfs sympathieke menschen, als men ze aan ’t werk ziet op het veld, of hen gadeslaat bij hun kleinhandel, rustig loopend zonder geraas te maken. De kinderen kruipen over den grond, scharrelen langs de wegen tusschen de kippen, en zijn talrijk in de struiken als de konijnen in Australië. Ik kan niet laten, hen juweeltjes te noemen, als ik denk aan de europeesche kinderen, die mij de laatste drie maanden het leven vergald hebben op twee booten van de Messageries Maritimes. Die indische kinderen zijn, net als maleische, chineesche en japansche, lief en aardig, schreien nooit, en of er vijf of vijftig onmiddellijk bij u in de buurt zijn, ge bespeurt hun aanwezigheid nauwelijks. Ik zie ze met genoegen aan, die kleine onschadelijke negertjes, naakt als wormen, en die als eenig kleedingstuk een touwtje om de lenden dragen, waaraan in ’t midden een soort van medaillon hangt bij wijze van vijgeblad, meestal uit metaal vervaardigd, koper, zilver of goud, al naar het vermogen der ouders. Wat heb ik hun vaak stuivers en lekkers toegegooid en wat had ik een schik in hun lachende gezichtjes!

Men kan merkwaardige zedenstudies maken in die landen van overzee, waar godsdienst en gebruiken zooveel van de onze verschillen. Verscheiden malen reden wij ’s avonds vóór den eten langs begrafenissen, waarvan de schikking tot vermakelijke verrassingen aanleiding gaf. Eens gingen we voorbij den stoet van een inlandsche vrouw van katholiek geloof. Zij lag in groot toilet, met bloemen en sieraden getooid en met zorg gekapt, op een, door de familie gedragen paradebed. Van een doodkist was geen sprake. Ze gingen haar eenvoudig aan den schoot der aarde toevertrouwen en haar met zand bedekken. Een anderen keer zagen we een mohammedaansche begrafenis, door zang en muziek begeleid.

Het aantal tot den christelijken godsdienst bekeerde Indiërs is nog slechts zeer gering. De groote meerderheid der inboorlingen heeft den eeredienst van het Brahmaïsme bewaard, waar luidruchtige feesten, processies met tamtams en andere muziekinstrumenten, die een helsch lawaai maken, bij behooren. Den dag na mijn aankomst is er een groot feest bij een Brahmaan van aanzien, waar de gouverneur genoodigd is. Op het oogenblik, dat ons rijtuig vóór de woning van den jubilaris stilhoudt, laat zich de Marseillaise hooren, en men voert ons naar de voor ons vrijgehouden zetels. Er wordt op onze knieën een reuzenbouquet gezet, die misschien wel een meter in omtrek is, en men hangt ons een krans van bloemen om den hals, die ons niet weinig prikkelt. De locale kleur, versterkt door de opgewonden uitroepen van [44] de menigte, is typisch; maar de geuren, die uit het publiek opstijgen, laten veel te wenschen over, te meer daar bijna zonder uitzondering allen naakt zijn, op het vereischte bandje of touwtje na. IJs en ijskoude dranken gaan overvloedig rond; de warmte in de beperkte ruimte wordt ondragelijk; het is tijd dat wij ons rijtuig en de open lucht weer bereiken.


Aardige dreumes in gala.

Er zou tijd en veel geduld noodig zijn, om het verschil te leeren kennen in de gewoonten en wetten en maatschappelijke vormen, geldend voor de onderscheiden kasten van Brahmanen, en die hen in streng afgesloten klassen splitsen. De een zal nooit dit doen, de ander nooit dat; een handwerk, door deze kaste uitgeoefend, mag door een andere kaste niet worden ter hand genomen. De taak voor iedere kaste is zoo nauwkeurig voorgeschreven, dat het bepaald absurd wordt in onze oogen, en het komt mij voor, dat er zelfs voor deze menschen een lange, moeilijke leertijd wordt vereischt, als zij zich niet zullen schuldig maken aan eenige inbreuk op de velerlei voorschriften van hun godsdienst.

Bouw- en beeldhouwkunst hebben het in de gebouwen, die aan den hindoeschen en den brahmaanschen godsdienst zijn gewijd, tot een zeldzame hoogte gebracht. Vele auteurs hebben ze reeds beschreven; maar toch schijnt het ons van belang, erop te wijzen, dat die van Indië door de artistieke zijde van hun architectuur en den rijkdom van hun versiering uitmunten boven vele tempels, die wij in andere landen van Azië hebben kunnen bezoeken. Men vindt wel niet te Pondichéry zulke prachtige tempels als te Tanjore, Trichinopoly en Madura, maar dat neemt niet weg, dat die van Villenour en andere plaatsen in den omtrek een nauwlettend bezoek verdienen.

Ik ben verscheiden malen naar dien van Villenour gegaan, die op eenige kilometers afstands van de residentie is gelegen. Een zeer groote wagen of kar onder een breed afdak, die nu en dan dienst doet bij processies voor den eeredienst, geeft blijk van de bekwaamheid van deze inboorlingen en hun kunstvaardigheid in het handwerk. Die wagen, geheel van hout gemaakt, stelt een gansche boeddhistische geschiedenis voor, door middel van fijne werktuigen gegraveerd in vierkante blokken van dezelfde afmeting en aan elkander sluitend met onberispelijke symmetrie. Het gewicht van het geheel moet verbazend zijn, want op de hooge feestdagen zijn er 1200 à 1500 menschen noodig om het kolossale voertuig te trekken.

De kunstvaardigheid van deze inboorlingen is nog niet verloren gegaan, zooals men geneigd zou zijn te veronderstellen, als men bespeurt dat al die indische tempels tot de oudheid opklimmen, en dat men in onze dagen nooit eens den bouw van een nieuw, even grootsch bouwwerk bijwoont. Ik heb er het bewijs van gezien, toen de gouverneur mij naar een plaats bracht dichtbij Villenour, waar wij een wagen zagen, die bijna af was en met evenveel talent vervaardigd was, als die uit voorbijgegane tijden.

Het ware meesterstuk, dat wij voor oogen hebben, is uit zeer hard hout gesneden en stelt met merkwaardige fijnheid een boeddhistische processie voor, waarvan ons de beteekenis natuurlijk ontgaat, maar die ons met bewondering vervult. Een inlandsch beambte legt ons uit, dat er ten minste 500 menschen zullen noodig zijn, om den wagen te trekken. Hij laat ons het touw zien, dat men zal moeten gebruiken; het is zoo dik als een reuzenslang. Wij waren het niet alleen, die in verrukking raakten over dit mooie werk; een hoop kinderen omringde ons en was vervuld van eerbied. Ik vermoed, dat de heer Piot voldaan zou zijn over een bezoek aan een land, waar zijn leer zooveel aanhangers heeft gevonden.

Wat Pondichéry en de grond, die er bij behoort, aan landbouwvoortbrengselen opleveren, beteekent weinig. De geheele uitvoer heeft slechts een waarde van 27 à 28 millioen francs; katoenen weefsels zijn daarin opgenomen voor een som van bij de 9 millioen en de aardnoten voor 15. Volgens het jaarverslag van 1904 hebben 48 stoombooten van verschillende nationaliteit 581562 zakken aardnoten ingenomen van 75 kilo per zak. De aardnoten worden ook in den vorm van aardnotenkoeken uitgevoerd. Verleden jaar is de uitvoer van dit artikel gestegen tot een totaal bedrag van 4376 ton, hetgeen een waarde vertegenwoordigt van bij de 400,000 francs. Daarna volgen de katoenen [46] weefsels, die in de laatste statistiek voorkomen voor de som van bij de 9 millioen; de rijstsoorten voor 2¼ millioen en de huiden voor 1½ millioen francs. De andere uitvoerartikelen bereiken slechts een onbeduidend cijfer. Er wordt een kleine hoeveelheid vanille uitgevoerd, zooals ook kokosnoten en vruchten. Het verbouwen van aardnoten heeft in den laatsten tijd een groote vlucht genomen en zou nog aanmerkelijk kunnen toenemen. Die handel is voortaan een zaak van gewicht voor Fransch-Indië, daar Pondichéry voor die oliehoudende zaden een groote opslagplaats geworden is, die niet enkel gevoed wordt door de directe voortbrenging in de buurt; reeds beginnen de producten uit de omliggende engelsche bezittingen toe te stroomen, waardoor de handelsbeweging vertienvoudigd wordt.

De landbouwers uit het Zuiden van Indië, vooral uit de provincie Tanjore en uit de omstreken van Trichinopoly maken meestal voor hun verzendingen gebruik van Pondichéry, daar het de beste haven van de kust is, minder dan Madras aan cyclonen blootgesteld. De laatste, waarvan men de herinnering nog heeft behouden, is die van 1863; zeven schepen, die op korten afstand van het strand ten anker lagen, werden verzwolgen bij de groote ramp.

Wat de vanille aangaat, men is er met de cultuur nog pas sinds een dozijn jaren bezig; vrij groote velden zijn ermee beplant in den Kolonialen Tuin, waar de onderdirecteur mij wel de inlichtingen wil geven, die mij belang inboezemen. In het begin had men met groote zorgeloosheid te strijden. De inboorlingen, die bij het kweeken van het kostbare gewas gebruikt worden, moeten voortdurend onder toezicht zijn; in het begin lagen massa’s vanille in kisten te verrotten, alsof er een hoop hooi in lag. De tegenwoordige gouverneur heeft er orde op gesteld, zooals uit de verkregen resultaten blijkt. De vrucht van Pondichéry is dunner dan die uit Mexico en van Réunion, maar de geur der stokjes doet naar mijne meening niet voor de andere onder. De vanille wordt hier voor tien roepijen, dat is 17 francs, per kilo verkocht. Er zijn te Pondichéry kweekers met een ruim geweten, die hun welverzorgden en goed ingepakten oogst naar Bourbon hebben gezonden, om van daar als echte Bourbonvanille naar Europa te worden verscheept.

De geheele bevolking van de fransche nederzettingen in Indië bedroeg op 31 December 1903 het aantal van 273748 inwoners, onder wie slechts 1408 Europeanen, en wel 492 mannen, 546 vrouwen en 370 kinderen. De europeesche bevolking wisselt natuurlijk voortdurend, daar de meesten slechts zeer kort in de kolonie blijven. Dit geldt vooral van de ambtenaren en hun gezinnen, wier chassé-croisé over alle oceanen voldoende bekend is. Het aantal Europeanen of kleurlingen, die er wortel hebben geschoten en behagen vinden in de carrière, welke zij hebben gekozen, of in den handel, waarin zij bezig zijn, is slechts zeer klein. Men kan de vooroordeelen van een volk niet veranderen, zoo min als de begrippen, die gangbaar, zijn in het moederland. Een kolonie is nu eenmaal een oord van ballingschap, en het klimaat moet er noodzakelijk ongezond zijn. En hoeveel menschen, veroordeeld om in het land, dat hen heeft zien geboren worden, te leven in een voortdurenden strijd ter verkrijging van de meest dringende levensbehoeften, zouden zich een veel vrijer en ruimer bestaan kunnen verschaffen, als zij, zoo zij vlijt en volharding bezaten, besloten het routinejuk af te schudden, en iets te ondernemen, ’t zij landbouw of handel, in landen van onbetwistbare vruchtbaarheid, waar men nog zooveel handen kan gebruiken! Voor den groothandel, de banken, industriëele ondernemingen zouden er onmetelijke velden te exploiteeren blijven.

Wij behoeven slechts een afstand van 160 kilometer per spoor af te leggen, om Madras te bereiken, gelegen aan diezelfde kust van Coromandel, en we stappen uit in een groote handelsstad, waar het drukke leven zich in allerlei vormen voordoet, en waar men alles kan genieten, wat een bloeiende europeesche stad aanbiedt. Bombay en Calcutta zijn evenals veel steden van het Uiterste Oosten volkrijke, bloeiende centra, die in niets onderdoen voor de groote steden van onze oude wereld, en zij, die er zich gevestigd hebben in den handel, het bankwezen of de industrie, klagen niet over de zoogenaamde ballingschap. Trouwens in veertien of achttien dagen voeren de trein en de paketboot hen naar den geboortegrond terug voor een kleine vacantie, waartoe gemakkelijk besloten wordt door die inwoners, wier middelen hun de onbeteekenende verplaatsing toestaan.

Als men het leven van den inboorling nagaat met het oog op zijn behoeften en zijn intellectueele ontwikkeling, moet men wel inzien, dat hij veel gelukkiger is dan menig Europeaan of kleurling, die verkeert in wat wij overeengekomen zijn, beter levensomstandigheden te noemen. Wij vinden hem doorgaans vroolijk en tevreden; hij klaagt zelden, leeft op de primitiefste manier, wonend in een krotje of hutje met zijn meestal talrijk gezin, zich dekkend met een strook stof, die hem eenige stuivers heeft gekost, zich op de soberste manier voedend met de producten, die hij dikwijls zelf verbouwt zonder zorg voor den komenden dag. Is zoo’n man uit philosofisch oogpunt niet veel gelukkiger dan de meesten onzer?

Een van mijn grootste genoegens in de koloniën bestaat in een bezoek aan de markt, dien levenden kaleidoscoop, die altijd een verschillend veld van waarnemingen is, al naar de omgeving waarin men zich bevindt. De markten van Indië bieden niet zoo’n weerzinwekkend, kwalijk riekend schouwspel als de markten in negerlanden. De menschen zijn er minder vuil en maken minder leven dan de zwarten van de Antillen of Zuid-Amerika; zij passen met hun bonte doeken bij hun omgeving, die niet zoo carnavalachtig is als ginder. Rood is de meest geliefde kleur; men zou bijna kunnen zeggen de eenige, door mannen en vrouwen gedragen, zoowel wanneer zij zich een groot deel van het lichaam bedekken, als wanneer ze zich tot een eenvoudigen band bepalen, aangebracht naar de wetten der welvoegelijkheid.


De pagode van Villenour van binnen.

Hier ook weer is er geen gebrek aan kinderen; maar de ouders behoeven zich niet om hen te bekommeren, want het talrijk kroost kan het goed vinden met de kippen aan den weg, en verdwaalt niet in de drukke menigte. Wat ik vurig hoop voor de inlandsche [47] bevolking van Pondichéry en zelfs voor heel Indië, is dat men er de invoering van automobielen verbiede, die er zeker spoedig veel kwaad zouden stichten. Ten tijde van mijn verblijf in de kolonie had een parijsch automobielfabrikant zich tot een ambtenaar in Pondichéry gewend, om inlichtingen te erlangen omtrent de mogelijkheid, het moordend instrument er in te voeren. De inboorling heeft de betreurenswaardige gewoonte, altijd op het midden van den weg te loopen, en zelfs als men in een gewoon rijtuig zit, moet men herhaaldelijk roepen, om hem naar den een of den anderen kant van den weg te doen gaan; wat de kinderen betreft, ze loopen voortdurend gevaar, in stukjes te worden gereden. Nergens ter wereld hebben de koetsiers zulk een moeilijke taak bij het mennen van hun paarden. Wat zou er gebeuren, als men op een dag den invoer van die wagens toeliet, die, al zouden ze enkele bevoorrechten gelukkig maken, een moorddadige werking zouden uitoefenen en de bevolking zouden decimeeren! De Europeaan zou, ook al kon bij zich bergen en zijn bestaan verdedigen, oproerige kreten uiten bij het zien van het monster, vooral om den aard van den grond. De bodem in het zuiden van Indië verkruimelt tot een rood poeder, dat bij het geringste zuchtje van den wind in wolken opvliegt. Nu reeds in onze europeesche landen het stof, door dit middel van vervoer opgejaagd, vrij gerechtvaardigde klachten doet rijzen, zou men te Pondichéry ware wanhoopskreten slaken. Hoe dikwijls is het mij gebeurd, dat ik na een wandeling van een paar uur moest constateeren, dat mijn wit costuum een saffraan kleurige tint had gekregen!

De heer Delale, hoofd van het openbaar onderwijs, is zoo welwillend, mij tot gids te strekken bij het bezoek, dat ik mij voorgesteld had te brengen aan de voornaamste scholen van de stad. De quaestie van het onderwijs, dat in de koloniën aan de inlandsche bevolking wordt gegeven, heeft mij altijd veel belang ingeboezemd en leidde mij tot merkwaardige vergelijkingen. Er zijn koloniën, waar het oprechten lof verdient, en andere, waar het, eerlijk gezegd, bedroevend is, waar het op niets, op geen onderwijs neerkomt. Te Pondichéry, waar verscheiden scholen zijn, heb ik aan vijf een bezoek gebracht. Het onderwijs staat onder het toezicht van een zeer intelligenten leider, die uitstekend samenwerkt met den gouverneur. Wat mij het meest heeft getroffen, is de practische manier, waarop de onderwijzers in de jeugdige hersens de dingen doen doordringen, die hun onderwezen moeten worden, niet door het domme systeem van machinaal de kinderen zinnen te laten herhalen, die ze niet begrijpen, maar door het kraantje van hun intelligentie te openen door verklaringen, die ze kunnen vatten, en die ze daarom niet vergeten. In die verschillende scholen ga ik door alle klassen heen en vraag verlof, die kinderen te mogen ondervragen, die toeval of intuïtie mij doen kiezen, daar ik altijd de keus van een onderwijzer een beetje wantrouw in de gevallen, dat de school aan een bezoeker moet worden vertoond. Het is mij aangenaam te kunnen zeggen, tot eer van den heer Delale, dat het bezoek aan die inrichtingen te Pondichéry zeer goede herinneringen bij mij heeft achtergelaten, en dat het te wenschen ware, dat men in enkele andere koloniën zijn goede methode volgde en tevens het aanhoudende toezicht, dat hij uitoefent in het hem toevertrouwde departement.

In de laatste school, die ik bezocht, en die alleen voor jonge meisjes bestemd is, woonde ik verschillende naailessen bij, waar het werk op zeer lofwaardige wijze werd gedaan. Ik ben verbaasd over de gemakkelijkheid, waarmee die meisjes in goed Fransch antwoorden op de vragen, die ik tot haar richt. In Engelsch-Indië had ik in twee scholen kunnen opmerken, dat de kinderen zich bijna alleen in hun moedertaal konden uitdrukken, doorspekt met enkele engelsche woorden, verhaspeld op een wijze, die ze onbegrijpelijk maakte.

Ach, indien het mogelijk was, al die kinderen in hun vroegste jeugd te doen begrijpen, dat er een studie is, waar de hersens door in de war raken en die de rust des levens verwoest, zou dat een weldaad zijn voor de kolonie! Ik heb het oog op de politiek, die dit arme land verwoest, de ontwikkeling tegenhoudt en op betreurenswaardige wijze de europeesche bevolking verdeelt.

Ik wil liever niet stilstaan bij de pijnlijke zijden van de politiek, waar zij tot minder fraaie resultaten leidt en vooral vroeger geleid heeft.... Buitendien, niet enkel in Indië houdt men zich op met verkiezingspraktijken die afkeurenswaardig en verderfelijk zijn. Er zijn in Frankrijk ook steden bekend, waar de kiezers zich tot voorbeeld schijnen te stellen wat er plaats grijpt om en bij de stembussen van de hoofdstad onzer indische bezittingen....

De grappige kant van de zaak is de terugslag der politieke meeningen op de onderlinge betrekkingen van de Europeanen, die te Pondichéry gevestigd zijn. Ik heb daar merkwaardige herinneringen aan behouden, en ik kan geen weerstand bieden aan den lust er enkele van mee te deelen.

Een ambtenaar, pas ontscheept in de kolonie, brengt een bezoek aan den heer A, maar kan, daar hij den volgenden dag ongesteld wordt, niet naar den heer B gaan.... Hij wordt dadelijk door dien laatste beschouwd als te behooren tot een hem vijandelijke clan en op zij geschoven; men vertrouwt hem niet. Een ander ambtenaar, die op dezelfden dag gezien is geworden in gesprek met twee menschen van tegengestelde politieke overtuiging, wordt door beide voor een halve gehouden, een middenman, dien men goed zal doen te mijden.

Aan de zijde der dames werkt de jaloezie met de allernietigste argumenten, de ongerijmdste voorwendsels, waarbij dan een gebabbel komt, zoo als men zich bijna niet kan voorstellen. Een dame uit Pondichéry heeft mij verteld, dat men vond dat zij haar rang niet voldoende kon ophouden, omdat zij in plaats van een pousse-pousse te nemen (kosten 20 centimes) te voet een boodschap was gaan doen op 100 M. afstands. Het schijnt wel, dat een vrouw die zichzelve respecteert, in dat land in ’t geheel niet mag loopen!

Een tocht naar Karikal en naar Mahé, die betrekkelijk niet ver van Pondichéry liggen, lachte mij niet toe. Daarentegen heb ik, toen ik eenigen tijd vóór mijn bezoek aan Zuid-Indië in Calcutta vertoefde, [48] een uitstapje gemaakt naar Chandernagor, slechts op een uur afstands per spoor verwijderd van de hoofdstad der engelsche bezittingen. Chandernagor, gebouwd op den rechteroever van de Hoogly aan een schilderachtige baai, herinnert aan de schoonste tijden van de fransche heerschappij in Indië. De stad heeft gedurende de geheele eerste helft der 18de eeuw de schepen bij honderden aan haar kaden ten anker zien komen; daar zetelde de gansche handel van Bengalen. Zij heeft haar voorspoed zien verdwijnen door de opkomst en de groote ontwikkeling van Calcutta. Maar nog is het een stad, die indruk maakt, een aardige plaats met breede, rechte straten en sierlijke huizen. Verscheiden ruïnen van paleizen en tempels getuigen van den vroegeren luister. Het grondgebied is niet zeer groot, namelijk 6 K.M. over de grootste lengte bij een breedte van 2 K.M., een oppervlakte van 1000 H.A. Het klimaat is er, dank zij den meren en bosschen om de stad, koeler dan in de omringende deelen des lands, maar de temperatuur is er veel veranderlijker en veel koeler dan te Pondichéry, ofschoon men in Mei zeer dikwijls een warmte heeft van 40 tot 45° C.


Indische schoone in feestgewaad.

Er wordt, eigenlijk gezegd, te Chandernagor niets verbouwd, daar de beschikbare grond zoo beperkt is, dat men geen ernstige pogingen kan beginnen; maar de politiek is er wel doorgedrongen, evenals te Pondichéry, en zij vormt het hoofdonderwerp van alle gesprekken.

Ik bracht er twee heerlijke dagen door bij den vriendelijken administrateur, den heer Bertrand en zijn lieve vrouw, en ik genoot van de heerlijke wandelingen aan den oever der rivier in de zuivere, opwekkende lucht.

Er bestaat verschil van meening over de duurzaamheid van het engelsch bestuur in Indië. Naar alle waarschijnlijkheid hebben de Engelschen er geen wortel gevat. Een volksuitdrukking zegt: “De Engelschman en de Hindoe gaan samen als olie en water”, dat wil zeggen, dat ze in ’t geheel niet samengaan. De Hindoes verwijten den Engelschen, dat zij hen opeten, zooals de rupsen bladeren vernielen en zoo den boomen het sap ontstelen. Maar de Engelschen maken zich ook geen illusies omtrent de gevoelens, die zij den Hindoes inboezemen. “De intelligentste inboorlingen”, schrijft een engelsch reiziger, “erkennen de weldaden van ons bestuur; maar de massa wil liever slecht geregeerd worden door haar eigen hoofden dan goed door ons”.

Het schijnt, dat de fransche invloed dieper doorgewerkt heeft op de te weinig talrijke stammen, door oude verdragen onder ons bestuur gelaten. Ik kan de verzoeking niet weerstaan, enkele regels aan te halen, die door Pierre Loti in zijn Propos d’exil gewijd zijn aan de boeren uit den omtrek van Mahé (en die toegepast zouden kunnen worden op alle Hindoes, die fransch grondgebied bewonen), omdat zij uitstekend de gevoelens weergeven, die de inboorling te onzen opzichte koestert: “Zij zeggen in het Fransch bonjour, als de boeren bij ons en schijnen er trotsch op te zijn, bij ons te zijn gebleven; men ziet, dat ze lust hebben te blijven staan en een praatje te maken. Diegenen, die onze taal een weinig kennen, glimlachen en beginnen een gesprek, altijd pratend van: ‘Onze matrozen ... onze soldaten.’ Ja, men is hier toch wel in Frankrijk.” En ik moet denken aan een geval voor de rechtbank te Saigon, waar een van die Indiërs, beschuldigd van ik weet niet welke euveldaad, aan een magistraat uit Corsica, die hem als wilde toesprak, ten antwoord gaf: “Wij waren al Franschen tweehonderd jaar vroeger dan gij.”

De Aarde en haar Volken, Jaargang 1906

De Aarde en haar volken

1906.
HAARLEM,
H. D. TJEENK WILLINK & ZOON.



Door Holland met pen en camera

Naar het Fransch van Lud. Georges Hamön.1


Op de kermis.

Elk land heeft een eigen karakter, dat is onbetwistbaar. Holland nu is, zoowel om den aard van zijn grondgebied als om de kleeding zijner boeren, tegenwoordig het schilderachtigste land van Europa.


Een mager oudje.

Het is de moeite waard, zich op te maken om met eigen oogen te aanschouwen die pijpjesrookers en kermisdansers, die langzame schuiten en reusachtige bruggen, die zwaaiende molenarmen en kalme overpeinzingen van rustige burgers over hun glas bier, die boerin met breede heupen, de producten der eigen boerderij naar de stad brengend, die spannen van trekhonden, die eeuwige kanalen, bevolkt met eenden, die nette dorpen en aardige huisjes, die zonderlinge visschers, grillige luchten, moerassige vlakten. Men kan dan op zijn gemak, zonder de oogen dicht te doen, vóór zich zien verschijnen de landschappen door Ruysdael’s penseel op het doek gebracht, en de tronies der bierdrinkers die Teniers teekende.

Naar Holland gaan beteekent trouwens zooveel niet.... Men stapt ’s morgens aan ’t Noorderstation in een exprestrein, en ’s avonds zit men kalmpjes in een “koffiehuis” te midden van de diepe rust der weiden en de tonen van een klokkenspel.

Als men in één adem België is doorgespoord, wat niet moeilijk is met het oog op de kleinheid van het land, komt men te Roozendaal, het grensstation, waar het gebruikelijk is, zijn krachten eenigszins te herstellen. Daarna stapt men in een langzamen [2] trein, die er saai uitziet en op weg is naar Zeeland, het land der eilanden met zonderlinge namen, doorsneden door vaarten, kanalen, rivieren, slooten en booten, en bevolkt door vrouwen met bloote armen.

Maar men houde wel voor oogen, dat Holland een wanhopig vlakke en eentonige streek is, dat het geen heftige aandoeningen wekt, noch tot opgewonden geestdrift stemt of stille innerlijke verrukking teweegbrengt. Holland is het land der rust, waar men zich dompelt in het kalmste welbehagen.

I

Een hollandsche stad.—Middelburg.—De wolken.—De “boerinnen”.—Het huis.—De brugwachter.—De markt.—Een hollandsch dorp.—Zoutelande.—Goede herbergiers.—Typische avond.—De klompjes der kleine kinderen.—De kermis.—De vroomheid van den Hollander.

Na veel eentonige moerassen te zijn voorbijgegaan en vochtige landerijen; na bruggen te zijn overgereden, stopt de langzame trein te Goes en daarna te Middelburg, de hoofdstad van het eiland Walcheren.

Het was grijs, donker weêr op den morgen van mijn aankomst. In Holland vinden de wolken geen klokkentorens om ze tegen te houden, noch boomen of heuvels, en dus komen ze van alle kanten aandrijven, wit en rose en zwart, bruin, oranje of rood, al naar den tijd van den dag, en door den wind voortgestuwd. Zij lossen zich op in zware regenbuien of vluchten in compacte massa’s heen, trachtend zich hier of daar vast te zetten; maar de molens, die steeds maar blijven zwenken en draaien, schijnen ze uit te lachen, net als de baders, die in het water duiken, als men ze roept.

O, hollandsche wolken, wat hebt ge mij een last bezorgd!... Moet ik er boos om blijven?... Ik weet het niet, want gij ziet er toch niet kwaad uit, en Holland zonder wolken zou een afschuwelijke woestijn zijn; daarom hebben de wolken en het water samen vriendschap gesloten ten bate van het landschap.

Het was dan grijs en leelijk weêr, toen ik in Middelburg uitstapte.

Middelburg, hoort ge wel? is een echt type van een hollandsche stad, half en half grootsteedsch en half en half boersch. Naast Goes en Wemeldinge is het de interessantste plaats, waar ik geweest ben.

Het was morgen. Overal ontmoette ik groenteboeren en groenteboerinnen, sommigen in lage wagentjes, getrokken door kleine, harige paardjes, anderen, bezig karren voort te duwen, hoog opgestapeld vol met groente, boter, eieren of melk.

Trip, trap, trip, trap.... Dat stapte maar voort zonder haast. Niemand heeft ooit haast in Holland. Het paard, in een zacht drafje gebracht, stond dadelijk stil, als ’t noodig was.

Boerinnen, jonge meisjes nog, goed gekleed in haar nauwsluitende jakjes, met dikke heupen door de zware rokken, liepen waggelend met een juk op de schouders en boden aan de klanten melk en boter aan in blauwe of groene emmers met deksels, alles van de uiterste zindelijkheid getuigend.

Het type is niet bijzonder mooi, ik bedoel, niet erg fijn; maar schoonheid is een zaak, die moeilijk uit te maken is, en tot veel verschil van meening aanleiding geeft. Ziet men niet dagelijks de menschen bewonderend stilstaan voor de schilderijen van Rubens, alles vleesch, want men weet, dat hij bijna niet anders dan dikke Vlamingen op zijn doeken bracht.

Deze jonge dames kennen in ’t geheel geen beschroomdheid. Meer dan eene, die op mij afkwam met de handen in de zij en met de schouders schokkend in een droge beweging van onverschilligheid, stond stil, als ik haar aankeek, ging met een coquet airtje vóór mij staan en gaf mij door teekens te verstaan, dat een geldstukje haar niet onwelkom zou wezen. Als ik beproefde haar onverwacht te kieken, stiet zij een kreet, van toorn uit en keerde mij met ostentatie den rug toe. Op andere plaatsen, bij voorbeeld op Marken, wordt die belasting van den vreemdeling bijna als een recht geheven; een belachelijk misbruik.

Middelburg!... Zeer net stadje, met straten die alle aan elkaâr gelijk zijn. Rondom kanalen en, boven de daken uitstekend, twee of drie groote molens. Enkele oude monumenten, geheel in stijl. Zangerige klokken spelen de uren en laten hun tonen plotseling druppelen in de doffe stilte der bijna verlaten wegen en straten, waar men weinig winkels ziet.

Er wordt in Holland niet veel gewandeld, en aan flaneeren wordt in het geheel niet gedaan. Men leeft te huis opgesloten in zijn dicht en keurig, goed onderhouden vroolijk woonhuis. Geen huurhuizen van vijf, zes of tien verdiepingen. Elk gezin heeft zijn thuis, zijn eigen woning, waar alleen bekenden binnentreden, van wie men zeker is.

Maar wat houdt men dan ook veel van dat “home”, hoe graag versiert men het en tooit het op, wascht het, verft het en boent erop naar hartelust! Zulk een pijnlijke bezorgdheid doet het oog goed, want men gevoelt, dat zij één is met de plaatselijke zeden en gebruiken.

De straten, geplaveid met baksteenen, vertoonen geen enkele onreinheid. De vensters, van zonneblinden voorzien, zijn niet gestoffeerd met nieuwsgierige gezichten, die op den voorbijganger neerzien met ingenomenheid of afkeuring. Men ziet geen vrouwtjes bij de deuren staan praten of gewichtige samensprekingen houden op drukke kruispunten van wegen. Zelfs de kinderen zijn maar juist even druk genoeg, om te bewijzen, dat de stad niet door spoken wordt bewoond.

Alleen de spionnetjes kijken u aan, spiegels, die van buiten aan de vensters zijn bevestigd en waarin de vrouw des huizes, gemakkelijk achter haar horrikje gezeten, dat is een groen scherm in den vorm van een klaverblad, uren aaneen gadeslaat wat er voorbijgaat, juist als visschen doen in het water van een goudvischkom.

O, die vriendelijke doodschheid der hollandsche woningen op een grijzen achtermiddag in September!

Met mijn camera in de hand, ben ik de kleinste straatjes doorgegaan, overal met mijn onbescheidenheid binnendringend, waar ik er maar kans toe zag. Ik dwaalde langs de plechtige kaden, waar het rood der daken zich voegde bij het bruin van ’t vele hout, dat in het water dreef en bij het rossige waas der boomen, dat den herfst verkondigde. Ik liep langs [3] de oevers van het groote kanaal; jonge meisjes wisselden er teekens met de melkboeren aan den overkant, omlijst door den vlakken horizon, waarin een molen draaide.


Jong boerinnetje.

Ik kende spoedig tot in de kleinste bijzonderheden den korten doolhof van wegjes en straten, die alle zonder onderscheid naar het hoofdplein leiden, waar ’t stadhuis te vinden is met al zijn beeldhouwwerk, waar de weekmarkt wordt gehouden en waar de tram van Vlissingen stopt, de zeehaven, waar stoombooten van allerlei naties binnenvallen.

De voorstad, die erheen leidt, brengt u aan een brug. Die brug gaat in het midden omhoog als een dubbel luik, om de schepen met masten door te laten. De bewerking duurt een goed kwartier, gedurende welken tijd de weinige personen, die over de brug wenschen te gaan, in ’t minst geen blijk geven van verveling. De brugwachter leunt, als een mandataris in het volle besef van zijn verantwoordelijkheid, tegen de leuning; hij zwijgt en wacht op wat de schipper zal verkiezen te doen, die zijn schuit met de plechtige langzaamheid van een voorvaderlijke schildpad doet voortschuiven.

Die brugwachter was inderdaad op zichzelf een echt hollandsch poëem. Rossig in de rossige omgeving, stond hij daar met zijn pijpje tusschen de lippen geschroefd; een kalme wijsbegeerte straalde van hem af: de philosofie van de neutrale lichamen, bij tusschenpoozen zich bewegend naar een onduidelijk aangewezen doel. In hem herleefden de gestorven geslachten der Nederlanders met de afgemeten gebaren, die zwegen en droomden en eeuwen van geduld stelden tegenover de koppige aanvallen van de verraderlijke zee.

Dit is wel echt het karakter van den Hollander. Omringd door het water, vechtend tegen het water, gevoed door het water, heeft hij de zachte zwaarte van het water zich eigen gemaakt, dat geluidloos nadert en onder zijn kleurrijke oppervlakte vreemde werelden verbergt.

Met zijn glad rond gezicht, zijn naar de mode van Lodewijk XI geknipte haren, zijn dikke handen en zijn beenen in een wijde broek, lacht de Hollander zelden of nooit, schreeuwt nimmer, vecht niet met woorden en schijnt in zijn ernstigen blik een wereld van gedachten of van nevelachtig gepeins te weerspiegelen.


Ophaalbrug te Middelburg.

Rossig in de rossige omgeving, rookte de symbolische brugwachter zijn pijpje, onbekommerd om de overdenkingen, waarin zijn beeld mij dompelde. Toen het schip voorbij was, draaide hij een ijzeren kruk om, en de toegang was weer open.

Dit hoekje van de stad was nog stiller dan het overige. Een peinzende moeder liep er met haar kleinen jongen, die in een doek gewikkeld was, en geen ander levend wezen was er te zien, geen geluid te hooren dan het geklepper van den nabijzijnden molen.

De volgende dag was een Donderdag, marktdag te Middelburg. De zon weigerde mij niet alles op mijn smeekingen en tintte rose de jagende wolken, die uit den Oceaan gekomen waren. Ik ontbeet vlug met eieren en ham, verkwikte mij met thee en bereikte de Groote Markt, het tooneel van den handel. [4]

Drie of vier verplaatsbare winkels, een stroom van boeren en boerinnen en wagens met witte kappen bewees, dat er wel lust was om zaken te doen; maar ik zocht overal tevergeefs naar de menigte, die er moet wezen om aan den straathandel levendigheid te schenken.

In Zeeland is er om zoo te spreken noch landbouw noch industrie. Bij gevolg kan men er niet uitstallen, als bij ons, die hoopen groenten, eieren, vruchten of bloemen, waar omheen de huisvrouwen zich verdringen.

In Zeeland produceert de boer niet veel anders dan melk, boter, beetwortels en aardappels. De melk en de boter worden bij de klanten thuis gebracht door de boerinnen, zooals wij reeds hebben gezegd. De beetwortels gaan per schip naar de fabrieken.

Te spreken van een “markt” voor die wekelijksche bijeenkomst die ik bijwoonde en die nog voortdurend blijft bestaan, zou eigenlijk minder geschikt zijn. Onder voorwendsel een paar kilogrammetjes boter te verkoopen, komen de brave luidjes in de stad hun wekelijksch uitstapje maken, om er kennissen te ontmoeten, enkele inkoopen te doen, pijpjes te rooken vóór het stadhuis en met de handen in de zakken te droomen in een herberg, waar een biljard staat, zittend achter een groot glas bier en luisterend naar het droge geluid der ballen, door zwijgende spelers bewogen.


