Monday, March 5, 2012

De Aarde en haar Volken, Jaargang 1906 - Full Text (Uit Marokko)

Uit Marokko

Naar het Duitsch van Dr. Siegfried Genthe.1


De schapenmarkt te Tanger.

Er bestaat nergens een onmiddellijker overgang tusschen twee volkomen verschillende werelden dan bij de straat van Gibraltar. Nergens elders op aarde staan twee gebieden van zoo scherpe tegenstellingen tegenover elkaâr en zijn dan toch zoo nauw vereenigd, als hier, waar Afrika’s noordwestpunt door een zeeëngte van niet meer dan een paar mijlen breedte gescheiden wordt van het spaansche vasteland, ’t welk immers stellig europeesch van aard is trots het bekende woord, dat Afrika ten zuiden van de Pyreneeën begint.

Op de smalste plek tusschen Punta Maroqui bij Tarifa op den spaanschen en kaap Eires op den marokkaanschen kant bedraagt de breedte van het scheidend watervlak, dat, geologisch gesproken, een nog jonge doorbraak van den Atlantischen Oceaan is, minder dan 14 K.M. En toch beteekent dit smalle water, minder breed dan de Elbe bij Cuxhafen, een scheiding grooter, dan duizenden van zeemijlen bewerken, moeilijker te overbruggen dan de diepste, breedste wateren.

Wel gaan tegenwoordig dag aan dag de kuststoombooten tusschen de spaansche en marokkaansche havens heen en weer, wel zorgt ook de onderzeesche kabel voor de aansluiting bij de buitenwereld, maar men zou van deze verbinding kunnen zeggen, dat zij uiterst oppervlakkig is en ’t innerlijke wezen in ’t geheel niet raakt. Toch heeft Spanje sterk den invloed van Afrika ondervonden en men speurt dien in de bevolking, de taal, de bouwkunst, en de kleeding der bewoners, een bewijs hoe krachtig de werking is geweest der moorsch-arabische heerschappij in Andaluzië en Granada.

Maar die afrikaansche herinneringen, die Spanje voor den toerist zoo iets bekoorlijks en buiten-europeesch geven, zijn volkomen eenzijdig gebleven. Aan den overkant der straat is van spaansche of andere europeesche invloeden niets te bespeuren, zoodra men de weinige havensteden, die voor den buitenlandschen handel zijn opengesteld, heeft verlaten en in het binnenland komt.

Het is inderdaad merkwaardig, met hoeveel taaiheid de Islam in Marokko erin geslaagd is, zich te verzetten tegen de onvermijdelijk schijnende aanraking met de christelijke buitenwereld aan de Middellandsche Zee. Het is alsof de vurige en aanvallende geloofskracht, die Mohammeds leer juist op deze plek in haar stoutmoedig binnendringen op europeeschen bodem heeft getoond, zich later heeft omgezet in nog vasthoudender kracht van weerstand. [250]

Maar in onze dagen van triomfen voor het wereldverkeer bestaat er ten slotte geen hinderpaal, die niet eindelijk wijkt voor de aandringende beschaving der blanke volken. Het vele duizenden van jaren oude China, tot op den jongsten tijd ’t bewonderenswaardigst bolwerk van trotsche welgelukte afzondering, zijn geheimzinnige buurlanden Thibet en Korea, ook zij moeten stap voor stap toegeven, wijken voor den aandrang van ons ras.

En zooals het nog voor weinig tientallen van jaren donkere werelddeel nu bijna geheel verdeeld is tusschen de staten, die het meest voor de openstelling hebben gedaan, zoo zal ook Marokko’s laatste uurtje slaan, en in een niet te verre toekomst zal op de plaats van het vreemdenhatend, achterlijke rijk van den Sjerif een land liggen als andere koloniën, waar naar de grondstellingen der verlichte staatskunst de geheele wereld uitgenoodigd wordt ter exploitatie van de natuurlijke krachten en rijke schatten van den grond.

Dat echter Marokko, om zoo te zeggen op den drempel van Europa en onder onze oogen, tot heden niet enkel een politiek zelfstandig, maar ook een voor de buitenwereld zoo goed als gesloten land gebleven is, behoort tot de merkwaardigste feiten der geschiedenis, tot die verbluffende dingen, die men aanneemt als iets vanzelfsprekends, ofschoon ze dat volstrekt niet zijn. Want hoe was het mogelijk, dat midden in onzen beschavingskring een land aan de Middellandsche Zee, dat reeds in den grijzen voortijd bij zijn buren bekend was en vaak genoeg een niet onbeduidende rol in hun onderlinge betrekkingen gespeeld heeft, alleen van alle andere als onaangetast de stormen heeft getrotseerd van oorlog en verovering, wisseling van heerschappij en eeuwigen burgeroorlog? Hoe kan een land, dat Phoeniciërs, Grieken, Romeinen, Vandalen, Gothen, Arabieren, Spanjaarden en Portugeezen na elkander in den loop der eeuwen bezet en bewoond hebben, nu nog oprijzen in den tijd, dien wij beleven, als een levend gebleven stuk oudheid? Hoe verklaart men het, dat aan dit merkwaardig, ingedommeld sprookjesland, waar de tijd schijnt stil te staan, tot in het midden van de 19de eeuw door groote mogendheden schatting is betaald, als moest men door deemoedige geschenken zich de gunst verzekeren van een gevreesden geweldige.

Waaraan ligt het, dat de trotsche Europeaan, die overal elders in de wereld als heerscher of als zelfbewust gelijkberechtigde optreedt, zich in Marokko in de rol van den verachten, slechts gedulden christenhond schikt? Dat zelfs de ambtelijke vertegenwoordigers van onze regeeringen, tegen alle gewoonten van hun stand in, zich ermee tevreden stellen, ver van de hoofdstad of zelfs van alle persoonlijk verkeer met den vorst en zijn regeering, rustig aan de kust te wonen?

Deze vragen, die iemand door het hoofd gaan, als men voor het eerst van de spaansche naar de marokkaansche kust overvaart, voldoende te beantwoorden, zou meer tijd vorderen, dan men voor mijmeringen bij den korten overtocht heeft en bovendien heel wat studie van Marokko’s geschiedenis vereischen, zonder tot een bevredigende uitkomst te leiden.

Doch één ding schijnt mij toch duidelijk bij een vluchtig kijkje op Marokko’s historie, namelijk, dat het niet de Islam alleen geweest kan zijn, die het land in zijn afzondering houdt en dit land, ’t welk naar zijn aardrijkskundige ligging midden in het drukste wereldgewoel moest staan, als een zonderling alleen doet blijven, een eigen plaats innemend in onzen nivelleerenden, alles gelijkmakenden tijd.

Wel heeft juist van Marokko uit de Islam zijn grootste kracht ontwikkeld en van het van hier uit onderworpen Spanje drongen de mohammedaansche strijders voor het geloof tot in het hart van Frankrijk door; het waren de uit Marokko gekomen legerscharen van den Profeet, die Karel Martel bij Tours en Poitiers tot zegen van Europa heeft teruggeslagen. Maar toch; belangrijker dan de kracht van het geloof met zijn dweepzucht en zijn persoonsvereering was voor het land zijn krachtige bevolking, geen arabische of moorsche, geen negers of afstammelingen van negers als in andere landen van Noord-Afrika, maar Berbers, dat geheimzinnige volk, welks lichte huidkleur met soms volkomen germaansch lijkende blauwe oogen en blonde haren, den ethnologen zooveel moeite geven. Berbers, in wie men nu eens de nakomelingen der verdwenen tien stammen van Israël, dan weer die der Vandalen en Gothen van Noord-Afrika heeft willen zien; in wie sommige de oude Libyers en Carthagers meenen te herkennen, terwijl anderen in hen die naamlooze volken hervinden, die op de oude egyptische monumenten blondharig en slank onder de schattingbetalende figuren op de wandschilderingen zijn afgebeeld. Alle volken, waar de ethnologen wat verlegen mee zitten, Kelten, Iberiërs, Basken, Carthagers, de Guanchen van de Kanarische eilanden en Etruskers, zijn als voorvaderen der Berbers aangewezen.

Maar ’t zij ze nu van indogermaanschen, semietischen of afrikaanschen oorsprong mogen wezen, zij waren en zijn het volk, dat meer dan eenig ander in de geschiedenis de vrijheidsliefde en den trots vertegenwoordigt, die men zoo dikwijls bij bergvolken vindt. Overal, waar de Islam op zulke stammen stiet, zijn er eeuwen lang bloedige oorlogen gevoerd, maar ten slotte ontstonden er vaste burchten des geloofs, rechtgeloovige plaatsen, die tot de gevreesde schuilplaatsen van roofzuchtige dwepers werden. Zoo in den Kaukasus en in Koerdistan, en in de hooge dalen van den Indus en in Afghanistan.

En zulk een land is Marokko eveneens. De Berbers zijn er van veel meer beteekenis voor geworden dan ooit Phoeniciërs en Romeinen, Arabieren of Spanjaarden. Zij zijn gebleven, wat ze waren, een ruw, krijgshaftig bergvolk, dat zijn onafhankelijkheid hooger stelt dan alle andere goederen der wereld, een onbeschaafd volk van jagers en herders, dat den opgedrongen, onbegrepen van het Oosten komenden nieuwen godsdienst voor zich pasklaar maakte naar zijn oude vooroudersvereering en nu eraan vasthoudt als aan een nationaal bezit.

De Berbers zijn de eigenlijke Marokkanen, degenen, die de geschiedenis van het land hebben gemaakt, die thans (1903 en 1904, toen Dr. Genthe in Marokko was, vert.) in den opstand van Boe Hamara evenzeer de hoofdrol spelen, als zij later, bij de komst der europeesche indringers, den nieuwen heerschers de [251] grootste moeilijkheden zullen in den weg leggen. Aan de Berbers is het te danken, dat wij nu nog vóór onze deur hebben, zoo antiek, zoo barbaarsch en zoo schilderachtig, als men er enkel een in de ontoegankelijkste deelen der wereld zou verwachten, een land, dat den reiziger een paar uren, nadat hij Europa heeft verlaten, onmiddellijk in een bekoorlijke, verwarrend vreemde wereld brengt.

Wie dien indruk sterk wil krijgen, moet zijn reis naar Marokko niet doen met een der gemakkelijke stoombooten, die van verschillende europeesche havens uit naar de marokkaansche kustplaatsen varen. In Hamburg alleen zijn drie maatschappijen, die een geregeld verkeer met Marokko onderhouden, en zoo is het ook in Londen en Liverpool. Van daar uit duurt de reis tot Tanger, de dichtstbij zijnde marokkaansche haven, een week en langer. En ook de sneller en voornamer booten, dan die van Woermann en Oost-Afrikalijn en dergelijke, als bij voorbeeld die van de groote oostaziatische en australische lijnen, Noordduitsche Lloyd, Hamburg-Amerikalijn, Orient-lijn, Peninsular and Oriental, Messageries Maritimes, die in een paar dagen naar Gibraltar varen, geven iemand door de zeereis veel meer het idee van een grooteren tocht, van een overgang in nieuwe toestanden, dan wanneer men met de Zuidexpres over Parijs naar Madrid rijdt en van daar langs den kortsten weg Cadix en Gibraltar bereikt en zich met een der spaansche of engelsche stoombooten laat overzetten. Dan beleeft men inderdaad een groote verandering zonder geleidelijken overgang. Hoewel toch de zuidspaansche steden met hun witte huizen en platte daken, hun agaven en opuntia’s en enkele palmen reeds een weinig afrikaansch lijken, men krijgt toch den indruk van met een tooverroede te zijn aangeraakt, als men plotseling, nog in ’t gezicht der spaansche kust, aan den overkant de verblindend witte huizenblokken ziet en de middeleeuwsche tinnen van de vesting Tanger voor het oog ziet verrijzen.

Die stad mag zich beroemen, al heel weinig vereuropeescht te zijn. Meer dan de helft van de kustlengte der zuidelijke binnenzee van Europa behoort bij mohammedaansche landen, die met hun vreemde levensvormen veel bekoorlijks hebben en dit afrikaansche Oosten zeer geliefd maken; maar het levendig verkeer tusschen de omliggende landen, waardoor de Middellandsche Zee het drukst bevaren wordt van alle zeeën, heeft natuurlijk het binnendringen van europeeschen invloed en europeesche uiterlijkheden ten gevolge gehad. In de turksche en egyptische havens treedt het europeesch karakter in huizenbouw en kleeding der bewoners reeds op den voorgrond, en niet veel beter staat het daarmee in algerijnsche kustplaatsen en zelfs in die van Tunis en Tripoli.

Daarbij vergeleken, is Tanger werkelijk nog zoo echt, alsof het pas voor weinig jaren ontdekt was en niet een der oudste nederzettingen in dat deel der Middellandsche Zee, waar wij geloofwaardige berichten uit bezitten. Voor de in Marokko wonende vreemdelingen beteekent Tanger het toppunt der beschaving, de zeer gezochte, het dichtst bij Europa gelegen plaats, waar men alles vindt, wat men als twintigste-eeuwer in het leven behoeft.

Hôtels met vreemde-talensprekende kellners, couranten van alle beschaafde landen, kerken en kapellen van drieërlei belijdenis, tennisvelden, gezantschappen en consulaten van meer dan een dozijn staten, post- en telegraafkantoren, banken, een eindeloos aantal koffiehuizen, winkels van allerlei aard, ja zelfs telefonen en electrische straatverlichting.

Dat is werkelijk verrassend veel voor een marokkaansche stad, en zelfs al vindt men in de winkels nooit, wat men precies noodig heeft, en al weigert de electrische verlichting altijd dan en daar, waar zij het meest noodig is, toch zal men erkennen, dat een veel belovend begin aanwezig is.

Als men pas aankomt en onder de in zuidelijke landen zoo opdringende pakjesdragers en roeiers en gidsen en tolken en bedienden zich een weg gebaand heeft, kan men niet zoo gemakkelijk aan al die gemakken gelooven, die volgens de mededeelingen der hôtelbedienden er te kust en te keur te vinden zijn. Heel anders dan men in een opkomende wereldstad zou verwachten, hebben de landing en het douane-onderzoek plaats. De schreeuwende pakjesdragers, die van de bekende stoïcijnsche kalmte van het morgenland geen flauw besef schijnen te hebben, ontrukken iemand alles, wat hij bij zich heeft en snellen ermee de hoogte in naar de stad.

