Monday, March 5, 2012

De Aarde en haar Volken, Jaargang 1906 - Full Text (Door Oost-Perzie)

Door Oost-Perzië.


Perzische vrouwen, in haar ruime kleederen gehuld.

I

Aankomst te Astrabad.—Vroegere belangrijkheid der stad.—Het land der Turkomannen.—Mesjed, zijn moskee en zijn handel.—De Loetwoestijn.—Op den weg naar Kirman.

Perzië heeft altijd een groote bekoring uitgeoefend op mijn geest. Ik had lang in Indië gediend, zonder gelegenheid te hebben, er een bezoek aan te brengen. Het werd Januari 1893 eer ik, na mijn Kerstvacantie in Engeland te hebben doorgebracht, mijn plan ten uitvoer brengen kon en een reis door Perzië kon maken, om te Boesjir de boot, die mij daar wachtte, te bereiken.


Perzische pony.

Uit Engeland komend, was ik per spoor over Weenen naar Odessa gereisd, waar ik mij naar Batoem inscheepte; van Batoem naar Bakoe volgde ik de bekende transkaukasische lijn. Daarna scheepte ik mij te Bakoe in, niet voor Enzeli en Resjd, wat de gewone weg is, maar voor Bandar-Gaz.

De stoomboot op de Kaspische Zee moest eerst stoppen te Oezoen-Ada, toen nog uitgangspunt van den transkaspischen spoorweg. Na een ruwen overtocht, waar een heele dag mee heenging, voeren wij langzaam het smalle kanaal binnen, waar een voor anker liggend schip ons waarschuwde, voorzichtig te zijn, en ofschoon wij slechts negen meter diepgang hadden, moesten wij voortdurend van den oever afhouden, om niet vast te raken. De ondiepe zee was bedekt met een dun laagje ijs. In elk opzicht leek Oezoen-Ada mij een zeer slechte basis voor een spoorweg. Dus vernam ik dan ook een jaar daarna met genoegen, dat Krasowodsk, veel dichter bij de open zee en in ’t bezit van een diepe haven, ten slotte gekozen was, om Oezoen-Ada te vervangen.

Wij verlieten met moeite het nauwe toegangskanaal [162] en wendden den steven zuidwaarts, om na vijftien uren de russische grensstad Tsjitsjikar te bereiken. De aanlegplaats is bijna buiten het gezicht der stad; dus kon ik er geen bezoek aan brengen. Maar er is niet veel te zien, en zij heeft geen beste reputatie, wat betreft den bodem en het klimaat. Door Astrabad staat Tsjitsjikan met het telegraafnet van Perzië in gemeenschap; maar de transkaspische spoorweg heeft aan dezen militairen post al zijn belangrijkheid ontnomen.

Toen wij onzen weg naar het zuiden vervolgden, zagen wij al spoedig, hoe het klimaat snel veranderde. Na het dejeuner bevonden wij ons tegenover het russische marine-station Asjoer-Ada, en vóór ons lag, in dichte nevelen gehuld, Iran.

De Asjoer-Ada-eilanden maken deel uit van een zandbank, door den noordenwind gevormd, die de heerschende is in deze streken. Daarachter breidt zich een wijde lagune uit, Murdal of dood water geheeten, waarin zich veel rivieren uitstorten, die alluviale aanslibbing aanvoeren. Men treft veel van die lagunen langs de kust aan; die van Enzeli is het meest bekend; maar de baai van Astrabad, om ons te bedienen van den naam die gewoonlijk op de kaarten staat, is het diepst. De stoombooten kunnen er tot vlak aan de kust komen en zijn niet genoodzaakt te lossen vóór de zandbank, zooals te Enzeli.

Asjoer-Ada, dat een verschrikkelijk ongezonde post moet zijn, werd in 1858 door Rusland bezet, toen men besloot een eind te maken aan de zeerooverijen van de Turkomannen. De regeering van den czar is herhaaldelijk uitgenoodigd, zich terug te trekken van de plek, die, in strikten zin genomen, nog perzisch grondgebied is; maar zoo zij aan dien wensch gevolg gaf, zou de zeerooverij maar al te spoedig weer het hoofd opsteken. Daar tengevolge van het tractaat van Gerlistan de perzische vlag niet over de Kaspische Zee mag waaien, wordt alle politie daar uitgeoefend door de groote mogendheid van het Noorden.

Drie aanlegplaatsen waren bij het eiland aangebracht, ’twelk zoo smal is, dat het schuim der golven er bij slecht weer overheen vliegt. Na een langzame vaart door de stille en rustige lagune, legden wij aan bij een vuurtoren tegenover Bandar-Gaz. Wij namen onze bagage bijeen en werden in een roeiboot overgebracht naar een havenplaatsje in een treurigen staat van verval. Tegen het vallen van den avond bevonden wij ons op perzischen grond, bestaande uit dikke, glibberige modder.

Ik had geen voorkeur, waar wij zouden heengaan; maar Joessoef Abbas, een geleerde Pers, dien ik te Odessa aan mij had verbonden, en die meer gereisd moet hebben dan iemand van zijn leeftijd, zei, dat we zouden kunnen logeeren bij een ambtenaar van de telegraaf. Deze ontving ons inderdaad zeer vriendelijk en ik kon weldra ten zijnent genieten van een echten pilaw, het perzische gerecht bij uitnemendheid.

Bij dag kwam Bandar-Graz mij als een zeer melancholiek plaatsje voor. Er is zooveel slijk, dat een paar stelten van nut zouden kunnen zijn. De hutten van boomstammen zien er vuil en ellendig uit.

Mazanderan, de perzische provincie die met Ghilan de zuidkust van de Kaspische Zee inneemt, is een belangrijke provincie, al was het maar om het sprekend contrast, dat zij maakt met de andere deelen van Perzië, of zelfs met de andere districten aan de binnenzee gelegen. Als men uit de lagune komt, waar men veel rottende planten ziet, heeft men eerst een strook jungle van afwisselende breedte, dicht struikgewas, waar het van allerlei insecten, vooral muskieten, krioelt, die er in den zomer iemand het leven ondragelijk maken. Het heet ook, dat er nog veel tijgers zijn, maar het gebeurt niet dikwijls, dat er een geschoten wordt.

Als men de bergen heeft bereikt, verandert het land plotseling van aanzien, en de reiziger kan zich in Kaschmir verplaatst wanen. Hij vindt er dezelfde boomen en weiden, en hooger de kale hellingen der bergen. Een prachtig soort van hert komt, evenals daar ook hier veelvuldig voor.

De bewoners der provincie Mazanderan hebben een geelachtige, ongezonde gelaatskleur, maar ze zijn niet klein of lichamelijk slecht ontwikkeld, zooals men verwachten zou in dat arme land. Zij kleeden zich in wol en voeden zich met rijst, die ze in groote hoeveelheden tot zich nemen. Het is een gelukkig volkje, en ik ontmoette niemand, die het land zou willen verlaten; zij kunnen in andere streken van Perzië niet aarden.

In twee dagen bereikten wij Astrabad langs een zeer slechten weg. De zon ging onder; wij kwamen de stad binnen door een ingang zonder poort en zonder bewaking, en het eerste wezen, waar ons oog op viel, was een jakhals. Eindelijk zagen wij een man in de verlaten straten. Hij bracht ons op de vriendelijkste manier naar het huis van Mirza Taki, den engelschen agent, waar wij de groote voldoening smaakten, droge kleêren te kunnen aantrekken. De vereeniging van vocht en koude is zeer onaangenaam, om niet te zeggen gevaarlijk in het Oosten, nog meer dan elders, en ik gevoelde mij gelukkig, dat ik zonder slechte gevolgen de streek van de koorts was doorgekomen en een der bekendste steden van Perzië had bereikt.

Astrabad, dat in den bloemrijken stijl van het Oosten Dar-ul-Muminin, dat is de Woning der Geloovigen heet, is voor zoover men kan nagaan, geen oude stad, hoewel de plaats volgens de legende gesticht is door Nosjirevan, met geld, gegeven door Azad Mahan, gouverneur der Keronans. Voor Engeland is de stad buitendien interessant om de mislukte poging, in de 18de eeuw gedaan, om er een engelsch-perzischen handel te vestigen.

In het begin der 19de eeuw heeft men zich van het belang van Astrabad te veel voorgesteld. Napoleon en czar Paul I hadden het plan gevormd, langs dien weg een aanval te wagen op Britsch-Indië. Het werd weer opgevat door Rusland tijdens den Krim-oorlog; maar zoowel in het eene als in het andere geval zou de uitvoering zeker op een noodlottige ramp zijn uitgeloopen.

Thans heeft de transkaspische spoorweg het stadje alle gewicht ontnomen, ofschoon bij een aanval op Perzië uit het Noorden de bezetting van Sjahroed, na de verovering van Astrabad, de hoofdstad zou afscheiden van Medsjed. [163]

Astrabad beslaat nu misschien de helft van de oorspronkelijke oppervlakte, en er wordt mij gezegd, dat de bevolking niet meer dan tien duizend zielen bedraagt. De meeste straten zijn geplaveid, waarschijnlijk door shah Abbas, en de huizen zijn van natuursteen of van gebakken steen opgetrokken met daken van roode pannen, wat een vroolijk gezicht geeft zelfs in den winter; daar op de muren overal bloemen zijn geplant, moet het er in het voorjaar aardig uitzien. Er zijn in de stad veel zeepfabrieken; potasch wordt er bereid uit planten van den oever der rivier. Ook kruit wordt bereid in Astrabad, maar dat is dan ook alle plaatselijke industrie.

Er begon veel sneeuw te vallen, een zonderling gezicht, terwijl de oranje-appels aan de boomen hingen. Ik vertrok op de jacht, hopende dat de sneeuw de herten uit de bergstreken naar beneden drijven zou. Ik zag er niet één, hoeveel moeite ik mij ook een heele week lang gaf. Daarentegen zag ik wel veel wilde zwijnen, en ik doodde er een, om mijn nieuw geweer te probeeren.

Toen ik te Astrabad terugkeerde, waren de toebereidselen voor mijn bescheiden expeditie in het turkmeensche land afgeloopen, en ik begaf mij in noordelijke richting op reis. Terwijl het woud bijna den zuidkant der stad bereikt, is het land in ’t noorden vlak en open en veelal bebouwd. Na door een paar gehuchten te zijn getrokken, bereikten wij de Kara Soe of Zwart Water, een rivier met langzaam stroomend, slijkerig water. Er ligt een brug over naar het land der Turkomannen. Enkele mijlen trokken wij voort door een zeer vruchtbare vlakte en kwamen toen aan de oevers der Gurgan, een rivier, waarvan de naam denzelfden wortel heeft als het woord Hyrcanië. Een tweede brug, even stevig als de eerste, ligt bij het fort Akkala of het Witte Fort, een oude plaats van de Kadjaren, waar nog een garnizoen is en die er indrukwekkend uitziet. Wij gingen den stroom niet over, maar trokken langs den linker oever, om zoo te komen in het kamp van Moesa khan, hoofd der Ak-Atabai, voor wien ik een brief had van kolonel Stewart.

Om u een alasjoek of Turkomannen-woning voor te stellen, moet ge denken aan een kring van omgebogen takken, min of meer in den vorm van een bijenkorf en zoowat twintig voet in diameter; zwart vilt is over alles heen getrokken, en het resultaat is een beweegbaar huis, dat ten minste als het koud weêr is, de voorkeur verdient boven een tent. Binnenin wordt het hebben en houden van den eigenaar bewaard in reuzenpakken, terwijl de karabijn van den heer des huizes binnen het bereik van zijn hand is. Stukken tapijt bedekken de reten en spleten van het vilt, en als er vuur brandt op den open haard, kan men zich comfortabel voelen in zulk een verblijf. Alleen de rook blijft een groot bezwaar. Ieder kamp werd bewoond door een aantal gezinnen tusschen tien en dertig. Zij brengen zoo vijf maanden door ten zuiden van de Gurgan, halen hun oogst binnen en laten daarna weer hun kudden weiden dichtbij de Atrek.

Men kan als vaderland der Turkomannen beschouwen een strook gronds, die beginnend bij de baai van Astrabad doorloopt tot het punt, waar de drie staten Rusland, Perzië en Afghanistan samenkomen.

Hun eerste belangrijk optreden in de geschiedenis dagteekent van de 12de eeuw, toen zij sultan Sandjar van den troon stieten. In de 19de eeuw gaf Shah Abbas bij zijn troonsbestijging aan talrijke koloniën van Koerden grondgebied in die streken, wat een slag was voor de turkmeensche roovers; maar zij bleven tot hun definitieven val, na de inneming van Khiwa en van Merw, een ware plaag voor Perzië. Men kan daar goed over oordeelen, als men, zooals ik, vroegere gevangenen van hen heeft gezien en gehoord heeft wat zij hadden te verdragen, te meer daar bij de natuurlijke wreedheid der Turkomannen zich de haat voegde van de Sunnieten tegen de Sjiïeten. De heer Vambéry heeft mij verteld, dat, hoewel hijzelf tijdens zijn gevangenschap aan de Atrek heel goed werd behandeld, hij getuige moest zijn van allerlei tooneelen, die hem de Turkomannen deden verfoeien.

Zeer tegen mijn zin was Moesa khan voor den nacht naar Astrabad gegaan. Ik maakte van den dag, dien ik wachtende moest doorbrengen, gebruik, om de ruïnen van de stad Kizil-Alan te gaan zien. Er zijn ook verschillende hoogten, die verspreid in het dal der Gurgan liggen, waar door reizigers veel onderzoekingen zijn gedaan. Enkelen hebben er reeksen van seinposten in willen zien. Het is eenvoudiger, te veronderstellen, dat het ruïnen van dorpen of steden zijn. Wij kunnen er niet meer van zeggen, vóór men systematische opgravingen zal hebben gedaan. Dan zal een rijke oogst de exploratie van het oude Hyrcanië beloonen.

Zoodra hij was aangekomen, liet Moesa khan mij door Joessoef weten, dat hij het niet op zich durfde nemen, mij door het turkmeensche land te laten gaan. Ik kon er zeker van zijn, te worden gedood of bestolen, en hij zou er door de perzische regeering voor aansprakelijk worden gesteld. Het kostte mij zeer veel moeite, hem op zijn besluit te doen terugkomen. Eindelijk, na verloop van drie dagen, gaf hij toe op de bedreiging, dat zijn naam van gezaghebbend hoofdman er in Europa onder zou lijden, en zoo beloofde hij, mij een geleide te bezorgen tot de Atrek. Drie bloedverwanten van hem zouden mijn verdere reis organiseeren.

Dus scheidde ik van mijn gastheer op de plek, waar wij de Gurgan over moesten trekken, en wij trokken noordwaarts door de besneeuwde steppe. Eerst was die geheel vlak, maar bij het naderen van de Atrek gingen wij over een keten van lage bergen, bekend onder den naam Kara-tapa of Zwarte heuvels. ’s Avonds bereikten wij in een sneeuwstorm een kamp van den stam der Atabaï, waar wij den nacht doorbrachten. Die stam telt ongeveer twee duizend gezinnen in Perzië en duizend in Rusland. Wij zetten toen den tocht langs de Atrek voort onder het geleide van een turkmeenschen mollah, Hak Nafas, die niet erg zeker van zijn zaak was. Ik vernam van Joessoef, dat het een roover was, die niet viel te vertrouwen.

Vóór hij van ons wegging, had hij op fluisterenden toon een gesprek gevoerd met enkele mannen [164] van ons gevolg, ’s Avonds van dien dag, toen wij de rivier waren overgegaan, kampeerden wij bij een groep van vijf tenten. Wij kregen niet als gewoonlijk een uitnoodiging om binnen te komen in de alasjoeks, en het viel niet moeilijk, uit een en ander op te maken, dat men iets tegen ons in den zin had. Ik barricadeerde dus mijn tent en bleef wakker, wat niet al te moeilijk was, aangezien ik gekweld werd door hevige kiespijn. Tegen middernacht kwamen de Turkomannen op onze tent af, kruipend en met geladen geweren. Toen ze op vijfhonderd meters afstands waren, ging Joessoef zeer beleefd naar hun gezondheid informeeren. Waarop zij, zonder een woord te zeggen, verdwenen. Wij belaadden onze muildieren vóór zonsopgang, en Joessoef, die al dien tijd zich kranig en dapper hield, sprak de dieven in partibus, die bij ons gebleven waren, krachtig toe en verweet hun de schending van de wetten der gastvrijheid, hen dreigend met allerlei verschrikkelijke straffen. Ten slotte verdwenen zij ook en lieten ons met rust. Denzelfden dag waren wij bijna overvallen door onze gidsen van den vorigen dag, die ons op den anderen oever van de Atrek volgden. Maar zij trokken zich terug, waarschijnlijk overtuigd, dat de Sahib machtige beschermers hebben moest, en dat hij anders zich ook nooit in deze streken zou hebben gewaagd.

Te Aksjanim, beneden een kloof, waar de Atrek door vloeit, kwam ik op het grondgebied van de Goklan-Turkomannen. Dit was de eerste plek, waar mij een vriendelijke ontvangst bereid werd. Mijn gastheer, Mustapha Koeli, was in 1874 verbonden geweest aan de zending van den Honorable G. Napier naar de Gurgan.

Wij passeerden daarna langs een zeer sterke helling den doorgang, die bekend is onder den naam Hanaki-pas; de top is 1020 M. hoog. Van daar deed het dal, dat wij juist waren doorgegaan, zich voor als een reliëfkaart; op den achtergrond verhief zich de Sonar Dagh. Overal om ons heen waren sneeuwvelden, en de wolken dreigden met nieuwen voorraad. Dus haastten wij ons, en toch was het maar even vóór zonsondergang, dat wij het fort Amend, waarvan niet veel meer dan een puinhoop over is, bereikten. Er waren enkele tenten der Toktimasj omheen gegroepeerd.

Den volgenden dag ging het met moeite door het dal der Insja, om daarna weer over een pas te trekken en den daarop volgenden dag bereikten wij in een bebouwde streek en op den weg van Astrabad naar Boesjnoert het dorp Semalgan, waarschijnlijk Samangan van sjah Nameh, een der talrijke dorpen, die aan de Koerden behooren. Onnoodig te zeggen, dat ik blij was, het land der Turkomannen achter mij te hebben, maar ook dat het mij aangenaam was, een blik te hebben mogen werpen op hun gewoonten en hun denkbeelden, wat mij nooit zou zijn gelukt, als ik met een uitgebreid escorte had gereisd.

De Koerden ontvingen mij vriendelijk. Zij hadden nog veel herinneringen bewaard van kolonel Napier. Maar ik werd er een weinig verlegen mee, dat ik na hem dit bezoek aflegde; hij had edelmoedig geschenken uitgedeeld en ik trok door met ledige handen.

Over den Halinurpas gaand, die door een hooge bergketen een weg opent, kwamen wij eindelijk in het stadje Boesjnoert. Ik werd er zeer vriendelijk door den gouverneur ontvangen, die mij geluk wenschte met het ongedeerd volbrengen van zulk een gevaarlijke reis. En inderdaad, nu eerst begon ik mij rekenschap te geven van de gevaren, die ik had geloopen. Kolonel Yate, die een jaar later met zeventig man door deze streek trok en een gewapend geleide bij zich had, noemt haar “het meest woeste en onafhankelijke gedeelte van het gebied der Turkomannen, waar de Perzen geen voet durven zetten.”

De provincie Khorassan, die wij nu pas hadden betreden, ligt in den noord-oosthoek van Perzië; de naam beteekent Land der Zon. Zij besloeg vroeger een verbazende uitgestrektheid; ze strekte zich van de Kaspische Zee tot Samarkand uit en zuidelijk tot de grenzen van Sind. Tegenwoordig reikt zij van den transkaspischen spoorweg in het Noorden tot Seïstan in het Zuiden en van Afghanistan in het Oosten tot Astrabad in het Westen. De oppervlakte is door lord Curzon geschat op 375,000 tot 435,000 vierkante kilometers.

Op den avond van mijn aankomst legde ik een bezoek af bij den Saham-u-dola, een hoofd, dat hoog in aanzien stond. Ik zei hem eerst niet, dat ik een officier was, die voor mijn genoegen reisde; maar toen ik bemerkte, dat hij in mij een deelgenoot zag van de een of andere bijzondere zending, vertelde ik hem de waarheid. Hij geloofde mij niet, natuurlijk. Een Oosterling reist nooit anders, dan om geld te verdienen of als pelgrim.

Boesjnoert is een stadje van misschien tien duizend inwoners. Er is maar één lange straat; de plaats is door een telegraaflijn met Mesjed verbonden, en er gaat wekelijks een post tusschen beide steden. De straat is vol winkels, waar men russische samovars en manchestersch katoen ziet. Ik kocht er drie turkmeensche tapijten voor ongeveer zeven pond. Een goed gesternte had mij bij den koop geleid, want ze waren in Engeland vier- of vijfmaal die som waard.

Daar drie dagen voldoende bleken, om alle merkwaardigheden van Boesjnoert te bekijken, huurden wij versche muildieren en gingen op weg naar Koetsjan. Door de Mesjedpoort vertrokken, reisden wij langs de oude stad, waar nog slechts ruïnen van over zijn en daalden af naar de Atrek. Onder de vele dorpen, waar wij doorheen trokken, hadden enkele vierkante torens, gelijkend op die van engelsche kerken; overal was welvaart te bespeuren, veel meer dan wij hadden gevonden in het door de natuur rijker bedeelde district Astrabad. Den volgenden dag gingen wij over een in goeden staat zijnde brug, en bij Sissah betraden wij het gebied van Koetsjan. Het dal wordt breeder; de grond is zeer vruchtbaar, en de dorpen zijn even talrijk als in sommige deelen van Pendsjab.


Nomadenkinderen in Oost-Perzië.

Op onzen tocht waren wij getuigen van een nog in wezen zijnd oud gebruik, het huwelijk bij roof. Wij ontmoetten eerst het geleide van een bruid te paard; zij was gekleed in een rijk wit met rood gewaad. Iets verder vonden wij andere ruiters, die bij de nadering der dame een soort van gevecht [166] nabootsten, tot zij een teeken had gegeven, dat zij zich overgaf.

Te Sjirwan kwam ik weer in bekende streken en wel op den weg naar Koetsjan daar, waar een levendige handel wordt gedreven met Geok Tepe, het punt, dat het dichtst bij den transkaspischen spoorweg is gelegen. De Atrek was hier niet veel meer dan een groote beek. Een tocht van 35,000 mijlen door een der vruchtbaarste dalen van Perzië bracht ons te Koetsjan. Het district, waar die plaats de hoofdstad van is, moet als het belangrijkste der drie koerdische districten worden beschouwd; tot in den jongsten tijd was het half onafhankelijk. Nadir Shah werd vermoord in 1747, toen hij een poging deed, het te onderwerpen. De ilkhani is reeds door lord Curzon op amusante manier beschreven; hij is gewoonlijk in een toestand van ontoerekenbaarheid door de uitwerking van opium of alcohol, en men moet hem altijd drie dagen van te voren, een bezoek aankondigen. Ik onthield mij van een visite, daar ik geen tijd wilde verliezen.

Ik vond te Koetsjan een brief van den engelschen consul-generaal te Mesjed, den heer Elias, die zoo vriendelijk was, mij te melden, dat hij mij op een dagreis afstands van de stad een sowar en twee paarden had tegemoet gezonden. Wij namen een wagen, om ons met onze bagage naar de stad te brengen.

Het land was vruchtbaar maar eentonig. Door de strenge vorst was de weg hard en vlak. In den namiddag van den derden dag ontdekte ik een man in de verte, die de sowar bleek te zijn, en in minder dan vijf minuten draafde ik in de richting van Mesjed, terwijl Joessoef in het rijtuig volgde. Vóór ons schitterde op vele mijlen afstands de prachtige vergulde koepel als een vuurzee in de stralen van de ondergaande zon.

Een nieuwsgierige menigte wachtte ons af op de pleinen der stad. Door de Khiaban, de hoofdstraat, iets als het Unter den Linden der plaats, daarna door de kronkelende straatjes, kwamen wij aan het Consulaat-generaal, waar wij hartelijk werden ontvangen. Nu ik twee maanden lang buiten de beschaafde wereld had verkeerd, was ik onuitsprekelijk gelukkig, mij weer in een bevriende omgeving te bevinden.

Mesjed, welks naam beteekent “Graf eens Martelaars”, heet zoo, omdat men er het graf vindt van een heilige Reza, den achtsten iman. Zijn monument behoort tot de rijkste en meest bezochte van Azië. De schatten, die er bewaard worden, bestaan niet alleen uit ruime jaarlijksche schenkingen van geld en kostbaarheden, maar het graf ontvangt ook giften en legaten in grond en tuinen, en wel van alle klassen der bevolking. Het is niet toegankelijk voor christelijke bezoekers, een regel, waaraan men zich in Perzië bij vele instellingen houdt. Toch is hij niet steeds in acht genomen, en de spaansche gezant aan het hof van Timoer, Ruy Gonzalez de Clavyo, vertelt, dat hij de moskee te Mesjed heeft bezocht.

Het tegenwoordige heiligdom ligt, naar ik hoor, in het midden tusschen drie groote pleinen. De bouwtrant, de opengewerkte lantaarn en het gouden traliewerk geven er van buiten een ernstige schoonheid aan, geschikt om een diepen indruk op vrome gemoederen te maken.

Mesjed is tegenwoordig een belangrijke stad uit het oogpunt van den handel en de politiek. Van engelsch standpunt gezien, zou het een goede post zijn ter bewaking van westelijk Afghanistan en een bruikbaar entrepôt voor den engelsch-indischen handel. Maar voor Rusland is de post van nog veel grooter beteekenis, daar Mesjed de hoofdstad is van de provincie Khorassan, waarvan Askhabad voor zijn onderhoud afhankelijk is. Zooals men wel kan begrijpen, zijn de bazars voor ’t meerendeel gevuld met russische goederen, maar de voorwerpen van engelsche herkomst worden op niet minder hoogen prijs gesteld. Men kan hier een beeld vinden van den strijd tusschen de beide mogendheden, die elkaâr den invloed in Perzië betwisten.

Ten tijde van mijn bezoek werd het ambt van britsch consul-generaal waargenomen door den sedert overleden heer Ney Elias, den deken van een reeks van bekende reizigers in Centraal-Azië. De belangen van Rusland waren toevertrouwd aan den heer Vlassof, die nu een ruimer arbeidsveld gevonden heeft in Abessynië. Zooals dat dikwijls het geval is, hadden hij en zijn secretaris engelsche vrouwen getrouwd, wat voor mij de genoegens van het samenzijn nog grooter maakte. Ik ben nooit ergens vriendelijker ontvangen dan in die kleine maatschappij, de europeesche kolonie van Mesjed. En toen ik dan ook na verloop van een week vertrok, om mij naar Kirman te begeven door de Loetwoestijn, deed het mij innig leed de vrienden te verlaten, van wie ik een week te voren geen enkele kende.

Na het verlaten van Mesjed volgden wij den weg van Teheran naar Sjerifabad. Hij loopt door een golvend terrein en maakt een bocht op het punt, waar de uit het Zuiden komende pelgrims voor de eerste maal den heiligen koepel der groote moskee aanschouwen.

Den tweeden dag na ons vertrek ging het over den Bidarpas, waar wij tot onze groote verbazing een dikke sneeuwlaag vonden. Van dien pas, die bijna 2000 M. hoog is, daalden wij naar een rivierdal. De benedenloop van den stroom heet Kal-i-Sala. Er ligt een pas gebouwde brug over, een vreemd verschijnsel in Perzië.

Na weer door heuvelachtige streken te zijn getrokken, kwamen wij te Turbat, stad van 15000 inwoners, nog op ouderwetsche manier Turbat-i-Haidari genoemd, naar het graf van rooden steen van een beroemd heilige, Kutb-u-Din-Haider. Tegenwoordig gebruikt men meestal den naam Turbat-i-Ichak-Khan, naar een hoofd van de Karaï’s, die ter dood gebracht werd nadat hij beproefd had, Mesjed te veroveren aan de spits van een vereeniging van stammen.

Turbat, dat te midden van tuinen ligt, is sinds 1901 een belangrijk russisch centrum geworden; een russisch dokter is er gevestigd onder bescherming van Kozakken voor de gevallen van pest- en cholera-epidemieën. Zijde was oudtijds het hoofdproduct van deze streek, en tegenwoordig begint men weer meer aan die cultuur te doen, hoewel de nawerking der ziekte van de zijderupsen zich nog doet gevoelen.

Na Turbat volgden wij den loop der Kal-i-Sala en moesten dikwijls van richting veranderen. Het was belangrijk op te merken, hoe alle op de kaart [167] aangegeven dorpen verwoest waren, terwijl er in de nabijheid nieuwe gehuchten waren ontstaan, en tot onze nog grootere verbazing was de rivier, die zich naar het Westen wendt, voorgesteld als naar het Zuidoosten stroomend.

Vervolgens reden wij naar Djangal, Bimurgh, Beidukht. Het laatste dorp is bekend als de woning van den groot-murschid van Perzië, een man, die zeer grooten invloed uitoefent, vooral op de kooplieden van Teheran. Zijn naam is Hadji Mullah sultan Alé, hij heeft een mooie school of mederssch laten bouwen, waar hij dagelijksch lessen geeft en preekt. Hij moet ongeveer zestig jaar zijn.

Djouvein, de hoofdstad van het district Gunabad, bestuurd door den gouverneur van Turbat, heeft een bevolking van 8000 inwoners en een kleinen bazar. Men maakt er een soort van aardewerk, zoo grof en zoo leelijk, dat ik geen enkel stuk ervan kon koopen.

De vlakte van Gunabad ligt aan den voet van een bergketen, die van het Zuidoosten naar het Noordwesten loopt, en hier het betrekkelijke hooggelegen land, dat ik doorreisd had, scheidt van de sombere Loetwoestijn, die ik weldra zou betreden. Verder naar het Westen sluit het terrein zich aan bij het noordelijk deel van die woestijn. Na die keten te zijn doorgetrokken, kwamen wij te Toen, een ommuurde stad van 4000 inwoners. Binnen de stad zelf waren veel tuinen, en het algemeene aanzien van de plaats was niet onbehagelijk.

Zoo had ik dan de noordgrens bereikt van de groote woestijn, die ik voor de eerste maal zou doorgaan, en waar ik nog dikwijls zou terugkeeren. Laat ik er een korte beschrijving van geven. Eerst moet ik meedeelen, dat verschillende aardrijkskundigen zonder voldoende reden de groote perzische woestijn verdeeld hebben in twee deelen, een noordelijk, het Dasjt-i-Kavir, en een zuidelijk, het Dasjt-i-Loet. Lord Curzon, die drie afleidingen mogelijk acht van het woord havir, kiest terecht het arabische hafr, dat beteekent “zoutmoeras”. Dat woord is nog voortdurend in gebruik in Zuid-Perzië. Wat de uitdrukking Loet betreft, die is stellig afgeleid van Lot, en de gidsen wijzen nog dikwijls in de groote woestijn de Sjahr-i-Loet of “steden van Lot”. Zij leggen dan uit, dat de Almachtige ze door hemelvuur verwoestte, juist als de plaatsen, die nu bedolven liggen in de Doode Zee.

Na langdurige onderzoekingen ben ik tot het besluit gekomen, dat de geheele woestijn van Perzië niet anders heet dan Loet (Dasjt-i-Loet is een weinig gebruikte uitbreiding), en dat zij een aantal kavirs bevat, die alle eenzelfde karakter hebben. Ik geef intusschen toe, dat zij talrijker zijn in het Noorden, waar nog het meeste water wordt aangetroffen. Een Pers, in Engeland opgevoed, heeft mij gezegd, dat hij wel den weg Yezd-Pabas had aangewezen gezien op de kaart als het punt, waar twee woestijnen bij elkander komen, maar dat al zijn pogingen, om op de plaats zelve zich te overtuigen van het bestaan eener woestijn Dasjt-i-Kavir, mislukt waren. Dat had zijn eerbied voor de europeesche kaarten aan het wankelen gebracht.

De groote Loetwoestijn breidt zich van de buurt van Teheran tot de grens van britsch Beloetsjistan uit over een lengte van meer dan 100 KM. Het is de oostelijke afhelling van die groote uitgestrektheid, die het dorp Basiran draagt, het hoogste punt op 1400 M. Ik heb het dorp in 1899 bezocht. De gemiddelde hoogte der woestijn is ongeveer 600 M.; de laagste punten bij Khabis liggen ter hoogte van 300 M. Het slechtste gedeelte van de Loetwoestijn is dat tusschen oostelijk Perzië en Khabis, dat in het midden der 19de eeuw door Khemikoff doorreisd werd.

Ziehier wat hij schrijft: “Men zal zich gemakkelijk ons genoegen kunnen voorstellen, dat wij veilig en ongedeerd waren, nadat wij een woestijn waren doorgetrokken, die in dorheid door geen andere in Azië overtroffen wordt; vergeleken bij den Loet, zijn de Gobi en de Kizel-Koem inderdaad vruchtbare weiden. Ik heb den troosteloozen aanblik van de landengte van Suez gezien. Veel gedeelten van die dorre streek schijnen getroffen door dezelfde onvruchtbaarheid als de Loetwoestijn; maar dit karakter is dan nooit over zoo groote uitgestrektheden heerschend.”

Gemeenlijk neemt men aan, dat de Loet een oude binnenzee is geweest. Die meening is onder anderen gegrond op het bestaan van een werkzamen vulkaan, te Sarhad, van den uitgedoofden vulkaan Koeh-i-Bazamn, en op veel legenden.

Ik ben ook van oordeel, dat door de moordende oorlogen, waar Perzië onder heeft geleden, de grenzen der woestijnachtige streken uitgebreid zijn. Perzië is een woestijn met dorpen, waartusschen zich enkele bebouwde mijlen uitstrekken en die met moeite door middel van irrigatie worden in stand gehouden. Als er geen water meer is, gaan de dorpelingen heen, en omgekeerd, als de dorpsbewoners gedood zijn, raken de kanalen en waterleidingen verstopt, en de woestijn wordt grooter.

Buiten de Loetwoestijn zijn er gebieden in Perzië, waar men drie of vier dagreizen lang geen enkel dorp ziet. Al die kleine woestijntjes lijken op de groote. Ik moet er bijvoegen, dat, zooals uit alles blijkt, de regenhoeveelheid verminderd is. Oorzaak en gevolg van dat feit is, dat het land zoo goed als in ’t geheel geen boomen heeft. De twee groote zaken, waaraan Perzië behoefte heeft, om materiëel een herleving te ondergaan, zijn het water en het woud.

Ik heb de pretentie, die ik meen dat gerechtvaardigd is, dat ik de eerste Europeaan ben, die dit deel van de Loetwoestijn doorkruist heb, hoewel ik op het oogenblik dat ik de zaak in studie nam, meende, dat ik de sporen van Marco Polo volgde. Buitendien biedt de weg, als men de noodige voorzorgen neemt, geen groote moeilijkheden aan, ten minste gedurende zeven maanden van het jaar. Het is de hoofdweg van Kirman naar Mesjed, en bij gevolg wordt hij nu door duizenden reizigers, vooral pelgrims, betreden.

Voorbij Toen sloegen wij de richting van het Zuiden in, en nadat wij de bebouwde streken achter ons hadden gelaten, kwamen we in een district van lage, door de zon verbrande, zwarte heuvels. Alle vier mijlen troffen wij waterreservoirs, bekend onder den naam van hauz en bestaande uit onderaardsche [168] gewelven, waarin men langs trappen neerdaalt. Het water, dat erin is, smaakt gewoonlijk slecht en in droge jaren vindt men er vaak niets in.

Gedurende den tweeden dag zagen wij, terwijl we met moeite door de vlakte voortsukkelden, een keten met besneeuwde bergen, die op geen enkele kaart stond aangeduid. Den dag daarna waren we bij het dorp Dahuk in een inzinking van dat gebergte, dat wel 2700 M. hoog moet zijn en Moer Koesj heet.


Moskee te Mesjed.

De inwoners vertoonden een verbazende nieuwsgierigheid, en geen wonder, want zij zagen voor het eerst Europeanen in hun land. Die belangstelling was nog grooter geworden, daar ze, naar hun zeggen, van pelgrims hadden gehoord, wat voor wonderen de Farangi’s konden verrichten en tot stand hadden gebracht, vooral te Bombay.

Dit deel van de Loetwoestijn was veel dichter bevolkt, dan wij gedacht hadden. Wij gingen door de dorpen Arababad en Zenagoen, van waar een vijftig mijlen lange weg ons naar Naïband voerde. Wij hielden stil te Ab-i-Garm, een echte havir maar van een abnormaal type. Het omliggend district werd gedraineerd door het moeras, waarin zich brak water bevond. Er waren veel tamarinden, enkele stuks hoornvee aten van het harde gras en wij schoten eenige eenden.

In den avond verloren wij in een storm het paadje, dat onzen weg verbeeldde. Toen ik bespeurde dat we geen water meer hadden, en daar wij niet wisten hoe ver Naïband nog verwijderd was, ging ik den volgenden morgen bij het aanbreken van den dag er alleen op uit te paard, om mijn gezelschap water te kunnen toevoeren.

Bij een bocht van den weg had ik eensklaps een vizioen van een feeënland. De bergen aan de overzijde waren bedekt met palmboomen, die hun kruinen wiegden op de lucht en waarmee het groene koren de liefelijkste tegenstelling vormde. Op een hoogte stond schilderachtig een oud rood fort. In het bosch van palmen binnentredend, zag ik in alle richtingen waterstroomen. Ruime grotten maakten de omgeving nog aantrekkelijker en mooier.

Ik zond mijn reisgezellen een hoeveelheid water, en weldra kwamen zij ook zelf. Wij sloegen ons kamp op bij den top van den berg, waar wij tusschen de groene palmen de gele woestijn zagen liggen, de brandende Loetwoestijn, die zich tot den horizon uitbreidde. Ik hoorde, dat het dorp Naïband twee eeuwen geleden als vooruitgeschoven post tegen de Beloetsjen gebouwd werd. Wij kwamen nu in het gebied der strooptochten van dat volk.

Daar de muildieren rust behoefden, bracht ik twee dagen door met een onderzoek van het naburig gebergte, dat bijna 2800 M. hoog was. Water vond men er zoo goed als niet. [169]


De leden der zoroastrische gemeente te Kirman.