Huisvrouwen aan ’t inkoopen doen.

Welk een kalmte! Dit volk, met meel en vet gevoed, heeft geen zenuwen. Breed, zwaar, gezet zonder dik te zijn, herinneren die mannen, die geen begrip van gebrek en ellende hebben aan chineesche bonzen, in rieten stoelen gezeten, die langzaam onder hun bolle oogen hun duimen draaien boven hun buik in stille overpeinzing, zonder op den voortgang van den tijd te letten.

De mannen voegen zich te zamen op een hoek van de markt, om elkander hun indrukken mee te deelen over den stand van beesten of beetwortelen en over de gezondheid van hun kinderen. Op enkele vierkante meters staan daar een heele menigte typen, die van vreugde kunnen doen beven de afstammelingen van Teniers, Ostade en Potter, al die goede, overleden schilders.


Huisvrouwen aan ’t inkoopen doen.

Groepen oude boeren met korte broeken, gebloemde kousen en hooge ketelhoeden, wier kaalgeschoren gelaat door losse haarvlokken omgeven is, voeren den geest naar voorbijgegane eeuwen.

Die oudjes zien er voor ’t meerendeel gezond, maar zeer mager uit, in tegenstelling met de dikke jongelui en aantoonend, dat juist zij het oudst worden, die wat droog van spieren zijn.

Uit die algemeene zwaarwichtigheid moet niet worden afgeleid, dat de intellectueele vermogens beperkt zijn. De Hollander is goed onderwezen; hij leest wel niet veel, maar onthoudt, wat hij leest. Zijn goedaardigheid en stugge, massieve manieren zijn dikwijls slechts iets uiterlijks; men zou, eer men er te vast op bouwde, den onmerkbaren glimlach moeten kunnen verklaren, die soms rimpels om de ronde, blauwe oogen doet verschijnen en om de zachte, ongerimpelde monden. Hij heeft, wat men [6] noemt, den moed om tegen de dingen in te gaan, voortkomend uit gezond verstand en uit berekening. De eeuwenlange strijd, ondernomen tegen de zee en de vernielende rivieren, heeft hem groote volharding geschonken en een onbegrensd geduld, een echte kracht van inertie. Hij is werkzaam, maar die activiteit is niet onstuimig en wordt aan den dag gelegd in stillen, geregelden, volhardenden arbeid.

Spaarzaam is hij ook, en in dagen van overvloed blijft hij zuinig; grootheid en ijdelheid toont hij alleen bij groote gelegenheden, openbare inschrijvingen, bruiloften of kermissen.


Conferentie over de dikte van de bieten.

Als een hollandsche boer zijn dochter uithuwelijkt, geeft hij een gastmaal van stavast. Oudtijds waren de feesten bij bruiloften zoo algemeen in de zeden doorgedrongen, dat een wet tusschenbeide moest komen, om te bepalen hoeveel violen er mochten zijn, hoe groot de waarde der geschenken mocht wezen, en wat de prijs per couvert moest zijn.

Bij tweeën en drieën staan de melkboeren te praten over allerlei kleinigheden, op neutralen toon gezegd, terwijl de rook der sigaren hun oogen in een zilverachtig schijnsel hult, of wel, ze gaan met langzame schreden naar de herberg en zetten hun vertrouwelijk praatje voort op de banken langs den muur.


Groote boerenwagen met witte kap.

De herbergzaal, of liever de biljardkamer, heeft veel overeenkomst met onze herbergen en café’s. Al de ruimte wordt ingenomen door het enorme biljard met zakken aan de vier hoeken. Verder staat er een ronde tafel met een gestreept kleed er over, en alles, wat er noodig is, om te schrijven; stoelen, netjes in rijen geschaard, voltooien het eenvoudig ameublement voor de wijze klanten.

Men zou, als men daar binnentreedt, kunnen meenen, dat men in het huis van een particulier is, die u vriendschappelijk, met de ellebogen op de tafel geleund, een lekker glaasje zal aanbieden.

Op het marktplein ziet men beslist alleen mannen. Waar gaan wel de vrouwen heen? Ik krijg een drietal huisvrouwen in het oog, die voortloopen met manden aan den arm, en ik volg ze. Zij brengen mij weldra op een groote binnenplaats, omringd door een klooster, en in het midden geeft een oude iep koele schaduw.

Dit is het heiligdom der huisvrouwen. Zij staan er kalm en langzaam en nauwkeurig zaken te doen in haar wijde rokken, groote boezelaars en helder gekleurde doeken, de witte mutsen versierd met goud en zilver. Enkele hebben hun manden neergezet op schragen, die ervoor klaar staan, of op den grond naast de afgevallen bladeren en wachten met eindeloos geduld, tot er een koopster opdaagt, om haar te ontlasten van de vette koopwaar. Anderen staan stil, draaien wat heen en weer, loopen rond en staan weer stil, zwijgend met onbeslisten blik en dwalend oog, alsof ze er niet heel zeker van waren, dat zij den vasten grond betreden.

Verlangt u boter?

Wij wenschen boter.

Hebt u kaas?

Wij hebben kaas; zie, hoe zacht ze is.

Die vragen, die antwoorden, suizen zachtjes met het geluid van den wind door de takken van den grooten boom, en enkele vrouwen vertellen elkaâr kalm, op welke wijze zij het smakelijke product bereid hebben met de melk van dien en dien dag, afkomstig van een bepaalde koe.

Onbeduidend en bolbleek zouden die hollandsche dames zijn zonder haar bijzondere kleeding, juist als die anderen in moderne toiletten, die alle bekoorlijkheid missen. Met de eigenaardigheden van het land passen zij op het archaïsche fond en blijven in haar rechte, statige houding, alsof ze altijd en overal op doek vereeuwigd moesten worden.

Haar bloote armen, hard geworden door den wind, dragen manden, die met roode, blauwe of gele doeken toegedekt zijn, en daar het nog zomer is, dragen zij hoeden op het hoofd in den vorm van omgekeerde bloempotten met groote pompons versierd.

Onder den olm met bruine takken komen haar gestreepte sjaals flink uit, zooals zij zich buigen naar de geopende manden der boerinnen, die mooi zijn als ze nog niet veel jaren tellen, zooals al wat jong is, ondanks de stijve kleeding, die de buste in rechte hoeken omspant.

Haar voeten, die niet weten wat haast is, drukken de steenen van het oude plaveisel, en dat is het eenige geluid, dat men verneemt, gedempt nog in de algemeene stilte.... De zeeuwsche vrouwen schijnen, zou men zoo zeggen, aanhoudend kostbare geheimen met zich rond te dragen, die zij enkel aan elkander kunnen openbaren achter een muur, beschilderd met lichte en donkere strepen en achter de groene zonneblinden vóór de vensters. Haar vochtige [7] oogen weerspiegelen de groote weiden, waar de jonge koeien grazen, die dikwijls worden gemolken; haar smalle voorhoofden, stijf geknepen in het kanten omhulsel, zijn blijkbaar nog onder den indruk van het liedje van ’t melken, dat tweemaal per dag wordt afgespeeld, dat liedje van de melk, die druppel na druppel met bobbels in den emmer valt, en haar handen zetten nog de bewegingen als van een harpspeelster voort, waarmee zij de blanke uiers streelen.


Boerengezin aan ’t markten in Middelburg

Zouden ze zoo zacht zijn als dat voedend vocht?... Laat ons geen te haastig oordeel vellen! In Zeeland, in Friesland en in Groningen zijn er brunetten en blondines, rossigen en anderen met kastanjebruine haren, en zoo de overdaad van zachte spijzen haar aderen heeft gevuld met een flauw en waterachtig vocht, zij zullen zonder eenigen twijfel in haar gevoelens niet verschillen van de andere dochteren Eva’s.

Dat zijn overdenkingen, waartoe de marktdag in Middelburg iemand brengt. Zonderlinge markt voorwaar, waar men op de teenen loopt in eeuwigdurend geflaneer.

Een zeventigjarige, steunend op zijn kleinzoon, lacht mij vriendelijk toe. Hij is het verleden, hij met zijn costuum van een vlaamsche schilderij; het kind is het tegenwoordige, de toekomst met zijn knellend petje en vierkant afgesneden buisje. Ik wenk en wijs op mijn camera. De kleine wil den ouden heer wegtrekken van dat gevaar, dat mijn instrument opraper van beelden wezen kon; maar de oude staat stil en neemt een nobele houding aan als een groot heer, die wel graag bewonderd wordt.

Een hevige regenbui valt plotseling neer op markt en straten en huizen met puntdaken; een uur lang klettert het en ruischt en spat en drijft de kalme boeren in de herbergen; dan schijnt de zon weer, en er worden toebereidselen gemaakt voor de thuisreis.

De groote wagens in den vorm van schuiten, overdekt met witte huiven, komen van alle kanten te voorschijn en staan in rijen geschaard. De meisjes, blij dat ze eens uit zijn; de huisvrouwen, tevreden over haar inkoopen en haar gezellig gebabbel; de boeren, voldaan over hun marktwandeling en verzadigd van bier en jenever, allen stijgen in.

Tott werziens! ... Goedag!

De paarden schudden met de ooren, tillen de slappe beenen op en vertrekken, trip, trep, trip, trep, langzaam door de nauwe straten die goed geplaveid zijn, met zoo min mogelijk gedruisch, naar de stallen.

De stad, die een oogenblik druk en woelig is geweest, herneemt haar gewone, slaperige kalmte. De zon daalt lager. De grachten schitteren in veelkleurig licht. In de vallende schemering gaan booten voorbij, stil met opgezette zeilen en een licht geklots van het water. De donkere molens maken ter begeleiding van den zonsondergang stomme teekens, voorbijgaand als de minuten. Achter de neergelaten gordijnen der huizen verschijnen bleeke lichtschijnsels. Stilte, stilte, stilte.... Middelburg, hoofdstad van Zeeland op het eiland Walcheren, verdwijnt in den nacht ...

Zoutelande, een dorp verloren achter de duinen, dichtbij de zee. Een groote molen wijst de plaats aan. De avond valt. Langs de steenachtige wegen, met slooten er naast, huilt de wind, kondigt den naderenden vloed aan. Aan den voet der hooge bergen van zand een hoofdstraat, schoon als de vestibule van een hôtel, met een bruin plaveisel en lichte, geschilderde en gewasschen huizen. Een enkele herberg, waar ik tegen de deur stoot. Rondom het biljard vier of vijf mannen met korte broeken, die rustig spelen. De waard, een kleine grijsaard met een rond, verheugd gezicht; de waardin, een groote veertigjarige met verstandige oogen. Zij gaat vóór mij staan met de handen op de heupen en begint in ’t Hollandsch een lang gesprek. Ik glimlach en maak een beweging van spijt. Met behulp van het woordenboek, dat ik uit mijn tasch haal, geef ik haar te verstaan, dat ik een kamer noodig heb en voedsel.

Zij brengt een vinger aan het voorhoofd: “Begrepen!” en gaat heen. Zij komt eenige oogenblikken later terug met haar dochter, ook groot en forsch, [8] en begint opnieuw een gesprek. Ik leg voor het meisje mijn wensch bloot, en beide zijn het geheel eens, zeggende: “Begrepen!” Helaas!... het meisje gaat den vader halen, die ja zegt op alles, wat ik aanwijs, steeds maar lacht en met het hoofd knikt op de manier van porseleinen poppetjes. Wanhopig doe ik mijn mond open, steek er den voorvinger al kauwend in, en buig mij over een tafel met de oogen dicht.


Grootvader en kleinzoon.

Zij vouwen de handen, zijn verrukt en kijken elkander aan: “Wat is die man toch gek en wat doet hij dwaas!”

“Begrepen, begrepen,” zeggen ze, en verwachten misschien, dat ik nog meer door gebaren zal aanwijzen; maar ik zeg bij mij zelven, dat ik hier toch geen Kaffers of Berbers vóór mij heb, en ik ga waardig op een stoel zitten, de tong uitstekend als bewijs, dat ik wel zou willen drinken.

Er wordt mij melk gebracht. De schemering wordt zwaarder. In de hoop, dat ze wel wat voor mij zullen braden, ga ik uit. De wind is hevig, blaast door mijn haren, en ik zie niemand buiten. Ik beklim het duin; men kan er niet staan. De zee schuimt tegen de palen, geplaatst langs de dikke steenen, die het zand moeten tegenhouden. In de verte vecht een antwerpsche stoomboot tegen den wind en schuin waait haar rookpluim achter haar aan.

Brr, wat is het koud! Ik ben wel genegen den lof der Zeeuwen te zingen hier boven van mijn berg; maar de molen, die statig ronddraait ginds aan ’t eind van het dorp, schijnt mij uit te lachen met zijn groote, zwaaiende armen.

Ik ga terug naar de “Roode Leeuw, logement en koffiehuis.” De biljardspelers zijn weggegaan. De baas rookt zijn pijp bij ’t fornuis, terwijl zijn dochter aardappelen zit te schillen.

De huisvrouw houdt mij haar vinger voor en wijst naar de deur van een kamer. Ik geef gevolg aan die peremptoire uitnoodiging en vind op een tafellaken een glas melk, twee eieren en kaas, bescheiden menu van de kluizenaars uit Gallië in den tijd der barbaren.

Mijn maag voelde hol en leêg na zoo’n middag van beweging, en ik vroeg luidop om meer. Er was niet meer. De vrouw keek mij met ontzetting aan en stelde een nieuwe speech samen, waarvan ik niets begreep.


De pijpjesrookende brugwachter.

“Brood en melk, lief moeder”, wees ik haar in het woordenboek, met een gebiedende beweging.

Begrepen!

Helaas, ik kreeg dan ook niets anders dan brood met boter, besproeid met bier en melk. [9]


De dochters van den herbergier uit Wemeldinge.

Toen ik mijn razenden honger had gestild, voegde ik mij bij de familie om ’t fornuis, waar een ketel met water stond te koken. Het meisje schilde nog altijd aardappelen, en de moeder, met het hoofd voorover, krabde zich den hals, terwijl de vader, diep gedoken in een houten leunstoel, kringetjes blies uit zijn groote pijp.

O, hollandsche avond, daar in die dichte herberg, glimmend van properheid, ik zie u nog! De geverfde hangklok scandeerde de minuten met haar rooden slinger. De muren, behangen met porseleinen borden met blauwe bloemen, gaven bij het schijnsel van de lamp een illusie, alsof ze van marmer waren en een lichtende lijst vormden om de massieve meubels van bruin mahoniehout.

Pietje is een aardig boerinnetje, en de ouders ook zijn beste luidjes. De taal der oogen, die rijk is aan uitdrukking, vervangt in voldoende mate die der tongen, en wij vangen weldra elkanders gedachten op, als we ons best doen er uitdrukking aan te geven.

Die stilte en rust irriteeren echter na verloop van een uur mijn zenuwen van levendigen Franschman. De oude is zoo tevreden, dat hij mij ergert, en het gekrab van de moeder werkt aanstekelijk. Ik profiteer van het oogenblik, waarop de dochter met haar werk klaar is en wijs met een energieke beweging naar de zoldering.

De moeder heft het hoofd op en glimlacht. Dat behoort tot haar departement. Ze legt haar breiwerk neer en voert mij naar een ladder, achter de keuken, steekt den vinger in de hoogte en reikt mij de kaars aan onder het uitspreken van een ingewikkelde redevoering.

“Goed, goed”, zeg ik, “lief moeder, ik wensch u een goeden nacht, u en uw ronden echtvriend en uw dochtertje en ’t heele huis!”

Ik klauter de ladder op en kom op een soort van zolder, waar de rijkdom aan groente der familie ligt opgestapeld, rechts een hoop aardappelen, links een pyramide van wortelen, vóór mij een berg uien, elders erwten en boonen en gereedschap; tusschen twee balken eindelijk een alcoof van ruwe planken en daarin een matras, twee lakens en een deken.

Ik sla de armen over elkaâr, vol verontwaardiging ... maar ik bedenk, dat in een dorpje verloren onder tegen de duinen van een afgelegen eiland, men geen pretensies hebben moet, en ik volg Napoleon na, die, uit vrees verrast te worden, zich geheel gekleed te slapen legde.

De wind joeg over het dak, deed de pannen kletteren met krachtige stooten; maar mij vastklampend aan de geruststellende gedachte, dat hij eerst het dak moest kapot hebben, vóór hij mij kon bereiken, sloot ik de oogen en viel in slaap....

’s Morgens stroomde een prachtige zonneschijn door het zolderraampje en legde een stralenkrans om mijn hoofd. Ik haastte mij naar beneden en naar buiten, waar ik tot mijn verbazing een abnormale drukte van klompen hoorde.

Dat geluid van het hout op de steenen riep in mijn herinnering Bretagne op en de kadans van de klompen op de bestrating der oude stadjes.

Maar dat is toch niet mogelijk, zei ik tot mijzelven, dat de jongens van Guéméné en de meisjes van Fouessant de zee zijn overgestoken in den nacht, om mij deze aubade te brengen? Misschien ook zijn het de geesten der gestorvenen uit mijn land, die mij willen verrassen en mij beletten, mij te laten [10] naturalizeeren als Hollander. Ze hadden anders in dat opzicht niet heel veel te vreezen....

Beneden aan de ladder lachten de vrouwen mij toe; de baas, weer in zijn stoel gezeten, stiet een groote rookwolk uit en rolde met zijn blauwe oogen.... De weg was eenvoudig vol met kleine kinderen, die vóór schooltijd heen en weer drentelden.

Verrassend, die kinderen! In andere landen maken huns gelijken een diabolisch lawaai, schreeuwen, stampen, loopen elkaâr achterna, spelen krijgertje, verstoppertje of springen touwtje.... Hier wandelen ze maar. De jongens met de handen in de zakken, de pet op één oor, duwen elkaâr zoo’n beetje weg. De meisjes, als groote menschen gekleed, met wijde rokjes en groote doeken, dansen in ’t rond, elkander bij de hand houdend, of loopen hard bij ’t klepperen van de wijde klompjes, terwijl ze met de dunne, bloote armpjes zwaaien.

Dit was een frisch, opwekkend gezicht. Een heldere Septemberzon, een straat, zoo schoon en rein als ’t schip van een kerk, roode, bruine of witte huizen met roode daken, kleine meisjes, in het blauw gekleed, in druk bewegen vol gratie; men kan er werkelijk spijt van hebben, dat men niet met één penseelstreek al die kleuren op het doek kan brengen, waaruit een tooneeltje van dezen aard bestaat.

De kinderen werden mij gewaar en vlogen weg als opgeschrikte vogeltjes, toen ik de beweging maakte van hen te willen photografeeren. Ik liep ze achterna. Zij lachten, liepen achter muren om, verborgen zich, kwamen weer voor den dag, en ik kon mij al gauw verbeelden een wolf te zijn, die schaapjes achtervolgde.

Klik, klak, daar had ik ze! Ik overviel hen in een schuilhoekje, waar ze zich verbergden, en waar de meisjes de handen vouwden, als om genade te smeeken, terwijl de jongens daarentegen mij brutaal trotseerden.

Maar de kinderwereld met haar levendige kleuren liet mij in Zoutelande weldra alleen en trad het schoollokaal binnen.

Ik deed een omgang door het dorp. Geen levend wezen te zien. Overal dichte deuren. Geheimzinnig gesloten vensters. Stilte. Geen waschplaats, waar men het kloppen op het linnen hoorde. Geen enkele huisvrouw aan ’t keuvelen met een burin of aan het werk op haar plaatsje of in haar tuintje. Nu en dan treedt een vrouw naar buiten met emmers water en een ontzaggelijken bezem. Zij wascht haar huis van boven tot beneden af, plechtig en ernstig, en met een ladder klimt ze tot het dak, om de pannen af te vegen, en doet dan haar deur weer dicht, waarachter men zich haar denkt, altijd wasschend, boenend, vegend, poetsend en opsierend.

Er is veel gesproken over de hollandsche zindelijkheid. Die is geen mythe. Dit volk heeft den trots der properheid. Te midden van water levend, onder een regenrijken hemel, door wind geteisterd, gebruikt het wind en regen, om vuil en stof weg te waaien en weg te spoelen.

Armoede schijnt in deze streken onbekend; zoo zij bestaat, is ze zoo zindelijk, dat men haar niet herkent. Elke familie behoudt van geslacht tot geslacht de zware, massieve meubels, waaromheen een ongeschokt en rustig leven wordt geleid.

Het omringende water, de gedwongen beperktheid van de wegen te land, het ontbreken van landbouw en industrie hebben tot die zeden en gebruiken aanleiding gegeven. En Holland is een land van burgers, van schippers en makelaars, maatschappelijke kringen, waar men aan comfort is gewend.

De kleinste boer overbluft u nog met zijn kleeding, zijn porselein en zijn blinkend huisraad. Hij maakt den indruk van iemand, die zeker is van zichzelven, van zijn verleden, zijn heden en zijn toekomst, in ’t minst niet verontrust door een progressieve belasting, dreigende politiek of ongemotiveerde zenuwachtigheid.

Van nature is de Hollander teruggetrokken en stil; uit gewoonte hecht hij zich aan zijn werk, zijn zaken en het familieleven.

Hij is godsdienstig, maar zonder in uitersten te vervallen. Het hervormde geloof, dat hij aanhangt, lokt niet uit tot vroomheidsvertoon en staat geen weelde toe in beeldjes of heilige voorstellingen, zooals men wel in andere landen ziet.

De kerken hebben enkel kale of gewitte muren. Men gaat er des Zondags heen, om naar de preek te luisteren. Geen bevallige feesten of symbolieke dagen of herinneringsplechtigheden. Men gaat naar de kerk, omdat het nu eenmaal zoo behoort, en omdat men doen moet, wat volgens de traditie altijd gedaan is.

De Bijbel is een nationaal monument, dat de hervorming op één lijn stelt met de vaderlandsliefde, een gevoel, dat diep geworteld is in ’t hart der Nederlanders, en toen Lodewijk XIV, na Utrecht te hebben vermeesterd, op de groote markt alle exemplaren liet verbranden, die men ervan kon vinden, zou hij zonder grootspraak zich hebben kunnen beroemen, het intellectueele Holland van dien tijd aan de vlammen te hebben overgeleverd. De vrijheid van geweten wordt echter overal geëerbiedigd en dat wel sinds onheugelijke tijden. De godsdienstige secten zijn ontelbaar, en alle leven in de beste verstandhouding met elkander. Katholieken, protestanten, joden, muzelmannen, allen genieten precies dezelfde rechten en prerogatieven.

Men is er streng van zeden. Nooit hoort men van misdaden of avonturen, waarbij de liefde in het spel is. De jonge man, die zijn oog laat vallen op een jong meisje, doet zijn best om het tot een huwelijk te brengen, als ten minste het onderling belang erbij gebaat wordt; alles blijft kalm in de polders, ook de gevoelens.

Die ingetogenheid verdwijnt één keer in het jaar en wordt tot een deelneming aan woeste gelagen; dat is bij gelegenheid der kermissen.

Gedurende de dagen, gewijd aan deze nationale feesten, brengt de boer naar buiten alles, wat hij in gewone tijden moet binnenhouden en onderdrukken, namelijk de leelijke zijden van zijn natuur; hij danst als een schuit op hooge zee, rookt als een antwerpsche stoomboot en drinkt als den Helder op de dagen van overstrooming. Drie dagen en drie nachten lang verlaat hij, meer bepaald in sommige steden, het koffiehuis niet. Op de tafels en den grond uitgestrekt, verbijsterd door de muziek en ongevoelig geworden door den drank, blijkt hij een ander wezen geworden met buitensporige gebaren en luid klinkende woorden, en men zou niet weten, waar men hem bij moest vergelijken, als het niet bij Bacchus zelf was op zijn [11] dagen van groote uitbundigheid. De schilderijen van Rubens in het Louvre, zoo cru in hun realisme, kunnen nog als symbolen dienen, indien een schets vol echte waarneming symbool kan zijn voor een veeleischend geslacht.


Sterke paarden aan het werk.

Het bacchanaal,—dat moet erkend—verschilt naar gelang van de provincies en krijgt meer en meer neiging, tot een familiefeest te worden, ’t geen dan weer op verlies van schilderachtigheid te staan komt.

De kermissen hebben voor de jongelieden bijzonder groote beteekenis, omdat ze voor hen zeer zeldzaam voorkomende gelegenheid zijn, zich vrij te bewegen, uit te gaan. In dit moerassige land, waar van eigenlijke velden en buiten zijn geen sprake is, kan men niet, als bij ons, des Zondags gaan wandelen langs schaduwrijke wegen tusschen bloeiende weiden.

Van tijd tot tijd gaat men wel eens per boot naar Rotterdam of Zierikzee, maar die uitstapjes halen niet bij een kermisdag in de hoofdstad der provincie. Daar gevoelt men zich te huis; men kan er op zijn gemak okshoofden zwart bier verzwelgen en wafels verorberen, uien eten en komkommers of geconfijte citroenen in azijn, gekruid met harde eieren....


Het dorpje Zoutelande.

Wat de huwbare dochters aangaat, zij nemen ijverig deel aan de kermis. Lang van te voren zorgen zij voor de mooie mutsen met de ronde vleugels, die haar oogen zoo goed doen uitkomen, voor den bloedkoralen collier, het blauw fluweelen dasje, de gouden plaatjes op het voorhoofd en de gouden stiften op zij, met al die kleine extraatjes, waardoor de jongens worden bekoord.

Die kostbare sieraden zijn de trots van de boerin. De droom van ieder is, ze prachtig te kunnen vertoonen, van echt goud, opdat de wind ze even kan bewegen en ze kan doen ruischen als de vleugels van een libel.

Te Zoutelande wordt verteld, dat een zeer mooi, maar ongelukkig boerinnetje, dat door de gierigheid van haar vader geen sieraden bezat, een heftig verlangen voelde om op dit punt de gelijke te zijn van haar kermisvriendinnen, opdat zij evenals deze gevraagd zou worden te dansen, te lachen en poffertjes te eten door de jongelui, die de armoede minachten.

Toen zij naar de markt van Middelburg ging, om de melk en de boter van de boerderij te verkoopen, overpeinsde ze die lastige quaestie en was diep bedroefd, zoo geminacht te zijn, hoewel ze er aardig genoeg uitzag.

“Ik wil schitteren”, dacht ze, “want ik ben mooier dan de anderen”.

Onder het voortloopen, in haar gesloten jakje met het bruine juk op de schouders, keek ze mistroostig naar het water in de slooten, dat de zon weerspiegelde, [12] en zei tot zichzelve, dat, zoo dit water melk was, zij dadelijk genoeg zou hebben, om de mooiste sieraden te koopen van de goud- en zilversmeden in Schoonhoven.


Een miniatuurpaartje.

Toen begon ze te lachen, stond stil, nam van haar geverfde emmers het deksel af, zag, dat ze niet vol waren, deed er een weinig bij van ’t water, dat in vele tinten straalde, en zette haar weg voort.

In plaats van acht liters melk te verkoopen, verkocht ze er elken dag twaalf en verborg in een laadje de opbrengst van haar list.

Het ging zoo goed, dat ze weldra een aardig spaarpotje had en de zoo begeerde sieraden kon koopen. Zij was uitgelaten blij en kon niet laten, toen ze uit de stad terugkwam, tegen haar slapen de mooie sprieten te hechten en in het water te kijken als in een spiegel.

Helaas, toen zij zich bukte, om haar gelaat te zien, raakten de krullen, die niet goed vastzaten, los en vielen in het stroomende water.

Reneetje, op het gras gezeten, vervuld van spijt en boosheid en teleurstelling, schreide heete tranen, tot de wind haar deze verstandige woorden in het oor fluisterde:

“Wat uit het water komt, moet tot het water terugkeeren.”

Er wordt niet bij verteld, of het jonge meisje den troost aanvaardde.

II

Ontmoeting op straat.—De mooie ruiter.—Teleurstellend déjeûner.—Vader Kick.

Zoodra ze getrouwd is, na de uitbundige pret van de bruiloft, bergt de boerin in de laden alle kleine sieraden en snuisterijen, waar zij zoo op gesteld was als jong meisje. Het gebruik wil namelijk, dat zij er ernstig ga uitzien, juist als de vrouwen, die geen veroveringen meer willen maken, omdat ze een levensgezel hebben gevonden. Ze bewaren alles voor haar dochters, als die op haar beurt, bij de eeuwige herhaling der verschijnselen, een boer aan den haak moeten slaan.

Maar kom ... ik loop te lang in Zoutelande rond, luisterend naar den wind, die mij deze vroolijke dingen vertelt tusschen twee duwen tegen de wieken van den grooten molen.

Een melkboer, in zijn kar als een schuit, met een groot harig paard er voor, gaat naar het veld, en zijn wagen verbreekt de stilte.

Elders ontmoet ik even buiten het dorp een miniem klein paartje, jongetje en meisje. Zij, zeer moederlijk en grappig, beknort den kleinen jongen met een basstemmetje en wil hem terughouden van den weg naar Westkapelle, waar de overmoedige Willem zich heen wil begeven. Zij trekt hem uit alle macht bij een slip van zijn jasje, en men herkent in haar reeds het toekomstige vrouwtje, dat haar man afhoudt van verkeerde wegen ... beminnelijke zorg!


Overal kleine dreumesen.

Een doffe galop ... Wat is dat?... Een man met blauwe oogen in een verheugd gezicht, komt van het land terug met zijn twee paarden, zijn vrouw en zijn meiden. Hij groet en springt op den grond, al verblijder kijkend, wijst op zijn beesten, [14] die er goed uitzien, dan op mijn instrument, legt een hand op zijn borst en de andere in de neusgaten van zijn eene paard en geeft te verstaan, dat het beeld merkwaardig mooi moet worden.

Met een glimlach stap ik drie passen achteruit, twee naar rechts, één naar links, mompel een goedkeuring en open het klepje van mijn camera.

Atsjoem!” proest het paard nommer 1.

De ruiter, nu bepaald ten toppunt van voldaanheid, deelt mij zijn indrukken mee, helaas, zijn ze voor mij onbegrijpelijk en gaat dan weg met een beweging, die schijnt te zeggen: “Tot strakjes, wacht hier op mij!”

Nieuwsgierig kijk ik eens naar de kerk, die er kaal en somber uitziet, naar het groene veldje, waar de dooden worden begraven zonder eenige versiering of grafteeken, want wat van de aarde komt, moet tot de aarde terugkeeren zonder meer; heel de hollandsche philosofie ligt in dien zin. Ik denk er juist over, het duin te gaan bestijgen, toen opnieuw een drievoudige galop zich doet hooren. Ik bespeur mijn verheugden ruiter, die met drie nieuwe paarden komt aanhollen. Hij zegt iets en stijgt van het paard. Hij gaat bij het eene staan en verklaart, dat ik nu met mijn werk kan voortgaan.

“Je maakt misbruik, vriend!” antwoord ik in het Fransch.

En om er van af te zijn, draai ik zijn hoofd om en doe alsof ik hem kiek. Tot driemaal toe, met elk der drie paarden, herhaalde ik het grapje; toen kreeg ik een adres, met potlood geschreven, en tegelijk een betuiging van de grootste ingenomenheid.

Tot werziens, tot, tot....

Ik beklom het duin. De kinderen, uit school gekomen, toffelden in koor op hun klompjes, klots, klots, klots.... Ik moest hen tot mij zien te lokken door iets ongebruikelijks. Met mijn pet zwaaiend, begon ik hard te loopen en daarbij heftig met de armen te zwaaien, het gezicht naar de zee gekeerd, alsof ik daar iets heel bijzonders zag.

Die buitensporigheid wekte de nieuwsgierigheid. Langs alle voetpaadjes kwamen de kinderen aanloopen; ze trokken elkander mee en kogelden in het zand. Ik liep naar het strand tot aan den rand der golven. Zij volgden mij. Daar nam ik plotseling een handvol centen uit mijn zak. Zij stortten naar voren. Ik raapte wat gevallen was weer op. Een deel van de kleinen vluchtte verschrikt weg; de rest, allen meisjes, bleef om mij heen staan en stak de magere bloote armpjes uit.

“Hoepla!” riep ik; “dans eens voor mij!”

De een hief een liedje aan, en daar begonnen ze te dansen, blauw en rose geteekend tegen den grijzen hemel vóór dien blauwgroenen horizon, één en al frischheid in den koelen morgen.

Na vijf minuten werkens, gingen de kleinen om mij heen staan, en ik legde in de roode kinderhandjes de verwachte geldstukken. Toen vlogen ze weg als kwikstaarten en herinnerden mij tevens, dat het tijd was voor het lunch.

Op het duin kwam de waardin uit de herberg mij zoeken. Met de handen in de zij begon ze een lang gesprek en liet mij daarbij haar mond en haar tanden, bijna haar maag zien. Ik ging met haar naar het kleine kamertje met de blauwe, gebloemde borden aan den wand, waar een hagelwit tafellaken een reeks van schaaltjes van wit porselein droeg met deksels. Het zag er uitlokkend uit. De waard blies in alle vriendelijkheid weer veel tabaksrook uit en bracht mij een glas bier.

Plechtig nam ik met de beste verwachtingen het deksel van het eerste schaaltje, een taai stuk biefstuk dreef in de margarine.... Ik ontdekte het tweede: roodbruine worteltjes.... Ik ontdekte het derde: gekookte aardappels.... Ik deed het vierde open: gehakte kool, die naar heliotroop rook....

De waardin lachte een goddelijk lachje, vol trots.

In verslagenheid proefde ik het vleesch en verslond het in stilte, met ruime bijvoeging van bier, melk, eieren en boterhammen.... O, hollandsche keuken! Wat hebt gij mij een last gegeven! Gij vindt nergens uws gelijke, dunkt mij, of het moest zijn in de spaansche pablas, de duitsche ham of de arabische koeskoes.

Toen ik een sigaar aanstak, om het leed over het treurig onthaal wat te verzachten, trad er een der oude mannen binnen. Hij zag er nog ouder uit dan alle ouden, die ik reeds had gezien. Hij ging dicht bij het buffet zitten, liet zich een groot glas jenever geven en ging tegenover den rustigen baas een dutje doen, afgebroken door een paar zachte woorden. Ik had voor mijn oogen een doek van Teniers, en ik genoot er ten volle van. Het in woorden weer te geven, is mij onmogelijk. Geen woord zou de kalmte en rust kunnen schetsen van die beide ouden, die al rookend hun glaasjes ledigden, en daar zaten in hun houten leuningstoelen met rechte ruggen, alsof ze er nooit uit zouden opstaan. Naast hen kookte de koperen ketel; door het groene horretje vóór ’t venster vloeide de zon binnen met vaag schijnsel, dat weerkaatst werd door de borden aan den muur, en de klok, met bedachtzame haast voortgaand, stiet met haar rooden slinger de minuten over de hoofden van die heeren, die de kunst verstonden om het leven te verlengen.

Na een tijd, die lang of kort of middelmatig lang duurde, wat doet het ertoe, dronk vader Kick zijn glas tot den bodem leêg, schudde de asch van zijn sigaar en ging heen. Hij liep omhoog in de richting van de zee langs een voetpad tusschen groene heggen, met den rug naar de roode pannen van de daken.

Wat zou hij daar gaan doen?... Niemand weet het denkelijk.... Op de duinen keek hij naar den oceaan met de handen in zijn zakken en een onverschillig gezicht. Toen ik bij hem kwam, wees hij mij een stoomboot, welker rookpluim den horizon streepte en verzonk toen weer in stom en diep gepeins.

En hij, vader Kick, was mij aldus een symbool van de geslachten van Nederlanders, die als vasthoudende eilandbewoners, van de zee hun tegenwoordig land stalen, en van eeuw tot eeuw hun steenen en houten borstweringen, hun enorme dijken en hun eindelooze pieren vooruitschoven in de nevelige ruimte.

In den blik, waarmee de oude vader Kick de bewegelijke eindeloosheid peilde, scheen hij te zeggen: “Ik heb je, dochtertje, en mijn kinderen zullen je houden!”


Ze zongen er een liedje bij.

[15]

III

Het hollandsche land.—Het water.—De molens.—De landbouw.—De polders.—De dijken.—Oorsprong van Holland.—Een avond te Veere.—Wemeldinge.—De vijf jonge meisjes.—Stomme flirt.—De dronken man.—Het leven op het water.

Een deel van Nederland ligt, zooals bekend is, ver onder het niveau van den zeespiegel en zelfs van de rivieren, hetgeen de werken van allerlei aard verklaart, door de inboorlingen gebouwd om het water tegen te houden, sommige schijnbaar van weinig beteekenis, maar kolossale werken, als men ze nader onderzoekt.

Voordat de Rijn geboren was, waren de Nederlanden een zee. Op een goeden dag werd er in de Ardennen een bres geslagen door de meren, in hun omtrek opgesloten; de bergen weken voor de overweldigende kracht en hun wanden werden weggeslingerd tot op grooten afstand. De Rijn, een nieuwe waterloop, teekende toen Nederland, zooals het hem behaagde, met behulp van Maas en Schelde.