Dadelijk bij den ingang, aan de Bab el Marssa, de lage, dikmurige havenpoort, wordt even halt gehouden. Hier zetelt de douane van den sultan. Onder koele gewelven zitten met de grootste waardigheid met onder zich gevouwen beenen in ruime, luchtige kleederen een paar mummelende grijsaards, die zich in scherpe tegenstelling tot de rumoerige pakjesdragers niet in het minst uit de plooi laten brengen door de aankomst der talrijke, met ons gelijktijdig van de stoomboot komende reizigers, wier bagage moet worden onderzocht. Wellicht wordt hun kalmte eerder een beetje verstoord, als groote vrachten en ladingen goederen de douane moeten passeeren, omdat zij er volgens de handelsverdragen tien percent der waarde van mogen heffen. Want dat is de belangrijkste, en vooral de regelmatigste bron van inkomsten van het land, die, evenals in China, van alle overigens zoo barbaarsch en willekeurig ingerichte takken van bedrijf nog het meest den heilzamen, europeeschen invloed heeft ondergaan.

Toen Spanje bij den vrede van Tetoean, na met moeite een einde te hebben gemaakt aan zijn zoo dwaselijk ondernomen oorlog, den sultan van Marokko een oorlogsschatting van 100 millioen peseta’s, dat is naar den tegenwoordig koers (1904) van ongeveer 42 millioen gulden, oplegde, verzekerde het zich van die buitensporig hooge som, door beslag te leggen op de zeetollen. Tegelijk werd er een gemengd spaansch-engelsch bestuur ingesteld, dat door zijn eerlijkheid de wakkere moorsche tollenaren verbaasde en inderdaad in de jaren van 1860 tot 1863 de opbrengst van ongeveer zeven tot meer dan dertig millioen ’s jaars verhoogde. Eerst in 1887 verliet de laatste spaansche ambtenaar het land, dat sedert dien tijd weer naar ’s lands wijs havengelden en tollen heft. Den meestbiedende wordt het ambt van oppertollenaar afgestaan, en hij moet dan maar zien, hoe hij aan zijn geld komt. Intusschen schijnt het, of hij zoowel als de sultan er niet slecht bij varen, [252] daar, vooral bij de zeer ingewikkelde berekening der uitvoerrechten, speelruimte te over is gegeven, waar de oostersche financiëele beambten zoozeer behoefte aan hebben. Bij den voortdurend meer vooruitgaanden handel van het land zijn de vooruitzichten bij dezen tak van bestuur werkelijk rooskleurig.


De groote Moskee van Tanger.

Dit bewustzijn heeft denkelijk de tolbeambten zoo aangenaam onverschillig gemaakt voor onze bagage. Niets kan in beschaafde landen iemand zulk een hekel aan het reizen geven, als de kleinzielige, peuterige, zoogenaamd nauwkeurige manier, waarop koffers worden dooreengewoeld aan de grenskantoren. Daar zijn bij voorbeeld de amerikaansche ambtenaren in New York heele bazen in. Aan de welwillende nonchalance, wanneer “de heer der tienden”, zooals hij in Tanger heet, zich van zijn taak kweet, mogen overijverige tolbeambten uit andere landen gerust een voorbeeld nemen. Een vluchtige blik op de lange rij van koffers, een paar woorden met den vertegenwoordiger van ’t hôtel, waarheen ik gaan wilde, een wenk voor de sjouwers om alles weer op te nemen, daarin bestond de visiteering. Natuurlijk beweerde mijn gids, een bruikbare, spaansch-moorsche jood uit Tanger, die Arabisch, Spaansch, Engelsch, Fransch en soms zelfs een weinig Duitsch sprak, dat hij door groote fooien mij dat zoo gemakkelijk had gemaakt en dat hij bevriend was met den douanedirecteur; maar ik bemerkte, dat ook de andere nieuwaangekomenen, Duitschers, Engelschen, Amerikanen, Franschen en Spanjaarden, die met mij van Cadix overgestoken waren, even snel en gemakkelijk door de gevreesde poort trokken en zich bij de lange karavaan van dragers konden aansluiten, die nu naar boven klommen naar de stad.

Zooals de meeste der noordwestafrikaansche havens aan de kust der Middellandsche Zee ligt Tanger op een kleine, hooge rotskaap, den hoeksteen van een mooie baai. Dat is niet alleen een hoogst schilderachtige, maar uit militair oogpunt ook een zeer gunstige ligging. En als er een goede ankerplaats bij komt, zooals hier in Tanger, dat voor de beste haven van geheel Marokko doorgaat, dan kan men reeds alleen uit deze geographische gegevens de plaats een groote toekomst voorspellen.


Straat in Tanger.

Wel valt er aan de haven niet veel te prijzen. De bocht is naar het Noordwesten open en levert tegen de van den Oceaan komende, noordelijke winden geen beschutting. Daarbij zijn voorloopig de aanlegplaatsen voor het laden en lossen nog zeer onvoldoende, daar er behalve de smalle, houten pier niets is, wat het havenverkeer vergemakkelijkt. In de zeventiende eeuw was dat een tijdlang anders. Zooals men weet, verwierf Karel II van Engeland bij zijn huwelijk met de portugeesche prinses Catharina van Braganza, een dochter van koning Johan VI, behalve een behoorlijken bruidsschat in rood goud de toen portugeesche koloniën Bombay en Tanger. In Engeland begroetten de ver vooruitziende kooplieden [253] en leidende politici het bezit van zulke havens met groote blijdschap. De koning zelf verklaarde in het Parlement, dat Tanger een juweel van onschatbare waarde in de kroon was, en zijne ministers waren van oordeel, dat de nieuwe bezitting tegen alle andere engelsche koloniën opwoog. IJverig begon men het toen nog zeer kleine plaatsje uit te breiden. De inheemsche bevolking was nog zeer gering; maar de overplaatsing van een geheel regiment naar de van de Portugeezen overgenomen vesting deed er weldra honderden Engelschen, Joden, Spanjaarden en Italianen heen stroomen. Reuzensommen werden besteed aan vestingwerken; kerken, scholen, weeshuizen werden gesticht, in het kort, alles werd op groote schaal aangelegd, als voor een plaats die onbetwistbaar een groote toekomst te gemoet gaat.


De vestingwerken van Tanger.

Het duurste werk werd een prachtige havendam, die 400 M. ver in zee werd uitgebouwd. Op de aanzienlijke breedte van ongeveer 25 M. stonden huizen en sierlijke paviljoens en bijna duizend stukken geschut waren langs de geheele lengte aan beide zijden geplaatst, bediend door een compagnie kanonniers en bijna onafgebroken een kanonnade bulderend ter begroeting van binnenkomende en uitgaande of voorbijvarende schepen.

Helaas, beantwoordde aan dat schitterend begin de verdere ontwikkeling der kolonie in ’t geheel niet. In die eerste dagen van overzeesche kolonisatie scheen men in Engeland het nog niet gansch en al verdwenen idee te hebben, dat voor den dienst in de koloniën de slechtste elementen goed genoeg waren. Zoo kwamen er bedenkelijke figuren naar Tanger; ook de ambtenaren, tot den stadhouder toe, waren niet beter dan de tuchtelooze bende der slechtbetaalde soldaten van de bezetting, en ten slotte waren de toestanden zóó geworden, dat men in het Huis der Gemeenten alle verdere uitgaven voor de dure kolonie afstemde.


De vestingwerken van Tanger.

Tanger werd aan de Mooren teruggegeven, nadat meer dan twintig millioen pond sterling nutteloos was uitgegeven. Ten overvloede werden ook nog alle gebouwen, vestingwerken, kerken, wallen en schansen vernield en ook de mooie pier liet men springen. Met dit kinderachtige verwoestingswerk eindigde in 1684 na twee-en-twintig jaar van wanbestuur de engelsche heerschappij aan de kust van Marokko.

Het dertig jaren later na den Spaanschen Erfopvolgingsoorlog verkregen Gibraltar was en is slechts een geringe vergoeding. De kale rots heeft geen natuurlijk achterland; voor meer dan negen millioen guldens per jaar moeten waren uit het moederland worden ingevoerd, terwijl soldaten zoowel als burgers, de rots-schorpioenen, zooals men hen daar noemt, voor hun behoefte aan versch vleesch en groenten geheel op het er tegenover gelegen Tanger aangewezen zijn. [254]

Buiten een paar ruïnen van den grooten steenen havendam vindt men in de stad bijna geen sporen van de engelsche heerschappij. Evenmin van die der Portugeezen, die bijna twee eeuwen lang vóór de Engelschen er geheerscht hebben en onder meer niet minder dan zeventien kerken en kapellen hebben opgericht. Ook zij verwoestten bij hun aftocht gewetensvol de vruchten van hun werkzaamheid, en dezelfde geest van kleinzieligen naijver schijnt zich telkens vertoond te hebben, als de ongelukkige stad van eigenaar moest veranderen. En dat geschiedde ontelbare malen.

Na de dagen der Engelschen kwamen met afwisselend geluk Arabieren, Spanjaarden en Portugeezen elkander den buit betwisten, eenvoudig een vervolg dus van de veelvuldige oorlogen, waarvan de noordmarokkaansche kust sinds het begin der historische tijden het tooneel is geweest. Vanaf den tijd der mythen, toen de verhalen over de zuilen van Hercules en de tuinen der Hesperiden ontstonden, tot in onze twintigste eeuw zijn Marokko, en vooral zijn middellandsche kust, niet tot rust gekomen. De vermoede en ook waarschijnlijke rijkdom van den grond aan delfstoffen en de buitengewoon gunstige ligging hebben dit land, dat een aardsch paradijs kon zijn, tot slagveld gemaakt, waarop naijverige en op elkaar gebeten groote en kleine naties elkander te lijf gingen. Maar het moet al heel erg worden, als een volk en een land geheel ten onder zullen gaan.

Al is ook van de glansrijke dagen der Romeinen, buiten eenige resten van tempels en een paar verstrooide marmeren zuilen en pilaren van bruggen, niets overgebleven, dan de nog in den volksmond overgebleven naam van den Roemi voor den vreemdeling; al hebben Gothen en Vandalen, Spanjaarden, Portugeezen en Engelschen slechts zeer weinig sporen van hun heerschappij in het land achtergelaten, land en volk zelf leven nog en zijn nog onafgebroken, zijn gezond en tot ontwikkeling bereid en kunnen nog een groote toekomst bereiken, zoodra zij van de als een last op hen drukkende sultansmacht bevrijd zijn, waarbij barbaarsche bloedzuigers en bekrompen priesters de gezonde ontwikkeling tegenhouden.

Als een zinnebeeld van deze lange, afwisselende geschiedenis ligt Tanger aan den ingang tot het land; in plaats van een vrije, bloeiende handelsstad, zooals de natuurlijke poort naar een rijk land moest wezen, een klein, vuil nest, dat geen sporen van groote dagen vertoont en op ’t armzalig kleed van zijn mohammedaansch-marokkaansche armoede maar al te zichtbaar een paar fel afstekende lappen heeft van vreemde, nieuwe kleur.

De indruk van nieuwheid, dien Tanger van de zeezijde maakt, raakt terstond verloren, als men in de straten en steegjes der stad een weinig heeft rondgekeken. Ze zijn krom en bochtig, steil en in ’t geheel niet geplaveid. Men zoekt tevergeefs naar iets, wat aan het werk van bouwpolitie herinnert, en wie nog vijf uren te voren zich verheugde over de netheid en welverzorgdheid van de straten in Cadix, krijgt hier levendig het bewustzijn, van in een barbaarsch land te zijn. In de hoofdstraten echter, of liever de hoofdstraat, want er is eigenlijk maar één, staat het eene europeesche huis naast het andere, winkels, apotheken, bierhuizen, alle met uithangborden en spaansche, fransche of engelsche aanprijzingen, en tusschen die maar door enkele meters van de smalle, bochtige straat gescheiden huizen beweegt zich rumoerig en brutaal een dichte menigte, die ontnuchterend op den vreemdeling werkt.

Wel zal men geen minnut erover in twijfel zijn, dat de eigenlijke bevolking uit Mooren, Berbers en Negers bestaat in hun verschillende graden van raszuiverheid en vermenging; maar de europeesche figuren middenin dit afrikaansche gespuis zijn toch zeer talrijk. Naast den burnoes en de djellaba, de kaftan en den haïk van de inboorlingen, ontmoet men onafgebroken ook europeesche broeken en minder talrijk jassen en vesten. Niet altijd zijn het echte Europeanen, die deze nuchtere voorboden der beschaving dragen. Al zijn er onder de 35,000 inwoners, waarop men Tanger’s bevolking thans schat, zeker een paar duizend Spanjaarden en dan minder trotsche hidalgo’s dan wel arme slokkers van de laagste afkomst en het donkerste verleden vaak, toch kan men zich licht vergissen en een veel grooter aantal Europeanen vermoeden, omdat de talrijke marokkaansche Joden in Tanger reeds voor ’t meerendeel de europeesche kleeding hebben aangenomen.

Storender werken echter in de oostersche stad de ontelbare echte Europeanen, de reizigers, die als sprinkhanenzwermen op de stad neervallen en gedurende een verblijf van enkele uren zich overgeven aan de aangename griezeling van te vertoeven in het onbekendste land der wereld te midden van de vreemdelingenhatende, bloeddorstige, dweepzieke Mooren, terwijl buiten op de reede, zoo dichtbij en binnen het bereik van hun oogen de stoomboot ligt, waar ze ieder oogenblik heen kunnen vluchten, als plotseling de groote moordpartij eens ging beginnen.