Onze volgende etappe zou veertig mijlen bedragen. Zij voerde ons door echte steden van Lot, heuvels met steile hellingen, die vizioenen wekten van torens en huizen en menschelijke gedaanten in een schitterenden maneschijn. Wij bereikten dien dag de karavanseraï Darband, bewaakt door een eenzamen soldaat, die zijn kost verdient met het verkoopen van proviand tegen hongersnoodprijzen. Den volgenden dag kwamen we in ’t stadje Rawar, dat 8000 inwoners telt en beroemd is om zijn vijgen en granaatappels, terwijl het tevens een middelpunt is van de tapijtindustrie. Te Ab-Bid zagen wij ons plotseling omringd door een bende Arabieren, die, nadat ze bij ons tevergeefs om geld hadden aangeklopt, besloten de karavanseraï te plunderen. Twee mannen kwamen ons dat vertellen en smeekten ons hen te helpen, om hun bezit terug te krijgen. “Heel graag,” was ons antwoord, en het was een waar genoegen de bandieten te dwingen het gestolene terug te geven. In het begin trokken ze hun messen, maar het zien van onze revolvers joeg hun schrik aan en ten slotte gaven ze alles af wat ze gestolen hadden.

Ons volgend kamp lag te Hur, een gehuchtje, waar oorspronkelijk enkele soldatengezinnen woonden, die daar waren geplaatst om het land te bewaren voor de invallen en strooptochten der Beloetsjen. Vervolgens kwamen onze etapen van Gwark en Tejen. Vóór we Khabis bereikten, ging de weg door den beroemden pas Kar-i-Sjikan of pas van den Dood der ezels. Een enorme rots sluit hier den weg af, zoodat men alle lastdieren moet ontlasten en hun lichte vrachten moet laten dragen. Een weinig dynamiet zou voldoende zijn, om dadelijk dat euvel te verhelpen.

Het stadje Khabis, waar wij toen aankwamen, heeft ongeveer 8000 inwoners; het brengt uitnemende dadels voort, oranjes, henneh, de veelgebruikte verfstof, en is een druk bezocht winterstation. Het stadje was vele malen in handen der Afghanen, voor de Kadjaren-dynastie in Perzië stevig gevestigd was. De reverend A.R. Blackett van de Church Missionary Society, die als predikant en zendeling Khabis in 1900 heeft bezocht, vertelt mij, dat hij er de ruïnen heeft gevonden van wat waarschijnlijk een christelijke kerk was, onder een groep gebouwen een mijl ten oosten van de plaats.

Vóór wij te Kirman kwamen, moesten wij nog de Koehpara-keten passeeren over een hoogen pas; we kampeerden in het dorpje Amarestan en bereikten den volgenden morgen de Kirman-vlakte. Het aanzien der oude, perzische stad is niet zeer indrukwekkend, alles is er khaki-kleurig. Langs enkele tuinen en huizen buiten de muren, traden wij voor ’t eerst Kirman binnen, zonder dat ik vermoedde later zooveel met die stad uit te staan te zullen krijgen.

II

De provincie Kirman.—Aardrijkskunde: de flora, de fauna, het bestuur, het leger.—Geschiedenis: invallen en verwoestingen.—De stad Kirman, de hoofdstad der provincie.—Een seizoen op het Sardoe-plateau.

De provincie Kirman is altijd belangrijk geweest sedert haar eerste optreden in de geschiedenis. Waarschijnlijk is, in aanmerking genomen de physieke gesteldheid van het land, hare uitgebreidheid zoo ongeveer dezelfde als voor twee duizend jaar. Aan den anderen kant is ook het verschil uiterst gering tusschen [170] den naam der klassieke oudheid Kermania en dien van Kirman.

Uit aardrijkskundig oogpunt is de provincie, bijna even groot als Frankrijk, van veel belang, al was het alleen om de klimaatsverschillen, de natuurlijke voortbrengselen en de volksstammen, die men er aantreft. Over een groote uitgestrektheid is het land vlak; de palmen groeien er goed; tarwe en gerst rijpen in den winter en worden geoogst in het begin der lente. In sommige streken, in Djiruft bij voorbeeld, vormen mooie plateaux, die tot 2700 M. hoog worden, het zuidelijkste gedeelte van het perzische bergstelsel, waarin de bergketenen zoo ongeveer in noordwestelijke richting loopen. In het Zuiden van Kirman treft men toppen aan, die bijna tot 5000 M. reiken. In het Noorden en Oosten der provincie vermindert de hoogte geleidelijk, maar de bergen dicht bij de hoofdstad zijn hoog, om echter al spoedig voor de lage, eenzame vlakte van de Loetwoestijn plaats te maken.

De beste beschrijving, die men van de geheele provincie kan geven, is, dat zij voor een deel zuiver woestijnachtig is en voor een ander deel verscheiden oasen vertoont. Zoo breidt zich de woestijn wel ten westen, ten zuiden en ten oosten van Kirman uit, maar op een afstand van eenige mijlen vindt men kleine dorpen en hier en daar grootere nederzettingen, in stand gehouden door bronnen, die in ’t bergland opborrelen en welker water door kanats naar de vlakte wordt geleid.

In sommige gevallen kan de eerste bron zich wel op 120 M. diepte bevinden, en nieuwe putten moeten dan gegraven worden op kleine onderlinge afstanden. Het is onmogelijk, de geduldige vlijt der boeren niet te bewonderen, die erin slagen hun bestaan te verzekeren met zoo groote inspanning. Dikwijls kan een hevige regen of een zandhoos de kanalen verstoppen.

Natuurlijk zijn de rivieren van geen beteekenis. Alleen de Halil Roed verdient te worden genoemd. Zij ontspringt ten zuiden van de groote keten, die ik noemde, loopt door het district Djiruft en stort zich in de Bampoer. Er is tot heden geen poging gedaan, om het water voor besproeiïng te gebruiken.

Ook heeft men geen voordeel weten te trekken van den regenval. Daar die te Teheran ongeveer 25 cM. bedraagt, mag men voor Kirman een gemiddelde hoeveelheid van 17 cM. aannemen of iets minder. Maar er zijn op dat punt groote verschillen tusschen de districten. Dat van Djiruft is het meest begunstigd.

Op de hooge plateaux wordt het begin van ’t voorjaar bedorven door aanhoudende hevige winden en stormen, die uit het zuidwesten geweldige massa’s stof aanvoeren. De onweersbuien zijn in goede jaren talrijk. Te Kirman zijn de dagen in het midden van den zomer warm, maar de nachten zijn aangenaam, en er is in den namiddag meestal wat wind. De hitte is voorbij tegen het einde van September. Na de herfstnachtevening is er meestal eenige dagen lang mist en nevel. Dat zal wel de mist zijn, waarvan Marco Polo zegt: “En gij moet weten, dat als de Caraona’s een strooptocht willen doen, zij sommige tooverspreuken bezitten, waardoor ze duisternis kunnen brengen over het aangezicht van den dag, zóó dat ge nauwelijks uw buurman, die naast u rijdt kunt herkennen, en zij kunnen die verduistering tot zeven dagen doen duren.”

Op deze uitzondering na is de herfst verrukkelijk, ofschoon de Perzen de temperatuur te laag vinden en er koorts van krijgen. Dat laat zich verklaren, daar zij teveel vruchten eten. In den winter vriest het sterk en meestal is de lucht volkomen helder. Gewoonlijk valt er eenige regen tegen het eind van November en een weinig sneeuw valt in December. In Januari heeft men, als het een goed jaar is, drie of vier dagen van zwaren sneeuwval; maar de sneeuw smelt spoedig in de vlakte. Zoo zingt de dichter Omar Khaygam: “De hoop der wereld, waar de menschen hun hart op stellen, wordt asch of wordt werkelijkheid; maar dan, evenals de sneeuw op de stoffige woestijnoppervlakte, schittert zij een kort oogenblik en verdwijnt.”

Maar toch zou zonder de bergen, die de schatten aan sneeuw bewaren voor de tijden van nood, zuidoostelijk Perzië volkomen onbewoonbaar zijn. In Garmsir zijn de wintermaanden zeer aangenaam, maar zelfs in Maart wordt een tent verbazend warm, en de zomer is drukkend en ongezond, ofschoon op vele plaatsen gemakkelijk bestijgbare bergen koelte bieden.

De bevolking van deze groote provincie telt misschien 750,000 inwoners, die men kan verdeelen in lieden met vaste woonplaatsen en in nomaden; de laatsten zijn zeer talrijk. De menschen uit de steden en dorpen zijn voor het meerendeel Iraniërs. De horden der overweldigers, die achtereenvolgens kwamen opdagen, hebben bijna altijd een zwervend leven geleid, een leven zoo ongeveer als ons in het Boek Job wordt beschreven.

De reiziger, die uit Europa komt, vindt de onvruchtbaarheid van het land verschrikkelijk, en wat treurig mag heeten, zij is bezig toe te nemen. Naarmate de bevolking zich meer aan vaste woonplaatsen gewent, raakt de voorraad hout meer uitgeput, vooral door het werk der kolenbranders. Steenkolen zijn er in het land niet, en op bijna geen enkelen berg vindt men een echt bosch. Meestal treft men min of meer verspreide boschjes aan van struiken; die de gomsoort tragacanth leveren of de assa foetida, die in de apotheek gebruikt wordt. Op de bergen groeien, naar men mij zeide, allerlei Alpenplanten.

Reizen in Zuid-Perzië beteekent gewoonlijk gaan over een grond, die een verblindend licht terugkaatst tusschen steenachtige hoogten. De vermoeide reiziger begroet met geestdrift elk klein beekje, zelfs een stumperige wilg lijkt hem een bewonderenswaardig ding bij zoo groote uitgestrektheden zonder boomen.

Tegenwoordig wordt nog, als in de oudste tijden der perzische monarchie, elke provincie bestuurd door een gouverneur-generaal, die voor de inning der belastingen aansprakelijk is en zich verplicht, aan den shah een pikasj of officieel geschenk aan te bieden. De ministers ontvangen daarbij ook gratificaties. Dank zij der gewoonte, om salarissen uit te betalen aan de afstammelingen van bijna alle ambtenaren en aan elken khan, kan het gebeuren, dat alle inkomsten [171] eener provincie op de plaats zelve worden opgebruikt. Er is mij verzekerd, dat een der ambtenaren 172 jaargelden genoot voor zich en zijn bloedverwanten.

Om in de provincies de orde te bewaren, zijn in elk twee regimenten infanterie geplaatst, waarvan vier compagnieën ongeveer altijd onder de wapens zijn. Er zijn ook een klein aantal artilleristen met enkele veldbatterijen. Bam en Narmasjir hebben te zamen één regiment, waarvan de helft in garnizoen is in Beloetsjistan. De soldaten zien er over ’t algemeen goed uit en zijn flink gehard. Maar hun wapens laten te wenschen over, terwijl de roovers meestal Martini-geweren bezitten.

Volgens Herodotus vormden de Kermanii een der twaalf stammen van Perzië, en de provincie Kirman maakte deel uit van de veertiende satrapie. Strabo beschrijft ze reeds als vruchtbaar. Zooals wij zoo aanstonds zullen zien trok Alexander er doorheen van ’t Oosten naar het Westen. Ik heb in ’t geheel geen melding zien maken van Kirman in den tijd der Parthen; maar de provincie werd beroemd, toen na de verovering van Fars zij vermeesterd werd door Ardechis, zoon van Papak, stichter van de nationale dynastie der Sassaniden, die stand hield tot den tijd der arabische overheersching. Gedurende de regeering van dit vorstengeslacht genoot deze provincie, die van de west- en de noordgrens verwijderd lag, een volkomen vrede.

Op het tijdstip, toen de Nestorianen in Perzië veel aanhang kregen, werd Kirman een diocees, dat afhankelijk was van den metropolitaan van Fars. Merkwaardig genoeg, was Perzië zoozeer één geworden met het christendom, dat in China een decreet van keizer Iwentsoeng de kerken aanduidt met den naam van “perzische tempels”.

De laatste der sassanidische koningen, de ongelukkige Yezdigerd, terug moetende trekken voor de soldaten van Omar, hield eenigen tijd te Kirman verblijf, vóór hij naar de woestijn vluchtte.

De opstand, die in Perzië plaats had na Omars dood, hechtte de banden, door de verovering door de Arabieren gelegd, nog steviger vast, vooral voor de provincies, die het dichtst bij het centrum van het bestuur lagen, zooals met Kirman het geval was. Er werden forten gebouwd en arabische kolonies gesticht, met name in de warmste deelen van het land, daar de aanhangers van Zoroaster nog de hooge plateaux bezet hielden, die te koud waren voor de Arabieren.

Wij zullen de geschiedenis van Kirman niet vervolgen gedurende de twee eeuwen van arabische overheersching en na de stichting van nationale dynastieën, onafhankelijk van het kalifaat. Dat zou de geheele historie van Perzië uit dien tijd moeten zijn. Kirman zelf had enkele onafhankelijke bestuurders, Aboe Ali, een rooverhoofdman en de dynastie der Deïlamiten. En dan in den tijd der veroveringen door de Seldsjukken, die op den dood van sultan Mahmoed de Ghazna volgden, stichtte Malik Kaward, zoon van Sjaker-Beg, zich een rijk uit de provincie Kirman; zijn dynastie hield anderhalve eeuw stand. Deze periode heeft twee historie-schrijvers zien geboren worden, wier werken niet in een europeesche taal zijn vertaald. De twee belangrijkste souvereinen van deze dynastie waren Malik Shah en Arslan Sjah. Die laatste bracht gedurende een regeering van veertig jaren veel verbeteringen in Kirman aan, zoodat men die provincie best bij Khorassan kon vergelijken en bij Iran. Karavanen kwamen er heen uit alle richtingen en trokken door het land, terwijl Fars en Oman aan Kirman onderworpen waren. Togroe Shah volgde hem op; maar bij zijn dood bracht de oneenigheid tusschen zijn drie broeders de provincie tot een staat van verval.

Zij werd toen vermeesterd door den stam der Ghazzen, die Merw hadden geplunderd en de streek binnen korten tijd tot een woestijn maakten. Deze stam werd ten slotte ten onder gebracht door het leger van den atabeg Sed-bin-Zangi, en van dien tijd af herstelde zij zich niet weer van de geleden rampen. Thans wonen er de Raï’s, een onbelangrijke nomadenstam.

Kirman had het zeldzame voorrecht te ontsnappen aan de verwoestingen van een verovering door Mongolen, het ergste lot, waarvan de geschiedenis gewaagt. Maar toch bleef de inval van Gengis-Khan niet zonder indirecten invloed op zijn lot. Een officier van den khan der Kara-Kitaï, namelijk Borak Hadjib, die door de provincie trok en zich verbeeldde haar gouverneur te zijn, vroeg en verkreeg de erkenning van Gengis-Khan. Hij stierf in 1234. Hij werd vervangen door zijn neef en schoonzoon Koet-boe-din, die, nadat hem het gezag betwist was door zijn schoonbroeder, de nieuwe gouverneur werd en in 1258 stierf aan de gevolgen van een wond, hem door den stoot van een bok toegebracht in de Djoeparketen in hetzelfde jaar, waarin khalief Mostasim-Billa ter dood was gebracht door Hoelagoe, zoon van Gengis-Khan.

Op Koet-boe-din volgde zijn vrouw, onder wie het land tot bloei kwam. Zij stichtte dorpen en liet putten graven, en zij zetelde op den troon, toen Marco Polo door het land reisde op zijn terugweg. Zij stierf in het jaar 1282. Een andere vrouw, die over Kirman regeerde, was Padsjah Katoem, een merkwaardige vorstin, die een goeden naam had als dichteres. In deze periode werd het eiland Ormoezd schatplichtig aan Kirman. In 1470 werd de provincie Kain vereenigd met Kirman, en drie jaar later werden beide bij Fars gevoegd onder het gouverneurschap van Shah Kalib. Zij deelden in het lot van het overige rijk.

In October 1894 kreeg ik de opdracht een consulaat te vestigen te Kirman en in Perzisch Beloetsjistan. Ik nam die met genoegen aan, ofschoon er geen groote financiëele voordeelen aan verbonden waren, en ik begaf mij erheen in gezelschap van mijn zuster, die haar reisindrukken heeft weergegeven in haar werk, dat den titel draagt Through Persia on a side saddle. Wij begaven ons naar onzen post over Enzeli, Teheran, waar wij eenigen tijd bleven, Koem, Kasjan, Yezd en Bahramabad.

Op vier mijlen afstands van Kirman kwam een generaal mij welkom heeten en bood mij thee aan in zijn tent. De omstreken der stad hebben buitendien ook eenige theehuizen. Tot mijn groote verbazing zag ik een microscopisch paardje aankomen, met schitterend fluweelen dekkleed en gouden tuig. [172] Op dat beestje moest ik mijn entree maken in de stad. De Sahib Dwan had het speciaal voor mij gezonden. Gelukkig kon ik die moeilijke verplichting van de hand wijzen, door te zeggen, dat, daar ik in uniform gekleed was, ik genoodzaakt was, mij te bedienen van een militair zadel, en dat mijn zadel natuurlijk niet paste voor zulk een kleinen pony.

Toen wij het daaromtrent eens waren geworden, ging het in optocht naar de stad met wanhopige langzaamheid en voorafgegaan door een troep van ongeveer tweehonderd ruiters en talrijke bij den teugel geleide paarden. De hindoesche kooplieden en de zoroastrische gemeente heetten ons welkom. Bij de westelijke poort klonk een fanfare, en een honderdtal menschen liep mee met den stoet, die langzaam door de nauwe bazars ging, waar alle handel stilstond.

De tuin, die voor het consulaat gehuurd was, lag een mijl buiten de wallen, maar ten slotte bereikten wij dien toch. Wij werden een trap opgeleid en weer werd ons thee gepresenteerd. Daarna vertrokken tot mijn groote verlichting allen, die aan de istikbal of receptie luister hadden trachten bij te zetten.

De hoofdstad van de provincie Kirman is reeds van den aanvang af een belangrijk middelpunt geweest; maar het is zeker, dat het oude Karmana niet op dezelfde plek lag als de tegenwoordige stad. Zooals met zooveel steden in Perzië het geval is, hangt ook Kirman van de putten of kanats af voor zijn watervoorziening. De plaats ligt in een inzinking, nog altijd 1730 M. boven het niveau der zee, aan den voet van een kalkgebergte, dat geheel door woestijnen omgeven is; maar daar er veel wegen samenkomen, is er een middelpunt voor den handel ontstaan.


Koerdische vrouwen van den oever der Kaspische Zee.

Als men van het Oosten te Kirman komt, lijkt de stad een vrij verwarde opeenhooping van minarets en moskeeën, met bijna overal ruïnen eromheen. De beide forten, die de stad beheerschen, waren vroeger middelpunten van verkeer. Aan de westzij ligt een mooier gedeelte, de Bag-i-Ziriss, waar veel tuinen zijn, een soort van uitspanningsoord, dat een oppervlakte van 250 hectaren beslaat. De tegenwoordige stad Kirman is omgeven door een muur in goeden staat, met zes poorten, waarvan één, bekend onder den naam Sultani, het werk moet zijn van Sjah Roek. De vorm der stad is onregelmatig; de middellijn van oost naar west bedraagt juist een engelsche mijl of 1609 M., die van noord naar zuid is een paar honderd meters langer. Er zijn vijf wijken, met de namen Sjahr, Khodja-Khizr, Koetbabad, Meidan-i-Kala en Sjah-Actil; men kan er de drie buitenwijken Gabri, Mahoeni en Yoe-Moedi nog bijvoegen.

Aan den westelijken muur grenst het Fort, waar de gouverneur-generaal resideert. Daar zijn ook het telegraafkantoor, de kazernen en het arsenaal. Die gebouwen zijn voor het meerendeel modern; ze zijn mooi en goed onderhouden. Een groote tuin omgeeft de particuliere vertrekken van Zijne Excellentie.

Tot 1896, het jaar toen het door een aardbeving verwoest werd, was het merkwaardigste gebouw van Kirman de Koeba Sabz of Groene Dom. Het was het graf van de dynastie der Karakhiten; het was een eigenaardig cylindrisch monument, bijna 16 M. hoog met groenachtige mozaieken, terwijl de vloer van binnen sporen van veel goud vertoonde.

Niet ver van daar is een steen, die prachtig gebeeldhouwd is en waarop verzen van den Koran staan. Hij is gevoegd in den muur van een vierkant gebouw, gedekt door een koepel en op dezelfde wijze versierd als de Koeba Sabz. Een gewelf eronder schijnt er op te wijzen, dat het ook een graf is geweest, maar de eenige inlichting, die ik op dit punt te Kirman krijgen kon, was dat het gebouw der Khodja-Atabeg of Sang-i-Atabeg heette.

Kirman, dat in de oostersche talen Das-ul-Aman heet, dat is “Woning des Vredes” kan met de voorsteden een bevolking van een weinig minder dan 50,000 zielen tellen. Uit godsdienstig oogpunt is zij aldus over de verschillende secten verdeeld: sjiiëtische Mohammedanen 37,000, sunnietische 70, Babi’s Behaï 3000, Babi’s Ezeli 60, Sjeikhi’s 6000, Soefi’s 1200, Joden 70, Zoroastriërs of Persen 1700, Hindoes 20. [173]

De Babi’s, aanhangers van Mirza-Ali-Mohammed van Sjiraz, in 1848 ter dood gebracht, maken in ’t geheim tal van proselieten. Zij hebben verheven principes, willen vriendschappelijke betrekkingen tusschen alle menschen, afschaffing van godsdienstoorlogen, studie van nuttige wetenschappen enz. De uitbreiding van de leer der Babi’s zou voor de wedergeboorte van Perzië veel goed kunnen doen. Zij zijn verdeeld in Ezeli’s of Behaï’s, al naarmate zij de leer van Mirza-Yahia, sub-i-Ezel, den opvolger door den stichter der leer zelf aangewezen, zijn toegedaan of volgelingen van Mirza-Husein-Ali, Beha Ulla, zijn ouderen broeder, die zich in 1866 tot hoofd der sectie opwierp.

De secte van de Sjeikhi’s heeft, ofschoon men het tegendeel heeft beweerd, veel overeenkomst met die der Babi’s. Zij is gesticht door Sjeik Ahmad, d’Ahsa of Lahsa op de Bahreineilanden, die ongeveer 1750 werd geboren. De secte telt 7000 volgelingen in de provincie Kirman en 50,000 in Perzië. Het tegenwoordige hoofd is Hadji Mohammed Khan, een man met vriendelijke, wellevende manieren, die een uitgebreide wereld- en menschenkennis bezit, aangenaam is in den omgang en vrij blijkt van alle dweepzucht.


Inlandsche soldaten van het engelsch consulaat te Kirman.

De Joden uit Kirman zijn er ongelukkig aan toe. Het zijn kleine kooplui, bespottelijk inhalig en op hun voordeel uit. ’t Is een tak van een grootere kolonie, te Yezd gevestigd en die uit Bagdad gekomen moet zijn.

De Zoroastriërs, interessant omdat zij aanhangers zijn van zulk een ouden eeredienst, zijn ook belangwekkend om de zuiverheid van hun bloed. Het zijn echte Iraniërs zonder die mengeling van arabisch bloed of van mongoolsche en turksche elementen, door achtereenvolgende invallen in Perzië ingevoerd. Zij vormen een schooner en gezonder ras dan hun muzelmansche geloofsgenooten. Hun broeders in den geloove uit Bombay geven een voorbeeld van physieken achteruitgang, waarschijnlijk teweeggebracht door het klimaat van Indië.

Uit industriëel oogpunt was Kirman tot voor weinige jaren uitsluitend bekend om zijn sjaals, maar tegenwoordig nog meer om de tapijten. Die weergaloos mooie producten van zijn weefstoelen worden geweven uit zijde en wol, en de fijnheid, de schitterende kleuren maken ze inderdaad tot de schoonste ter wereld; alle andere weefsels schijnen daarnaast banaal. De modellen zijn zeer oud en dagteekenen blijkbaar uit den vóór-mohammedaanschen tijd. Er komen dikwijls menschenfiguren op voor, maar meer gestyliseerde bloemen, alles met een prachtige mengeling van kleuren.

Te Kirman zelf telt men ongeveer een duizendtal van die weefstoelen. Elk tapijt wordt gemaakt door een meester-wever en twee of drie kleine jongens, die naar een formule werken, welke zij opzeggen en die veel verouderde woorden bevat. Het wordt beweerd, dat die formules van mond tot mond zijn gegaan, overgeleverd van den vader op den zoon, eeuwen en eeuwen lang. Er worden geen vrouwen, noch meisjes aan dit werk gezet. [174]

Anilineverfstoffen, die de tapijtindustrie onder de nomaden bijna onmogelijk hebben gemaakt, worden zorgvuldig vermeden.

De sjaal wordt geweven uit geitehaar of wol. Evenals bij de tapijten, worden de modellen van buiten geleerd; maar het werk is veel fijner en kan alleen door kinderhanden worden verricht.

Andere industrieën van minder beteekenis zijn de fabrieken van vilt, van abba’s, dat zijn overkleeden van arabischen oorsprong en veel door de Perzen gedragen, van voorwerpen uit brons gemaakt, enz.

Mijn verblijf te Kirman is altijd zeer aangenaam geweest; nergens ter wereld zouden wij met meer achting behandeld hebben kunnen worden, en naar mijne meening zijn de beleedigingen, die Europeanen zoo dikwijls den Perzen naar het hoofd slingeren, volkomen onverdiend. De Perzen zijn over ’t algemeen bijzonder beleefd en geestig, en hun vlugheid van begrip en repartie zijn spreekwoordelijk. Ze zijn als Franschen door hun beleefdheid en hun zin voor complimentjes, en als Engelschen in zoo ver zij het ’t beste gebruik van geld achten, als ze het aan voedsel en aan kleêren besteden.

De opvoeding der jeugd is tot hiertoe schandelijk verwaarloosd; maar men kan tegenwoordig daaromtrent een heilzame ontevredenheid opmerken, waardoor men later aan de kinderen nog wat anders zal onderwijzen dan spreuken uit den Koran, die, daar ze in ’t arabisch vervat zijn, niet eens door hen begrepen worden. Thans is de positie van een schoolmeester er even slecht als in het Engeland der 17de eeuw, en de betaling gelijkt op die van een huisbediende. Het is dus niet verwonderlijk, als men meesters ontmoet, die leeren, dat Londen de naam is van een land, waarvan een der steden de Atlantische Oceaan is!

In Juni begonnen de nachten warm te worden, en mijn zuster leed veel onder de aanvallen der muskieten. Dus besloten wij van verblijfplaats te veranderen. Men had ons een koeler streek aangeraden. Daar ik er zeer op gesteld was, den weg van Marco Polo terug te vinden, besloten wij, ons eerst naar Koeh-i-Hazar te begeven of den “berg der tulpen”, daarna Sardoe een bezoek te brengen, waar ik zeker was, dat de groote Venetiaan vertoefd had.

In vier étapes waren wij aan het dorp Hazar gekomen, en wij kampeerden middenin de bergen op een hoogte van 3300 M. Ik kon er heerlijk jagen; de bergstreek was bewaard gebleven voor den gouverneur-generaal, en er was in verscheiden jaren geen jachtgeweer afgeschoten.

Op een dag volbrachten wij met mijn zuster de bestijging van den berg met den langen oosterschen naam die “Heiligenberg” beduidt. Het was de tweede in hoogte van de toppen van Zuidoostelijk Perzië, 4180 M. hoog. Op den top was een kapelletje, waarin een collectie munten werd bewaard, waaronder één met het beeld van koningin Victoria en het jaartal 1837.

De lucht was volkomen helder, en het panorama verrukkelijk mooi. In het Noorden zagen wij de hoekige keten, aan welker voet Kirman ligt; in het Oosten de reusachtige Koeh-i-Hazar, die hooger is dan 4000 M. Het is een prachtige berg, op den weg naar Beloetsjistan op meer dan 100 mijlen afstands zichtbaar en in staat om de oogen van meer dan één Kermani van trots te doen stralen. In het Zuiden liggen Sardoe en de reeks groote ketenen, die onder verschillende namen het plateau van Iran dragen. Bijna naar elke richting van den horizon hadden wij een inderdaad nooit door Europeanen betreden land voor ons; op de kaarten zijn enkel hoofdwegen aangegeven, en aan beide kanten ervan heeft men op korten afstand totaal onbekende streken.

Van daar gingen wij naar het plateau van Sardoe. Te Rahboer brachten wij een bezoek aan den gouverneur, en we ontmoetten ten zijnent een grijsaard van den stam der Mehni, die beweerde 125 jaar oud te wezen. Zijn gelaat had de kleur van was; zijn haren geleken zilverdraad.

Bij het verlaten van Rahboer hielden wij bij benadering een oostelijke richting en gingen over verschillende armen der Halil Roed, waarvan één vrijwat dieper was, dan wij hadden gewenscht. Des nachts hielden we stil bij een tuin, waaromheen een vijftigtal gezinnen kampeerden. Het was de maand Moharram, en uren aaneen moesten wij het klaaglied uit de Lijdensweek aanhooren. Toch kwam er tot onze groote voldoening een eind aan, en het had wel iets van een grappige vertooning, toen wij de opvoeringen overal weer aantroffen. Dit was eigenlijk de eenige maal, dat ik in Perzië iets anders dan echte vroomheid bij de godsdienstige plechtigheden zag; maar de nomaden zijn over ’t algemeen minder stipt in de opvolging der voorschriften van den godsdienst dan de menschen met vaste woonplaatsen.

De volgende dagreis voerde ons door het vruchtbare district Herza, waar de vele boomen een aangename tegenstelling vormden met de gewone kaalheid der velden. Over een pas van 2700 M. gaande, bereikten wij geleidelijk door golvende tarwevelden Dar-i-Mazar, hoofdstad van Sardoe. Men ziet er een goed onderhouden heiligdom ter eere van sultan Sejid-Ahmad-Saghis, die van den imam Moesa afstamt. Het omringende terrein is eigendom van het heilige gebouw, en boeren, die zich sjeiks noemen, zijn zoo goed als de eenige vaste bewoners van het district, daar de nomaden, ten getale van vierhonderd gezinnen ruim, in deze streken slechts de weinige zomermaanden doorbrengen. Rondom het heiligdom ziet men een twaalftal winkels, en een badhuis is er onlangs verrezen. Eenige Kermani waren er van het heerlijk koele klimaat komen genieten.

Wij kampeerden verderop bij den pas van Sarbizan, waar men de ruïnen van een karavanseraï vindt, gebouwd door den zevenden Seldsjukkensultan Malik Mohammed. Het was er best jagen, en wij zouden er wel een maand hebben willen blijven. Maar de Sahib Dwan was teruggeroepen, en zijn opvolger werd plechtig geïnstalleerd, en dus moesten wij te Kirman terugkeeren vóór de aankomst van Zijne Hoogheid.

Een weinig vóór Kerstmis 1895 kwamen twee Duitschers, die gewed hadden een reis om de wereld te doen en daarbij hun eigen kost te verdienen, te [175] Kirman aan. Het zou voor onze kolonie een slechten indruk hebben gemaakt, dat Europeanen bedelden, dus achtte ik mij verplicht den reizigers zooveel mogelijk hulp te bieden. Maar ik kan niet zeggen, dat het mij gespeten heeft te hebben vernomen, dat hun onderneming ten slotte mislukt was; zulke zonderlinge, excentrieke menschen doen niets dan kwaad, vooral in het Oosten. De inlichtingen, die zij geven, hebben meestal geen waarde en kunnen gevaarlijk worden. Bovendien is er geen enkele oosterling, die geen minderwaardige voorstelling van Europeanen krijgt, als hij er ziet, die zonder bedienden reizen en in de eerste de beste plaats hun logies goed genoeg vinden.

III

In Beloetsjistan.—Makran, geschiedenis en aardrijkskunde van de streek.—Sachad.

Op zijn eerste reis in 1893 vertrok majoor Sykes van Kirman, om zich naar Boesjir te begeven aan de Perzische Golf. Van daar volgde hij de kust tot Karatsji, welken post hij verliet, om zijn tweede reis te ondernemen. Toen werd hij vergezeld door majoor Brazier Creagh van den gezondheidsdienst bij ’t leger, door sultan Soekhroe, officier van een cavalerie-regiment uit Pendsjab, door twee sowars van het corps gidsen en door twee hindoesche bedienden. Hij vertelt het volgende van die tweede reis.

Uit Karatsji vertrokken, was onze eerste tocht naar Gwadoer, een bezitting van den sultan van Mascate, waar zich veel ontvluchte perzische slaven ophouden. Den volgenden dag voer onze stoomboot bij mooi, stil weêr de baai van Sjahbar binnen, de veiligste en best toegankelijke haven aan de kust. Voor den zuidwestmoesson is men er beschut door het land van Oman, waar zich het lange voorgebergte Ras Koelab uitstrekt, terwijl in het westen een lange klip een natuurlijken golfbreker vormt. Maar bij de breedte van twaalf KM. en de diepte van wel twintig KM. is het toch nog geen volkomen veilige ankerplaats.

Onze ontscheping ging niet zonder moeite door middel van een inlandsche boot of baggala. Toen we aan land waren, brachten we al onze impedimenta naar ’t naastbij zijnde postkantoor.

Beloetsjistan is de gewoonlijk gebruikte naam van een uitgestrekt gebied, dat maar dun bevolkt is en verdeeld is tusschen Engeland en Perzië. De afgelegen provincie beantwoordt zoo ongeveer aan de zeventiende satrapie van Darius, waarvan Herodotus gewaagt. De groote koning vermeesterde Hapta Sindoe of Pendsjab, waarschijnlijk langs den weg van Beloetsjistan, terwijl een vloot onder bevel van den griekschen admiraal Scylax den Indus afzakte en, zonder zich om de gevaren ter zee te bekommeren, de kusten van Gedrosië en Arabië exploreerde. Die expeditie had plaats in 512 vóór Jezus Christus, en in zekeren zin vermindert zij den roem van Alexander, die zeker niet wist, dat de Grieken al in de zee van Erythrea hadden gevaren, verondersteld, dat zij het hebben gedaan, wat niet bewezen is.

In den tijd van Alexander was de Makrankust bekend als ’t land der Ichthyophagen, en het binnenland heette Gedrosië. Sir Thomas Holdich ziet in het woord Makran een samentrekking van de beide perzische woorden Mahi en Khoeran, vischeters of ichtyophagen beteekenend. Maar ik geloof, dat het woord veel ouder is en ik zou de volgende etymologie voorslaan. De Assyriologen verschillen van meening op het punt of de naam Magan beteekent het Sinaï-schiereiland of de kust van Arabië achter de Bahrein-eilanden met Oman er in begrepen; in elk geval hebben wij het Maka der opschriften, een vorm, die met weinig verandering terug te vinden is in de Mykians of Mekians van Herodotus. Nu was Makran in ’t bijzonder bekend om zijn wortelboomen of mangroven, want het land was gelijk aan de naburige kust, die men de Ran van Katsj noemt, een woord, dat afkomt van het Sanskriet aranya of irina en dat een woestijn of een moeras beteekent. Is het dus niet aan te nemen, dat de oorsprong van dit welbesproken woord Maka irina zal zijn, wat beteekent “de woestijn van Maka”? In Sind is de uitspraak thans Makaran, juist de vorm, dien de beide woorden vereenigd moesten aannemen.

Uit natuurkundig oogpunt breidt Makran zich uit tot de eerste belangrijke keten, die een waterscheiding is. Tot op een dertigtal kilometers van de kust vindt men een zandige vlakte, waar verschillende waterloopen door gaan en die op vele plaatsen met tamarinden is begroeid. Behalve na den regen loopen die rivieren maar voor een deel aan de oppervlakte van den grond. Haar loop wordt dan onderaardsch, ’t geen intusschen het voordeel heeft het water aan de verdamping te onttrekken. Het district moest minder arm zijn dan het is, want de grond is vruchtbaar en wordt voldoende besproeid, terwijl men er uitstekende weiden voor kameelen vindt. Daarachter strekt zich een reeks heuvels uit, laag en afgerond, die meer landwaarts in voor ruwe kalksteenbergen plaats maken, de waterscheiding van Makran.

Sir Thomas Holdich beschrijft het landschap Makran uitstekend in zijn werk The Indian Borderland aldus: “Een eentonige reeks van ketenen, de eene achter de andere als de ribben van een walvisch, zich verheffend boven lage slijkheuvels met hier en daar een zoutige plas en, als eenig versiersel, wat tamarinden met neutrale tinten en gele stengels van vergeten gras van ’t vorig jaar, zoo zag het landschap er uit, dat wij maar al te dikwijls onder de oogen hadden”.

De noordelijke hellingen van het kalkgebergte dalen af naar de rivieren Bampoer en Mesjkil, die geen van beide de zee bereiken. In het Noordwesten loopt de Loetwoestijn tot de rivier Bampoer, terwijl in het Oosten van de Fahradsjvlakte de perzische bergketenen, die van het Noordwesten naar ’t Zuidwesten liepen, eene oost-westelijke richting nemen, die zoo karakteristiek is in Zuid-Beloetsjistan en die voor een deel den achterlijken toestand van die streek verklaart door van de kust den toegang erheen zeer [176] moeilijk maken. Meer naar het Noorden eindelijk ligt het district Sarhad, waar twee naar het Noordwesten gerichte evenwijdige ketenen deze hooge streek afscheiden van de Loetwoestijn in ’t Westen en van de eveneens lage Kharanwoestijn in het Oosten.


Doodentoren van de Zoroastriërs.

Het centrale gedeelte van Beloetsjistan is zeer bergachtig; maar er zijn geen maatregelen genomen, om van den aanwezigen watervoorraad partij te trekken, en het land bestaat uit niet veel anders dan magere weiden. De rivier, de Bampoer, zou tegen een geringe uitgaaf voor irrigatiewerken met gemak een aanzienlijk aantal inwoners kunnen voeden.


Tuinen van Bagh-i-Zirisf, te Kirman.

Sarhad, dat enkele jaren geleden nog een echt rooversnest was en nu nog niet veel beters is geworden, heeft veel latente hulpmiddelen op zijn hooge vlakten, die tot Koeh-i-Taftan loopen. Toch is het district bijna niet bevolkt, ofschoon het graven van kanats reeds eenige resultaten heeft gehad en men in het land veel overblijfselen vindt van vroegere cultures. De opening van de spoorlijn van Quettah naar Seïstan zal wel haar werking uitoefenen, langzaam maar zeker. De Engelsche regeering kan niet meer zooals vroeger onverschillig blijven voor de razzia’s. Buitendien begint Perzië zelf er ook de orde te herstellen, en de razzia’s zijn al niet meer, wat ze vroeger waren, toen de Beloetsjen allen doodden, die zij gevangen namen of bij uitzondering hen hielden als slaven en hen verminkten, om hen de lust te benemen, naar hun vroegere woonplaats terug te keeren. [265]


Palmenentuin te Fahradi.