Aanhoudend een massa alluviaal slib aanvoerend, deed hij stapje voor stapje de zee terugwijken, tot deze haar revanche nam en toen werd tegengehouden door een nieuw menschengeslacht. De Rijn, zwakker geworden door de vele zijtakken, die hij uitzond, zou in het zand gestikt zijn, als de genialiteit der menschen hem niet te hulp was gekomen.

De krachten van de zee en die van het stroomende water, de neiging der rivieren, om hun mondingen te laten verzanden, de hevigheid der winden en de overvloed van regen, van watertoevoer bij den voorjaarsdooi, deden de drie rivieren zwellen en buiten haar oevers treden, waarbij zij in het land veel moerassen achterlieten en meren, die drooggemaakt moesten worden en daarna door dijken moesten worden omringd.

De geschiedenis der overstroomingen in Holland is bijgevolg een lange, treurige historie; zonder de Hollanders zou Holland er niet zijn; zonder hun voortdurende waakzaamheid, zou het land weldra een waterwoestijn wezen.

Van Middelburg in Zeeland tot Amsterdam en Hoorn wordt het land, dat eindeloos vlak is, door tallooze kanalen doorsneden, door bruggen, slooten, moerassen en sponzige weiden, waar de beesten soms tot de knieën inzakken.

Men moet zich een reuzendambord voorstellen, in alle richtingen doorsneden door waterwegen, waarin zich altijd wolken spiegelen en kleurige huizen, dikwijls van hout opgetrokken, en molens en kudden.

Smalle wegen, met steenen geplaveid, loopen langs de groote kanalen en brengen steden en dorpen met elkander in gemeenschap.

Weinig of geen landbouw. De veeteelt is voldoende en voedt den bewoner met vette melk, met kaas en biefstuk.

Het water heerscht alom, het overweldigende water, het water, dat rijst of daalt met de maan, en dat, zoo ver het oog reikt, zijn zacht vloeiend reuzennet uitbreidt, waar altijd-door de schepen en de booten en de eenden gaan.

De weide, van een wonderbaarlijk teeder groen, trekt bij den eersten oogopslag de aandacht, breidt ver zich uit tot aan den grijzen horizon en is bezaaid met pyramidevormige daken, met koeien en stieren van onbegrensde en verbazende rustigheid, die de welriekende geuren snuiven van de bloeiende grassen en hun tong laten strijken langs het fluweel der zachte groenheid vóór hen.

Het is eentonig, en die eentonigheid, verkwikkend voor het oog als een licht gewasschen waterverfteekening, wekt indrukken van vredige kalmte, welker afstraling men overal bespeurt, in de menschen zoowel als in de dingen.

Zenuwlijders en zij, wier bitter verdriet of wier heftige gemoedsopstand hen in onrust brengen, moeten hier bij ’t dwalen langs die duizenden van rimpellooze spiegels, te midden van die eindelooze natuurlijke tapijten, hun hart tot rust voelen komen.

Ziehier een paar schetsen. Na een hevigen regen op den weg van Monnikendam, een rood huis in een kring van kortdikke boomen; het lint van den weg ligt vol plassen, heldere vlekken, waarin het blauw van den hemel zich weerspiegelt. Andere huizen staan verderop; twee molens draaien heftig met stooten, houden een seconde op, beginnen weer, draaien, houden stil en draaien weer, de groote stilte brekend met hun gevleugeld rhythme.

O, die molens!... Hun aantal brengt een mensch van de wijs. Nooit zou men kunnen gelooven, dat er zooveel zijn. Ze dienen voor alles, voor het uitpersen van olierijke zaden, het braken van vlas, het zagen van hout, het pompen van water. Het minste zuchtje wind, dat over het land strijkt, moet voor de industrie zijn dienst bewijzen, wordt even vastgehouden om de duizend wieken te helpen draaien, die hun bewegelijke kruisen teekenen op de grijze lucht.

Groote en kleine, ronde en vierkante, er zijn er van allerlei soort en vorm en afmeting, van ’t kleinste watermolentje, dat wanhopig en woedend draait, tot den indrukwekkenden toren van den tolhuismolen, begroeid met zachtgroen mos.

Die molens hebben reden van bestaan. De dijken en de sluizen, die tegen het buitenwater zijn gemaakt, tegen de zee en de rivieren, zouden alleen niet voldoende zijn geweest, om Holland bewoonbaar te maken, zoo het land niet de kunst verstaan had, zich van het binnenwater te ontdoen, dat aangevoerd wordt door de regens, de hooge vloeden, de bronnen en de afgraving van het veen. Bij gebrek aan machines, ging men bij den wind om hulp, en men bevond er zich wel bij.

In 1850 berekende men, dat 30.000 H.A. lands, met inbegrip van het beroemde Haarlemmermeer, zoo van den Oceaan teruggewonnen en voor den landbouw beschikbaar gesteld waren.

De groote moeilijkheid bestond in de handhaving van het evenwicht tusschen de bijzondere belangen van die polders en de algemeene belangen van het afwateringssysteem, waaraan het land zijn bestaan te danken heeft. De verdeeling van de watermassa’s moet met oordeel geschieden, of er kunnen de grootste rampen uit voortvloeien. Maar men voorzag erin door het in ’t leven roepen van scholen voor ingenieurs, waar het kleine leger werd gevormd, dat in opdracht heeft, het grondgebied te verdedigen tegen den eeuwenouden vijand. Als het al niet zoo [16] moeilijk is, een sluis te bouwen, een dijk te dichten, een moeras droog te leggen, er is veel wetenschap en veel oplettende waarneming noodig, om op de goede wijze de watermassa’s af te voeren en te verdeelen.

Een ander schetsje. Te Westkapelle komen twee vrouwen uit den molen, waarvan de ramen twee groote oogen lijken boven een deur, die een neus verbeeldt. Eén heet Keetje; zij is getrouwd met Jocker, den eigenaar van den molen; de andere is haar schoonzuster, Van de Eserke, wier man boer is. Beide verbazen zij zich, dat de boot van Rotterdam nog niet de zakken koren heeft meegenomen, waarmee men haast heeft, als men ten minste ooit haast met iets kan maken.


Vader Kick, in gedachten verdiept.

De landbouw, voor zoo ver men eigenlijk hier van landbouw spreken kan, bepaalt zich tot aardappels, kool, wortels en bieten. Weinig koren, alleen wat tarwe en haver, en dan nog vlas, ziedaar alles. Dat is zeker een der redenen, waarom men geen brood eet, maar zich voedt met meelspijs, melk en boter.

De velden, waar iets verbouwd wordt, zien er slikkerig, vet, leemachtig uit; in regenachtige perioden zakken de karren er tot de naven der wielen in. Zoo’n land zou niet geschikt zijn voor de verschillende producten van onze landbouwstreken.

De beetwortel wordt in Zeeland over een groote uitgestrektheid verbouwd. Als de herfst in het land is, ziet men van alle kanten wagens, door sterke paarden getrokken, heele bergen er van naar de aanlegplaatsen vervoeren. Indrukwekkend verrijzen die hooge hoopen, alsof er manna uit den hemel was gevallen, en onophoudelijk worden de vrachten geschift en geteld door groepen, die niet veel haast maken, terwijl de dikke kegels, die bultig of opgezwollen en log zijn, symbolen lijken van de menschen, die ze wegen.

De schuiten, het eenig mogelijke vervoermiddel in deze vochtige oorden, komen ze halen, om ze te brengen naar de rustige fabrieken, waar de stoom hen zal vervormen.

Over de kanalen met de duizenden van zijtakken glijden de vaartuigen. Den ganschen dag gaan er zoo voorbij, en men vraagt zich af, hoe de schippers niet verdwalen te midden van die waterwegen, die alle op elkaâr gelijken.... Maar de wind, die hen leidt, bedriegt hen niet, en zij komen zonder ongevallen in de gewenschte havens, waar ze hun lading lossen en haar na zorgvuldige opeenstapeling inwisselen tegen klinkende guldens of tegen ruilwaren.

De voortglijdende schepen en de draaiende molens zijn de eenige verlevendiging van de al te groene landschappen.

Achter de kunstmatige oevers, aangelegd om het land te beschermen, komen de met wimpels versierde masten aanglijden, zachtjes en voorzichtig, en het is allermerkwaardigst, die zeilen en masten te zien passeeren boven de landen als lange, zwarte kaarsen.

Door het trillend water van ’t kanaal wenden de schuiten stil en ernstig hun steven stroomaf langs de buigende waterlelies en trekken strepen over het water, en op den kalen oever zeulen magere, kleine paarden ze voort, langzaam en voorzichtig door het groene polderland. Links en rechts strekt dat zich onafzienbaar ver uit, zeeën van groen vormend, waar het eenig teeken van menschenleven gegeven wordt door de molens met hun wijde wiekenvluchten, als spoken ijlend door de lucht. Zij knikken den reiziger toe, al springend en huppelend in een rhythme als van den dans. Ernstig loopen koeien en ossen van bruine kleuren door de velden en scheren de malsche grassen af, terwijl door het water van de vaarten de schuiten gevolgd worden door een stoet van eenden. [49]


Grazende schapen aan ’t kanaal.

Holland is het land, waar het allerminst geluiden worden gehoord, want alles glijdt er over ’t water.

Er bestaan booten voor iedere soort van transport, dus ook voor passagiers. Dat zijn kleine stoombooten, met hutten en dekken, die zonder eenigen schok voortglijden door de kronkelende wateren.


In postuur naast zijn paard.

Als de reis lang is, richt ieder zich in als thuis, zit te rooken of zet zijn werk voort, als om zuinig te zijn met de stof, waaruit het leven is gemaakt. Er wordt geschreven, gegeten, geslapen. De vrouwen naaien, breien, vertrouwen elkander geheimen toe. Van die haven tot die gindsche ligt voor haar de lengte van een halve kous, van een boezelaar of een intiem verhaal.

Men vaart langs een eentonig landschap, dat is waar; maar hoe rustig en verkwikkend is het niet, in die algemeene stilte den vorm der wolken na te gaan en het oor te luisteren te leggen naar ’t geschuifel van het water, als het door het bootje wordt gekliefd! Dit is een feest der diepe gewaarwordingen, feest van vloeiend water en nevel, van ’t koeltje en het licht en de golfjes!

De minste afwisseling krijgt dadelijk een wonderlijk groote beteekenis, en men gaat een molen bewonderen, die er wat sierlijk uitziet, of een roode boerderij, een vreedzaam rund, een jongen, die voorover buigt, om zijn bootje voort te trekken met behulp van zijn hond.

In ’t voorjaar en den zomer geven waterlelies en irissen witte en gele tinten aan het blauwgroen water van den kant der kanalen, en in de schemering werpt de zonsondergang van mooie avonden er het geheele gamma van zijn kleuren neer, en men krijgt de illusie, over goud, purper en saffier te varen. Wie Holland wil leeren kennen, moet per boot reizen liever dan per spoorweg. Het aanleggen bij de verschillende landingsplaatsen brengt den reiziger tot in het hart van ’t hollandsche land en laat indrukken na, die een vreugde zijn voor langen tijd. [50]

Trouwens die methode van vervoer beantwoordt zoo uitstekend aan de natuur van het land, dat zij de eenig mogelijke schijnt te zijn. De meeste diensten, die elders per wagen worden verricht, gaan hier door middel van booten. De groenteboer duwt zijn schuit voort, beladen met groenten, vrachten of bloemen, zooals hij in Frankrijk zijn ezeltje of zijn karretje leidt.

Te Amsterdam hebben de verhuizingen te water plaats; melk, bloemen, hout enz. worden eveneens zoo vervoerd en aan de eene gracht heeft men de markt voor het eene, aan de andere gracht die voor het andere product.

Nadat hij het water heeft teruggedreven, weggejaagd en met dijken beteugeld, houdt de Hollander ervan, het overal heen te voeren; hij leidt het door zijkanalen en slooten, maakt er de afsluiting zijner landerijen en weiden van, de barrières voor zijn kudden, zonder dat hij honden of herders noodig heeft.

Er wordt alleen een uitzondering gemaakt voor de schapen, die dwaze viervoeters, die verdrinken zouden zonder opzet, doordat ze met hun neus al te ijverig den weidegrond besnuffelden. Men komt ze soms tegen langs de vaarten, ijverig grazend, gehoed door hun eigenaar in een rossige overjas.

Te Wemeldinge, ten zuiden van Goes, vindt men zulke tooneeltjes ook, getuige dit haastige schetsje, dat mij een mijner meest typisch hollandsche gewaarwordingen gaf: een avondhemel van lichtgrijze kleur, een geelachtig kanaal, een langzame schuit, stijve molens, bruine polder, witte beesten met zachte omlijning, oude man in gedachten, stilte.... Zelfs de hond blaft niet, als een schaap den verkeerden kant uitgaat, maar bepaalt er zich toe, zijn snuit tusschen de pooten van de afgedwaalde te steken.

Wemeldinge is een oud plaatsje, vooruitgeschoven sluizenpost in de wateren. Ik kwam er op een regenachtigen morgen aan, toen de hemel in toorn zijn ganschen watervoorraad uitgestort had. Ik had Zoutelande verlaten, om mij naar Westkapelle te begeven, waar de beroemde westkappelsche zeedijk is, alleen te vergelijken bij die van dichtbij den Helder. Die dijk, verscheiden duizenden meters lang, uit enorme steenen en stevige palen bestaande, stelt een verbazende hoeveelheid arbeid voor, wanneer men bedenkt, dat er noch steengroeven, noch wouden in de buurt zijn. Een kolossale molen steekt er boven uit, niet ver van de huizen met roode daken. Dat alles ziet er niet juist treffend uit, doet ten minste niet bij den eersten aanblik verbaasd staan. De natuur verzacht ook een beetje het bewijs der menschelijke energie, door elk open plekje met gras te bekleeden; maar zij kan de zee niet beletten, er onophoudelijk tegen aan te slaan, en als men zich keert naar de vlakte, krijgt men een indruk van wat de zee heeft moeten afstaan.

Van Westkapelle naar Veere is niet ver, langs een goed onderhouden weg. Te Veere is een oud kasteel in een hotel veranderd, onmiddellijk aan het water gelegen. Een ronde toren is het eigenlijke hoofdblok van het huis en dient als gezelschapszaal op de eerste verdieping. Hooge vensters met diepe vensterbanken bieden een goede zitplaats, om den strijd gade te slaan van de zonnestralen tegen de nevels en de wolken en de schaduwen.

Bij het vallen van den avond vallen er subtiele, teedere kleuren in de ruimte neer, en mooie lichteffecten worden verkregen; als dan de avond en de nacht daar zijn, dansen overal op het water de lichtjes en de vuren, teekenen zich eerst onduidelijk af, komen naderbij, worden rooder, verdwijnen weer. Men hoort geen roeiriemen plassen, noch geklepper van zeilen of liedjes van scheepsjongens, en ’t is, of het spookschepen zijn, die schatten van de diepten zoeken.

Te Veere nam ik den volgenden dag een vroege boot en voer naar Zierikzee in een fijnen regen, wanhopig eentonig, een hollandschen regen, die echter spoedig overging in dikke pijlvormige stralen, met woeste vaart uit den hooge naar beneden schietend.

Ineengedoken in mijn regenmantel, onderging ik op stoïcijnsche manier den storm, kijkend naar de wagens, die weggezakt waren in den weeken grond der velden en nu en dan omhoog gehaald werden door de krachtige inspanning van paardenheupen en pooten, met vet slib bezoedeld.

Maar ten slotte werd het toch weer helder; ik besteeg mijn fiets en rolde door het land, overal rondkijkend en tegen den wind in trappend.

Ik legde vele kilometers af, reed over ophaalbruggen en dammen, langs weiden en stukken bouwland, door dorpen, die alle aan elkaar gelijk waren, en kwam te Wemeldinge op den tijd toen mijn maag luide riep om nieuwen voorraad.

Wemeldinge heeft een hoofdstraat, beplant met geschoren olmen. Geleid door een klein meisje, kwam ik al gauw in ’t eenige logement der plaats.

De waard, een groote, magere man met een profiel voor een medaille, ontving mij vriendelijk. Hij waarschuwde zijn vrouw. Deze was niet bij machte mij te begrijpen en riep haar dochters. Vijf jonge, frissche deerntjes, lachend en rose en mooi, kwamen te voorschijn en stonden met haar bloote armen en haar gevleugelde mutsen om mij heen. Ik nam een blad papier en teekende een koe, toen een brood, een karn en andere ingrediënten, die als symbolen konden dienen van voedsel, dat ik wenschte te verorberen. Zij vouwden de handen, lachten zeer luid en spraken allen tegelijk onder druk bewegen van haar kleine handen, om mij een massa geheimen te onthullen.

Ik haalde mijn woordenboek voor den dag. Dat wekte sensatie.

“Lief boerin ... aardige meisjes...”

Zij dansten van pret. De moeder liet ze op een rij staan, telde ze met den voorvinger en klopte zichzelve op de borst.

“Ik heb ze het leven gegeven.”

“Mijn compliment... Bekoorlijk... Ik heb zoo’n honger!”

Nu haastten zij zich. Eén bracht melk, een ander roastbeef, een derde brood, een vierde kaas. De vijfde, die heel mooi was, een Martha gelijk, bleef stil bij mij en hielp mij den weg vinden in het labyrinth van mijn zinnetjes, die zulk duister Nederlandsch bleken te zijn.

Als een pacha ging ik aan de tafel zitten, bediend [51] door de bekoorlijke schoonen, wier rustige gratie en frischheid mij kalm stemden. Ik verscheurde het taaie vleesch met mijn tanden en verslond met mijn oogen de aardige tronies. Inderdaad ben ik nooit het voorwerp geweest van zooveel attenties, zelfs niet in mijn vaderland, waar de jonge meisjes toch heel lief zijn.

Toen ik verzadigd was, stak ik een sigaret aan en beloofde den jongen dames waar te zeggen. Het was vermakelijk. Zij kwamen dicht bij mij staan, terwijl ik met gefronste wenkbrauwen als een wijze sybille de lijnen van haar handjes bestudeerde.

Daarop wilde ik weten, hoe oud ze waren. De handjes gingen omhoog en als kleine kinderen, die op de vingertjes optellen, rekenden zij de lentes na, die ze achter zich hadden.

Ik vroeg ze, mij een hollandsch liedje voor te zingen. Ze vatten elkander om het middel, traden terug tot achter in de kamer en liepen naar mij toe onder het zingen van een airtje, tra la la.... Toen bukten ze allen en lachten, dat ze schaterden, om daarna haastig weg te loopen. De vader, die tusschen zijn glazen en blaadjes kalm zijn pijpje zat te rooken, lachte mee.


Groote molen op den dijk te Wemeldinge.

“Waar zijn zij heen?” vroeg ik in armzalig Duitsch.

“Naar boven,” zei hij, wijzend naar ’t plafond.

“Ik wou haar portret wel maken.”

“Wacht een oogenblik.”

Beneden aan de trap wezen vijf paar zwarte pantoffeltjes, met kralen versierd, op een overhaaste vlucht. Hoewel ik er lust toe gevoelde, durfde ik niet naar den harem opstijgen; dus vergenoegde ik mij met wachten en een sigaartje te rooken.

Een kwartier ging aldus voorbij; daarna hoorde ik achter de deur een onderdrukt geluid. Ik deed de deur open. De oudste drie stonden daar, uitgedost in de beste spullen.

“En de beide anderen?”

Zij schudden het hoofd, wezen op haar kapsel, haalden de schouders op, en ik meende uit de bewegingen te moeten opmaken, dat een aanleiding van coquetten aard ze belette, naar beneden te komen.

“Maar wij zijn er, wij!” beduidden ze mij.

Ik volgde de meisjes in den tuin, waar een groen hek dien afsloot, begroeid met klimrozen en loopend langs een wegje. De zon scheurde bij tusschenpoozen de zware wolken, die in troepen langs den hemel draafden, en verlichtte dan plotseling den violetten horizon met een geelachtig schijnsel; maar de mutsjes met de ronde vleugels vulden voor mij de gansche ruimte, zooals ze daar boven de levendige oogen een geheimzinnige taal spraken. De jonge meisjes lachten en lieten de armen hangen. Ik nam ze om beurten bij de pink en bracht ze naar het hekje, waar ik tegen leunde, om haar in oud Fransch een fijn complimentje te maken, waarvan zij enkel den klank begrepen; maar die was aangenaam, want het was dit versje van Ronsard:

“Donc, si vous me croyez, mignonnes,

Tandis que votre âge fleuronne

En sa plus fraiche nouveauté,

Cueillez, cueillez votre jeunesse;

Comme à cette fleur la vieillesse

Fera ternir votre beauté.”

Toen zette ik de drie gezichtjes door mijn voorbeeld in de gewenschte plooi van ernstige vriendelijkheid, en ik ging wandelen, na even mijn vinger gelegd te hebben op de gouden vlindertjes bij haar voorhoofd.

Ik liep langs het groote kanaal. De sluizen, die ieder oogenblik opengaan, lieten langzame schepen door, die, met de zeilen geheschen, zich verwijderden in de groene omgeving tegen den bewegelijken achtergrond der lucht, waar zware wolken voortjoegen. Wagens waren in de buurt bezig hoopen beetwortelen af te laden. Een oude man hoedde de schapen op de hellingen van den wal. En overal stilte, altijd stilte ... toen weer avond.

In de biljardkamer zie ik mij vervolgens, passend bij de omgeving, gezeten in een hoek en sigaretten rookend met tegenover mij twee van mijn jonge meisjes, die met droge tikjes aan het breien zijn. [52] Wij lachen nu en dan tegen elkander met in onze oogen werelden van onuitgesproken dingen. Ik geniet van de witheid harer aardige huiven, van de blankheid van haar teint, de lenigheid harer bloote armen, mooi uitkomend tegen ’t zwart fluweel der korte mouwtjes. En die stomme flirt in het koffiehuis van het verloren dorp bij den rook van sigaren en de schokjes van de biljardballen, bewogen door ernstige spelers, bij de kolossale glazen bier en de verbleekte chromo’s aan de muren, wekt allerlei illusies in mijn geest.

Ik denk, dat ik een der boeren ben, en dat ik hier in huis aan de tafel zit, om mijn hof te maken aan Reneetje Korstanje, dochter van Frans Korstanje, waard te Wemeldinge. Reneetje is met de laatste kermis zestien jaar geweest, en ik heb haar onder de anderen uitverkoren om haar oogen, die een gouden glans bezitten. Ik heb haar te dansen gevraagd, heb haar poffertjes laten eten, en aan haar pink heb ik een zilveren ringetje laten glijden, uit de schatten van een marskramer opgezocht. Den volgenden dag ben ik aan ’t venster komen kloppen, en ik heb mijn eerlijke bedoelingen aan den vader blootgelegd. De oudere zusters zijn een beetje jaloersch geweest, want zij wachten met ongeduld, dat voor haar de tijd van trouwen komt; maar ’t zijn goede kinderen, en ze hebben vriendelijk tegen mij gelachen, nauwkeurig lettend op mijn manieren, om te zien hoe een minnaar doet.


Westkappelsche Zeedijk.

Ik ben in het bezit van drie schuiten, en ik vaar van Goes en de andere plaatsen van de eilanden naar Rotterdam. Ik passeer alle twee of drie dagen Wemeldinge, en dat zal heel gemakkelijk zijn, want ik zal daar dan een mooi huishoudstertje op mij vinden wachten. De bruiloft moet binnen een maand gevierd worden; er zal een groot feest zijn; we zullen violen hebben en lange linten, jenever, rundvleesch en zwart bier.

Reneetje zit nog altijd te breien. In Holland breit men niet, als in Frankrijk, met de punten der vingers. De breisters hebben in de ceintuur een scheede van gesneden hout; ze steken daar een naald in en de wol wordt tot breisteken met een verbazingwekkende snelheid, begeleid door een aanhoudend gegons.... Reneetje breit. Ik schets haar portret. Zij houdt nu en dan even op, om haar vingers rust te geven, en ziet met open blik zonder schroomvalligheid of brutaliteit naar den franschen meneer, wiens baard veel indruk op haar maakt.

De oudste, een mooie blondine, komt binnen en wenkt mij, haar te volgen. Zij brengt mij naar een zaal en wijst naar de tafel, waar vijf porseleinen dekschalen op staan met melk en thee en boter.

Ik licht bevend die bedriegelijke deksels op en word bijna flauw van de geparfumeerde geuren, die opstijgen van de voor mij bereide gerechten. Maar ik moet dapper zijn, want elk oogenblik gaat de deur half open, en een der vijf gezichtjes komt eens kijken naar wat ik doe. Ik voel mij door blikken omringd.... Ze kijken stellig door het sleutelgat, door het venster en glinsteren, om mij te dwingen, die dingen daar in te slikken. Ik tracht mij te onderwerpen; maar ik stik bijna en bepaal er mij toe den biefstuk te eten, het gekookte vleesch en ’t brood, die alle redelijk smaken.


Kleine klompenjongetjes in Volendam.

[54]

De avond gaat om met langzamen tred. Een jonge onderwijzer, die brokjes kent van Fransch, Engelsch en Duitsch, heeft met mij gepraat over zijn toekomstplannen, zijn vrije gedachte en zijn familie. Om elf uur gaan de klanten opstaan en vertrekken. Alleen een kleine, ronde, oude man, wiens ambitie bij ’t biljarten ik had opgemerkt, bleef zitten en snorkte kalm.


Oolijke Volendamsche deerntjes.

De herbergier schudt hem heen en weer; verloren moeite. Men schreeuwt hem iets in ’t oor; hij beweegt niet. Men zet hem overeind; hij slaat zijn zware oogleden op en is op ’t punt te vallen. Hij wordt naar de deur geloodst; maar hij doet drie schreden, om dan op den vloer te vallen als een lijk. Zijn witte schedel met enkele gele lokken dreunt dof op den grond, en hij blijft liggen, weer in slaap vallend....

De vijf boerinnetjes zijn doodverschrikt en vouwen de handen. De vader, die het lastig vindt om de politie, gooit water in het bleeke gezicht van den dronken man, terwijl de moeder mij geschiedenissen vertelt, die zeker wel interessant zijn, maar waarvan ik geen woord begrijp.

Daarom neemt de waard een heldhaftig besluit; hij vat de beenen van den oude, wijst mij het hoofd, en samen hijschen we hem op het biljard, waar hij lekker blijft doorslapen, als lag hij in een veêren bed. Buiten valt de regen met zacht geluid. Daar wordt kort op de deur geklopt. Een stem vraagt iets. Er wordt open gedaan. Een jonge boer met het ronde hoedje en het vest met metalen knoopen, komt binnen. Het oudste meisje keert zich blozend om. Hij kijkt naar zijn oom, want hij is, schijnt het, een neef, die zoo twee van de drie avonden den dronken man komt halen. Hij schudt meewarig het hoofd, neemt hem op zijn schouders en gaat heen, begeleid door een straal van licht, die uit het koffiehuis over den weg valt onder de ronde, geschoren olmen naar de donkerheid, het water, de zee, het onbekende. En ieder volgt in stilte de schreden van den jongen man, den schutsengel, die den als dooden grijsaard meevoert.

Den volgenden morgen ging ik, na een ruime uitdeeling van handdrukken aan het geheele huishouden en slechts eenige guldens armer, aan boord van de eerste stoomboot en voer over de kronkelende kanalen tusschen molens, weiden en dijken naar Noord-Holland.

Die stoomboot zag er verbazend huiselijk uit, en ik voelde, toen ik mijn voet op het dek zette, dat ik er zou kunnen slapen, zooveel ik wilde, zonder te worden gestoord. De kapitein, een droog en ernstig heer, stelde mij voor om naar beneden te gaan, daar het boven koud en winderig was. Zijn vrouw, een jonge blondine met blauwe oogen, die er met haar krulletjes en een kleine rose boezelaar kinderlijk uitzag, zat er en streelde een dikke poes. Zij stond op bij een teeken van haar man en trad een klein keukentje binnen, achter een schot verborgen, bracht ververschingen en terwijl de rook der sigaretten haar blauwe oogen verzachtte, er iets wazigs aan bijzette, zooals de ziel is van haar volk, liet ik mij zachtjes door het bootje schommelen.

Des avonds, toen de lichten werden aangestoken, verschenen dokken en bruggen en vele masten van schepen; klokkenspel weerklonk, en het stoombootje gleed als een vlindertje tusschen reuzengevaarten Rotterdam binnen bij het slaperig geluid van de stoomfluit....

IV

De hollandsche visscher.—Volendam.—De wasch.—De kinderen.—De eenden.—De haringvangst.—De zoon van den visscher.—Een zonderling eiland: Marken.—Te midden van het water.—De huizen.—De zeden.—De jonge meisjes.—Vooruitzichten.—De turf en de veenderijen.—Nationaal product.—Hoogveen en laagveen.—Plaatselijke steenkool.

Als men visschers wil vinden, moet men ze niet in Zeeland zoeken, ondanks de drukte in Vlissingen. Men neme liever de boot, doe Kortgene, Stavenisse en Zierikzee aan en ga van Rotterdam over den Haag, Haarlem en Amsterdam, kalmpjes naar Volendam aan het strand der Zuiderzee; dat is de goede manier.

Volendam is langs den straatweg 16 K.M. van Amsterdam verwijderd. Het is een punt van bijeenkomst van schilders uit alle landen, die zich van het havenstadje hebben meester gemaakt, om er hun kunstproducten aan te ontleenen.

De kleederdrachten, de menschen en de huizen zijn alle geschikt om een kunstenaarsoog, dat het schilderachtige liefheeft, te boeien.

De huizen, die door elkander gebouwd zijn langs de pier, omgeven meertjes en binnenzeeën, kanalen, plassen en slooten, waar ze hun steunpilaren in drijven. Door het vettige water, zwaar en vuil van afval en allerlei ander ontuig, duikelen luidruchtige, onbeschaamde, vraatzuchtige eenden; zij proesten en snuiven, zonder zich te storen aan de schuiten en en bootjes, waarmee de kooplieden de nabijzijnde dorpen bezoeken.

In de verte is de grijze, vlakke, nevelige horizon versierd met molens, die hun vluggewiekte kruisen zwaaien, en met zilveren linten van kanalen.

Op waschdagen wapperen linnengoed en veelkleurige bovenkleêren overal in den wind; de huizen zijn er mee gedrapeerd, reeksen palen behangt men er mee, en alles bolt en klatert, alsof het vlaggen waren.

Volendam is eerst echt Volendam bij stormachtige lucht en op waschdag. Ieder is buiten. In tegenstelling met gewone steden, waar men alleen bij noodzaak uitgaat, wordt er hier met pleizier gewandeld, zooals in alle visschersplaatsen. Er wordt namelijk door de mannen tusschen twee vischperioden het gemakkelijke, kalme leven geleid van een solied rentenier. Ze zitten te praten of loopen op klompen rond, slap en lui, tot de klok van den afslag hen roept en, als het ware, verzamelen blaast.

In zijn buitensporig wijde broek, zijn buis en das en bontmuts, heeft de visscher uit Volendam iets aparts, dat niet te beschrijven is. Hij heeft iets van een Rus, een Laplander en een Mongool, maar toont zich Hollander door de duizenderlei kleine eigenaardigheden van zijn houding en bewegingen en woorden.

Buiten de tijden, waarop hij op de Zuiderzee zwalkt, met zijn netten werkend in de nog al kalme golven, is er weinig verscheidenheid in zijn werk. Zijn langzaamheid is een gewoonte. Hij flaneert altijd; dat zegt alles. Hij heeft niet, als menschen uit [55] andere deelen van het land, kleine zorgen voor zijn tuintje, voor den oogst of voor zijn industrie, en de vrouwen kunnen het huiswerk best af.

Hij flaneert dus maar, of maakt zonder haast zijn aas voor ’t visschen in orde en zijn netten; hij hurkt in de zon neer met zijn vrienden, om welbehagelijk te rooken, of zit met zijn massieve zwaarte op de steenen pieren en zware houten beschoeiingen, die over de zee zijn uitgebouwd door zijn gestorven voorvaderen.


Meisjes en mutsjes van Volendam.

Toch is hij bezig, maar in volslagen kalmte en geniet genoegelijk de rust der stille uren.

Dit schetsje symboliseert hem: Op een achtergrond van vastgemeerde booten en een golvende deining, waar de wolken zich in spiegelen, laat Frans, liggend op den achtersteven van zijn boot, zich zachtjes wiegelen als een kindje, wachtend, tot men hem manden brengt, om de zilverkleurige visch in te bergen, die schittert in het ruim van zijn schuit.... Met de handen in zijn zakken, de pijp in den mond, rust hij daar uitstekend, en men weet niet vooruit, wanneer die zoete kalmte een eind zal nemen.

Enkele zeelui echter—maar er zijn niet vele zoo—zijn wat actiever, laten groenten en andere levensmiddelen uit de naburige stad komen en schuiven kalmpjes hun handkarren voort, die er mee beladen zijn, en waarmee ze bij de huizen venten.

Kinderen loopen in troepjes rond, met veel drukte van klompengeklots, maar zonder roepen of schreeuwen, net als in Zeeland. De kleine meisjes dragen het kanten mutsje van den eigenaardigen om het hoofd sluitenden vorm, de jongetjes dragen, evenals hun vaders, een wijde broek, kort buis en bonten muts.

Het is wezenlijk een genot voor de oogen. Als zij in een lange rij dansen over de planken van de pier of vroolijk huppelen met de ronde, tevreden gezichtjes, moet men op mijn woord wel belang in hen stellen, en men krijgt grooten lust ze mee te nemen, die aapjes van Volendam, om ze in zijn [56] vaderland eens te laten zien als zeldzaamheden van waarde.

Er zijn verrukkelijke paartjes, precies gelijkend op personnages van oude schilderijen, die ons doen glimlachen, omdat er zooveel goed humeur en vroolijkheid van hen afstralen, zooveel gezondheid ook en gemoedsrust.


Waschdag in Volendam.

De vrouwen zijn zeer druk in beweging in Volendam, drukker dan op andere plaatsen. Zij leven veel minder binnenshuis opgesloten en doen meer mee aan wat buitenshuis geschiedt. Sommigen wasschen het huishoudwaschgoed in zeewater aan den rand der op een rij liggende booten, anderen hangen de stukken uitgespreid op aan lijnen, die daarvoor tusschen palen zijn gespannen, terwijl de wind om haar henen blaast.

Onze fransche visschersvrouwen babbelen, met het breiwerk in de hand, uren aaneen; maar deze vrouwen zijn alleen uit noodzaak buiten. Waar zouden ze ook gaan praten? Aan alle kanten is slechts water, in slooten en plassen en vaarten. Buiten de pier en de beide wegen van Edam en Monnikendam, is alles water of moeras.


Het dorp Volendam.

De eenden, die bij duizenden tusschen houten hekwerk gehouden worden, kwaken onafgebroken. Het plaatselijke leven concentreert zich op de pier, waar de mannen rondloopen bij het gebouw van den vischafslag.

Zijn dit dus de afstammelingen van de beroemde hollandsche zeelieden, die oudtijds de wereld vervulden met den klank van hunne heldendaden, toen zij den bezem voerden in den mast, om de zee schoon te vegen, en die de vloten van Frankrijk en van Engeland konden weerstaan?

Mijn God, ja ze zijn het wel, en hun schijnbare apathie verbergt waarschijnlijk een verrassende wilskracht. Is Nederland niet door hen groot geworden; heeft het aan hen niet zijn bestaan te danken?... Het vlakke, vochtige land had geen koren, geen steenen en geen hout; zij hebben er die noodzakelijke dingen aan geschonken, door er den buit der zee voor in te ruilen. Zij hebben van de zee en haar rijkdommen geprofiteerd en profiteeren er nog van, als van een grooten voorraadsschuur vol geconserveerde levensmiddelen.

Naar den aard der visschen, die in iedere haven het veelvuldigst voorkomen, onderscheidt men verschillende takken van de vischvangst. De haring is door den overvloed, die ervan gevangen wordt, en door zijn goeden naam in het verleden, een echt nationaal product, zoo goed als turf en tulpen. [57]


De vrouwen van Volendam buitenshuis bezig.

De Hollanders onderscheiden drie soorten van haringen, den pekelharing of gekaakte haring (kaken is het opensnijden van den haring met een mes en de visschen dan in lagen leggen, in vaten, op zout); den steurharing, die in den herfst op de kusten van Engeland wordt gevischt, en den panharing of versche haring, dien men in de Zuiderzee vangt en die tot voedsel dient van de armere klassen der bevolking.


Jong moedertje op Marken.

Die laatste categorie is het interessantst, want zij is het groote middel van bestaan voor de visschers van Volendam, van de andere havens der kust en van de bewoners der eilanden Urk en Marken.

De haven van Vlissingen hield zich het eerst met de haringvangst bezig in lang vervlogen tijden, zoo in de buurt van de 12de eeuw. In 1360 vond een man uit Zeeland, genaamd Willem Beukelszoon, de kunst uit van het haringkaken, dus het bereiden van den haring en het bewaren in zout, waardoor hij een grooten stoot gaf aan de plaatselijke industrie. Die ontdekking werd het uitgangspunt voor de ontwikkeling van geheele streken en legde den grond tot dien publieken rijkdom, waardoor de bataafsche natie in staat is gesteld, de enorme belastingen te betalen, noodig geworden door het onderhoud van de werken, tegen de zee opgericht.