Daar er meer dan twintig stoombootlijnen zijn, die geregeld Tanger of Gibraltar aandoen, zal men zich kunnen voorstellen, welke scharen van pleizierreizigers, die op grootere reizen door de straat van Gibraltar gaan, of alleen aan de Middellandsche Zee en Spanje een bezoek brengen, de gemakkelijke gelegenheid aangrijpen, om een vluchtig kijkje in Tanger te nemen en aldus een echte, marokkaansche stad te zien. Vooral ’s voorjaars en in het begin van den zomer, als de afrikaansche warmte nog niet lastig is geworden, zijn dag op dag de weinige hôtels van de stad overvol door steeds wisselende nieuwaangekomenen, onder wie natuurlijk, als in alle drukbereisde streken, Engelschen en Amerikanen in de meerderheid zijn. Maar ook Duitschers en Franschen zijn talrijk, en geen dag gaat voorbij, of men hoort vertellen van het gewone uitstapje naar Kaap Spartel en de vluchtige bezichtiging der stad op een ezels- of een muildierrug.

Het middelpunt van Tanger is de kleine markt, soek el daahl, zooals de inboorlingen, Soco chico, zooals de Joden en de vreemdelingen zeggen. Het is eigenlijk slechts een onbeduidende verwijding van de hoofdstraat, een pleintje, waar echter de meeste winkels, koffiehuizen en kantoren zijn. Ook zijn er het grootste hôtel, dan een bureau van het Comptoir d’Escompte national, de eenige in Marokko vertegenwoordigde [255] buitenlandsche bank en het duitsche, fransche, engelsche en spaansche consulaat.

Alle nieuwtjes kan men op dit pleintje hooren, waar de babbelende en zwetsende menigte bijeenkomt en waar het tot laat in den avond druk is. Ook de gegoede klasse komt er bijeen in lokalen, die in beschaafde steden juist goed genoeg voor een koetsiersherberg zouden zijn; een fatsoenlijk clublokaal heeft Tanger niet, ook al doordat de kleine wereld van gezanten, consuls, tolken en geneesheeren zich afzondert en er nog weinig gezelligheid onder de andere buitenlanders heerscht.

Van Tanger naar Fez te reizen is niet zoo eenvoudig, als het lijkt bij het bezien der kaart. Men heeft slechts te doen met den geringen afstand van ongeveer 200 K.M., en de gesteldheid van den grond schijnt geen bijzondere bezwaren in den weg te leggen. Intusschen is de reis al ontelbare malen door Europeanen gedaan, niet alleen door de gezanten der vreemde regeeringen, die immers elke paar jaren den heerscher in een zijner hoofdsteden hun opwachting komen maken, doch ook door een groot aantal pleizierreizigers, die de platgetreden paden van andere landen moe zijn geworden en ook eens lust hebben in een avontuurlijke reis met veel ongerief en de prikkelende mogelijkheid van gevaarlijke avonturen. Zelfs dames hebben in de laatste jaren den weg wel afgelegd; vrouwen van diplomaten en moedige alleenreizende dames. Maar altijd moet in deze streken, die nog niet in het teeken des verkeers staan, met tenten en lastdieren en gewapende gidsen en tolken worden opgetrokken en al den omslag van uitrustingsvoorwerpen en voedingsmiddelen, die daarbij passen.

Tijdens mijn bezoek gaven de tijdsomstandigheden bijzondere zorg. Voor zoo ver men wist, werd de Sultan in zijn heerschappij bedreigd door een pretendent, die zich reeds een grooten aanhang had verworven, en men stond vóór de groote vraag, of het hem gelukken zou, den plotseling opgestanen tegenstander een beslissende neerlaag toe te brengen, eer de opstand verder om zich greep en ten slotte den troon van het regeerende geslacht zou doen wankelen of doen vallen, zooals reeds herhaaldelijk in de historie van het ongelukkige land gebeurd was, waar elke wisseling van heerscher verbonden is met bloedige oorlogen, met moord en verraad, opstand en burgeroorlog.

Dezen keer scheen niet alleen in het land zelf onder de helderziende vreemdelingen, door een langdurig verblijf vertrouwd geworden met de kunst, om achter den bedriegelijken schijn, de waarheid te ontdekken, maar ook bij de op de hoogte zijnde inboorlingen vast te staan, dat zulk een schok als de opstand van Boe Hamara het aan onrust en strijd zoo gewende land nog sinds menschenheugenis niet had getroffen.

Meestal heeft men bij den zoo goed als onafgebroken oorlogstoestand in Marokko te doen met pogingen van den sultan, om zijn gezag over de onwillige Berberstammen te handhaven, die het tot hun nationalen plicht schijnen te rekenen, het betalen van schatting te weigeren, tot ze er door wapengeweld toe worden gedwongen.

Met Boe Hamara nu was het niet de gewone weigering van enkele stammen, ook niet de aanspraak van een bloedverwant op den troon, maar het scheen een soort van nationale beweging te zijn met veel godsdienstige elementen erbij en in hoofdzaak gericht tegen den toenemenden invloed der vreemdelingen. Trots zijn afgeslotenheid heeft het land toch de tijden zien veranderen, en vooral in de jongste tientallen van jaren is er veel gewijzigd en zijn er nieuwigheden ingevoerd, die vroeger ondenkbaar zouden zijn geweest.

Enkel op zichzelf aangewezen en van de overige wereld afgesloten is Marokko nooit geweest; maar het is uit alle wisselingen in den loop der geschiedenis toch altijd als zelfstandig land te voorschijn gekomen, of als kern van een zeer groot machtsgebied. En kerkelijk is het in de oogen van de geheele mohammedaansche wereld altijd iets bijzonder heiligs en vereerenswaardigs geweest, sinds die nakomeling van den Profeet, Edris, in het land kwam en het eenige mohammedaansche heerschersgeslacht stichtte, dat op werkelijke familiebanden met den stichter van den godsdienst zich beroemen kan. Zooals de Islam, die zich in andere landen merkwaardig plooibaar getoond heeft, in Marokko streng zich heeft gehandhaafd in de rechtzinnigste vormen, zoo schijnen de Mooren als bewakers van de uiterste westgrens der mohammedaansche heerschappij het voor hun plicht te hebben gehouden, tegen de buitenwereld meesterachtig en afwerend op te treden. En dat is hun tot in den jongsten tijd gelukt.

Bij de onrust, die in het land heerschte ten gevolge van den opstand onder Boe Hamara scheen het gewaagd, de reis naar Fez te ondernemen; maar ik liet mij daardoor niet weerhouden. De eerste moeilijkheid was gelegen in ’t verkrijgen van een goed rijpaard en van een betrouwbaren bediende of tolk. Aan goede paarden is natuurlijk in een zoo beslist ruitersland als Marokko geen gebrek, en in een door toeristen overstroomde havenstad allerminst. Maar juist daarin was de moeilijkheid gelegen. Met het oog op die pleizierreizigers, die in de voorjaarsmaanden en in het begin van den zomer in Tanger opduiken, willen de paardenkooplui hun dieren niet verkoopen. Het is voor hen veel voordeeliger, dag op dag de paarden aan de hôtels en hun klanten te verhuren. Dan wordt bijna altijd het korte uitstapje naar kaap Spartel gemaakt of naar de schilderachtig gelegen en slechts een dagreis verwijderde stad Tetoean. Op die wijze brengt hun ieder paard dagelijks 5 à 10 peseta’s en meer binnen, terwijl de verkoop hun hoogstens 100 à 300 opbrengt.

Eindelijk na veel probeerens was een rijpaard gevonden, dat een goed reispaard scheen te zullen zijn en dan ook duur betaald moest worden, en eveneens met moeite werd een Moor gehuurd, die als karavaanleider dienen en met zijn bescheiden kennis van het Spaansch en van de kookkunst ook eenigszins de diensten van een tolk en kok kon bewijzen. In ’t minst geen last had ik echter met de muildierdrijvers. Bij die alleen scheen op de markt het aanbod de vraag te overtreffen, en zij waren allen zonder bezwaren bereid, de reis naar Fez te ondernemen. Dat leek mij een gunstig teeken. Zulke menschen, die hun gansche leven op den grooten weg en in de karavanserai’s doorbrengen, hebben op de [256] politieke toestanden, voor zoo ver die de veiligheid raken, een uitstekenden blik.

Zoo trok ik dan op een mooien dag onder het geleide van de beste wenschen van de vrienden, die ik onder mijn landgenooten in Tanger had gemaakt, de stad uit. Ik zou vroeg ’s morgens vertrekken; maar eer alles goed gepakt was, de lasten behoorlijk over de muildieren verdeeld waren en elke kant van hun sterke ruggen gelijkmatig was belast, werd het middag en namiddag. Een drom van bedelaars dringt zich dan erbij om fooien voor het wenschen van een goede reis, ’t geen ook niet weinig ophoudt.

Het was een verlichting, toen de karavaan zich eindelijk in beweging zette. Het was maar een bescheiden karavaan, aan welker spits ik reed. Eenige Engelschen en een Duitscher, dien ik in ’t hôtel had leeren kennen, hadden mij herhaaldelijk gevraagd, met hen te zamen de reis te maken. Maar met vreemden, wier reisgewoonten en neigingen men niet juist kent, zoo nauw verbonden te leven, als karavaan en tent noodzakelijk maken, is een leelijk ding voor iemand, die graag onafhankelijk blijft en over richting, wijze en duur der reis zelfstandig wil beslissen. Dus had ik hun voorstel afgewezen en was de eenige Europeaan en daardoor mijn eigen baas.


De Soek in Tanger.

Dat was van te meer beteekenis voor mij, omdat ik, naar men mij in Tanger had verteld, er dagelijks op voorbereid moest zijn, door rooverbenden te worden aangevallen. Om in zoo’n geval toch iets aan mijn mislukte reis te kunnen hebben, had ik mij voorgenomen, niet den gewonen karavaanweg te volgen, die zonder eenige plaats van beteekenis aan te doen, rechtuit naar de hoofdstad voert, maar langs kleine omwegen mijn route zóó te kiezen, dat ik vóór mijn aankomst in Fez vier of vijf belangrijke plaatsen van dit noordwestelijk deel van Marokko zou hebben leeren kennen. Natuurlijk kreeg ik door bemiddeling van ons gezantschap den soldaatgeleider mee, die elken vreemdeling vergezelt en in naam van den sultan eerbied en bescherming voor hem vraagt.

Mijn mokhasni, zooals zijn naam is, welke naam beteekent bewaarder van de schatkamer, liet zich trotsch kaïd Mohammed noemen, want zonder hoogdravende titels gaat het hier niet, en de muildierdrijvers haastten zich dan ook, hem altijd als “kaïd” aan te spreken of liever als Aïd, zooals men hier met negeering van den keelklank altijd doet. De waardige heer maakte een statigen indruk op zijn groot paard met het eindeloos lange geweer en het groote zwaard op zij. Een lange, grijze baard golfde over zijn breede heldenborst en als men achter den fraaien hals van zijn hengst de stijf opgerichte gestalte van den krijgshaftigen grijsaard zag opduiken, zou men aan den Cid Campeador kunnen denken, zooals hij, in zijn witten mantel gehuld, tegen de ongeloovigen te velde trekt.

Van dichtbij beschouwd, veranderde echter de oude soldaat in een vreedzaam menschenkind, dat niet aan moord en bloedvergieten dacht. Als hij afsteeg, kon men wel zijn hooge gestalte bewonderen, maar ook zien, dat hij hinkte en aan één zijde verlamd was, terwijl het paard eveneens oud en gebrekkig bleek. Maar schilderachtig was mijn oude krijgsman, en dat is de hoofdzaak in dit land, waar alles zoo anders is dan in Europa.

Hier was nu niets, dat het beeld van oostersch leven en noordafrikaansche natuur verstoorde, geen vorm, geen klank, die niet pasten in dit beeld, dat misschien juist zoo is als voor duizenden van jaren. De wegen zijn nog dezelfde, niet anders dan de breede platgetreden sporen van vele geslachten van lastdieren en drijvers; de verzending van goederen geschiedt nog als in de oudste tijden in hoogst eenvoudige uit en riet en alfagras gevlochten hangende manden op den rug van ezels of muildieren, en ook de koopwaren zullen op weinig uitzondering nog dezelfde zijn als in anno zooveel. Zelfs de menschen zullen weinig veranderd zijn sinds den aanvang der marokkaansche geschiedenis, en zeker in ’t geheel niet na de mohammedaansche verovering. [257]


Omstreken van Asaila.—Graf van een heilige.—Poort van Asaila.

De menschen, die ik in Tanger in mijn dienst had genomen, behoorden volgens hunne afkomst tot de meest verschillende stammen, waaruit Marokko’s bonte bevolking bestaat. Er was een Berber van den stam der Andsjera’s, die het bergland ten oosten van Tanger langs de straat van Gibraltar bewonen; daar was Hamed er Rifi, een levende vertegenwoordiger van de gevreesde Rifpiraten, maar feitelijk een gemoedelijke drijver, steeds bereid tot scherts en zang, en alleen van de anderen zich gunstig onderscheidend door meer kracht en grootere volharding. Hij droeg over zijn gespierd lichaam niet anders dan de dsjellaba, het grove, wollen hemd met korte mouwen, dat door de bergbewoners van het geheele land wordt gedragen. Het laat de beenen en de knieën geheel bloot en is voor geharde menschen wel een bijzonder gemakkelijk kleedingstuk. Zijn gele leêren pantoffels droeg hij bijna steeds in de eene hand, terwijl hij in de andere zijn trouwe buks had, zoodat hij er vrij komisch uitzag, maar er keken onder zijn kortgeschoren blond haar zulk een paar eerlijke, trouwhartige oogen uit, dat men wel pleizier in hem moest hebben.

Een heel ander man was mijn tolk, Abd-es Slam el Gharbi, een van die sterk door de beschaving aangedane Arabieren uit Noord-Afrika, die het vlakke Westen van Marokko, el Gharb, bewonen. Hij was een echte Moor, waaronder men niet alleen moet begrijpen een Marokkaan, maar een nakomeling der vroeger in Spanje gevestigde en door Ferdinand den Katholieke daaruit verdreven mohammedaansche veroveraars. Zij hadden zich in Spanje sterk met keltische, germaansche en joodsche elementen vermengd en waren ten slotte een geheel nieuw volk geworden, dat met de stamvaderen in Marokko weinig meer dan het geloof en de taal gemeen had. Zij waren de Moro’s der Spanjaarden, die merkwaardige Afrikanen, die zich niet enkel in Granada en Andaluzië, maar ook in vele, meer oostelijk gelegen havens aan de Middellandsche Zee onderscheiden door hun rijke begaafdheid, hun prachtlievendheid en hartstochtelijk optreden. Shakespere’s Othello was een Moro, een Moor, man van vrij lichte huidskleur en een fijn, smal gelaat met scherpe, semietische trekken. Mijn Moor had de voorname, afgemeten bewegingen en de beleefde spreekwijze van den beschaafden oosterling.