Wij weten niets zekers omtrent den oorsprong der Beloetsjen, want zij hebben geen oude boeken, zijn zeer onwetend en zijn daar trotsch op, zooals de baronnen uit de Middeleeuwen het waren. Sir Henry Pottinger schrijft hun een turkmeensche afkomst toe; maar volgens professor Rawlinson is het woord Beloetsje afgeleid van den naam Belus, dien van een koning van Babylonië, dien men beschouwt als den Nimrod, zoon van den Koesj uit de Schrift. Het woord koesj komt ook wel onder den vorm koessoen voor. In Sjah Nameh van Firdoesi worden de Beloetsjen genoemd als een stam, in Ghilan gevestigd onder de regeering van Nosjirwan. Van daar zijn ze geëmigreerd naar Beloetsjistan door Seïstan. Zeer waarschijnlijk zijn ze van arische afkomst; maar het ras is veranderd door kruising met arabische immigranten, vluchtelingen voor de vervolgingen, die na Hussein’s dood plaats hadden. De hoofden beweren, dat zij van arabische voorouders afstammen, en zij maken ook den indruk te behooren tot een menschensoort, verschillend van die der boeren. De Brahoeïs, die er dan nog zijn, hebben een eigen type; ze zijn klein en hebben een rood gelaat, terwijl de Beloetsjen lang en slank zijn met een langen vorm van hoofd. Die Brahoeïs spreken een taal aan het Tamoel verwant en moeten van dravictischen oorsprong zijn.

Het is belangrijk op te merken, dat verscheiden duizenden Beloetsjen wonen buiten Beloetsjistan, men treft ze veel aan in de grensprovincies van Indië.

De eenige voorislamietische ruïnen, die ik ontmoet heb, zijn de Gorbasta, dikwijls vergeleken bij de Cyclopenmuren van de Grieken. Ze zijn gewoonlijk gebouwd bij den uitgang van een pas en dikwijls moesten zij stuwen zijn voor het water, dat ter irrigatie dient. In sommige gevallen vindt men ze op hellingen, en in vorstelijk Beloetsjistan schijnt een talrijke bevolking voor haar levensonderhoud afhankelijk te zijn geweest van deze dammen.

Maar kolonel Mockler heeft, toen hij een zestigtal kilometers ten noordwesten van Gwadoer reisde, [266] enkele oude steenen gebouwen opgegraven en heeft ook steenen stuwwerken gevonden. Hij heeft mede beenderen ontdekt en aardewerk en steenen messen. In andere gedeelten van Makran heeft hij steenen graven gevonden, maar hij trekt geen enkel besluit uit die ontdekkingen, evenmin als uit de opgravingen, door hem verricht te Bahrein, waar ook gemetselde graven aan het licht zijn gekomen.

Beloetsjistan was schatplichtig aan het oude perzische rijk. Het is zeker, dat Alexander de Groote het van het Oosten naar het Westen doortrok, maar daarna heeft men het eenige honderdtallen van jaren uit het oog verloren. Er is eerst weer sprake van, als men onder de regeering van Nosjirwan besluit, de Beloetsjen voor hun strooptochten te straffen en er groote moordpartijen aanrichtte. Zij hielden zich toen rustig, ten minste gedurende één geslacht, hernamen daarna echter weer hun roofzuchtige gewoonten, en hun onafhankelijkheid is nooit duurzaam bedreigd geworden.

Toen de Mohammedanen kwamen opdagen, werd de provincie Kirman veroverd in de eerste jaren na de Hedsjra, en Beloetsjistan trof weldra hetzelfde lot. Maar het is twijfelachtig, dat het land permanent door de Muzelmannen bestuurd is, vóór het veroverd werd door Yakoeb bin Lais van de Saffaren-dynastie. Deze regeerde over een rijk, dat zich uitstrekte van den Indus tot den Sjat el Arab, maar de voorspoed duurde niet lang, want zijn broeder Amz werd gevangen genomen door Ismaël van het geslacht der Samaniden en te Bagdad ter dood gebracht.

Intusschen bleven de Saffaren nog verscheiden eeuwen in het bezit van Beloetsjistan, en zij vormden in den loop der tijden een vereeniging van opperhoofden. Verschillende arabische reizigers, Masoedi, Istakhri en Ibn Hankal bij voorbeeld, hebbens ons Makran in dien tijd als een bloeiend land geschilderd.

Ten tijde van den inval der Mongolen kwam Djelaleddin van Kheiva uit Indië naar Makran, om zich met de overweldigers te meten, en in 1223 zond Gengis-Khan, toen hij Herat had verwoest, Dehagataï erheen, om Makran te verwoesten, ten einde de verbindingslijnen met Djelaleddin af te snijden.

Op het einde van de 13de eeuw voer Marco Polo op zijn terugweg van China langs Makran; maar het is niet zeer waarschijnlijk, dat de groote Venetiaan op eenige plaats de kust heeft aangedaan.

In 1839 spreekt een intelligent reiziger Hadji Abdoel Nali van de verschillende beloetsjistansche hoofden, die razzia’s houden in Perzië en lachen om de bedreigingen van den gouverneur-generaal van Kirman.

Maar sedert 1844 begint Beloetsjistan zijn vrijheid te verliezen. Twee leden van den stam der Kadjaren werden aangewezen, om het woelige district te besturen, maar zij slaagden niet in hun pogen, en het was de verdienste van Ibrahim Khan, de verovering te voltooien van wat tegenwoordig perzisch Beloetsjistan is. Hij wordt van wreedheid beschuldigd, en hij had inderdaad een zekere neiging om de slaven te exploiteeren; maar men moet rekening houden met alle geschenken, die van hem gevorderd werden en alle geldsommen, die hij moest opbrengen.

Ibrahim Khan ontving de grensregelingscommissie onder bevel van Sir Frederick Goldsmith niet al te vriendelijk, en pas was de commissie, die de perzisch-beloetsjistansche grens geregeld had, vertrokken, of hij maakte zich van Koehak meester, dat niet aan hem was toegewezen. Hij stierf in 1884, na dertig jaren in dezen hoek van Perzië het bestuur te hebben gevoerd. Zijn zoon stierf eenige maanden na hem, en zijn schoonzoon werd gouverneur, maar werd in 1887 vervangen door een Turk, Aboel Fath Khan, om echter weldra weer tot gouverneur te worden uitgeroepen. Deze Zein ul Abidin Khan regeerde, toen ik er in 1893 kwam, en hij had later twee opstanden der Beloetsjen te onderdrukken, één na den moord op den Sjah in 1896, en den anderen in het daarna volgende jaar.

Tegenwoordig, nu de britsche regeering den verkoop van geweren verboden heeft, is Beloetsjistan afhankelijker dan ooit; maar het vooruitzicht is niet schitterend. De luiheid en onverschilligheid van dit volk zijn zoodanig, dat ik meen te kunnen voorspellen, dat binnen honderd jaar na dezen hun leven niet meer dan thans van dat der patriarchen zal verschillen.

Voor onze reis waren, dank zij den heer Lovell, de kameelen gereed. Maar de Beloetsjen hadden geen touwen, en buitendien bleek het uiterst moeilijk, de lasten te verdeelen. Zij beklaagden zich buitendien over de zwaarte der vrachten, die een perzisch muilezeldrijver licht zou hebben gevonden. Wij deden hierbij de belangwekkende waarneming, dat ieder kameel een eigenaar had, en dat er soms een viertal aanspraak maakte op hetzelfde dier.

Wij besloten eindelijk onszelven met de verdeeling der vrachten te belasten, en wij vertrokken laat in den namiddag, om tot Tiz te gaan op twaalf kilometer afstands. Eerst gingen wij door het dorp Sjahbar, waar veel hindoesche kooplieden woonden en waar alles vuil en leelijk was, behalve de enkele boomen, die er stonden; vervolgens bestegen wij geleidelijk het rotsachtige gebergte, dat het dorp scheidt van Tiz. Die laatste plaats is veel beter gelegen dan Sjahbar, daar zij zich bevindt aan den uitgang van den hoofdweg naar het binnenland over Kasakand, die volkomen den weg langs de kust beheerscht, welke oostwaarts in zigzag van het gebergte daalt en naar het Westen door een opening tusschen de rotsen de zee bereikt.

Het was te laat, om de ruïnen te gaan zien, die trouwens nu uit niet anders bestaan dan een duizendtal graven. Wij hadden nog juist den tijd een blik te slaan op het oude perzische fort, twintig jaar geleden gebouwd, om Sjahbar, door de Perzen veroverd op een arabischen sjeik, te beschermen; kort daarna werd het reeds door het garnizoen verlaten.

In 1188 van onze jaartelling was Tiz blijkbaar een groote haven; de karavanen, die van het Westen kwamen, volgden dien weg, toen tengevolge van plaatselijke troebelen de haven van Ormoezd geblokkeerd was. Hun weg leidde blijkbaar van Irak naar Kirman en van daar naar Bampoer, Kasakand en Tiz; de andere weg, die mogelijk was, namelijk [267] over Geh bood teveel moeilijkheden voor de karavanen. De belangrijkheid van Tiz lag ook hierin, dat de plaats het middelpunt was van den suikerhandel in Makran en misschien de uitvoerplaats van het graan uit Seïstan; stellig was het de zetel der kooplieden, die niet tot Ormoezd wilden gaan.

Daar wij ons kamp hadden moeten opslaan in een nauw dal, waar alleen wat water was in een paar vuile poelen, vertrokken wij den volgenden dag in gloeiende hitte en richtten ons naar Parag, een vuil dorpje. Daar wendden we onzen rug naar de zee en naar de telegraaflijn, die dicht langs het strand loopt en veel van vocht te lijden heeft. Daar onze paarden vermoeid waren door hun reis per spoor en per boot, rustten wij eenigen tijd uit in de schaduw der tamarinden, en wij zetten onze reis eerst voort in den koelen avond, waarbij we over een lavavlakte gingen, waar enkele magere katoenvelden te zien waren.

Ons kamp voor dien dag werd opgeslagen in het gehuchtje Noer-Moehamedi. Den volgenden dag dwongen onze Beloetsjen onder voorwendsel, dat hun kameelen, die ’s avonds laat waren aangekomen, rust behoefden, om stil te houden.

Een nieuwe marsch van 25 KM. bracht ons te Pich-Mant, welke naam beduidt “plaats van den dwergpalm”. De bladeren van dien daar veel voorkomenden boom worden voor verschillende doeleinden gebruikt; men maakt er sandalen van, matwerk en manden, daken, touwen enz. “en”, zegt de schrijver van Eastern Persia, “ook mutsen, sabelscheeden, zweepen enz. De gedroogde bessen dienen voor het maken van rozenkransen; de jonge spruiten worden gegeten, en de wortels zijn een uitstekende brandstof, wat een groot voordeel is in het aan hout zoo arme land”.

Toen wij de vlakte achter ons lieten, kwamen wij in een steenachtig dal en van daar over een lagen pas op een plateau. Dien dag streek een zwerm horzels op ons ontbijt neer en at het voor ons op.

De volgende dag bracht ons tot Ziarat, een gelukkig oord, omdat wij er stroomend water vonden, waar onze paarden zich heerlijk aan te goed deden.

De eenige Europeaan, die vóór ons in deze streek is geweest, is kapitein Grant, een van de wetenschappelijke onderzoekers, op aandrang van Sir John Malcolm naar Perzië gezonden in het eerste tiental jaren van de 19de eeuw. Zijn mededeelingen beteekenen niet veel.

Te Ziarat hadden wij de noordgrens bereikt van het kustdistrict, waarvan de versterking, naar ons gezegd werd, voor ongeveer 5000 francs per jaar is toegezegd. Het water der rivier, die een paar mijlen geheel verdwenen was, kwam wat hoogerop weer te voorschijn, en wij gingen door een reeks kleine gehuchtjes en dadelboschjes, om ten slotte te Nokinja stil te houden, waar wij ons bundels groene rijst konden aanschaffen voor de paarden en eieren en melk voor onszelven.

Wij waren nu eindelijk buiten het gebied van de afgeronde heuvels, en de bergketens, waardoor onze weg leidde, eindigden in spitse kapen boven de bedding der rivier. Onmiddellijk boven Nokinja volgt de samenvloeiing met de Sirha. Hooger nog was het ons een genoegen, Geh te bereiken, de hoofdplaats van het district. Ik heb honderden beloetsjische dorpen gezien, maar Geh, het Bih van den reiziger uit Arabië, blijft in mijn herinnering gegrift als het mooiste. Een prachtig boschje van dadelpalmen verrijst bij de bron van twee rivieren, de Gung en de Kisji; een oud schilderachtig fort staat op een rots, en alleenstaande, kale heuvels in den omtrek verhoogen den indruk, dien de frischgroene rijstvelden maken.

Het dorp ligt ongeveer 450 M. hoog. Hoewel wij op het einde van October waren, wees de thermometer ’s middags bij de 38° C.

Geh met Kasakand ten oosten en Bint ten westen vormen de drie steden van perzisch Makran, waar de reiziger aankomt, als hij van de kust het land in gaat. Ze moeten alle drie hetzelfde aantal inwoners hebben, dat de twee duizend niet te boven gaat, naar het ons scheen.

Wij kregen een bezoek van Sjakar Khan, oudsten broeder van Sardar Hussein Khan, die den ouden staat van zaken in de provincie vertegenwoordigt en zich Beloetsjistan herinnert op den tijd, toen het onafhankelijk was van Perzië; natuurlijk keurt hij de opgetreden verandering af. Enkele inwoners spraken het Hindostansch, en wij hoorden, dat zij een weinig handel dreven met de kust. Visch was een der handelsartikelen; zij wordt nog verkocht, als ze reeds vrij oud is geworden. De toestand der bevolking was er treurig, want de gouverneur, die niet als in Perzië wordt in bedwang gehouden door de openbare meening, noch de telegraaf heeft te vreezen, onderdrukte de menschen, en veel inwoners verhuisden naar Karatsji, Maskate of Zanzibar.

Wij vertrokken, na onze kameelen te hebben weggezonden en eenige gidsen uit Lasjar te hebben gehuurd, de sterkste en beste geleiders voor reizen in het bergland. Wij moesten nu door het nog onbekende district, dat ons van Fanoch scheidde. Wij volgden de steenachtige bedding van de Gung stroomop en kwamen daarna in het gebied van de Sirha, op welker beide oevers veel dorpen liggen. Wij hielden stil te Maloeran aan een zijtak van de Rapsj. De bewoners, die blijkbaar nooit van Europeanen hadden hooren spreken, keken ons achterdochtig aan. Toen zij binnen het bereik van onze stem waren, beproefden wij het middel, dat ons gewoonlijk gelukte en dat bestond in het geven van een roepij aan een man, om hem te toonen, dat wij wenschten te betalen voor wat wij zouden noodig hebben.

Dezen keer gelukte het niet. Een levendig gesprek begon; ik trachtte van mijn kant duidelijk te maken, dat wij zouden betalen en dat wij hun vrienden waren; maar het hoofd der bende, een schelm met een bijzonder ongunstig uiterlijk, bleef bij zijn weigering. Ten slotte vloog een der onzen op hem af en duwde hem in de rivier, waaruit de schurk weer opdook met den mond vol slijk. Maar dadelijk daarna arriveerden de gevraagde levensmiddelen. Men kan de tegenwerping maken, dat wij geen recht hadden, tot geweld onze toevlucht te nemen; maar ik zou mijn bedillers wel eens in een dergelijk geval geplaatst willen zien en zou dan eens kijken, hoe zij te werk gingen. Bij slot van rekening werden de [268] menschen uit Maloeran onze beste vrienden en wij brachten een geheelen dag onder hen door. Wij merkten de eigenaardige bijzonderheid op, dat zij konden fluiten, een talent, dat in het Oosten zeldzaam is, waar fluiten gemeenlijk voor een “taal des duivels” doorgaat.

Een moeilijke tocht was het naar de rivier Fanoch of Rapsj. In de plaats van dien naam werden wij zeer vriendschappelijk ontvangen; de zoons van Sjakar Khan waren er gouverneurs, en zij toonden zich bijzonder geïnteresseerd bij het zien van onze geweren.

Begeerig, om het onbekende land in het Westen althans eenigszins te leeren kennen, beklommen wij den Koeh-i-Fanoch, een lastige bestijging, die vier uren duurde. De laatste 150 M. worden gevormd door een rots van witten kalksteen, die bijna loodrecht is. Van den top konden wij met gemak de vijf afzonderlijke stroomen volgen, die te zamen de Fanoch vormen. Het was een prachtig panorama, en het gaf ons, wat wij zoo vurig verlangden, een denkbeeld van de formatie van het land. Naar het Westen werd het uitzicht voor een gedeelte beperkt door hooge bergen; maar naar het Noorden zagen wij den prachtigen Koeh-i-Bogman, die eenzaam tot 2700 M. boven de vlakte oprijst. Naar het Oosten breiden zich het Azabadbergland uit en het district Lasjar.


Moskee te Mahoen.

Fanoch, waar wij een dag bleven rusten, om over onze vermoeienis heen te komen, ziet er veel welvarender uit dan Geh, en verscheiden huizen waren er van steen gebouwd. Er is een fort, dat zeer oud schijnt te zijn; maar zooals gewoonlijk in Beloetsjistan konden wij volstrekt geen inlichtingen krijgen over de geschiedenis van het gebouw.

Er waren in Fanoch schapen en gevogelte, eieren, melk, gerst, rijst en tarwe in overvloed, en de dadels uit Beloetsjistan zijn beroemd; maar het eenige industrie-artikel, dat er gemaakt wordt, zijn kleine, met roode zijde geborduurde petten. Ik vroeg of Fanoch in Makran lag. Er werd mij gezegd, dat de grens gevormd wordt door den kam van den Band-i-Linag, ten noorden waarvan zich de stad bevindt; Basjkird ten westen ervan wordt niet meer beschouwd als tot Beloetsjistan te behooren.

Wij keerden terug langs denzelfden weg, dien wij gekomen waren, maar voorbij Sartab sloegen wij een meer noordelijke richting in naar Tehan, een welvarend dorp van wel duizend inwoners.

Te Geh terug zijnde, vonden we ons reisgezelschap goed uitgerust, en toen wij twee dagen na onze terugkomst ons gereed maakten om naar Fahradsj te vertrekken, werden wij aangenaam verrast door de aankomst van twee Beloetsjen, die de gouverneur van perzisch Beloetsjistan gezonden had, om ons tot gidsen te dienen, Mir khan Mohammed en Moellah Basjan.

Eerst volgden wij een zijtak van de Sirha en daarna bereikten we den hoofdstroom, aan welks oevers een weinig aan landbouw werd gedaan. Wij kampeerden in de bedding zelve der rivier, en den volgenden dag hadden wij den ellendigsten weg, dien ik ooit heb gezien. Een mijl stroomop wordt het rivierdal nauwer, tot het niet veel meer dan 30 M. breed is en wij kwamen bij rotsachtige trappen, waar de rivier in een waterval bij neer viel. Iets verder weer een ander pretje, namelijk in de bedding blokken rots van allerlei afmeting, van de grootte van een omnibus tot die van een voetbal. Toen eindelijk verscheen een diepe plas, die de gansche breedte van het dal vulde. Daarlangs liep een smal pad, als voor geiten gemaakt, waar het ons onmogelijk leek voor onze beladen beesten om zich op voort te bewegen. Maar tot mijn groote verbazing liep alles zonder ongelukken af.

Onze paarden waren doodop, toen we bij de bron van de rivier kwamen, in het dadelbosch van de Sirha, een groot, maar geheel verwaarloosd terrein. Wij kampeerden ter hoogte van 990 M., en dit was de eerste dag, waarop wij een temperatuur hadden van onder de 30° C. Den volgenden dag was het ook betrekkelijk koel; wij stegen tot de waterscheiding in Makran, op ongeveer 1100 M., en van daar begonnen we te dalen rondom de hellingen van de groote massa van den Azbag, dien wij gezien hadden vanaf den top Koeh-i-Fanoch. ’s Avonds kampeerden wij te Pip, de hoofdstad van Lasjar.


Rondreizende muzikanten in Beloetsjistan.

De gouverneur kwam ons begroeten. Hij was eerst zeer beschroomd. Zijn gezicht klaarde echter op, toen wij hem naar de geschiedenis van zijn geslacht [270] vroegen. Hij was een jongen van zestien jaar. Pip is een dorp van tweehonderd huizen, die rondom een versterkte vesting gegroepeerd staan, op een zekeren afstand van een mooi dadelbosch. In Beloetsjistan zijn de dorpen altijd gebouwd op boomlooze terreinen, waaromheen koren verbouwd wordt. De verandering van lucht, van de droge warmte der woestijn naar de betrekkelijk koele vochtigheid van het dadelbosch, was zeer aangenaam, maar misschien gevaarlijk voor hen, die vatbaar zijn voor koorts. Maar als men uren aaneen in den brandenden zonnegloed heeft gereden, is de schaduw zoo welkom, dat wij altijd zoo dicht mogelijk bij boomen kampeerden, en voor zoo ver ik weet, heeft niemand onzer er leed van ondervonden.

Mijn reisgezel en ik waren van oordeel, dat de Lasjaren boven alle andere Beloetsjen, die wij hadden ontmoet, uitmuntten. Physiek waren het krachtige staaltjes van het menschenras en daarbij waren ze altijd vroolijk en opgewekt, wat niet het geval is met de meeste Beloetsjen, die begeerig en ijdel en niet zeer hulpvaardig zijn, en daarbij stug en koppig als kameelen. Maar het is billijk er bij te voegen, dat de Beloetsjen buitengewoon eerlijk zijn, en dat als men hun brieven of dingen van waarde toevertrouwt, zij ze met gevaar van eigen leven zullen verdedigen. Uit zedelijkheidsoogpunt staan ze ook niet laag en hun vrouwen behandelen ze bijna als huns gelijken. Men kan als voorbeeld van hun eerlijkheid het feit noemen, dat, om de telegraafbeambten te betalen, men gewoon was een zak met roepijen van den eenen post naar den anderen langs de lijn te verzenden, waar ieder op zijn beurt zijn soldij uit nam. Een enkele maal maakte een ambtenaar misbruik van dit vertrouwen, en hij moest zijn land verlaten, wat voor een Beloetsje de zwaarste straf is.

Na een dag van welverdiende rust daalden wij verder langs het vruchtbare dal der Pip. Te Ispaka waren we aangekomen in het district Fahradsj, en wij ontdekten de eerste vertegenwoordigers van het perzische element, in de gedaante van twee of drie soldaten en een sergeant. Daar de Beloetsjen nooit met andere Perzen in aanraking komen, dan met menschen, die belasting komen innen, zijn de Perzen er zeer gehaat. Ze worden Gagars genoemd, verbastering van Kadjaren, de naam der regeerende dynastie.

Den volgenden dag kwamen we op onzen tocht naar de rivier, de Bampoer, in het dorp Kasimabad en daarna te Bampoer, het vroegere stadje, dat de oude hoofdstad van Beloetsjistan is en waar nu niet meer dan een paar honderd vuile hutten staan; een dadelbosch was er niet en wij moesten kampeeren in een slordige omgeving, die oudtijds een tuin zal zijn geweest.

Zein ul Abidin Khan, de gouverneur, had mij geschreven, dat hij mij te Fahradsj wachtte, dat op vier mijlen afstands lag en veel belangrijker is, daar het ongeveer twee duizend zielen telt, het garnizoen erin begrepen. Zein ul Abidin Khan ontving ons vrij koel; onze belangstelling kwam hem blijkbaar wat verdacht voor, zooals zij dat veel Oosterlingen doet, maar na enkele moeilijkheden werden wij ten slotte goede vrienden.

Ons doel was nu eerst het district Sarhad, waarvan nog zoo weinig bekend is en waarheen wij den eersten December 1895 ons op weg begaven. Een der eerste dagen, toen wij, na het dal der Konar Rud te zijn doorgegaan, te Sonar waren, werden wij eenige dagen opgehouden door een aanval van dysenterie van Brazier Creagh. Met twee kameeldrijvers deed ik de volgende dagen de bestijging van den Hamant, om het land te verkennen. Die berg is 2320 M. hoog, hij is ten onrechte voor een vulkaan gehouden. De tocht was moeilijk, vooral het dalen ging bezwaarlijk. Van den top hadden wij een ruim uitzicht over het zuiderdistrict, dat een eentonig veld van lage bergen geleek; maar in alle richtingen was het panorama prachtig, al konden wij tot onze spijt den grooten vulkaan Sahrad niet zien.

Twee dagen later overschreden wij op 1680 M. hoogte de waterscheiding tusschen de Bampoer en de Mesjkil, en daalden af naar het dorp Magaz, dat ongeveer 2000 inwoners telt en ’t beste klimaat heeft van heel Beloetsjistan. Den weg naar het Noorden inslaand, trof onze blik den Koeh-i-Taftan, die op den afstand van honderd mijlen ongeveer, waarop wij hem zagen, op een witten kegel geleek.

Het district Sarhad deed zich het eerst aan ons voor van een pas, van waar het ons voorkwam, niets dan kale bergen te bezitten, zonder eenig dorp, zelfs zonder een tent van nomaden. Toch vonden wij er het fort Kïvasj met een garnizoen van ongeveer 450 soldaten, infanterie en cavalerie. Met enkele zwarte tenten was dat fort de hoofdstad van het district. Landbouw werd er niet beoefend.

De verwaarloozing van Sarhad is droevig, want het is de eenige streek tusschen Quettah en Kirman, die koel mag worden genoemd. In vroegeren tijd woonde er een dichtere bevolking, zooals ook uit de overblijfselen van putten of kanats blijkt, en men mag de hoop koesteren, dat het land later een belangrijke weg zal zijn tusschen Quettah en Zuid-Perzië.

Van Kivasj uit wilde ik den Koeh-i-Taftan bestijgen, ofschoon de gouverneur het mij afried. Twee dagen later echter kampeerden wij op bijna 2000 M. hoogte in het kleine dorp Waradji, en den volgenden dag klauterde ik tegen den top op, ongelukkig zonder Bazier Creagh, die een zweer aan zijn voet had. De laatste uren der bestijging waren lastig en onaangenaam. Eerst moest men over groote rotsblokken klimmen, en daarna ging het door een dikke laag witte asch, die uit de verte aan den berg het voorkomen had gegeven, alsof hij met eeuwige sneeuw bedekt was. Wij bereikten den top eerst om twee uur in den namiddag, na acht uren bijna aanhoudend te hebben geklommen. De Koeh-i-Taftan eindigt in twee toppen, den noordelijken of hoogsten en den zuidelijken, den vulkaan, dien wij wenschten te bezoeken.

De krater, waaruit verblindende zuilen van zwavelachtigen damp opstegen, heeft twee openingen, ieder ongeveer drie meter in omtrek en van boven gescheiden door een afstand van één meter. Er was geen enkele versche lavastroom te zien, en er wordt van geen enkele uitbarsting melding gemaakt. Het [271] gezicht, dat men van den top had, was ’t mooiste, dat ik ooit in Perzië heb gezien; alle bergtoppen waren duidelijk zichtbaar. Zooveel ik heb kunnen nagaan, vereeren de bewoners van het dal den vulkaan al sinds overoude tijden.

Bij het dorp Bagman voegde zich onze colonne weer bij de bagage en de reis door Sarhad leerde ons, dat het district water genoeg heeft, om bij een goed bestuur een welvarend land te worden.

IV

Grensregeling tusschen Perzië en Beloetsjistan.—Van Kirman naar de grensstad Koeak—De grensregelingscommissie.—Vraag naar den voorrang.—Het werk der commissie.—Van Koeak naar Kelat.

Ik was in Kirman in December 1895. Sinds eenige maanden hadden onderhandelingen plaats met de perzische regeering ter zake van de grenslijn tusschen Malik Sia en Koeak, die nog niet juist was afgebakend, maar de winter was begonnen, zonder dat men tot een beslissing was gekomen. Toen reisde in de laatste dagen van December de perzische commissaris Ali Achraf Khan door Kirman, en enkele dagen na zijn vertrek werd mij uit Teheran getelegrafeerd, dat ik benoemd was tot de post van assistent-commissaris. Mijn zuster gaf er de voorkeur aan, mijn reis, die vermoeiend en oncomfortabel was, met mij mee te maken, liever dan de vriendelijke aanbieding van lady Durand aan te nemen, bij haar te komen logeeren.

De toebereidselen voor den tocht waren nog al omslachtig, het was een lange reis en wij moesten vooraf zorgen, hier en daar proviand te vinden en daarbij hulpkameelen, als de andere vermoeid waren; onderzoeken, waar water te krijgen was enz. enz. Bovendien waren onze bedienden niet ingenomen met het denkbeeld van de reis door Beloetsjistan en moesten telkens aangemoedigd worden.

Het was reeds zeer koud te Mahoen, onze pleisterplaats; te Hanaka, waar de karavanseraï op een hoogte van bij de 2400 M. ligt, was het werkelijk arctisch koud, maar te Rain, op de zuidelijke helling van den Djoeparketen, werd het weêr gelukkig minder ijzig. Langs de rivier, de Sandoe, ging het naar Abarik een moeilijk eindweegs door het geaccidenteerde terrein. In de warmere streken gekomen, voelden wij ons vermoeid en niet in staat tot eenige inspanning. Wij waren in het district Fehroed, en Abarik en Fehroed zijn in Perzië berucht om den hevigen wind die er veelal heerscht. In een gedicht heet het dat, den wind wordt gevraagd, waar hij woont en dat hij antwoordt: “Mijn armzalige woning is in Fehroed en ik bezoek dikwijls Abarik en Sarbistan.” Dit laatste dorp ligt aan den rechteroever van de rivier, waar ik in 1894 bij hevigen storm kampeerde.

Een nog al vervelende rit langs de droge rivierbedding bracht ons te Darzin. Het dorp is bekend om zijn vroegeren rijkdom. In de 12de eeuw zegt een schrijver: “Wij stonden op het dak van het paleis te Darzin, en wij zagen een groot aantal dorpen, die bijna elkander raakten en heerlijke geuren verspreidden. Zein ed Din maakte de opmerking, dat Fars een groot en vruchtbaar land was en dat hij het geheel had doorreisd, maar dat hij zweren kon in heel Fars niet zulk een mooi plekje te hebben gezien.”

Helaas, hoe is alles veranderd! Darzin ligt in een ellendige woestijn. Toch is er eenige vooruitgang, want een der oude kanats of putten is hersteld, en daardoor zal het bebouwbare land toenemen.

Te Bam vonden wij een onderkomen in een nieuw gebouwd huis, dat uitzag op een schaduwrijken tuin vol palmen. Bam is al sinds de oudste tijden in Perzië een beroemde stad; een mijl van het tegenwoordige fort, liggen de ruïnen van de oude stad. Ten tijde van de verovering door de Arabieren was de stad zeer belangrijk en hoofdplaats der provincie. Bam is herhaaldelijk belegerd en de moderne stad dateert van den jongsten tijd. Het is nu het middelpunt van een rijk district, ligt op een hoogte van 1100 M, heeft een bevolking van 13.000 inwoners, een vruchtbaren bodem en een klimaat, dat even gunstig is voor de cultuur van palmboomen als voor die van de producten der hoogere streken.

De zomerwarmte is er gematigd, want er waait dan een koele wind uit het Noorden, en de belangrijkheid der stad wordt nog grooter door het feit, dat zij in Oost-Perzië het laatste handelscentrum is vóór Quettah. De bloei der plaats vloeit voort uit de productie van henneh, want bijna de geheele opbrengst van die kostbare verfstof wordt in dat district verkregen. De garnizoenen in Beloetsjistan bestaan gewoonlijk uit soldaten uit die provincie, en de gouverneur is meestal een Bami.

Een reiziger verhaalt, dat Bam op een indische stad gelijkt. Die opmerking heb ik niet gemaakt. Misschien zag men er dertig jaar geleden op het tijdstip van die reis nog geen palmen, en zoo zou dan die indruk zijn te verklaren. Ingevolge een bijzondere uitnoodiging bezochten wij het beroemde fort, en wij constateerden, dat de oude stad nog stond, omgeven door een hoogen muur en een gracht. Boven was de woning van den gouverneur. Men heeft er een prachtig uitzicht. Achter ons werden onze blikken getrokken door den Koeh-i-Hazar met zijn mantel van versch gevallen sneeuw, en aan beide kanten van het dal teekenden de bergen zich scherp af op den turkooizen hemel. Boven ons wuifden de bouquetten van de dadelpalmen van Bam, en wij konden de rivier van dien naam naar het Noordoosten volgen.

Vier mijlen van Bam verwijderd, bracht een steile daling ons tusschen de gehuchten, die het dorp Bora samenstellen; er is een bevolking van 5000 inwoners en het voert jaarlijks 120,000 pond henneh uit, behalve granen en dadels.

Te Vakilabad, waar wij aankwamen, na langs een mooi, beschaduwd riviertje te zijn gegaan, hadden wij het district Narmasjir bereikt. Met zijn sierlijke tamarinden en mimosa’s schijnt het land een losgeraakt stukje van Sind. Het is er veel warmer dan in Bam. Tot in het midden der 19de eeuw was het in ’t bezit van de Afghanen, en tegenwoordig begint het eerst weer een weinig vooruit te gaan.

Ook verder bleef de streek goed besproeid, en er groeiden echte boomen, tot we bij een reuzenuitgestrektheid jungle kwamen en van daar in de woestijn, die weer door jungle gevolgd werd, te [272] midden waarvan het dorp Rigan is gelegen. Het lijkt nog al wat op de kaart, maar het bestaat in werkelijkheid slechts uit een fort van gebakken leem, waar een garnizoen ligt van tien soldaten, en uit eenige huizen voor een bevolking van niet meer dan tweehonderd zielen. Te Rigan vonden wij een wanhoopsboodschap van den perzischen commissaris, dien wij bijna overvallen hadden, met verzoek onze komst uit te stellen. Wij hielden met die smeekbede geen rekening.

Tusschen ons en Bampoer strekken zich 250 K.M. van de Loetwoestijn uit. Maar daar het de beide vorige dagen zwaar geregend had, konden wij over meer en beter water beschikken dan meestal de reizigers kunnen doen, en wij legden den weg in negen dagen, bijna zonder ophouden, af.

Te Grazak, ongeveer op twee derden van den weg, verbaasde het ons, eenige tenten van nomaden te zien en een boschje van palmen. Ten slotte bereikten wij de rivier Bampoer bij Koesjgardan, waar ik reeds geweest was. Daar ontmoetten wij eene afdeeling gewapende kameeldrijvers, en ik heb zelden een woester en ongeregelder troep aanschouwd. Beschermd door dat escorte en door onze cavalerie van kleine pony’s, bereikten wij Bampoer en van daar Fahradsj.


Sassanidisch beeldhouwwerk uit Persepolis.

Op die plaats werden wij met groote staatsie ontvangen; het garnizoen stond langs den weg geschaard, en de muziek speelde het volkslied. De commissaris kwam kort na ons aan.

Wij huurden hier dertig beloetsjistansche kameelen, en kwamen overeen, dat ik een dagreis vooruit zou gaan, om aan de grens tegenwoordig te zijn, als de Perzen kwamen. De dagen begonnen zeer warm te worden. Te Soran meldde een bericht van kolonel Holdich mij, dat zij Pandsjgoer naderde, en dat hij de grens in het midden van Februari hoopte te bereiken.

Te Isfandak vonden wij een bekoorlijk bosch van dadelpalmen, een rivier met kristalhelder water, maar geen bewoners. Het dorpshoofd had zich niet op zijn gemak gevoeld bij het idee, den commissaris te ontmoeten, want hij was in verschillende plunderingen en andere wandaden betrokken geweest. Bij gevolg bivouakkeerden hij en zijn dorpelingen nu in de bergen, afwachtend, wat er zou gebeuren, en ongetwijfeld der Commissie de schuld gevend van hun ballingschap.

Wij waren nu op den linkeroever van de rivier Mesjked of Mesjkil. Men kan nog aan haar breede bedding en steile oevers zien, dat het vroeger een groote waterloop geweest is, terwijl men nu, zelfs in den tijd van hoog water, er gemakkelijk door kan waden. De wateren van de rivier worden door de woestijn ingedronken, en ten oosten van Djalsk voeden zij een gedeelte van de dadelboschjes.

Wij waren slechts twee uren nog verwijderd van ons doel, toen een boodschapper ons kwam berichten, dat de britsche commissie aangekomen was, en weldra konden wij de hand van landgenooten drukken na een reis van meer dan 1000 KM., voor ’t meerendeel door woestijnen, met zeer weinig comfort te onzer beschikking, hetgeen wel een heldenstuk mag heeten voor een per karavaan reizende dame.

Ik wil hier eenige bijzonderheden meedeelen over de grenscommissie, die tusschen Perzië en Beloetsjistan werkte, of zooals zij wel genoemd wordt, de perzisch-kelatsche commissie.

Het is nu meer dan dertig jaar geleden, dat toen er sprake was van een telegraaflijn van Britsch-Indië over land, Sir Frederick Goldsmith dat afgelegen gebied bereisde, en het eindresultaat was toen, dat er een grenslijn getraceerd werd van Koeak naar de zee. Koeak, dat toen als een sterke vesting werd beschouwd, was te dien tijde onafhankelijk en bleef dat ook. In het Noorden tot Seïstan was het land nog onbekend, en men wist eigenlijk niet, aan wien het behoorde, zoodat men daar geen moeite deed voor de vaststelling der grens. Perzië had toen het geluk, er een uitmuntende gouverneur te hebben in den persoon van Ibrahim Khan. Hij deed al wat hij kon, opdat men zich van de vaststelling der grens zou onthouden; maar toen hij het niet kon verhinderen, maakte hij zich van Koeak meester, zoodra de engelsche commissaris vertrokken was. Die daad werd niet erkend door onzen minister van Buitenlandsche Zaken; maar daar wij nog tien jaren lang geen notitie namen van ons protectoraat over Kelat, bleef alles bij het oude. [273]


Een provinciaal gouverneur met zijn staf.