Te Hoorn werd in 1416 het eerste groote net gemaakt, waarvan het nut, gevoegd bij dat van het inzouten, tot in ’t oneindige de opbrengst der zee vermeerderde.

Die netten, echte reuzen in hun soort, wekken de gedachte aan de milliarden visschen, eeuwen aan een door de naburige volken verslonden, en men begrijpt, waardoor Holland ondanks de armoede van zijn grond een rijk, soliede en welbehagelijk land heeft kunnen worden.

Er gebeurde bovenmatig veel voor de haringvangst. Geschiedschrijvers zijn er niet over uitgepraat en geven wonderbaarlijke statistieken, volgens welke men moet aannemen, dat het geheele volk zich bezighield met het vangen, zouten en verkoopen van haring.... In verordeningen werd het manna van de zee genoemd het Peru van de Bataafsche Republiek.... Premies tot aanmoediging werden tot aanzienlijke bedragen gegeven aan de Broederschap der Haringvisschers, tot schade van andere takken van vischvangst. Geen ander dan een geboren Hollander mocht zich met het kaken bezighouden.... In ’t kort, de uitvoerigste reglementen beschermden op allerlei manieren deze al te interessante industrie.

De nederlandsche haring trotseerde aldus langen tijd alle vreemde concurrentie en deed meer voor de grootheid van het land dan de beste kanonnen.

Toen volgden de oorlogen van het Rijk. Groot-Brittannië, altijd zoekend naar de beste gelegenheden om handel te drijven, verleende vrijstelling aan de geheele vischvangst, schafte het systeem der premies [58] af en bracht, door den haring voor minder geld te verkoopen, aan den hollandschen handel groot nadeel toe.

In hun weelde als verstijfd, gingen de eigenaars der hollandsche haringbuizen niet met hun tijd mee en zagen langzamerhand hun handel verloopen. De zaken gingen zelfs zoozeer achteruit, dat de regeering op haar beurt de premies moest afschaffen.

Tegenwoordig heeft de haringvangst geen nationale beteekenis meer, en al is zij nog voor den visscher een bron van eerlijke inkomsten, zij is niet meer een voorwerp van algemeene zorg.

De echte haringvisscher brengt zoo weinig mogelijk tijd aan den wal door. De zee is voor hem alles: zijn bruid, zijn vrouw, zijn wieg. Met zijn bijbel en zijn pijp zou hij naar het eind der wereld gaan en weer nieuwe werelden ontdekken, als er nog nieuwe waren. Er werd te Volendam met eerbied gesproken over een zekeren Hans Ouderke, tegen wien men eens in een herberg gezegd had: “Je moest eens naar Indië gaan.” De brave man ging zijn logger de volgende dagen bemannen en ging er heen.... Een anderen keer vond hij den weg naar Californië, zonder andere hulp dan zijn kompas.

Als de visscher niet op den gewonen tijd thuis komt, beschouwt men hem als verloren, en zijn vrouw mag, als er drie jaren zijn voorbij gegaan, een nieuw huwelijk sluiten. Vroeger schreef de wet een tusschentijd van tien jaren voor; maar toen de zedelijkheid daaronder leed, werd de bepaling verzacht.

De zoon van den visscher wordt visscher. Van den leeftijd van vijftien jaar af kent hij volkomen de kunst van ’t ophalen der volle netten, het omgaan met de zeilen en de beheersching van het roer.

Zeer onafhankelijk, zeer godsdienstig en zeer aan oude gewoonten gehecht, volgt hij in alles ’t voorbeeld van zijn vader, die zelf dat van den zijnen volgde. Op zee drinkt hij nooit; aan land drinkt hij betrekkelijk weinig, behalve op de kermisdagen, die echte bacchanaliën met zich brengen. Op die dagen nemen de herbergiers de meubels weg uit hun zalen en laten er enkel een tafel staan en stoelen en banken. Nacht en dag verzonken in een onrustbarende dommeligheid, met tusschenpoozende oogenblikken van groote bewegelijkheid, waarin hij hartstochtelijk aan het dansen deelneemt, gaat de visscher zich in zulke tijden te buiten aan sterken drank en slaap.

Hij trouwt al vroeg.

De kustvischvangst omvat de vangst van versche visch van allerlei soort en die van den haring, bestemd om te worden gerookt.

Een gewone boot voor die vangst kost drie tot vijf duizend gulden. Zij behoort òf aan den visscher zelven òf aan den reeder. De bemanning krijgt een groot net met touwen; het overige moet zij zich zelve aanschaffen en zij moet in haar eigen onderhoud voorzien. De onderhouds- en reparatiekosten van het schip worden gelijk verdeeld; wat boven de klamp is, dat is buiten het water, komt voor rekening van de bemanning en wat onder water is, voor dat van den eigenaar of reeder, op grond van het beginsel, dat het eerste door veronachtzaming kan lijden, en dat het laatste geleidelijk slijt. Voor de zeilen zorgt de eigenaar.

De vangst van versche visch maakt slechts vrij korte tochten noodig. Zoodra ze terug zijn, ontschepen de mannen hun buit en verkoopen dien dadelijk op het strand aan de kooplieden uit de buurt of brengen de vangst naar den vischafslag, als er zulk eene inrichting bestaat. De visch wordt dan naar de naburige steden vervoerd in wagens met sterke honden er voor, die met merkwaardigen ijver hun werk doen. Die ambitie heeft ons wel eens een glimlach ontlokt over de sentimentaliteit van onze landgenooten, die een verbod hebben uitgevaardigd tegen het gebruik van trekhonden.

De vangst van versche visch houdt op met het einde van den zomer en maakt plaats voor de haringvangst tot in December.

Daarna is de tijd der gedwongen werkstaking daar, en daar de visscher zelden zich eenigen welstand heeft kunnen verwerven, ontstaat er groote armoede en ellende, die door de autoriteiten moet worden weggenomen door geregelde ondersteuning.

De Zuiderzee vormt, zooals bekend is, een golf van de Noordzee. De massa harer wateren beslaat een ruimte van 54 vierkante mijlen en bespoelt de provincies Friesland, Gelderland, Utrecht en Noord-Holland, waarvan zij indertijd bij hooge vloeden groote stukken heeft afgeslagen, daarbij op alle kusten dood en vernieling brengend.

In de open zee vormen de eilanden Urk en Marken nog overblijfselen van die verzwolgen landen.

Marken, het grootste, ligt tegenover de stad Monnikendam. In één uur kan men met goeden wind er per boot worden heengebracht.

Dat uur legt vele eeuwen tusschen de bewoners van het eiland en die van het vasteland. Het verschil in kleeding en zeden en gewoonten is zelfs zoo groot bij dien verbazend kleinen afstand, dat men aan verschillende afkomst heeft gedacht. Sommigen beweren, dat de eilandbewoners afstammelingen zijn van de Marsotten, van wie Plinius en Tacitus melding maken. Zij bezetten een stuk gronds dicht bij het meer Flevo. Een overstrooming scheidde dit deel van het vasteland op ’t eind van de 13de eeuw.

De ruimte er tusschen was eerst slechts smal en een gewone houten brug onderhield de gemeenschap; maar langzamerhand vrat de zee meer land weg, meer velden en polders, en de boeren moesten, om te kunnen leven, visschers worden....

Ik nam de boot naar dat eiland tegen vijf uur ’s avonds en voer weg van de aanlegplaats te Monnikendam. Twee jonge knapen met korte, wijde broeken en buizen van een grove stof en ronde hoeden, zijn aan het laden van allerlei eetwaren; zij hebben met hun vader een geregelden dienst tusschen het eiland en den vasten wal in ’t leven geroepen.

Met een voor Hollanders ongewone vlugheid voerden zij de verschillende handgrepen uit voor ’t zeilklaar maken van de boot, heschen het groote, bruine zeil, maakten de touwen in orde, tot eindelijk de schuit bewoog en zich naar de open zee wendde.

De oudste der matrozen had de boom in de hand genomen en stond te duwen, kijkend naar de stad, die achteruit week in het rossige schijnsel.

Er hing een nevel over ’t water, voorbode van de vallende schemering; het klokkenspel in den [59] toren gaf in heldere klanken den tijd aan; daartusschen hoorde ik ’t geklots der golven, door ons scheepje uiteen gedreven, en dit oogenblik had iets geheimzinnig ernstigs, alsof wij naar een onbekend land gingen.


Visscher van Volendam in zijn wijde broek.

Langzamerhand hadden wij niet anders om ons heen dan water en nevels. Een der jongens floot een wijsje. De touwen van den mast knarsten onder den druk van den koelen wind; toen doken schaduwen op, eerst onduidelijk, toen helderder. Het waren puntdaken van huizen en masten, uit zee oprijzend; zonder duinen of rotsen lag Marken daar, als een zeer groot vlot op het water, half ondergedoken.

De boot stopte aan de kade en werd vastgelegd. Ik sprong aan land. Er waren daar twee of drie mannen, gekleed als mijn varensgasten, en jonge meisjes met lange losse haartressen leunden tegen een brug. Een groote stilte heerschte er in het haventje, dat daar lag te midden der bewegelijke zee. Ik moet er wel een zonderlingen indruk hebben gemaakt, zoo weinig was ik in harmonie met die houten huizen, op palen gebouwd, en die zonderlinge menschen.

De meisjes keken mij aan. In de avondschemering hadden haar oogen met de lange wimpers tusschen de hangende krullen langs hun hoofd diepten als van den oceaan, en toen zij ernstig het hoofd bogen bij mijn voorbijgaan, kon ik denken, dat ik zeegodinnen vóór mij had, jonkvrouwen, zoo dikwijls door dichters bezongen. Ik haastte mij, mijn weinige bagage te deponeeren in het eenige logement, en ik stapte de straatjes binnen, met steenen geplaveid, die naar de zeven buurtschappen voeren, kunstmatige hoogten van leem en veen, waar de huizen der bewoners staan.


Volendam. Twee oudjes in het zonnetje.

De zee had, zooals dikwijls gebeurt, den vorigen dag de magere weiden overstroomd, die om de terpen tusschen de lage dijken lagen, zoodat ik aan beide zijden door water was omringd, en de huizen in den echten zin des woords uit het water opstaken zonder eenigen horizon van land. Hoog gras groeide op sommige plaatsen en herbergde kakelende eenden, terwijl de halmen ritselden in den wind en de intense somberheid verhoogden van dat waterland.

Zoo liep ik een uurtje rond, tot het volkomen donker was, en nam die duizenderlei gevoelens in mij op, die het onmogelijk is om weer te geven, gevormd door ’t onverwachte, ’t onbekende, plotselinge kleurnuances, en altijd groetten mij de vrouwen met de diepe oogen, die zonder woorden spraken. Toen keerde ik naar de herberg terug, waar een [60] vroolijke dienstmeid, forsch en in kleurige kleedij, mij een stevig maal voorzette.

Den volgenden dag had het water zich teruggetrokken, en ik kon het eiland bekijken, want het is, in ’t groot beschouwd, één eiland.

De haven is het meest vaste deel van Marken. Overal door steen en hout stevig omringd, liggen er een honderdtal visschersschuiten veilig voor anker.

De huizen, geteerd en met pannen daken, zijn uit planken opgetrokken en staan op een veenbedding. De woningen van binnen te bekijken, behoort tot de werkzaamheden der vreemdelingen. De grootste zindelijkheid heerscht er tot in alle hoekjes; glimmen doet het vaatwerk aan de wanden, en alle koper straalt u tegen als een spiegel. Het is de glorie van ieder huisgezin, en ik zag telkens jonge meisjes mij met den vinger wenken, dat ik de mooie properheid van de woningen zou bewonderen. Die teekens en de glimlachjes, die er bij behoorden, waren, helaas, slechts vermomde verzoeken om geld, en ik moest met mijn bezoeken zuinig zijn, uit vrees van anders al mijn geld er achter te laten.


Aardig, expressief kindertype.

De meeste huizen hebben slechts één vertrek, waar geslapen, gekookt en gewerkt wordt; vele hebben geen plafond en staan rechtstreeks met den zolder in gemeenschap. Ook zijn er, die geen schoorsteen hebben; tegenover het grootste venster ligt een steenen of ijzeren plaat met een rij steenen er omheen; een opening in het dak laat den rook door, die zich over den zolder verspreidt, waar de netten drogen en de voorraad wordt bewaard.

Borden en schotels van oud porselein zijn er in de kleinste woning te vinden. Die smaak voor porselein en kristal, voor gestreepte bedgordijnen en kleurige dekens is een eigenaardige trek in het hollandsch karakter en komt vooral sterk uit op Marken. Hij wijst op de bekrompenheid van het bestaan der bewoners.

De bodem van het eiland is vrij vruchtbare kleigrond. Hij brengt hooi en riet voort, waarvan door de bewoners groote hoeveelheden worden uitgevoerd. Het hooi wordt verkocht en dient voor een deel voor de voeding der weinige koeien van het eiland.

Daar de putten van Marken slechts zoutig water leveren, zijn de bewoners genoodzaakt, regenwater te gebruiken, om hun beesten mee te drenken en hun eigen voedsel te bereiden.

Ze zijn zeer onontwikkeld in maatschappelijke aangelegenheden. Zij leven van vischvangst en brengen het overige van den tijd door met onbeduidende werkjes, die alleen voor henzelven van belang zijn. Ze hebben in ’t geheel geen handel; aardappels, groenten, kruidenierswaren, turf, drank, alles wordt hun uit Monnikendam gebracht of uit Hoorn of Amsterdam.

De bewoners van Marken trouwen altijd onder elkander. Er wordt verteld, dat ze vroeger bij gebrek aan vrouwen eens hun booten bewapenden en een razzia hielden, om vrouwen uit Edam te halen, maar die geschiedenis is niet te bewijzen.

Gewoonlijk trouwt men tusschen het vier-en-twintigste en het acht-en-twintigste jaar, en er wordt gelet op overeenkomst in leeftijd en neiging.

Over ’t algemeen zijn de meisjes lomp en ruw; maar er zijn wel aankomende deerntjes, die iets expressiefs hebben en door hun half wilde gratie de leelijkheid der anderen doen vergeten. Timide zijn ze niet en lachen doen ze graag.

Op mijn wandelingen kwamen ze in hun bonte kleeding dikwijls om mij heen staan, ze drongen mij tegen een muur en hielden mij met uitgestrekte armen tegen, of stelden mij, terwijl haar krullen tegen mij aanwoeien, allerlei vragen, die ik niet verstond, maar die zeker grappig waren, want ze lieten haar tanden zien en lachten vroolijk. Ik gaf in het Engelsch antwoord of in ’t Duitsch en ’t Arabisch en kneep haar in de armen. Toen ik even de kin van een meisje in de hand had genomen, begonnen twee anderen verbaasd te gillen en riepen een paar huismoeders te hulp. Toen omhelsde ik het kind bij verrassing. Nooit heb ik zulk een gekrijsch gehoord. Zij stonden om mij heen, zwaaiden met de bloote armen, de lange lokken in den wind, de japonnen wijd uitslaande, den hemel tot getuige roepend bij mijn onbeschaamdheid. De omhelsde vooral zette woedende oogen op; deze brutaliteit riep om een voorbeeldige straf voor den misdadiger, een bliksemslag bij voorbeeld of een verzinking in den grond.


Eene nauwlettende waschvrouw.

[62]

Daarom klom ik op een vat en sprak ze aldus aan:

“Vrouwen van Marken,” riep ik, “ik ben hier gekomen, om uwe gastvrijheid in te roepen. Mijn hoedanigheid van vreemdeling geeft mij dus het recht, te proeven van uwe vruchten, ook van de perziken uwer wangen.... Ik verzoek stilte en beloof, u presentjes te zullen geven ... boem, boem, boem!”

“Boem, boem!” herhaalden de geestdriftige jonge meisjes, zonder dat ze een woord verstaan hadden.

Daar zij mij nog altijd tegenhielden, begreep ik wel, dat ze tolgeld wenschten te ontvangen; maar ik zwaaide mijn camera op de manier van een tomahawk, uitte een gil en sprong op den dijk. Daar richtte ik het instrument, en de menigte zette het op een loopen als haringen, door de haringbuizen achtervolgd, behalve de drie jonge kinderen, die bleven en die in stijve houdingen door mij zouden gekiekt worden.

“Ik zie, jonge meisjes,” ging ik voort, genietend van de heerlijkheid, te kunnen praten zonder te worden verstaan, “ik zie, dat mijn edelmoedig aanbod welwillend is ontvangen. Sla dus uw oogen op mij en gun mij glimlachjes.”

Toen ik met centen geschud had in mijn zak, spitsten zij de ooren, gingen met mij in den zonneschijn en ik legde voor de toekomst haar vreemde trekken vast, waarna ik haar een handvol centen gaf en zij verheugd verdwenen.

Soms zijn de kleine meisjes heel aardig. Als ze naar school gaan met jongens, de kleurige pakjes boven de polders vertoonend als in een groen décor, arm in arm voortstappend, krijgt men er pleizier in, zooals voor een schilderij vol frissche kleuren en prettige gezichten. Sommigen dragen in plaats van rokjes de wijde broeken van de broertjes, wat ze er kluchtig doet uitzien.

Op bruiloften, verlovingsfeesten en kermissen ziet men een kleurenrijkdom als nergens elders. Alle tinten uit een kleurendoos voor waterverfteekening zijn uitgestrooid over de jurken, de mutsen en de boezelaars, en men knipt met de oogen, zonder te weten waar men ze rust zal geven.

Maar die dagen zijn uitzonderingen. Gewoonlijk is het op het eiland nog al somber, en het leven vloeit er voort bij peuterigen arbeid, die altijd eender is.

De mannen visschen of halen de ponten of schuiten binnen met turf en proviand, boeten de netten, schilderen hun muren over, terwijl de vrouwen het huis schoonhouden, linnen wasschen, met de kleine kinderen buiten wandelen of aan het lossen van de booten helpen.

Langs de vaarten ziet men ze soms rustig voortglijden, in booten gezeten, waar ze dan even uitstappen, om telkens de ophaalbruggen op te lichten, die bij de overgangen en kruisingen van wegen over ’t water liggen.

In den winter staat de helft van het eiland onder water, en de menschen gaan in booten naar elkander toe, bezoeken op die manier de kerk en de school, en worden per boot begraven. Het kerkhof ligt op de hoogste werf of terp van het eiland.

Men vraagt zich wel eens af, waarom toch de dijken zoo laag zijn; als men ze ophoogde, zou men die lastige overstroomingen vermijden. Maar kenners beweren, dat de grond, die niet heel vast is, geen zwaardere belasting dragen kan.

De gewoonte is een tweede natuur. Als men van de Markers ging vertellen, dat zij er slecht aan toe zijn, zou dat verloren moeite zijn. Zij voelen er zich op hun gemak; zooveel te beter.

Bij den toeloop van toeristen, die in den laatsten tijd al grooter en grooter wordt, vooral in den zomer, beginnen zij zich als merkwaardige curiositeiten te beschouwen en droomen misschien den uitlokkenden droom van geheel onderhouden en verzorgd te worden door de penningen der vreemdelingen. Zij verkoopen hun kleêren al, en het zal wel niet lang duren, of ze verruilen ze tegen hoeden en moderne broeken....

Het eiland Marken zal zijn bescheiden plaatsje wel blijven innemen tegenover het vasteland; zijn huizen, in het zoute water staande; zijn steenen straatjes in den mist; zijn hoogste punt, waar de dooden rusten, en zijn vier gehoornde beesten, wadend door den sponsachtigen grond ... tenzij op een dag, gelijk aan dien, waarop de Zuiderzee ontstond, het ook op zijn beurt worde weggevaagd, verzwolgen in den storm en neergelegd op den bodem van de Zuiderzee.

Zoo’n einde zou voor zulk een plekje uit het verleden, dat onder de modernen is verzeild geraakt, een natuurlijk en passend slot zijn, en men zou dan mogelijk een verklaring hebben van die zonderlinge aantrekkingskracht, die de oogen der meisjes van Marken bezitten des avonds, wanneer zij het hoofd buigen en den vinger waarschuwend opheffen, als spoken uit een wereld, die reeds afgedaan heeft, opgestaan uit hun graven, om u een groet te brengen....

De Hollander heeft ongetwijfeld minder verbeeldingskracht dan de Franschman. Hij is realist in den echten zin des woords en rekent in plaats van te droomen. Zoo denkt hij er niet aan, dat met de turf die hij dagelijks uit het water haalt, hij ook de overblijfselen van zijn bloedverwanten en vrienden opneemt, om aan hen de warmte te ontleenen, die ze bij hun leven hadden. Hij vindt de turf een geschikte brandstof, gebruikt die en heeft daar gelijk in, zooals hij ook, in tegenstelling met onze soms onverstandige gevoeligheid, zijn honden gebruikt voor het trekken van geriefelijke karretjes.

Van Holland spreken zonder het over de turf te hebben, zou zijn een der eigenaardigste karaktertrekken van het land over ’t hoofd te zien.

Uit geologisch oogpunt is de bodem zeer arm; hij bevat geen steenkool, noch ijzer, noch andere mineralen. Bosschen zijn er weinig en men moest, om dijken en huizen te bouwen, zijn toevlucht nemen tot pijnboomen uit Noorwegen en tot duitsche boomen, langs den Rijn aangevoerd.

Men kon er niet aan denken, dat hout te gebruiken als brandstof; dat zou te schadelijk zijn geweest. Daarom ging men het veen gebruiken, na er turf van te hebben gemaakt.

Veen is een soort van zachte, zwartachtige aarde, die men aantreft onder lagen leem of zand, ’t zij bij den aanleg van kanalen, ’t zij bij het bouwen der huizen. Op enkele plaatsen blijkt de aanwezigheid [63] van veen door den onvasten toestand van den grond. De veerkrachtige bodem, opgezwollen en verzadigd van water, buigt door onder den voet en herstelt zich dadelijk weer. Dan zeggen de menschen: “Hier zit veen in den grond.”

De opgraving van het veen is een kunst, die al sinds overoude tijden bekend is. Plinius en Tacitus gewagen ervan, de eene met een zucht, omdat een volk genoodzaakt is zijn eigen land te verbranden, de tweede met bewondering voor zooveel snuggerheid.

De veengraverij verschaft werk aan duizenden individuen. Het is een brandstof van niet heel veel beteekenis, donker en lastig in ’t gebruik; daarbij verkoolt ze meer, dan dat ze vlamt en brengt zwaren rook voort.

Veen wordt zoo wat overal in Holland aangetroffen. Men behoeft maar een weinig te graven om het te ontdekken.

Als de eigenaar van een stuk grond besloten heeft, zijn akker tot een veld van exploitatie te maken, laat hij parallelle insnijdingen maken om de aarde te ontlasten van het water, waarmee zij gedrenkt is. Die slooten, die eerst ondiep zijn, worden dieper en dieper gemaakt, tot het water er uit is.

Er zijn zes à acht jaren noodig om het land droog te leggen en het water met slooten en sluizen te leiden naar het toekomstige kanaal.

Daarna gaat men het veen te lijf met daarvoor bestemde schoppen, snijdt het in brokken, die men als steenen laat drogen en die op elkaar gestapeld worden en gedroogd in den wind.


Fleurig stappende meisjes.

Niet zelden vindt men in de veenlagen, diep in den grond, boomen, die goed geconserveerd zijn, overblijfselen van oude bosschen, door overstroomingen of hooge vloeden verwoest. Ze worden gebruikt voor wat ze waard zijn, meestal als brandstof, soms ook voor fundeeringen.

De lagen aarde, die den veengrond bedekten, worden op het land teruggebracht, vlak uitgespreid en leveren den bebouwbaren grond, waarop aardappelen en koren zullen worden verbouwd.

Zoo gaat het bij de hooge venen. In de lage venen gaat alles gauwer, en men behoeft zich daar geen moeite te geven, het land eerst te draineeren. Men tast direct den grond aan. Als gras en leem eerst zijn verwijderd, dus als twee of drie voet van den bouwgrond zijn afgegraven, legt men de veenlaag bloot, die doortrokken is met water, een soort van vette brij. De arbeiders, met groote laarzen aan, scheppen dan de toekomstige brandstof zoo maar op en plonsen die in groote schuiten. Het veen ziet er dan bruin uit, en men herkent er nog wortels in en verrotte takken. Het wordt in groote bakken geschept, gemengd en bewerkt, gestampt met zware stampers of getreden met groote platte trappers, ontdaan van steenen en wortels, gekneed als deeg en te drogen uitgespreid op riet. Als het begint droog te worden, snijdt men het in brokken en stapelt de turf in hoopen op elkaâr.

Drie maanden zijn ongeveer noodig, om de brandstof volkomen droog te maken. Dan wordt de turf in schuiten geladen en naar de verschillende markten gebracht, waar zij koopers vindt.

De hoedanigheid der turf is zeer uiteenloopend. Er is turf met meer of minder houtige bestanddeelen, meer of minder poreus van aard, zwaarder of lichter op ’t gewicht. De huisvrouwen herkennen snel aan de kleur en den vorm de eigenaardige hoedanigheden van de brandstof. Er is een soort, die voor de keuken dient, een andere voor de open haarden, een derde voor fabrieken. In ’t algemeen geeft men de voorkeur aan de turf uit de lage venen boven die uit de hooge venen. De bakkers bakken hun brood met turven, die niet zeer dicht zijn en daardoor spoedig vlam vatten. De turf dient ook nog als voedsel voor kalkovens, pannebakkerijen en wordt in bierbrouwerijen enz. gebruikt.

Bij steenkool vergeleken, geeft de turf wel de helft minder warmte; maar alles in aanmerking genomen, is zij als brandstof toch veel goedkooper.

Het grootste bezwaar is het volume, dat lastig en bezwarend wordt. Turf neemt drie- of viermaal zooveel ruimte in als steenkool. Men heeft geprobeerd de turf samen te persen, en men is daarin goed geslaagd, maar naar beweerd wordt, is de moeite te groot voor de belooning; de kosten overtroffen de waarde der koopwaar, en de eigenschappen van die laatste verbeterden er niet genoeg door.

Voor stoombooten en voor de grootindustrie moest men wel weer tot de steenkool terugkeeren.

Hoe het ook zij, turf is eeuwen lang bijna de eenige brandstof der bewoners geweest. De kool van turf heeft aanleiding gegeven tot de zuiver nationale gewoonte der warme stoven. In den winter hebben de hollandsche dames in haar eigen vertrekken, zoowel als in de kerk, onder haar rokken een stoof [64] met een kool er in, wat, naar men zegt, het teint van de dames een gele tint geeft. Zij, die deze opvatting koesteren, zijn ernstige menschen, kalm gezeten in hun groote stoelen van riet of mandwerk, met een groote pijp in den mond en een glas bier vóór zich, hoog schuimend in het glas. Zij zouden toch iets dergelijks niet beweren, als ze er niet volkomen zeker van waren door allerlei gezegden en opmerkingen, zorgvuldig bijeenverzameld uit intieme gesprekken, en men zou verkeerd doen, zich bij zulk een oordeel sceptisch te toonen. De rook van de turf maakt het teint der hollandsche dames geel, zooals de rook van droog hout aan hammen die bruine kleur geeft, die ze zoo lekker doet smaken. Ze worden er dus geen haar minder om; integendeel.

De asch dient bovendien tot mest; met het roet reinigt men ijzerwaren en tin; de rook dient tot conserveering van gezouten vleesch en haring, tot bereiding van beenzwart, inkt en vernis; kortom, het veen is een der grondslagen van de hollandsche huishouding.

Inderdaad maakt men er de fondamenten van het huis van. Daartoe brengt men de steenen en het metselwerk aan op een onderlaag van stukken brandbare aarde, in den vorm van een pyramide opgestapeld. Die veenlaag zwelt op onder het water en vormt zoo een onwankelbare basis, die door het vocht niet meer wordt aangetast. Na eeuwen, als het huis van ouderdom bezweken is, vindt men de veenachtige substantie zoo goed bewaard als op den eersten dag en nog geschikt, om verstookt te worden.

Uit een en ander volgt, dat veen het product is van de langzame vertering van plantaardige stoffen, van riet en biezen en mossen, die, op elkander gestapeld, vergingen en door de vochtigheid ontbonden werden.


Beginnende idylle op Marken.

De provincies, die het meest te danken hebben aan het bestaan van veengrond, zijn Friesland, Groningen, Drenthe en Overijsel.

Als de veenlaag geëxploiteerd is, blijft er ongelukkig veel water over, dat moet worden verwijderd met behulp van veel molens en veel slooten. Daar het onderhoud van die molens nog al kosten meebrengt, moet men zich er niet over verbazen, dat in Holland de prijzen der levensmiddelen tamelijk hoog zijn....

Desondanks heeft een oud dichter, Vondel genaamd, in geestdrift over het succes, met de turf verkregen, aan het hoofd van een zijner werken dit hoog welsprekend woord geplaatst: “Gelukkig het land, waar ’t kind zijn moêr verbrandt!”

Besluit.—Dit alles toont duidelijk aan, dat er volstrekt niet in Holland alleen water is, zooals men zou kunnen gelooven, als men zich slechts onderrichten liet door fantastische berichten. Holland, door duizenden kanalen doorsneden, omgeven door eilanden, golven, inhammen, heeft inderdaad wel zeer veel water, maar dit oppermachtige water, dat alles kan overweldigen, dat rijst en daalt en tot zoo ver het oog reikt, zijn net van bewegelijke wegen uitspreidt, waar onophoudelijk booten, schuiten, ponten, stoombooten en eenden varen, dat water is de onuitputtelijke bron van den bataafschen rijkdom, en men zou wel een prachtig, kostelijk woord willen vinden, in een lijst van metalen lettergrepen, om dat kleurloos, vloeibaar ding mee aan te duiden, dat alle tinten van de wolken overneemt, dat de molens en de polders weerspiegelt en dat van Holland maakt het waterrijkste van de waterrijke en ’t merkwaardigste van alle vlakke landen.



1 Wij hebben den franschen schrijver in zijn reisverhaal op den voet gevolgd, al kwam soms de lust boven, hem eens even in de rede te vallen, waar hij in zijn gevolgtrekkingen te ver ging en, naar het weinige dat hij zag, oordeelde ook over het vele, dat hij niet zag. Het zal onzen lezers zeker evenzoo gaan, maar om der curiositeits wille zal het oordeel van den Franschman hen interesseeren en zijn aardige verteltrant zal hen boeien.

Vert.

Reis door Tunis en Algiers


Gezicht op Tunis. Aan den gezichtseindiger de haven en het kanaal de la Goulette.

Voor ons Nederlanders, bewoners van noordelijke koude luchtstreken, hebben de woorden “het Zuiden, de Middellandsche zee” een betooverenden klank. Zij doen ons zoo denken aan schitterend zonnelicht, aan koesterenden zonnegloed, waar wij vooral in den winter met zijn korte, vaak zoo sombere dagen zoo reikhalzend naar kunnen verlangen. Ook onvergelijkelijke kleurenpracht, bonte kleederdrachten en sappige zuidvruchten roepen zij voor onzen geest. Wie, al is hij nog zoo hokvast, heeft niet eenmaal in zijn leven het verlangen, eenige weken in het diepe blauw der Middellandsche zee te staren, aan hare schilderachtige kusten te droomen en te dwepen? Welke zee, met al de kuststreken, die hare golven bespoelen, biedt den reiziger zooveel natuurschoon aan als de Middellandsche zee, kan op een verleden, op een geschiedenis bogen als de hare? Te vergeefs zou men in dit opzicht haar gelijke zoeken. Tot haar gebied toch telde zij het kleine, met zeldzamen kunstzin begaafde volk der Grieken, welks edele scheppingen zelfs nu nog ons geslacht met bewondering vervullen en voor een deel nooit overtroffen zijn; zij zag dit volk politiek, ja, ten onder gaan, maar op cultuurgebied zijn schoonste lauweren behalen, daar zijn overweldiger zelf het voornaamste werktuig werd voor de verbreiding van zijn hoogstaande kunst en wetenschap over de geheele toenmaals beschaafde wereld; zij beleefde het, hoe een enkele maal haar kusten en eilanden onder één heerschappij, die der Romeinen kwamen, waardoor aan al die kusten de vaan des kruises geplant werd; zij aanschouwde met ontzetting de verwoesting van dit vermolmde en wankelende rijk door de blonde zonen van het Noorden, die het een ander, maar jonger, frisscher, nieuwer leven inbliezen; met onuitsprekelijke droefheid [18] was zij er getuige van, dat het zegenrijke kruis bijna aan al hare kusten verdrongen werd door de troostelooze halve maan; maar ook met groote vreugde, dat het weer een rijk van haar gebied was, het kunstlievende Italië, waar oude kunsten en wetenschappen herleefden; ten slotte werd de halve maan allengs weder van hare kusten verdrongen, terwijl vooral in de laatste helft der vorige eeuw, Westersche beschaving en menschelijkheid de overhand verkregen. Vooral in de landen, gelegen aan Afrika’s Noordkust, heeft de Europeesche invloed zich doen gelden en hebben orde en goed bestuur Mohammedaansch wanbeheer vervangen of verbeterd. Engeland heeft zich vooral met het oog op ’t Suezkanaal voor goed in het Nijldal gevestigd. Frankrijk, dat zulke groote belangen heeft aan het kustgebied der Middellandsche zee, vestigde in ’t bijzonder zijn aandacht op Tunis en Algiers en in den laatsten tijd ook op Marokko. Bekend is de moeite, die Duitschland en in ’t bijzonder de Duitsche regeering zich geeft, om met den Sultan van Turkije vriendschappelijke betrekkingen aan te houden en te versterken, teneinde zoodoende den Duitschen invloed in Klein-Azië, Syrië en Palestina uit te breiden. Voor den Europeaan is in die streken een ruim arbeidsveld geopend op het gebied van handel en nijverheid. Het spreekt van zelf, dat verbetering en uitbreiding van het verkeerswezen een der eerste zaken waren, die men met ijver ter hand nam.

Aldus worden ook voor het reizend publiek landen, rijk aan natuurschoon geopend, die tot nog toe slechts door eenige weinige bevoorrechten bezocht werden. Reisbureaux wedijveren met spoorweg- en stoomvaartmaatschappij en om het den reizigers gemakkelijk en aangenaam te maken. Zoo komt het, dat men tegenwoordig in Algiers en Tunis even goed reist als in Europa. Daar wij voor eenigen tijd gelegenheid hadden deze beide landen te bezoeken, is het ons aangenaam er in dit tijdschrift het een en ander van mede te deelen. Wij doen dit ook in de hoop, dat het enkele landgenooten, die anders hun tijd in een dolce far niente aan de Riviera doorbrengen, moge bewegen eens een kijkje aan den overkant te gaan nemen. Zij zullen zich niet te beklagen hebben.

Aan gene zijde vinden zij een prachtige, dikwerf nog maagdelijke natuur, een oorspronkelijke bevolking, oude volkrijke steden en ... geen speelbank, waar zij hun geld kunnen kwijt raken.



Algiers en Tunis, te zamen iets kleiner dan Frankrijk, vormen met Marokko en Tripoli het oude Barbarye, reeds uit de tijden onzer Republiek bekend om zijn zeeroovers. Na onder de heerschappij van verschillende volken, Oostersche en Romeinsche, Germaansche en Byzantijnsche, gestaan te hebben, werd het omstreeks 700 veroverd door de Arabieren. In afzonderlijke rijken gesplitst, bleven de Mohammedanen er meester tot in de eerste helft der vorige eeuw. Tijdens hun bestuur of liever wanbestuur zonken deze landen, eertijds parels aan de Romeinsche imperatorenkroon, hoe langer hoe meer weg in het diepste verval. Het land werd verscheurd door onderlinge twisten der verschillende emirs, beys en stamhoofden, elk spoor van Christelijke beschaving uitgeroeid en in de havensteden, als Tunis en Algiers, troonden vorsten, die hun residenties verrijkten met den buit, welken hun roofschepen daar aanbrachten. Gedurende eeuwen waren de Barbarijsche zeeroovers de schrik der Europeesche koopvaardijschepen, niet het minst der Hollandsche, die hun vlag zoo dikwijls in de wateren der Middellandsche zee vertoonden. Herhaalde expedities en veroveringen hadden wel een aanvankelijk doch geen blijvend resultaat.

Meer dan eens werd de Ruijter uitgezonden om de Barbarijsche zeeroovers te tuchtigen en nog in 1816 bombardeerde een Engelsch-Nederlandsche vloot, onder bevel der admiraals Lord Exmouth en van de Capellen, de stad Algiers naar aanleiding van zeerooverij.

Eerst in 1830 kwam aan dit schreeuwende misbruik een einde door de verovering van de stad Algiers door de Franschen onder generaal Bourmont. Tevens bezetten zij de naaste omgeving der stad.

Maar eerst in 1857 werd de verovering van het geheele land tot aan de grenzen der Sahara door maarschalk Randon voltooid.