Dan had ik veel dienst van een echten Arabier, achter wiens gewoon ezeldrijversgezicht niemand de hooge waardigheid vermoed zou hebben, die hij bekleedde. Hij was namelijk een sjerif, en dat zegt in Marokko alles. Een sjerif is het kort begrip van alle hoogs en heiligs en onaantastbaars. Het woord, waarvan het meervoud sjürfa luidt, beteekent in ’t Arabisch niet anders dan voornaam; maar in Marokko is het de vaste betiteling geworden van hen, die zich nakomelingen van Mohammed noemen, zooals zij in de oostelijke landen sajid of sejid heeten en zich daar door den groenen tulband onderscheiden, dien niemand anders dragen mag. Tegenwoordig is het aantal sjerifs in Marokko legio; maar toch was de aanwezigheid van zulk een heilige persoonlijkheid een groote rust. Een sjerif kan bijna altijd vrede stichten en onheil verhoeden.

De eerste groote plaats, die ik mij voorgesteld had, aan te doen, was de stad Asaila. Nadat ik een dag lang over de in voorjaarstooi prijkende uitloopers van den Djebel Habib was getrokken, stiet ik op den morgen van den derden dag, naar het Westen afslaand, op de groote strandvlakte, waarop de lange golven van den Atlantischen Oceaan den zandigen grond tot een prachtigen, gladden rijweg hadden geëffend. Voor menschen zoowel als dieren was het na de zware klauterpartij in de bergen een weldadige verkwikking, daar zich voort te bewegen, [258] zonder ieder oogenblik op puin en wortels en groote steenen te moeten letten.

Maar het was gloeiend heet. De verkwikkende winden, die boven, op 300 M. hoogte, gewaaid hadden en in de buurt van de zee gestadig woeien, waren beneden niet meer te bespeuren. Zij schenen ingeslapen en moe te zijn geworden in de middaghitte, juist als wij. Toen was op eens de eindelooze strandvlakte als afgesneden; een breede, vestingachtige muur brak haar af en vulde de ruimte tusschen de zee en het heuvelland, en wij zagen tinnen en torens en wallen, bijna zwart van tint in het helle, recht neervallende licht. Dat is Asaila of Arsila of Arzilla, zooals de kaarten het geven; maar de Mooren en de andere inboorlingen spreken geen r uit, zij zeggen Asaila, zooals zij Tanger uitspreken als Tandsja.

Voor ik hier mijn reis afbrak, wenschte ik mij met een bad in zee te verkwikken. Ik zond dus mijn muildierdrijvers vooruit met het bevel, de tent tegen zonsondergang op een ongeveer dertig kilometer verder zuidelijk gelegen plek aan de kust op te slaan. Alleen de tolk en de soldaat bleven bij mij, om tijdens het bad mijn goed te bewaken. Nauwelijks was ik in het water, dat trots de warmte van 20° C. zeer verkwikkend en opwekkend werkte, of daar kwamen van de stad haastig groepjes mannen en kinderen aanloopen. Het waren Joden, die uit de verte waarschijnlijk reeds de aankomst van den Europeaan hadden gezien en nu den vreemden gast van nabij wilden bekijken. In hun stadje zijn geen Europeanen en een naakten blanke hielden zij stellig voor iets zeer bezienswaardigs, waar men het voor over moest hebben in gloeiende middaghitte een poosje te draven. Beschroomd en nieuwsgierig stonden zij daar nu te kijken, hoe ik rondzwom en fluisterden elkander op- en aanmerkingen toe. Dan werden ze moediger en bekeken mijn op het zand liggende kleederen, laarzen, rijzweep en de photografietoestellen, die de tolk steeds bij zich moest hebben en voor ’t gebruik moest gereedhouden. Zoodra echter een neuswijze, kleine jodenjongen zijn hand uitstrekte, om den zilveren knop van mijn rijzweep te bevoelen, sloeg mijn mokhasni, die tot nu toe onverschillig naast mijn kleêren op het zand had gezeten, met de kolf van zijn geweer tegen het been van den knaap, zoodat de arme zondaar op het zand viel. Natuurlijk algemeen geweeklaag, geschimp en gevloek.

De soldaat voelt zich nu als vertegenwoordiger van den sultan en komt nader, zijn lam been achter zich aansleepend en dreigend het geweer zwaaiend. Ik roep den tolk toe, dat hij die menschen rustig moet laten gaan; maar te laat, de soldaat treedt krachtig op en jaagt de menschen weg met schoppen en kolfslagen. De tolk echter, wien ik van het water uit verwijten toeslinger, heeft geen ander antwoord dan; ”Son Judios, Senor”. En als ’t “maar Joden” zijn, heeft men in Marokko niets ertegen in te brengen.

Kort daarna besteeg ik den muur van de oude vesting, een getuige van de vroegere grootheid van Asaila. Terwijl ik nog bezig was, een gunstig plekje voor mijn photografietoestel te zoeken, hoorde ik beneden mij plotseling een luid geschreeuw, en ik zag tot mijn schrik, dat een dichte hoop gepeupel saâmgeloopen was en al mijn bewegingen volgde, terwijl mij allerlei onverstaanbare woorden werden toegeroepen. Dat het niet veel welwillends was, wat men mij aan ’t verstand wenschte te brengen, zag ik aan de snelle bewegingen der menschen en de talrijke, dreigende vuisten, die tot mij werden opgeheven.

Door het rumoer alleen had ik niet tot die conclusie kunnen komen, want deze brave Marokkanen verliezen hun veelgeroemde rust bij de geringste aanleiding, en hoe minder zij aan feitelijkheden denken, des te krachtiger gebruiken ze hun stemmiddelen. Eindelijk verstond ik het woord dsjama! dsjama! en nu was de oplossing van het raadsel spoedig gevonden. Ik was bij mijn rondwandelen op de uitgebreide vestingwerken op een plek gekomen, waar ik de verschere kalklaag niet had opgemerkt. En juist dit stuk van Oud-Asaila was het eenige, waar de menschen beneden belang in stelden. Men had in deze resten van de oude vesting een moskee gebouwd, zonder minaret en zonder eenig ander uitwendig teeken dan de nette, witte kalklaag, en zonder te weten, welken gewijden bodem ik met mijn laarzen van een christenhond betrad, was ik op ’t dak geweest der moskee of dsjama van Asaila.

Mijn tolk was niet in de buurt, zoodat de mooie toespraak, die ik nu boven van den vestingmuur tot het beneden staande volk hield, wel tot de bekende parelen zal moeten worden gerekend, die men een zeker nuttig huisdier niet moet presenteeren. Daar ik er echter vriendelijke gebaren aan toevoegde en snel van het moskeedak verdween, om van een andere plek mijn kiekjes te nemen, verliep het avontuur zonder erge gevolgen.

Nu had ik eindelijk tijd en rust, het zich vóór mijn oogen uitbreidende wonderschoone tooneel op te nemen. Een stuk europeesche Middeleeuwen verplaatst aan de kust van den Atlantischen Oceaan en verlevendigd door oostersche figuren in witte gewaden, alles beschenen door de afrikaansche zon. Er is iets weemoedigs in zulke steden van vervallen grootheid, iets dat ook aan Ravenna en aan Brugge eigen is of aan Goa in Voor-Indië. De geweldige stadsmuur heeft in Asaila nog reuzenpoorten voor een plaatsje, dat naar zijn tegenwoordig aantal inwoners niet meer is dan een dorp en nog maar een bescheiden dorp. Twee groote torens verrijzen uit het steencomplex; de een lijkt de minaret eener verdwenen groote moskee, de andere de klokketoren van een even spoorloos verdwenen christelijke kerk. Nu nestelen ooievaars op de tinnen, en in de spleten en gaten van het begroeide muurwerk waren hagedissen en vleermuizen, zwaluwen en torenvalken. Van den vroegeren havenaanleg is niets meer te zien; de monding van het kleine riviertje, dat even ten noorden van de stad in zee valt, is hopeloos verzand, en de branding van den Oceaan slaat in lange golven tegen een ledige, verlaten kust.

En inwendig ziet men geen drukker leven. Ik steeg op het dak van het hoogste huis, welks eigenaar, Amram Roif, voor den rijksten jood der stad doorging. Van het ruime terras van zijn dak zag men neer in de smalle, vuile hoofdstraat, aan beide zijden bezet met die lage winkeltjes, waarin de moorsche [259] koopman zijn geheelen dag doorbrengt. Vóór elk winkeltje was een soort van schermpje neergelaten ter bescherming van mensch en koopwaar tegen de gloeiende hitte.

De slechts 40 K.M. lange weg naar El Araisch, de naaste groote stad aan de kust, had ik mij als het gemakkelijkste en aangenaamste deel der reis voorgesteld. De weg ligt onmiddellijk aan het strand en loopt in zuid-zuidwestelijke richting zonder anderen hinderpaal dan twee rivieren, die men onmiddellijk aan hun monding heeft te passeeren. Daar echter dezen keer de voorjaarsregens uitgebleven waren in dit noordwestelijk deel van het land, dat uit het oogpunt van klimaat tegelijk onder den invloed van den Atlantischen Oceaan en van de Middellandsche zee staat, mocht men hopen, zonder al te groote moeilijkheden de niet overbrugde rivieren te passeeren. Naar het gewoon verloop der dingen moeten deze voorjaarsregens de noodzakelijke voorwaarde voor een goeden oogst zijn. Zij beginnen meestal op ’t eind van December en duren dan met een tusschenpoos in Januari tot Mei toe. Voor reizigers in Marokko is echter de droogte een groot gemak bij het tijdroovend en gevaarlijk passeeren der rivieren.

Het rijden over ’t vlakke, effen strand duurde echter niet lang; de soldaat beweerde, dat wij om de afgesproken plek voor ons kamp te bereiken, weer het land in moesten gaan. En dus trokken wij weer voort tusschen de heuvels, die ons schadeloos stelden door het prachtig uitzicht op de zee en de oostelijke bergen. Alles groende en bloeide, en geheele velden erica en brem bedekten de hellingen.

Een lange optocht van inboorlingenvrouwen, in losse groepjes verdeeld, kwam ons tegen en kondigde door gezang zich al in de verte aan. Het waren Berbervrouwen, die, zooals mijn gevolg meende, van een bruiloft terugkeerden. Heele dorpen schenen uitgetrokken, want telkens ontmoetten wij vroolijke drommen in dit stille berglandschap, waarin dorpen en kampen zeldzaam waren. Naar oud Berbergebruik, dat zelfs door de strenge voorschriften van den Islam niet op zij gezet is, waren alle vrouwen ongesluierd. Met trotsch opgericht hoofd, in haar kortgerokte kleeding, die niets heeft van de vermomming, waarin de arabische vrouw zich op straat beweegt, lieten deze Berberinnen zich door den Roemi bekijken. Zij zagen mij wederkeerig onbeschroomd aan, open en vriendelijk, eerder met welwillende belangstelling dan met boosheid of beschaamdheid. Er waren niet veel jonge vrouwen bij; maar alle hadden regelmatige trekken en mooie oogen.

Reeds lang had ik bemerkt, dat mijn brave soldaat zich niet meer zeker voelde van den weg. Op den gewonen karavaanweg tusschen Tanger en Fez, dien hij ontelbare malen was gevolgd, zal hij wel elke plek kennen; maar hier begon hij de voorbijtrekkende ezeldrijvers te vragen, en nu en dan keek hij bezorgd om zich heen. Ten slotte toen de zon al zeer laag stond, en de voorbijgangers zeer schaarsch werden, zei hij, dat wij beproeven moesten, de sporen der vooruitgezonden lastdieren in het zand langs de kust te vinden. Geheel in duister moesten wij nu weer afdalen naar de zee, en werkelijk konden wij dichtbij het water de lijnrecht voortloopende sporen der muildieren herkennen. Wij volgden die, zoo lang het ging. Op eens waren ze niet meer te zien.

Of de karavaan zich van het strand verwijderd had, of dat wij in onze slaperigheid niet goed toezagen, maar in elk geval was de aansluiting verbroken, en de soldaat weigerde, den weg langs de zee verder te volgen. Wij zouden bij de rivier komen en gevaar loopen, in het drijfzand te raken, als wij in donker verder reden. Hij meende, dat niets anders overbleef, dan op den opgang der maan te wachten en dan verder te gaan, want het dorp, waar de tenten opgeslagen waren, kon niet ver meer af zijn.

Het was afnemende maan, voorbij laatste kwartier, en dus konden er nog eenige uren verloopen, eer de smalle sikkel verschijnen zou, om ’t onbekende land gebrekkig te verlichten. Niet ver van het strand stegen wij af en gaven onszelven en onzen paarden eenige rust; maar de honger plaagde ons. Ik had sinds den morgen niets anders gebruikt dan een paar sinaasappelen in Asaila en wat zure melk, die een der Berbervrouwen ons onderweg geschonken had.

Dus moest ik mij hongerig en dorstig in bet zand neerleggen en met een sigaret de knagende maag tot rust brengen. Het duurde niet lang, of daar begonnen de bleeke sterren aan den hemel zich achter een sluier van wolken te verbergen, en een ondoordringbare duisternis omhulde zee en hemel, strand en duinen. Spoedig werd het zoo donker, dat ik niet eens meer mijn schimmel, dien de tolk op een paar pas afstands van mij bij den teugel hield, kon onderscheiden.