Maar toen wij troepen te Pandsjgoer hadden liggen, en de razzia’s ondragelijk werden, gaven wij Zijner Majesteit Nasr ed Din in overweging, het nog onbepaalde gedeelte der grens definitief vast te stellen, terwijl wij terzelfdertijd de quaestie van Koeak zouden oplossen. Er had op die punten een drukke briefwisseling plaats; een oogenblik dreigden de onderhandelingen te zullen worden afgebroken, daar de shah er tegen opzag, zich de kosten te getroosten voor een commissie, die niet ten doel had, zijn inkomsten te vergrooten, toen plotseling Naoroz, khan van Kharan, de palmboschjes van Mesjkil bezette. Dit nieuws bereikte Kirman, waarna de gouverneur mij een officiëelen brief schreef, om mij te verzoeken, de indringers van den perzischen bodem te verdrijven. In mijn antwoord deed ik hem opmerken, dat dergelijke incidenten onvermijdelijk waren, zoolang de grens niet vastgesteld was, en dat het mij onmogelijk was, in dien tusschentijd handelend op te treden. Een copie van dien brief werd door den gouverneur naar Teheran gezonden, en Zijne Majesteit kon zich dus rekenschap geven van de gevaren zijner onverschilligheid. Toen besloot de shah toe te geven en de commissie te benoemen, die op het einde van Februari te Koeah bijeenkwam.

Onze commissie was niet zeer talrijk; voorzitter was kolonel, thans Sir Thomas Holdich, de commissieleden waren kapitein A.C. Kemball en mijn persoon. Luitenant-kolonel R. Wahab leidde de topografische expeditie, en luitenant C.V. Price voerde het bevel over het escorte, dat uit twee compagnieën fuseliers en eenige sowars bestond.

Wij waren te Koeak aangekomen vier dagen na de engelsche commissie en het perzische commissielid kwam den volgenden dag, doch als wij geen haast hadden gemaakt, zouden we ons werk niet voltooid hebben in het koude seizoen. Zelfs op dat oogenblik was de zon om ruim tien uur reeds te brandend heet, om niet gevaarlijk te zijn, en de tijd van helderen hemel, zoo noodig voor topografische opnemingen, duurt slechts tot einde Maart en wordt gevolgd door zes maanden nevel.

Toen allen bijeen waren, deed zich de moeilijke vraag voor, wie het eerste bezoek moest brengen. Onze meening was, dat omdat wij het eerst waren aangekomen, het de Perzen waren; maar dezen, zich op hun etiquette beroepend, hielden een redeneering in tegengestelden zin. Kolonel Holdich, beweerden ze, was slechts een afgevaardigde van den onderkoning van Indië, terwijl de perzische afgevaardigde den koning der koningen zelven vertegenwoordigde. Het debat zou zich dagen aaneen hebben kunnen voortzetten; het liep hierop uit, dat, daar de perzische commissaris en de gouverneur van Beloetsjistan mij te Kirman een bezoek hadden gebracht en te Fahradsj, zij niet konden nalaten, nu hun opwachting bij mijn superieur te maken.

Toen de Perzen kwamen, bewezen wij hun alle [274] mogelijke eer. Maar wij hadden samen slechts een zeer kort gesprek, wat voor een deel het gevolg was van het feit, dat het Perzisch, ’t welk in Indië wordt gesproken en dat van Iran twee geheel verschillende talen zijn. Men had in Indië niet genoeg met dat verschil rekening gehouden, zoodat onze tolk, die voor zijn bemoeiïngen een zeer hoog salaris kreeg, zelfs niet in staat was een brief te vertalen, en dat de geheele taak der vertolking op mij neerkwam.

Het uitgangspunt voor het werk der commissie lag aan de Mesjkil tegenover Koeak; een kunstmatige heuvel werd op den linkeroever opgericht, niet zonder eenigen tegenstand. Maar voor de plaatsing van den tweeden grenspaal was langere discussie noodig. Als mijn zuster den heuvel niet beklommen had, waar wij den hoop steenen opstapelden, zou nooit de dikke gouverneur van Beloetsjistan in de beklimming hebben toegestemd. Eenmaal boven, werd hij, na op adem te zijn gekomen, weerspannig en verklaarde, dat wij hem een kostelijke en vruchtbare provincie afnamen; feitelijk was het een lapje van twintig aren. Het feit, dat de grenzen reeds zóó te Teheran waren getraceerd, beteekende voor hem niets; wij lieten zijn vrienden hem kalmeeren.

De onvermoeide kolonel Wahab verliet ons hier, om de Siaharketen te bestijgen, en wij gaven hem het denkbeeld aan de hand, zich te doen vergezellen door Soliman Mirza, vertegenwoordiger van den gouverneur van Kirman. Deze stemde daar slechts noode in toe; maar hij besteeg toch piek na piek met zijn engelschen collega, die een volleerd bergbestijger was.

De beide commissies begaven zich toen in twee étapes naar Isfandak en van daar naar Djalsk over den Bonsazpas, aan welks begin wij kampeerden. Daar deed zich een nieuw incident voor, want de perzische commissaris had laten rondstrooien, dat een grenspaal ten westen van den pas was geplaatst, hetgeen de gemoederen ten hoogste verontrustte. Wij gingen ons overtuigen, dat het niets anders was dan een paal voor de triangulatie, en wij drukten er onze spijt over uit, dat men ons van zulk een daad verdacht had, waarover de Perzen zich op hun beurt teleurgesteld toonden.

De beide commissies waren uit de meest verschillende elementen samengesteld, Engelschen, Perzen, Beloetsjen, soldaten der geregelde en ongeregelde troepen. Wij hadden veel kameelen bij ons en ezels en muildieren, alsook een kudde schapen en geiten.

Wij bleven veertien dagen te Djalsk, gedurende welken tijd men de grenspalen zette, die de palmboschjes van Mesjkil bij Kelat voegden, zooals te Teheran was afgesproken. Het meer noordelijk gelegen district was slechts woestijn, en kolonel Holdich stelde, om een nieuwe wintercampagne te vermijden, voor, als grens de ketenen aan te nemen, die naar ’t Zuidoosten liepen van den Koeh-i-Malik-Sia af en dan alleen een vliegende colonne uit te zenden voor de exploratie.

Toen de Pers dat goed had gevonden, bleef er niet anders te doen dan te beschikken over enkele niet belangrijke palmbosschen. Daar ik er in 1893 in Sarhad over had hooren spreken en ik enkele aanteekeningen over die quaestie had gemaakt, ging de zaak gemakkelijk.

De oase van Djalsk is zeer groot, zij beslaat een tiental vierkante kilometers. Men vindt er overal dadelpalmen, waaronder gerst en tarwe en boonen groeien, en in de tuinen treft men granaatappelen, vijgenboomen en wijnstokken aan. Een moerassige plas ligt midden in de oase, die acht verspreid liggende dorpen telt.

In de oase zijn een zeker aantal bouwwerken in het bezit van koepels; zij bevatten de graven van een oud vorstengeslacht, dat over Beloetsjistan heeft geregeerd.

Op het perzische Nieuwjaar 21 Maart, even vóór wij uiteen zouden gaan, onstonden nog weer quaesties over den voorrang tusschen den gouverneur van Beloetsjistan en den vertegenwoordiger van den Shah, maar door wat schikken en plooien liep alles goed af.

Den volgenden dag vertrokken wij vroeg van Koeak na een allerhartelijkst afscheid. Zoo eindigde het werk van de perzisch-beloetsjistansche commissie.

Wij moesten nu tot Quettah door Britsch Beloetsjistan reizen. Dat land heeft nog geen historieschrijver gevonden tot heden, ofschoon het materiaal voor zijn historie gereed ligt. Aardrijkskundig breidt het westelijk deel zich als woestijn naar het Noorden uit tot de woestijn Helmand en bestaat in het midden en het Zuiden uit lange, smalle dalen, die met de grootste regelmaat van het Noordoosten naar het Zuidwesten loopen. Meer oostwaarts komt men in de beloetsjistansche bergen, takken van den machtigen Hindoekoesj en op die groote hoogvlakte liggen Kelat en Quettah. Zooals men kan begrijpen, is het klimaat van het westelijk deel des lands bijna gelijk aan dat van perzisch Beloetsjistan, en men vindt te Pandsjgoer dadels, die tot de beste der wereld behooren; maar tusschen Kelat en Quettah is de koude soms vrij hevig, en ik herinner mij, dat de kolonel Wahab mij een plek wees, waar zijn expeditie door een storm was overvallen. In de duisternis hadden zij hun tenten geplaatst achter een heuvel, naar zij meenden, en den volgenden dag bleek het, dat het een hoop ossen waren, die door de vorst waren omgekomen.

De bevolking van britsch Beloetsjistan is zeer gemengd, en zij is nog in ’t geheel niet gewend aan de beperkingen die het leven in de beschaafde maatschappij meebrengt. Men vergeet echter wel eens, dat de eerste vertegenwoordiger van Groot-Brittannië pas voor nog geen twintig jaar te Pandsjgoer verscheen in den persoon van Sir Robert Sandeman. Daar de Indische regeering niet graag noodeloos groote uitgaven wilde doen, begon zij gedurende vele winters alleen een officier op expeditie naar het land te zenden. De Beloetsjen wachtten dan slechts op zijn vertrek, om hun onderlinge twisten te hervatten.

In 1891 beval majoor Muir, die de rechtspraak in handen had, de gevangenneming van Mir Sjahdad, een bekend roover. Deze verzette zich met zijn aanhangers; een ongewapende bediende werd gedood, en de majoor zelf ernstig gewond, terwijl Shahdad er in slaagde, zich uit de voeten te maken. Toen [275] hij daarna op de hoogte was gebracht van mijne aanwezigheid te Kirman, gaf hij zich ten laatste over aan Kemball, toen deze zijn reis ondernam in 1894 en 1895. Er werd toen een paar jaar lang een klein garnizoen te Pandsjgoer onderhouden; maar dat werd in 1896 ingetrokken, daar het land tot rust gebracht scheen.

Eenige kilometers van Koeak verwijderd, werd de eentonigheid van de reis op aangename wijze verbroken door de verschijning van twee beren, de eerste, die ik in Beloetsjistan onder de oogen kreeg; zij joegen Tumbull, die hen had ontmoet, op de vlucht. Wij gingen ze achtervolgen, maar konden ze niet onder schot krijgen. Beren moeten er zeer zeldzaam zijn, en ik heb buiten dezen eenen keer nog slechts een enkele maal hun sporen gezien.

Wij gingen over de Mesjkil, die ongeveer een voet diep was en koffiekleurig water had en betraden toen het Raksjandal. Die rivier is breed en ondiep, maar had ziltig water, dat ook de minst verwende onzer soldaten ondrinkbaar vonden, en het speet ons zeer, dat wij een vat bier aan onze perzische collega’s hadden afgestaan en dat ons meel beschimmeld en oneetbaar was.

Wij stegen intusschen aanhoudend, zooals ook onze aneroïde barometers aanwezen. De tochten waren uiterst eentonig; de eene dag volgde den anderen, zonder dat men ergens een teeken van leven te zien kreeg. Intusschen waagden wij ons aan gissingen omtrent de oorzaken, die de bevolking uit het dal hadden doen vluchten. Wij zagen op de terrasvormige hellingen hier en daar nog hoopen aardewerk en gereedschap. Natuurlijk had de krijg velen verdreven; maar buitendien had in dit district, zoowel als in de naburige provincies, de vernieling der bosschen een vermindering in de hoeveelheid regen, die er viel, teweeggebracht, had de bronnen doen opdrogen en had ten laatste de bevolking op de vlucht gedreven.

Toch kan men zich hier wel water verschaffen, en artesische putten zouden zeker uitstekende diensten kunnen bewijzen; maar wat mij vooral trof, was de geschiktheid van het land voor de teelt van kameelen. Overal was de grond dicht bedekt met kreupelhout, terwijl het klimaat deed denken aan dat van een groot deel van Afghanistan. Kameelen, die daar werden grootgebracht, zouden zeker den dienst over de grenzen kunnen waarnemen, wat niet het geval is met de kameelen uit de vlakte. Zelfs in den jongsten afghaanschen oorlog heeft, zegt men, de miskenning van deze waarheid den dood van zes-en-dertig duizend kameelen veroorzaakt, en niet alleen bracht dat verlies den geheelen transportdienst in de war, maar het veroorzaakte ook veel ziekten. Het blijft in elk geval te betreuren, dat men geen gebruik maakt van deze woeste streek, waar wij 320 K.M. ver geen teeken van leven zagen.

Te Nagha Kelat, waar wij twee dagen bleven, om onze kameelen te laten uitrusten, maakten wij van het oponthoud gebruik, om de reusachtige ruïnen, die er zich bevinden, te gaan zien; vooral die van groote waterréservoirs of gobasta’s waren interessant.

Het werd einde April, toen we Kelat bereikten, de hoofdstad van Beloetsjistan, op de aanzienlijke hoogte van 2100 M. gelegen. De stad heeft een bevolking van bij de 50,000 inwoners, die in aantal wisselt met de seizoenen; midden in den winter is de stad zoo goed als verlaten. De bazars zijn zeer middelmatig, en men ziet aan alles, dat de hier wonende menschen ver beneden de Perzen staan in de vorderingen der beschaving.

In 1838, in den eersten oorlog met Afghanistan, werden britsche officieren naar Kelat gezonden, om de medewerking van den khan te krijgen bij het noodzakelijk reizen door zijn land op den tocht naar Kandahar. Men kreeg eenig wantrouwen, dacht aan verraad, en in November 1839 viel een britsche krijgsmacht Kelat aan en maakte er zich bij verrassing van meester.

In 1877 kochten de Engelschen Quettah, en in den volgenden oorlog met Afghanistan bewees Khoedabad, khan van Kelat, ons groote diensten. Zijn zoon Mahmoed Khan is hem opgevolgd en regeert thans over Kelat.

Maar om mijn verhaal te vervolgen. Wij trokken over een niet zeer hoogen pas in de bergen en kwamen tegenover een schilderachtig gelegen fort, waar zich de broeder van den khan bij de britsche commissarissen aansloot met eenige juist aangeworven lansiers. Ons bivak werd dichtbij de armoedige gebouwen opgeslagen, waar de politieke agent woont; maar wij hadden geen reden tot klagen, want de tuin leverde ons de beste groenten, die wij sinds we te Djalsk waren, hadden geproefd. Daar had men ons een heerlijken schotel linzen voorgezet. Wij waren nu weer aan de telegraaflijn, die wij te Kharan hadden verlaten, en twee étapes verder, na door het heerlijke Mastangdal te zijn gegaan, bereikten wij den weg van Kelat, die toen in aanleg was en die nooit geheel voltooid is geworden.

In ons laatste kamp konden we den spoorweg zien over den Bolanpas, zoo goed als geheel voltooid. Onze perzische bedienden kwamen zeggen, wat het was, blij dat ze ons wat nieuws konden vertellen. Onze paarden namen hier met niet veel genoegen de noodige rust en gingen bijna op hol, toen ze eerst een spoorwaggon en toen het station zagen. Wijzelven waren verrukt van de frischgroene omgeving en de mooie lanen, en toen wij eindelijk het consulaat van Quettah hadden bereikt, voelden wij neiging, om uit te roepen: “Hier moet werkelijk het paradijs zijn geweest!”

De vriendelijke ontvangst van Sir James Brown, zijn mooi huis met het echt engelsche aanzien en vol van smaakvolle weelde, besloten op aangename wijze deze reis, en mijn zuster kon voortaan aanspraak maken op de eer, de eerste vrouw te zijn geweest, die te paard van de Kaspische Zee naar Indië reed over een afstand van meer dan 3000 K.M.

V

Seïstan.—Zijn geschiedenis.—De delta van de Helmand.—Vergelijking van Seïstan met Egypte.—Uitstapjes in Helmand.—Terugkeer van Yezd naar Kirman.

Een nieuwe tocht ter grensvaststelling was noodig, om het werk te voltooien van de engelsch-perzische commissie, tusschen Afghanistan, Beloetsjistan en [276] Perzië. Op 2 Januari 1899 waren wij te Robat-Kelat aangekomen, dichtbij den zuidwesthoek van Afghanistan, en we zouden Seïstan binnentreden. Zonder weer het werk der grensregeling te beschrijven, wil ik een en ander meedeelen over de aardrijkskundige gesteldheid van dit land, dat tot nu toe zoo onvoldoende bestudeerd is.

Seïstan is het land der roemrijke geslachten van krijgers, waar Rustem uit is voortgekomen, de held van Firdoesi’s heldendicht, die nu nog, als vóór duizend jaren, de nationale held der Perzen is. Al wat men niet begrijpt, wordt aan hem toegeschreven, zelfs bij voorbeeld de sassanidische beeldhouwwerken op de rotsen te Persepolis.

De tijd der dynastieën van Parthen en Sassaniden wordt in die provincie door geen merkwaardige gebeurtenissen gekenmerkt; maar de arabische veroveraars zijn er misschien verantwoordelijk voor, dat de zeer oude steden Keikobad en Garsjap totaal verwoest zijn, en dat op die plekken arabische steden zijn verrezen.

In 1363 maakte hij, die later de beroemde Timoer worden zou, zich van verscheiden dorpen meester; maar hij werd verslagen en moest zich in Makran terugtrekken. In dezen veldtocht deed hij de wonde op aan den voet, die hem den bijnaam lang, den kreupele, bezorgde, waardoor hij Timoerlang of Tamerlan werd. Hij verscheen weer één-en-twintig jaren later, maar als veroveraar en moordenaar en maakte zich van Zirra, daarna van Zalidan meester, dat toen waarschijnlijk de hoofdstad der provincie was. Het garnizoen der stad werd aan zijn degen geregen, en de ruïnen bleven aan de jakhalzen overgelaten, die er nog leven. Tot overmaat van ramp vernielde Timoer het groote afdammingswerk, dat den naam van Band-i-Rustem droeg.

Door zulke rampen veranderde geheel het voorkomen der provincie. Seïstan, bestaande uit het meer en de delta, door de Helmand gevormd, was op dat oogenblik door aanslibbing der rivieren aan de noordzij van het meer ontstaan, terwijl het latere bewoonde Seïstan op de plaats lag van het verdwenen en uitgedroogde meer.

Dat Alexander de Groote op zijn tocht deze streken passeerde, bewijst, dat zij toen niet zoo droog waren als tegenwoordig, en op een groot deel van Azië is ditzelfde van toepassing.

Het tegenwoordige Seïstan heeft de Helmand of Hilmend tot oostgrens, terwijl zich in het Noorden en Westen de hamoen uitstrekt, de lagune. In het Zuidoosten van het bewoonde Seïstan bevindt zich de Gand i Zirra of het Zirrahol, waarin het water der lagune gebracht wordt door den Sjelag, een waterloop van 350 M. breedte met 15 M. hooge oevers, waar ik er overheen trok. Het groote bekken zelf is minstens 160 KM. lang en 50 KM. breed; het heeft zeker al het water opgenomen, dat men nu in het meer vindt, of ten minste al het overvloedige van de hooge waterstanden, anders kan men zich onmogelijk de groote uitgestrektheid verklaren. Als het meer veel water heeft, is de Sjelag een rivier met zout water, die met de Helmand evenwijdig loopt maar in tegengestelde richting en daarvan gescheiden is door zandduinen. In ’t algemeen is er niet anders dan een moeras in de laagste inzinking, en zelfs in het voorjaar bedekken de wateren geen tiende deel van zijn oppervlakte. Volgens Istakhri liep de Helmand uit in het meer Zirra. Vóór de aankomst van Tamerlan was de rivier afgedamd en van dien dam, de Band-i-Aok of Akoa ging een breed kanaal uit, dat diep was en waaruit het district in het Zuiden werd besproeid. Men vindt er nu niet anders dan de resten van groote steden. De grootste was Hauzdar, waar volgens de legende de zoon van Rustem gedood werd.

De hoofdarm van de delta vloeide toen naar het Noordwesten, maar toen na den inval der Tartaren en de verwoesting der kanalen Hauzdar zijn toevoer van water verloor, werd Sekoeba de hoofdstad van Seïstan.

Voor zoo ver wij weten, hadden er geen groote veranderingen plaats, tot een zestigtal jaren geleden volgens Conolly, die er kort daarna een reis ondernam, de nieuwe afdammingen door het water weggesleurd werden en Seïstan tot droogte veroordeelden. Tusschen 1840 en 1850 heeft men weer nieuwe leidingen aangelegd.

Toen Sir Frederick Goldsmith als scheidsrechter was benoemd tusschen Perzië en Afghanistan, plaatste hij de grens aan de rivier, waarvan de loop niet was veranderd. Maar acht jaren geleden baande zij zich, door de alluviale aanslibbingen waarschijnlijk, een doorgang naar het Westen, en op den tijd van ons bezoek stroomde de hoofdarm van de Helmand onder den naam van Roed Perian naar het Oosten en evenwijdig met de Roed Nasroe, die Djahanabad, Ibrahimbad en Djalalabad had verwoest, de wieg der kejanische dynastie. Men begrijpt, dat de rivier, die geen tegenstand meer ontmoette, haar oorspronkelijken loop hernam, en van toen af konden de Afghanen zich terecht beklagen, dat zij op een droogje werden gelaten, daar de arm de Nad-i-Ali slechts weinig water had.

Om op de geschiedenis terug te komen, het land werd na Tamerlan bestuurd door den stam der Kejaniërs, die voorgeeft, af te stammen van de koninklijke familie der Achemeniden. Het hoofd was nu en dan onafhankelijk, maar toen de dynastie der Saffaren haar hoogtepunt van macht had bereikt, moest hij zich onderwerpen en erkende het oppergezag van Perzië.

Toen Isfahan belegerd was geworden door de Afghanen, kwam Malik Mahmoed, de regeerende vorst, te hulp met 10,000 soldaten, maar daar de overweldigers hem het bezit van Khorassan hadden beloofd, liet hij de koningsstad aan haar lot over. Kort daarna werd hij te Mesjed door Nadir gevangen genomen, die zich op de eerste plaats begon te dringen, en zijn erfgenamen, twee broeders, hielden een beleg van zeven jaren uit op den Koeh-i-Khoya; maar zij verzoenden zich ten laatste met den overheerscher en onderwierpen zich.


Zigeunervrouwen uit Zuidoost-Perzië

Bij den dood van Nadir Sjah werd het koninkrijk Afghanistan gesticht door shah Ahmed, die geheel Oost-Perzië in bezit had, met Kain en Seïstan erin begrepen, provincies, die van Herat uit bestuurd werden. De stam van de Kejani’s verdween langzamerhand; op het eind der 18de eeuw werd [278] de stam der Nahrveï’s uit Beloetsjistan uitgenoodigd, zich in Seïstan te vestigen, om een tegenwicht te vormen tegen de Sjahreki’s en Sarbandi’s.

Tegen 1850 werd Ali khan, het hoofd der Sarbandi’s, schatplichtig aan Perzië en verkreeg de hand der dochter van Bahram Mirza, een bloedverwant van den shah. Doch deze werd overwonnen en gedood door een van zijn neven Tadsj Mohammed, die eerst erkend werd, doch later in de gevangenis geworpen, toen ontsnapte en verder een zwervend leven leidde, dat hij te Quettah eindigde.

Daarna nam de perzische regeering geleidelijk Seïstan in bezit en begon de forten aan de overzij van de Helmand weer te bezetten. Maar Sjïr Ali, de beheerscher van Afghanistan trachtte dat te beletten, en om een oorlog tusschen Perzië en Afghanistan te voorkomen, stemde de britsche regeering erin toe, scheidsrechterlijk op te treden, volgens het tractaat van Parijs.

Het was een moeilijk geval. De scheidsrechter had niet alleen tusschen tegenstrijdige eischen te kiezen, maar moest ook den waren status quo vaststellen. Toen generaal Goldsmith echter inzag, dat een volledige enquête onmogelijk was, kwam hij naar Teheran terug en liet van daar zijn beslissing vallen, waardoor de Helmand de grens werd, en Perzië het geheele gedeelte kreeg, waar eenige opbrengst van was te verwachten. Toch kwamen beide partijen in hooger beroep, en de beslissing werd uitgesteld.

Seïstan werd een weinig uit het oog verloren. Maar de openstelling van den weg Quettah-Noesjki-Khorassan, een der resultaten van de perzisch-afghaansche onderneming tot vaststelling der grens, vestigde er weer de aandacht op, en kapitein Webb Ware bracht er een bezoek aan in 1897. Er werd een russische vice-consul benoemd in den herfst van 1898, en in datzelfde jaar kreeg ik de opdracht, er een britsch consulaat te vestigen.

Intusschen waren wij aangekomen bij de zwarte, lage bergketen Koeh-i-Malik-Sia, die alleen belangrijk is, omdat daar de drie rijken, Groot-Brittannië, Perzië en Afghanistan aan elkander grenzen.

Ik ontmoette Wood en zijn expeditie bij het station Hoermak, het laatste waar wij vóór Helmand nog versch water zouden vinden. Dan zou een eindelooze, dorre vlakte volgen, die een troosteloozen aanblik opleverde.

Den volgenden morgen kwamen wij aan den oever der Sjelag, die groote zoutwaterplassen vormde, waar eenige eenden in rondzwommen. In een diagonaal passeerden wij de breede, diepe bedding der rivier, en na den linkeroever te hebben bereikt, zagen wij de eerste ruïnen. Wij sloegen ons kamp op te Girdi-Sjah, waar ik mijn post moest vestigen niet ver van de Ramroed-ruïnen, waar de huizen, van leem opgetrokken en reeds zoo lang verlaten, nog zoo goed als bewoonbaar waren. Girdi-Sjah, de eenige plaats, die mijlen ver in ’t rond drinkbaar water had aan te bieden, wordt altijd aangedaan door de karavanen, die uit Perzië of uit Afghanistan komen. Mijn sowars hebben er wat koren gezaaid en hebben de putten en bronnen schoon gemaakt, zoodat daar later een dorp zal kunnen ontstaan, wat een groote weldaad voor de karavanen zal zijn.

De volgende etape bracht ons door een gebied van verlaten steden en dorpen. We passeerden de ruïnen van Koendar en Hauzdar, en we kampeerden te Asak-Sjah, waar wij eenige bronnen met vrij goed water aantroffen, in de buurt waarvan groote kudden schapen graasden. We waren nu dicht bij het bewoonde Seïstan.

Over een grasvlakte rijdend, kregen wij weldra het eerste besproeiïngskanaal te zien, dat wel 5 M. diep was. Onze paarden waren overgelukkig, en zij dronken zoo begeerig, dat wij hen wel tot hun eigen heil moesten weghalen. Langs door het water afgesleten rotsen kwamen we bij Varmal, een groot dorp, bevolkt met een duizendtal inwoners. In ons kamp aangekomen, genoten we van de verrassing, daar zakken met gerst en meel te vinden; we waren nu weer in een land van overvloed.

Ik ben getroffen geworden door de overeenkomst, die er bestaat tusschen Seïstan en Egypte aan den eenen kant, en Sarhad en Palestina aan den anderen. Seïstan is even afhankelijk van de rivier de Helmand of Hilmend als Egypte van den Nijl, en de beide districten zijn de korenschuren voor de omringende gebieden. Eveneens maakt de droogte juist als in Palestina het land in Sarhad onbewoonbaar; de kudden schapen en geiten sterven door gebrek aan voedsel. Als ik in Sarhad onderzoek deed naar een stam, die er vroeger had gewoond, luidde onveranderlijk het antwoord, dat hij naar Seïstan was gegaan.

Zooals Abraham en Jacob genoodzaakt waren naar Egypte te gaan, om het bestaan van hun gezinnen te verzekeren, zoo vereenigen de nomaden zich in Seïstan en in de buurt. Om de vergelijking te voltooien nog dit, dat, zooals de reiziger in Egypte door de arabische woestijn trok met het oog gericht op de Middellandsche Zee, zoo sleepen zich de herders, die van hongersnood te lijden hebben, met moeite door de woestijn naar Seïstan en zien daar de breede Helmand en de moerassen, het vochtige land, dat herders en kudden van den dood zal redden.

Ons eerste bezoek aan het meer vertoonde ons een groote uitgestrektheid water, volkomen open en bedekt met myriaden wilde vogels. Als ze opvlogen maakte dat hetzelfde geluid als de zee kan maken, als de golven breken op de kust. Zij waren buiten het bereik van onze geweren, en wij hadden geen boot om erbij te komen.

In het kamp teruggekeerd, vonden wij er een ambtenaar, dien de gouverneur gezonden had, om ons naar zijn residentie te geleiden. Gedurende den tocht naar Nasratabad vielen velen onzer kameelen met hun lasten neer, soms in de irrigatie-kanalen. Er is geen treuriger aanblik, dan zoo’n arm schip der woestijn in het water te zien.

Op zes kilometer afstands van Nasratabad voegde zich de gouverneur, Mir Masoem Khan, bij ons. Maar na enkele begroetingen en wat muziek ter eere van den avond, die aan den Ramadan voorafgaat, liet men ons in ons kamp met rust.

Het fort van Nasratabad, vroeger Nasirabad, is [279] gebouwd door den emir van Kain, nu zoowat dertig jaar geleden, in den tijd toen Perzië zich in Seïstan vestigde, in de onmiddellijke nabijheid van Husseinabad, een belangrijk dorp van twintig duizend zielen. Het bestaat in een omsloten ruimte van een weinig meer dan 50 HA. oppervlakte, omringd door negen meter hooge muren van aanzienlijke dikte, waar torens op zijn geplaatst dicht bij elkaâr. Daaromheen een overdekte weg met schietgaten en een diepe gracht, die soms vol water is.

In het inwendige ziet men van vijftig tot honderd winkels, waar soldaten zich met den handel bezig houden tijdens hun verblijf in Seïstan. Ook treft men hier en daar enkele kleine, bebouwde velden aan en overal ontmoet men ezels als rij- en lastdieren. Het garnizoen van Nasratabad bestaat uit twee regimenten.

Mir Masoen Khan, de gouverneur, is een jonge man van negentien jaren, wien ik op ’t eerste gezicht vijf-en-twintig zou hebben gegeven, misschien gedeeltelijk omdat hij een blauwen bril droeg. Wij brachten hem den dag na onze aankomst een bezoek. Hij had een bleeke, ongezonde tint, en ik vond hem zeer onwetend en lichtelijk ijdel, wat in die omgeving van perzische hovelingen niet te verwonderen was.

Van Nasratabad keerden wij naar Varmal terug, waar ik samen zou komen met de expeditie Webb Ware. Twee dagen later verliet zij ons, en om het gevoel van eenzaamheid te overwinnen, besloot ik den Koeh-i-Khoya te gaan bezoeken.

Het is de eenige berg van Seïstan, en hij speelt een groote rol in de oude heldengeschiedenis van het land. De berg is niet hoog en vlak, en men zou hem zeker den Tafelberg hebben genoemd, als de Perzen tafels hadden. Alleen van het zuiden en zuidoosten was de berg toegankelijk. De geheele oppervlakte was overdekt met openingen, resten van mijnen en grachten, van waterleidingen en réservoirs van het regenwater, of men vond er gesloten graven, waar ruw opeengestapelde steenblokken op lagen of een koepeltje van leem was gebouwd.

Van den Koeh-i-Khoya ging ik naar Band-i-Seïstan aan de Helmand. Te Dolatabad, stond de omgeving onder water en het dorp was een eiland geworden. De huizen zijn ellendige leemen hutten met modderpoelen ervoor en een ezel ernaast. Zoo is het heel Seïstan, ook te Sehkoeba, het volgende dorp, dat doorgaat voor de hoofdstad van Seïstan.

Wij brachten meer dan één bezoek aan de Helmand, de Etymander uit de oude aardrijkskunde. Het is een mooie rivier, even breed als de Theems vóór den Tower van Londen, en na vele maanden reizens door de woestijnen, was voor ons de aanblik bijzonder verkwikkend.

De dam bij Band-i-Seïstan scheen zeer weinig soliede. Maar misschien ligt zijn kracht in zijn zwakheid, want hij kan gemakkelijk hersteld worden, terwijl een steenen dam, op die plek aangelegd, een verandering zou kunnen teweegbrengen in den loop der rivier.

Ten tijde van de expeditie naar Seïstan had hij de volgende afmetingen. De totale lengte was 220 M. de grootste breedte 33 M., de hoogte 5½ M. Op den tijd van mijn bezoek waren breedte en hoogte van den dam sterk verminderd, en ofschoon het laag water was, vloeide de stroom erdoor of er overheen. Het eenige hout, dat erbij gebruikt was geworden, was dat der tamarinde; palen van geringe dikte waren in de bedding der rivier geslagen en dunne takken waren er doorheen gevlochten. Om de constructie steviger te maken, worden er takkebossen aan toegevoegd, die ieder jaar vernieuwd moeten worden. Zoo is Seïstan feitelijk zonder water, als de toevloed, teweeggebracht door het smelten der sneeuw op de Berberbergen opgehouden heeft, en duizenden dorpelingen moeten dan aan het werk gaan, om den dam te herstellen.

Er wordt beweerd, dat de Helmand uitstekende visch levert; maar die wij vingen, was altijd flauw en smakeloos. De oevers van het kanaal, dat Madar Ab of Moeder der wateren wordt genoemd, zijn bedekt met een dichten plantengroei van lage tamarinde, een der weinige jungles, die ik in Perzië heb gezien.

Wij gingen in den omtrek op snippen en eenden jagen. Het was geen kwaad jachtterrein; maar wij liepen onophoudelijk door het water, en zoo werd het zwaar werk. Al dit land, dat nu met tamarindestruiken en hoog riet bedekt is, was nog slechts enkele jaren bebouwd.

Men vindt er ook nog ruïnen van oude steden, als Sjahristan en Zahidan. De belangwekkendste waren die van een toren van gebakken steen, omstreeks twintig meter hoog. Een breede bres aan de zuidzijde bedreigt hem met verval en instorting, welke ramp niet lang meer kan uitblijven. De toren, waarop koefische opschriften zijn te lezen, was blijkbaar de minaret van een verdwenen moskee.

Nadat wij weer eenige dagen in het kamp te Nasratabad hadden doorgebracht, toog ik er op uit voor eene nieuwe excursie, waarbij ik mij voorstelde, de lagune te bezoeken. Rondom het dorp Haldimi woont aan de oevers der lagune de stam der Sajaden, die mij belang inboezemden, omdat ze waarschijnlijk tot de oorspronkelijke bevolking van het land behoorden. Dat beweren ze ten minste, en hun uiterlijk schijnt het te bevestigen.

Dichtbij hen wonen de Gaudars, wier kudden zich te goed doen aan het jonge riet van de lagune. De koeien van Seïstan genieten een goede reputatie.

De Sajaden zijn volgens hun zeggen de eenige echte Seïstani’s, en dat is mogelijk, want zij alleen hebben kunnen ontkomen aan de mongoolsche horden, door voorraden mee te nemen aan boord van de groote vlotten en zich ermee in het riet te verbergen. De stam telt ongeveer vierhonderd gezinnen.

Wij gingen door Djalalabad, vroegere bezitting van den stam der Kejans, nu een onbeteekenend plaatsje. De nieuwe loop van de rivier heeft het dorp gespaard, maar ’t bouwland vernield. Wij bezochten de ruïnen aan de Roed Nasroe. Men vindt daar overblijfselen van steenen huizen, die op een beteren bouwtrant wijzen dan de gewone leemen verblijven. Zeker hebben Timoer en shah Roek aan de perzische beschaving een zwaren slag toegebracht, waardoor de loop der geschiedenis een wijziging heeft ondergaan.

Mian Kangi bleek een dichte jungle van tamarindestruiken tusschen die Roed Persian en de Helmand, [280] waar op de open plekken dorpen lagen. De rivier, de Helmand, is er zeer ondiep; de bedding was bijna droog, toen wij erdoor trokken. Daar wij niet door de dichte struiken konden marcheeren, moesten wij wel de rivier volgen, en in de weinige dorpen hoorden wij telkens verhalen over de onderdrukking door de Afghanen.

De uit Europa gekomen schrijvers zijn naar mijn bescheiden meening veel te streng, als zij over toestanden in Perzië oordeelen. Om alleen maar over deze provincie Seïstan te spreken, vóór de perzische regeering er bezit van nam, was het leven van geen enkel reiziger er veilig. En ten tijde van de eerste zending naar Seïstan was daarin reeds veel verbetering gekomen, terwijl men nu in het district even veilig is als in de meeste landen van Europa. Een geregelde immigratie heeft er plaats uit Afghanistan, en zoo neemt het bebouwde deel van het land steeds toe; het is wel verviervoudigd onder de regeering van Nasr ed Din.


De Nadirzuil als een vuurtoren in de woestijn.

Mijn beide excursies hadden mij Seïstan goed doen zien, en ik kan er nu met kennis van zaken over oordeelen. Het wordt, zooals ik heb gezegd, in twee deelen verdeeld, de boomlooze streek en de jungle. In beide is de grond dezelfde en bestaat in hoofdzaak uit een lichte leemsoort. Op sommige einden treft men veel vierkante kilometers van zandheuvels, die toch wel voor bebouwing geschikt zouden zijn. Rondom Nasratabad bevat de grond veel zout en men vindt er veel gaten en kuilen en ondiepe plassen, die een opperbeste kweekplaats opleveren voor schadelijke muskieten. Gelukkig dat er van April tot Juni in Seïstan een nog al krachtige wind waait, die het district bewoonbaar maakt en, hoewel warm en niet aangenaam, toch de malariadampen wegvoert.

Lord Curzon behandelt in zijn boek over Perzië uitvoerig de quaestie van Seïstan uit politiek oogpunt. Ik heb haar slechts beschouwd met het oog van den geograaf. Er is reeds opgemerkt, dat het een klein Egypte was, een korenschuur voor de omliggende streken. Dat karakter wordt nog meer in het oog vallend door de ligging van het land halfweg tusschen de russische bezittingen en de Perzische Golf, met aan beide zijden zeer weinig bevolkte landstreken. Daarbij is het ’t eenige bebouwde district tusschen Quettah en de provincie Kirman. Aan den anderen kant bestaat het bebouwbare Seïstan met een bevolking van nauwelijks 100,000 inwoners, 7000 nomaden daaronder begrepen, uit niet veel meer dan de delta der Helmand. Ik geloof niet, dat de groote hoeveelheden water, die tegenwoordig ongebruikt worden gelaten door een andere mogendheid dan die, welke den bovenloop der rivier in haar bezit heeft, kunnen worden gebruikt, en in die omstandigheden kan men niet verwachten, dat de bebouwde gronden sterk zullen toenemen in den eersten tijd.