Algerië, verdeeld in 3 provincies, Algiers, Constantine en Oran met gelijknamige hoofdsteden, is thans geheel een Fransche kolonie met Fransch bestuur, Fransche wetten en rechtspraak en Fransch bezettingsleger. Tunis is protectoraat. Na herhaalde expedities en verschillende moeilijkheden met den Bey, kwam in 1881 het tractaat van Kasr-Saïd of van Bardo tot stand, waardoor aan de autocratische macht van dezen een einde kwam. De Fransche regeering verkreeg het diplomatieke en militaire bewind, benevens de controle over administratie en financiën. De Bey bleef souverein en regeert in overleg met een gevolmachtigd Fransch minister, die te Tunis resideert; bovendien ontvangt hij van het Fransche gouvernement een jaarlijksche toelage van 1.200.000 frs.

De Franschen, die in Tunis wonen, zijn vnl. burgerlijke ambtenaren, militairen en kooplieden. Het grootste deel er van, ongeveer 10.000 wonen in de stad Tunis, waar dus de Muselmannen met hun aantal van 65.000 inwoners verre de meerderheid hebben. Daarom vindt men aldaar nog het Arabische leven en drijven in al zijn oorspronkelijkheid en heeft de stad voor den toerist vele en belangwekkende eigenaardigheden, die hij in Algerië te vergeefs zou zoeken. Algiers, Constantine, Oran en verreweg de meeste kustplaatsen hebben hun oorspronkelijk cachet grootendeels verloren, zijn bijna geheel Europeesche steden geworden. De Arabier schijnt hier eerder vreemdeling dan inboorling te zijn. Tunis daarentegen is gebleven wat de Arabieren het gaarne noemen: “de bloem van het Oosten.”

Het was het eerste doel van onze reis.



Mogen sommige bewoners van Noordelijke streken de reis naar Afrika’s Noordkust bedenkelijk ver vinden, met de Franschen is dit niet het geval. ”l’Algérie c’est la France,” zeggen zij. Trouwens zij zijn ook dichter bij, al bedraagt dit niet veel meer dan een halven dag sporens. Van uit Parijs bereikt men met den sneltrein in korten tijd Marseille, van waar goed ingerichte booten der Compagnie Transatlantique, die [19] ook op Amerika varen, den reiziger in anderhalven dag over de blauwe watervlakte naar Tunis brengen.

Er is veel waarheid in het gezegde van Professor Martins: “ce n’est pas la mer, c’est le mal de mer, qui sépare la France de l’Algérie”. Maar men moet de kans van zeeziekte loopen. Hij die op reis tegen eenige moeite en ontbering opziet, blijve liever thuis. Wij troffen het echter bijzonder voor de maand Maart, die gewoonlijk nog al ruw is en volbrachten den overtocht met prachtig stil weer en een schitterende zon. Een verrukkelijk gezicht was het, toen onze boot, de Ville de Naples, na het verlaten der haven van Marseille de rotsachtige kust met haar vele eilandjes al verder en verder achter zich liet. Daar de weg door de grootste breedte der Middellandsche zee ging, kwam men weinig vaartuigen tegen, slechts enkele visschersbooten en eenige kleine koopvaarders. Nog waren de kusten van Sardinië niet geheel verdwenen, of reeds kwam de Afrikaansche kust in ’t gezicht, bergachtig, met vele eilandjes, en als evenzooveel voorposten van het Mohammedanisme zagen wij hier en daar op de heuvels zich verheffen de gekoepelde, witgepleisterde graven van verscheidene Marabouts (priesters) tot de zon onder de onbenevelde kim dook en de lichten van Tunis ons tegemoet flikkerden. Nog meer dan een uur moest de boot door het Canal de la Goulette, een uitgediepte geul in de ondiepe golf van Tunis varen, voor de aanlegplaats bereikt werd. Het ontschepen ging lang niet zoo spoedig en kalm als het inschepen. Want voor de boot goed vastgemeerd lag, kwamen reeds in verscheidene bootjes de echte, onvervalschte afstammelingen der vroeger zoo beruchte zeeroovers van Tunis opzetten, de witte of gekleurde tulband of de helroode fez scherp afstekend tegen het donkerbruine gelaat. Er waren echte galgentronies onder, die duidelijk den stempel der herediteit droegen en zij waren brutaal als de beul. Spoedig krioelde het op het dek van allerlei bruine kerels, die op de wijze hunner vroede voorvaderen de boot geënterd hadden en aan boord geklauterd waren. Kortom echt zeerooversgespuis, hetwelk den passagiers zijn diensten als pakjesdragers en gidsen aanbood. Met Argusoogen werd de longroom èn de bagage door den hofmeester en de bedienden bewaakt. Bij het aan land gaan begon het ongeluk eerst recht. Want nauwelijks de loopplank over, werden wij omringd door een zestal Arabieren, mannen en jongens, die zich, luid schreeuwende, van onze bagage trachtten meester te maken om ze te dragen. Eenmaal afgegeven, zouden wij er waarschijnlijk nooit veel van terug gezien hebben.


Een kijkje in Tunis.

Dat krioelde om ons heen, trok aan onze bagage en kleederen, kroop tusschen beenen en armen door en schreeuwde ons toe in een natuurlijk onverstaanbaar Arabisch. Zoo goed als wij konden verweerden wij ons tegen de aanvallers tot een Turco, een tolsoldaat, en de gids-tolk van het hôtel waar wij kamers hadden besproken, ons van hen verlosten. De laatste bracht ons naar de omnibus, waarmede wij spoedig ons hôtel bereikten.

Dit was gelegen in het zoogenaamde quartier Franc, dat eerst dagteekent van de laatste 20 jaren en de verbinding vormt tusschen de haven en de eigenlijke oude stad Tunis. Voornamelijk wordt die verbinding gevormd door de Avenue de la Marine en de Avenue de France, prachtige breede straten, waarop verschillende zijstraten uitmonden. De reiziger staat er over versteld, welk een groote verandering de Franschen in nog geen 20 jaar in de stad gebracht hebben.

Aanvankelijk zou men denken, in een welvarende Fransche stad te zijn. Electrische trams onderhouden het verkeer, elektrisch licht zorgt voor de verlichting, terwijl de reinheid der straten niets te wenschen overlaat.

In de Fransche wijk wonen de Europeanen en bevinden zich de voornaamste Europeesche gebouwen, zooals het theater, de kathedraal, het paleis van den Franschen minister-resident, de voornaamste winkels en hôtels.

Het hôtel, waar wij onzen intrek genomen hadden, gelegen in de Avenue de France, bevond zich in de onmiddellijke nabijheid der Porte de France, die toegang verleende tot de Arabische stad. Deze bestaat uit drie deelen, nl. de middenstad, cité of Medina, die zich aansluit aan het quartier Franc, en twee buitenwijken, een ten N. de Rebat bab-el-souika [20] en een ten Z. de Rebat bab-ed-djazira, (rebat-wijk en bab-poort). De Medina is de voornaamste. Want in deze bevinden zich de beroemde Souks, de bazars of markthallen. Deze bezochten wij den dag na onze aankomst het eerst onder geleide van een gids-tolk, een Tunesiër van geboorte, die echter de schilderachtige Arabische kleedij voor de gemakkelijker Europeesche verwisseld had. Wil men Tunis en speciaal het volksleven goed zien, dan is zoo’n persoon onmisbaar.


Joodsche vrouw uit Tunis.

Met behulp van een papieren gids kan men slechts de voornaamste merkwaardigheden uitvinden; wie meer wil zien, is in de grootste verlegenheid, daar hij de landstaal, het Arabisch, verstaat noch spreekt. De tolk weet echter alles, wat noodig is, zooals: waar men te voet en met een rijtuig heen moet, tot wien men zich wenden moet om deze of gene merkwaardigheid te zien, hij weet den weg door den doolhof van nauwe straten en stegen, weet wat alles kost (behoudens de noodige provisie voor hem zelf) en laat ons meermalen merkwaardigheden zien, die men alleen nooit ontdekt zou hebben. De besparing in tijd, moeite en kosten wegen ruimschoots op tegen het matige daggeld, dat hij vraagt.

Zoodra wij door de Porte de France de Souks binnengetreden waren, viel ons op, dat wij ons in een zeer oud stadsgedeelte bevonden. Nauwe kronkelende straatjes en steegjes, te zamen één groot doolhof vormend, waar men zonder gids deugdelijk in verdwalen kon, nu eens uitloopend op een klein pleintje, dan weer doodloopend in een donker gangetje. Somtijds moest men vrij steile trappen op, dan weer daalde de straat zeer sterk.

Een liefhebber van oude gebouwen, van schilderachtige kijkjes en verrassende eigenaardigheden kon op deze wandeling veel genieten. Naast armoedige krotten verhieven de woningen van rijke Arabieren trotsch en ongenaakbaar hun platte daken, de groote deuren van massief cederhout dikwijls met ijzer- of koperwerk versierd, de ramen van onder- en bovenverdieping van stevig en kunstig traliewerk voorzien, opdat vrouwen en meisjes goed bewaard mochten zijn.


Welgestelde Arabieren uit Tunis.

Sommige huizen zijn van balcons voorzien, die dikwijls zóóver uitsteken, dat de bovenste verdiepingen der aan beide kanten der straat staande huizen elkander aanraken. Dikwijls zijn de bazars overwelfd, het gewelf gesteund door slanke Moorsche pilaren. Komt men in een onoverdekte straat, zoo valt de blik op de slanke torens der moskeeën, die ijl in de lucht stijgend, een schilderachtigen aanblik bieden en het geheel als ’t ware beheerschen. Vooral de Djama-ez-Zitouna, de groote moskee, verrukt het oog door haar slanke vormen en kunstig op de muren en relief aangebracht complex van miniatuurbogen. Ofschoon hobbelig geplaveid, viel de reinheid der straten ons erg mede, hoewel men er niet tegen op moest zien af en toe een doode hond of kat te ontmoeten, die zoo maar neergeworpen was. In die bazars wordt van ’s morgens vroeg tot laat in den middag levendige handel gedreven. De verschillende kooplieden hebben er, met uitzondering van eenige zeer rijke, slechts kleine winkeltjes, sommige slechts [21] eenige M2 groot, waar zij, in ’t halfduister neergehurkt, hun waren uitstallen. Eenige wachten met Mohammedaansch fatalisme af, of er een kooper komt opdagen, anderen prijzen luid schreeuwend hun waar aan, loopen een eind met u mede, en zijn niet van u af te slaan. Elk artikel en handwerk heeft zijn vaste bazar. Een geur van rozen, geranium of wierook verraadt, dat men in de Souk der parfums is; de lucht van leer, dat men zich in die der leerlooiers bevindt. Prachtige uitstallingen van zijde en fluweel, kunstig met goud en zilver geborduurd, afgewisseld met lange fijne burnous en helroode fezs, wijzen er op, dat men de duurste wijk, die der voortbrengselen om welke Tunis beroemd is nadert en dat het zaak is, zijn kooplust te bedwingen. In een andere bazar weer worden kunstig bewerkte koperen voorwerpen en geciseleerde wapenen verkocht of kan men het hart ophalen aan de vruchten van het Zuiden. Timmerlieden, schoenmakers, schrijnwerkers en kleermakers, allen hebben hier hun vaste wijk en standplaats. En tusschen al die uitstallingen beweegt zich de bontste menigte, die men zich denken kan. Rijke, gezette Arabieren in prachtige gewaden, zich ten volle bewust van het gewicht hunner persoonlijkheid, met glanzend witte burnous, wisselen af met bedelaars in lompen gehuld. Jonge mannen, krachtig en slank gebouwd, met fijn besneden gezichten en sprekende oogen, prachtige typen van het Arabische ras en donkerbruine Mooren met trotschen en fanatieken blik en zwarten baard; pikzwarte negers, echte knechtjes van St. Nicolaas, zich statig in een burnou van het grofste zakkenlinnen hullend, op het hoofd een fez, die eens rood was, maar nu meer op hun gelaatskleur lijkt, als eerste dandys een sigaret rookend of luidkeels lachend met een mond tot aan de ooren en dikke lippen, terwijl de hagelwitte tanden zichtbaar worden; Arabische vrouwen, zich schuchter het gelaat bedekkend, de arme en onbemiddelde met een slip van haar kleed, de rijke zich hullend in een lange kostbare shawl van fijne, doorschijnende zijde—dit zijn de typen, die men het meest tegenkomt. Niet alle vrouwen zijn echter gesluierd, slechts de Arabische, maar de Joodsche niet. Voor ’t overige hebben deze geheel de Arabische kleeding overgenomen, ook de houten pantoffels met zeer hooge hakken, waarop de vrouwen hier als ’t ware loopen te balanceeren.


De moskee Becquia in Tunis.

Vroolijk komen hier en daar de kleurige uniformen der Fransche soldaten, vooral die der zouaven uit, met hun wijde roode broeken en blauwe korte jassen, de fez met de bengelende kwast op een oor, geheel het beeld van “vive la bagatelle”. Hier en daar ziet men een bruingebranden Bedouïn uit de woestijn voortschrijden met onderzoekenden blik, het lange geweer aan den bandelier over den schouder. Kleine meisjes en aardige jongens met groote verwonderde kijkers loopen overal door het gewoel, dat somtijds zoo dicht is, dat men er zich met de ellebogen door heen moet wringen, en vragen u onophoudelijk om sous. Jongens en mannen op ezels laten u aanhoudend uitwijken, want langoor wordt hier niet gespaard, maar eigenlijk afgebeuld. Ook kameelen bezoeken de bazars, en somtijds liggen zij in rijen van 10 of meer uit te rusten van hun tocht uit de binnenlanden, van waar zij houtskool, dadels en andere voortbrengselen naar de hoofdstad brengen. Daarbij is het dikwijls een geschreeuw, dat men elkander niet verstaan kan, kooplieden, die hun waren aanprijzen, koopers, die afdingen, druk redeneerende en gesticuleerende Arabieren en Mooren. Kortom het is een tooneel vol Oostersche levendigheid en Oostersche [22] kleurenpracht, dat door zijn bontheid en telkens afwisselende indrukken, mede door de bekoring van het nieuwe, den vreemdeling van het Westen ten zeerste boeit en verrukt.



Hoewel de Bey van Tunis in de hoofdstad een paleis heeft, Dar-el-Bey (huis van den Bey) genaamd, houdt hij daar zelden verblijf. Hij vertoeft er slechts voor regeeringszaken en bewoont liever het schoone buitenverblijf Kasr-Saïd of El-Bardo, in de nabijheid van Tunis. Geregeld eens per maand komt hij in de hoofdstad om in den voorhof van zijn paleis in hoogste instantie recht te spreken. Dit gebeurde juist eenige dagen na onze aankomst, en hiervan tijdig door onzen gids verwittigd, maakten wij aanstalten van zijnen intocht getuigen te zijn. Reeds te half acht begaven wij ons daartoe naar het plein van de Kasba (de burcht), waar ook het paleis gelegen is en waren getuige van de aankomst der verschillende hoogwaardigheidsbekleeders van den Bey. Militaire en burgerlijke autoriteiten, allen het hoofd bedekt met de onvermijdelijke fez, stelden zich bij de poort op, velen versierd met de orde der Beys, de Nicham-Iftikhar. Beambten van gelijken rang begroetten elkander plechtig met een kus op elke wang; de jongeren de ouderen met eerbiedigen handkus. Na eenigen tijd wachtens kondigden eenige Fransche officieren van de Chasseurs d’Afrique, als ordonnansen, de komst van den Bey aan. Weldra kwam een afdeeling cavalerie in Turksche uniformen, op kleine vlugge paarden, wit van het stof, aandraven, daarop volgden eenige rijtuigen met hofbeambten en ten slotte de Bey zelf in een à la daumont gereden rijtuig met 6 muilezels. Bij ’t uitstappen vertoonde hij zich een oogenblik. Een man van middelbare lengte, met korten grijzen baard, geelachtig, streng gelaat en ernstige sombere oogen. Er wordt van hem verteld, dat hij nooit lacht. Niet onwaarschijnlijk, zoo men de gebeurtenissen der laatste jaren in aanmerking neemt. Na de Fransche bezetting toch is het met de onbeperkte heerschappij van den Bey voor goed gedaan. Reden genoeg voor een Oostersch despoot om over te treuren.

Wie zich wel degelijk nog in ’t bezit van hun onbeperkte heerschappij mogen verheugen, al is het dan maar over redelooze dieren, zijn de Arabische slangenbezweerders, die nog steeds de giftigste exemplaren van het, den menschen zoo weinig sympathieke ras, in letterlijken zin, naar hun pijpen laten dansen. Ongeveer eens om de 14 dagen kan men te Tunis een dergelijke vertooning bijwonen, die gegeven wordt door een derwisch, een soort van armen priester of monnik uit de binnenlanden. Het is in zekeren zin een godsdienstige plechtigheid. Maar dan toch zeker een van een weinig ernstig en meer vroolijk karakter, want het in grooten getale toegestroomde publiek vermaakt zich er goed bij. Voor den vreemdeling gaat natuurlijk de godsdienstige beteekenis door onbekendheid met Arabische taal en Mohammedaansche gebruiken verloren; hij beschouwt het als een kermis-voorstelling, een merkwaardig schouwspel, nl. om de groote moreele kracht, die de mensch op de dieren kan uitoefenen. De voorstelling heeft plaats in de open lucht, meestal op een plein voor een Arabisch café, waarvan het in Tunis krioelt. Deze keer op het plein Halfoüin.

Hier worden in de maand Ramadan, die der vasten, de groote Arabische feesten gevierd. In gewone tijden is het de plaats van samenkomst van Arabieren uit alle standen. Men vindt er dan ook vele koffiehuizen, zoowel voor Arabieren uit de volksklasse, negers en kleurlingen als die, welke door de rijken en dandys bezocht worden. Een groote menigte Arabieren, Mooren en negers, benevens een aantal vreemdelingen had zich om een opene ruimte in een kring opgesteld. Daar binnen bevond zich de bezweerder met zijn helpers, een drietal Arabieren, die op de hurken gezeten, een oorverdoovende muziek maakten. Een bespeelde een soort van herdersfluit, een tweede een Arabische viool, terwijl degene die in ’t midden zat, uit alle macht met duim en handpalm op een groote tamboerijn trommelde. Deze laatste beantwoordde ook de vragen, die de derwisch telkens tot hem richtte. Deze, donkerbruin, forsch gebouwd en toch lenig, met katachtige snelle bewegingen, de donkere schitterende oogen onophoudelijk in beweging, het beenige gezicht met een dun baardje omgeven, het geschoren hoofd slechts op de kruin bedekt met een ruigen, zwarten scalplok, geleek veel op een der fanatieke krijgslieden van den Mahdi, die in een wit kleed en met een breed zwaard in de vuist op de Engelsche carré’s losstormden, een wissen dood tegemoet. De voorstelling, die tamelijk lang duurde, had in ’t kort ’t volgende verloop: Uit een der bruinlederen zakken, die hij bij zich had, haalde de derwisch een zeer vergiftige slang ter lengte van ongeveer een M., licht bruin van kleur en aan den buik voorzien van gele ringen, de naâdja of slang van Cleopatra, door de Arabieren Bouftira genoemd. Deze schijnbaar levenlooze slang legde hij op een kleedje, iets grooter dan een M2. neer. Daarop danste hij, op een klein herdersfluitje blazend, om haar heen, tot zij hoe langer hoe levendiger werd en zich eindelijk met een schok oprichtend, met de kleinste helft van haar lichaam op het kleedje overeind kwam te staan. In die houding danste de slang nu, op de maat van de muziek, steeds met den derwisch mede; bewoog hij zich naar rechts of links, zoo deed zij ’t zelfde. Het opmerkelijkste daarbij was, dat zij het kleedje niet verliet en, ofschoon zij door al het gesar van den bezweerder tot de hoogste woede geprikkeld was, er niet aan dacht, iemand aan te vallen. De derwisch, die weldra droop van ’t zweet, was voortdurend in beweging, dansend en springend, lachte onophoudelijk met breeden mond, hevig gesticuleerend, nu eens tot de omstanders of den man met de tamboerijn vragen richtend, welke met toestemmend geschreeuw of gelach beantwoord werden, dan weer de armen zwaaiend of ten hemel heffend, luide gebeden tot Allah of den een of anderen heilige opzendende. Vooral voor Ab-del-Kader, den bekenden vrijheidsheld, scheen hij groote vereering te gevoelen, want herhaaldelijk riep hij hem aan. Zooals de meeste Oostersche voorstellingen en plechtigheden, werd ook deze ten laatste eentonig. Wij verlieten het plein om ons naar het gerechtsgebouw te begeven, met het doel daar een nieuwen kijk op het Tunesische leven te krijgen. [23]

Zooals reeds vermeld, heeft de Fransche regeering aan de Arabieren in Tunis hun eigen rechtspraak gelaten. Een zeer wijze maatregel, die haar eindelooze moeilijkheden en wrijvingen met de inboorlingen bespaart. De Arabier wordt dus gevonnist door zijn eigen rechter of raëse.

Op verzoek zijn de zittingen ook toegankelijk voor vreemdelingen, die hier gelegenheid hebben menig tafereel van echt oorspronkelijk Arabisch leven te zien. De gids-tolk stelde ons hiertoe gemakkelijk in de gelegenheid. Toen wij het gerechtsgebouw, waar gevallen van echtscheiding en andere civiele zaken behandeld werden, binnentraden, bevonden wij ons op een ruime binnenplaats, omringd door een zuilengaanderij en aan de kanten voorzien van steenen banken. Daarop hadden aan de eene zijde plaats genomen een aantal dicht gesluierde vrouwen in ’t zwart gekleed, die zich over haar echtgenooten te beklagen hadden en zich wilden laten scheiden, aan den anderen kant de echtgenooten dier dames, allen wachtend tot zij opgeroepen zouden worden, om beurtelings voor den rechter te verschijnen. Aan den ingang der gerechtszaal, die op de eerste verdieping was, stond een zeer zwaarlijvige gendarme in een blauwe uniform op wacht, die ons, na een kort onderhoud met den gids, welwillend binnen liet en voor den rechter leidde, dien hij het verzoek overbracht om een zitting te mogen bijwonen. Beleefd beantwoordde de magistraat onze buiging, heette ons met een vriendelijken glimlach welkom en noodigde ons uit, dicht bij hem plaats te nemen aan den kant der toehoorders.

Daartegenover zaten in een bonte groep de getuigen. Nadat de woordvoerder van ons gezelschap den rechter bedankt en zijne vreugde te kennen gegeven had, dat wij als vreemdelingen mochten kennis maken met de Arabische wijsheid, van ouds beroemd uit de tijden van Kalief-Harun-al-Raschid, namen wij plaats en de zitting werd voortgezet.

Een sprekende kop die rechter, met beschaafde vormen en schitterende, doordringende oogen, waarvoor de beklaagden bijzonder veel ontzag hadden. Geschoeid met gele pantoffels, het witte gewaad met een langen, lichtbruinen gendorah (opperkleed) bedekt, droeg hij aan een zijner vingers een ring met smaragd, als teeken zijner waardigheid. Hij was gezeten aan een met allerlei papieren bedekte tafel, waarvoor de beklaagden en getuigen zich plaatsten om hun relaas te doen. Wij woonden eenige zaakjes bij, waarvan de gids ons de toedracht vertelde en kregen eenige zeer ongure schelmengezichten te zien. Allen zonder onderscheid hadden echter grooten eerbied voor den rechter. Met een diepe buiging, de armen over de borst gekruist, naderden zij hem en hieven deze onder ’t spreken tot aan de schouders op, de handpalmen vlak naar hem toegekeerd. Met zachte stem begonnen, werd hun spreeklust hun al spoedig te machtig; al radder ging hun tong, al luider werd hun stem en zelfs de eerbied voor den rechter kon hun woordenvloed niet stuiten.

Zij lieten dezen zelfs niet uitspreken en vielen hem herhaaldelijk pardoes in de rede, zoodat een tweede, insgelijks zeer welgedane gerechtsdienaar hun herhaaldelijk de zware hand op den schouder moest leggen en hun een gebiedend “barka, barka” (genoeg, genoeg) toeroepen. Deze had zelfs moeite hen de zaal uit te krijgen, nadat hun vonnis uitgesproken was. De raëse hoorde alles met Mohammedaansche kalmte aan, zeide van tijd tot tijd een enkel woord, stelde een enkele vraag, terwijl hij den spreker doordringend aanzag of volgens de rozenkrans, die hij in de hand hield, den grooten profeet bad, hem wijsheid te geven. Hij had blijkbaar de zaken grondig bestudeerd en sprak kort recht. Zoo kreeg een Arabier wegens mishandeling 5 maanden gevangenis; een Arabische vrouw, die kamers verhuurde en hare huurster, die één termijn vooruit betalen moest en dit gedaan had, daarop terstond haar huis uit gezet had, 2 maanden; een jongmensch, die wijn gedronken had, moest dit met 5 dagen opsluiting boeten, een bewijs dat in Tunis aan de wet van den Koran streng de hand gehouden wordt, hetgeen in Algerië niet zoozeer ’t geval is. De vrouwen waren het breedsprakigst en drukst en moesten door den gendarme nog veel meer tot de orde geroepen worden dan de mannen. Eenige dagen later woonden wij ook een zitting voor strafzaken bij, waar dezelfde rechter als de hierbovenvermelde de rechtbank presideerde. Een eivolle zaal, een lange rij beschuldigden, een menigte getuigen. Een viertal advokaten voerden het woord, waar wij natuurlijk niets van begrepen; echter bleek uit ’t vuur, waarmede zij spraken, dat zij de zaak hunner cliënten wel ter harte namen.

De vreemdeling, die eenigen tijd te Tunis verblijft, komt herhaaldelijk in de Souks, want telkens en telkens weer wordt hij aangetrokken door het bonte, opgewekte, oorspronkelijke volksleven, dat hij daar aantreft. Bij die herhaalde bezoeken is het af en toe betreden van een winkelmagazijn moeilijk te vermijden, zelfs al bestaat daartegen bij hem principiëel bezwaar, hetgeen meestal niet het geval is. Integendeel de kooper is meestal maar al te gewillig, en vrienden en verwanten in ’t vaderland willen ook wel bedacht zijn.

Ook ontbreekt het niet aan uitnoodigingen en aanmoedigingen van de zijde der winkeliers om binnen te treden. Reeds aan de deur, zelfs op de straat, noodigen ze u met vele plichtplegingen en buigingen als knipmessen daartoe uit. De argelooze vreemdeling, die toestemt, treedt in het hol van den leeuw, een leeuw met fluweelen pootjes. Vriendelijk wordt hij uitgenoodigd plaats te nemen en op de kennismaking een geurig kopje Arabische koffie, echte Mokka, in kleine porceleinen kopjes voorgediend, te drinken. Dit mag men niet weigeren, want het is een bewijs van gastvrijheid. Bovendien gelooven de winkeliers, dat het hun geluk aanbrengt, want zij zijn zeer bijgeloovig en zouden zich door een weigering beleedigd gevoelen.

Middelerwijl stallen de bedienden allerlei fraaie voorwerpen voor u uit en wordt men door den winkelier overladen met de vleiendste opmerkingen over zich zelf, zijn land en volk en met verzekeringen, dat hij zich zoo vereerd gevoelt door uw bezoek. Al die poes-lievigheid is echter maar schijn. Want in werkelijkheid is hij er slechts op uit, u zooveel mogelijk af te zetten. De voorwerpen in de Tunesische [24] winkels zijn niet vast geprijsd, de verkoopers vragen een buitensporig hoogen prijs. Vandaar een loven en bieden zonder eind, waarbij de vreemdeling gewoonlijk aan ’t kortste eind trekt. Zelfs al krijgt hij de voorwerpen voor een 3de of 4de van den gevraagden prijs, hetgeen geen zeldzaamheid is, dan is hij nog bekocht. Zelfs gebeurde het ons eens, dat wij een kleedje voor een zesde van den gevraagden prijs behielden.

Kortom, het is de grofste afzetterij. De fraaiste winkels zijn die der zijdewevers en zijdeborduurders, die de artikelen vervaardigen, waar Tunis beroemd om is en die het in groote hoeveelheid uitvoert. Men vindt deze in “de Souk des Femmes”, waar voor 40 jaar nog slavenhandel gedreven werd, en de prachtige magazijnen van Boccara père et fils en van Barbouchi gelegen zijn. Men vindt daar inderdaad een rijkdom van zijde en fluweel, shawls en doorzichtige sluiers, kleeden en kleedjes van damast, waarvan de randen met gouden of zilveren lovertjes en bloemen omzoomd zijn, in de fijnste, afwisselendste en teederste kleuren. Als een stuk van groote waarde toonde men ons een lange looper uit den tijd van Lodewijk XIV, geheel stijf van zilver en met gouden bloemtrossen ingelegd.


In den Souk der zijdewevers.

In andere winkels ziet men weer verschillende wapenen van allerlei vorm en afmetingen, met zilver en ivoor ingelegd of zwaar met koper beslagen; de sabels en dolken rijk gedamascineerd. Evenmin ontbreken rijke uitstallingen van lederwerk en met fijne figuren geïncrusteerd koper. Een belangrijk artikel van uitvoer zijn ook de parfumerieën en aetherische oliën, die volgens oude Oostersche gewoonte meestal bereid worden door de vrouwen uit den harem van den gegoeden parfumeur.

Niet alleen door haar bonte verscheidenheid van bevolking, door haar eigenaardige zeden en gewoonten biedt de stad Tunis den vreemdeling veel bezienswaardigs, maar ook hare omstreken hebben groote aantrekkelijkheid en verlokken tot menig heerlijk uitstapje. Daartoe moet men zich steeds op eenigen afstand van de stad begeven.

In de naaste omgeving is er alleen het stadspark “le Belveder” met zijn statig wuivende palmen en groene Oostersche gewassen, waar inwoner en vreemdeling eenige koelte en schaduw kunnen vinden. Overigens is de omgeving nagenoeg boomloos, vooral des zomers een groot nadeel. Want in Tunis, dat evenals Algiers het klimaat der Regio Mediterranee heeft, kan het afmattend heet zijn. Reeds in Maart is het er in den middag als bij ons in Augustus, en midden in den zomer kunnen de bewoners alleen aan de zeekust eenige koelte vinden. [25]


Constantine en het ravijn van de Roumel.

De winters, voor zoover zij dien naam verdienen, zijn in Tunis zeer zacht. Sneeuw kent men er niet dan bij overlevering; ’t laatst had men die in 1883 gezien. Tegen zonsondergang komt echter meest de koude N. wind, de mistral opzetten, waartegen de reiziger zich steeds met mantel en shawl moet wapenen. Als de verzengende Sirocco, de heete woestijnwind blaast, kan men nauwelijks ademhalen. Soms bereikte deze 40° Celsius, zoodat de streek waar zijn verzengende adem overheen gegaan is, als ’t ware verbrand ter neder ligt. Ook de Bey vertoeft niet geregeld in Tunis, maar heeft zijn residentie in de nabijheid, het paleis het Bardo. Dit gebouw, waaraan verbonden is het oudheidkundig museum Aloüi, is wel een bezoek waard.

Een monumentale leeuwentrap voert naar een rijkversierde vestibule, die toegang tot de verschillende zalen verleent. Onder deze zijn het opmerkelijkst de groote receptiezaal, waar de feesten aan het corps diplomatique gegeven worden, benevens de troonzaal, die aan de wanden versierd is met twee rijen rijk vergulde pendules uit verschillende tijdperken; op consoles; dit laatste meer rijk dan smaakvol.

Verder kan de reiziger te Manouba de overblijfselen van de grootsche waterleiding voor Carthago bewonderen, de ruïnen van Utica, de havenwerken van Bizerta of de badplaats Hammam-El-Lif bezoeken.

Vóór alles zal hij echter naar een plaats gaan, waarheen de stemmen uit het verleden hem met onweerstaanbare kracht geroepen hebben. Geen vreemdeling, al vertoeft hij nog zoo kort te Tunis, kan nalaten de ruïnen van Carthago te bezoeken. Hoe worden echter zijn verwachtingen omtrent hetgeen hij te zien zal krijgen teleurgesteld, zoo hij niet van te voren ingelicht is! Want van de eenmaal zoo bloeiende en trotsche hoofdstad der Karthagers, eertijds de koningin der Middellandsche zee, is bedroefd weinig meer over. Wel is de vloek van den meedoogenloozen Cato: “delenda est Carthago!” in vervulling gegaan. Niet eenmaal, maar drie keer is de stad grondig verwoest. Na de Romeinen kwamen de Vandalen, daarna de Arabieren. De laatsten vooral hielden deerlijk huis; hun dolzinnig fanatisme wilde elk spoor van de toenmaals christelijke stad met wortel en tak uitroeien. Geen steen werd op den anderen gelaten, alles kort en klein geslagen. De tocht naar Carthago is een verrukkelijke rit langs de ondiepe golf van Tunis, Bahira geheeten.

De onafzienbare zee verkwikt het oog door hare tallooze wisselende tinten van donker- en helderblauw tot smaragd-groen en lichtgrijs. Het strand wordt verlevendigd door groote troepen reigers, flamingo’s en andere zeevogels, die nu eens onbeweeglijk op een hunner lange pooten om zich heen staan te zien, dan weer onder krijschend geschreeuw hoog in de lucht opvliegen. Verblindend schitteren de witte huizen, slanke torens en gekoepelde daken van het verdwijnende Tunis in ’t felle zonlicht. Het schiereiland, waarop de bouwvallen van Karthago gelegen zijn, verheft zich vrij steil uit zee. Het hoogste punt vormt het terrein, waar vroeger de sterke burcht van Karthago, de Byrsa, gelegen was. Op den top van dien heuvel is het museum, waar alles verzameld [26] is, wat aan de verwoesting geheel of gedeeltelijk ontkomen en door ijverige opgravingen aan ’t licht gebracht is. Het zijn de zoogen. Pères Blancs, die zich hiermede bezig houden, in opdracht van kardinaal Lavigerie. Deze ijverige priester-zendeling, die van de Fransche regeering voor ongeveer 25 jaar verlof kreeg, bij de bouwvallen van Karthago een kathedraal te bouwen, gaf aan de monniken last, nevens hun godsdienstige plichten het werk der opgravingen met kracht ter hand te nemen. Dit leverde de beste resultaten op. Het museum is verdeeld in drie afdeelingen: voorwerpen uit den Punischen tijd, die uit den tijd van Romeinsch-Karthago, en ten slotte hetgeen er uit de Christelijke periode overgebleven is. Die uit de eerste periode zijn het meest bezienswaardig. Daaronder treft men menig fraai voorwerp aan, dat door eigenaardigen, dikwijls grilligen vorm en bewerking verraadt, dat in den Punischen voortijd Phoenicische en Oostersche invloeden zich in de kunst sterk deden gelden.

De bouwvallen van Karthago zijn voor de Fransche pelgrims een bedevaartplaats, daar er een kapel gebouwd is ter herinnering aan Lodewijk den Heilige, die hier op den 7den Kruistocht, te midden van zijn leger, door de pest werd weggerukt. Hoog boven dit bescheiden monument verheft zich een gebouw uit later tijd, eveneens aan hem gewijd, de basilica of kathedraal van Lodewijk den Heiligen. Fier en statig rijst zij met hare vier gekoepelde witte torens in de wolkenlooze lucht omhoog, en het kruis op den top weerspiegelt zich in de blauwe golven aan haren voet, zoo vredig en kalm, alsof die zee nooit iets anders, nimmer de verschrikkingen van oorlog en verwoesting aanschouwd had. Moge dit voortaan zoo blijven en Tunis en haar omgeving onder Fransch gezag een tijdperk van ongestoorden bloei en ontwikkeling deelachtig worden.