Toen volgde er plotseling een windstoot, een paar bliksemstralen en bijna op hetzelfde oogenblik een regenbui, die ons door en door nat maakte. Ik had mijn regenmantel bij de bagage der beladen muildieren gelaten, daar den geheelen dag de lucht noch de barometer regen hadden voorspeld. En toen ze kwamen aanloopen met een paardedek, nog warm van den rug van een paard, om mij daarin te hullen, was ik al geheel doorweekt. Toch gelukte het mij met behulp van dat kleed en met mijn eigen lichaamswarmte na verloop van enkele uren weer droog te worden en de plaats in het zand, waar ik lag niet doorweekt te krijgen. De maan verscheen natuurlijk in ’t geheel niet; dus moest het daglicht worden afgewacht, dat tegen vijf uur ’s morgens met moeite door de zware regenwolken brak.

Dit was het sein voor vertrek. Het was een droevige optocht. Menschen en dieren waren nat, hongerig, dorstig, moe, stijf en koud. De paarden hadden den geheelen nacht in den kletterenden regen gestaan; ze lieten den kop hangen en zagen er bedroevend uit. Ook bij ons, menschen, was de levensmoed tot een laag peil gezonken, en hij steeg niet, toen de soldaat ook ’s morgens den weg nog niet kon vinden.

Met mijn kijker zocht ik den omtrek af, maar zag niets van een kamp of van onze beladen muildieren. Geen dorp, geen tent, geen dieren te zien. Maar daar ontdekte ik op een paar honderd pas afstands de bruine dsjellaba van een Moor, als om te drogen, over een struik gehangen. Waar het kleed is, kan de drager niet ver verwijderd zijn; ik reed erop af en was hoogst verbaasd, plotseling een man [260] hard op mij te zien toeloopen, terwijl hij mij met alle teekenen van vreugde begroette als een hond zijn teruggekeerden meester.

Het was een van mijn eigen muildierdrijvers. De lieden waren met de tenten en dieren dicht in de buurt, en wij hadden niet meer dan een paar duizend passen van hen verwijderd in de open lucht zonder beschutting en voedsel den nacht doorgebracht! Het was om te lachen, maar de vermoeide paarden namen aan de vroolijkheid niet recht deel. In een laagte, door opuntia’s en agaven en allerlei doornstruiken omringd, hadden zij een uitstekend, veilig kamp ingericht; maar ik was te ongeduldig, om naar El Araisch, de naaste stad, te komen, dan dat ik van het kamp gebruik wilde maken.

Het ging weer snel zuidwaarts langs het strand, tot de hooge muren en torens van El Araisch vóór ons oprezen, veel statiger en schilderachtiger nog dan die van Asaila.


Strand-batterij bij El Araisch.

El Araisch is ook een van de sterk achteruitgegane plaatsen van Marokko, en weer trof mij het middeleeuwsche karakter der stad. Mijn aankomst trok er sterk de aandacht. Europeesche bezoekers zijn hier schaarsch en vooral in deze tijden van onrust werden ze bijna niet gezien. Wij moesten over de rivier de Wadi el Koes gezet worden, om tot de stad te naderen, en met de eerste boot, die van de stad naar de overzijde kwam; waar ik met mijn dieren wachtte, zond ik dadelijk een paar regels aan een spaanschen koopman, aan wien de duitsche postdirecteur in Tanger mij had gerecommandeerd, om van hem raad te vragen, waar ik het best mijn tenten zou opslaan.

Het heen en weer gaan van de kleine booten, die altijd slechts één of twee van mijn lastdieren konden overzetten, duurde geruimen tijd. Toen ik eindelijk als laatste mijner karavaan aan de stadszijde der rivier was afgezet, begroette mij een Europeaan, die mij tot mijn verbazing in het Duitsch aanspraak. Hij was de eenige Duitscher in de plaats, een oudmachinist van de keizerlijke marine, die hier als kapitein van een der booten van den sultan tegelijk de plichten van een havenmeester vervult.

Onder alle steden van Marokko is El Araisch bekend om het mooiste marktplein. Het is inderdaad een echt oostersche markt, veel schilderachtiger dan alle andere, die ik tot nog toe in Marokko had gezien. Maar ook zij draagt den stempel der vergankelijkheid, alle kenteekenen van niet meer te passen in den tegenwoordigen tijd, zooals met zooveel dingen in deze vervallende atlantische havens het geval is, waar maar geen nieuw leven uit de ruïnen wil opbloeien. Wat deze soek of markt van alle andere onderscheidt, is de lange rij van mooie gewelfde zuilengalerijen, die aan twee zijden het plein begrenzen en zulk een geschikte lijst vormen voor het bonte beeld van kleinsteedsch handelsverkeer dat zij omsluiten. Er zijn wel bijna honderd van die nauwe kooiachtige stalletjes, die van Noordwest-Afrika tot in Midden-Azië de plaats van onze winkels innemen. Alle zijn ze naar één model naast elkaâr gezet en met even hooge koepels bekroond.

Een moorsche Rue de Rivoli, maar voor de schitterende étalages van de parijsche winkels krijgt men hier de moorsche kooplui zelf te midden van een bescheiden hoopje alledaagsche goederen, die duidelijk genoeg toonen, dat men voor pracht hier geld heeft noch waardeering. Vier moskeeën steken boven het plein op; aan de oostzij wordt het door een prachtige, oude poort afgesloten en naar het Westen door den [261] vestingachtigen ingang naar de kasba, den burcht van den stadhouder, welks geweldige muren uit den tijd der Spanjaarden in de 16de eeuw nog versterkt zijn. Zooals de Portugeezen in Asaila hebben de Spanjaarden in El Araisch getracht, door de havens te behouden, hun gezag in het land te handhaven. Maar reeds in 1691 maakte sultan Mulei Ismaël met behulp van fransche fregatten een einde aan de spaansche heerschappij.

Voor de kleine spaansche gemeente, die nog heden in El Araisch woont, moet het smartelijk zijn, al die getuigen van voorbijgegane spaansche grootheid steeds voor oogen te hebben. Het sterkst krijgt men dien indruk van troosteloos verval, als men van de zeezijde de forsche vestingwerken aanschouwt. En ’s morgens, als ik mijn bad nam, zaten dan als getuigen van het belachelijke heden mijn soldaat en mijn Berber als levende bewijzen van den zwaktetoestand der tegenwoordige sultansheerschappij, die het niet waagt, zich flink tegen een oproerigen onderdaan en zijn aanhang te verweren. Alsof het hier buiten aan het eenzame strand van bloeddorstige aanhangers van Boe Hamara wemelde of een sluipmoordenaar achter elk rotsblok zich verschool, zaten daar de wakkere beschermers van mijn leven, de mokhasni met zijn oud verroest geweer, en de Berber met in de eene hand een knuppel en in de andere een klein vuursteenpistool, dat misschien na den tijd van den dertigjarigen oorlog niet meer was gebruikt.


Marabout voor Fez.

Van El Araisch naar El Ksar el Kbir, de volgende stad, die ik wilde bezoeken, was slechts een weg van 33 kilometer door vlak land met slechts een enkelen rivierovergang. Men had mij telkens willen tegenhouden om de gevaren, die het oproer meebracht, maar gelukkig had ik mij niet laten terughouden. Als dit het “vlammend oproer” was, dat Marokko in brand had gezet, dan moeten marokkaansche opstanden toch al heel weinig beteekenen en niet met woelingen in andere landen te vergelijken zijn.

Een bloeiend landschap, heuvelachtig weideland vol bloemen, vreedzaam voorttrekkende karavanen met trotsche kameelen, vlugge muildieren en zingende drijvers, mooie kudden glad rundvee, wollige schapen en langharige geiten, slechts door een enkelen grijsaard bewaakt of door een paar halfnaakte, bruine kinderen, was dat een land, bedreigd door burgeroorlog en bestuurswisseling, waar dreigende moordenaars huishielden? Waar waren toch de rookende dorpen, de verwoeste oogsten, de met lijken bedekte wegen, die ons voor twee jaren in China hadden geleerd, wat opstand en burgeroorlog beteekenen? In andere deelen van het rijk was het mogelijk erger; bij de noordkust en aan de algerijnsche grens, maar hier was het land rustig en de kalmte ongestoord.

Toch leek het eerst nog, of er zich bezwaren zouden voordoen, want reizigers, die pas den weg waren gegaan, berichtten dat regenbuien hem onbegaanbaar hadden gemaakt en de rivier hadden doen zwellen. Dus wilde ik eerst nog een kamp opslaan in een niet ver van El Araisch gelegen dorp. Meestal zocht de mokhasni de plaats voor het kamp uit en wel op een plaats, waar hij goede bekenden had en een goed onderkomen kon vinden, natuurlijk kosteloos, opdat hem de anderhalven doero kostgeld, die ik hem volgens onze overeenkomst dagelijks moest betalen, als zuivere winst ten deel vielen.

Dezen keer echter was er geen tijd om lang te zoeken en onverwijld moest hij met den schout van het naaste dorp onderhandelen. Het trof mij, dat de [262] plek een arabische doear was, een tentdorp, zooals de nomadische Arabieren in Marokko plegen op te richten, waar zij een merkwaardig middending zijn tusschen hun voorvaderen, die nomaden waren in de arabische woestijn, en de burgerlijk levende Berbers, wier land zij voor een deel bezet hebben. Zulk een doear ziet eruit als een kamp, dat op weg is een dorp te worden. Vorm en maaksel der woningen zijn nog geheel die der kampen, lage, lange hallen van gerstestroo en geitenhaar, zwartbruin en onaanzienlijk. Ook de inwendige inrichting, die eigenlijk door afwezigheid schittert en alleen het allernoodzakelijkste keukengerei vertoont, herinnert nog aan de tent van een zwervend volk, sterke tegenstelling dus tot de in de steden wonende Mooren, die zoo verweekelijkt zijn, zich graag met pracht en praal omgeven en zich in den laatsten tijd al druk amuseeren met photografietoestellen, speeldoozen en grammophonen.

Om de een of andere reden en, naar ik uit de verklaringen van mijn tolk meende te begrijpen, wegens oude stamvijandschap, weigerden de bewoners van dit jammerlijke dorp mijn mannen het verlof, om den nacht op hun grond door te brengen. Tegen mij als vreemdeling en ongeloovige hadden zij, merkwaardig genoeg, niets in te brengen. Mijn Berbers van den stam der Andsjera scheen men geen gastvrijheid te willen verleenen. Zoo kwam het tot heftige woorden en dreigende gebaren, en ten overvloede heette het, dat men ons met geweld verdrijven zou.

Ik beproefde het eenige verzoeningsmiddel, dat de reiziger in zulke gevallen heeft, dat krachtiger werkt dan alle wetten of alle goedheid, namelijk den snooden Mammon in den vorm van goede betaling voor alle moreele of politieke bedenkingen. Juist op dat oogenblik kwamen echter de uit de velden en weiden naar huis gedreven kudden aan. Lustig springend kwamen de jonge stieren binnenhuppelen in volle vrijheid. De jonge lammeren dartelden ertusschen, en ten laatste kwamen de merries met hun veulens, die zich dicht tegen hun voedingsbron aandrukten. Onze hengsten bleven niet onverschillig en waren bijna niet te houden en het algemeen tumult, dat daarbij ontstond, wekte een soort van verbroedering onder de menschen. Tegen goed geld kregen wij een plaats voor ons kamp, en de nacht verliep in alle kalmte. Den volgenden dag brachten wij een kort bezoek aan El Ksar, een zeer vuile stad, die onder de marokkaansche steden als de vuilste bekend is, hetgeen niet weinig wil zeggen. De nauwe, donkere straten lagen dik onder een vettig slijk; de zoogenaamde markt geleek een mesthoop.

Nu lag vóór ons een groot tafelland vol kloven, waar de insnijdingen weinig water voerden zelfs in den regentijd. Maar wij moesten op den weg naar Fez nog drie vrij belangrijke rivieren passeeren, de Wargha, de Seboe en de Sgota, eer we eindelijk weer op den eigenlijken reisweg, den van Tanger naar Fez leidenden karavaanweg, belandden. Het doorwaden der rivieren was telkens met veel last en moeite verbonden. Het water schoot zoo snel en krachtig door de bedding, die vol kleine eilandjes en hoopen steenen en afschuivingen van den oever lag, dat men wel hulp moest hebben bij den overtocht. En zelfs als ieder dier door een met de rivier bekend persoon aan den teugel gevoerd werd, terwijl die persoon geheel naakt zich een weg baande door den sterken stroom, was het nog een kunststuk, de geheele karavaan veilig over te brengen. De onder den buik der paarden met razende snelheid voortbruisende stroom werkte zoo verwarrend op mensch en dier, dat men er duizelig en half bedwelmd van werd en zich willoos overgaf aan de leiding der vooruitloopende, met het water worstelende mannen.

Reeds bij den overgang over de Seboe hadden zich bij mijn kleine karavaan veel andere reizigers aangesloten. Ofschoon ik deze rivier, die ondanks haar betrekkelijk korten loop van ongeveer 500 K.M. de belangrijkste, niet alleen van geheel Marokko, maar van geheel Noordwest-Afrika is, niet overging bij het kruispunt met den grooten karavaanweg, toonde toch de beweging aan de oevers, dat wij weer in meer bezochte oorden kwamen en dichter tot de hoofdstad waren genaderd. Inderdaad scheiden zich hier in den oostelijken hoek der groote, vruchtbare kustvlakte, die zich als een driehoek tusschen de rivieren Seboe en Boe Regrag uitstrekt, talrijke karavaanwegen, die alle zich naar Fez richten. En daar bij het bekende gebrek aan bruggen en veren ook de meest ervaren reizigers aangewezen zijn op de hulp en de kennis der inboorlingen, die met de doorwaadbare plaatsen vertrouwd zijn, kan men bij het wachten op de gidsen aan de oevers altijd een echt bont tooneel van oostersch karavaanleven aanschouwen.

Lange reeksen van zwaarbeladen, langzaam en gelijkmatig voortgaande kameelen, grootere en kleinere groepen muildieren en ezels met luid schreeuwende drijvers, trotsche en slecht gehumeurde ruiters met lange geweren en bescheiden voetgangers, allen zonder onderscheid moeten aan de steile hellingen der bedding wachten, terwijl de rivier vuilbruine golven haastig voortstuwt, tot eindelijk de gidsen weer van de overzij komen aanzetten. Men laat de dieren in de nabijheid grazen, verbetert eens wat aan de schikking der lasten op den rug der beladen beesten en gaat dan in het gras zitten, om een praatje te maken met den eerste den beste. Natuurlijk werden er tooneelen opgehangen van roof- en moordpartijen, terwijl de lust in fabeltjes vertellen, zoo sterk in dit oostersche land, bij ieder verhaal den spreker zelf in ’t middelpunt der handeling plaatste en hem pochen deed op heldendaden en met moed doorgestane gevaren.