Auvergne.

(Puy de Dôme en Cantal).


De keten der Puy’s.

1

In den afgeloopen winter speelde het toeval mij kort na elkaar boeken en tijdschriften in de hand, die den geologischen toestand van het hoogland van Auvergne behandelden.

Het gelezene wekte zoo zeer de belangstelling op, dat uitgebreider lektuur over dit onderwep gezocht en gevonden werd, en langzamerhand het plan tot rijpheid kwam om in den zomer die streken eens te gaan bezoeken.

De eerste bronnen, die voor de reis geraadpleegd werden, waren natuurlijk reisgidsen en onder deze bijzonder die van Ioanne “Auvergne et Centre”, omdat voor eene streek in Frankrijk een fransche reisgids het beste geacht moest worden. Toch bleek later dat dit niet geheel uitkomt. De schrijver toch van dien gids is niet kunnen ontsnappen van het algemeen gebrek zijner landgenooten. De Franschen houden namelijk zoo verbazend veel van hun land, dat zij niet kunnen nalaten zich aan overdrijving schuldig te maken, als zij er over spreken of schrijven. Wat bekoorlijk en lief is, wordt prachtig; wat minder goed en minder fraai is, wordt verzwegen. Mijn indruk van het land, in korte woorden saâmgevat, is, dat de vorming van het land, bijna aan alle zijden en bij elken stap herinnerende aan zijnen vulkanischen oorsprong, zoo hoogst belangwekkend is, en dat daarnaast de historische gebouwen, zoowel de nog in hun geheel aanwezige als de bouwvallen, zóó mooi en zóó belangrijk zijn, dat de reiziger niet eens de inderdaad fraaie natuurtafereelen, die niet zelden naast en dikwijls boven het andere de aandacht trekken, noodig heeft om zich schadeloos te stellen voor het minder aangename dat eene minder bereisde streek hem soms bieden kan.

Wanneer de fransche gids (uitgave van 1904) zegt, dat men, buiten de meer bezochte streken komende, verstandig zal doen een inwoner mede te nemen als gids, omdat de bevolking in opschudding zou komen indien een toerist zich alleen vertoonde, en omdat de politie zich verontrusten zou en hij zich aan vervelende onaangenaamheden zou blootstellen,—waarom men in elk geval van een soort van paspoort of ander officieel stuk voorzien dient te zijn,—dan maakt die fransche schrijver zich, ten koste van zijn eigen volk, schuldig aan eene flauwe overdrijving. Gedurende een veertiendaagschen tocht heen en weer door ’t gansche land, alléén en als toerist, met den ransel op den rug, afgelegd, had ik mij nergens minder over te beklagen, dan over de plattelandsbevolking. De menschen waren overal even vriendelijk en beleefd. Bij het maken van een praatje in eene herberg of op eene boerderij,—langs den weg ontmoet men er weinig menschen,—deed zich echter een ander, minder prettig verschijnsel voor. De menschen verstonden mij wel, maar konden dikwijls niet in het fransch antwoorden. Kinderen en jongelieden, die ik bijv. naar den weg vroeg, gaven altijd vlug, nauwkeurig en beleefd [178] antwoord in een benijdenswaardig zuiver fransch; zij leeren dat op de school; maar de Auvergnaten hebben van ouds hunne eigene taal, de “langue d’Oc”. Zoo lang zij in de steden of op de buitenplaatsen als dienstboden verkeeren, of zoo lang de mannen hunnen dienstplicht vervullen, onderhouden zij hun fransch; maar in de dorpen teruggekeerd, vergeten zij het op lateren leeftijd en spreken onderling alléén de eigen taal. Het is mij meermalen voorgekomen, dat men mij in een gesprek, dat al dadelijk niet vlotten wilde, zeide: “ik heb mijn fransch vergeten”. Misschien hebben zij aan dat onbeholpene den naam van stuursch en teruggetrokken te zijn te danken.

“De guide Ioanne” overdrijft nog aan eene andere zijde. Opzettelijk prijst hij de hotels, zelfs op de kleine plaatsen, en noemt maar een paar dorpen op, waar de zindelijkheid twijfelachtig zoude zijn. Nu is mijne ondervinding wel eenigzins anders. Op het platteland en in de kleinere steden krijgt men overal in de herbergen goede maaltijden. Heerlijk grappig waren de zelden ontbrekende menu’s, met onbeholpen hand geschreven en, met minachting van alle taalregels, zuiver naar den klank gespeld! De bedden zijn ook in den regel goed; maar de netheid der vertrekken laat wel eens te wenschen over. De wijze van ontvangst is evenwel overal zoo echt fransch beleefd en aangenaam; de gesprekken waarin men door waard of waardin gewikkeld wordt zijn zoo gezellig, dat men ongemerkt veel over ’t hoofd ziet. Als heer alléén kan men zich overal redden, en er is aan alle zaken ook een vroolijken kant,—maar aan dames zoude ik niet aanraden in Auvergne op andere plaatsen te logeeren, dan in de grootere badplaatsen en verder te Clermont Ferrand, te Vic-sur-Cère en te Lioran. In deze beide laatste plaatsen vindt men hotels van den Orleans-spoorweg, die niets te wenschen overlaten. Gelukkig kunnen de belangrijkste punten van die plaatsen uit bezocht, en kunnen van daar uit prachtige bergtoeren ondernomen worden, zoodat Auvergne met glans op de lijst der pleizier-reizigers gehandhaafd blijft.

Naast deze opmerkingen nog eenige algemeene zaken.

Wat gaat men in Auvergne zien?—De vulkanische vormingen en de monumenten van middeneeuwsche bouwkunde.

In de eerste plaats de vulkanische vorming van het land. Ik geloof niet dat er een streek in Europa is, die den leek na eenige voorloopige lectuur over vulkanen, zoo goed op de hoogte kan stellen van de vervormingsgeschiedenis der aarde. Ik wil niet verbergen, dat toen Auvergne op mijn reisprogram kwam, mijne vulkanische wetenschap niet van aanbelang was. Vesuvius en Krakatau, met Gruadaloupe, ziedaar de voornaamste punten; eene duidelijke voorstelling van wat ik er moest gaan zien, had ik niet. Gelukkig kwam ik in aanraking met een geoloog, die zoo vriendelijk was, mij in algemeene en zeer juiste trekken een en ander mede te deelen. De lezer houde mij eenige vreemd klinkende woorden ten goede, de toelichting is zonder die lastige namen niet te geven; ze zijn trouwens niet talrijk.

De vulkanen, zoo zeide mijn deskundige, worden verdeeld in massa-vulkanen, en in strato-vulkanen. De massa-vulkanen voeren in hunne gloeiende lava geene gassen en dampen mede; ze breiden zich rustig uit en de lava bouwt de kegels op. De strato-vulkanen voeren daarentegen in de lava vele dampen en ontploffende gassen mede. Het gevolg daarvan is onverhoedsche en heftige uitbarstingen, waarbij steenen, asch en waterdampen de lucht ingeslingerd worden. Bij het terugvallen der vaste stoffen, bouwen deze dan ook weder de kegels op. De meeste vulkanen van den tegenwoordigen tijd zijn strato-vulkanen, en hiertoe behooren ook de nu uitgedoofde in Auvergne. De plotselinge uitbarstingen der strato-vulkanen hebben eene voortdurende verandering der kegels ten gevolge, en dikwijls vernielen zij de bestaande. Bij de massa-vulkanen is de voortdurend betrekkelijk rustig uitvloeiende lava oorzaak, dat de kegels steeds hooger op gebouwd worden. De meeste vulkanen hebben meer dan één krater, of eene reeks er van, die om den hoofdkrater zijn geschaard. De Vesuvius bijv. heeft ongeveer 900 van die bijkraters. Soms ook is er geen hoofdkrater, en vloeit de lava uit spleten naar buiten.

De kegel van een strato-vulkaan is dus opgebouwd uit eene onzamenhangende massa asch en steenen. Komt er aandrang van binnen, dan zijn de wanden van den kegel dikwijls niet stevig genoeg om weerstand te bieden tot de lava zich boven ontlasten kan, en men krijgt dan zijdelingsche ontladingen, die instorting der kegels tengevolge hebben. De kegels krijgen dan den vorm van een hoefijzer, dat op het overblijvende deel van den kegel rust. Dergelijken heb ik in Auvergne veel gezien.

Strato-vulkanen staan altijd langs de zeekust of bij groote binnenmeren; over den geheelen aardbodem vindt men daar voorbeelden van, zooals Japan, Formosa, de Sunda-eilanden. In Auvergne treft men als ’t ware twee reeksen van vulkanen aan, en die hebben dan ook vroeger aan de kust gestaan. Door de nabijheid van water worden de massa-vulkanen strato-vulkanen; de waterdampen hebben dan spoedig heftige uitbarstingen tengevolge. De vulkanen in Auvergne werkten toen Noord-Frankrijk, België en Nederland nog niet bestonden en Auvergne een kustland was. Zij werkten—nu komen een paar erg vreemde woorden—in het jonge tertiaire tijdvak. Nederland is in ’t opvolgende tijdperk, het quaternaire, ontstaan.

Ziedaar wat ik vernam, en wat voldoende was, om ’t geen ik later zag te begrijpen. Eene verdere vraag, aangaande de kenteekenen der verschillende voorkomende gesteenten, als daar zijn graniet, basalt, lava en nog heel veel andere, kan voor een leek niet voldoende beantwoord worden. In het algemeen is lava niet zoo vast van vorm; het heeft poriën, dikwijls grootere holten en gaten, en ziet er soms ook weer glasachtig uit; maar er zijn tal van soorten, wier bijzondere kenmerken alleen door den deskundige te vatten zijn. De overige vulkanische gesteenten zijn niet zoo eenvoudig aan te duiden; zij gaan buitendien te veel in elkander over; de kleuren zijn ook niet vast, maar wijzigen zich naar den warmtegraad waaronder zij gevormd werden, en later onder den invloed der lucht. [179]

De ouderdom der vulkanen; de tijd waarin zij werkten en sinds wanneer zij rusten, laat zich niet anders dan bij duizendtallen eeuwen meten.

Wat nu aangaat ’t geen men in Auvergne in de tweede plaats gaat zien, de monumenten der middeneeuwsche bouwkunde, daarover kan beter gesproken worden bij het bezoeken der monumenten zelve.

Zijn deze aanduidingen omtrent de vulkanen wellicht te algemeen, bij latere bespreking der landstreek valt er wellicht nog meer ter toelichting te zeggen. Van harte hoop ik dat de lezer aan ’t gegevene genoeg heeft;—zoo niet, dan helpe hem verdere studie en een onderzoek ter plaatse!

Ik noodig u thans uit, de reis met mij te aanvaarden,—zonder paspoort en zonder zorg voor onaangename ontmoetingen, als gevolg van dien. Nog eene aangename mededeeling vooraf. Het reizen in Auvergne is zeer goedkoop, en gidsen zijn overal overbodig; men komt er wel.

En nu van Amsterdam met den morgentrein naar Parijs, denzelfden avond nog van het P.L.M. station naar Clermont-Ferrand, om daar tegen 4 uur in den ochtend aan te komen en nog een aangename nachtrust te genieten eer we de stad gaan bezichtigen. In het Hôtel de la Poste, op de Place de Jaude, vinden we alles wat we wenschen kunnen.

Clermont-Ferrand is eene aangename, ruim gebouwde stad met 52000 inwoners. Het oude gedeelte, dat tegen en over de hoogte gebouwd is, heeft zeer schilderachtige hoekjes, en hier en daar mooie oude huizen, een enkel in romaanschen, meest alle in renaissance-stijl. ’t Zijn echter gewoonlijk maar enkele deelen die de aandacht trekken: eene fraai gebeeldhouwde deur, eenige mooie vensters, eene binnenplaats met een wenteltrap. Want er is in Clermont maar weinig geheel onaangeroerd gebleven; ’t meeste is sterk vernieuwd of geheel nieuw.

De stad is gebouwd ter plaatse van eene oude gallische nederzetting, en zelfs in de latere tijden gaven enkele opgedolven voorwerpen recht tot de onderstelling, dat er vóór de Galliërs reeds een ouder oorspronkelijk volk woonde. De Romeinen noemden het Augusta Nimetum; de tegenwoordige naam komt eerst in de achtste eeuw voor. Spoedig na de stichting werd het de zetel van een bisdom, en niettegenstaande de inwoners zich in den loop der tijden herhaaldelijk eenige zelfregeering trachtten te verschaffen, is hun dit eigenlijk nooit voor in den nieuwen tijd gelukt. Zij kregen eerst een eigen bestuur tijdens de groote omwenteling, en zijn daar toen wel wat ruw bij te werk gegaan. Een zelfde geschiedenis is die van geheel Auvergne; bij de verwisseling van de overmacht der geestelijken heeren tegen die van den adel kwam de bevolking altijd van den regen in den drop; dat dit tot het einde der 18de eeuw heeft kunnen duren, mag ons eenige verwondering baren, omdat het bij ons meer geleidelijk is gegaan, en daarom bij ons dan ook het overgangstijdperk niet zoo heftig is geweest.

Museums zijn er te keur in Clermont, maar er worden geene groote merkwaardigheden in bewaard, en daarom ging ik ze voorbij. Op den Cours Sablon bewonderde ik de fontein van Amboise, een keurig monument uit de 16de eeuw, bestaande uit een achthoekigen staander, die in een kleine gotische lantaarn uitloopt. Zij heeft twee bassins boven elkaar, keurig in steen gebeeldhouwd. Het is een sierlijk stuk werk.

Het middenpunt van verkeer is de Place de Jaude, een ruim plein, versierd met een ruiterstandbeeld van Vercingetorix in steen en een bronzen standbeeld van generaal Dessaix. Het uitzicht op den Puy de Dôme, dat men van dit plein heeft is opmerkelijk mooi. Behalve het monument “du Centenaire”, dat men bijna in elke fransche stad van eenige beteekenis heeft, is er nog een standbeeld van Blaise Pascal: de beroemde schrijver is geplaatst in een bloemrijk parkje, in smaakvolle omgeving.

De cathedraal, in 1248 begonnen, is in zuiver gothischen stijl, maar maakt geen indruk; ze werd gerestaureerd door Violet le Duc en is van buiten geheel in donkere Auvergne-steen. ’t Inwendige is kaal; de mannen der revolutie hebben ook daar huisgehouden. Het beeldhouwwerk is ook niet bijzonder. De gothische stijl is in Auvergne nooit gewild geweest, wellicht omdat hij opkwam toen het land in oorlogen gewikkeld was. De romaansche stijl kwam er vroeger, in voorspoedige dagen, tot hoogen bloei, en een keurig voorbeeld is de Nôtre Dame du Port, een juweel van bouwkunst, thans verscholen in onaanzienlijke straten en staande in eene diepte,—en met alle juwelen dit gemeen hebbend, dat de leek in de bouwkunst het schoone er van begrijpen en genieten kan.


* De Notre-Dame du Port te Clermont-Ferrand.

Wat is nu het bijzondere dier romaansche bouwkunst? Natuurlijk zou daar niet zoo bijzonder bij stilgestaan worden, indien de schrijver niet eene bijzondere voorliefde voor dien bouwstijl had. Eene voorliefde te omschrijven is moeielijk, maar ’t kwam mij altijd voor, dat die uiting der kunst in de middeneeuwen zoo beminnelijk eenvoudig was; dat zij alles gaf wat men toen kon daarstellen, en nooit naar kunstmiddelen van verdacht gehalte zocht, om ’t geen men zich toch wel bewust was dat er aan ontbrak te bedekken. Dat werd in latere tijden wel eens over ’t hoofd gezien, en men verkreeg daardoor gebouwen die niet bevredigen. De romaansche bouwstijl uitte zich het meest volkomen in de kerken, en werd daarin ook het best bewaard. In den eersten tijd van het Christendom was de grondvorm van alle kerken een langwerpig vierkant2; de binnenruimte werd door twee of meer rijen van pijlers in drie of meer afdeelingen (beuken) overlangs verdeeld. De wanden werden versierd met kleuren en figuren; het dak was een gewoon schuin dak, zooals men zich dat in den eenvoudigsten vorm op ieder huis denkt; de dakgebinten waren gewoonlijk geheel zichtbaar. Van die monumentale kerken—men noemde ze “basilica”—zijn nog enkelen uit dien vroegeren tijd over in Klein-Azië, maar vooral in Italië; te Rome nog uit den tijd van keizer Constantijn. Later in de middeneeuwen, en wel tijdens en onmiddellijk na Karel den Grooten, ontwikkelde zich voor de kerken een nieuwe bouwstijl; hij had de oud-romeinsche kunst tot grondslag en ontleende daaraan zijn [180] naam “romaansch”. Een zijner voornaamste kenmerken, de ronde bogen, werd uit de romeinsche bouwkunst overgenomen.

In plaats van het langwerpig vierkant kreeg nu de kerk den vorm van een kruis. De korte bovenarm werd het koor; de zijarmen heetten het transept; de lange arm het schip. Aan weêrszijden van het schip waren zijgangen, evenals in de basilica, alleen er van afgescheiden door kolommen. Langs het transept en het koor werden spoedig kapellen bijgebouwd; later werden de zijgangen ook om het koor heen gebouwd, en nog weêr later ook om de zij-armen van het transept heen; overal kwam daardoor langs die zijbeuken gelegenheid tot het aanbrengen van kapellen. De ronde bogen werden niet alleen aangebracht boven ramen en deuren, maar ook tusschen de pijlers; en de gewelven die schip en koor en zijbeuken bedekten, in afwijking van het vroegere schuine dak, waren ook rond; aanvankelijk zoogenaamde tongewelven, later kruisgewelven, maar alles altijd half cirkelvormig.


* Gezicht op Clermont Ferrand.

De krypten of onderkerken, die zich aanvankelijk alleen onder het koor, later onder de geheele kerk uitstrekken, werden algemeen. De ingangen tot die onderkerken zijn meestal naast het koor. De krypten zijn allen overwelfd; zij zijn zeer eenvoudig gehouden, met wel de soberste versiering die men zich denken kan: een enkel gebeeldhouwd kapiteel aan eene kolom. Maar dat is dan ook alles.

De torens waren aanvankelijk achthoekig en laag, geplaatst boven de vierkante ruimte waar de armen van het kruis elkander snijden. Bij latere kerken komen ook torens voor aan weerszijden van den ingang, en die ingang was dikwijls uitgebouwd en daksgewijze afgedekt, of tot een karakteristiek klokkentorentje opgetrokken. Was eene romaansche kerk inwendig arm aan versieringen, des te meer werk werd er gewoonlijk van den ingang gemaakt.

We hebben dus, in afwijking van het vroegere, een kerk in kruisvorm en eene overspanning door gemetselde gewelven, waar in de vroegere kerken de bedekking eenvoudig uit een gewoon schuin dak bestond, iets dat trouwens bij de romaansche kerk als buitenste afdekking bleef bestaan, ’t Spreekt van zelf dat bij de uitsluitende toepassing van halfronde bogen en gewelven, de kerken altijd wat lager bleven; zoodra men in later tijd voor goed had bevonden, dat een gemetselde boog ook spits kon toeloopen en dientengevolge ook spitsbooggewelven gebouwd konden worden, werd de vorm der gebouwen ook slanker; en toen er eenmaal slankere kerken ontstonden, maakten de vroegere den indruk van plomp en gedrukt te zijn. De bouwmeesters in Auvergne hebben dat niet kunnen overwinnen; langs den Rijn en in Engeland waren ze in dat opzicht wat gelukkiger.

Er zijn nog meer bijzonderheden aan den toenmaligen bouwstijl eigen. Bijv. de kolommen, die de zijbeuken van het schip scheiden, zijn nooit allen [181] gelijk, maar om den anderen werd eene doorloopende zuil geplaatst. De versieringen aan de kapiteelen en den voet der kolommen waren allen hoogst eenvoudig en steeds weinig uitspringend, de groote muurpanden die ontstonden boven de halfronde bogen waren vlak en later dikwijls beschilderd. Na de 12de eeuw kwam de tijd der spitsbogen; de bouworde bleef in hoofdzaak romaansch, maar de nieuwe bogen kwamen steeds meer op den voorgrond en de wijze van constructie der gebouwen moest dientengevolge gewijzigd worden; gedurende een betrekkelijk lang tijdperk kreeg men een gemengden stijl. De bouwmeesters zochten naar verbetering en brachten allerlei versieringen aan, waaruit ten laatste de gothische stijl ontstond; deze ontwikkelde zich uit het romaansch, zooals het romaansch zich uit het romeinsch ontwikkeld had, maar nam weer van zijnen voorganger over.


* De Puy de Dôme, van Laschamps uit gezien.

In Auvergne waren weinig overblijfselen van romeinsche bouwkunst; in het naburige Provence en elders juist veel; de Auvergnaten konden dus minder van de romeinsche voorbeelden overnemen, en zoodoende kregen hunne gebouwen een bijzonder karakter; en dit te meer omdat zij, arm aan voorbeelden, rijk waren aan goede bouwstoffen en daardoor een anderen weg opgingen bij het versieren van hunne gebouwen. Al dadelijk door verschillende steensoorten te gebruiken, sommige glad, sommige poreus, dan weer van verschillende kleuren, die zij alle in hunne bergen voor het nemen hadden. Het bijzonder karakter der monumenten in Auvergne moet dus meer beschouwd worden als een gevolg van bestaande toestanden, dan wel als de gewilde uitkomst van eene kunstschool.

De Notre-Dame-du-Port beantwoordt geheel aan de gegeven algemeene trekken van den romaanschen bouwstijl. De geheele kerk is overwelfd, de zijbeuken zijn door halve tongewelven gedekt. De kapiteelen der zuilen dragen als versiering bloemen, fantastische voorstellingen van dieren; enkele dragen menschelijke figuren met opschriften. Prachtig is dit beeldhouwwerk niet; de beeldhouwers in Auvergne stonden niet zoo hoog in kunstvaardigheid als de bouwmeesters; maar de kinderlijke eenvoud der voorstelling houdt gelijken tred met de wijze van uitvoering, en maakt een zeer aangenamen indruk. De muurvakken zijn alle wit; hier en daar zijn met zachtgekleurde steenen figuren aangebracht, geen van alle buiten het vlak der muur uittredende. Eene ruit, een vierkant, een cirkel, een kruis, een klaverblad, alles in heerlijken eenvoud, maar aardig doende in die stemmige omgeving. De buitenmuren van het schip vertoonen kleurige figuren, verkregen door het inmetselen van verschillende steensoorten. De kerk is gebouwd in de 11de en begin der 12de eeuw. De hoofdingang is eene dubbele deur, door een gebeeldhouwden stijl gescheiden. Aan de zuidzijde is nog een ingang, met aan weerszijden groote figuren in laag relief; het halfcirkelvormige boogschild boven de deur (het tympaan) is rijk met kleine figuren voorzien; jammer genoeg zijn deze wat geschonden.

De Notre-Dame-du-Port te Clermont, de kerk te Issoire en die te Orcival zijn de fraaiste typen van den romaanschen stijl in deze streken.


Ruïnen van den romeinschen tempel met observatorium op den top van den Puy de Dôme.

Er zijn te Clermont twee versteenende bronnen, die de moeite van een bezoek overwaard zijn. Het bronwater bevat veel koolzuur en kan daardoor eene [182] groote hoeveelheid ijzer- en kalkverbindingen opgelost houden. Zoodra het koolzuur aan de lucht ontsnapt, slaan de ijzer- en kalkzouten neer; van deze eigenschappen heeft men gebruik gemaakt tot het vervaardigen van aardige voorwerpen. Men voert het water door buizen, waarin men er eerst zoo veel mogelijk het ijzer aan ontneemt, en laat het dan als regen neerkomen op de voorwerpen die men versteenen of, beter gezegd, met eene kalklaag overdekken wil, zooals mandjes met vruchten, druiventrossen, vogelnestjes met eieren, enz. De uitkomst is inderdaad verrassend. In de tuinen om de bronnen heen zijn allerlei versteende wonderen tentoongesteld; menschen, vee, paarden; natuurlijk waren het poppen of opgezette exemplaren, en daar nu het verkalken van dergelijke voorwerpen langen tijd vordert en op de eene plaats al wat dikker uitvalt dan op de andere, winnen de voorwerpen niet in losheid en natuurlijkheid, ’t Kwam mij voor, dat deze reeds van af de straat zichtbare lokvogels wel wat al te veel van een boerenkermis hadden.

Eene andere merkwaardigheid van Clermont-Ferrand is niet daar, maar te Mont-Ferrand te vinden, dat ongeveer drie kwartier van de stad ligt. De tramrit er heen geeft weder een verrassend mooi uitzicht op den Puy de Dôme. Mont-Ferrand is een stadje van 3500 inwoners, dat men alleen bezoekt om enkele oude huizen te zien. Het huis l’Elephant, aldus genaamd naar een geschilderden dikhuid boven een der ramen, dagteekent waarschijnlijk uit de 12de eeuw. Het huis Adam en Eva, naar een gevelsteen. Het huis van den apotheker is, evenals het vorige, uit de 16de eeuw; de eerste verdieping is in steen, de twee volgende in houten vakwerk, telkens boven elkaar vooruitspringend; boven in den topgevel zijn een paar beeldjes aangebracht, die aan het huis zijn naam gaven. Er zijn nog verscheidene andere merkwaardige huizen, ’t eene bekend om een deur met keurig smeedwerk, ’t andere om eene aardig versierde binnenplaats; dan weer een met een fraaie wenteltrap. Jammer is het dat van instandhouding geen sprake is. Die huizen zijn thans alle in gedeelten door kleine neringdoenden bewoond, en inzonderheid de binnenplaatsen en wenteltrappen van eene ongeëvenaarde onzindelijkheid en in diep verval.

Met het bezichtigen van dit alles bracht ik den eersten dag door. Den volgenden ochtend vroeg zou ik uitgaan op eene wandeling in den omtrek en de bestijging van den Puy de Dôme. Daartoe wenschte ik, gelijk ook voor de verdere reis, eenige nadere inlichtingen te hebben en begaf me naar het kantoor van het “Syndicat” (Vereeniging ter bevordering van het vreemdenverkeer) van Clermont. Al mijne vragen werden voorkomend en beleefd beantwoord, en de inlichtingen bleken naderhand geheel juist te zijn. Kaarten kon ik niet koopen, maar men gaf mij ’t adres van den besten winkel voor die zaken op. Doch eene fout mag ik niet onvermeld laten. Men ontraadde mij een diligence-rit over Beaumont naar Montdore, en beval mij aan om per spoor tot Issoire en van daar per diligence naar Montdore te gaan. De beide routen zijn goed, maar ’t bleek me later op de diligence, onder een vriendschappelijk gesprek met den koetsier, dat de aanbevolen rit eene onderneming van het Syndicat was, en de rit over Beaumont eene van een mededinger te Montdore. ’t Is te betreuren dat zulke syndicaten zich niet buiten dergelijke ondernemingen houden; zij verliezen daardoor het zoo hoog noodige onzijdig karakter. Onder het gesprek met den beambte van het syndicat bleek mij ook, dat voetreizigers hier tot de uitzonderingen behooren; in den tijd der auto’s krijgen ze een al te sterke ouderwetsche tint. Ik ontmoette dan ook op den geheelen tocht geen collega’s en in de meeste hotels (herbergen) werd ik duidelijkshalve als “le Touriste” aangeduid.

Behoorlijk uitgerust met eene kaart, uitgave van het Ministère de l’Intérieur, toog ik er den volgenden ochtend op uit; van Clermont den weg naar Royat op, naar Chamalières en van daar langs voetpaden naar Villars. De omgeving was mooi, maar de wegen waren ongemakkelijk en hier en daar bitter slecht onderhouden. Gunstig stak daarbij af een deel van eene oud-romeinsche heerbaan, die me tot Villars bracht; het is een stuk van den ouden weg van Clermont naar Limoges. Aan weêrskanten een flink verhoogd voetpad; de rijweg belegd met regelmatig behakte, langwerpig vierkante lavablokken, trots de eeuwen van zijn bestaan nog een voorbeeld hoe wegen gelegd moeten worden. Van Villars loopt het pad verder over La Baraque, maar men kan ook door het dorpje Cheix gaan, al naar dat de vele kronkelingen er u heenleiden. Ik trof onderweg een vriendelijk oud vrouwtje uit Cheix aan, die mij in de hitte niet verder wilde laten gaan, eer ik bij haar eene verfrissching had gebruikt. Na Cheix heeft men nog een aardig kijkje op het dorp Orcines en gaat dan over den straatweg voorbij het kruispunt Le Font de l’Arbre naar den Col de Ceyssat. Gedurende die wandeling heeft men den Puy de Dôme steeds rechts voor zich en begint het hoe langer hoe duidelijker te vinden hoe hij aan dien naam kwam. Op den Col de Ceyssat staan een drietal herbergen, die zich alle drie met den naam van hotel tooien, en waar men u keur van maaltijden aanbiedt. Men heeft dan nog 432 M. te klimmen, en hoe de meeste reizigers er toe komen om daar eerst een dejeuner te gebruiken voor men met klimmen begint, wilde mij niet recht duidelijk worden.

Het pad naar den top (1465 M.) is vol afwisseling en een aangenaam bergpad. Eerst door weiden, spoedig in dennenbosch, om later wat steiler, over en langs rotspartijen, boven te komen. De uitzichten worden bij elke kronkeling in het pad mooier, en hier en daar is voor eene bank gezorgd. Men krijgt spoedig den indruk dat geen der bergen daar hoog is, het uitzicht gelijkt meer op eene vlakte met heuvels.

Bij Villars was ik reeds langs eene cheire gekomen; dat zijn oude lavastroomen, die, nog onverweerd, volkomen onvruchtbaar bleven. Wanneer men er zoo van boven opziet en de kronkelingen waarneemt,—de gladde, bruinroode oppervlakte spiegelt zelfs hier en daar in de zon,—dan krijgt men eerst voor goed den indruk van zoo’n lavastroom, [183] en heeft men een voorproef van de vele overblijfselen van het vulkanisch tijdperk in Auvergne. Hier en daar langs het pad ziet men ook rotsblokken op en door elkaar, die u doen denken aan uitgebrande steenkoolslakken. In deze omgeving maken ze echter meer den indruk van merkwaardig grillige vormen, dan van vulkanische overblijfselen.

Boven op den Dôme is ook eene cantine, waar het eenvoudige maal zeer goed smaakt.

Op het hoogste punt staat het meteorologisch observatorium, dat als eerste plaats van waarneming van dien aard in Europa, in 1876 ingewijd werd. In 1648 had de Puy de Dôme reeds gediend om uit het verschil in hoogte van eene kwikkolom den druk der atmosferische lucht aan te toonen. Périer nam de proef op verzoek van Pascal. Nu bevindt er zich, in ruime gebouwen, de meest volkomen inrichting tot het doen van allerlei weerkundige waarnemingen. Het merkwaardigste van den Puy de Dôme is echter de tempel van Mercurius, helaas wat te veel een bouwval. Hij werd in 1874 ontdekt, toen men begon te bouwen aan het observatorium. Eene heerlijke plek hebben die romeinsche bouwheeren uitgezocht; het moet een treffend gezicht zijn geweest van uit de vlakte, toen die gebouwenmassa zich daar verhief. Mij dunkt, de bewoners van het dal hadden in de oude dagen grootscher uitzicht op dien heidentempel daarboven, dan wij nu hebben van de hoogte af op de cathedraal van Clermont, wier fijne omtrekken door den afstand geheel verdwijnen, en wier twee slanke torens maar een onbeduidenden indruk maken.

Van den Puy de Dôme heeft men een prachtig uitzicht op het hoogland van Auvergne; de Franschen noemen het met groote ingenomenheid “une des plus curieuses du monde”. Zonder hen dit na te zeggen, want de heele wereld heb ik niet gezien, geef ik hun gaarne toe dat het bijzonder mooi is. ’t Geen er vooral aantrekkelijk van is, is het neerzien op de uitgebrande vulkanen van de bergketen, met hunne kraters, zoo duidelijk zichtbaar, en op de zoo even reeds besproken lavastroomen. De geheele vlakte van Limoges ligt voor ons, noordwaarts schijnt zij onbegrensd; naar het oosten toe loopt ze op tegen de hoogten van Forez. Men zegt dat bij gunstig weder de Mont-Blanc van hier zichtbaar is,—maar ik had het genoegen niet. In het Zuid-oosten de bergen van Livradois en de ketens van Velay. Zuidelijk de omtrekken van de Mont-dores en westelijk de granietruggen van Limousin. Noordwaarts omlaag ziende, heeft men vlak aan zijne voeten een ouden krater, de Nid de la Poule; rechts den Puy de Dôme, de groote en de kleine Suchet, en weêr meer links den Puy Pariou en den Puy des Gaules, waarvan men duidelijk de vroegere krateropeningen waarneemt. Men denke zich echter daarbij geen woest tafereel en geene wildernis; de vulkanen zijn allen met gras begroeid, hier en daar met boschpartijen; de valleien zijn akkers en de kraters vruchtbare weiden. Dat men aan een dier kraters den naam van het hoendernest gaf, komt zeer begrijpelijk voor. De wetenschap kan hier van vulkanen en kraters spreken; de toerist heeft voorloopig nog het geloovig toekijken.

Ik bleef nog lang boven, om goed thuis te komen in de verschillende toppen en hunne onderlinge ligging.

Bergafwaarts volgde ik denzelfden weg tot aan Le Font de l’Arbre, maar stak daar den straatweg over in de richting van Fontanat, een schilderachtig dorpje, waar ik geene levende ziel tegenkwam en daarom met te meer aandacht de aankondigingen van het gemeentebestuur las, voorschrijvende dat men rechts moest loopen en dat rij- en voertuigen niet draven mochten. Waarschijnlijk maakte die gemeente zich weerbaar tegen auto’s. Voorbij Fontanat werd de weg zeer lommerrijk en in de nabijheid van Royat, langs de oevers der Tiretaine, zeer schilderachtig; hier en daar watervalletjes, prachtige boomgroepen, kastanjes vooral, frissche boomgaarden, heerlijk groen en diepe schaduw.

Royat is een der sierlijkste badplaatsen van hoog-Auvergne. Van Fontanat afdalende, komt men eerst in de oude stad, beroemd om zijne vestingkerk. Omstreeks de 13de eeuw werd zij tot eene versterking omgebouwd, iets dat men toen meer deed. Een zonderling gezicht zoo’n kerk met schietgaten en kanteelen boven het dak uit. Men had vooral die versterkingen geheel gerestaureerd, en nam daartoe de steensoort waaruit de kerk indertijd opgetrokken was, een materiaal dat men in den naasten omtrek nog voor ’t grijpen had. Mij scheen het toe, dat de ligging der kerk haar weinig tot verdedigingspunt eigende, en ik voelde de booze verdenking bovenkomen, dat hierbij meer aan de fantasie van den bouwmeester gedacht moest worden, dan aan den drang der omstandigheden. Ook de steenen der restauratie waren fantastisch, want ze waren nog niet met het stof der eeuwen overtogen, en vertoonden nog de grillige vlammen van pas uitgehakte lava. Dat ontnam aan ’t geheel de stemming. Het nieuwe Royat, de badplaats, is zeer sierlijk en vol levendig en weelderig gedoe, maar heeft geen bijzonder karakter. Ik keerde per tram van Royat naar Clermont terug.

De volgende dag was bestemd voor den tocht naar Montdore; eerst per trein tot Issoire, en dan per diligence (car alpin)naar Montdore. De reis was te ver om te voet te worden afgelegd.

Van plaatsbeschrijvingen van streken die men per spoor doorvliegt, ben ik geen vriend. De snelheid waarmede ’t eene ’t andere opvolgt kan in den regel niet dan verwarde algemeene indrukken geven. Daarom slechts de vluchtige opmerking, dat de weg schilderachtig is, vooral wanneer men de rivier de Allier kruist of op korten afstand de oevers volgt. Bij de stadjes, die men langs komt, heeft men nog eene sierlijke hangbrug over de rivier. Men komt voorbij Vic-le-Comte, voorheen de hoofdplaats van Auvergne, waar de bloedigste tafereelen uit zijne middeneeuwsche geschiedenis afgespeeld werden. Dan voorbij Coudes, met bouwvallen van abdijen en kasteelen, verlaat dan de Allier weder en komt in de vlakte van Issoire. ’t Speet me zeer, dat ik geen tijd had om te Issoire de groote kerk te gaan zien, die veel overeenkomst heeft met de Notre Dame du Port te Clermont, doch deze in afmeting en versiering overtreft, maar de car alpin waarmede ik naar Montdore zoude rijden, staat aan ’t station klaar, [184] en hoewel de postillon op de vraag of er plaats was, antwoordde dat er alleen gebrek aan reizigers was, werd de reis met groote overhaasting aanvaard.


* De kerk van Royat.

Een plaatsje naast den postillon werd door mij ingenomen, en spoedig vernam ik van hem, dat ik maar 10 K.G. bagage vrij had, en dat mijn handkoffer wel meer zoude wegen, maar dat hij zoo onheusch niet was, om daar dadelijk op ’t kantoor over te spreken. Alweder het oude type, door dezen jongen man ten tooneele gevoerd; in één opzicht evenwel verschillen die heeren daar, van het bij ons inheemsche soort. Zij staan in de eerste plaats op den titel van postillon; koetsier is hun wat min. En dan, ze zijn wondergraag met monsieur aangesproken. Dat was me al meer opgevallen, een tramconducteur hoort ook gaarne monsieur, ze laten dit spoedig merken; en wanneer men den koetsier van eene car alpin of gewone diligence maar altijd met monsieur aanspreekt, dan behoeft de fooi later nog niet eens zoo heel ruim te zijn, om op voorkomendheid, ook aangaande het overwicht van den koffer te kunnen rekenen. Niet dat die vrienden hooger geacht willen worden dan zij zijn, maar ze zijn gaarne even hoog als ieder ander.


* De toren van Maurifolet.