Sedert de vestiging van het Fransche protectoraat in Tunis, zijn de verkeerswegen aldaar enorm verbeterd. Dit geldt zoowel van de straatwegen als wat betreft den aanleg van spoor- en tramwegen. Door de stad Tunis snorren de electrische trams en meer en meer breidt het spoorwegnet op het platte land zich uit. De hoofdlijnen zijn aangesloten bij de Algiersche lijnen. De maatschappijen, wel inziende hoe bevorderlijk een goede inrichting voor de toename van ’t vreemdelingenverkeer is, nemen dit zeer ter harte, zoodat men in Tunis en Algiers even goed en even geriefelijk, ja soms nog beter reist dan in Frankrijk en in sommige streken van Europa. De hoofdlijn loopt van ’t Oosten naar ’t Westen en verbindt de voornaamste plaatsen, o.a. de hoofdplaatsen der provincies. Deze liggen ver van elkander af, en daar de treinen overal ophouden, zijn de trajecten lang. Meestal rijdt er slechts een per dag. Vroeg begonnen, eindigt de reis eerst ’s avonds of in den nacht. Soms is er gelegenheid in den trein te dineeren, zoo niet, dan wordt deze op bepaalde haltestations opengesteld, na voorafgegane bekendmaking. Men ziet, alles evenals in Europa. Al duurt de reis wat lang, zoo behoeft de reiziger zich niet te vervelen, want steeds biedt het landschap hem de grootste afwisseling. Meermalen gaat de weg langs een schilderachtige rivier. Een enkele orographische opmerking vinde hier haar plaats. Tunis en Algerië worden, wat de gesteldheid van den bodem betreft, in vier gordels verdeeld. De eerste gordel, de zoogenaamde Tell, strekt zich langs de zeekust uit en wordt landwaarts in begrensd door het Atlasgebergte, dat met zijn machtige keten, van oostelijk Tunis, door geheel Algerië, tot aan de westelijke grens van Marokko doordringt. De tell is het vruchtbare gedeelte bij uitnemendheid, waar veel graan en ooft geteeld wordt en de wijnstok rijke oogsten geeft. Men denke slechts aan den Algierschen wijn, die ook hier het burgerrecht verkregen heeft en aan de meer dan 40 millioen sinaasappelen, die Algerië nu reeds uitvoert. De tweede gordel is de Atlasketen. Daarop volgt de streek der hoogvlakten en steppen, waar de bodem onvruchtbaar en rotsachtig is, afgewisseld met vele zoutmeren. Ten slotte de woestijn, de Algerijnsche Sahara, die slechts een klein deel vormt van de groote woestijn van dien naam. Omdat het Atlasgebergte nagenoeg evenwijdig met de zee loopt en de waterscheiding vormt voor de rivieren, die Noordelijk in zee en naar ’t Zuiden in de zoutmeren uitmonden, hebben deze geen langen loop, hetgeen niet in ’t voordeel is van de besproeiing des lands. De voornaamste rivier van Tunesië is de Medjerda, die van Algerië de Seybouse. De eerste doorsnijdt Tunis van W. naar O., de tweede ontspringt op den Atlas en stroomt bij Bône in de zee. De spoorweg van Tunis naar Bône loopt voor ’t grootste deel door de dalen der beide stroomen, waardoor het natuurschoon langs den weg niet weinig verhoogd wordt. Van tijd tot tijd vernauwt het dal zich zoo zeer, dat de spoorweg het karakter van een echte bergbaan aanneemt en men hem met geweld een doortocht door de rotsen heeft moeten banen. Een ander maal doorsnijdt de spoorbaan een onafzienbare vlakte, gedeeltelijk met hoog gras bedekt, op andere plaatsen prijkend met den rijksten kleurenschat der meest verschillende bloemen. Men zou zich verplaatst wanen in de hyacinthen en tulpenvelden van Haarlem in ’t voorjaar, behalve, dat hier de verscheidenheid van kleuren grooter, de groepeering minder regelmatig is. Ongekunsteld schitteren de bloembedden in onvergelijkelijke pracht, zooals de natuur ze er neergezet heeft. Velden met donkergele goudsbloemen wisselen af met witte plekken, waar trotsche Aronskelken haar witte hoofden fier verheffen. Hier wedijveren teeder rose Malva’s met helroode klaprozen, ginds paren zich bescheiden witte madeliefjes met blauwe convolvulussen in teedere kleurenharmonie. Aan den oever der rivier wiegen oleanderstruiken hun witte en rose kelken op slanken stengel heen en weer, schitteren bloesems van perzik- en amandelboomen tusschen het donkere groen der laurierboomen, of wel het is een mimosastruik, die, om zijn schoonheid des te meer te doen uitkomen, niet beëngd door omringend geboomte, zijn volle gele trossen in het zonlicht laat schitteren en het oog verrukt. Somtijds ook kleine oerwouden van knoestige steen- en kurkeiken, machtige cederboomen, donkere cypressen en hoog opgeschoten eucalyptussen, waar alles verward door elkander staat en met klimplanten omstrengeld is. Ook levende [27] wezens ziet men langs den weg. Nieuwsgierige inboorlingen in kleine Arabische dorpen; karavanen met groote en kleine kudden vee, de eigenaar op een vurigen Arabier voorop; tenten van nomaden, soms niet veel meer dan lappendekens op palen, waaronder alles, menschen en vee, eendrachtiglijk te zamen huist. En steeds wordt het geheel omlijst door de eindelooze, golvende keten der Algerijnsche gebergten, wier golvingen zoo zacht zijn, dat zij geen horizon schijnen te bezitten.

Bône, met een bekoorlijke ligging aan zee, bevindt zich in de onmiddellijke nabijheid van het “massif de l’Edough”, een bergketen, die vrij steil in zee afdaalt en voor ’t grootste deel begroeid is met prachtige bosschen van kurkeiken, een rijke bron van inkomsten voor de exploiteerende maatschappijen.

Geheel anders is de ligging van Constantine te midden van een heuvelland op hooge rotsen. Als hoofdstad van het aloude Numedië, was het eens de residentie van den krijgshaftigen koning Massinissa, den bondgenoot van Scipio tegen de Karthagers en getuige van den fieren dood van Hannibals’ dochter Sophonisbe, die als een echte afstammelinge van den stam der Barciden geen schande verdragen wilde. Daarna zetelde er de wreede, roofzuchtige Jugurtha, die geheel Rome omkoopbaar achtte. Zijn geest scheen weer levendig te worden, nadat de Arabieren zich van de stad hadden meester gemaakt. Ten minste tot aan de verovering door de Franschen in 1837 was en bleef het een roofnest van de ergste soort. Hierbij werd de stad vooral begunstigd door haar eigenaardige ligging. Deze is inderdaad zeer bijzonder. Van het Oosten loopt het riviertje de Roumel op de stad toe door een uitgestrekte, vruchtbare vlakte, aan weerskanten met kalkrotsen omzoomd. Vlak voor de stad stroomt de Roumel door de groenende pépinière, den botanischen tuin, die elke Algiersche stad van beteekenis bezit. Plotseling houdt de vlakte op en ziet de rivier zich den loop versperd door de rotsen, waarop de stad gebouwd is. Het is een werk van eeuwen geweest, eer zij zich met geweld een weg daar doorheen gebaand had en hetzelfde geval als met den Rijn tusschen Coblentz en Bingen. Met dit verschil echter, dat de Roumel zich slechts een nauwe spleet tusschen de rotsen gewrongen heeft, die loodrecht oprijzen en op sommige plaatsen een hoogte van meer dan 100 M. bereiken. De stad, die den vorm van een ongelijkbeenig trapezium heeft, wordt aan twee der langste zijden door de Roumel omgeven, aan de twee andere zijden door hooge rotsen, met uitzondering van één punt, van waar zij uit de vlakte toegankelijk is. Een nagenoeg onneembare ligging dus, uiterst geschikt voor een roofnest. Langs de Roumel, van de Porte du Diable af, waar zij uit de vlakte komt, tot aan den waterval, waarmede zij zich weder, na doorbraak der rotsen, in de vlakte uitstrekt, is een smalle, van een balustrade voorziene weg gemaakt, “le chemin des touristes”. Deze, die volstrekt geen gevaar oplevert, is interessant en bijzonder mooi. Nu eens is de rivier slechts enkele meters breed, dan weer verwijdt zij zich als ’t ware tot kleine meertjes; hier is zij kalm, ginds schiet zij schuimend tusschen grillig opeen gestapelde rotsblokken door. Nu eens stroomt zij in ’t volle daglicht, een andermaal baant zij zich een weg onder den bodem en vormt indrukwekkende gewelven en wondervolle grotten, waaruit de puntige rotsmassa’s als stalactieten neerhangen. Door de vele bochten biedt de wandeling de bekoorlijkste en meest afwisselende gezichtspunten. Aan het einde, dicht bij den waterval, bereiken de rotsen haar hoogste punt en eindigen in een naakten steilen top. Na inneming der stad poogde hier een deel der verdedigers zich te redden door zich met touwen naar beneden te laten zakken. Maar de touwen braken en vele mannen, ook vrouwen en kinderen, kwamen om in de Roumel.

Door de ontoegankelijke ligging heeft de verovering den Franschen veel moeite gekost. Zij geschiedde tijdens een wapenstilstand met Ab-del-Kader, toen de onderwerping der provincie Constantine ter hand genomen werd. Een eerste aanval op de stad onder maarschalk Clauzel mislukte. Het volgend jaar werd een nieuwe expeditie onder ’t opperbevel van den hertog van Nemours en vier generaals uitgezonden.

De sultan Ahmed-Bey en diens fanatieke Arabieren, steunend op de onneembare ligging, weigerden hardnekkig elke capitulatie en zonden den parlementair spottend terug. Na voorafgegane beschieting bestormden de Franschen met groote dapperheid de stad en maakten zich na een hevig straatgevecht er van meester. Maar ten koste van groote offers, want de generaals Damrémont, Perrégaux en Combes sneuvelden. De bey, met klein gevolg ontvlucht, gaf zich, na eenige jaren den guerilla-oorlog gevoerd te hebben, over en verbleef als gevangene te Algiers.

Behalve haar ligging heeft de stad niet veel bijzonders. Er ligt een groot garnizoen. Met hun kleurige uniformen en de opgewektheid den Franschen soldaat eigen, brengt het militair veel vroolijkheid aan. Aanhoudend ziet men troepen door de straten trekken. Nu eens zijn het chasseurs d’Afrique op hun vurige, kleine Arabische schimmels, dan weer bruine turco’s met de korte blauwe jasjes en dito wijde pofbroeken of het is een bataillon kranige zouaven, dat voorbij marcheert. Ook ligt er een kleine afdeeling spahi’s, dat keurkorps bij uitnemend, in garnizoen. Dit zijn Arabieren, die een bijzonder goeden staat van dienst hebben en gebruikt worden als ordonnansen, estafettes en lijfwachten van den generaal. Gehuld in hun roode of blauwe mantels, een breeden tulband op het hoofd, maken zij met hun hooge laarzen en kromme lange sabels een zeer krijgshaftigen indruk. Men vindt er menig type van den echten, fieren, mannelijken Arabier onder.

Op het groote plein midden in de stad is het paleis van den generaal, den militairen commandant, voorheen de residentie van Ahmed-Bey. Dit paleis, dat zeer bezienswaardig is, bevat nog vele bijeengeroofde kunstschatten uit de oudheid. De binnengalerij is versierd met 265 slanke pilaren van Corinthische bouworde, van Carthago geroofd, maar bovenal wordt het oog getroffen door een buste van Julia Domna, de vrouw van keizer Alexander Severus. Van wit marmer, is deze zoo fijn uitgevoerd, dat men als ’t ware den arm onder den mantel kan zien doorschemeren. Een der façaden van het binnenplein wordt bedekt door één enkelen rozenboom, zoo weelderig, [28] dat hij van boven tot onder met de schoonste witte rozen bedekt is.

Het plein voor ’t paleis is de plaats van samenkomst voor de bewoners van Constantine. Het is er des middags van 5 tot 6 een vroolijk en levendig gedoe. Want dan speelt de militaire muziek, eerst de Fransche kapel, daarna de Arabische. De laatste, waar veel snerpende fluiten den boventoon voeren, is voor Europeesche ooren nu niet bepaald aangenaam om te hooren.


Triomfboog van Trajanus te Timgad.

De provincie Constantine is niet alleen de boschrijkste, maar ook de meest bergachtige van Algerië. Daar toch komt de Atlasketen te zamen met een andere bergreeks, die uit het Zuiden komt en tot het gebied der hoogvlakten en steppen behoort. Die bergreeks is samengesteld uit verschillende gebergten; o.a. het gebergte der Ksour, de bergen der Ouled Nayl, die der Zibans (zoo genoemd naar verschillende Bedouïnenstammen van denzelfden naam) en de Djebel-Aoures (djebelberg). Sommigen bereiken een aanzienlijke hoogte. De Djebel-Aoures b.v. heeft toppen van 2000 M., waarop de sneeuw des zomers niet smelt. Dit gebergte onderscheidt zich door groote woestheid en ruwheid van vormen, maar ook door indrukwekkendheid. Het is zeer verlaten en weinig bewoond. In de rotskloven huizen somtijds nog beren en leeuwen, die elders reeds lang verdwenen zijn.

Toen de Arabieren zich van Algerië meester maakten, hebben de bergvolken van den Aurès het langst hun onafhankelijkheid bewaard en ook de Franschen hadden met de daarheen uitgeweken oproerige Bedouïnenstammen veel te stellen. Het Zuiden grenst aan de Algerijnsche Sahara.

Ten einde nu den toegang tot de woestijn tegen een mogelijken aanval van roofzuchtige stammen te verdedigen, bouwden de Franschen de militaire stad Batna aan de uitloopers van het Aurès-gebergte en aan de spoorlijn, die van Constantine naar het Zuiden, naar Biskra loopt. In dat gebergte nu ligt een der grootste merkwaardigheden op oudheidkundig gebied van geheel Algerië verborgen.

Het zijn de bouwvallen van Timgad, eertijds Thamugadi geheeten, een der bloeiendste Afrikaansche steden van het Romeinsche keizerrijk.

Oorspronkelijk slechts een militaire post met bestemming de woestijn te bewaken, werd eerst onder de regeering van keizer Trajanus de eigenlijke stad gesticht door den legaat en propraetor Lucius Munatius Gallus. Door de gunst van haar beschermer, Trajanus, tot municipium verheven, breidde zij zich hoe langer hoe meer uit en geraakte tot grooten bloei. Zij deelde in de afwisselende lotgevallen van Afrika’s Noordkust, die beurtelings onder Romeinsch, Vandaalsch, Byzantijnsch en Arabisch gezag kwam. Maar in 698 sloeg voor haar het uur van ondergang. Ingenomen door de volgers van Mohammed, werd zij in brand gestoken en verwoest. Gedurende meer dan 12 eeuwen sliep de stad haar doodslaap onder de asch, tot het tegenwoordige geslacht, bezield met ijver voor wetenschappelijke onderzoekingen, haar daaruit opwekte, om, al is het dan slechts gedeeltelijk, hare vroegere heerlijkheid aan den dag te brengen en van hare voormalige grootheid te getuigen. Timgad noemt men wel het Afrikaansch Pompeï, maar er is wel eenig verschil tusschen die twee. Terwijl men te Pompeï een duidelijker beeld krijgt van de inwendige inrichting der huizen en van het huiselijk leven der Romeinen, ontvangt de bezoeker van de bouwvallen van het oude Thamugadi een juister indruk van een groote, bloeiende stad uit den keizertijd, van haar gansche bouworde en inrichting. Licht zal men vragen, hoe het komt, dat van Timgad zooveel bewaard gebleven is, terwijl van andere oude steden van Afrika b.v. Carthago, niets meer over is? Dit komt door hare afgelegen ligging midden in een bergland, ver van de zeekust. Want deze omstandigheid verhinderde de Grieken, de Genueezen, de inwoners van Pisa en den bey van Constantine om van de stad, zooals zij van Karthago en andere plaatsen deden, een dépôt van bouwmateriaal te maken. Timgad bereikt men van Batna uit; het is ruim 10 uur rijdens heen en terug. Een lange tocht dus, maar die wel de moeite loont. De goed onderhouden straatweg dagteekent reeds gedeeltelijk uit den Romeinschen tijd, daar hier vroeger de heerbaan liep van Lambesse naar Timgad. Lambesse, dat men na een uur rijdens voorbij gaat, diende vroeger tot versterkt kamp van het derde legioen van Augustus, dat met de verdediging van Afrika belast was. Er is nog een tamelijk goed behouden hoofdingang van het praetorium te zien, dat tot woning diende voor den keizerlijken legaat of onderbevelhebber, benevens overblijfselen van een tempel van Esculapius en van een triomfboog van Alexander Severus. Het is frisch in het dal waar men doorrijdt, want Batna ligt op meer dan 1000 M. en de bergen van den Aurès, die men niet uit ’t gezicht verliest, zijn hier en daar met sneeuw bedekt. Na onderweg nog de ruïne van den triomfboog van Markouna (met ziet, men is en plein pays de l’antiquité) voorbijgereden te zijn, dagen eindelijk [29] de bouwvallen van Timgad in het nevelachtig verschiet op als een moeilijk te beschrijven verwarde massa. Dit wordt echter anders, als men naderbij gekomen is. Dan bespeurt men dadelijk, dat de stad volgens een vast plan gebouwd is. Niet alléén echter bezoeken de reizigers de bouwvallen. Hun wordt een gids medegegeven en niet tot hun nadeel, want anders zouden zij kans loopen te verdwalen tusschen de talrijke overblijfselen der verschillende monumenten en bovendien menige nuttige aanwijzing missen. Men kan zich een klein denkbeeld vormen van de uitgestrektheid, die de stad vroeger besloeg en tevens van haren bloei, uit de vermelding dat wij een rondgang maakten van meer dan 3 uur en toen nog alleen maar de voornaamste dingen gezien hadden. Daarbij komt nog, dat men aanhoudend nieuwe ontdekkingen doet, nieuwe schatten uit den bodem toovert. De gids bracht ons het eerst naar het middelpunt der stad, het snijpunt der beide hoofdwegen, den Decumanus maximus en den Cardo. Deze snijden elkander rechthoekig en dit snijpunt bepaalt de plaats der voornaamste gebouwen. Alles in navolging van Rome. Dicht bij het snijpunt ligt het schoonste en best behouden monument der geheele ruïne, de triomfboog van Trajanus. Opgetrokken uit grijzen baksteen, maakt het met zijn drie bogen, ter hoogte van 16 M., een indrukwekkend effect. De middelste boog, juist ter breedte van de straat, was voor wagens bestemd, de andere, kleinere voor de voetgangers, die zich op de trottoirs bewogen. Voor de bestrating droegen de Romeinen veel zorg. Dit blijkt ook uit die te Timgad, die nog uitstekend behouden is. Zij bestaat uit groote platte steenen, waar men nog duidelijk het wagenspoor in zien kan, door de wielen er in gegroefd.


Gezicht op de oase en de bergspleet van El-Kantara.

Van het Forum, het politieke middelpunt der stad, de verzamelplaats van alle burgers, is niet veel meer over. Slechts een paar zuilen ter hoogte van 13 M. en een menigte opschriften getuigen van vroegere heerlijkheid. Onder die opschriften is er één, dat de aandacht trekt. Het is de luchtige levensopvatting van een Romeinschen nietsdoener: “venari, lavari, ludere, ridere, hoc et vivere”, in goed hollandsch: “jagen, baden, spelen, lachen, dat is leven”.

Het theater is beter bewaard gebleven. Tegen een heuvel aangebouwd of liever in de rots uitgehouwen, zijn de rijen zitplaatsen in den vorm van een halve maan nog vrij volledig aanwezig. Ook de zuilengaanderij, die achter het tooneel liep, staat, hoewel de meeste zuilen afgeknot en afgebrokkeld zijn, [30] tamelijk goed overeind. Het theater kon meer dan 4000 toeschouwers bevatten, behalve die nog op den heuvel plaats namen.

Natuurlijk bezat Timgad zijn Kapitool of burcht, tevens tempel van Jupiter, Juno en Minerva. Latere onderzoekingen hebben uitgemaakt, dat hij een oppervlakte van 840 M2. moet beslagen hebben. Over ’t geheel moet alles er van reusachtige afmetingen geweest zijn. Dit bewijzen twee zuilen, die indertijd tot de propylaeën, een zuilengaanderij, die om den tempel heen liep, behoord hebben. Deze lagen in 8 brokstukken verspreid. De reconstructie daarvan heeft niet minder dan 10,000 frs. bedragen, waarvan 3000 frs. voor een hijschtoestel. De opgezette zuilen zijn 16 M. hoog en hebben aan de basis een breedte van 1 M. 50 cM. Voorts zijn door de opgravingen nog aan het licht gebracht de thermen of baden, die bij de Romeinen zoo’n voorname rol speelden. Vier zijn er tot nog toe te Timgad ontdekt, 2 groote en 2 kleine. Natuurlijk is alleen de onderbouw gedeeltelijk bewaard gebleven, maar juist daaraan kon men zien, op wat voor vernuftige wijze de Romeinen den aan- en afvoer van water, benevens de verdeeling van heete en koude lucht ten behoeve der verschillende vertrekken regelden. De kleine thermen beslaan te zamen een oppervlakte van ruim 2000 M2.; de riolen ten behoeve van den waterafvoer doen heden nog dienst om het overtollige water van de bergen naar de vlakte te leiden.

In een museum zijn al de kunstschatten bijeengebracht, door de opgravingen aan het licht gekomen. Deze zijn van den meest verschillenden aard en meestal geschonden. Voortreffelijk behouden is een beeldig bronzen Venuskopje, dat aan den bloeitijd der Grieksche kunst doet denken.

Wij zeiden het reeds, ijverig worden de opgravingen voortgezet, begunstigd en aangemoedigd door de Fransche regeering. Zij worden verricht onder toezicht van den bekwamen heer Ballu, chef van den archaëologischen dienst voor Afrika. Hare subsidies heeft de regeering vermeerderd van frs. 25,000 tot 100,000 frs. Zoo poogt zij dus ook hier een verzuim der Arabieren te herstellen en blijft door het bevorderen van wetenschappelijke en geschiedkundige onderzoekingen haar roeping van beschaving brengende mogendheid getrouw, daarbij de schoone kunsten niet vergetend.

Ten zuiden van Batna ondergaat niet alleen het landschap, maar ook de gesteldheid van den bodem en het klimaat spoedig een groote verandering. Geen wonder, want men verlaat de hoogvlakte en nadert de woestijn, die haar invloed doet gevoelen. Van Batna loopt een spoorlijn naar het Zuiden, die de verbinding tot stand brengt tusschen Biskra, een voornaam punt van samenkomst van verschillende karavaanwegen uit de Sahara, en de noordelijker gelegen streek der Tell. Op korten afstand van Batna neemt het landschap reeds een woestijnkarakter aan, dat voortdurend ruwer en onherbergzamer wordt. De bergen en heuvels vertoonen de grilligste vormen, nu eens spits toeloopend, dan weer met een breeden, ronden koepel gekroond. Soms staan zij in groepjes, in langere of kortere ketenen bij elkander; op andere plaatsen verrijzen eenzame kegels en toppen plotseling uit de vlakte. Het is als ’t ware, of de natuur nu eens moeite gedaan heeft, deze landstreek in den meest chaötischen toestand te brengen, er alles onderste boven te keeren. De bodem, nu eens rotsachtig dan weer klaar zand, vertoont met uitzondering van eenige mossoorten niet den minsten plantengroei. Zoutmeren met lage, bruine, half uitgedroogde oevers verhoogen slechts de intense treurigheid van het landschap. Dit duurt zoo voort tot aan de halte El-Kantara, waar de bergen hooger worden maar het landschap iets vriendelijker, want er is een riviertje in de nabijheid.

In het nauwe dal, waardoor de oued El-Kantara (oued = rivier) stroomt, ligt, door hooge rotsen ingesloten, het vriendelijke, geriefelijke hôtel Bertrand, waar de bestoven en verhitte reiziger gaarne afstapt. Volgt men nu de goed onderhouden chaussee door het dal naar het Zuiden, zoo schijnt het, dat de bergketen van den djebel-Gaouss dit weldra geheel zal afsluiten. Er is slechts ruimte voor den weg en het riviertje; de spoor heeft zich door een tunnel baan moeten breken. Maar plotseling, op een punt, waar de berg slechts een nauwe spleet vormt, met wanden, die onder een hoek van 60° steil naar boven rijzen, wijken de rotsen terug en laten den verrasten reiziger den blik slaan op een breed dal, waarin de uitgestrekte en bekoorlijke oase van El-Kantara ligt. Voor hem die dit voor ’t eerst aanschouwt, een tooneel van natuurschoon om nooit te vergeten. Het opmerkelijkste is de schrille tegenstelling tusschen de absolute onvruchtbaarheid der naakte rotsen en de oase met haar donkergroenen bladerdos van statig wuivende palmen, waartusschen het kleine, vruchtbaarheid brengende stroompje zich een weg baant. De Arabieren noemen de bergspleet van El-Kantara den mond der woestijn, en de geleerden hebben uitgemaakt, dat hier de grens der Sahara is. Neemt men van meer nabij een kijkje in de oase en bezoekt men het dorp El-Kantara, zoo geraakt men meer en meer in verrukking. De huizen, uit grijze leem opgetrokken, gelijken op kleine vestingen, met smalle vensters als schietgaten. De tuintjes, door leemen muren van elkander gescheiden, zijn slechts eenige M2 groot, doch bevatten voor den eigenaar zijn levensonderhoud, de onwaardeerbare dadelpalmen. De dadelpalmen, in ’t Zuiden van Europa en aan Afrika’s Noordkust, geven, hoezeer zij de schoonheid van het landschap ook verhoogen, geen vruchten. Deze rijpen eerst veel zuidelijker, op ongeveer 38° breedte en hebben daartoe gedurende de zomermaanden een warmte van 40° a 50° Celsius noodig. De dadelpalm, zegt de Arabier, “moet met het hoofd in ’t vuur, met de voeten in ’t water staan.” Daarom groeit de dadel ook alleen dáár in de woestijn, waar water voorkomt, n.l. in de oase, hetzij natuurlijke, hetzij kunstmatige. De laatste komt verreweg het meest voor, daar zij zeer veel zorg behoeft wat de besproeiing betreft, en de eerste bij gebreke daarvan spoedig te gronde gaat. Evenals elders, stonden de dadels in de tuintjes te El-Kantara met den voet in een kegelvormig gat, waar men het water in laat loopen. Door de geheele oase loopt een kunstig net van kleine stroompjes tot aan en afvoer van water, en zijn lage dijken aangebracht tot afdamming. [31] Men moet spaarzaam met het kostbare water omgaan, daarom worden alle tuinen beurtelings eens om de 14 dagen besproeid. Onder het dichte bladerdak wordt de dadel in de zoele hitte veilig rijp en dragen andere boomen, ook Europeesche gewassen rijke vrucht; vijge-, abrikozen- en perzikboomen verrukten het oog door den rijken kleurenschat hunner bloesems, terwijl de wijngaardranken en clematis zich door de toppen heenslingeren. Ook verschillende groentesoorten tieren er welig. Een steenachtig, hobbelig pad voert door de oase; af en toe moet men de rivier doorwaden, die bijna droog is en geniet dan een schilderachtigen aanblik op de rotsachtige, met bloeiende oleanders en cactussen omzoomde oevers. Arabische jongens en meisjes komen u tegemoet, willen u met alle geweld den weg wijzen en doen aanslagen op uw beurs. De avond valt. In groepen zitten de Arabieren, jonge en oudere mannen, voor de lage huizen bijeen, allen in de witte burnou gehuld, waaronder menige grijsaard door zijn statig voorkomen de aandacht trekt. Waarlijk een eerste bezoek aan een oase in de woestijn maakt op den reiziger een onuitwischbaren indruk en doet hem denken aan de schoonste tafereelen der 1001 nacht.

Veel heeft het Fransche gouvernement sinds de bezetting van Algerië voor het behoud, de stichting en de uitbreiding der oasen gedaan. Natuurlijk was zulks eerst mogelijk, nadat de Fransche troepen tot aan den rand der Sahara waren doorgedrongen. Zooals men weet is de Sahara vroeger zee geweest. Het water is in ’t zand weggezonken, zoodat zich in verschillende streken uitgestrekte onderaardsche meren gevormd hebben, die somtijds meer dan 200 M. diep liggen. Elders verkrijgt men bij ’t graven reeds op 6 M. diepte water. Het geldt nu, dit water te voorschijn te brengen en door bevloeiing den naasten omtrek vruchtbaar te maken. Den Arabier staan daartoe slechts gebrekkige hulpmiddelen ten dienste. Daarom moet de Franschman met zijn machines voor ’t boren van artesische putten hem te hulp komen. In 1856 liet kolonel Desvaux, commandant van Batna, de eerste boringen doen te Tumerna, waar men een put aanboorde, die 4010 L. water per minuut gaf. Somtijds spuit het water met zoo’n geweldigen aandrang en in zoo’n rijkelijke hoeveelheid uit den bodem, dat het een deel der landstreek onder water zet en de aanwezigen zich in allerijl moeten bergen, ten einde niet verzwolgen te worden. Dit duurt echter maar kort, waarna de toevloed vermindert. Het water wordt afgedamd en door kunstige kanaliseering wordt een zoo groot mogelijke streek bevloeid.

Uitbundige vreugde heerscht er bij de bevolking. Fantasia’s worden gehouden, saluutschoten in de lucht afgevuurd en de dorpcheik betuigt den “vader van het water” (naam, dien de Arabieren aan den ingenieur, met de boringen belast, geven) de dankbaarheid der bevolking. Alle nood is vergeten, de toekomst der oase, der bewoners verzekerd, nieuwe bronnen van bestaan geopend, de arbeid vermeerderd, de welvaart toegenomen. Alleen van 1856–’66 liet de Fransche regeering 150,000 palmen planten. Zij legt den bewoners der oase slechts de matige belasting van 20 à 30 centimes per dadelboom op. Eenige jaren geleden schonk zij aan een dorp 2/5 der belasting kwijt wegens mislukking der oogst. Men houde wel in ’t oog, dat de geduldige, vlijtige bebouwer der oase niet is de luie, rondzwervende Arabier, maar tot den stam der vroegere inwoners, der Berbers behoort.

Vroeger was het gewoonte, dat de Arabier tegen den oogsttijd zijn tenten in de nabijheid der oase kwam opslaan, om van den oasebewoner schatting van den oogst te eischen. Deze schatting bedroeg dikwijls meer dan de helft. Aan dit misbruik heeft het Fransche gouvernement een einde gemaakt, en dit is dus ook in dit opzicht den inboorling tot zegen geweest.

Niet alleen echter voor het stoffelijk welzijn, ook voor het geestelijk heil der bevolking wordt goed gezorgd. Dit bewijzen de vele scholen, die overal in steden, dorpen, ja zelfs in afgelegen oasen opgericht zijn. Ook El-Kantara bezit een school. Jaarlijks wordt uit de schranderste dorpskinderen van ongeveer een jaar of 6 een keus gedaan ten getale van 10 of 12, om een cursus van 6 à 7 jaar te volgen. Het onderwijs, dat ’s winters gegeven wordt, bestaat in Fransch (dat de Arabieren zeer gemakkelijk leeren), teekenen, hand- en tuinarbeid en rekenkunde. Desverkiezende kunnen leergierigen op hun 13de of 14de jaar nog een hoogeren cursus volgen, waar ook geschiedenis onderwezen wordt. De schoollokalen te El-Kantara zijn voldoende en ruim ingericht. Aan de wanden prijken, behalve vele schoolprenten, de teekeningen van jeugdige Berbertjes, die van goede opmerkingsgave getuigen. Zelfs te Ouargla, een oase midden in de Algerijnsche Sahara gelegen, is een Fransche school. Van Biskra uit moet de schoolmeester per kameel de reis daarheen doen, welke 14 dagen duurt. Wel een bewijs, dat zelfs afgelegen plaatsen op onderwijsgebied niet vergeten worden.

El-Kantara is zeer gezocht door hartstochtelijke jagers, die in de kloven van het gebergte en in de valleien der woestijn jacht maken op de mouflon, het ruige bergschaap met breede, gekrulde hoorns en de snelvoetige antilope. Wij, toeristen, maakten een interessant uitstapje naar het schilderachtige dal van Tilatou. ’s Morgens vroeg op muilezels onder geleide van een levendigen Arabier, een dorpsjongen uit El-Kantara, vertrokken, drongen wij in een zijdal der rivier door, dat hoe langer hoe nauwer toeliep. Slechts een smal voetpad voerde langs den steilen oever, ontbrak soms ook geheel. Dan daalden de muilezels in de rivier af en vervolgden daarin hun weg. Een andermaal klauterden zij als katten tegen de steile hellingen op of daalden behoedzaam tusschen groote rotsblokken naar beneden. Voortdurend riep de jonge Arabier ons toe: “Laissez le mulet, il sait son chemin.” Waarlijk, men kon niets beter doen dan zich lijdelijk aan zijn muildier overgeven en de kalme, behoedzame zekerheid bewonderen, waarmede het steeds den reeds vroeger afgelegden weg terug vond. Tegen ’t middaguur stapten wij af op een plaats, waar het dal, door hooge krijtrotsen omgeven, breeder werd. Was het vroeger woest en onbegroeid, hier heerschte een weelderige plantengroei. Langs de rotsoevers der beek bloeiden en geurden om strijd oleanders en wilde rozen, hoogerop [32] vormden vijge- en laurierboomen, amandel-, perzik- en abrikozenboomen, omstrengeld met wijngaardranken en lianen, een dicht bosch, waarboven een enkele palm zijn trotsche kruin verhief.


Gezicht in het dal van Tilatou. Op den berg het dorp der holbewoners met den toren der moskee.

Na een bezwaarlijke klimpartij tegen een met rotsblokken bezaaide berghelling was het punt bereikt, waar wij op korten afstand het gezicht op het doel van onzen tocht hadden, een dorp van holbewoners of oermenschen. De natuur heeft hier n.l. in de krijtrotsen vrij diepe holen en grotten gevormd, die door de gemakzuchtige Arabieren met geringe moeite tot woningen voor zich zelf en stallen voor hun vee ingericht zijn. Tegen de rotsen aangeleund, verheft zich de afgebrokkelde toren van een moskee. Daar leven ongeveer een 300 mannen, vrouwen en kinderen, ver van de wereld, met bijna geen behoeften, zich voedend met de opbrengst hunner kudden en der weinige vruchtboomen die zij verzorgen onder het aartsvaderlijk opzicht van een kadi (rechter) en een marabout (priester). Een idyllische toestand voorwaar, die ons Westerlingen, vermoeid door het gejaagde, de zenuwen op de proef stellende, dikwerf zoo ongezonde leven der hedendaagsche maatschappij, jaloersch zou kunnen maken, zoo ... wij wat meer van ’t karakter van den Arabier in ons hadden.



Biskra, ongeveer twee uur sporens ten Zuiden van El-Kantara, is het eindpunt van de lijn van Constantine naar de Sahara. Het is een oase, die, wat uitgestrektheid en schoonheid betreft, El-Kantara nog ver overtreft. Juister gezegd, bestaat het uit elf oasen van uiteenloopende uitgestrektheid, die schilderachtig verspreid aan den voet van twee massieve bergmassa’s liggen, den reeds vroeger vermelden Djebel Aoures en den berg der Zibans (ziban-dorpen, enkelv. zab). De Arabieren, steeds er op uit om alles, wat door bijzondere schoonheid of bekoorlijkheid uitmunt, bij een koningin, sultane of prinses te vergelijken, noemen daarom Biskra de koningin der Zibans. En terecht verdient het dien naam. Want als een koningin, stralend van schoonheid, de trotsche kruinen van zijn 160,000 palmen badend in den zonnegloed, ligt het daar aan den ingang der woestijn bij de grenzen der beschaafde wereld. Het is als ’t ware of het aan de wereld toonen wil, dat ook de woestijn hare overweldigende schoonheid bezit. En niet alleen schoonheid is haar deel, ook leven, rusteloos en bedrijvig leven, drukte en vroolijkheid vol Oostersche levendigheid en schitterende kleurenpracht. Wat Tunis voor het Noorden is, dat is Biskra voor het Zuiden. Heeft men daar het Arabische leven in al zijn oorspronkelijkheid, hier kan men den nomadiseerenden Arabier in zijn ware natuur aanschouwen.

Biskra is het knooppunt van karavaanwegen bij uitnemendheid. Daar toch komen tallooze wegen uit de Sahara te zamen; daarlangs loopt sinds eeuwen de hoofdweg van het binnenland door de poort van El-Kantara naar Tunis. Van Biskra uit gaat ook de groote karavaanweg over de oasen Tougourt en Ouargla dwars door de Sahara naar het geheimzinnige Tomboktou aan den Niger. Het ideaal van het Fransche gouvernement is, dien weg binnen niet al te langen tijd, van oase tot oase, te vervangen door een spoorweg, den Transsaharien. De 60,000 inwoners van de oase bestaan uit de meest verschillende rassen uit de woestijn en het gebergte afkomstig, n.l. negers uit de Sahara en Centraal-Afrika, Berbers uit den djebel-Aoures, Arabieren uit het Noorden en uit de Zibans benevens een menigte nomaden, die overal hun tenten in ’t vrije veld opslaan. [33]


De Col des Sfa bij Biskra. Gezicht op de Sahara.

De Europeanen te Biskra bestaan voor ’t grootste deel uit ambtenaren, militairen en vreemdelingen. Om het gezonde klimaat, de droge, reine, uitstekende lucht wordt Biskra meer en meer gezocht als winterverblijf voor vreemdelingen, die er evenals in Egypte genezing voor longaandoeningen komen zoeken. De toeloop van vreemdelingen heeft te Biskra paleizen van hôtels doen verrijzen, die in niets voor Europeesche behoeven onder te doen. Vooral het Victoria-hôtel en Hôtel Royal munten uit door hun ruime bouworde, prachtige ligging en uitstekend ingerichte lees- en gezelschapszalen. Daar treft men ook nomaden aan, maar Europeesche, nl. globe-trotters en mondaines in de elegantste toiletten. In het voor- en najaar is het te Biskra het drukst, en wordt het ook het meest bezocht door de karavanen.