Van dit oogenblik af waren wij bijna nimmer meer alleen op marsch. Er zal geen uur verloopen zijn, waarin wij niet met andere reizigers of ten minste in het gezicht van andere groepjes langs den weg trokken, en ook deze zelfs liet het bespeuren, dat wij nader kwamen tot het doel, de groote hoofdstad en het handelsmiddelpunt van het land.

Zelfs de dieren schenen vlugger en beter de aanmoedigende woorden te begrijpen, ook zij ruiken het einde van de reis. Verwachting en ongeduld nemen toe, en de laatste mijlen worden een kwelling. Sommigen gaan vooruit, om te zien, of er nog altijd niets te bespeuren is van de schitterende sprookjesstad, keert dan weer naar de lastdieren terug, om hun [263] gelijkmatigen reistred te bespoedigen door een ongeduldig bevel.

Eindelijk, eindelijk, daar ontdekken wij dikke, bruingrijze, lage stadsmuren met breede poorten, witte huizenblokken en lange, gelijkvormige rijen en daarboven oprijzend eenige minarets en een paar populieren en dadelpalmen. Alles is intusschen vlak en gedrukt, weinig zich verheffend boven de vlakte, niets, dat aan een hoofdstad of een residentie herinnert. De tolk tracht mij voor mijn teleurstelling te troosten en zegt, dat dit slechts het nieuwe onbeduidende deel van Fez is, dat wij, uit het Westen komend, het eerst te zien krijgen. De werkelijke stad, de Medina, met het beroemde heiligdom van Moelei Idris en de groote moskee, ligt verborgen en is van hier niet te zien. Het doffe, donkere, regenweêr doet met zijn nuchtere, grijze tinten het overige en zoo blijft er wel degelijk een gevoel van teleurstelling over, waarmee ik op den middag van mijn twee-en-twintigsten reisdag door de westelijke stadspoort, Bab es Segma, de heilige hoofdstad van den sjerif van Marokko binnenrijd.

Natuurlijk zou ik een bezoek aan het hof brengen en een uitnoodiging liet zich dan ook niet lang wachten. Ik was zelf afwezig, toen de bode van den sultan mij een invitatie bracht. Den dag daarna verscheen nog eens een afgezant van Moelei Abdul Aziz, dezen keer de aan het hof in groot aanzien zijnde engelsche instructeur der troepen kaïd Sir Harry de Vere Maclean, om mij nog eens in optima forma uit te noodigen. Ik was er zeer verbaasd over, daar ik opzettelijk vermeden had, mij gewoon voor een audiëntie aan te melden, ofschoon zij veelal de hartewensch is der talrijke reizigers, die Fez in de laatste jaren bezocht hebben.

Vooral de republikeinsche Amerikanen doen daar sterk aan; zij rusten niet, eer zij hun trotschen, vrijen burgerrug voor Zijne Sjerifiaansche Majesteit gebogen hebben. Sir Harry zegt mij, dat de sultan mij onlangs heeft gezien en naar den nieuwen Europeaan geïnformeerd heeft bij den minister van buitenlandsche zaken, die mij, dank zij een aanbevelingsbrief van onzen gezant, vrijheer van Mentzingen in Tanger, reeds kende. Z.M. had nu bevolen, dat ik aan hem voorgesteld zou worden. Er waren toen juist slechts zeer weinig Europeanen in de stad; men had om de woelige tijden, zooveel mogelijk, vreemdelingen geweerd.

De stad zag er intusschen levendig genoeg uit. De maand Rebia el Uwwel, de eerste lentemaand, was in het land gekomen en daarmee was de reeks van feestdagen begonnen, die de Mohammedaan ter eere van zijn Profeet viert, omdat de verjaardag van den godsdienststichter in die maand valt. Naar een oud gebruik brengen de onderworpen stammen hun schatting en hun eeregeschenken voor den sultan, en de gezantschappen worden door den sultan in persoon ontvangen. De ontvangst en het uitgeleide van die gezantschappen hebben telkens met grooten luister plaats. De lijfwacht van den vorst en alle in de hoofdstad aanwezige troepen worden in gala ontboden, het geheele hof is aanwezig, en een zeer breede kring van toeschouwers in feestkleedij omlijst het bonte tooneel, dat voor de beste gelegenheid doorgaat, om het sjerifiaansche hof in volle pracht te aanschouwen.

Om mij in elk geval van den aanblik dezer grootheid te verzekeren, was ik al den eersten dag in gezelschap van mijn soldaat Embarik naar het paleis gegaan en had de ontvangst der Kabylengezantschappen mee aangezien. Daarbij had de sultan mij opgemerkt, ofschoon ik niet te paard was, maar naast mijn rijdier stond. Maar buiten de officieren der vreemde gezantschappen was geen Europeaan aanwezig, en dus was hem de verschijning van den nieuweling dadelijk opgevallen. Toen hij bij het einde van het feest in het inwendige van het paleis zich terugtrok, kwam hij vrij dicht langs mijn standplaats, wierp mij een langen onderzoekenden blik toe, en het mishaagde hem, zooals mij kaïd Maclean mededeelde, dat ik hem niet groette. Ik wist inderdaad op dat oogenblik niet, hoe ik groeten moest. De kotau zal Z.M. toch wel niet verwacht hebben, den hoed afnemen is in mohammedaansche landen ver van een eerbewijs en ongeveer op twintig pas afstands een paar hoffelijke buigingen te maken, zou mijzelf zoo belachelijk zijn voorgekomen, dat ik ze toch niet in ernst had kunnen volvoeren. Zoo had ik mij uit deze embarras de richesse van groetmogelijkheden gered, door eenvoudig niets van dat alles te doen, maar den heerscher recht in ’t gelaat te zien, wat wel de aanleiding tot mijn audiëntie bij Moelei Abdul Aziz zal geweest zijn.

Den volgenden dag reed ik op het aangegeven uur weer het paleis binnen en begaf mij naar het feestterrein, de Meschwar. Daar steeg ik af en wachtte op de dingen, die komen zouden, mijn feestgewaad onder een langen stofmantel verbergend. Het geweldig groote plein ligt in het noordelijk deel van het zeer uitgebreide paleis en was thans door een dichte menschenmenigte omgeven, die zelve weer een lijst vormde om den in ’t midden opengestelden vierhoek van soldaten. In het midden van het voorste gelid der eene lange zijde zag ik reeds in de verte den engelschen chef-instructeur in bovenaardsche pracht stralen. Hij droeg een vuurroode galajas, van boven tot beneden met zware gouden tressen bezet, ongeveer ter dubbele breedte van die der diplomatenuniform. Op het hoofd droeg hij de hooge, scharlakenroode sjasjia van de moorsche askari’s, omwikkeld met een schitterend witten tulband, en om de schouders had hij, als bij de oude kruisridders, een wijden mantel zonder mouwen geslagen, gemaakt van ’t fijnste, witte mousseline.

Toen na lang wachten de sultan zich vertoonde, door een schitterenden hofstoet omgeven, klonk uit de rijen der soldaten den krijgsroep: “Allah moge onzen heer de zege verschaffen!” allah ianssar ssidna, die altijd wordt geuit, zoodra de sultan verschijnt. Statig reed de vorst over het plein, en de engelsche chef-instructeur wenkte mij, hem binnen het regeeringsgebouw te volgen.

Daar had ik een kort onderhoud met den vorst, waarbij Sir Harry Maclean als tolk optrad. Het was een ongedwongen praatje, dat op aardrijks- en staatkundig gebied bleef. Ik maakte mijn verontschuldigingen over mijn niet-groeten, en het trof mij, hoe eenvoudig en waardig het optreden van den sultan was. Vriendelijk weerde hij mijn excuses af met het [264] woord, dat men van den eersten dag van zijn verblijf in Marokko kan hooren uit den mond van hoog- en laaggeplaatsten: la bass, la bass d.i. het doet er niet toe.

NASCHRIFT.

Dr. Genthe’s Reisbrieven zijn in 1904 in de Kölnische Zeitung verschenen, en toen de laatste er van het licht zag, was de schrijver reeds niet meer onder de levenden. Hij heeft op droevige wijze in Marokko den dood gevonden.

In Maart 1904 was hij op het punt, Fez vaarwel te zeggen; den 10den zou hij opbreken naar de kust. Het had lang en zwaar geregend, en de doctor had zijn gewonen namiddagrit eenige dagen moeten missen. Den achtsten nu lokte hem een heerlijke voorjaarsdag naar buiten, en op zijn mooie Benni-Hassan-hengst reed hij tegen drie uur in den namiddag de westpoort uit, om niet weer terug te keeren. Hij was voor dat rijden alleen dikwijls gewaarschuwd, maar zijn kamers in Fez waren eng en benauwd, en er waren zooveel dingen geweest, waarvoor men hem had gewaarschuwd en die toch goed waren afgeloopen, dat men hem het niet euvel kan duiden, wanneer hij soms een raad in den wind sloeg.


Parade voor den Sultan in Fez.

Er was hem wel door de regeering een bereden soldaat toegevoegd; maar Genthe reed veelal zeer snel, om het geleide kwijt te raken en de regeering had, om haar paarden te sparen, reeds bepaald, dat hij alleen te voet gaande, begeleid zou worden. Zoo bleef ook toen de soldaat achter, en den 9den kwam de man op het duitsche consulaat melden, dat zijn heer niet terug was gekeerd.

Waarschijnlijk heeft de reiziger den dood gevonden onder moordenaarshand, en hebben roovers hem uitgeplunderd en daarna het lijk verduisterd. Er is wel in de Seboe in het laatst van April een lijk gevonden, dat als van een Europeaan voor het zijne is gehouden, maar het was gewond en geheel naakt, en met zekerheid heeft niemand het als het lijk van den Duitscher kunnen herkennen.

De weg, dien hij uitgereden was, is vooral in den regentijd zeer eenzaam, en het schijnt, dat een slecht befaamd individu El Chammar de daad heeft bedreven, niet onmogelijk met medeweten van Dr. Genthe’s persoonlijken bediende. Allerlei nasporingen werden in het werk gesteld; het paard werd nog in September bij den stam der Beni Mtir teruggevonden en daaraan werden nieuwe onderzoekingen vastgeknoopt; maar volkomen opgehelderd is de zaak nooit.

Toch heeft men getracht, het rechtsgevoel bevrediging te schenken, ’t geen vooral noodig werd, toen des keizers bezoek in Marokko was aangekondigd. De door de publieke opinie als moordenaars aangewezenen werden tot levenslange gevangenisstraf veroordeeld, en de marokkaansche regeering betaalde een som van 40.000 mark als schadeloosstelling voor de bloedverwanten van den vermoorde. Op die wijze wordt in den laatsten tijd vaker Marokko’s schatkist aangesproken. Voor eenige maanden is de Franschman Charbonnier er vermoord, en in ’t begin van Juli heeft het machzen in 100.000 francs schadevergoeding bewilligd.



1 Dit uittreksel is ontleend aan: Marokko, Reiseschilderungen von Dr. Siegfried Genthe. 2e aufl. Berlin, Allgem. Verein für Deutsche Literatur 1906.

Langs den Congo tot Brazzaville.


Matadi.

Na een voorspoedige reis over een bijkans spiegelgladde zee had de Albertville, een der stoomschepen der Messageries Maritimes du Congo, het anker laten vallen in de ruime, slechts door een smalle landtong van den Oceaan gescheiden baai, door den machtigen Congostroom aan zijne uitmonding gevormd.

Al dadelijk bij het invaren maakt de rivier een grootschen indruk. Verscheidene K.M. breed, stuwt zij hare wateren, waarvan de gele kleur reeds den geheelen dag vóór onze aankomst den aanblik der zee veranderde, met groote snelheid en in ongelooflijke massa voort. Hare dichtbegroeide, vèrwijkende oevers verliezen zich in de oneindige verte; tot aan den horizon kunnen we stroomopwaarts de wateroppervlakte overzien,—slechts plekken eenige kleine eilanden, hier en daar verspreid, tegen de donkere kleur van het water of tegen den helderblauwen hemel af.

In al zijn rustige schoonheid vertoont zich de machtige stroom aan ons oog; niets dan een enkele kleine kano door rechtop staande inboorlingen voortbewogen, verraadt ons de nabijheid van menschen. Geen geluid dringt over die uitgestrektheid tot ons door, stil en indrukwekkend ligt de Congo, zich badende in het verblindend witte, tropische zonlicht, voor ons.

Alleen als we over de baai naar de landtong, die we straks bij het binnenkomen omstoomden, terugblikken, zien we dat onze aankomst opgemerkt werd.

Eenige sloepen, waarin ambtenaren van den Congostaat of vertegenwoordigers van hier gevestigde Europeesche handelshuizen gezeten zijn, bewegen zich over het water, en ’t duurt niet lang of de inzittenden haasten zich aan boord, om bij het afdoen hunner zaken weer eens iets anders te zien dan hunne dagelijksche omgeving, die op ’t stukje grond, tusschen rivier en oceaan gelegen, dat hun tot verblijfplaats dient, niet zeer afwisselend is; vooral ook, om het nieuws te vernemen, dat elke stoomer uit Europa medebrengt.

De voor ons liggende landtong, Banana geheeten, vertoont ons, op eenigen afstand gezien, een liefelijk beeld van rust en koelte; wuivende palmen overschaduwen met hunne sierlijke, waaiervormige bladerkronen eenige lage, witte huizen, die met hunne helderwitte daken scherp tegen het donkere groen [282] afsteken. Nadere kennismaking met Banana echter valt niet mede, althans niet wat natuurschoon betreft. Als we ons aan land begeven hebben zien we, dat de bodem niet veel anders is dan het zandige zeestrand, en hoewel er palmen in overvloed op groeien, is er van anderen plantengroei bijna geen spoor te ontdekken. Aan zijn gunstige ligging heeft Banana het dan ook slechts te danken, dat zich hier verscheidene blanken gevestigd hebben.