Bij het verlaten van Issoire stijgt de weg westwaarts langs den linkeroever van de Causse d’Issoire. In ’t verschiet teekenen zich de omtrekken der Dore-bergen tegen den gezichteinder; rechts verheffen zich de wanden der hoogvlakte van Pradines als muren steil omhoog. Links enkele bergspitsen. Die steile wanden der hoogvlakte van Pradines vertoonen op den rand de eerste vulkanische vorming van eenigen omvang die ik nog zag; die bovenranden bestaan alle uit rotsblokken, blijkbaar in vuurgloed gevormd; het zijn uitgedoofde slakken in de grilligste gedaanten en van reusachtige afmetingen. Wat verder, voorbij het dorpje Perrier, ziet men in de wanden vierkant gehakte gaten; het zijn de overblijfselen van vóórhistorische woningen, waarvan eenige nog bewoond worden door de gezinnen der bewakers van de wijnbergen. Daar is ook eene pyramidaal omhoog gaande rots, die te meer de aandacht trekt omdat er een torentje op gebouwd is; ’t is thans een bouwval, die toren van Maurifolet, en men kan hem volgens de inlichtingen van mijnheer den postillon alleen bereiken door een inwendig in de rots uitgebroken wenteltrap. De weg loopt overigens tot St. Nectaire door eene zeer welvarende streek. De gedeeltelijk ingehaalde oogst was van goede hoedanigheid en meestal tarwe. Ik zag er verscheidene kweektuinen voor druiven, met opschriften dat er puike gezonde stekken uit Californië, Australië en meer afgelegen oorden te krijgen waren. De druivenziekte schijnt daar dus onder de inheemsche boomen sterk huis te houden. Er werd veel geploegd, eene zeer ondiepe voor, en ’t trok mijn aandacht dat op dien vetten grond de ploeg altijd maar met ééne koe—en ’t vee is er niet zwaar—bespannen was. Waarschijnlijk kon dit, omdat de grond sterk gemengd was met lavagruis, en daardoor wat losser. Eigenaardig was het hanteeren van den ploeg. Bij den kop der koe eene vrouw met een langen staak, waaraan een platte beitel; daarmede stak zij voortdurend de vette klei van de eene zijde der ploegschaar af en maakte daartoe met den staak steeds een zwaai boven haar hoofd. De man die den ploeg stuurde, verrichte bovendien dezelfde zwaai-beweging, om met zijn staakbeitel de ploegschaar aan de andere zijde te bevrijden. Wanneer men dat werk zoo aan den gang ziet, kan men zich aanvankelijk dat zotte gezwaai met die staken niet verklaren. [185]


Auvergnaten aan het middagmaal.

Na een rit van 4 uur kwamen we te St. Nectaire, waar twee uur stil gehouden werd voor het middagmaal. Ik liet mijn koffer doorgaan naar Montdore en besloot het overige van den weg, nog 28 kilometer te voet af te leggen en tevens St. Nectaire wat nader te bezien. We waren te St. Nectaire-le-bas aangekomen, dat geen dorp is maar alleen eene bad-inrichting, waaromheen hotels. Zijne bijzondere merkwaardigheid is een dolmen, een steen van 4 M. lang en ruim 2 M. breed en 70 cM. dik, rustende op drie steenbrokken; eenige schreden van daar vindt men nog eene verzameling geplante steenen, die geheel den indruk geven van een verwoest hunebed.


* Oude kleederdracht uit Auvergne.

Men vindt er verder ook eene grot met versteenend water, en verder doorgaande, steeds langzaam stijgend, ziet men spoedig St. Nectaire-le-haut sierlijk tegen een berg aangeleund, en op den top van dien berg de fraaie kerk, een merkwaardig monument uit de 11de en 12de eeuw, in 1878 geheel gerestaureerd, met twee stompe torens aan de voorzijde en een achthoekigen op het kruis. De gewelven rusten ook hier niet alleen op gemetselde pijlers, maar bij afwisseling op kolommen, en de versiering der kapiteelen is zeer opvallend; op een er van komt de kerk zelf voor. In de sacristij bewaart men een allermerkwaardigst beeld van St. Bauduin, van eikenhout, bekleed met verguld koper; het hoofd en de hals van gedreven koper, met beweegbare oogen van ivoor en hoorn. Al verder stijgende komt men te Boissières, gebouwd op vulkanische gesteenten, waarin men hier en daar ook weder holenwoningen ziet; dan weder afdalend in het dal der Couze, met een zeer kale Cheire, zoo troosteloos als ik er nog geene zag, en dan Murols, een smerig dorp, bekend om de prachtige bouwvallen van zijn kasteel, thans eigendom van het departement. Sommigen schrijven deze bouwvallen een zeer hoogen ouderdom toe, anderen gaan niet verder terug dan de 15de eeuw. Ze staan op een bazaltheuvel van 729 m. hoogte, en zijn een der merkwaardigste overblijfselen van den franschen vestingbouw in deze streken. Een bewaarder vraagt u 50 centimes toegang, maar laat u overigens vrij. Eerst komt men in een kring van vestingwerken op eene ruimte, die het geheele kasteel omringt, dan leidt een steil pad omhoog, en ziet men bij eene poort naast den grooten toren twee romaansche kapelletjes, één uit de 11de en een uit de 12de eeuw, tegen elkaar gebouwd. Het kasteel is dus om die bestaande kapelletjes heen gebouwd, of het is zelf van nog ouderen datum. De eigenlijke kasteelpoort is uit de [186] 15de eeuw, en uit dien tijd stammen ook de vestingwerken. Er is nog een klein gebouw, dat er wat vroolijker uitziet en uit lateren tijd dagteekent. Het beklimmen van den toren is zeer aan te raden, om het goede overzicht over het geheel der gebouwen en om het prachtige uitzicht op den omtrek.

Voorbij Murols krijgt men een boschrijk dal, zoo bezaaid met vulkanische brokken, dat men haast zou gaan denken aan eene vóórhistorische verzameling van slakken-steenen; dan bereikt men spoedig het verrukkelijk gelegen meer van Chambon, een waterplas van ongeveer 60 hect. ter diepte van bijna 6 M., op 880 M. hoogte. Men beweert dat dit meer gevormd is door een lavastroom, neerkomende van den Tartaret, die de Couse afdamde. De oppervlakte vermindert voortdurend; naar men zegt ontsnapt het water door spleten die in den lavadam ontstaan. Spoedig zal dat meer echter nog wel niet verdwijnen, en nog menigeen zal zich in de allerbekoorlijkste ligging kunnen verheugen. Op den achtergrond ontwaart men de allergrilligst gevormde rotsen van den Dent du Marais. Voorbij het meer krijgt men een prachtig uitzicht op het dal van Chaudefour, en het dorp Chambon naderende, ziet men eerst op het kerkhof eene kleine romaansche grafkapel, zoo eerlijk en zuiver van stijl en zoo goed bewaard gebleven als maar mogelijk is; zij dateert uit de 11de eeuw en wordt in de wandeling zeer oneigenlijk het Baptistère genoemd.

Chambon is niet groot en niet zindelijk, maar aan de samenvloeiing der Couze en der Surain zoo schilderachtig gebouwd, en zoo allerliefst tusschen de boomen gelegen, dat men de onzindelijkheid spoedig vergeet en besluit den maaltijd maar elders te nemen, om hier zijne oogen met toenemenden lust te gast laat gaan. Alles is bij het bouwen aan het toeval overgelaten, maar daaruit is een geheel ontstaan, dat de bouwers niet droomden en niet bedoelden. De huizen op zichzelf hebben niets bijzonders, maar het geheel aan de beide stroompjes en onder het hout is bekoorlijk.

Van Chambon gaat het verder door het diepe dal van de Surain, overal met dennenbosschen bedekt, met groote slingers omhoog tot aan het gehucht Bressouleille. Ditmaal is het een gelukkig verschijnsel als de wandelaar wat moede wordt, want bij het rusten is de klimmer altijd geneigd om eens achteruit te zien hoe hoog hij al gekomen is; en juist achteruit zijn hier de heerlijkste vergezichten. Een kleine bergstroom, de Diane, ziet men van val tot val vooruit springen, en zijnen loop volgende krijgt het oog een prachtig rustpunt in het meer van Chambon en op zijne mooie omgeving. Het is van deze hoogte bijna nog mooier, dan wanneer men aan de oevers staat! Van Bressouleille gaat het al maar met groote slingers over eene hoogvlakte, dan door weiden, dan door bosschen omhoog; verderop is de weg uitgekapt in de wanden van den Puy de la Croix Morand; ’t landschap wordt eentonig en somber, tot men op den bergrug komende, den Col de Diane (1360 M.) bereikt en, na zich eene korte wijle verheugd te hebben in een effen weg, op eenmaal het prachtige dal der Dordogne voor zich heeft. Men ziet de badplaats Bourboule in de verte, de meren Guéry en La Roche-Tuillière, hoewel op grooten afstand, bijna aan zijne voeten. Nu met korte slingers snel omlaag; in de weiden, voor ’t eerst op deze reis, tal van bloemen; om een rotsachtig voorgebergte heen, en daar ligt het vriendelijke Mont-Dore voor u.

De wandeling was aangenaam geweest; de afwisseling groot en de laatste verrassing: het uitzicht op het dal der Dordogne, zette de kroon op het werk. Daar kon wel een tegenvaller op overschieten, en die kwam ook. Ik vraag u, wat heeft een voetreiziger met den ransel op den rug te verwachten, wanneer hij daar zoo om licht en donker in eene fransche modebadplaats aankomt? Ik stapte naar het Hôtel des Etrangers, waarvoor ik eene aanbeveling had van het Syndicat te Clermont,—maar ’t was precies of men dacht dat ik niet eerlijk aan die aanbeveling gekomen was; ik kon ternauwernood eene kamer krijgen, en toen mij die niet beviel, was ’t nagenoeg heel en al mis. Niet prettig in eene plaats die ik wist dat overvol was! ’t Is mij eerst aan ’t einde van mijn verblijf aldaar mogen gelukken, de madame een anderen indruk te geven; een reiziger die, met zijne spoorwegbiljetten in den zak, toch te voet het land doorkruist, is iets dat buiten den gedachtenkring van die menschen ligt.

Le Montdore is een plaatsje met slechts 1866 inwoners, maar een zeer druk bezochte badplaats; het ligt aan het einde van het dal der Dordogne, die niet ver van de plaats haar oorsprong neemt. Twee beekjes vloeien uit de bergen, de Dore en de Dogne en vereenigen zich ongeveer een uur boven de plaats. De achtergrond van het dal wordt gevormd door de donkere spitse uitloopers van den Puy de Sancy. De omgeving van het bad is weelderig; groote, rijke hotels, een aardig park en een casino, dat voor iedereen toegankelijk is; maar de weelderige omgeving is klein, en wat verder Montdore uitmaakt is meer dan eenvoudig. De omstreken zijn mooi, maar alléén gezonden kunnen ze bereiken; de fraaiste punten zijn slechts met inspanning toegankelijk. Een bergspoorbaantje komt hier aan tegemoet. Intusschen, men behoeft slechts een avondbezoek aan het Casino te brengen om te zien, dat er ook gezonden te Montdore verblijven, die langs allerlei wegen hun tijdverdrijf zoeken.

’s Morgens vroeg ging ik er weer op uit, en had het genot de badgasten in de onmogelijkste costumes naar de thermes te zien gaan; ’t is grappig om te zien hoe men in badmantels nog mode kan hebben! Versieringen aan die kleedij schijnen ook al een punt van studie te zijn en aanleiding te geven tot eene “dernière création”. Een oude heer op klompen, in een badmantel met een sleep, naast eene jonge dame met een mantel die heelemaal geen sleep had, terwijl zij zich overigens vreemd toegetakeld had met eene prachtige badmuts en zich een zeker cachet verschafte door in het vroege morgenuur eene cigarette te rooken,—was wel ’t koddigste van wat er zooal over de Grande Place kwam. Ik ging met het bergspoortje als eenige passagier naar boven, naar het Salon du Capucin, eene aardige uitspanning onder prachtig hout; daar kocht ik van een kellner een courant van den vorigen dag, en las daarin met alleraardigste schrijffouten de namen van ons nieuwe ministerie. [187] De kellner begreep er niets van, dat ik in die oude courant zoo’n schik had. Van het Salon du Capucin ging de weg, door een prachtig eiken- en mastbosch, langzaam omhoog tot aan den voet van den Capucin, een rotsgevaarte dat daar steil omhoog rees. Een pad er om heen brengt u aan de andere zijde, waar een zachte helling het bestijgen gemakkelijk maakt. Van den top (1463 m.) heeft men een goed uitzicht op Montdore, den Sancy en de bergen van Bozat. Men vraagt u aan een herbergje aan den voet van den Capucin 25 centimes voor het beklimmen. De meeste dier bergtoppen hier zijn particulier eigendom, en worden aan kasteleins verpacht. Van de herberg ging ik verder door in de richting van den Puy de Clièrgue, die men voor zich ziet liggen en zoo over de kammen der bergen, die doorloopen tot den Puy de Sancy, tot aan het Val de la Cour en het Val de l’Enfer. Voor wandelaars, die niet gesteld zijn op een paadje langs de diepte, is er nog een aangename weg om den top van den Clièrgue heen,—maar hij is wat langer.

De Val de la Cour ligt tusschen een kring van bergkammen; de bodem is een keurig gebloemd grastapijt. De Val de l’Enfer is van de eerste gescheiden door een scherpen bergkam; het dal is als ’t ware uitgehold in vulkanische gesteenten, niet altijd rotsblokken, maar soms ook wanden van los op elkaar gestapelde vulkanische overblijfselen. De wanden zijn bijna geheel ontdaan van plantengroei; het zijn naakte rotsen, die den vulkanischen stempel op het aangezicht dragen. Dit dal schijnt een der oudste kraters van den grooten vulkaan der Dore-groep te zijn; uit den bodem steken hier en daar soms geheele muren op; men noemt ze hier dykes. Dit landschap, dat den Val del Bove van den Etna moet evenaren, is zeer schilderachtig, maar tevens buitengewoon somber en draagt zijn naam met eere. Plantenkenners kunnen hier een rijken oogst vergaren. Van uit den Val de l’Enfer kwam ik weêr in het dal der Dordogne en zoo, langzaam aan, terug te Mont Dore.


* Saint Nectaire le Haut.

Langzaam aan, want het was drukkend warm dien dag, en in die enge rotsdalen was geen schaduw en geen ’t minste tochtje. ’t Was daarom eene aangename verrassing, ’s avonds aan tafel te hooren vertellen dat ’t begon te regenen. Die regen hield aan en werd een wilde donderbui, en verstoorde den dampkring dermate, dat ik er nog een dag later pleizier van had. De volgende dag toch was bestemd om den Puy de Sancy te beklimmen en langs de andere zijde over Vassivières af te dalen tot Besse.

Daar hadt ge ’t alweêr: iemand die ’s morgens vroeg uit zoo’n nette badplaats per allereersten langzamen trein vertrekt, beteekent niet veel; en ik moest naar het station om mijn koffer naar Bort te verzenden. De hotelomnibus kon ik niet krijgen, en ik was al heel blijde een der hotelknechts eene fooi vooruit te kunnen betalen, waarvoor hij mijn koffer wel naar ’t station wilde brengen.

De regen had opgehouden, maar ’t weêr was zoo zoel gebleven, dat ik mij op allen tegenspoed voorbereidde. De wandeling ging aanvankelijk langs den zelfden weg, die me gister terugbracht van den Val de l’Enfer, maar ik had nu het genoegen van een waterval te zien, la cascade du Serpent, een der waarteekens van Montdore, maar die den vorigen dag droog was. Spoedig kwam ik onder hoog masthout; sierlijke boomen die bijna allen den eigenaardigen woekervorm vertoonden van doorgeschoten takjes, die als miniatuurboompjes loodrecht op de grootere takken stonden.

Op 1200 M. hoogte houdt de straatweg op, en begint het gemakkelijke slingerpad, dat tot bijna aan den top brengt. De bestijging was weinig vroolijk, want o jammer! er kwam een dikke mist opzetten; ik liep in eene wolk en bleef daarin tot bijna boven, toen het zachtjes begon te regenen. Achter mij aan kwam een gezelschap, dat er erger aan toe was; de lieden haddend en Puy de Sancy voor hunnen laatsten dag bewaard, en moesten nu den zoo hoog geprezen weg, ten tweede-male afleggen, zonder ook maar vijfentwintig pas van zich af te kunnen zien. Hoewel we allen wisten dat het op den top niets beter zou zijn, bestegen we toch moedig de spits (1886 M.); een slecht en door den regen glibberig pad, waarvan de eenige deugd was, dat ’t maar een kwartier ver was. Spijtig! want van den top van den Puy de Sancy, den hoogsten berg van midden-Frankrijk, moet men bij helder weder een wondermooi uitzicht hebben, te aanlokkelijker voor mij, omdat daar de geheele streek zichtbaar was, die ik van St. Nectaire af doorloopen had.

Onder de treurigste voorteekenen zette ik aan de andere zijde van den berg de reis voort. Er was langs de verschillende hellingen maar één bergpad, en dat had ik te volgen. Aanvankelijk teekende dat pad zich duidelijk, maar spoedig begon het in ’t gras te verloopen, en het regende zoo hard, dat elk spoor van een pad een beekje werd, en dus geen weg meer te onderkennen was. Eerst had ik nog een paar bergtoppen waar ik koers op kon houden, maar die gingen ook schuil achter de regenwolken. Geen geluid van mensch of dier was te vernemen; van tijd tot tijd meende ik de bellen van grazend vee te hooren, maar dat geluid kwam ook al uit dat grauwe voorhangsel, dat evenveel achteruit ging als ik vooruit. Dank zij de voortreffelijke kaarten, die ik te Clermont gekocht had, en dank zij mijn zakkompas, kwam ik echter goed terecht. Na een paar [188] uur geloopen te hebben zag ik rechts beneden mij een meer, volgens de kaart dat van Chauvet; toen moest ik links van mij een alleen staanden berg, den Puy de Pailleret krijgen; en dat kwam ook uit, en daar midden tusschen lag het dorp Vassivières, maar dat kwam niet uit, en ik was dankbaar eene kleine schapenhoedster te treffen, die mij vertelde dat het onnoozele kleine kerkje met die drie kleine huizen er om heen, daar beneden ons, de beroemde bedevaartsplaats Notre Dame de Vassivières was. Ik kwam ongeveer 600 M. meer oostelijk uit, dan ’t behoorde, en vergat onder dat geluk, dat ik doornat was geworden.


* De Puy de Sancy.

Hooger in de bergen waren de weiden, waardoor het pad heette te gaan, nog al flink, maar lager werden zij van minder gehalte en waren daarentegen sierlijk doorstreept met bloeiende heide; deze vriendelijke plantjes zag ik daarna overal in Auvergne weer. Behalve dat waren er opvallend veel donkere viooltjes en wilde anjers van een heldere kleur; zij stonden in die armoedige omgeving zoo vriendelijk te bloeien, dat ik een der dichters van het land begon te begrijpen, die zegt: “men kan mij naar hartelust uitlachen, maar ik trap er nooit op ... ’t lijkt me of hun dat pijn zoude doen!”

Zoo kwam ik dan te Vassivières. Het wonderdoende beeldje staat in een bouwvallig kapelletje langs een voetpad; het is eene zoogenaamde zwarte maagd. De hoogere waarde van dat zwarte heeft me niemand kunnen of willen verklaren; het beeldje was van hout, en scheen me toe zwart van ouderdom te zijn. De beeldsnijders uit die vroegere dagen in Auvergne waren menschen van eenvoudige opvatting, en beeldden de moedermaagd af als eene vrouw uit hunne omgeving, zoodat men de evenbeelden nog overal en dagelijks ontmoet.


* Mont Dore.

Voor vele jaren had men zich verstout dat beeldje van Vassivières, waar nooit voldoende gelegenheid was om de bedevaartgangers te herbergen, tot hun meerder gemak naar Besse over te brengen. De overlevering zegt, dat het beeld echter telkens weder des nachts naar Vassivières terugkeerde. Om aan de daaruit ontstaande beroeringen een einde te maken, besloten de gezaghebbenden het beeld des winters in Besse te plaatsen en des zomers te Vassivières. De rust was hersteld, en zoo geschiedt nog tot op heden.

De herberg waar ik dien dag te Vassivières middagmalen moest, was het huis van een kaaskoopman, wiens vrouw in den zomer de kaaspakhuizen ontruimde en voor gelagkamers voor de bedevaartgangers inrichtte. Alle kaas heet daar “St. Nectaire”, en de gelagkamers getuigden van zijn bijzonderen geur. De waardin had medelijden met mijn natte pak; dadelijk werd het vuur opgestookt en werden mijn kleêren zooveel als ’t kon te drogen gehangen, terwijl ik achter den gloeienden kachel plaats nam en mij, onder de bedrijven door, met woord en daad zag aangetoond, hoe heerlijk mijn maal toebereid werd.

Zoo’n huis daar is aardig ingericht, en bij veel [189] grooter afmetingen herinnerde het mij sterk aan de oud-saksische boerderijen in sommige deelen van ons land. De stal voor ’t vee is altijd klein; het vee wordt gefokt of jong gekocht, in het voorjaar de bergen ingezonden en in ’t najaar verkocht. Men komt met de buitendeur in een ruim vierkant vertrek; de voorkant, waarin de deur is, heeft ook de ramen. De zijde, waar de kachel tegen staat, ook de provisiekamers, de beide andere zijden bestaan geheel uit deuren, die ten deele bedsteden of kasten zijn en de toegangen tot verdere ruimten, hier de kaasbewaarplaatsen, of tijdelijk de gelagkamers voor de bedevaartgangers. Toen de waardin de tafel gedekt had, vroeg ze mij of ik mineraalwater uit flesschen, of bronwater wilde drinken; ze kon mij het “eau de la Vierge” zeer aanbevelen, eensdeels om zijn goeden smaak en anderdeels om zijne wonderdoende kracht. Twee der kinderen werden uitgezonden om eene frissche kruik aan de bron te halen, en ’t kwam mij voor dat de bijzondere aanbeveling steunde op het fooitje dat de kinderen voor dat dienstbetoon ontvingen. Het maal smaakte, niettegenstaande de opvallend rustieke samenstelling, na den bergtocht heerlijk, en toen de regen wat op begon te trekken, talmde ik nog wat om te zien of er soms nog een zonnestraaltje doorkwam. En zie, het kwam! Eerste gevolg aan mijn dronk “eau de la Vierge”.


* Het meer Pavin.

Nog twee uur wandelens bracht mij te Besse, in het Hôtel de la Providence. Na eene korte rust besloot ik dien avond nog de grotten van Jonas te bezoeken. ’t Werd wel een vermoeiende dag, maar den volgenden dag had ik een gemakkelijke reis, en bij ongunstig weêr was er eene diligence.


* De grotten van Jonas.

De weg naar Cheix, waar die grotten zijn, gaat van Besse in een eng dal omlaag; in de diepte heeft de Couse de Besse zich een weg gebaand; zij dringt onstuimig met vele aardige watervallen tusschen hare rotsachtige oevers voort. De overzijde is vooral dicht hij de beek prachtig begroeid; de andere zijde levert een geheel verschillenden aanblik. De eerste indruk is die van verbazing; de steile berghelling is ontzettend ruw; groote en kleine rotsblokken betwisten elkander hunne plaats; hier en daar bergpuin, waarin men getracht heeft op aangelegde terrassen wijn aan te planten; maar alles is verdord, en gedeeltelijk weer onder nastortend bergpuin begraven. De kleur der rotsen is donker roodbruin; ze zijn allen in den vorm van uitgesmolten slakken; er staan ruggen van steen uit de berghelling op als reuzenhanenkammen, en die ruggen dragen ook de kenteekenen van in vuurgloed gevormd te zijn. ’t Is ontzagwekkend en somber. Men gelooft in een heksen brouwketel beland te zijn en geen wonder, want we hebben hier te doen met een lavastroom, die uit een der omringende Puys, of misschien uit een verdwenen vulkaan naar dit dal vloeide. Het verloop van eeuwen heeft hier nog weinig doen verweeren; wat hoogerop wel, waar men tal van dorpen vindt in zeer vruchtbare omgeving. Bij een draai in den straatweg heeft men een aardig kijkje op het dorpje Cheix met zijn landelijk torentje en op het gehucht St. Pierre Colamme; iets verder verheft zich op eens uit het groen de helling van den Puy St. Pierre, waarin men dadelijk de grottenwoningen ontdekt. Deze woningen zijn uitgekapt in de bazalttuf, waaruit de berg gedeeltelijk bestaat; ze zijn tot 30 en 40 m. boven elkaar aangebracht; thans zijn er nog 60 holen; door het voortdurend afstorten van den bergwand zijn er echter veel verwoest en nog meer begraven. De holen zijn in een moeielijk aan te wijzen tijdperk door menschenhanden gemaakt,—misschien zijn ze wel uit het vóór-historische tijdperk,—en zij werden eeuwen lang bewoond. De uitgekapte paden, die de verdiepingen onderling verbinden, dagteekenen waarschijnlijk uit de middeneeuwen. In de rots ziet men hier en daar nog sporen van leuningen, die ook in de rots uitgehouwen zijn; in dienzelfden tijd werd er ook een soort van ridderburcht uitgekapt, met een kapel (de muurschilderingen komen mij verdacht voor), een keurige wenteltrap is vooral merkwaardig. In de grotten en in de omgeving heeft men eenige oudheden gevonden, vooral munten en enkele beeldjes. De grotten zijn nu staatseigendom en worden sedert een twintigtal jaren [190] wetenschappelijk onderzocht, tot nu toe zonder belangrijke uitkomsten; men begint er wel achter te komen wat het niet geweest is, maar verder is men nog niet. Sommigen zeggen dat de ridderburcht met de wenteltrap en de kapel het werk zijn van tempelridders, die na de vernietiging hunner orde hierheen vluchtten.

Op de terugwandeling heb ik mijne oogen nog eens te gast laten gaan aan den ouden lavastroom. De indruk van woestheid werd vergroot, en ’t was inderdaad eene opluchting toen ik, hooger in het dal komende, het vriendelijke Besse weder voor mij zag. Besse—’t heet eigenlijk “Besse en Chandesse”—is een bijzonder plaatsje, dat nog al door zomergasten bezocht wordt. Er was dan ook een goed bezette tafel in de eetzaal. Een der gasten trok mijne aandacht; naar zijne vrouw te oordeelen was hij een gegoed werkman of klein fabrikant; maar zijne handen waren zóó net van vorm, dat daar toch ook weêr niet aan te denken viel. Hij nam de leiding van een deel der tafel op zich, diende soep, sneed voor, voerde onder de bedrijven door een luidruchtig algemeen gesprek; de man bleef mij een raadsel; zou hij soms een kellner met verlof zijn? Maar het raadsel werd spoedig opgelost; er werd eene ommelette binnengebracht op een grooten schotel, te midden van brandenden rum, tot groot ongerief der dienstmeisjes, die de vlam ten laatste niet meer meester waren. Al de gasten waren opgetogen—de schrijver telt niet mede—en madame nam de hulde over dien prachtigen schotel met koninklijke bescheidenheid aan. De raadselachtige gast diende weêr, en toen hij eindelijk wat van zijn eigen portie proefde, sprong hij op, liep naar het dienstmeisje en riep vol ongeveinsde geestdrift uit: “Zeg aan den kok, dat hij mij overtroffen heeft, ik heb nooit zoo iets heerlijks gemaakt.” De man was kok en liet er zich bij de omgeving op voorstaan, dat hij chef was in een der groote hotels te Parijs!

Ik deel dit mede, niet om met mijn gebrek aan kokkennis te pralen, ook niet om uwe bewondering op te wekken voor de ommelette in haren waarlijk helschen vuurgloed, maar om u het gehalte der zomergasten daar te leeren kennen.

Na dezen langen en aan gebeurtenissen rijken dag, als: het beklimmen van den Puy de Sancy in den nevel; het afdalen in den regen; de maaltijd te Vassevières met het “eau de la Vierge”, het doorkruisen van een dal der verschrikking op den weg naar Cheix; het bezoeken van eene vóór-historische kazerne-woning, en het gebruiken van eene ommelette brulée onder de leiding van een kok en villeggiatura, genoot ik een welverdiende rust.

’s Ochtends vroeg de stad in; ’t is maar een stedeke van 1800 inwoners, met eenige kronkelige straten, maar in deze vele eigenaardige fraaie gevels. Eén huis, gezegd dat van Koningin Margaretha, munt vooral uit; op de markt zag ik een betrekkelijk laag huis—ze zijn allen uit de 15de en 16de eeuw—met eenvoudige, allerkeurigste versieringen, eene deur om te stelen, zwaar eikenhout met gesmeed ijzeren beslag. Een zonderlingen indruk maakte voor die deftige fraaie vensters de uitstalling eener slagerij. De stad heeft nog ééne poort met klokkentoren, een aardig gebouwtje uit de 16de eeuw. Zeer mooi was de kerk, of liever zeer merkwaardig. Het oudste deel, het schip, natuurlijk romaansch; de zuilen waren aardig versierd, zoo opvallend eenvoudig en lief, men zou haast zeggen kinderlijk. Aan de eene zijde der kerk zijn later kapellen aangebouwd in gothischen stijl. De beschildering der muren in de kerk wordt zeer geroemd. Ze was kleurig en druk. De eenvoudige versieringen in de kerken te Clermont en te St. Nectaire vond ik echter veel mooier. De andere buitenzijde der kerk had uitstaande muren, beneden ongeveer 3 M. dikker dan boven.

Besse is een middenpunt voor bergtochten; dien naar de grotten van Jonas maakten wij reeds; de richting naar Vassivières had ik afgewandeld, die naar het noorden met Murols als eindpunt had ook niets bijzonders. Bleef nog die naar Condat en Feniers, juist de reisweg dien ik mij voorgenomen had. Ik verliet het stadje door de oude poort met den klokkentoren en had aanvankelijk den weg terug, waarlangs ik den dag tevoren gekomen was. Een breed dal; de weg liep aan de eene zijde ter halver hoogte van den bergrug; in de diepte een riviertje, maar met zoo weinig water, dat ’t gehoopte aangename gezelschap van zoo’n druk bergstroompje ditmaal ontbrak. Aan de wegzijde enkele zeer fraaie boschpartijen, en voorts langs bebouwde akkers; eene overoude landhoeve, door esschen omringd, met prachtige roode vruchten, kwam tegen den achtergrond van donker eikenloof mooi uit. Beneden in het dal weidevelden, ook tegen de hellingen aan de andere zijde, zoo ver men van berg tot berg zien kan; maar ditmaal magere, natte weiden; de boerderijen lagen daarom ook ver uit elkaar; hier en daar een kaashuis, “burons” worden die hier genoemd. Na een drie kwartier loopens een mooi uitzicht op den Puy de Chambourget en den Puy de Montchal; langs een voetpad de helling op, spoedig weder hout, en dan een der lieflijkste landschappen die ik nog ooit zag: het meer Pavin (1197 M.) Dit meer is bijna cirkelrond, en heeft 750 M. middellijn; de diepte bedraagt 97 M. en de oevers loopen bijna loodrecht omlaag. Langs de oevers gaan de dicht begroeide hellingen omhoog. Aangaande het ontstaan van dit meer, en van vele andere in Auvergne, geven de geleerden verschillende verklaringen, die te ingewikkeld zijn voor den leek en ook voor hem hare waarde verliezen, omdat ze met elkaar in strijd zijn; met de wonderlijke volksoverleveringen komt men ook tot geene bevredigende uitkomst, en daarom noodig ik u uit, alle wetenschappelijk geknutsel op zijde te stellen en u te verkneuteren aan ’t heerlijke natuur tafereel. Het weêr was buiig, de waterplas, donkergroen van kleur, was gewoonlijk sterk beschaduwd, en stak statig af tegen de dartele lijnen van het veelsoortig groen langs de oevers; de zon brak door en overgoot alles met haar heerlijk licht, om in een anderen vorm nog mooier te geven. Er staat een visschershuisje, oud en schilderachtig; daarlangs een pad onder hooge boomen, om het meer heen; we volgen dat, aldoor genietende van de bevallige lijnen en keurige licht- en kleurschakeeringen, tot we komen [191] op een punt tegenover het bergpad dat ons aan het meer bracht. Daar was de oever open; eene beek voerde het water af en sprong met vervaarlijke sprongen van den eenen steen op den anderen naar beneden, om onder in het dal de beek te gaan versterken. De in het licht schitterende waterband vereenigt zich met de sierlijke oploopende lijnen van den Puy de Chambourget. ’t Is heerlijk mooi; nog eens links het pad op, en nog weêr eens rechts, en dan weêr eens onder de boomen gaan liggen; ’t is en blijft mooi.

Langs de beek ging ik, of liever klauterde ik omlaag en toog verder den straatweg op naar Condat. Het landschap werd boschrijker, de weg loopt omlaag langs eene beek. Men komt door het dorpje Eglise neuve d’Entraignies. De rivier verandert van naam en heet nu Rhue; in den omtrek zijn vele minerale bronnen; naar aanleiding daarvan zij in ’t voorbijgaan gemeld, dat zich in de omgeving van die minerale bronnen altijd eene zoutwaterflora ontwikkelt: vreemd is het dezelfde planten als aan de zeekust, hier op eene beperkte plek midden in het land te zien! De bewoners van dit Eglise Neuve hebben eene bijzondere manier om hunne dooden te eeren; zij bouwen boven de graven kapelletjes in den vorm van kleine huizen met kruisen er op; het kerkhof maakt daardoor den onwillekeurigen indruk van eene verzameling poppenhuisjes.


Oude vrouwtjes uit Auvergne.

De weg wordt al mooier en mooier; prachtig opgaand hout, vooral eiken; de rivier door toevloeiing van beken krachtiger geworden, wringt zich hier en daar door rotskloven en biedt een reeks van schitterende landschappen. Na eenigen tijd wordt het dal ruimer en ziet men “Condat en Feniers” in een breed bekken voor zich liggen. Op zichzelf biedt de plaats niets bijzonders aan, ’t is een stadje van 2600 inwoners, en het ligt in Cantal; er is veel handel in hout; maar de ligging is tooverachtig mooi, drie berggroepen loopen daar in een groot dal samen, ’t Was heerlijk weêr, stil en niet te warm; eene avondwandeling om de plaats heen gaf eene heerlijke ontspanning.

Met boos humeur trok ik er den volgenden ochtend op uit; de menschen zijn zeer ijverig te Condat, maar ze hebben er geen spoorwegen en daarom geen haast. Men kan zich in dat goede land geen goed begrip vormen van iemand die ’s morgens om 4 uur op wil staan, om dan voor zijn genoegen te gaan wandelen, en laat hem daarom ook maar kalmpjes slapen; en ik moest dien dag naar Bort (32 K.M.), zoodat het er op aankwam om den dag goed te verdeelen. Eenmaal op marsch, kwam de goede stemming spoedig terug; de omgeving was prachtig! De weg loopt bij het verlaten van Condat hoog boven de rivier, maar altijd naast haar; eerst heeft men prachtige uitzichten op het bekken van Condat, dat afwisselt bij elke kronkeling van den weg. Eindelijk wordt het dal enger en komt men onder hoog geboomte langs prachtige rotspartijen; aan de zijde der rivier ook steeds hoog opgaand hout, zoodat men over de toppen der boomen de andere zijde van het dal ziet, geheel bedekt met statige dennenbosschen, hier en daar onderbroken door grillig gevormde rotspartijen. Bij Cornilloux heeft men de eerste houtzagerijen, die altijd eene schilderachtige groep aan de rivier vormen. De rotsen stapelen zich aan weerszijden hooger en hooger op; dan slingert de weg van de rivier af tusschen woeste rotsvormingen door, om haar weder te naderen waar ze bij een bocht opnieuw een schilderachtige beek opneemt. Bij de “Pont de Soutre” nog weer houtzagerijen; eene tweede Rhue, die van Cheylade, vereenigt zich met de Rhue, die ik nu reeds, van Eglise Neuve volgde. Dit punt is wel het schoonste van den geheelen weg, en alles was zoo heerlijk mooi! Bij herhaling kruist men de rivier. Nog een prachtig punt ontmoet men bij de “Rocher des Faux monnayeurs”, een grot waarin volgens de overlevering eens eene bende valsche munters langen tijd haar bedrijf straffeloos uitoefende. Nu wordt het dal ruimer; nog een paar beken komen de Rhue versterken en men ziet het gehucht Embort door de boomen schemeren. Te Embort rustte ik wat en trof er een jongen kastelein, die verzot was op photografeeren; hij maakte aardige dingen, die hij altijd kwijt kon raken aan de fabrikanten van prentbriefkaarten. Maar, vreemd, er waren in den omtrek zijner woning zulke allermerkwaardigste vulkanische overblijfselen, en geen enkel dier punten werd door hem genomen. Hij zeide mij telkens, als ik er op terugkwam: “maar mijnheer, dat is toch leelijk, niemand wil dat koopen. Maar zie daar eens die beek, en daar dat watervalletje, en dat groepje forellenvisschers! Dat is mooi! en dat is mijn land!” Ik wilde hem vooruit betalen, als hij kiekjes wilde nemen van de plaatsen, die ik hem aanwees; maar hij liet zich met de dwaasheden van zoo’n tourist niet in.

Voorbij Embort, waar men aan alle zijden van uit het breede, vlakke dal statige berguitzichten heeft, hielden de bosschen langzamerhand op; de rivier kronkelde door sappig groene weiden; hoogerop werd alles veel schraler, er staken in de velden overal rotsbrokken omhoog, en hier en daar zag het er zelfs woest uit; vooral bij het hooger gelegen gehucht Sarrau. Het was Zondag en de kerkgangers gaven eenige gelegenheid tot een praatje. De zomer [192] was er zeer droog geweest, de oogst was tegengevallen en vooral de weiden waren treurig verbrand; de laag teelaarde op den rotsbodem was hier nog te dun en dientengevolge zeer gevoelig voor de uitersten van het weêrgetij. Daar waar ik meende dat men de tweede snede maaide,—men werkt daar ook des Zondags in het veld—bleek het de eerste te zijn; er zou van eene tweede snede wel niets komen.


* De rotsbedding der Rhue.