In ’t voorjaar, als de hitte zich in de woestijn doet gevoelen, de zonnebrand het schaarsche gras verdort, maken de nomaden zich op, om met hunne kudden naar de noordelijker gelegen bergstreken te trekken, waar zij voedsel voor hun vee vinden. In ’t najaar heeft de trek in omgekeerde richting plaats. Daar wij juist in ’t voorjaar te Biskra waren, konden wij getuigen zijn van het drukke verkeer, dat er dien tijd heerscht. In lange rij kwamen de karavanen uit de binnenlanden opzetten, al naarmate van den rijkdom des eigenaars door groote of kleinere kudden schapen, geiten en kameelen vergezeld. Meestal reed de eigenaar op een vurig paard voorop, dan volgden vrouwen en kinderen op den rug der kameelen, de vrouwen nu eens gesluierd, dan weer door een palankijn van bont gestreept doek voor onbescheiden blikken verborgen. Huisraad en koopwaren, zooals dadels, harst en houtskool, waren eveneens op kameelen en ezels verpakt. Vlugge, slanke, bruine jongens en mannen liepen hier en daar naast den stoet, een wakend oog op de kudden zwarte schapen en geiten houdend. Voor de kameelen is dit niet noodig, die volgen van zelf een enkele moederkameel vergezeld van een jong, dat gedwee bij de moeder blijft en er in zijn schonkige magerheid onoogelijk uitziet. Herbergen, gelijk bij ons, kent men in ’t Oosten niet. De karavanen moeten hun toevlucht zoeken in een gebouw, karavanserai genoemd, bestaande uit vier vleugels, rondom een vierkante plaats. Op dit plein verzorgt men het lastvee en in het gebouw betrekt de Bedouïn een cel, waarin hij niets vindt dan een mat. Het is een schilderachtig tafereel, een drukke karavanserai, maar de zindelijkheid laat er veel te wenschen over. Natuurlijk vinden in den drukken tijd lang niet alle karavanen er plaats, en daar de toegang aan de [34] vrouwen verboden is, geven de meeste Bedouïnen er de voorkeur aan, in de open lucht te kampeeren. Onder een paar palmboomen wordt de tent opgezet, en broederlijk huist de geheele familie daar te zamen met honden, schapen en geiten. Sommige dier tenten zijn van zeildoek of linnen, en men kan zien, dat daar binnen eenige welgesteldheid heerscht; de eigenaar ligt in zijn volle waardigheid zijn pijp te rooken, vrouwen en meisjes zijn bezig met den maaltijd toe te bereiden, of weven doeken en shawls uit kleurige stoffen.

Andere tenten zijn niets dan een lappendeken van vodden op eenige staken, omringd met een doornhaag (zeriba) ter bescherming van het vee; groezelige vrouwen zitten neergehurkt voor den ingang, of werpen den vreemdeling schuwe blikken door de scheuren der tent toe; magere half wilde honden blaffen hem toe, en havelooze, smerige, halfnaakte kinderen stuiven op hem af, onder ’t geroep van “donnez un sou, m’siou” (’t eerste wat elk Arabierenkind leert), waarbij zij zoo onbeschaamd aanhouden, dat men ze bijna met geweld verjagen moet.

Evenals in alle steden, die zich kenmerken door een internationaal va-et-vient van reizigers, is ook te Biskra voor de noodige afleiding en ontspanning gezorgd.

Na zijn zwerven door de woestijn, dikwijls gekweld door hitte, dorst en den verraderlijken woestijnwind, den simoun, wil de Arabier, zelfs de meest nomadisch aangelegde, wel weer eens de genietingen der beschaafde wereld smaken.

Daarbij komt, dat het drukke vreemdelingenverkeer nu niet bepaald voordeelig op de zeden gewerkt heeft, zoodat te Biskra druk aan Venus en aan ’t spel geofferd wordt; ook houden de Arabieren zich daar niet zoo streng aan de wet van den profeet als hun voorgeschreven is ten opzichte van wijn en alcoholische dranken, zooals wij zelf eenmaal aan onzen gids konden bemerken. Des avonds en gedurende een deel van den nacht is het in sommige straten vrij druk en rumoerig; danshuizen en café’s stralen van licht, harde snerpende muziek weerklinkt, in ’t kort een soort oostersch boulevard-leven in ’t klein. Dit concentreert zich voornamelijk in de zoogenaamde straat der Oulad-Nayl. De Oulad-Nayl is een Bedouïnenstam, die in het gebergte van dien naam ten westen van Biskra huist. Tegen den winter gaan de dochters van dien stam naar die plaats toe, om er zich in de arabische café’s als dansmeisjes te verhuren, tevens haar harten zoo wijd mogelijk voor alle vreemdelingen openstellend. In ’t Oosten wordt de danskunst in ’t openbaar slechts uitgeoefend door meisjes van twijfelachtige zeden.

Dit doet echter der dochters der Oulad-Nayl geen kwaad. Integendeel. Want evenals de japansche Greishameisjes, zijn zij bij haar terugkeer naar haar stam met de opgespaarde verdiensten als bruiden zeer gezocht.

In tegenstelling met de andere Arabische vrouwen ongesluierd, zitten zij voor de deuren van haar lage huizen, in lange bonte kleederen gehuld, den kleurigen tulband op ’t hoofd, dat aan weerskanten omlijst is met een dikken dot valsche krullen van dunne zwarte wol, hals en borst behangen met tallooze kettingen van louis d’or, munten, steenen en schelpen; armen, polsen en enkels met armbanden en ringen versierd, de nagels rood geverfd met hennéh, de wenkbrauwen met kohl tot één dikke zwarte streep getrokken, die de donkere oogen onnatuurlijk groot maakt. De vreemdelingen gaan natuurlijk een kijkje in deze wijk nemen, omdat zij hier een eigenaardig stuk oostersch leven te zien krijgen en niets dat tegen de borst stuit. In ’t café binnengetreden, waar een talrijk publiek van allerlei stand en landaard is, zetten zij zich op de met tapijten belegde steenen banken neer, om naar het dansen toe te zien. Op een soort estrade maken eenige muzikanten eentonige muziek, eerst zacht en slepend, om eensklaps over te gaan tot fortissimo in een razend tempo, dat eindigt met den Europeaan wanhopig te maken. Op de maat dier muziek voeren de dochters der Oulad-Nayl hare gracieuse dansen uit, met voorzichtige schuifelende passen, lenige lende- en heupbewegingen en sierlijk soms statig armgebaar.

Een kunststukje daarbij is, een ontvangen geldstuk op het voorhoofd te plaatsen en dit onder ’t dansen en ’t achteroverbuigen van het bovenlichaam steeds daarop te houden.

Uren lang kan de Arabier naar die dansen toezien; voor den Europeaan worden zij spoedig eentonig. In een ander café worden krijgsdansen uitgevoerd door negers uit Centraal-Afrika, die zich daarbij zoo afschuwelijk mogelijk toegetakeld hebben, behangen als zij zijn met lynx- en vossevellen. Onder het uitstoot en van rauwe, brullende kreten, die niets menschelijks meer hebben, draaien zij met snelle sprongen en bewegingen om elkander heen, onder ’t zwaaien van kromme sabels, met klapperende castagnetten en een kleine oorlogstrom een oorverdoovend lawaai makend.

Zoodanig tooneel biedt de straat der Oulad-Nayl den vreemdeling des avonds. Door zijn licht en leven, zijn oostersche vrouwen en kleurenpracht en al het exotische maakt deze plek een eigenaardigen indruk, dien hij niet licht vergeet.

Zeer loonend en vol afwisseling is een wandeling door het dorp oud-Biskra, bewoond door de eigenlijke inwoners der oase. Men bewondert hier even als te El-Kantara het kunstige irrigatie-stelsel en de hoog opschietende dadelpalmen, terwijl de nettere, ruimere woningen van meer welstand dan ginds getuigen.

Niet ver van daar liggen op een lagen heuvel de overblijfselen van een turksch fort, dagteekenende uit den tijd dat het gezag van den Grooten Heer te Constantinopel zich nog over Tunis tot aan de grenzen der Sahara uitstrekte. Van den top heeft men een gezicht op het zuidelijk gedeelte van Biskra en tevens op den Col des sfa (sfa: kameelen), waar een vale, golvende streek te kennen geeft, dat hier het ruwste en onvruchtbaarste deel der Sahara, de zandwoestijn, waar de simoun heerscht, door de Arabieren El Erg genoemd, een aanvang neemt.

Beter nog dan van den heuvel bij oud-Biskra kan de reiziger de zandwoestijn aanschouwen van den toren der moskee van Sidi-Okba. Dit is een dorp geheel bewoond door Arabieren, op 3 uur rijdens van Biskra verwijderd. Het is voor hen een beroemde bedevaartplaats, want in de moskee [35] ligt begraven Sidi-Okba, een neef van Mahommed en fanatiek strijder voor ’t geloof van den profeet, die in den strijd met de Berbers sneuvelde. Hier ziet men geen Europeesch gebouw, geen spoor van westersche beschaving. Men is geheel in een Arabisch milieu, hetgeen het interessante van het bezoek verhoogt, maar in hooge mate de vrijheid van beweging belemmeren zou, als niet de Fransche regeering speciaal een Arabier als beambte aangesteld had, om de vreemdelingen als gids te dienen en tegen de al te groote indringerigheid en bedelzucht van zijn landgenooten te beschermen.

Bij ’t bezoek aan het graf, dat met kostbare wijgeschenken en fraai met goud en zilver bestikte tapijten versierd is, bestijgt men ook den toren der moskee; en van den omgang, waar de muezzins bij ’t ondergaan der zon met luidklinkende stem de geloovigen tot het avondgebed oproepen, heeft men een onmetelijk uitzicht op de golvende zandzee, die zoo veel drama’s en verschrikkingen in haren schoot bergt en waarvan het kleine, in het zonlicht schitterende dorp met zijn slanke palmen slechts een verlaten post schijnt te zijn. Toch is het bewoond door ongeveer 3000 Arabieren en negers.



Een der voornaamste aantrekkelijkheden van het reizen in Algerië is de groote afwisseling, die de natuur telkenmale aanbiedt. Een halve dagreis is dikwijls voldoende om den reiziger in een landstreek te brengen, die zoo in alle opzichten verschilt van die, waar hij den vorigen nacht het moede hoofd ter ruste legde, dat hij zich zelf bijna verwonderd afvraagt, of deze verandering toch werkelijk in zoo korten tijd heeft plaats gehad. Grooter tegenstelling dan tusschen het landschap van Biskra en Kabylië is wel niet denkbaar. Kon ginds de blik een onmetelijken horizon bevatten, zoo wordt hij hier op korten afstand gestuit door massieve bergmassa’s waarvan de toppen met sneeuw bekroond zijn, want Kabylië is het hoogste en meest uitgestrekte bergland van geheel Algerië. Het behoort tot twee provincies. De oostelijke helft is de grootste en ligt in de provincie Constantine. De bergen bereiken er echter niet zoo’n hoogte als die der westelijke helft, in de provincie Algiers gelegen. Van Constantine naar het Westen sporend, komt de reiziger eerst in de door graan vruchtbare maar eentonige vlakte van Sétif. Langzamerhand, bij ’t naderen van den Biban-keten, wordt het landschap woester en meer bergachtig; steunend en hijgend zwoegt de machine tegen de berghelling op, van tijd tot tijd stil houdend, waar werklieden bezig zijn den veel onderhoud vereischenden weg te herstellen. Het is of men in een Zwitsersch landschap verplaatst is. Verdwenen zijn de karavanen met Bedouïnen en kameelen, als waren zij door den sirocco weggevaagd, verdwenen ook de palmen met hun sierlijke bladerkronen. De beambten en arbeiders langs den weg zijn bijna allen van Europeeschen stam en de schilderachtige oasen zijn vervangen door spaarzame boomgroepen van het soort dat men “pin d’Aleppe” (een variatie van den den) noemt en naakte, loodrecht oprijzende rotswanden. Steiler wordt de weg, langzamer kruipt de trein naar boven, tot hij bij de Portes de Fer het hoogste punt bereikt heeft. Van daar daalt de weg dan weder met vele zig-zagwendingen en slingeringen in de vruchtbare vlakte van de Sahel, waar talrijke olijfboomgaarden en velden met wijnstokken en graan beplant, van de vruchtbaarheid getuigen. Steeds breeder en liefelijker wordt het dal, tot de spoorweg zijn eindpunt, het aan zee gelegen Bougie bereikt, waar ook de Sahel zich in zee stort. Geen plaats in Algerië is schooner gelegen dan Bougie, amphitheatersgewijze tegen de heuvels gebouwd, die een tamelijk groote golf omringen. Het gezicht, dat men op de golf heeft van de balkons van het in Zwitserschen trant gebouwde hôtel, is werkelijk eenig mooi. Op den voorgrond de kleine haven, waar slanke vaartuigen met driehoekige zeilen op de donkerblauwe watervlakte heen en weer schommelen; aan den overkant bergketenen uit de zee oprijzend, steeds hooger en hooger, de voorste lagere, met groenenden wasdom, de achterste hoogere, witgekuifd door sneeuw; aan de linkerhand de volle zee, aan de rechter de vruchtbare vlakte der Sahel, hier en daar door verschillend genuanceerde, groenende boomgroepen onderbroken. Op een eenzame, ver in zee uitstekende rots, kaap Carbon, staat een vuurtoren met draaiend licht, hetwelk op 45 K.M. van uit zee te zien is. Want de kust is hier zeer gevaarlijk, daar er dikwijls zoo’n sterke mist heerscht, dat men geen twee passen voor zich uit kan zien.

Bougie is het uitgangspunt voor tochten te voet en per rijtuig door Groot- en Klein Kabylië. Wegen, hôtels en middelen van vervoer laten er echter nog veel te wenschen over, zoodat de Arabieren met dien primitieven toestand hun voordeel doen en er geen streek is, waar de reiziger meer op zijn tellen en op zijn beurs moet passen dan in dit deel van het beschaafde Algerië.

Onderscheidt Kabylië zich, wat de natuur en de gesteldheid van den bodem betreft, van het Zuiden, ja men kan veilig zeggen van geheel het overige Algerië, zoo is er ook op het gebied van bevolking groot verschil. De Kabyl is een afzonderlijk type, dat zich door de afgeslotenheid van zijn ontoegankelijke bergen door vele eeuwen heen zeer zuiver gehandhaafd heeft, weinig vermengd als het is door nauwere aanraking met de verschillende volksstammen, die achtereenvolgens het land overstroomden. Van middelbare gestalte, lenig, welgemaakt en gespierd, met blauwe oogen en rosachtig haar, vertoont hij een geheel ander type dan de Arabier. Hij behoort tot de oorspronkelijke Berberstammen, die voor de komst der Romeinen het land bewoonden en zich gedurende de onophoudelijke oorlogen en vervolgingen in het ontoegankelijke gebergte terugtrokken. Ook in het Aôures-gebergte vindt men dergelijke stammen. Fanatiek, sober, dapper en vrijheidslievend, met open, vrijen oogopslag, heeft de Kabyl al de deugden van den bergbewoner. Een langen, hardnekkigen oorlog hebben de Franschen in Kabylië moeten voeren, eer het voor goed onderworpen was. Telkens verslagen, trokken de bewoners zich weder in ontoegankelijke streken terug, om den aanval onverwacht te hervatten als de kans hun gunstig scheen. Vele Fransche veldheeren hebben hun sporen in dezen veldtocht [36] verdiend. Ook de hertog van Aumale, later stadhouder van Algerië, heeft er als dapper soldaat zijn plicht gedaan. Onder de dweepzieke leiding van den bekenden emir Abd-el-Kader was Kabylië een brandpunt van verzet. Een treurige vermaardheid verwierf er door zijn wreedheid de overste Pelissier, later voor zijn verdienste bij Sebastopol tot hertog van Malakoff benoemd. In 1845 liet hij een geheelen Kabylenstam ten getale van 800, die met vrouwen en kinderen in een ruime rotsspelonk gevlucht waren en van overgave niets weten wilden, door den rook van een brandende houtmijt door verstikking om ’t leven komen. Eerst in 1857 gelukte het generaal Randon den taaien tegenstand der Kabylen te breken en daarmede Algerië tot aan de Sahara te onderwerpen. In ’t midden des lands werd een sterkte, Fort National, gebouwd, van waaruit excursies ondernomen werden om het land tot rust te brengen. Een wijs en gematigd bestuur heeft er zeer toe bijgedragen de onderwerping te bevorderen. Na verloop van tijd hebben de Kabylen zich in ’t onvermijdelijke geschikt, zoodat de regeering van Algerië hen thans onder haar beste onderdanen moet rekenen. Geen nomaden, als de Arabieren, zijn zij aan hun bergen, aan vaste woonplaatsen gehecht en houden zich met goed gevolg met landbouw en veeteelt bezig.


Touaregs uit de Sahara.



Is Tunis een echte Arabische stad, waar men de Mooren (zoo noemde men vooral ten tijde der Republiek de inwoners der steden aan de Noord-Afrikaansche kust) nog in al hun oorspronkelijkheid kan gadeslaan, geheel anders is het met Algiers gesteld. Algiers is geheel en al een Fransche stad. Men zou denken in de een of andere Fransche havenstad der Middellandsche zee te zijn, zoo Europeesch is het uiterlijk met de ruime haven, uitgestrekte kaden en prachtige, uit vele verdiepingen opgetrokken, hôtels en gouvernementsgebouwen. Wandelt men dieper de stad in, zoo wordt die indruk nog versterkt. Van een uitgestrekte Arabische wijk, zooals te Tunis, geen spoor en bijna met verbazing beschouwt men de moskee El-Djedid met haar in ’t felle zonlicht schitterende muren en met een halve maan gekroonde koepeldaken op de Place du Gouvernement, juist tegenover het ruiterstandbeeld van den hertog van Orleans, alsof men dit gebouw nu het allerminst hier verwachtte. Eigenlijk is het niet meer dan natuurlijk, dat de stad Algiers haar oorspronkelijk karakter nagenoeg geheel verloren heeft, zoo men bedenkt dat de Franschen zich daar het eerst gevestigd hebben. De bezetting dateert van 1830.

In dat jaar had in de kasbah van den bey de befaamde audiëntie plaats, verleend aan den Franschen consul. Deze had zich over eenige rooverijen en andere schendingen van ’t volkenrecht door Algerijnsche onderdanen ernstig te beklagen, welke klachten door den despoot met zeer ongepaste woorden beantwoord werden. In zijn toorn liet hij zich zelf vervoeren, den consul met zijn waaier in ’t aangezicht te slaan, een daad, die hem zijn heerschappij kostte. Daar elke voldoening geweigerd werd, landde een Fransch leger onder maarschalk Bourmont aan de kust, maakte zich zonder veel moeite van de stad en omgeving meester en zette den bey af. Nog heden ten dage toont men op de kasbah aan de vreemdelingen het Pavillon du coup d’éventail, waar die gedenkwaardige audiëntie plaats greep. De omstandigheid, dat Algiers de residentie der geheele kolonie werd, droeg er eveneens toe bij de stad meer en meer Fransch te maken in de 70 jaar, sinds de bezetting verloopen.

Bovendien is Algiers zeer gezocht, om het heerlijke klimaat als winterverblijf, door tallooze vreemdelingen, een reden te meer, waarom het inlandsche element op den achtergrond treedt.

De ligging aan een ruime baai, die het volle uitzicht op de zee verleent en met haar rechteroever in een zachten boog naar het Noord-Oosten loopt, is eenig schoon.

Niet weinig dragen daartoe bij de twee voorsteden, Mustapha inférieur en Mustapha supérieur, juist in die boog gelegen, de landstreek aan zee en de glooiende heuvels bedekkend met vroolijke landhuizen en prachtvolle villa’s, afgewisseld door welige boomgroepen en boschpartijen. De beide Mustaphas worden bij voorkeur door de vreemdelingen gezocht.

Ook de gouverneur-generaal van Algerië heeft zijn zomerpaleis in Mustapha supérieur. Op een heuvel gelegen, biedt het, tusschen de breede bladeren der palmen door, een verrukkelijk uitzicht op de zee en is door een uitgestrekt park omgeven. Voor den ingang staan op zuilen de marmeren busten van eenige vroegere gouverneurs, meest militairen, die een groot aandeel gehad hebben in de verovering. Men leest de namen van Bugeaud, den grooten generaal-pacificateur, Randon, Mac-Mahon, Chanzy, die Frankrijks eer en wapenroem redde in den rampspoedigen veldtocht aan de Loire, en van zoovele [37] anderen. Tegenover het paleis vindt men het museum van oudheden, met vele schatten op oudheidkundig gebied, door de opgravingen der laatste 25 jaren aan ’t licht gebracht. In ’t bijzonder zijn hier eenige zeer fraaie mozaïeken te zien, geheel ongeschonden en van groote afmeting. Deze komen in grooten getale in Algerië voor.


Danseressen van den stam der Oulad-Nayl.

Het mooiste in de omstreken van Algiers, en geen vreemdeling verzuime dit te gaan zien, is de Botanische tuin van le Hamma.

Op korten afstand van de stad, onmiddellijk aan zee gelegen, is deze tuin eenig in haar soort, en hij wordt slechts door dien van Buitenzorg overtroffen. Van al de proeftuinen, overal in Algerië door de Franschen aangelegd, is deze tuin van Hamma (zoo wordt hij genoemd naar een dorpje in zijn nabijheid) de oudste en de belangrijkste. Door een breeden schaduwrijken rijweg omgeven, bedraagt de uitgestrektheid 84 hectaren, welke in twee deelen verdeeld is, waarvan het aan zee gelegen gedeelte den eigenlijken tuin uitmaakt, terwijl het andere bestaat uit met verschillende houtsoorten bewassen heuvels. De ingang is in de onmiddellijke nabijheid der zee, op een historische plek. Want in 1541 mislukte hier een strafexpeditie van Karel V tegen den dey van Algiers. Zijn kostbaar uitgeruste vloot werd door geweldige stormen deels op het strand geworpen, deels door de zee verzwolgen. Zelfs met moeite gelukte het den machtigen keizer zich te redden. Het heerlijke klimaat van Algiers kwam den tuin zeer ten goede en bracht de vele uitheemsche tropische gewassen tot snellen wasdom. Bij ’t binnenkomen betreedt de bezoeker een der vier prachtige lanen, die deze tuin rijk is en die hem in verschillende richtingen doorkruisen.

Het is de palmenlaan, afwisselend bestaande uit Amerikaansche palmen die de aandacht trekken door hun forschen, knoestigen stam en kolossale waaiervormige bladen, en uit kaarsrechte, slanke dadelpalmen, hun wuivende kruin hoog in de reine lucht verheffend. Voorts is er een laan eeuwenoude platanen, van den voet tot hoog in de takken met klimop omrankt. In de bamboes-laan buigen de stammen met het dun uitloopende eind naar elkander toe tot zij elkander aanraken, zoodat het den bezoeker toeschijnt als wandelt hij in het schip eener kathedraal. Het meest wordt hij echter getroffen door de prachtige laan van ficussen, 20 minuten gaans lang, waar elke boom afzonderlijk een weelde der oogen is. Vijftien tot twintig luchtwortels, meer of minder dik, hangen bij den stam neer, omstrengelen hem met forsche omarmingen, of richten zich bij den voet [38] weer omhoog, zoodat het geheel een grillig complex van wortels en takken vormt, overschaduwd door de machtige bladerkroon. Men is verrukt door de zeldzame sycadaëen, door de musa’s met hun breede, laag neerhangende bladeren en purperen vrucht. Een wonderlijken indruk maakt de pinangboom, met kegelvormigen stam, licht grijs van kleur, hard en glad als steen. In ’t bijzonder munt deze tuin uit door het groote getal exemplaren van eene zelfde boomsoort in één groep bijeengeplant. Zoo ziet men b.v. een groep van 40 verschillende palmen uit alle deelen der wereld afkomstig. Op groote schaal worden in den tuin allerlei gewassen aangekweekt, die door de kolonisten in cultuur kunnen gebracht en voor hen tegen matigen prijs verkrijgbaar worden gesteld.

De provincie Algiers is de vruchtbaarste van geheel Algerië en wordt door de provincie Oran alleen wat betreft den rijkdom van graan overtroffen. De tel, het bebouwbare land, heeft er de grootste breedte en de vlakten van de Sahel en van de Metidja leveren de grootste verscheidenheid van producten op. Rijk aan wijn, heeft dit edele vocht al sinds jaren in geheel Europa, ook in ons land het burgerrecht verkregen. Keeds in 1865 bedroeg de uitvoer 3 millioen H.L. en in jaren van misgewas zijn de wijnboeren uit Frankrijk blijde, hun voorraad uit de Algiersche wijnen te kunnen aanvullen. Overal in de omstreken van Algiers uitgestrekte velden met Europeesche groenten en breedbladerige artisjokken, waarmede des winters de markt van Parijs voorzien wordt.



Niet alleen om hare snelle, gestadige ontwikkeling, maar ook uit een politiek oogpunt neemt de provincie Oran, meer dan de andere, de aandacht van het bestuur van Algerië en van de regeering te Parijs in beslag. Zij is niet veilig tusschen twee andere gelegen, als Algiers, grenst evenmin aan een land als Tunis, waarover Frankrijk door zijn protectoraat de beschermende en strenge hand uitstrekt, maar heeft tot nabuur het woelige Marokko, waar de heerscher slechts in schijn gezag uitoefent. Vooral in ’t zuiden zijn de nagenoeg onafhankelijke Bedouïnenstammen, die zich aan bevelen en vertoogen uit Fez niets gelegen laten liggen, bij voortduring een onrustig en beroering brengend element.

Want ook in ’t Zuiden der provincie Oran wordt onverdroten voortgegaan met het scheppen van oasen en het devies van generaal Bugeaud opgevolgd: “refoulez le désert.” Langzamerhand heeft Frankrijk zich reeds op vreedzame wijze gevestigd op verschillende punten in de Marokkaansche Sahara, met ’t oog op den verbindingsweg dwars door die woestijn naar den Niger en om zijn invloed in Marokko uit te breiden. Onlangs nog is met de noodige praal, in tegenwoordigheid van den minister Etienne en den gouverneur-generaal Jonnart, de spoorweg geopend naar het zuidelijkste punt in de Sahara, een heel eind voorbij Figuig, naar Colomb-Bechar, hetgeen op de nog voor zoo korten tijd oproerige Bedouïnen een beslisten indruk gemaakt heeft.

Rust heeft het gouvernement voor de provincie Oran en hare grenzen noodig, rust en vrede voor hare reusachtige ontwikkeling. De hoofdstad Oran is de eerste handelstad van de kolonie. Telde zij in 1866 vier-en-dertig-duizend inwoners, dit aantal was in 1886 verdubbeld en bedroeg in 1901 reeds over de 100,000. Slechts Amerikaansche steden bieden hiervan een voorbeeld. De voorstad Karguentua is de eigenlijke handelstad. Van daar uit wordt met de haven, die een deel uitmaakt van de nieuwe Fransche stad, een druk verkeer onderhouden. Treinen stoomen af en aan, en van ’s morgens tot zonsondergang trekken de volgeladen sleeperskarren, met 5 à 6 paarden voor elkander gespannen, in lange rijen door de hoofdstraten naar de kaden. Want voor den uitvoer van graan en wijn is de provincie Oran de belangrijkste. Ten Westen van de Fransche stad ligt het oudste gedeelte van Oran, de vroegere Spaansche stad, aan den voet van den steil uit zee oprijzenden, barren Djebel-Mordjado, bekroond door het fort en de kathedraal van Santa-Cruz. Niet alleen in de stad Oran, maar in de geheele provincie is het Spaansche element sterk overwegend, geen gering punt van zorg voor de regeering. Aan de haven en kaden, in de hoofdstraten, waar het verkeer het drukst is, wemelt het van lieden uit de volksklasse van allerlei slag, voerlieden, schepelingen, sjouwerlieden en arbeiders, die zich door hun luidruchtig, schreeuwerig optreden en barbaarsch, rauw klinkend mengelmoes van Spaansch en Arabisch als niet-Franschen doen kennen. Vooral de koetsiers zien er met hun kort geknipte stoppelbaarden en weinig verzorgde kleeding als echte bandieten uit. Van vijf tot zeven uur in den namiddag heerscht er in de hoofdstraten een vrij wat aangenamer drukte. Op de Promenade de l’Etang, heerlijk aan zee gelegen, bewegen zich talrijke wandelaars met hunne dames in lichte, kleurige toiletten, die komen luisteren naar de militaire muziek in het Casino der officieren op de Place d’Armes. Op den Boulevard Seguin, met fraaie, ruime winkelmagazijnen, moet men voetje voor voetje gaan en heeft men ruimschoots gelegenheid de Spaansche schoonen te bewonderen, die met kleinen, sierlijken voet over de trottoirs schijnen te zweven en wier donkere, vurige oogen en blauwzwarten haartooi op bewoners van noordelijker streken zoo’n diepen indruk maken. Het Spaansche karakter, dat Oran zoo sterk vertoont, is nog een overblijfsel uit vroeger eeuwen. Want van 1509 af, toen de troepen van Kardinaal Ximenes Oran veroverden, is de stad meer dan eens met tusschenpoozen geruimen tijd in ’t bezit der Spanjaarden geweest. Maar dat alles behoort tot het verleden, want nooit konden zij er zich op den duur handhaven en het eenige monument, dat aan de Spaansche bezetting herinnert, is het fraai uitgevoerde, in steen gebeitelde Spaansche wapen boven de kasbah der stad. Maar dit is door den tijd verweerd, geschonden, gebarsten en verbrokkeld, een treurig beeld van alles wat Spanje hier en elders over de geheele wereld ondernam op koloniaal gebied.

Ver in ’t Westen der provincie Oran, in de nabijheid der Marokkaansche grens, ligt de oude emirstad Tlemcen, een heilige stad. Zij is in zekeren zin voor Tunesië en Algiers, wat Mekka voor Arabië, en Fez voor Marokko is. Eens de trotsche residentie van de machtige koningen van Tlemcen, ging in de onophoudelijke [39] binnenlandsche twisten veel van haar ouden luister verloren, maar in tegenstelling met bijna alle andere emir-residenties uit de binnenlanden, wist zij zich toch tot in den nieuweren tijd staande te houden. Gelegen in een uitgestrekt bergland, dat op sommige plaatsen een hoogte van bijna 2000 M. bereikt, biedt zij door haar sterke muren en voordeelige ligging den Franschen een welkom steunpunt in de nabijheid der Marokkaansche grens. Tlemcen bezit eenige zeer merkwaardige gebouwen.

De oude Medersa, Arabische school, is vervallen, maar werd door de Fransche regeering gerestaureerd en is tot museum ingericht. Gesteund door prachtige zuilen van onyx, bestaat het gewelf en de bogen daarvan uit het fransche stucadoorwerk, met tallooze Arabische spreuken, woorden en karakterteekens bezaaid. Het werken in stuc is een kunst, waarin de Arabieren een hoogte bereikt hebben, die later nooit overtroffen is en waarvan men vooral in Tlemcen en omgeving de schoonste specimina kan bewonderen. Op sommige plaatsen zijn de fijne krulletters bijna ter lengte van een vinger ingesneden. Dat Tlemcen een heilige stad voor de Arabieren is, bemerkt men uit de vele gekoepelde minarets, die boven de stad zelve en overal boven de verschillende dorpen in de omgeving verheffen. De mannen meten den giaour (christenhond) met somberen, trotschen blik, de vrouwen wikkelen zich bij eene ontmoeting dichter in haren sluier of wenden met een minachtend schoudergebaar het hoofd af. Het grootste heiligdom in den omtrek is de moskee van Sidi-Bou-Medine, in het dorp van dien naam op eenige uren van Tlemcen, dat men bereikt langs den schilderachtigen waterval van de Mefrouch-el-Ourit, die zich schuimend met breeden stroom in twee trappen in het dal stort. Het heiligdom van Sidi-Bou-Medine is er een, een groot marabout waardig. Reeds het trotsche voorportaal, weder geheel uit fijn bewerkt stuc opgetrokken, wekt de hoogste bewondering, die nog stijgt als men den ruimen tempel zelf binnentreedt, onder geleide natuurlijk. Een marmeren preekstoel en een mihrab van stuc zijn van zeer ouden datum. De mihrab ontbreekt in geen enkele Arabische moskee. Het is een boogvormige nis in den muur aan de oostzijde van den tempel, naar den kant naar Mekka gekeerd, waarheen de Arabier bij ’t verrichten van zijn gebed het aangezicht wendt. Aan de zoldering der moskee hangen talrijke kroonluchters van glas en koper, waaronder sommige zeer oud en van hooge waarde.


Palmenlaan in den Botanischen tuin van Algiers.

Ten Oosten van Tlemcen liggen, dicht bij de stad, de overblijfselen van den ringmuur van het oude Mansourah. Met ruig struikgewas begroeid, waaruit hier en daar afgebrokkelde kanteelen opsteken, omspannen zij de stad in een wijden boog, doorsnijden vruchtbare akkers en schaduwrijke olijfboomgaarden. Zij herinneren aan een episode uit den strijd tegen de vijandelijke emirs, die zoo dikwijls het overheerschende Tlemcen met verderf en verwoesting bedreigden. De emirs Yacoub en Youssef belegerden de stad en hadden gezworen haar met den grond gelijk te maken. Dapper verdedigd door den koning, werden echter drie achtereenvolgende stormaanvallen afgeslagen. Toen bemerkten de inwoners op zekeren morgen bij ’t ontwaken, dat er om den ringmuur hunner stad een tweede muur gebouwd was, die al hooger en hooger werd.

Achter dien ringmuur verhief zich weldra de massieve toren eener reusachtige moskee, daarna paleizen voor de belegerende emirs, huizen voor hunne bevelhebbers, voor het voetvolk en voor de ruiterij, stallen voor de paarden en ten slotte woningen voor allen, die zich in de nieuwe stad kwamen vestigen. Want een stad was het, Mansourah genaamd, die zich om het in ’t nauw gebrachte Tlemcen, belegerd, van alle verbinding afgesneden, in een omtrek van 3400 M. verhief, een nieuwe stad, die aan de oude den dood gezworen had. Acht lange jaren duurde de belegering. Maar het was niet het belegerde Tlemcen, dat met den grond gelijkgemaakt werd, maar hare jeugdige, trotsche mededingster. Zóó groot was de haat der inwoners van Tlemcen tegen de overwonnen stad, dat zij na de verwoesting den inwoners op straffe des doods verboden, ooit haren naam weder uit te spreken, en ook nu nog durft de Arabier, die te midden der grootsche bouwvallen woont, door den vreemdeling ondervraagd, nauwelijks met fluisterende stem den naam “Mansourah” uitspreken.


Bougie.—Gezicht aan zee en op het fort Abd-el-Kader.

Maar, is Mansourah verwoest, ook de macht der koningen van Tlemcen nam een einde, en met verbazing aanschouwt de vreemdeling de overblijfselen van Bab-el-Karmdir, het oude paleis dier koningen, dat eens een cyclopisch indrukwekkend bouwwerk geweest moet zijn, zooals de verlaten ingestorte torens, muurstukken en bolwerken nog bewijzen.

De geheele omgeving en de geschiedenis der oude emirstad Tlemcen wekken bij den bezoeker eigenaardige gewaarwordingen en gedachten op. Zij schijnt hem een beeld te zijn van het Mohammedanisme aan Afrika’s noordkust, van haren verdwenen invloed en heerschappij, waarvan ook slechts bouwvallen over [40] zijn. Is niet het beeld van verwoesting aldaar hetzelfde, wat men overal in de streken van den Islam aantreft, verdelging van alles wat niet tot haar behoort? En doet niet dat Tlemcen, in zijn trotsche afzondering te midden van bijna ontoegankelijke bergen, met zijn fanatieke, zelfgenoegzame, indolente bevolking, met de torens van zijn eeuwenoude moskeeën, zijn graven van marabouts en heiligen, met al de bouwvallen van zijn vroegere grootheid, denken aan het Mohammedanisme, dat ook meende, dat het steeds op de hoogte van zijn macht zou blijven tronen en dat de loop der geschiedenis, de stroom der wereldgebeurtenissen steeds aan hetzelve zouden voorbij gaan. Maar de wereldgeschiedenis stoort zich niet aan ’t geen de volken willen, maar vervolgt onweerstaanbaar haren loop. Zoo verdween de Muzelmansche heerschappij, om plaats te maken voor de Christelijke, de Westersche, de Fransche. En geenszins ten nadeele van land en volk. Want als er één indruk, één waarheid is, die de vreemdeling bij zijn vertrek uit Tunis en Algiers medeneemt, dan is het wel deze, dat de Fransche bezetting voor die landen een zegen is. Voor land en volk beiden. Door het zwaard gewonnen, hebben de Arabieren deze landen ook weder door het zwaard verloren. Maar de Franschen hebben van hun overwinning een geheel ander, een beter gebruik gemaakt, dat in den loop der jaren land en volk tot heil, hun zelven tot eer, de menschheid en de beschaving tot voordeel geweest is.


Gezicht op de stad en op de kaden van Algiers.

Pondichéry, hoofdstad van Fransch-Indië

Pondichéry, moeilijk te naderen over zee.—Witte stad en Indische stad.—Het Regeeringspaleis.—De hôtels in onze koloniën.—Engelsche enclaves.—De bevolking; de kinderen.—Bouwkunst en godsdienst.—Handel.—De toekomst van Pondichéry.—De markt.—De scholen.—Politieke koortshitte.


Groep van kiesgerechtigde Brahmanen.