Allereerst zien we de groote factorij van het belangrijkste handelshuis dat op den Congo handel drijft, het overal in het binnenland gevestigde Hollandsche Huis, eene te Rotterdam bestaande vennootschap, die hier haar hoofdkantoor voor Afrika heeft. Hare groote magazijnen, woningen voor geëmployeerden, kantoor, werkplaatsen etc. nemen een groot deel der oppervlakte in beslag. Al deze gebouwen zijn uitstekend onderhouden en het geheel maakt aanstonds den indruk van groote orde en netheid; het doet ons goed, boven deze groote vestiging onze vaderlandsche driekleur te zien waaien.

Nog eenige Belgische en Fransche maatschappijen hebben hier hunne factorijen, en meer landwaarts in ontwaren we de gebouwen van het Gouvernement van den onafhankelijken Congostaat, kantoren voor posterijen, voor douanedienst en dergelijke. Alle huizen zijn hier laag, van klei opgetrokken en met houten daken gedekt; over ’t algemeen maken zij met hunne witgekalkte daken, die aan alle zijden een eind over de muren heensteken, een aangenamen indruk.

Behalve visch, die in overvloed gevangen wordt, levert de streek niets op, wat tot onderhoud der hier wonende blanken en zwarten dienen kan. Bananen, de heerlijke, gezonde vrucht, die we op den naam afgaande, hier zoeken zouden, zijn hier evenmin te vinden als andere vrachten. De naam Banana is afgeleid van het inlandsche woord, dat steenachtig beteekent.

Zelfs zoet water vindt men hier niet; het voor de bewoners benoodigde moet uren ver per kano gehaald worden. De landtong is bovendien zoo smal, dat bij sterken wind de golven van den Oceaan somtijds hun water tot over de halve breedte van de strook land voortstuwen, zoodat er dan zeewater aan de binnenzijde in de baai afvloeit.

Zijn gewicht voor den handel op den Congo ontleent Banana dan ook slechts aan het feit, dat het is de eerste aanlegplaats der schepen van over zee en het punt van waaruit massa’s produkten van het Congobekken verscheept worden naar Europa. Doch ons stoomschip laat ons niet veel tijd ons hier lang op te houden; het maakt zich, na de mail afgegeven en verdere formaliteiten vervuld te hebben, gereed zijn weg rivieropwaarts te vervolgen.

Het is een tocht, rijk aan natuurschoon, dien we nu maken. De vaart van onze boot wordt hier aanmerkelijk getemperd door den sterken stroom en we hebben ruimschoots gelegenheid te genieten van de telkens afwisselende tafereelen, die rivier en oevers aanbieden. De weelderige plantengroei geeft aan de eilanden en boorden der rivier overal het voorkomen van ondoordringbare, uit het water oprijzende groene wallen. Nergens is een plekje gronds onbegroeid; van uit het water rijst het groen op, onafgebroken tot in de kruinen der boomen; zelfs het oog vermag niet meer dan enkele meters in die bosschen door te dringen. Een enkele maal passeeren we eenige bijeenstaande huizen en hutten, een handelsfactorij, gebouwd op een open plekje aan de rivier, dicht omringd door het onmetelijke woud, dat van alle zijden als ter herovering van dit gebied schijnt op te dringen.

Meestal vertelt ons de vlag, dat het een Hollandsche vestiging is.

Deze factorijen, die hier vroeger talrijker werden aangetroffen dan tegenwoordig, zijn de plaatsen, waar de inboorlingen hunne waren: ivoor, gom-elastiek, grondnoten en palmolie, tegen allerlei zaken van hunne gading komen inruilen. Vroeger was de handel hier aan den benedenloop der rivier zeer levendig, doch deze verplaatste zich allengs meer naar “boven” naarmate de blanken, voortdurend zoekende elkander de loef af te steken, telkens dieper landwaarts indrongen. Tegenwoordig zijn het hoofdzakelijk grondnoten en palmolie, die hier worden ingeruild, hoewel uit de streken, eenige dagen (karavaandagen) van de kust af gelegen, ook nog wel gom-elastiek en ivoor komen.

De belangrijke ivoor- en gom-elastiekhandel evenwel heeft hier zijn tijd gehad; de groote neger-karavanen, die deze producten zeer diep uit de binnenlanden naar de kust aanbrachten, worden hier niet meer gezien; de streken, van waar deze karavanen kwamen, worden rusteloos opgespoord door de handelshuizen, die zich, sedert het laatste tiental jaren vooral, overal in het binnenland gevestigd hebben, en de ruilhandel om deze voortbrengselen verlegde zich dientengevolge duizenden K.M. meer oostwaarts.

Door een loods gevoerd, volgt onze boot overal den stroomdraad. Nu eens tusschen talrijke eilandjes door, dan langs den eenen oever, dan weer langs den anderen varende, somtijds de rivier over bijna de geheele breedte dwars overstekende, vermijden we de vele zandbanken en rotsen, die, gevoegd bij den snellen stroom, de vaart hier zoo moeilijk en gevaarlijk maken. Na eindelijk de gevaarlijke Montèba-bank—de rivier is hier slechts 15–20 voet diep en de boot stoot er op verscheidene plaatsen aan den grond—gepasseerd te zijn, bereiken we nog denzelfden dag van ons vertrek van Banana de hoofdplaats van den Congo-Vrijstaat, Boma.

Een groote, ver in de rivier uitloopende pier maakt het aanleggen en ontschepen zeer gemakkelijk. Velen onzer medepassagiers zijn bestemd voorloopig hier te blijven. Belgen en Italianen, meestal in dienst van den Staat, de laatsten vooral als officieren, Portugeezen, Franschen en Hollanders voor verschillende handelshuizen, Zweden en Noren dikwijls, die als kapitein of stuurman gewild zijn, komen hier met elke boot aan, ter vervanging van hen, die na volbrachten diensttijd—meestal 2 of 3 jaren—naar Europa terugkeeren.

Boma bezoekende, krijgt men niet den indruk te zijn in het donkerste Afrika, in de nog voor weinige jaren zoo weinig bekende Congo-streek. Ter lengte van ongeveer een K.M. loopt langs de rivier een breede weg, waaraan, regelmatig gebouwd, verscheidene steenen gebouwen liggen, voornamelijk winkels of toko’s van Europeesche firma’s; ook vinden we hier het postkantoor. Evenals deze weg zijn alle andere landwaarts inloopende wegen, dank zij ’t [283] toezicht dat de Staat op ’t bouwen uitoefent, breed en recht en alle worden uitstekend onderhouden en regelmatig gereinigd. ’t Ontbreken van plaveisel, waardoor we hier van straten nog moeilijk spreken kunnen, wordt dan ook niet al te zeer gevoeld.

Hoewel Boma nog niet het aanzien heeft eener stad, is het de grootste nederzetting van blanken langs den Congo. Vroeger stonden hier slechts enkele handels-factorijen, die een, sedert dien tijd bijna geheel verloopen, drukken handel dreven voornamelijk in palmpitten, waarvan vele scheepsladingen verzonden werden. Sedert de staat zich hier vestigde en er zijn hoofd-administratie inrichtte, is het aantal der blanken en bij hen in dienst zijnde zwarten gestadig gestegen.

De gouverneur-generaal, een groot aantal ambtenaren, werkzaam bij de verschillende afdeelingen van bestuur en de rechterlijke macht, verscheidene officieren en vele handelsmannen houden hier geregeld verblijf; enkelen zelfs met hunne echtgenooten. Niet over ’t hoofd te zien is ook het groot getal zwarten, die, ’t zij uit Engelsche of Portugeesche bezittingen langs Afrika’s Westkust, ’t zij uit dieper in ’t binnenland gelegen streken afkomstig, zich een zekere mate van ontwikkeling hebben eigen gemaakt en nu betrekkingen gevonden hebben bij de post, de rechtbank, ’t politiewezen of wel bij de verschillende hier gevestigde handelshuizen.

Verscheidene zwarten ook houden een soort winkel, en over ’t algemeen gaat hun ’t zaken doen goed af. Zij vestigden zich gewoonlijk wat verder van de rivier af, waar we ook de vele woningen en hutten van de zwarte bevolking van Boma aantreffen. In de magazijnen, die door Belgische, Hollandsche of Fransche handelshuizen opgericht werden, zijn de meeste voor ’t gebruik der blanken benoodigde Europeesche artikelen, hoewel duur, tamelijk goed te krijgen; voorts vinden we er een bonte mengeling van allerlei waren, goedkoope, veelkleurige manufacturen, odeurs, spiegeltjes, hoeden, panongs, (’t inlandsche kleedingstuk voor vrouwen) kralen, bellen, messen, kortom bijna alle denkbare zaken die de begeerte kunnen opwekken, ’t zij van de meer ontwikkelde hier verblijf houdende zwarten, ’t zij van de in de omstreken wonende nog zoo goed als geheel onbeschaafde inboorlingen.

De kleinere, meer achteraf gelegen winkels vertoonen dezelfde groote verscheidenheid der meest uiteenloopende artikelen, meestal uitsluitend op zwarte koopers berekend. Jammer genoeg nemen ook rhum en andere alcoholische dranken onder de koopwaren een voorname plaats in en deze worden gaarne door de inlanders gekocht. Zooals te begrijpen is, maakte de oorspronkelijke ruilhandel sinds eenige jaren plaats voor ’t koopen tegen geld door den Staat in omloop gebracht.

Verder landwaarts ingaande, bemerken we langs de zachtjes opgaande helling eener heuvel die achter Boma oprijst, vele meer officieele gebouwen, die tot bureaux van den Staat of woningen van ambtenaren dienen, o.a. het gerechtshof, de citadel en de woning van den gouverneur-generaal. Zelfs is men hier met den aanleg van een park begonnen.

De wandeling door Boma heeft, zoowel in ’t benedengedeelte als hierboven, een eigenaardige bekoring door de velerlei afwisseling die zij biedt en door de mengeling van blanken en zwarten uit alle oorden en van allerlei ontwikkeling, die men overal ontmoet. Men ziet zwarten geheel op Europeesche wijze, of in witte pakken gekleed, waarbij helmhoed en dikwijls wandelstok en cigarette niet ontbreken, naast inboorlingen, die zich aan den inlandschen heupdoek hielden. Terwijl de eersten zich hunne meerdere ontwikkeling goed bewust zijn en zooveel mogelijk de manieren der blanken trachten na te volgen, gaan de laatsten, gewoonlijk eetwaren op ’t hoofd dragende, stil huns weegs.

De vestiging van den Congo-Vrijstaat vooral heeft hier een grooten omkeer teweeggebracht in de oude toestanden. Hoewel de genegenheid bij de inlanders voor Boele Matadi (naam door de inboorlingen aan den Staat gegeven, die steenbreker beteekent, naar ’t laten springen van rotsen voor scheepvaart en andere doeleinden) zeker niet onverdeeld is, weten ze toch dat deze machtig is en niet met zich laat spotten; maar aan den anderen kant is men zich vrijwel algemeen bewust, dat onrecht, ook waar ’t blanken geldt, door de overheid niet geduld wordt.

Met ’t invoeren van een geregeld bestuur is de Staat ook reeds in ’t binnenland begonnen, maar Boma valt de eer te beurt, ’t eerst een burgerlijken stand gehad te hebben ook voor negers; hunne hutten zijn verder geheel op Europeesche wijze van nummers voorzien.

Klachten, twisten en dergelijke kunnen op regelmatige wijze voor ’t gerecht gebracht worden, en dat de rechtbank niet schroomt ook niet-inlanders te veroordeelen, bewijzen wel de vele gevallen, dat aan blanken voor korter of langer tijd hunne vrijheid ontnomen werd. De gevangenis te Boma herbergt zelfs enkelen, die voor zware misdrijven, w.o. dikwijls mishandeling van negers, tot vele jaren gevangenisstraf veroordeeld werden. Hoewel ook staats-ambtenaren zich, in vroeger jaren vooral, zonder twijfel meermalen aan machtsmisbruik schuldig gemaakt hebben, zij ’t hier gezegd, dat de Staat ze, als lichaam, al was het dan ook niet altijd even krachtig, voortdurend heeft tegengegaan. Ondanks de campagne vooral in de Engelsche pers telkens weer tegen den Congo-Vrijstaat gevoerd, is het een feit, dat de gruwelijke misdrijven, die helaas in ’t Congo-gebied meermalen bedreven werden, moeten toegeschreven worden aan wreedaards, die òf door hun misdadigen aanleg, òf door ’t gemis eener beschaafde omgeving, òf door ’t feit dat hunne beenen de weelde van ’t zich heerscher weten in een groot, moeilijk te controleeren gebied niet dragen konden, òf door welke oorzaken dan ook tot onmenschelijkheden vervielen. Door den Staat als zoodanig werden zij niet bedreven.

Ofschoon we de vele overige maatregelen en instellingen door den Staat hier ingevoerd stilzwijgend voorbijgaan, wenschen we, alvorens van Boma afscheid te nemen, nog te wijzen op de mogelijkheid door “Boele Matadi” geopend tot het sluiten van huwelijken tusschen negers, en dezen maken hiervan dikwijls gebruik; of ze echter het juiste inzicht hebben in de beteekenis van het burgerlijk huwelijk, mag betwijfeld worden, getuige de vele echtscheidingsprocessen, die Boma zelfs reeds gehad heeft.