Toen ik Champs de Bort naderde, trok het klokgelui mijn aandacht. Dat klonk opgewekt en gaf stemming aan de omgeving. De Guide Ioanne gaf hier het Hôtel des Voyageurs aan als de plaats waar men verblijven kon. Ik wenschte er mijn twaalfuurtje te nemen en minstens tot 3 uur stil te zijn, om de grootste middaghitte te laten voorbijgaan. Daarom naar de herberg des Voyageurs, eene niet al te weidsche kroeg; ik kreeg tot bescheid dat ik tot na kerk moest wachten, en dat ik dan aan de table d’hôte mede kon eten; onderwijl gebruikte ik een glas vruchtensap en wachtte gelaten, maar niet zonder zorg, op de dingen die komen zouden. De kastelein had ook een winkel van ellegoederen en kruidenierswaren; na kerk stroomden de menschen er heen, mannen, vrouwen en kinderen allen in ’t zwart. De vrouwen eerst in den winkel, later ook in de gelagkamer, waar de heeren dadelijk plaats namen. Eerst een flesch wijn van het vat; dan brood en kaas en bier, en dan nog eens, als de vrouwen en kinderen kwamen, afgetapte wijn in oude champagne-flesschen, met harst of pik over den kurk en den hals gesloten. Onder het genot van de tweede portie wijn werd het gesprek levendiger en bereikte later, toen ik reeds aan tafel zat, eene onrustbarende hoogte. De kastelein, die voorzat aan tafel, verzekerde mij echter dat er nooit ongenoegen kwam, zoolang ze maar geen spiritualiën dronken, en die waren alleen te verkrijgen in kroegen van mindere soort.


* Gezicht op Bort, de Dordogne en de Orgues de Bort.

Dat verblijf in die gelagkamer was wel interessant maar niet amusant; te meer indruk maakte de nette eenvoudige kamer, waar een vrij talrijk gezelschap heeren en dames de komst wachtte van den laatsten gast. Het was een goed en allergezelligst maal; de gasten waren eenvoudige menschen en gaven zich geheel zooals zij waren. Drie jonge onderwijzeressen onder de hoede van eene oudere dame; de ontvanger der registratie met zijne vrouw; de griffier van het kantongerecht, nog twee ongenummerde paren; de kastelein en ik, ziedaar het gezelschap.

Het was nog drie uur ver, en ’t was broeiend heet; van schaduw was geen spraak meer. Aanvankelijk golfde de weg; op een der hooge punten een prachtig uitzicht op de bazaltruggen van Bort; vervaarlijke rotsblokken liggen langs den weg verspreid; dan het dal der Dordogne. Een heerlijk landschap: het bekken van Bort, de bazaltruggen, het orgel van Bort genoemd, en de diepe rotsbedding der Rhue, vragen om strijd de aandacht. Naar de zijde van het dal der Dordogne fraaie lijnen, afgeronde heuvels dikwijls met prachtig bosch getooid, een heerlijk golvend landschap. Aan de andere zijde van alles het tegendeel. Het was langs dien kant dat in den voorhistorischen tijd de gletschers zich bewogen; men ziet niets dan strakke lijnen, scherpe rotskanten, hoekige en loodrechtige wanden. Niet ver af, bij een wilde rotspartij een merkwaardig voorbeeld van rotsen door het ijs afgevlakt en gestriemd, de diepe gleuven zijn duidelijk zichtbaar. Wat verder naar de Rhue afdalende, eene woestenij van bergpuin, in ’t oog vallend woest en kaal. Op deze plaats hebben de natuurkrachten een ontzettenden strijd gevoerd, en het slagveld is sinds dien in denzelfden desolaten toestand gebleven. Het uitzicht op de Orgues de Bort trekt bij toeneming de aandacht, tot men, neergedaald tot aan de rivier, in het stadje aankomt. Ik sloeg mijne tent op in het hotel Amblart, waar ik eene aardige kamer kreeg, met een prettig uitzicht op de Dordogne en op het oude stadje. De avond en morgen te Bort waren allergezelligst; aan de middagtafel maakte ik aangename kennissen en besloot den dag in hun gezelschap en met eene avondwandeling door de stad en langs de Dordogne; in een café maakte ik onder anderen kennis met een fabrikant van vilten hoeden, die mij uitnoodigde den volgenden morgen zijn fabriek te komen zien. [193]


La Bastide

Bort heeft 4000 inwoners, een paar flinke fabrieken en veel handel; de uitzichten langs de rivier zijn zeer mooi, en die op de bazaltruggen, de Orgues, zijn van zeer bijzonderen aard. ’s Morgens vroeg trok ik er reeds op uit; het is, na eene korte wandeling buiten de stad, een flinke klim van ongeveer een uur, waarbij men des voormiddags alles heeft, behalve het eenige noodige: schaduw. De boomen aan den voet van de bazaltmuren zijn daarom dubbel welkom, en men heeft daar reeds fraaie uitzichten, een voorproefje van ’t geen men boven zien zal. De bazaltzuilen te Bort—en er zijn er zoo meer in Auvergne—zijn ontzagwekkend van afmeting. Men kent de stukken van bazaltzuilen, die hier van den Rijn aangevoerd worden tot het maken van sluismuren, zeeweringen en dergelijken. De kristalvorm is dezelfde; maar wanneer zoo’n zuil van den Rijn eene grootste doorsnede heeft van 40 centim. dan is het al een zwaar stuk. Hier zijn ze 8 tot 10 meter in doorsnede, die van 4 meter zijn stroohalmpjes. De lengte is gemiddeld 90 meter, en men kan zich ter nauwernood den indruk voorstellen, wanneer men dergelijke wanden ziet, die zich voor u opheffen en zich verder uitstrekken dan men zien kan. De geologie leert ons, dat die zuilen bij afkoeling gekristalliseerd worden uit een gloeiende, vloeibare massa; wat moet dat voor een gloed geweest zijn, toen zich daar kristallen vormden van die afmetingen! Hier en daar zijn er enkele zuilen ingestort en de brokken, waar men tusschen door klauteren kan, geven nog beter denkbeeld van de reuzenafmetingen. Na eene korte rust in de lommer volgde ik het voetpad naar boven en kwam op den top der kolommen (760 m.). Langs de kanten komen die koppen bloot, maar op eenige meters van den kant bestaat de bodem reeds uit goed bouwland, hier en daar afgewisseld met weiden en bosch. Van den rand der bergvlakte geniet men een der prachtigste uitzichten van midden-Frankrijk; men staat in het middenpunt van een groot halfrond, gevormd door drie berggroepen, van den Mont-Dore, van de Cezallier en van de Cantalgroep. Aan de andere zijde van Bort, waar men 350 M. boven verheven is, over de Dordogne heen en over het spiegelgladde, schitterende meer van Madic, eene opeenvolging van heuvelruggen met diepe insnijdingen, die aan den horizon afgesloten worden door de genoemde berggroepen. [194] Bosschen, heidevlakten in prachtig paarsen tooi; weidevelden en bebouwde akkers versieren de heuvelen in allergelukkigste afwisseling. Enkele witte vlekken, dorpen en stadjes, eene helle weêrkaatsing van een waterval, schijnen kunstmatig aangebracht om dien fraaien tuin nog grooter bekoorlijkheid te verleenen. Het kost den wandelaar meer dan een uur, eer hij zich van dat vergezicht kan afwenden! De terugwegen naar Bort zijn talrijk en men kan op goed geluk af elk pad kiezen; onder het afdalen is de toren van Bort een onfeilbare wegwijzer.


* Oud costuum uit Auvergne.

Na het dejeuner toog ik naar de hoedenfabriek. Ik zal u niet vermoeien met eene uitgebreide omschrijving van dit fabrikaat, dat we allen, oud en jong, op het hoofd hebben of gehad hebben. Het meerendeel van de fransche hazenhuidjes wordt te Bort verwerkt, dat wil zeggen alléén het haar; maar de millioenen konijnenvellen, die jaarlijks uit Australië naar Europa verscheept worden, komen allen in de fabrieken van vilten hoeden terecht. Is het haar eenmaal gesorteerd, dan wordt de hoed gemaakt uit water en haar, dat op een koperen vlechtwerk gespoten wordt; dat vlechtwerk is in den vorm van een suikerbrood en zoowat 75 c.M. hoog en 40 c.M. doorsnede aan het grondvlak. De eerste vorm van een hoed is dus een reuzenhoed; nu wordt hij door behandeling met heeten stoom, door pletten en vouwen en hameren inéén gewerkt en verkrijgt zoo de vereischte vastheid, terwijl hij hoe langer hoe kleiner wordt. Verder zullen we de fabrikatie maar niet volgen; er wordt nog geverfd; er wordt nog gewasschen; er worden zachte fijne vilten gemaakt; er komen dikke en minder plooibare te voorschijn; het einde van alles is een opgemaakte hoed, dien men zoo maar dragen kan. Door het bezichtigen van dat alles ben ik dan ook tot het medeweten van een groot geheim gekomen; namelijk welk model van hoeden in 1906 gedragen zal worden, zoowel door dames als door heeren. De fabrikant legde mij echter daaromtrent het zwijgen op; moeielijk te bewaren is dit niet, want waarschijnlijk hebben bij ’t lezen dezer regelen de meesten het nieuwe model reeds gezien of in gebruik. Als algemeene indruk der vilten hoedenfabrikaten, kan men zeggen dat zij volkomen in strijd is met den gewonen loop van zaken. Hoe grooter de hoed is bij zijn geboorte en hoe kleiner hij is wanneer hij in gebruik genomen wordt, hoe beter hij aan de gestelde eischen zal beantwoorden.

Het bleef dien dag broeiend heet, en ik had na de wandeling over het “orgel” geen lust om nog meer te loopen; dus per spoor naar Mauriac. Een genotvol ritje, want dat gedeelte van ’t net der Orleans-spoorwegmaatschappij is zeer bergachtig en wordt dientengevolge uiterst langzaam bereden; het is een merkwaardig staaltje van spoorwegbouw. Tal van heuvels, dikwijls door viaducten onderling verbonden, hebben de ingenieurs niet afgeschrikt; op twee punten hadden ze zelfs de lijn met slingers tegen de berghelling op moeten brengen, en zag men de sporen die men bereden had, weder naast en onder zich. Eene verbazend groote omnibus bracht mij van ’t station naar het hotel l’Ecu de France, een echt ouderwetsch plattelands-logement: eenvoudig maar in de puntjes, en eene eerwaardige waardin, met een vriendelijk praatje. Terwijl ik mij verfrischte, zuiverde eene heftige droge donderbui de lucht, en woei het stof uit de straten, zoodat ik voor donker nog eene wandeling door het stadje maken kon. Mauriac is met Salers, dat ik den volgenden dag bezoeken zoude, het merkwaardigste stadje van Auvergne; het ligt op 900 M., heeft 3500 inwoners, en bezit belangrijke overblijfselen van vroeger aanzien; gesticht werd het als klooster, omstreeks het jaar 560, door een kleindochter van Clovis, op eene plaats van oudsher door de Gallo-Romeinen bewoond; in de stad zelf en in hare omgeving werden tal van voorwerpen uit dien tijd opgedolven; van de kloosterkerk van ’t jaar 560 werden de laatste overblijfselen in 1825 opgeruimd;—het was niet alléén in Nederland dat in die dagen eene verwoestingswoede heerschte; maar in de kerk Notre-Dame des Miracles bezit de stad nog een schitterend overblijfsel van eenvoudige romaansche bouwkunde. De achthoekige toren werd in de vorige eeuw nog al eerlijk hersteld. Het beeldhouwwerk aan den hoofdingang is bijzonder merkwaardig; de gebeeldhouwde deuren van 1582 zijn prachtige voorbeelden van de houtsnijkunst dier dagen, al zijn ze wat geschonden. Inwendig trekt een doopvont de aandacht, en eene zwarte madonna is ook hier weder het brandpunt der vereering in wijden omtrek. Hier en daar trekken nog andere oude gebouwen de aandacht, en de algemeene indruk is prettig; kronkelende straatjes; huizen met terrassen, dikwijls alleraardigst begroeid of met planten versierd; een stadje waar men zich dadelijk thuis gevoelt, en dat den indruk geeft alsof de bouwmeesters van toen bedoeld hadden om, zonder overdadige versiering en zonder in het oog-vallende middelen, eens een keurig klein geheel te vormen.

Men kan van hier aangename uitstapjes maken naar de kloven der Dordogne, naar St. Projet le Desert; mijn plan echter lag nu eenmaal een anderen weg uit, en zoo liet ik die plaatsen onbezocht; andere reizigers zullen echter wèl doen, ze in hun reisplan op te nemen. Ik wandelde over Anglards-de-Salers naar Salers, eene wandeling die ik om hare groote eentonigheid niemand aanbevelen kan; men doet beter van Mauriac per spoor naar Drugeac te gaan en vandaar naar Salers te wandelen. Na, buiten Mauriac, onder den spoorweg door te zijn gegaan, komt men in eene kale, onvruchtbare glooiende vlakte; magere weiden met veel rotsblokken; geen boomen; gelukkig veel bloeiende heide; hier en daar eene kleine woning en eene verlaten kaashut. Anglards ligt aardig op eene hoogte onder boomen; toevallig trof ik er eene kerkelijke processie, een treurig streven om iets indrukwekkends te vertoonen; te veel tooi om van eenvoudige onbeholpenheid te spreken. Het beste gedeelte der bevolking woonde den optocht als toeschouwer bij en verbaasde mij, voor zoover ik het verstaan kon, door zijne scherpe opmerkingen; de vrouwen vertegenwoordigden daarbij het radicale beginsel. Trouwens de bevolking dezer streek is van oudsher bekend om haar stuggen onafhankelijkheidszin; als voorbeeld daarvan in den nieuweren [195] tijd dient, dat na den laatsten Fransch-Duitschen oorlog, 1870–71, te Bort als hoofdplaats, de republiek 24 uur eerder werd afgekondigd dan te Parijs.

Naar Salers toe wordt de omgeving vruchtbaarder, er staan meer en flinke boerderijen, men komt zelfs van tijd tot tijd iemand tegen en het landschap trekt weder de aandacht. De uitzichten op de omliggende bergen worden mooi. Salers ligt in een bekken, waar de dalen der Maronne en der Aspre tezamen komen, op eene hoogte. Vreemd is de indruk, dien het stadje—het heeft niet voluit 1000 inwoners—maakt met zijne vele poorten, zware logge wallen en de grillige omtrekken der daken, aanhoudend afgebroken door kleine torens. De bevreemding stijgt met elken stap, wanneer men, door een der poorten binnengetreden, die smalle straatjes doorloopt tusschen die oude hooge gebouwen.

Ik zocht het hotel Faure Serre; bij de kerk gekomen op de “Grande place,” een zeer beperkt pleintje, moest ik het opgeven en den weg vragen, want niets duidde aan, dat ik nog een hotel zoude vinden; een inwoner was zoo vriendelijk met mij mede te gaan, en bracht mij in een achterbuurtje voor een oud, vervallen gebouw, waar met groote vergulde letters in den voorgevel stond Faure Serre. Die gulden letters waren het eenige frissche dat ik in Salers zag, en toch was het er prachtig. Het hotel was donker en somber; uit eene herberg-gelagkamer werd ik trapop, trapaf gebracht in een groote ruime gang met booggewelven, om te komen aan een vroeger stellig prachtige wenteltrap; na eenige treden geklommen te zijn,stond ik in eens in de open lucht op een terrasje, en daar kwam de deur der voor mij bestemde kamer op uit, een ruim vertrek met mooi uitzicht op tal van tuintjes en binnenplaatsjes in Salers. Na eenige rust genomen te hebben verliet ik mijne kamer weêr, naar ik meende langs denzelfden weg, dien ik gekomen was, maar ik had op de wenteltrap een verkeerd bordes genomen, kwam weer in een lange gang en voor eene zware houten deur, die gelukkig niet op slot was. Buiten komende, stond ik in eene andere stadsbuurt, en bespeurde dat de deur waardoor ik het hôtel verliet, ook al eene merkwaardigheid was, fraai getimmerd en geheel met eenvoudig maar keurig snijwerk versierd. Op goed geluk door een steegje verder gaande, kwam ik op een ruim grasveld; dit was de Promenade de Barrouge, op den top van eene steile bazaltrots met een verrukkelijk uitzicht in de omringende dalen. Het plein was met fraaie boomen beplant en omringd door een muurtje en was aan drie zijden vrij. De jeugd van Salers vermaakte zich daar met kegelen; van de ongevraagde verklaring van hun spel kon ik bijna niets verstaan. Verder gaande stond ik bijna bij elken stap voor een ander monument van bouwkunde. Al die huizen zijn uit de 15de en 16de eeuw; Auvergne leefde toen, met bijna geheel Frankrijk op, na het eindigen van den honderdjarigen oorlog met Engeland en werd aan zichzelven teruggegeven. Die oorlog had ook de macht van adel en geestelijkheid gebroken, en de ontwakende volksgeest gaf ook hier de hand aan de hervorming; de steden en het platteland namen hunne belangen in eigen beheer; het land leefde op en bloeide, en de welvaart uitte zich spoedig in prachtige woonhuizen. De hervormingsoorlogen maakten verweer noodzakelijk, en door zijne natuurlijke ligging was Salers aangewezen tot een middenpunt van aanval en verdediging. Vandaar die gordel van oude vestingwallen, nu in bloem- en groententuinen herschapen; vandaar die versterkte poorten, zooals die van l’Horloge en der Martille, vestingen op zichzelf. Maar zoolang men nog de kracht bezat om zich tegen de booze machten van vroeger te verzetten, bleef de voorspoed bestaan en met dien voorspoed de weelde in het bouwen. Het zoogenaamde Maison Lizet, met een mooi portaal van jonger dagteekening, op de markt het Maison du Notaire, en vlak daarbij het Maison des Templiers, en nog tal van andere prachtige gebouwen zijn de bewijzen van dat korte tijdvak van bloei. De kerk is uit de 15de eeuw en dus reeds uit het tijdperk van den overgang van de romaansche tot de gothische bouworde; zij is gedeeltelijk gerestaureerd, zeer fraai, maar door de restauratie te nieuw in die omgeving. De ingang der kerk is een flink voorbeeld van wijziging van den bouwstijl. Waren de deuren der romaansche kerken aanvankelijk klein, zoodat men ze gemakkelijk openen en sluiten kon, later werden die aan de hoofdingangen grooter en door een middenstijl in tweeën verdeeld; ook liet men de portaalwanden schuins uitloopen, zoodat er voor de binnentredenden meer ruimte ontstond. De daardoor ontstaande vergroote zijvleugels werden hoe langer hoe kunstiger versierd, nu eens met kolommen in verschillenden vorm, dan eens met beelden in nissen; ook de middenstijl der deuren werd veelal een beeld.


* De kerk Notre-Dame des Miracles te Mauriac.

Ik bleef aan ’t ronddolen in dat allermerkwaardigste stadje; liep hier en daar eene poort in, om op ruime binnenplaatsen te komen, die overal de resten vertoonden van keurige bouwkundige versieringen. Treurig echter was het, den diepen staat van verval te zien, waarin al dat schoons gekomen was. Geen dier groote prachtige gebouwen werd nog in zijn geheel bewoond, en hoewel ik niet mag beweren dat er armoede heerschte, zoo was de levensstandaard zoo laag, en ’t gebrek aan orde en zindelijkheid zoo groot, dat men toch aan volslagen armoede moest denken. [196]

’s Avonds aan tafel—want te Salers komen veel reizigers—maakte ik kennis met een aangename familie, en zette na tafel het gesprek voort; tot mijne verbazing vernam ik dat er geene plaatselijke verzameling van oudheden of kunst was, en dat de overblijfselen van zulk een schitterend verleden eerst sedert een veertigtal jaren de aandacht hadden getrokken, om bijna allen hunnen weg te vinden naar Parijs, in handen der oudheid-handelaren. Geen der merkwaardige gebouwen, ook niet de oude kasteeltjes in den omtrek, waren nog in handen van de oorspronkelijke families, en inwendig was er ook niets meer te vinden. De prachtige betimmeringen waren uitgebroken en verkocht; hen volgden de schoorsteenen, de trapleuningen, de versieringen van deuren en vensters, het ijzer- en koper smeedwerk, tot er niets overbleef dan bijna onbewoonbare vertrekken, die dan bij gedeelten verhuurd werden. Men zeide, dat in vele gevallen de tegenwoordige bewoners, door ’t langdurig bewonen, eigenaars werden en dat van vroegere eigenaren dikwijls niets bekend was. Men verklaarde deze vreemde feiten altijd door het tooverwoord “La grande Revolution”. Ik werd in het levendig gesprek met de pas gemaakte kennissen verrast door de waardin, die ons tegen negen uur de brandende blakers bracht; het duurde haar te lang en we moesten maar naar bed. Maar ook wij maakten “une grande revolution” en onttrokken ons aan den druk der over ons gestelde machten; we ontsnapten met de brandende blakers in de hand naar buiten. ’t Was heerlijk maanlicht; de blakers werden uitgeblazen en op de groote markt in een der raamkozijnen van het maison du Notaire neêrgezet, en we maakten een wandeling door de reeds in diepe rust gedompelde stad. Niet licht zal ik die heerlijke avondwandeling vergeten, en vooral dat prachtige uitzicht van de Promenade de Barrouze; tegen half elf bereikte ons de arm der hoogste macht; de nachtwacht kwam opdagen, en wij begrepen dat verder verzet onmogelijk werd; we zochten onze blakers weder op, en sloopen door de zijdeur, die ik ’s middags gevonden had, het hotel weer binnen.


* De graflegging in de kerk te Salers.

Den volgenden dag stond mij eene inspannende wandeling te wachten. De tocht van Salers naar den Puy Mary, en van dezen naar Murat, staat bekend als de schoonste in Cantal, maar hij heeft het groote gebrek van 43 K.M. lang te zijn. Dat was een marsch van 11 uren! Zeer vroeg op; vroeger dan het hotelpersoneel; met aanvankelijk treurige gevolgen. Ik werd voor ’t ontbijt in eene binnenkamer gelaten maar dit vertrek—de woonkamer van het gezin—was erg bedompt en waarschijnlijk sedert de grondvesting van het gebouw niet meer bijgeveegd; het was mij ondoenlijk het ontbijt daar te voltooien, en ik was blijde, na mijne rekening betaald te hebben, weder naar buiten te kunnen.


* Een hoekje van de markt te Salers.

Er was een dikke mist; de weg loopt langs de berghelling boven het dal der Maronne; van al de prachtige vergezichten en het heerlijke landschap zag ik niets, dan van tijd tot tijd een kijkje door eene opening in den nevel, maar dat was ook voldoende om mij te doen beseffen wat ik door het slechte weer verloor. Op den Col hetzelfde; de nevel begon regen te worden. Nu kwam ik, afdalende, in prachtige bosschen; de weg kronkelde steeds voort; eenige vage omtrekken en het luiden van klokken bewezen de nabijheid van dorpen; ik was in de kloof van Falgoux. Gelukkig veroorloofde mij een flauw zonnetje ter hoogte van den Roc des Ombres en den Roc du Merle, de fraaie omtrekken dezer rotsgevaarten waar te nemen. Daar kwam ik aan den voet van den Puy Mary, bij den Pas de Peyrol. Nu zou ik, behalve een prachtig uitzicht, een der merkwaardigste punten van de reis zien; van af den Puy Mary ziet men neer in een der grootste kratervormingen van Europa. Wel te verstaan, buiten den mist en den regen gerekend, die mij het beklimmen van den top vrijwel onmogelijk maakten [197] en mij in den vollen zin des woords druipstaartend naar beneden dreven. Ik zag het beloofde land, maar mocht het niet betreden.

Bij den Col de l’Eglac was eene herberg, waar ik hoopte de schade van mijn verzuimd ontbijt in te halen; maar ’t ongeluk vervolgde mij, men had daar niet op gasten gerekend. Als de kippen ook daar niet de heilzame gewoonte hadden gehad van eieren te leggen, dan had ik mij, na 21 K.M. geloopen te hebben, met een stuk oud brood en een brokje kaas tevreden moeten stellen.


* Te Lioran.

Over steeds terugkeerende kronkelingen ging de weg over den Col de Serres; altijd door regen, maar nu onbetwistbaren stortregen; door het gehucht Lauvegirie naar het dorp Dienne. Bij goed weder moet in deze boomrijke streek het landschap mooi zijn—nu droop alles. Te Dienne—ik was toen nog 10 K.M. van Murat—moest gemiddagmaald worden, en ik zocht daartoe de best uitziende herberg uit; maar de maat der tegenspoeden was nog niet volgemeten! Stellig kon men mij een warm dejeuner geven, er kwamen veel menschen en allen waren altijd tevreden! Nu, ik heb bij ’t heengaan ook maar zoo gedaan, maar ’t was een allerwonderlijkste maaltijd; de gerechten, die men mij voordiende, kende ik noch op ’t uiterlijk noch naar den smaak.


Murat.

Eindelijk klaarde het weêr wat op en ik stapte door naar Murat; een mooie weg. Te Murat trof ik in het Hotel des Messageries een aangenaam onderkomen. De stad is tegen eene hoogte aan gebouwd, op den top waarvan vroeger een kasteel stond; in de plaats daarvan nu een reusachtig Mariabeeld, als kunst van geen waarde; de wandeling er heen loont echter zeer, omdat langs de hoogte weder zoo’n bazalt-orgel te zien is. Hoe dikwijls men die vreemde vormingen ook ziet, ze maken altijd denzelfden diepen indruk.

In de stad zelf—zij heeft 3000 inw.—heeft men de oude O.L. Vrouwekerk, uit de 15de eeuw, maar herhaaldelijk gerestaureerd en bijgebouwd, en een aantal mooie huizen in renaissance-stijl; de straten zijn meestal glooiend, en de stad maakt een aangenamen indruk. ’s Morgens vroeg trof ik er de weekmarkt. Allerlei land- en tuinbouwproducten werden er door de boeren en boerinnen te koop aangeboden, en al de dames uit de stad schenen wel tegenwoordig te zijn, om hare inkoopen te doen. Onder dat gewoel en gedrang viel me een geestelijke op, die zelf zijne inkoopen deed; hij scheen een goede bekende van de buitenlui te zijn en was volstrekt niet verlegen om een kwinkslag met gelijke munt te betalen, die opgewekte oude heer! Op de kaasmarkt was niet anders aangevoerd dan de soort, genaamd St. Nectaire en kleine platte geitenkaasjes. Zooveel van die kaas [198] was mijn reukorgaan te machtig in die half natgeregende menschenmenigte; hun beider kracht vereenigd verdreef mij uit die overigens schilderachtige omgeving.

Dien namiddag trok ik per spoor naar Vic sur Cère, eene aardig gelegen en druk bezochte badplaats; het groote hotel der Orleans-spoorwegmaatschappij is aardig tusschen de heuvels gelegen en eene eerste-klasse inrichting. Vic bestaat uit een oud en een nieuw gedeelte; in het oude vindt men weêr enkele fraaie huizen, maar de doorgaande reiziger komt te Vic om den Pas de la Serre te zien. De weg er heen is overal door bordjes aangegeven; het is een alleraardigst pad, dat u na een half uur in een weideveld brengt, om dan spoedig in de kloof te komen. Het riviertje de Cère heeft zich daar door rotsmassa’s heen een moeielijken weg gebaand. De rotsen zijn gedeeltelijk met mos bedekt en op de kammen weelderig begroeid. Het geheel is allerliefst, ’t maakt geen woesten, maar, bij het kalm stroomen van ’t riviertje door de eenmaal gevormde bedding, een indruk van bevalligheid; jammer dat men vlak bij de kloof den stroom afgedamd heeft ten behoeve van eene lichtfabriek. Men kan door de kloof heen klauteren en komt dan door een steeds aanvalliger wordend dal bij de kasteelen Tremoulet en Espinasse, beiden verrukkelijk gelegen.

Des namiddags maakte ik nog een wandeling naar de Mongudo, een klein bergvlak, vermaard om de planten-fossielen die men er vindt. Die overblijfselen der plantenwereld zijn uit een vroeger tijdperk der aardvorming; de meeste soorten zijn sinds dien terplaatse uitgestorven. Men vindt er prachtige afdruksels van beuken, van esschen en van wijngaardloof, en van verscheiden bamboes-rietsoorten; men vindt er zelfs veel afdrukken van pas ontloken knoppen, die recht geven tot de onderstelling dat de vernielende vulkanische uitbarsting in de lente plaats had; men ziet nog staande verkoolde stammen, die groeiend begraven werden; ook aardige brokken versteend hout komen voor. De wandeling terug naar Cère is weêr van zeldzame schoonheid; de lijnen der bergen loopen van alle zijden op naar het hoogste punt, den Plomb du Cantal, die den volgenden morgen beklommen zoude worden.

’t Was weer regenachtig toen ik, voor dag en dauw, de wandeling begon; ’t ging langs den straatweg naar Lioran, met verrukkelijke uitzichten op het dal der Cère; een heerlijke wandeling die eindigt in den tunnel van Lioran, een fraai bouwstuk van 1410 M. lengte, door den Puy van Lioran heen; vlak bij den uitgang is het Hôtel des Touristes, ook van de Orleans-spoorwegmaatschappij en een zeer aanbevelenswaardig verblijf.

Denzelfden dag beklom ik nog den Plomb de Cantal (1858 M.). Een keurig bergpad zonder bezwarend klimmen; aanvankelijk door fraaie dichte bosschen, met hier en daar open plaatsen, van waar men dan goede uitzichten heeft op den Puy de Griou en den Puy Mary. Tal van beekjes stroomen u te gemoet, en voortdurend hoort men onder ’t loover het kabbelend geluid van de vele kleine watervallen. Op de hooger gelegen punten, die een ruimer uitzicht geven, zijn banken geplaatst. Men komt, al wandelend en al rustend, langs dat fraaie pad onder die prachtige boomen, ongemerkt op een uitgestrekt weidevlak, waar twee groote kaashutten staan. Van hier uit heeft men een bijzonder goed uitzicht op een ruim en diep bekken, begrensd door hoogere toppen en onregelmatig rond van omtrek; ’t is een oude krater, waarover later meer. Voorbij de kaashutten, de burons van den Rambarter, gaat men verder door weiden een smal bergpad op, dat hooger en hooger eindelijk op een bergrug uitloopt, dien men al geruimen tijd als een steilen wand voor zich zag. Die rug is weder de rand van eene niet zeer uitgestrekte bergvlakte, aan ’t einde waarvan de Plomb du Cantal zich verheft. ’t Is een zonderlinge bergvorm, een plompe heuvel van bazalt, met gras bedekt. De Plomb is op één na de hoogste top van midden-Frankrijk, en wordt van al de bergen daar het meest bezocht. Er was dan ook een talrijk gezelschap en wij wedijverden met elkander in het aanwijzen van de fraaiste punten van ’t fraaie panorama. Midden op den top stond een zwaar ijzeren geraamte van een huis, met een opschrift, meldend dat het daar gebracht was door die en die transportonderneming. Stellig een moeielijk werk en eene goede reclame, maar ’t was een schreeuwende wanklank in die omgeving.

Na in den ochtend wat regen te hebben gehad, was het in den voormiddag iets helderder geworden, om in den namiddag weer aan ’t pruilen te geraken; onderweg raadde een herder mij nog aan, om maar niet door te gaan, want ’t zou boven niet helder zijn. Maar ik had het uitzicht van den Puy de Sancy gemist, den Puy Mary had ik niet eens kunnen beklimmen; ik wilde nu een laatste kans wagen. Gelukkig, want boven was het helder tot de kimmen toe! Maar op eens begon het hard te waaien, een paar tellens later te stormen, en die luchtstroom was ijskoud. Men had haast geen tijd om te bedenken wat dat worden moest; onder den wind bleef alles helder en mooi, maar in den wind was in een oogenblik alles grauw en zwart geworden; ’t volgende oogenblik waren we in een dikken nevel gehuld, en een ieder zocht een goed heenkomen. De wolk die ons bedekte was zóó dik, dat ik al spoedig mijn gezelschap kwijt was en we elkaar eerst halverweg beneden weder ontmoetten. Toen ik weer bij de burons van den Rambarter terugkwam, werd het weer helder. Dat verrukkelijke uitzicht met den Puy Mary en den Puy Griou aan de overzijde, deed mij watertanden. ’k Moest nog naar den Puy Mary, om de hellingen waarop ik nu liep, in haar geheel waar te kunnen nemen en mij eene duidelijke voorstelling van den ouden krater te kunnen vormen. In dat bekken waren ontzettende vulkanische bedrijven afgespeeld. Dat moest ik toch in zijn geheel gezien hebben, en mijn laatsten dag wilde ik aan dat zware werk besteden. Het inderdaad prachtige en zoo hoogst belangwekkende landschap, dat zich voor mijne voeten ontplooide, was er de schuld van dat ik besloot, als het den volgenden ochtend om 4 uur droog was, nog van Lioran uit den Puy Mary te beklimmen.

In het hotel teruggekeerd, moesten de kleederen gedroogd worden. Gelukkig had men in ’t hotel de uittrekkende schapen geteld, en bij ’t lieve regenweer een flink houtvuur aangelegd, om de kleederen spoedig weer draagbaar te maken. Die geen [199] tweede pak bij zich had, moest in zijn kamer verblijven tot na het drogen.

Gezelschap kon ik niet mede krijgen; niemand vertrouwde het weer nog, zoodat ik den volgenden ochtend de reis alleen aanvaardde, en met helder weer. Aanvankelijk ging het door bosschen en weiden met indrukwekkende bergpanorama’s aan alle zijden, over den Col de Rombières tot aan den voet van de Roc de Bataillouze (1686 M.), dan afdalen naar den Col de Cabre (1539 M.) waar men een merkwaardig uitzicht heeft op het bekken van Mandailles, een halfrond en een deel van den ouden krater. De bodem en de wanden bestaan uit verschillende lavasoorten, die als ’t ware eene staalkaart vormen van wat de vulkaan gedurende eene reeks van tijden uitbraakte. Dat bekken heeft eene doorsnede van 4 à 5 KM., de diepte wisselt af van 1787 tot 860 M. De omringende rotswanden zijn ongeveer 1600 M. hoog. Tal van beken spoelen van den bergwand omlaag, de grootste, de Jordanne, ontspringt op den Col de Cabre; de wanden zijn overigens afwisselend bedekt met weiden en bosschen; de plantengroei is rijk, dank zij die vele beken; de vele verspreide boerderijen getuigen van een vruchtbaren bodem. Van den Col de Cabre loopt het pad naar den top van den Peyre-Arse, een kalen top, dan langs een betrekkelijk smalle bergkam tot aan den Puy Mary. Daar was ik er, en nu met goed helder weer; zonder te aarzelen, had ik gewaagd en gewonnen!


Fontanas met de Puy de Dôme.

De Puy Mary (1787 M.) heeft eene driehoekige spits, de beken vloeien in drie richtingen af. Het uitzicht op de verschillende berggroepen was schoon, mooier dan dat van den Puy de Dôme, of dat van den Plomb du Cantal. Vlakten en bergen wisselen steeds af, en hier en daar ziet men de rechte, horizontale lijnen der bazaltruggen, waaronder de orgels van Bort duidelijk te onderkennen zijn. Aan zijne voeten heeft men echter het mooiste uitzicht, de van den berg uitstralende dalen zijn rijk in afwisseling; aan het einde van elk dal dichte dennenbosschen, waarop dan helder gekleurde weiden volgen, met woningen bezaaid.

De geologen deelen ons mede, dat de verschillende bekkens of bergkommen, waarin we van den top van den Puy Mary neêrzien, de plaatsen zijn geweest waarboven zich vroeger de reuzenvulkaan verhief. De toppen, die zich aan den rand verheffen, zijn oude bijkraters, aan de zijwanden doorgebroken, ver beneden den top. De eerste uitwerpselen van den vulkaan werden langzamerhand om den hoofdkrater opgestapeld, en vormden het reusachtig omhulsel van den kegel, een koek van ongeveer 80 KM. middellijn, waarvan de gezamenlijke Cantalbergen nu de overblijfselen zijn. De koek is ongeveer 1000 meter dik en bestaat uit eene groote verscheidenheid van lavagesteenten.

Dat alles was niet het werk van één dag; de vulkaan had langdurige tijden van rust, gedurende welke zich een weelderige plantengroei op zijne hellingen ontwikkelde. We bespraken dat reeds bij het bezoek aan de bergvlakte van Mongudo. Dergelijke overblijfselen worden op tal van plaatsen in Cantal gevonden. Daarna volgden de uitbarstingen, die als vaste rotsen op de hellingen afkoelden: het zijn de tegenwoordige Puy’s, waarvan we enkele beklommen. Eene derde reeks van uitbarstingen volgde, om weder andere rotsgevaarten te vormen, tot eindelijk de vulkanische werking zich in eene vierde reeks van uitbarstingen uitputte, en de licht vloeibare bazalt langs alle zijden af deed stroomen; deze laag bazalt bedekte niet alleen de vroegere lavagesteenten, maar ook de voor deze bestaande terreinen, zoomede de heuvelen in wijden omtrek. Daaraan hebben de vlakten in Cantal, bijv. de Planèze, haren oorsprong te danken.

Nadat de vulkanische werkingen opgehouden hadden, stortte de hoofdkrater in en was de woeste massa verder aan de invloeden van den dampkring [200] onderworpen. De vervorming ging toen langzaam maar even zeker voort. Groote sneeuwvelden bleven op de bergtoppen liggen en stortten neer langs de hellingen, alles hullende in een vervaarlijk ijskleed, dat aan geheel Cantal en Auvergne een aanzien gaf als nu bijv. in Alaska. Men vindt overal onbetwistbare sporen van een ijstijdperk; afgeronde heuvelbulten, ijsgleuven in de rotsen; opeenhoopingen van bergpuin aan weêrszijden van vroegere gletscherbanen; ontzettende zoogenaamde zwervende rotsblokken. De gletschers moesten echter ook hunne heerschappij opgeven; hun gebied werd steeds kleiner, en wilde waterstroomen ploegden de tegenwoordige dalen in de berghellingen. Nog eens behaalde het ijs de overhand en verzamelde zich nu meer in de dalen; van dit laatste gletscher-tijdperk was de mensch getuige, en het land nam langzamerhand de vormen aan, die het nu ongeveer nog heeft.


* Vic-sur-Cère.

Toen ik daar op den Puy Mary stond en in de berg- en dalvormingen om mij heen zoo duidelijk voor mij zag wat de geologen leeren, stond het bij mij vast, dat ik zou trachten eene korte beschrijving te geven van de wordingsgeschiedenis dezer streek, tevens de algemeene type van andere bergvormen, die zich vroeger en later evenzoo ontwikkelden. Zooveel mogelijk vermeed ik het gebruik van vreemde uitdrukkingen, en ik hoop dat mijn relaas den lezer van eenige nut moge zijn, al zal de geoloog er de schouders bij ophalen.

Met deze laatste wandeling van Lioran naar den Puy Mary en terug, was mijne voetreis in Auvergne afgeloopen. Langs den kortsten weg, over Arvant en Clermont-Ferrand, spoorde ik terug naar Parijs en naar Nederland.