Een klein strookje gronds vertegenwoordigt op dit oogenblik het belangrijkste gedeelte van ’t geen Frankrijk heeft weten te behouden uit zijn oud Indisch Rijk, dat thans een der machtigste koloniën van de britsche kroon is. Op die alluviale strook gronds ligt de stad Pondichéry, hoofdstad der fransche bezittingen, waarvan de groote Dupleix zich gansch andere horizons gedroomd had.


Indische muzikant uit Pondichéry.

Het bescheiden grondgebied van Pondichéry omvat niet meer dan 29145 H.A. De dépendances van wat men gewoonlijk Fransch-Indië noemt, zijn de volgende vier: Chandernagor, Karikal, Mahé en Yanaon. Zij liggen verspreid over verschillende deelen van het groote schiereiland, de drie laatstgenoemde op korten afstand van het grondgebied van Pondichéry, het eerste in de onmiddellijke nabijheid van Calcutta.

De gouverneur der Fransche nederzettingen in Indië woont te Pondichéry, maar zijn ambt brengt mee, dat hij zich dikwijls moet verplaatsen naar de verschillende andere fransche plaatsen, waar de leiding der zaken in handen is van administreerende ambtenaren, die aan hem ondergeschikt zijn. Het spreekt vanzelf, dat er verscheiden lagere ambtenaren zijn, dat er een Plaatselijke Raad is evenals een Algemeene Raad, dat de kolonie te Parijs een afgevaardigde in den Senaat heeft, zoowel als in de Kamer, en dat op het grondgebied van Pondichéry de politiek de spil is, waarom alles draait en de voortdurende zorg van iederen dag. Wij zullen nog wel meer een woordje te zeggen hebben over die noodlottige politiek, dien knagenden kanker, waarvan zeker geen enkele fransche kolonie zooveel te lijden heeft als dat arme Pondichéry.

Laat ons eerst voet aan wal zetten, wat niet altijd gemakkelijk gaat, als men, zooals met mij ’t geval is, over zee aankomt. Daar de golven dikwijls hoog gaan op de reede, kan de ontscheping soms zoo moeilijk zijn, dat het onmogelijk wordt, gemeenschap [42] met de kust te krijgen. Het is vaak gebeurd, dat ten gevolge van het stormachtige weer de paketboot, die Pondichéry aandoet op haar reis heen en terug tusschen Colombo en Calcutta, niet met den wal gemeenschap kon krijgen en zich genoodzaakt zag, met passagiers en lading haren weg te vervolgen. Weinige jaren geleden heeft dat geval zich driemaal achtereen voorgedaan. Met platboomde vaartuigen, chelingues genoemd, die geen inhouten (ribben) hebben, nadert men de kust. Er wordt aangelegd bij een pier, die 252 M. lang is en recht in zee vooruitsteekt; staat de zee hoog, dan heeft men de behendigheid van een acrobaat noodig, om zijn evenwicht te bewaren bij het vastgrijpen van het touw, waarmee men de ladder kan bereiken. Om aan dien last te ontkomen, geeft de toerist er veelal de voorkeur aan, zich per spoor naar Pondichéry te begeven, want de kolonie is sinds 1877 aan het groote Engelsch-Indië verbonden en staat door zijlijnen in verbinding met de van Frankrijk afhankelijke gebieden.

Pondichéry is een vrijhaven. Levensmiddelen en koopwaren van allerlei streken afkomstig, mogen over zee binnenkomen en uitgaan, zonder eenige douanerechten te betalen, onverschillig onder welke vlag zij varen. Alleen zout en opium zijn van deze gunstige beschikking uitgesloten, want bij verdragen zijn die voortbrengselen verboden; noch de productie ervan noch de handel erin zijn geoorloofd.

Moet ik de geschiedenis in herinnering brengen? Pottoutchéri of Poultchéri, het “nieuwe dorp”, door menschen van hooge kaste Poudou-nagar of “Nieuw Kasteel” genoemd, is in 1693 gekocht van koning Vidjayanagar door den beroemden commandant Martin, ter vergoeding voor Sint-Thomas, waarvan de Hollanders zich hadden meester gemaakt. Het dorpje van paria’s nam snel toe in grootte en werd het middelpunt van een aanzienlijke handelsbeweging trots de wederwaardigheden van zijn politieke geschiedenis.

Al dadelijk in den aanvang werd het door de Hollanders vermeesterd; maar in 1699 werd het ons teruggegeven. Daarna werd het viermaal door de Engelschen belegerd; admiraal Boscawen werd in 1748 teruggeslagen door Dupleix; in 1760–61 gaf Lally-Tolendal, door hongersnood gedwongen, zich over, na een hardnekkigen tegenstand te hebben geboden, en de vrede van Parijs in 1763 herstelde ons in het bezit van de stad.

In 1778 maakten de Engelschen zich er opnieuw van meester, om de stad in 1785 bij den vrede van Versailles terug te geven en haar daarna voor de derde maal in 1793 te veroveren. Voor goed herkregen wij deze bezitting in 1816–17, met verbod er eenige versterking aan te leggen of er een andere gewapende macht te onderhouden dan de politie.

De stad is in twee deelen verdeeld, de witte stad en de indische stad, door een gracht gescheiden. De eerste, aan de oostzijde en aan zee gelegen, is regelmatig gebouwd; de straten zijn breed en recht, wat ook het geval is met de tweede, die echter over grooter uitgestrektheid zich uitstrekt.

Ik kende Pondichéry, doordien ik er op een vroegere reis een week had doorgebracht, en met waar genoegen zette ik er weer den voet op vasten grond, na mijn aankomst aan die lange pier van slecht ineengevoegde planken. Sinds mijn vorig bezoek was het aanzien der plaats niet veranderd. Ik zie weer het nog al indrukwekkende standbeeld van den grooten Dupleix, dat dichtbij het strand zich verheft, en na eenige honderden meters te zijn voortgegaan, bereik ik het Gouvernementspaleis, waar de tegenwoordige bewoner, dien ik de eer heb te kennen, mij gastvrijheid heeft aangeboden. Ik voel er mij te huis, want in de prettige kamer, die voor mij in orde gebracht is, heb ik ook eenige jaren vroeger gelogeerd.

Het Gouvernementspaleis te Pondichéry is een alleraardigste residentie, en de gouverneur, de heer Lemaire, is er, evenals zijn beminnelijke echtgenoote, veel meer naar zijn zin dan in het sombere huis, dat ze twee jaren geleden op Martinique bewoonden, waar ik ’t genoegen had hun een bezoek te brengen. De ligging en de indeeling van het huis zijn uitstekend; het lange balkon, dat langs de groote ontvangzaal loopt, biedt een verrukkelijk uitzicht over een groote, vierkante ruimte, aan de overzij begrensd door een rij sierlijke en regelmatige gebouwen, en als men er ’s avonds gemakkelijk is gezeten, geniet men met welbehagen dien verrukkelijken geur der tropische landen, die een temperatuur bezitten, door ’t verdwijnen van de zon heerlijk en verkwikkend geworden.

Het klimaat van dit gedeelte van Indië is over ’t geheel gezond. In gewone tijden is de gemiddelde temperatuur 30° C. over dag en 26 ’s nachts. In de maanden December en Januari daalt zij tot 3 à 5° C. over dag, terwijl van Mei tot September de thermometer tusschen 32° en 40° C. staat; dat is de periode van de zeer heete westenwinden, die op onaangename manier de lucht oververhitten. Het droge jaargetijde duurt van het begin van Januari tot omstreeks den 15den October; de rest van het jaar heet dan de winter. In ’t algemeen gesproken, regent het zelden in dit deel van Indië; slechts in November en December komt nog al dikwijls regen voor.

Als men te Pondichéry een zindelijk en goed verzorgd hôtel vond, dat bij een goede keuken voor het moderne comfort zorgde, zou ik niet aarzelen, de stad een zeer aantrekkelijk verblijf te noemen voor de europeesche wintermaanden, wanneer zooveel menschen zich afvragen, in welk hoekje van de wereld men aangenaam verblijven kan in zachte lucht. Ongelukkig ontbreekt dit materiëele gerief; de beide hôtels, die men er vindt, zijn beneden het middelmatige, en als men niet van de gastvrijheid van bloedverwanten of vrienden kan genieten, zal men er niet gauw toe komen, er eenigen tijd te vertoeven.

Het gebrek aan goede hôtels in de koloniën is onbetwistbaar een hinderpaal voor de ontwikkeling van het toerisme. De Engelschen hebben dat goed begrepen; nemen wij als voorbeelden de eilanden van de keten der Antillen en de engelsche bezittingen in Azië. Op Trinidad, Jamaica, Ceylon, in geheel Indië vindt men prachtige hôtels, even comfortabel als ergens in Europa, en wat zien wij op Martinique, Guadeloupe, te Nouméa, op Bourbon? [43] Niets dan bescheiden herbergen! Daaruit volgt, dat geen enkel toerist, die niet door een vriend is uitgenoodigd, er langer blijft dan volstrekt noodig is. De arme stad Saint-Pierre maakte in zekeren zin een uitzondering op den regel; men had er twee nette, goed ingerichte en goed bestuurde hôtels, maar de uitbarsting van den Mont-Pelé heeft ze voor altijd gesloten.

Al wandelend, nu eens door de stad zelve, dan in de omstreken van Pondichéry, is het mij, of ik in een aardig provinciestadje ben of ergens buiten, waar het mooi is. De woningen zijn sierlijk, getuigen van een zekeren welstand en hebben een zindelijk voorkomen, dat in verschillende andere koloniën ontbreekt. De gouverneur is zoo goed geweest, een tweewielig wagentje, pousse-pousse, te mijner beschikking te stellen, dat ik dikwijls in den morgen gebruik, en een victoria, waarmee ik grooter afstanden kan afleggen, ’s Avonds vóór het diner zijn de heer en mevrouw Lemaire zoo vriendelijk, mij per rijtuig in verschillende richtingen den omtrek te laten zien.

Wat die ritjes wel merkwaardig maakt is, dat ik nu eens over fransch dan over engelsch grondgebied voortrol, en in een minimum van tijd dien overgang verscheiden malen maak. Het grondgebied van Pondichéry is door het tractaat van 1816 op de zonderlingste manier verdeeld, toen de kolonie na verscheiden malen in engelsch bezit te zijn overgegaan, voor goed aan Frankrijk kwam. Overal, tot voor de poorten der stad, zijn enclaves van britsch grondgebied in het fransche land uitgesneden, zóó, dat de Engelschen juist die hooge stellingen bezitten, die geschikt zijn voor de plaatsing van batterijen. Hier behoort de weg aan Engeland, terwijl de slooten onder fransche jurisdictie staan; ginds behoort een waterplas tot Madras, terwijl het land, dat er door geïrrigeerd wordt, onder Pondichéry ressorteert. Er is zelfs ergens een stuk gronds, welks eigenaar onbekend is. De Engelschen zijn bekwame politici; bij de sluiting van het tractaat van 1816 hebben zij zich er niet mee tevreden gesteld, aan de fransche regeering de verplichting op te leggen, nergens eenige versterking aan te leggen en geen gewapende macht te onderhouden buiten de politie, maar zij hebben ook het middel gevonden, het terrein zoo te splitsen en in stukken te deelen, dat er hoeken volkomen onverdeeld zijn gebleven.

Wat mij onbegrijpelijk voorkomt is, dat na het dîner de stad geheel uitgestorven is. Men strekt zich gemakkelijk uit op zijn balcon of in zijn tuintje, maar gaat niet uit, en men schijnt er geen prijs op te stellen, op de pier of aan het strand de zuivere versterkende zeelucht te gaan inademen. Het is mij tweemaal gebeurd, dat ik ’s avonds ging wandelen en lange overpeinzingen hield op een bank van de pier; maar ik heb geen enkelen Europeaan ontmoet. Alleen een inboorling heeft mij aangesproken in een taal, die ik niet verstond; waarschijnlijk vroeg hij een aalmoes.

Een dame, die ik den volgenden dag ontmoette en wie ik mijn verbazing te kennen gaf over die wonderlijke afzondering, begreep niet, wat ik voor bekoorlijks vinden kon in die rust van het tropische land en dat gemis aan afleiding. Voor haar was het een leven als in de hel; hoe miste ze haar Parijs! Ik heb later gehoord, dat haar man, die ambtenaar was, verlof had gevraagd, daar zijn vrouw het klimaat niet kon verdragen! Trouwens men zou een merkwaardig boek kunnen schrijven over die quaestie van de verloven in de koloniën, alsook over de verschillende redenen, die de belanghebbenden aanvoeren, om ze te krijgen.

De bevolking van Pondichéry is zachtzinnig, onderdanig en beleefd. Welk een treffend verschil met den onaangenamen neger, dien ik zoo dikwijls heb bestudeerd op de Antillen en elders! Het zijn zelfs sympathieke menschen, als men ze aan ’t werk ziet op het veld, of hen gadeslaat bij hun kleinhandel, rustig loopend zonder geraas te maken. De kinderen kruipen over den grond, scharrelen langs de wegen tusschen de kippen, en zijn talrijk in de struiken als de konijnen in Australië. Ik kan niet laten, hen juweeltjes te noemen, als ik denk aan de europeesche kinderen, die mij de laatste drie maanden het leven vergald hebben op twee booten van de Messageries Maritimes. Die indische kinderen zijn, net als maleische, chineesche en japansche, lief en aardig, schreien nooit, en of er vijf of vijftig onmiddellijk bij u in de buurt zijn, ge bespeurt hun aanwezigheid nauwelijks. Ik zie ze met genoegen aan, die kleine onschadelijke negertjes, naakt als wormen, en die als eenig kleedingstuk een touwtje om de lenden dragen, waaraan in ’t midden een soort van medaillon hangt bij wijze van vijgeblad, meestal uit metaal vervaardigd, koper, zilver of goud, al naar het vermogen der ouders. Wat heb ik hun vaak stuivers en lekkers toegegooid en wat had ik een schik in hun lachende gezichtjes!

Men kan merkwaardige zedenstudies maken in die landen van overzee, waar godsdienst en gebruiken zooveel van de onze verschillen. Verscheiden malen reden wij ’s avonds vóór den eten langs begrafenissen, waarvan de schikking tot vermakelijke verrassingen aanleiding gaf. Eens gingen we voorbij den stoet van een inlandsche vrouw van katholiek geloof. Zij lag in groot toilet, met bloemen en sieraden getooid en met zorg gekapt, op een, door de familie gedragen paradebed. Van een doodkist was geen sprake. Ze gingen haar eenvoudig aan den schoot der aarde toevertrouwen en haar met zand bedekken. Een anderen keer zagen we een mohammedaansche begrafenis, door zang en muziek begeleid.

Het aantal tot den christelijken godsdienst bekeerde Indiërs is nog slechts zeer gering. De groote meerderheid der inboorlingen heeft den eeredienst van het Brahmaïsme bewaard, waar luidruchtige feesten, processies met tamtams en andere muziekinstrumenten, die een helsch lawaai maken, bij behooren. Den dag na mijn aankomst is er een groot feest bij een Brahmaan van aanzien, waar de gouverneur genoodigd is. Op het oogenblik, dat ons rijtuig vóór de woning van den jubilaris stilhoudt, laat zich de Marseillaise hooren, en men voert ons naar de voor ons vrijgehouden zetels. Er wordt op onze knieën een reuzenbouquet gezet, die misschien wel een meter in omtrek is, en men hangt ons een krans van bloemen om den hals, die ons niet weinig prikkelt. De locale kleur, versterkt door de opgewonden uitroepen van [44] de menigte, is typisch; maar de geuren, die uit het publiek opstijgen, laten veel te wenschen over, te meer daar bijna zonder uitzondering allen naakt zijn, op het vereischte bandje of touwtje na. IJs en ijskoude dranken gaan overvloedig rond; de warmte in de beperkte ruimte wordt ondragelijk; het is tijd dat wij ons rijtuig en de open lucht weer bereiken.


Aardige dreumes in gala.

Er zou tijd en veel geduld noodig zijn, om het verschil te leeren kennen in de gewoonten en wetten en maatschappelijke vormen, geldend voor de onderscheiden kasten van Brahmanen, en die hen in streng afgesloten klassen splitsen. De een zal nooit dit doen, de ander nooit dat; een handwerk, door deze kaste uitgeoefend, mag door een andere kaste niet worden ter hand genomen. De taak voor iedere kaste is zoo nauwkeurig voorgeschreven, dat het bepaald absurd wordt in onze oogen, en het komt mij voor, dat er zelfs voor deze menschen een lange, moeilijke leertijd wordt vereischt, als zij zich niet zullen schuldig maken aan eenige inbreuk op de velerlei voorschriften van hun godsdienst.

Bouw- en beeldhouwkunst hebben het in de gebouwen, die aan den hindoeschen en den brahmaanschen godsdienst zijn gewijd, tot een zeldzame hoogte gebracht. Vele auteurs hebben ze reeds beschreven; maar toch schijnt het ons van belang, erop te wijzen, dat die van Indië door de artistieke zijde van hun architectuur en den rijkdom van hun versiering uitmunten boven vele tempels, die wij in andere landen van Azië hebben kunnen bezoeken. Men vindt wel niet te Pondichéry zulke prachtige tempels als te Tanjore, Trichinopoly en Madura, maar dat neemt niet weg, dat die van Villenour en andere plaatsen in den omtrek een nauwlettend bezoek verdienen.

Ik ben verscheiden malen naar dien van Villenour gegaan, die op eenige kilometers afstands van de residentie is gelegen. Een zeer groote wagen of kar onder een breed afdak, die nu en dan dienst doet bij processies voor den eeredienst, geeft blijk van de bekwaamheid van deze inboorlingen en hun kunstvaardigheid in het handwerk. Die wagen, geheel van hout gemaakt, stelt een gansche boeddhistische geschiedenis voor, door middel van fijne werktuigen gegraveerd in vierkante blokken van dezelfde afmeting en aan elkander sluitend met onberispelijke symmetrie. Het gewicht van het geheel moet verbazend zijn, want op de hooge feestdagen zijn er 1200 à 1500 menschen noodig om het kolossale voertuig te trekken.

De kunstvaardigheid van deze inboorlingen is nog niet verloren gegaan, zooals men geneigd zou zijn te veronderstellen, als men bespeurt dat al die indische tempels tot de oudheid opklimmen, en dat men in onze dagen nooit eens den bouw van een nieuw, even grootsch bouwwerk bijwoont. Ik heb er het bewijs van gezien, toen de gouverneur mij naar een plaats bracht dichtbij Villenour, waar wij een wagen zagen, die bijna af was en met evenveel talent vervaardigd was, als die uit voorbijgegane tijden.

Het ware meesterstuk, dat wij voor oogen hebben, is uit zeer hard hout gesneden en stelt met merkwaardige fijnheid een boeddhistische processie voor, waarvan ons de beteekenis natuurlijk ontgaat, maar die ons met bewondering vervult. Een inlandsch beambte legt ons uit, dat er ten minste 500 menschen zullen noodig zijn, om den wagen te trekken. Hij laat ons het touw zien, dat men zal moeten gebruiken; het is zoo dik als een reuzenslang. Wij waren het niet alleen, die in verrukking raakten over dit mooie werk; een hoop kinderen omringde ons en was vervuld van eerbied. Ik vermoed, dat de heer Piot voldaan zou zijn over een bezoek aan een land, waar zijn leer zooveel aanhangers heeft gevonden.

Wat Pondichéry en de grond, die er bij behoort, aan landbouwvoortbrengselen opleveren, beteekent weinig. De geheele uitvoer heeft slechts een waarde van 27 à 28 millioen francs; katoenen weefsels zijn daarin opgenomen voor een som van bij de 9 millioen en de aardnoten voor 15. Volgens het jaarverslag van 1904 hebben 48 stoombooten van verschillende nationaliteit 581562 zakken aardnoten ingenomen van 75 kilo per zak. De aardnoten worden ook in den vorm van aardnotenkoeken uitgevoerd. Verleden jaar is de uitvoer van dit artikel gestegen tot een totaal bedrag van 4376 ton, hetgeen een waarde vertegenwoordigt van bij de 400,000 francs. Daarna volgen de katoenen [46] weefsels, die in de laatste statistiek voorkomen voor de som van bij de 9 millioen; de rijstsoorten voor 2¼ millioen en de huiden voor 1½ millioen francs. De andere uitvoerartikelen bereiken slechts een onbeduidend cijfer. Er wordt een kleine hoeveelheid vanille uitgevoerd, zooals ook kokosnoten en vruchten. Het verbouwen van aardnoten heeft in den laatsten tijd een groote vlucht genomen en zou nog aanmerkelijk kunnen toenemen. Die handel is voortaan een zaak van gewicht voor Fransch-Indië, daar Pondichéry voor die oliehoudende zaden een groote opslagplaats geworden is, die niet enkel gevoed wordt door de directe voortbrenging in de buurt; reeds beginnen de producten uit de omliggende engelsche bezittingen toe te stroomen, waardoor de handelsbeweging vertienvoudigd wordt.

De landbouwers uit het Zuiden van Indië, vooral uit de provincie Tanjore en uit de omstreken van Trichinopoly maken meestal voor hun verzendingen gebruik van Pondichéry, daar het de beste haven van de kust is, minder dan Madras aan cyclonen blootgesteld. De laatste, waarvan men de herinnering nog heeft behouden, is die van 1863; zeven schepen, die op korten afstand van het strand ten anker lagen, werden verzwolgen bij de groote ramp.

Wat de vanille aangaat, men is er met de cultuur nog pas sinds een dozijn jaren bezig; vrij groote velden zijn ermee beplant in den Kolonialen Tuin, waar de onderdirecteur mij wel de inlichtingen wil geven, die mij belang inboezemen. In het begin had men met groote zorgeloosheid te strijden. De inboorlingen, die bij het kweeken van het kostbare gewas gebruikt worden, moeten voortdurend onder toezicht zijn; in het begin lagen massa’s vanille in kisten te verrotten, alsof er een hoop hooi in lag. De tegenwoordige gouverneur heeft er orde op gesteld, zooals uit de verkregen resultaten blijkt. De vrucht van Pondichéry is dunner dan die uit Mexico en van Réunion, maar de geur der stokjes doet naar mijne meening niet voor de andere onder. De vanille wordt hier voor tien roepijen, dat is 17 francs, per kilo verkocht. Er zijn te Pondichéry kweekers met een ruim geweten, die hun welverzorgden en goed ingepakten oogst naar Bourbon hebben gezonden, om van daar als echte Bourbonvanille naar Europa te worden verscheept.

De geheele bevolking van de fransche nederzettingen in Indië bedroeg op 31 December 1903 het aantal van 273748 inwoners, onder wie slechts 1408 Europeanen, en wel 492 mannen, 546 vrouwen en 370 kinderen. De europeesche bevolking wisselt natuurlijk voortdurend, daar de meesten slechts zeer kort in de kolonie blijven. Dit geldt vooral van de ambtenaren en hun gezinnen, wier chassé-croisé over alle oceanen voldoende bekend is. Het aantal Europeanen of kleurlingen, die er wortel hebben geschoten en behagen vinden in de carrière, welke zij hebben gekozen, of in den handel, waarin zij bezig zijn, is slechts zeer klein. Men kan de vooroordeelen van een volk niet veranderen, zoo min als de begrippen, die gangbaar, zijn in het moederland. Een kolonie is nu eenmaal een oord van ballingschap, en het klimaat moet er noodzakelijk ongezond zijn. En hoeveel menschen, veroordeeld om in het land, dat hen heeft zien geboren worden, te leven in een voortdurenden strijd ter verkrijging van de meest dringende levensbehoeften, zouden zich een veel vrijer en ruimer bestaan kunnen verschaffen, als zij, zoo zij vlijt en volharding bezaten, besloten het routinejuk af te schudden, en iets te ondernemen, ’t zij landbouw of handel, in landen van onbetwistbare vruchtbaarheid, waar men nog zooveel handen kan gebruiken! Voor den groothandel, de banken, industriëele ondernemingen zouden er onmetelijke velden te exploiteeren blijven.

Wij behoeven slechts een afstand van 160 kilometer per spoor af te leggen, om Madras te bereiken, gelegen aan diezelfde kust van Coromandel, en we stappen uit in een groote handelsstad, waar het drukke leven zich in allerlei vormen voordoet, en waar men alles kan genieten, wat een bloeiende europeesche stad aanbiedt. Bombay en Calcutta zijn evenals veel steden van het Uiterste Oosten volkrijke, bloeiende centra, die in niets onderdoen voor de groote steden van onze oude wereld, en zij, die er zich gevestigd hebben in den handel, het bankwezen of de industrie, klagen niet over de zoogenaamde ballingschap. Trouwens in veertien of achttien dagen voeren de trein en de paketboot hen naar den geboortegrond terug voor een kleine vacantie, waartoe gemakkelijk besloten wordt door die inwoners, wier middelen hun de onbeteekenende verplaatsing toestaan.

Als men het leven van den inboorling nagaat met het oog op zijn behoeften en zijn intellectueele ontwikkeling, moet men wel inzien, dat hij veel gelukkiger is dan menig Europeaan of kleurling, die verkeert in wat wij overeengekomen zijn, beter levensomstandigheden te noemen. Wij vinden hem doorgaans vroolijk en tevreden; hij klaagt zelden, leeft op de primitiefste manier, wonend in een krotje of hutje met zijn meestal talrijk gezin, zich dekkend met een strook stof, die hem eenige stuivers heeft gekost, zich op de soberste manier voedend met de producten, die hij dikwijls zelf verbouwt zonder zorg voor den komenden dag. Is zoo’n man uit philosofisch oogpunt niet veel gelukkiger dan de meesten onzer?

Een van mijn grootste genoegens in de koloniën bestaat in een bezoek aan de markt, dien levenden kaleidoscoop, die altijd een verschillend veld van waarnemingen is, al naar de omgeving waarin men zich bevindt. De markten van Indië bieden niet zoo’n weerzinwekkend, kwalijk riekend schouwspel als de markten in negerlanden. De menschen zijn er minder vuil en maken minder leven dan de zwarten van de Antillen of Zuid-Amerika; zij passen met hun bonte doeken bij hun omgeving, die niet zoo carnavalachtig is als ginder. Rood is de meest geliefde kleur; men zou bijna kunnen zeggen de eenige, door mannen en vrouwen gedragen, zoowel wanneer zij zich een groot deel van het lichaam bedekken, als wanneer ze zich tot een eenvoudigen band bepalen, aangebracht naar de wetten der welvoegelijkheid.


De pagode van Villenour van binnen.

Hier ook weer is er geen gebrek aan kinderen; maar de ouders behoeven zich niet om hen te bekommeren, want het talrijk kroost kan het goed vinden met de kippen aan den weg, en verdwaalt niet in de drukke menigte. Wat ik vurig hoop voor de inlandsche [47] bevolking van Pondichéry en zelfs voor heel Indië, is dat men er de invoering van automobielen verbiede, die er zeker spoedig veel kwaad zouden stichten. Ten tijde van mijn verblijf in de kolonie had een parijsch automobielfabrikant zich tot een ambtenaar in Pondichéry gewend, om inlichtingen te erlangen omtrent de mogelijkheid, het moordend instrument er in te voeren. De inboorling heeft de betreurenswaardige gewoonte, altijd op het midden van den weg te loopen, en zelfs als men in een gewoon rijtuig zit, moet men herhaaldelijk roepen, om hem naar den een of den anderen kant van den weg te doen gaan; wat de kinderen betreft, ze loopen voortdurend gevaar, in stukjes te worden gereden. Nergens ter wereld hebben de koetsiers zulk een moeilijke taak bij het mennen van hun paarden. Wat zou er gebeuren, als men op een dag den invoer van die wagens toeliet, die, al zouden ze enkele bevoorrechten gelukkig maken, een moorddadige werking zouden uitoefenen en de bevolking zouden decimeeren! De Europeaan zou, ook al kon bij zich bergen en zijn bestaan verdedigen, oproerige kreten uiten bij het zien van het monster, vooral om den aard van den grond. De bodem in het zuiden van Indië verkruimelt tot een rood poeder, dat bij het geringste zuchtje van den wind in wolken opvliegt. Nu reeds in onze europeesche landen het stof, door dit middel van vervoer opgejaagd, vrij gerechtvaardigde klachten doet rijzen, zou men te Pondichéry ware wanhoopskreten slaken. Hoe dikwijls is het mij gebeurd, dat ik na een wandeling van een paar uur moest constateeren, dat mijn wit costuum een saffraan kleurige tint had gekregen!

De heer Delale, hoofd van het openbaar onderwijs, is zoo welwillend, mij tot gids te strekken bij het bezoek, dat ik mij voorgesteld had te brengen aan de voornaamste scholen van de stad. De quaestie van het onderwijs, dat in de koloniën aan de inlandsche bevolking wordt gegeven, heeft mij altijd veel belang ingeboezemd en leidde mij tot merkwaardige vergelijkingen. Er zijn koloniën, waar het oprechten lof verdient, en andere, waar het, eerlijk gezegd, bedroevend is, waar het op niets, op geen onderwijs neerkomt. Te Pondichéry, waar verscheiden scholen zijn, heb ik aan vijf een bezoek gebracht. Het onderwijs staat onder het toezicht van een zeer intelligenten leider, die uitstekend samenwerkt met den gouverneur. Wat mij het meest heeft getroffen, is de practische manier, waarop de onderwijzers in de jeugdige hersens de dingen doen doordringen, die hun onderwezen moeten worden, niet door het domme systeem van machinaal de kinderen zinnen te laten herhalen, die ze niet begrijpen, maar door het kraantje van hun intelligentie te openen door verklaringen, die ze kunnen vatten, en die ze daarom niet vergeten. In die verschillende scholen ga ik door alle klassen heen en vraag verlof, die kinderen te mogen ondervragen, die toeval of intuïtie mij doen kiezen, daar ik altijd de keus van een onderwijzer een beetje wantrouw in de gevallen, dat de school aan een bezoeker moet worden vertoond. Het is mij aangenaam te kunnen zeggen, tot eer van den heer Delale, dat het bezoek aan die inrichtingen te Pondichéry zeer goede herinneringen bij mij heeft achtergelaten, en dat het te wenschen ware, dat men in enkele andere koloniën zijn goede methode volgde en tevens het aanhoudende toezicht, dat hij uitoefent in het hem toevertrouwde departement.

In de laatste school, die ik bezocht, en die alleen voor jonge meisjes bestemd is, woonde ik verschillende naailessen bij, waar het werk op zeer lofwaardige wijze werd gedaan. Ik ben verbaasd over de gemakkelijkheid, waarmee die meisjes in goed Fransch antwoorden op de vragen, die ik tot haar richt. In Engelsch-Indië had ik in twee scholen kunnen opmerken, dat de kinderen zich bijna alleen in hun moedertaal konden uitdrukken, doorspekt met enkele engelsche woorden, verhaspeld op een wijze, die ze onbegrijpelijk maakte.

Ach, indien het mogelijk was, al die kinderen in hun vroegste jeugd te doen begrijpen, dat er een studie is, waar de hersens door in de war raken en die de rust des levens verwoest, zou dat een weldaad zijn voor de kolonie! Ik heb het oog op de politiek, die dit arme land verwoest, de ontwikkeling tegenhoudt en op betreurenswaardige wijze de europeesche bevolking verdeelt.

Ik wil liever niet stilstaan bij de pijnlijke zijden van de politiek, waar zij tot minder fraaie resultaten leidt en vooral vroeger geleid heeft.... Buitendien, niet enkel in Indië houdt men zich op met verkiezingspraktijken die afkeurenswaardig en verderfelijk zijn. Er zijn in Frankrijk ook steden bekend, waar de kiezers zich tot voorbeeld schijnen te stellen wat er plaats grijpt om en bij de stembussen van de hoofdstad onzer indische bezittingen....

De grappige kant van de zaak is de terugslag der politieke meeningen op de onderlinge betrekkingen van de Europeanen, die te Pondichéry gevestigd zijn. Ik heb daar merkwaardige herinneringen aan behouden, en ik kan geen weerstand bieden aan den lust er enkele van mee te deelen.

Een ambtenaar, pas ontscheept in de kolonie, brengt een bezoek aan den heer A, maar kan, daar hij den volgenden dag ongesteld wordt, niet naar den heer B gaan.... Hij wordt dadelijk door dien laatste beschouwd als te behooren tot een hem vijandelijke clan en op zij geschoven; men vertrouwt hem niet. Een ander ambtenaar, die op dezelfden dag gezien is geworden in gesprek met twee menschen van tegengestelde politieke overtuiging, wordt door beide voor een halve gehouden, een middenman, dien men goed zal doen te mijden.

Aan de zijde der dames werkt de jaloezie met de allernietigste argumenten, de ongerijmdste voorwendsels, waarbij dan een gebabbel komt, zoo als men zich bijna niet kan voorstellen. Een dame uit Pondichéry heeft mij verteld, dat men vond dat zij haar rang niet voldoende kon ophouden, omdat zij in plaats van een pousse-pousse te nemen (kosten 20 centimes) te voet een boodschap was gaan doen op 100 M. afstands. Het schijnt wel, dat een vrouw die zichzelve respecteert, in dat land in ’t geheel niet mag loopen!

Een tocht naar Karikal en naar Mahé, die betrekkelijk niet ver van Pondichéry liggen, lachte mij niet toe. Daarentegen heb ik, toen ik eenigen tijd vóór mijn bezoek aan Zuid-Indië in Calcutta vertoefde, [48] een uitstapje gemaakt naar Chandernagor, slechts op een uur afstands per spoor verwijderd van de hoofdstad der engelsche bezittingen. Chandernagor, gebouwd op den rechteroever van de Hoogly aan een schilderachtige baai, herinnert aan de schoonste tijden van de fransche heerschappij in Indië. De stad heeft gedurende de geheele eerste helft der 18de eeuw de schepen bij honderden aan haar kaden ten anker zien komen; daar zetelde de gansche handel van Bengalen. Zij heeft haar voorspoed zien verdwijnen door de opkomst en de groote ontwikkeling van Calcutta. Maar nog is het een stad, die indruk maakt, een aardige plaats met breede, rechte straten en sierlijke huizen. Verscheiden ruïnen van paleizen en tempels getuigen van den vroegeren luister. Het grondgebied is niet zeer groot, namelijk 6 K.M. over de grootste lengte bij een breedte van 2 K.M., een oppervlakte van 1000 H.A. Het klimaat is er, dank zij den meren en bosschen om de stad, koeler dan in de omringende deelen des lands, maar de temperatuur is er veel veranderlijker en veel koeler dan te Pondichéry, ofschoon men in Mei zeer dikwijls een warmte heeft van 40 tot 45° C.


Indische schoone in feestgewaad.

Er wordt, eigenlijk gezegd, te Chandernagor niets verbouwd, daar de beschikbare grond zoo beperkt is, dat men geen ernstige pogingen kan beginnen; maar de politiek is er wel doorgedrongen, evenals te Pondichéry, en zij vormt het hoofdonderwerp van alle gesprekken.

Ik bracht er twee heerlijke dagen door bij den vriendelijken administrateur, den heer Bertrand en zijn lieve vrouw, en ik genoot van de heerlijke wandelingen aan den oever der rivier in de zuivere, opwekkende lucht.

Er bestaat verschil van meening over de duurzaamheid van het engelsch bestuur in Indië. Naar alle waarschijnlijkheid hebben de Engelschen er geen wortel gevat. Een volksuitdrukking zegt: “De Engelschman en de Hindoe gaan samen als olie en water”, dat wil zeggen, dat ze in ’t geheel niet samengaan. De Hindoes verwijten den Engelschen, dat zij hen opeten, zooals de rupsen bladeren vernielen en zoo den boomen het sap ontstelen. Maar de Engelschen maken zich ook geen illusies omtrent de gevoelens, die zij den Hindoes inboezemen. “De intelligentste inboorlingen”, schrijft een engelsch reiziger, “erkennen de weldaden van ons bestuur; maar de massa wil liever slecht geregeerd worden door haar eigen hoofden dan goed door ons”.

Het schijnt, dat de fransche invloed dieper doorgewerkt heeft op de te weinig talrijke stammen, door oude verdragen onder ons bestuur gelaten. Ik kan de verzoeking niet weerstaan, enkele regels aan te halen, die door Pierre Loti in zijn Propos d’exil gewijd zijn aan de boeren uit den omtrek van Mahé (en die toegepast zouden kunnen worden op alle Hindoes, die fransch grondgebied bewonen), omdat zij uitstekend de gevoelens weergeven, die de inboorling te onzen opzichte koestert: “Zij zeggen in het Fransch bonjour, als de boeren bij ons en schijnen er trotsch op te zijn, bij ons te zijn gebleven; men ziet, dat ze lust hebben te blijven staan en een praatje te maken. Diegenen, die onze taal een weinig kennen, glimlachen en beginnen een gesprek, altijd pratend van: ‘Onze matrozen ... onze soldaten.’ Ja, men is hier toch wel in Frankrijk.” En ik moet denken aan een geval voor de rechtbank te Saigon, waar een van die Indiërs, beschuldigd van ik weet niet welke euveldaad, aan een magistraat uit Corsica, die hem als wilde toesprak, ten antwoord gaf: “Wij waren al Franschen tweehonderd jaar vroeger dan gij.”




No comments:

Post a Comment