Nog ten slotte een paar voorbeelden van de oude taal van Auvergne, in zegswijzen, die nog al eens gebruikt worden.

De taal zelf is eene vertakking der “langue d’Oc”, die tot in de 15de eeuw in alle officieele stukken gebruikt werd, en eene niet onbelangrijke litteratuur heeft; toen zij ophield de officieele taal te zijn, geraakte ze naast het fransch in vergetelheid, men hoorde er weinig meer van, tot in de 19de eeuw, toen er wat nieuw leven ontstond. Thans hebben de vrienden dier taal een eigen orgaan: “Lo Cobreto”; zij werken krachtig samen met de Félibres van Provence, en hun dichter Arsène Vermenouze schrijft verzen, die elke letterkunde eer aan zouden doen.

En nu: fransch: Rien aussi bien reparti que l’esprit et les impôts; chacun trouve qu’il en a assez.

Oud Auvergne’sch: N’ya re de si bhin parthi couma l’aima et la tailla. Tsaum troba que n’a prou.

Fransch: Une chèvre et deux femmes, il y en a assez pour tenir une foire.

Oud-Auvergne’sch: Na tsobra et dua feinnas, ni za prou pour tene na feira.

Deze zegswijzen bewijzen u tevens dat de Auvergnaten toegerust zijn, met wat men wel eens galgenhumor noemt; en de vreemdheid der taal maakt het ook duidelijk, dat pogingen om gesprekken aan te knoopen met Auvergnaten, die hun fransch vergeten hadden,—op niets uit moesten loopen.


* De Pas de la Cère.



1 De met * gemerkte illustratiën zijn ontleend aan de Gidsen Le Puy-de-Dôme en Le Cantal, Masson & Co., Paris.

2 De gegevens omtrent de bouwkunde zijn ontleend aan Professor Gugel’s geschiedenis der bouwstijlen.

Abydos

De legende van Osiris.—Geschiedenis van Abydos in den tijd der egyptische dynastieën en in den christelijken tijd.—De monumenten der stad en hun berooving.—De tegenwoordige inwoners en hunne zeden.


Het heilige meer van Osiris, ten zuidoosten van den tempel.

Allereerst wil ik een woord van dankbare herinnering wijden aan het stadje, waar ik vier jaren van mijn leven heb doorgebracht en dat mij belangrijke gegevens heeft verschaft, welker gewicht plotseling voor de oogen der minst helderzienden een tijdvak heeft onthuld, waarvan men tot nu toe weinig wist en waaromtrent nu veel onwrikbaar vaststaat. Ik ga dus van het stadje Abydos in Egypte vertellen, om de herinneringen op te halen, die mij gebleven zijn uit dat deel van mijn leven en die den lezer van dienst kunnen zijn.

Zoo er ergens ter wereld een stad is, welker overlevering en geschiedenis tot die primitieve tijden opklimmen, waarin de gedachte van den nog kinderlijken mensch haar eerste levende stapjes deed op den weg van de beschaving, dan is die stad Abydos. Ten minste vijf duizend jaren vóór onze jaartelling was de plaats reeds van voldoende beteekenis, dat er de meeste kunsten bloeiden die te zamen het leven der menschen mooier maken, en reeds hadden zij een groote en zeldzame volmaking bereikt.

Sedert dien zoo ver achter ons liggenden tijd hebben heilige bedevaarten op een bepaalden tijd van het jaar, en wel den dag van den winterzonnestand, er een massa vreemden heen gevoerd, die de hulp kwamen inroepen van den weldadigen, in het bezit van Abydos zijnden, God of hem kwamen danken voor verleende gunsten; want als alle zeer oude steden en met hetzelfde recht had Abydos zijn gansche verleden met de legende van Osiris in verband gebracht, die zoo bekend is wat de gebeurtenissen in het groot betreft, en zoo onbekend is gebleven in de bijzonderheden.

Volgens de legende regeerde, op een tijdstip dat niet nader is vast te stellen, over Egypte een geslacht, waarvan het hoofd Seb was en de moeder Noet; later zouden de Egyptenaren van Seb den aardgod en Noet de hemelgodin maken. In dien tijd lieten de plichten van het koningschap den dragers veel vrijen tijd en verhinderden hen evenmin als in onze dagen, zorg te dragen voor een voldoende nakomelingschap. Seb en Noet hadden vier kinderen, twee zoons en twee dochters, die volgens het gebruik met elkander moesten trouwen, Osiris met Isis, Set met Nephthys; maar het waren ongelukkige huwelijken, en er kwamen burgeroorlogen uit voort, die lang zouden duren en droevige moordtooneelen zouden veroorzaken.

Osiris en Set zijn inderdaad de vertegenwoordigers van twee uiteenloopende systemen van het koningschap. Osiris is de god, die door zachte middelen wil [202] beschaven, door den landbouw en door kunst en wetenschap; hij is een tegenstander van geweld, van oorlogdienende uitvindingen en strenge wetten, het tegendeel van Set, dien de Grieken Typhon noemden, om zijn boosaardige rol aan te duiden.

Osiris is Abel, Set is Kaïn en tegelijk Tubalkaïn uit Egypte, de god der krijgers, der metaalzuiveraars en van al die industrieën, die de menschen de diensten, die ze hun hebben bewezen, duur hebben laten betalen. Twee zulke verschillende naturen, twee geesten, zoo vol tegenstellingen, moesten elkander wel vijandig zijn. Eerst heerschte er vrede; maar toen Osiris, terugkeerend van zijn glorierijke overwinningen door de verspreiding van de kennis van den landbouw en der kunsten, die de menschelijke ziel tot zachtheid stemmen, gevierd en toegejuicht werd, brak de noodlottige strijd uit.

Tijdens een feest, dat aan zijn broeder en zijn zusters door hem werd aangeboden, verscheen te midden van een talrijk gezelschap vreedzame en krijgshaftige goden Set, die, zijn duistere plannen verbergend, een kist vertoonde, waar hij al zijn kunst op had aangewend. Hij stelde den verbaasden goden voor, het kunstwerk te willen vereeren aan dengene, die de kist precies zou vullen. De goden beproefden het bij beurten, maar niemand slaagde erin. Toen de beurt aan Osiris was gekomen, ging hij in de kist liggen en, wonderlijk geval, hij vulde die geheel. Reeds meende hij er heer en meester van te wezen; maar Set, de listige en wraakgierige, sloeg onmiddellijk het deksel dicht en sloot de kist. Osiris werd gestikt. Dat had zijn broeder Set voorzien en gewild, want hij kon het niet verdragen, dat Osiris de stervelingen beschermde, hun middelen aangaf, die hun leven vroolijker konden maken; hij wilde integendeel oorlog en vernieling. Hij had allerlei middelen bedacht, om tot zijn doel te geraken en de eerste plaats in te nemen in de gedachten en het leven der menschen. Zijn plan gelukte, en van dat oogenblik af heeft de mensch, al te trouw die eerste dwaasheid aanhangend, maar al te goed zijn lessen gevolgd. De kunsten des vredes zijn daarom in den steek gelaten, ten minste ondergeschikt gemaakt aan de kunsten van den oorlog; het leven is een prooi geworden van verwoestende machten, en aan alle zijden overstemt het geluid der hamers, die ketenen smeden en het ijzer bewerken dat vernietigen moet, de vreedzame klanken van het werk des landbouwers, die de aarde vrucht doet dragen en de menschheid voedt. Overal hoort men oorlogsklanken en nauwelijks durft het lied des vredes schroomvallig, klagelijk zich doen hooren.

Maar Osiris liet zijn vrouw en zuster Isis na, die hem zou wreken. Isis, die haar man geen zoon geschonken had, aan wien de wraak kon worden toevertrouwd, stelde zich ten plicht het lichaam van Osiris op te zoeken en, als zij het teruggevonden had, het te doen herleven, opdat hij zijn werk kon hervatten. Set had, nadat hij zijn mededinger overweldigd had, de kist in den Nijl geworpen onder de toejuichingen van zijn helpers, de lachende geesten. De Nijl had de kist naar zee gevoerd en de golven hadden haar teruggeworpen op het strand van Byblos, waar een boom was opgeschoten, die de kist geheel omsloot en haar in zijn stam opnam. Isis, die het lijk van haar man zocht, kwam te Byblos, werd door een gelukkig toeval eigenares van den boom en de kist, en keerde naar Egypte terug met den kostbaren last. Doch op een avond, dat Set bij maneschijn op de jacht was, ontdekte hij de kist tusschen het riet in Beneden-Egypte, maakte zich ervan meester, en om te beletten dat Isis haar weer krijgen zou, sneed hij het lijk van zijn broeder in stukken en verspreidde de deelen over de provincies van Egypte. Isis vond ze terug, begroef elk der veertien fragmenten op de plek, waar zij het ontdekte, nadat zij ze eerst aan elkaâr had gepast. Op elk gedeelte van het heilige lijk liet zij een graf oprichten, en Abydos stelde er een eer in, dat het een stuk van het goddelijk opperhoofd bezat, en wel de doos met het hoofd van Osiris.

De plek, waar het stadje was gelegen,—want Abydos was altijd een kleine plaats,—zal niet veel verschillen van die, waar tegenwoordig de arme dorpjes liggen, ontstaan op de puinhoopen der oude stad. De Nijl stroomde op vrij grooten afstand van het graf van Osiris, maar zocht dan verder al meer de nabijheid van het arabisch bergland en verwijderde zich van de Lybische bergen, zooals nu nog altijd het geval is tengevolge van den aard van het terrein.

Tusschen de rivier en de heilige stad van Osiris lag toen al een wijde vlakte, doorsneden door enkele kanalen, en vijf of zes maanden van het jaar groen en bloeiend en welriekend door de geuren, die uit bloemen opstegen. Er werden veel boonen verbouwd en linzen en andere planten, die men er nu nog kweekt. Jaarlijks kwamen er menschen en dieren in dien tijd van overvloed. De menschen bouwden er, te midden van hun voedende gewassen, ezbehs en andere primitieve gebouwen, waarin zij met de dieren samen genoten van het leven in de open lucht bij betrekkelijken overvloed, beschenen door de weldadige zonnestralen en met geen andere taak dan te genieten van de warmte, het zich voeden met de producten van den grond, het opsnuiven der geuren uit de lucht, en het aan niets anders denken dan aan spel en vreugd; dus juist te leven als het stomme dier, alleen met dit verschil, dat de fellah met de spraak begiftigd is. En dan is die taal nog zoo primitief; ze bestaat slechts uit een luttel aantal woorden, zoodat men haast geneigd zou zijn, de stilte en het zwijgen van de dieren te verkiezen, die de mooie dingen, die zij denken, althans vóór zich houden.

Dicht bij de dorpen groeien boomen en boompjes, acacia’s en tamarisken, palmen en die vruchtboomen, die de achterlijke bewoners hebben leeren kennen. Achter een gordijn van die boomen en geheel ingesloten door hun gebladerte, heeft Abydos nu zoo goed als in den ouden tijd een armoedig voorkomen met zijn huizen van ruwe steenen of van aarde, staande op heuvels van puin. Het ligt ten westen van den Nijl dicht bij ’t onvruchtbare gebergte, altijd binnen het bereik van rooversbenden, geneigd om op de onverdedigde plaats neer te strijken.

Misschien dat de gezeten bevolking der heilige plaats uit die rooverbenden is voortgekomen, die ook [203] eens de genoegens van het bezit eener vaste woonplaats wilden smaken; de nomaden gaven daarom de vermaken van roof en plundering niet op en maakten zich tot heeren van de ongelukkige fellahs, die het dal bebouwden. Set heeft opnieuw zijn broeder Osiris op deze plaats overmeesterd. Dit alles klinkt des te meer waarschijnlijk, daar in alle tijdperken der geschiedenis, van de oudste tijden tot op onze dagen, de bewoners der heilige stad weerstand hebben geboden aan de eerste regelen der moraal van de gewone maatschappijen. Zij hebben altijd slechts middelmatigen eerbied gehad voor den eigendom, hebben altijd gemeend dat andermans goed een zeer bijzondere bekoorlijkheid bezat en hebben nooit verzuimd, zich er van meester te maken, als zij het maar even konden doen.


Straat in Abydos.

Voor hen is een man eigenlijk eerst een man, als hij ook een dief is; diefstal is de toetssteen van eerbiedwaardigheid, en hij alleen is braaf mensch, die proeven van bekwaamheid heeft afgelegd door in eigen handen te doen overgaan wat in die van zijn buurman zich bevond. Dus kan men licht begrijpen, dat de godin Isis dacht, dat zij in den geest van Osiris handelde, als zij dien wilden eenige begrippen bijbracht, thuis behoorend in beschaafde maatschappijen. Wie niet gelooft, dat de groote godenmoeder Isis zulk een gedachte heeft gehad, moet dan maar denken aan de scheppers der legende, aan de priesters, die zich den zegen van het bijgeloof der menschen ten nutte maakten, door datzelfde bijgeloof te doen strekken tot den algemeenen vooruitgang der maatschappij.

Abydos was dus nooit een groote stad, de resten van de oude plaats, die nog ten deele door de moderne dorpen worden ingenomen, toonen dat voldoende aan. De stad strekte zich in de lengte van het Noorden naar het Zuiden uit langs de zandige strook naast het gebergte, die dat laatste volgt in zijn bochten en krommingen, over een afstand van één of anderhalven kilometer, ter breedte van niet meer dan 300 of 400 M. Er was deze bijzonderheid, dat de stad der dooden en die der levenden één waren. De kleine huizen, opgetrokken van ruwe steenen of van aarde, drongen zich tegen elkander aan, als om in elkanders schaduw te staan en de warmte te ontvlieden.

Enkele weinige tuinen met hun naar den hemel strevende palmen en de andere in het land te huis behoorende boomen waren het eigendom van de gelukkigen, die in de gunst waren van den regeerenden vorst. In de stad Abydos, juist als in alle egyptische steden, kende men een adel met klinkende namen, zonneschermdragers, die rechts van den koning gingen, groote profeten van de verschillende hoogvereerde goden uit de stad en uit de hoofdstad der provincie, namelijk uit Thinis, hoofden ook van alle werken, die de Pharao’s ondernamen, koninklijke goudsmeden, graveurs en beeldhouwers, die groote verdiensten heetten te hebben; maar al die titels hielden geen gelijken tred met de rijkdommen der personen, en de menschen uit Abydos leefden zoo goed zij konden, hoofdzakelijk van roof. Ofschoon verwoesting en plundering van bijna alle monumenten, door de egyptische kunst gebouwd en versierd, ten allen tijde een endemische ziekte zijn geweest en overal voorkwamen, kan geen andere plaats er zich op beroemen, Abydos in dat opzicht te zijn vóór geweest.

De doodenstad is daar, om het te bewijzen; de plunderaars hebben er in alle tijden weggehaald, wat vorige geslachten er met de grootste zorg hadden verborgen, en de fout kwam voor, zoo wel boven als beneden aan de maatschappelijke ladder. Hooge officieren van den koning, priesters van Osiris, waren er niet voor teruggedeinsd, de dooden ten eigen bate te berooven, en menig graf heeft twee- of driemaal voor verschillende familiën gediend, of wel, als men de fijnheid van geweten tot waarlijk buitengewone hoogte wilde opvoeren, nam men de steenen, keerde ze om en graveerde op de vrijgelaten zijde de titels, waar de nakomelingschap prijs op kon stellen. Indien in ’t vagevuur vóór den heiligen rechterstoel van Osiris de twee-en-veertig assessoren van den god en de god zelf onverbiddelijk zijn gebleven voor diegenen, die de misdaad van gravenschennis hadden begaan, zullen zeer weinig inwoners van de heilige stad genade hebben gevonden voor den Heer van het heelal, of zij moeten een middel hebben geweten, om den Onomkoopbare om te koopen, wat niet verbazingwekkend zijn zou in het Nijldal.

De groote godsdienstige gebouwen, die te Abydos [204] de vroomheid der beroemde Pharao’s had opgericht, zooals de tempel van Osiris, die van Seti I, van Ramses II, om slechts de bekendste te noemen, waren zelf niet veilig voor de roofzucht, die als een ziekte rondging, en, wat eerst verrassend schijnen zal, maar wat toch niet behoeft te verbazen, zij, die de eersten waren om ’t verkeerde voorbeeld te geven, waren de opvolgers der Pharao’s-oprichters. De tempel van Seti I bijvoorbeeld werd voor een deel geplunderd door Ramses II, den eigen zoon van Seti, en daar hij het werk niet volledig genoeg had volbracht, deden zijn opvolger en anderen, zooals hij gedaan had, zoodat de tempel, die nooit geheel voltooid werd, platen vertoont van drie of vier koningen, die zich de een na den ander de eer toeëigenen, hem onvoltooid te hebben gelaten.


De priesterkoning, Seti I hulde bewijzend.

In de jaren, die volgden toen de plechtigheden van den eeredienst nog slechts voor een gedeelte werden uitgevoerd, oordeelden de priesters het goed, zoo dicht mogelijk bij de plaats, waar zij hun werk uitoefenden, zich te vestigen en in den heiligen tempel te gaan wonen. Het was ook op zulk een heilige plek, dat de dweepzieke monniken, die het egyptisch christendom beleden, hen vonden, toen zij het vorstelijke, gewijde gebouw vernielden, en drie-en-twintig priesters onder het puin begraven werden. Het kan dus niet verwonderen, dat de lagere volksklasse, het voorbeeld volgend van de geestelijken, er haar leemen hutten bouwde en de heilige plaatsen op alle mogelijke manieren ontwijdde, zoodat deze ten slotte nog voor een deel gespaard zijn gebleven door de vuilheid en de onverschilligheid der bewoners.

Toen dan ook Mariette in 1859 de ontgraving begon van de gebouwen van Abydos, moest hij eerst de bewoners uitdrijven, die er sinds onheuglijke tijden woonden, en hij heeft nog niet eens alles gedaan, wat er te doen was, want de eerste groote zaal van den tempel van Seti I ligt onder een puinheuvel, waar nog steeds de woningen op staan, die men er gebouwd heeft.

Abydos nam zonder eenigen twijfel deel aan het eerste ontluiken van het Egyptische rijk in den historischen tijd; maar vóór dien van wel zestig eeuwen vóór onze jaartelling dagteekenenden tijd, was de plaats reeds bevolkt, zooals ik heb gezegd, en ook reeds eenigszins gevorderd op den weg van de beschaving. Daar kan men niet langer aan twijfelen, na wat ik er heb voor den dag gebracht en na wat anderen er later hebben gewerkt.

Zoo men van die alleroudste tijden zeer weinig weet, een tijd nog vijftien à twintig eeuwen den vroeger genoemden voorafgaand, toch weet men reeds veel over de vreedzame of oorlogszuchtige gewoonten van de menschen, die in Abydos leefden. Aan de kunst werd er met merkwaardig succes gedaan; de industrie maakte er prachtige vorderingen. De voorwerpen, die de opgravingen hebben aan het licht gebracht, pleiten daar sterk voor en toonen aan, dat men reeds in dien zeer vroegen tijd het hieroglyphenschrift had uitgevonden. Dezelfde onzekerheid bestaat ook thans nog omtrent de gebeurtenissen, die men historisch noemt onder de eerste dynastieën; men weet intusschen, dat de dienst van Osiris er reeds gevestigd was en er werd uitgeoefend, dat men een groote rechthoekige vesting had moeten maken, die nog bestaat en die men tegenwoordig de Schoenet-eg-Zibib noemt.

Toch moet men tot de 6de dynastie opklimmen, om in de historie van Abydos namen te vinden, die tot ons gekomen zijn en die een waardige plaats hebben ingenomen in wat men de geschiedenis der menschheid noemt. Dank zij den talrijken zuilen, die Mariette bij zijn opgravingen vond, kennen wij enkele gebeurtenissen uit de geschiedenis van Abydos, en enkele hooge ambten, toevertrouwd aan leden der bevolking van het stadje. De talrijke egyptische bureaucratie had er zich als overal elders ontwikkeld, en men vereenigde er ook reeds burgerlijke en geestelijke ambten, alsof de brave geloovigen van dien tijd reeds hadden overwogen, dat God te dienen wel iets is, maar dat den Pharao zijn diensten te bewijzen, hem, het beeld van den onzichtbaren god, echten afstammeling van den in het niet der tijden teruggezonken heer, nog veel beter was, want de een kon niets geven, en de andere daarentegen gaf zeer veel, daar de tempels, ofschoon ze rijk begiftigd werden en met tijdelijke goederen werden gezegend, van den Pharao afhankelijk waren. [205]

Onder de 6de dynastie wist een der inwoners van Abydos, Oena genaamd, iemand, die op een der laagste sporten stond van de ladder der eere, zich op te werken tot den hoogsten post, die ooit aan een eenvoudig sterveling was toevertrouwd. Onder de sprekendste feiten van zijn bestuur noemt die gelukkige sterveling, die eerste minister werd, de omstandigheid, dat een der Pepi’s van de zesde dynastie het bevel gaf, een leger bijeen te brengen, waarover hij bevel zou voeren, om de volksstammen te gaan bestrijden, die reeds vaste woonplaatsen hadden, die steden bezaten, velden, waar de oogst rijpte, en tuinen met wijngaarden en olijfboomen. Oena, aan de spits van zijn leger, drong binnen in het land der Heroesjaïtoe, de “meesters van het zand”, verwoestte het, vernielde de steden en het menschenwerk, velde vijgenboomen en wijndruiven, verbrandde wat hij niet op andere manier vernietigen kon, lichtte mannen, vrouwen en kinderen op, “wat zijn meester nog meer genoegen deed dan al het andere”, en in den zegezang, dien hij op zijn grafzuil liet graveeren, werd al het ongeluk, dat hij had gebracht over den weerspannigen en onwilligen volksstam, zooveel geluk voor hemzelven, wat hij uitdrukt in deze woorden: “Dit leger ging in vrede heen”, terwijl het verwoestte en doodde en in slavernij wegvoerde alles, wat door het zwaard was ontzien.


De god Thot, den heerscher Seti I zuiverend.

Als belooning voor zooveel geluk en succes werd de roemrijke Oena benoemd tot gouverneur van Boven-Egypte en genoot de groote eer, van voor den Pharao te mogen verschijnen met sandalen aan zijn voeten. Hij had zijn tijd en zijn kracht vrijwillig gegeven, had zijn leven bij honderden gelegenheden in de waagschaal gesteld en achtte zich voldoende beloond! Als de menschen uit onze dagen niet anders dan die eer tot belooning kregen, zouden zij zich stellig niet zooveel moeite geven als de oude Oena.

Na die overmaat van eer voor een bewoner van Abydos daalt er nog eens stilte neer op de geschiedenis van de stad van Osiris, en men moet tot de 12de dynastie gaan onder het middelste egyptische keizerrijk, om de stad Abydos weer in bloeienden staat aan te treffen. Te dien tijde had het gezins -en familiegevoel een groote ontwikkeling gekregen; een behoefte aan rechtvaardigheid en gelijkheid scheen zich van alle weldenkenden te hebben meester gemaakt.

Inderdaad begonnen de bewoners van Abydos toen, evenals nog heden ten dage het geval is, groote clans te vormen, door het hoofd der familie met vaste hand en met liefde bestierd, maar zóó, dat die liefde niet de grenzen overschreed van eigen woonplaats, en tegenover de andere familiën van de maatschappij was zulk een hoofd bezield met de gevoelens, die Robert Macaire in zijn land had voor de menschen uit zijn tijd.

Onder de regeering van de 12de en 13de dynastie had Abydos veel rijkdommen en een hoogen rang verkregen. Dat viel terstond in het oog, want veertig jaren later kon men in de doodenstad de mastaba’s zien met kleine, witte pyramiden erboven als tenten van het leger van den dood, waar deze domicilie had gekozen in de buurt der stad van Osiris.

Men moet dan voortschrijden tot de 19de dynastie, om Abydos weer tot een periode van bloei te zien komen. Het is niet uit te maken, of de stad vóór Seti I geen tempels en andere groote monumenten bezat; er waren er zeker wel. De tempel van Osiris, heer van Abydos, bestond reeds bij den heuvel zooals tegenwoordig, onder den naam Kom-es-soeltan, dat is “de heuvel van den Sultan”, waaruit ik meen te moeten begrijpen: den heuvel van den heer van Abydos, Osiris. Maar die tempels waren zeker niet van natuursteenen gebouwd, want steenen, die voor architectorale gebouwen gebruikt kunnen worden, zijn schaarsch in het bergland van Abydos. Men heeft daar niet anders dan losse zandsteen, die zich niet goed voor versiering leent, en om andere materialen van grooten afstand te laten komen, moest [206] men nog iets meer dan welwillendheid voor Abydos gevoelen.

Wel natuurlijk dus, dat alle bouwwerken, die men te Abydos tot den eersten of tweeden keizertijd moet rekenen, van gebakken steenen zijn. Seti I liet voor het allereerst een tempel oprichten geheel van zandsteen of van kalkgesteente. Het gebouw, dat verrees ter eere van de goden en de vorsten, die hem waren voorafgegaan op den dubbelen troon van het dubbele Egypte, is niet alleen een wonder van bouwkunst en inrichting, maar ook van echte kunst van allerlei aard.

De Pharao had er alle schatten van Egypte aan ten koste gelegd, kunstschatten en materiëele schatten. Niet enkel verblindde het goud het oog, zooals het in overvloed was aangebracht in de gouden zaal, waarvan de muren, de zuilen, de zoldering elkander den matten glans van het kostbare metaal toezonden, doch bovendien straalde het geheele gebouw in kunstglans door de schoone basreliefs, die alle muren bedekten en die tot de schoonste voorbeelden der decoratieve kunst in Egypte behooren.

Het is niet waarschijnlijk, dat de inwoners van Abydos ooit hebben begrepen, hoe groot de eer was, door den Pharao Seti I hun stad bewezen door den bouw van dien tempel op hun gebied; maar wat zij wel duidelijk inzagen, was het voordeel, dat zij zouden hebben van de pelgrims, door het wonder naar hun stad gelokt, en van de prachtige feesten, die binnen het rijke gebouw zouden worden gehouden.

Toen de leidende gedachte, die bij den bouw van den tempel had voorgezeten, verloren was gegaan met den dood van Seti I, was het gebouw nog niet voltooid. Ramses II was, zooals ik reeds gezegd heb, de eerste, die aan het werk van zijn vader roof pleegde, die het zonder schaamte bedierf, zooveel hij kon, door het onvoltooid te laten in die gedeelten, die men niet bij den eersten aanblik bemerkte, en waar alleen de hooge personnages van hof en geestelijkheid binnentraden, meestal dezelfde personen.

De tempel van Seti I is niet de eenige uit Abydos; Ramses II moest er wel uiting geven aan zijn bouwmanie. Hij heeft er inderdaad een tempel doen verrijzen, die zijn naam draagt, en die ondanks de historische tooneelen, op de muren aangebracht, een duidelijk getuigenis aflegt van de minderwaardigheid der kunstenaars, aan wie de versiering werd opgedragen.

Hij beperkte zijn eerzucht niet tot een bleeke navolging van het vaderlijk paleis, hij liet ten zuiden van den Kom-es-Soeltan een tweeden tempel bouwen ten westen van den tempel van Osiris; maar hij had de onvoorzichtigheid, die beide gebouwen van kalksteen te laten optrekken, en nu is er bijna niets meer van overgebleven, daar de kalkbranderijen er bruikbaar materiaal in vonden voor hun industrie.

Buitendien bouwde hij te Abydos een kleine kapel dichtbij het westelijke gebergte, middenin de doodenstad. Daarvan is nu niets meer over dan het gebroken voetstuk van een kolossaal beeld van Nekhao. Abydos is dus uit het oogpunt van monumenten in ’t geheel niet te vergelijken met enkele andere steden, zooals Thebe bij voorbeeld, omdat Memphis is verwoest; wat dit betreft, kan men de stad niet op één lijn stellen met de beide hoofdsteden van het oude Egypte; maar van het standpunt der decoratieve kunst, der intieme kunst, die tot het hart meer spreekt dan tot het verstand, is Abydos zonder weêrga in geheel Egypte, en alle reizigers, die den tempel van Seti I hebben bezocht, zijn onder de bekoring gekomen en hebben van daar de levendigste herinnering aan hun reis in Egypte medegenomen.

Doch wat het meest bewonderenswaardig was in Abydos, was zijn reusachtige doodenstad, necropool van meer dan twee mijlen lengte bij een gemiddelde breedte van ongeveer een kilometer. Daar zijn, het eene na het andere, alle geslachten ter ruste gegaan, die sinds het ontstaan der stad in Abydos hebben geleefd. Mariette heeft er negentien jaren aaneen opgravingen gedaan; hij hield ermee op, omdat het werk hem tegenstond, juist op een plek, waar het bijzonder interessant werd; maar de doodenstad had hem bij de vijftienhonderd gedenkzuilen opgeleverd, die op hun manier de geschiedenis van de stad bevatten. En toch, hetgeen Mariette vond in de negentien jaar, door zijn opgravingen ingenomen, gevoegd bij hetgeen men onlangs heeft gevonden, is slechts een zeer klein, ongelukkig gedeelte van de rijkdommen, die er begraven waren. De inboorlingen zijn, van den ouden keizertijd af tot op onze dagen, de grootste vernielers der monumenten geweest; er is geen enkel graf in deze doodenstad, dat niet geschonden is, zoo het niet twee keer aan roof heeft blootgestaan.

Maar het is recht en billijk, naast die eerste oorzaak van verwoesting, die terstond moet opvallen, een tweede te stellen, namelijk de dweepzucht der christenen, die even ruw en dom en bijgeloovig te werk gingen, en vooral van die christenen, die reikhalzend naar een leven, dat volmaakter moest zijn dan dat van andere stervelingen, schitterende daden wilden doen, waardoor ze op eenmaal zouden uitmunten boven hun gewone medemenschen. Wat de christelijke monniken al kwaads hebben gedaan in Egypte en vooral te Abydos, is eenvoudig onberekenbaar, en ik wil nu nog alleen spreken van den roof, gepleegd aan de grootsche bouwwerken, door het genie van ’t oude Egypte nagelaten aan de bewonderende nakomelingschap. Hun domme woede keerde zich vooral tegen de groote beelden der groote goden, alsof die kunstwerken den nieuwen god, in wien zij geloofden, op zijn troon zouden hebben kunnen doen beven.

Tot de zesde eeuw van onze jaartelling was Abydos zoo goed als bevrijd gebleven van den ijver der christenen, ofschoon de monumenten niet voltooid waren en niemand acht sloeg op hun verval en ofschoon de inboorlingen, die behoefte hadden aan goud en zilver, en de geslachten, die elkander rijkdommen betwistten, vernield hadden wat zij konden. Toch werd er in de tempels, vooral in dien van Seti I nog dienst gehouden, en een deel der pracht was in stand gebleven. Vreemdelingen kwamen van heinde en ver de wonderen zien, en ten bewijze van hun bewondering namen ze de toevlucht tot kleineering [207] van wat zij bewonderden, door te schrijven op de muren, op de voorstellingen der godentafereelen, zelfs in de geheimste kapellen. Daar prijkten dan hun aanmatigende, onbeduidende namen als schitterende blijken van hun dwaasheid. Ondanks die parasietische vereering, die altijd toenam, was de tempel van Seti I nog zetel van den pharaonischen eeredienst, dat is van den dienst, dien heel Egypte voor zijn grootste koningen hield en die hier vooral den vader van Ramses II betrof; de plechtigheden legden nog op veel personeel beslag, toen tegen de eerste jaren van de zesde eeuw een monnik, die zijn klooster ten noordwesten van de stad gebouwd had en die Mozes heette, met één slag èn den tempel èn den eeredienst, dien men den ouden koningen van Egypte wijdde, wilde vernietigen, zoowel als den invloed, dien de aan den tempel verbonden geestelijkheid nog bezat. Het was een grootsche strijd, en de dweepzieke monnik wist de zege te behalen. Op een dag van bloed en tranen ging de schijnheilige Mozes bidden, riep den toorn van zijn god in over den tempel en de priesters van den tempel, en even daarna schudde een aardbeving het huis tot in zijn diepste diepten, en alles stortte in, waarbij drie-en-twintig gewone en zes hooge offerpriesters omkwamen.


Oostelijke muur van de Ramseszaal in den tempel van Seti I.

Als men dat zoo vertelt, lijkt het een wonder; maar de werkelijkheid is anders geweest. De monniken, geleid door hun opperhoofd Mozes, kwamen uit het Noordwesten; zij openden een bres, wat betrekkelijk gemakkelijk was, en, gewapend met zware ijzeren staven, beproefden zij, in grooten getale opgekomen en gerecruteerd uit alle aanhangers der nieuwe leer, die zich in de stad bevonden, een aanval. Op de stevige steenen van het gebouw vermocht de brand niet veel, maar de schilderingen op de muren werden een gemakkelijke prooi van het vuur, en al wat zij verder konden vernielen, bezweek onder de slagen.

Toch stieten zij op weerstand, en hoewel de tegenstanders een gruwelijken dood stierven, ook de dweepzieke bende had veel verliezen te lijden. Als men nog maar kon denken, dat het vernielingswerk plaats had in een oogenblik van toorn en opgewekte volkswoede! Maar de vernielingsarbeid duurde een heelen tijd, de woede was al lang bekoeld, toen nog de dweepzucht bleef gelden.

Te midden van de oude pracht, die zooveel herinneringen wekt, doorleefde ik een viertal winters. Het moderne leven der bewoners van Abydos was niet zoo begeerlijk voor mij, dat het mij weg kon lokken van de oude ruïnen. Elken dag en ieder oogenblik werd mijn aandacht getrokken door tooneelen uit de oudheid, die hun stempel hebben gedrukt op de tegenwoordige geslachten.

De dorpen, die thans verrijzen op de plek der oude stad van Osiris, zijn altijd in twee kampen verdeeld, dat der heftigen en dat der vreedzamen. Set heeft zelfs nog meer aanhangers dan de goede god, Osiris. De heftigen zijn goed georganiseerd onder leiders, die even slim zijn als geveinsd. Er bevond zich tijdens mijn verblijf in Abydos een bende boosdoeners, die werkte onder eene bij allen bekende leiding. Zij verwoestten het land tien mijlen in den omtrek, en de plaatselijke autoriteit onderhandelde met die menschen, blij, dat ze er met weinig kosten af was en daarbij nog haar deel ontvangend van den buit, door nachtelijke expedities opgebracht.

Als de leden van de bende van iemand in den omtrek hoorden spreken, die door slimmen handel en groote spaarzaamheid eenig geld had gewonnen en het zoo goed mogelijk had verborgen, en hun spionnen waren daarvan spoedig op de hoogte, dan begaven zich zestig of tachtig man, met goede geweren gewapend, naar de plek, sloten de huizen in, verwekten schrik en angst in de nabuurschap, traden overal binnen, zonder verlof te vragen en maakten zich van de begeerde schatten meester, alsof dat de eenvoudigste en billijkste zaak ter wereld was. Tijdens mijn derde verblijf plunderde die schrikwekkende bende een huis in een dorp, ten noorden van Abydos gelegen, en dreigde den oudsten zoon van het gezin, hem in stukken te snijden, als hij niet aanwees, waar zijn vader zijn geld bewaarde. De zoon hechtte meer aan zijn leven dan aan het geld, zooals te begrijpen is; hij wees den boosdoeners wat zij zochten, en de schurken trokken af met hun buit.

Zij gingen toen hun plunderingen zuidelijker vervolgen, en toen daar de man, op wiens geld zij het voorzien hadden, erin slaagde te ontvluchten, doodden [208] zij hem den volgenden dag. Deze beide voorvallen hadden plaats in een tijdsbestek van veertien dagen. De plaatselijke autoriteit, ik bedoel den provincialen gouverneur, werd opgeschrikt door deze voorvallen en schreef een enquête uit, terwijl hij een bezoek ter plaatse bracht. De justitie kwam in beweging; er werd geschreven aan het hoofd der politie van het district, die op zijn beurt den magistraat van Abydos interpelleerde; en deze waardige man had niets haastigers te doen, dan de misdadigers te waarschuwen, dat zij al, wat tegen hen kon pleiten, moesten opruimen. Den volgenden dag kwam de politie, en de dieven en moordenaars hadden de volledigste ontkenningen klaar en de duidelijkste muzelmansche onschuld, in hun vuistje lachend om het gek figuur, dat de ambtenaren der regeering maakten.


Perspectief van de tweede zaal in den tempel van Seti I.

Naast deze aanhangers van Set staan dan de aanhangers van Osiris, waar de eersten altijd mee lachen, nu zoowel als vroeger. Die vreedzame luidjes leverden het hoofdcontingent der werklieden bij de door mij geleide werken; maar ook zij zijn aangestoken door de leer van Osiris’ tegenstander, zij hebben slechts matigen eerbied voor eens anders eigendom. Zij betoonden mij grooten eerbied, dankbaar dat ik hun iets liet verdienen, en soms noodigden ze mij uit, om enkele voorstellingen bij te wonen, gelijk aan die, welke op de graven waren afgebeeld, zoodat ik mij kon voorstellen, dat de godin Isis, de groote toovenares, nog altijd zooveel macht had als haar in ’t verleden werd toegeschreven.

Wanneer ik des avonds thuis kwam, en hun dagtaak was volbracht, vergezelden ze mij al zingend, en als ik mijn verbeelding den vrijen loop liet, kon ik mij een zegevierenden intocht voorstellen in mijn goede stad Abydos. Indien bij het werk dien dag een goede vondst was gedaan van een of ander forsch steenen monument, brachten ze dat in mijn huis en trokken het met zestig of honderd man op een slede aan een touw voort, hun schreden afpassend naar de maat eener oude melodie, tevreden en gelukkig in hun armoedig bestaan. Bij het werk zag ik de opzichters nog dezelfde slagen toedienen met dezelfde zweepen, als er op de oude basreliefs te zien waren.

De zwarte aarde van Egypte heeft maar één gebrek: dat zij haar eigen bewoners zoo slecht voedt; maar overigens is dat land een aardsch paradijs. De natuur schenkt er, wat men maar wenschen kan. Zij biedt de allerschoonste tooneelen aan, en als des avonds de zon achter de bergen was verdwenen, was de stille rust van den schoonen nacht heerlijke balsem voor de ziel. Men zou hier eeuwig hebben willen leven.

De Aarde en haar Volken, Jaargang 1906 - Full Text (Een kijkje op de Tentoonstelling te Milaan

No comments:

Post a Comment