Van Boma gaat de reis verder naar Matadi, het verst gelegen punt aan de rivier, dat door stoombooten bereikt kan worden. In tegenstelling met het gedeelte [284] beneden Boma is de stroom hier tamelijk smal; de geweldige watermassa dringt met zeer groote snelheid tusschen de hooge, steil oploopende oevers voort. De bergen, die met hunne steenachtige hellingen dit gedeelte der rivier aan beide zijden omsluiten, zeggen ons reeds, dat we het woeste, bergachtige terrein bereiken, dat zich vanaf Matadi tot Stanley-Pool uitstrekt en waardoorheen zich de Congo met onweerstaanbare kracht en woest geweld een weg gebroken heeft; een weg echter, die een aaneenschakeling is van stroomversnellingen, schietstroomen en cataracten. De steenachtige bodem en de duizenden rotsblokken waarlangs of waaroverheen zich het water, tallooze draaikolken vormend, bruisend en schuimend, dikwijls onder oorverdoovend geraas voortspoedt, maken de rivier over ± 400 K.M. voor scheepvaart totaal ongeschikt. Het laatste gedeelte der vaart naar Matadi gaat zelfs reeds bezwaarlijk en eischt vooral bij den zoogenaamden Duivelshoek nauwkeurige kennis van den stroom. Deze Duivelshoek is een zeer scherpe bocht in de rivier, juist beneden Matadi, waar het water met geweldige vaart om den sterk vooruitspringenden rotswand heenschiet. Onder het uitvoeren van den bijna rechten hoek, dien ons vaartuig hier moet beschrijven, dringt de stroom het met angstwekkende snelheid en onder sterk overhellen, dwarsover de rivier, op den tegenoverliggenden oever aan; het minste defect aan machine of stuurtoestel zou hier zeker noodlottig worden. Een zucht van verlichting gaat meestal op bij hen die hier bekend zijn, als men, na deze gevaarlijke plaats gepasseerd te zijn, Matadi voor zich ziet.


Factorijlaan te Banana.

Slechts enkele K.M. stroomopwaarts kan men de witte koppen zien der Yellala-Falls, de laatste der reeks van cataracten boven Matadi.

Juist tegenover de aanlegplaats onzer boot bemerken we op den rechteroever der rivier den ouden staatspost Vivi, oorspronkelijk gesticht door Stanley, toen deze hier bij zijn terugkomst in Afrika, eenige jaren na zijn beroemde reis dwars door het donkere werelddeel, voet aan wal zette, om zijne goederen—w.o. geheele booten zelfs—onder duizenden bezwaren over het bergachtige terrein verder te vervoeren naar Stanley-Pool.

Het overgroote deel van alle handelsgoederen, materialen voor den bouw van factorijen en booten, Europeesche levensmiddelen enz., die in groote massa’s voornamelijk door Engeland, Holland en Frankrijk naar het Congo-gebied verscheept worden, is bestemd voor den Boven-Congo en moet alzoo te Matadi gelost worden, waar de “Chemin de fer du Congo” het transport overneemt. De grootere handelshuizen hebben hier meest alle een factorij om dit transport te behartigen; men vindt hier verder verscheidene winkels en zelfs eenige hotels ten gerieve der vele blanken, die op hunne thuisreis of op weg naar boven zijnde, hier passeeren; de Staat heeft er een belangrijken post, waarvan vooral de douane-dienst een voornaam onderdeel uitmaakt. Van alle goederen, die hier gelost worden moet, ’t zij hier te Matadi, ’t zij te Brazzaville als ze voor Fransch-Congo bestemd zijn, 6%, van enkele, als zout, kruit en vuurwapenen 10% invoerrechten betaald worden. De uitgaande rechten, die de Staat hier voorts heft van de producten, waaronder vooral ivoor en gom-elastiek, die zijn gebied verlaten, vormen een belangrijk deel van de inkomsten der regeering.

Wat van Matadi vooral een tweede groote nederzetting aan de rivier maakt, is de zooeven genoemde Chemin de fer du Congo, de Congo-spoor, die onder bijna onoverkomelijke moeilijkheden, ten koste van vele millioenen en helaas ook van verscheidene menschenlevens—de hier en daar langs den spoorweg staande eenzame kruisen vertellen het ons—tusschen Matadi en Kinchassa, het eindpunt aan den Stanley-Pool, werd aangelegd.

Groote magazijnen tot opslag van de duizenden tonnen handelswaren, die hier altijd op transport wachten, werkplaatsen tot het herstel van locomotieven en waggons, waarin verscheidene blanken en honderden zwarten bezig zijn, opslagplaatsen voor steenkolen, rangeerterreinen etc. nemen al wat te Matadi aan eenigszins vlak terrein te vinden is geheel in beslag.

De naam Matadi (steen) zou moeilijk door een meer juisten vervangen kunnen worden. De plaats werd gebouwd op het onderste gedeelte der helling eener kale rots; de huizen staan gedeeltelijk op dezen steenklomp en werden er gedeeltelijk in uitgehakt.

Van wegen is hier geen sprake; ieder bouwde zijn huis, waar hij een plaats vond, die hem eenigszins geschikt leek; de verbindingen er tusschen worden gevormd door ongelijke paden, hier stijgend, daar dalend, op vele plaatsen ook al in den rotswand uitgehouwen.

Na zonsondergang is het gaan, zelfs voor hen die hier bekend zijn, en al laat men zich ook vergezellen van een zwarten lantaarndrager, wat trouwens bepaald noodzakelijk is, nog tamelijk gevaarlijk; maar ook over dag waagt bijna niemand zich aan een uitstapje. Van plantengroei is op dezen bodem geen sprake, en wanneer de zon op de naakte steenen [285] brandt is de hitte er haast ondragelijk; men doet hier zijne zaken en blijft overigens zooveel mogelijk onder de beschuttende schaduw zijner veranda.


De Koningin Wilhelmina, een der booten van de Ned. Afrikaansche Handelsmaatschappij.

De meeste te Matadi aankomende passagiers weten waarheen zich te wenden om huisvesting te vinden; zoo de ambtenaren van den Staat en agenten van hier gevestigde handelshuizen; verder zij, die in ’t bezit zijn van introductie-brieven aan hier wonende Europeanen. Wegens de primitieve toestanden, die men hier verwachten kan, voorzien velen zich van dergelijke aanbevelingsbrieven, en gastvrijheid wordt in den Congostaat gaarne verleend.

Wie niet zoo gelukkig is, neemt zijn toevlucht tot een der hotels. Deze zijn, een enkele betere inrichting niet te na gesproken, nu juist niet naar de laatste eischen ingericht, hoewel de prijzen, die men er in rekening brengt, met die van hotels van den allereersten rang in de beschaafde wereld kunnen wedijveren. Niet zelden moet men zich vergenoegen met een rustplaats op den vloer, terwijl men zich tot de bevoorrechten rekenen kan, als men ’s morgens het benoodigde waschwater na niet al te veel moeite bekomen kan. Doch aan den Congo stapt men over dergelijke kleinigheden zonder veel bedenken heen.


Cataracten in den Congo tusschen Matadi en Stanley-Pool.

Het is te begrijpen, dat de spoor een grooten omkeer te weeg bracht in het transport van reizigers en goederen, ’t welk vroeger uitsluitend per karavaan plaats had. Toch moet men ook hier zijne eischen niet te hoog stellen.

Op den morgen dat we Matadi verlaten, begeven we ons vroegtijdig naar het station. Het vertrek is bepaald op 7 uur en het is geen zaak zijn trein te missen, daar er, behalve de treinen voor het vervoer van goederen, slechts drie in de week loopen voor passagiers bestemd. Het ligt voor de hand dat de dienst op dezen spoorweg nog niet te vergelijken is bij dien op de spoorwegen in Europa. Het reizigersverkeer is zeer beperkt; verreweg de grootste bron van inkomsten bestaat in het vervoeren van handelsgoederen naar “boven” of van producten—ivoor en gom-elastiek—naar beneden. Het terrein, waarover de lijn moest worden aangelegd, leverde voorts bij nagenoeg elken K.M. nieuwe bezwaren op en, hoewel de spoorweg-directie voortdurend alles aanwendt om den weg te verbeteren, is men er nog lang niet in [286] geslaagd alle moeilijkheden—scherpe bochten, steile hellingen en dergelijke—overal te overwinnen.

De lange lijn, die hier en daar tientallen van K.M. achtereen door woeste, nagenoeg onbewoonde streken voortloopt, is bovendien moeilijk te controleeren. Natuurlijk ontbreekt het niet aan geregeld toezicht en wordt elken dag de afstand tusschen de blokhuizen door zwarte, daartoe aangewezen beambten, afgeloopen, maar de blokhuizen liggen ver van elkander en gebreken kunnen toch zoo gemakkelijk onverwachts veroorzaakt worden door de geweldige tropische regens of door het nederstorten van steenblokken, waarmede vele berghellingen langs den spoorweg zoover het oog reikt bedekt zijn.

Het kleinste gebrek aan den weg kan, door de groote afstanden, urenlang vertraging geven. Men heeft dan ook geen reden tot klagen, als de 200 K.M., die Matadi van Thysville scheiden, voor zonsondergang zijn afgelegd, al reed men dan hier en daar eens wat langzamer dan men het verwachtte of al werd het geduld door oponthoud onderweg al eens op de proef gesteld. De gedachte, dat deze afstand in Europa in enkele uren kan worden afgelegd en ’t dan niet noodig zou zijn tien uren en meer in den warmen waggon te vertoeven, komt wel eens in ons op, doch ’t zou onverstandig zijn er reden tot klagen uit te putten. Hen, die met Congo-toestanden bekend zijn hoort men dit dan ook trouwens niet doen; ’t is ook voldoende zich de manier te herinneren, waarop tot voor weinige jaren de reis van Matadi naar Kinshassa gemaakt moest worden, toen het geen zeldzaamheid was dat men, met de karavaan van dorp tot dorp reizende, 3 tot 4 weken onderweg was, om niet al te veeleischend gestemd te zijn. Men komt nu dan toch, tamelijk gemakkelijk gezeten, in twee dagen aan het einde der reis.

De gereedstaande trein, in tegenstelling met de goederentreinen bekend als de expres, zou in Europa hoogstens op den naam tram aanspraak kunnen maken. Behalve de machine zijn er slechts drie rijtuigen, een waggon 1e klasse, een dito 2e en een bagagewagen. De gesteldheid van den weg maakt het niet wel mogelijk de treinen langer te maken; bij veel aanvraag om plaatsen, wat wel eens voorkomt na aankomst eener mail uit Europa, laat men liever twee treinen achter elkander loopen; ook gebeurt het niet zelden dat in dit geval een deel der passagiers zich een paar dagen wachten moet getroosten.

Van de zenuwachtige drukte, die dikwijls het vertrek der treinen in de beschaafde wereld voorafgaat, bemerken we hier geen spoor. De negers, belast met het inladen der bagage, hebben blijkbaar geen haast en evenmin hebben dit de tien of twaalf passagiers, die de reis gaan ondernemen. Men zoekt een plaats of wandelt, nu het nog aangenaam koel is, wat langs het treintje op en neer in afwachting van het sein tot vertrek, dat zich meer of minder lang wachten laat, naarmate er wat meer of minder bagage te laden is. Er wordt trouwens op geen vijf minuten gekeken; we hebben den geheelen dag tijd om Thysville, dat ongeveer halfweg ligt, te bereiken en ’t maakt niet veel uit, of we er een uur vroeger of later aankomen.

Is eindelijk alles in orde en hebben blanken en zwarten in hunne respectieve waggons—het gebeurt zelden dat een der eerstgenoemden 2e of een der laatsten 1e klasse reist—plaats genomen, dan verkondigen een paar stooten op de fluit, dat de reis een aanvang neemt en spoedig hebben we Matadi achter ons.

’t Gezelschap waarmede we de reis maken bestaat, met uitzondering van enkele ouderen, d.w.z. zij die na reeds eenige jaren in den Congo doorgebracht te hebben weder naar hun werkkring terugkeeren, voor ’t grootste gedeelte uit nieuw-aangekomenen, die zich vol verwachting naar hunne bestemming begeven.

De draaibare rieten fauteuils, waarvan er aan elke lange zijde van het rijtuig zes geplaatst zijn, en het tafeltje, dat zich tusschen elke twee zetels bevindt, maken het mogelijk zich tamelijk goed voor de lange reis in te richten. Overigens laat de inrichting der wagens wel iets te wenschen over. Van ramen is geen sprake; wind en regen kunnen ongehinderd door de geheel open zijkanten naar binnen komen en maken den rit er dikwijls niet aangenamer op. Het grootste ongerief echter vormen de massa’s stof, hoofdzakelijk fijne aschdeeltjes uit de locomotief afkomstig, die onophoudelijk naar binnen waaien; er is meestal geen uur na het vertrek verloopen of aangezicht en handen zijn er dermate door verontreinigd, dat men met verlangen naar wat water uitziet. De enkelen die hierop gerekend hebben, door in een paar flesschen waschwater mede te voeren, worden benijd door hen, die, minder bekend met de eigenaardigheden dezer spoorreis, dit verzuimden en wien nu niets overblijft dan gebruik te maken van de gelegenheid tot verfrissching, die zich enkele malen voordoet, wanneer n.l. de trein eenige minuten stopt om uit een aan den weg op een hooge stelling geplaatsten bak zijn watervoorraad, voor den stoomketel benoodigd, aan te vullen.

De helderwitte kleeding, waarin velen onvoorzichtig genoeg de reis aanvingen, heeft het zwaar te verantwoorden en nog voordat we aan het eerste eenigszins groote station gekomen zijn, deelt ook deze reeds in de algemeene vergrijzing. Het hardst te verduren evenwel hebben het de oogen; bijna niemand komt aan het einde der reis, zonder dat de pijnlijke oogleden hem op onaangename wijze aan dit ongerief herinneren.

Dranken of eetwaren zijn onderweg niet te krijgen; hoogstens koopt men van inlanders, die men hier en daar, terwijl de trein oponthoud heeft, somtijds ontmoet, eenige eieren of bananen; het benoodigde, behalve brood en conserven ook glazen, vorken, messen, servetten, etc. voert ieder dan ook zelf mede.

Het is voorzeker geen luxe-trein waarin we plaats namen, en men is gewoonlijk verheugd te Kinshassa aan te komen; doch heeft de reis ook hare lichtzijde.

Het uitzicht is bijna overal belangwekkend genoeg om wat ongerief over het hoofd te zien; vooral het bergachtige land, de Palla-Balla geheeten, dat we al aanstonds na het vertrek van Matadi doorrijden, biedt een grootschen aanblik. De ruwe bergmassa’s stapelen zich boven en achter elkander op; ten deele kaal, ten deele met ondoordringbare bosschen bedekt, strekken zich de hellingen in eindelooze verscheidenheid uit; hier steil oprijzend tot ontzagwekkende hoogte, daar nederdalend in nauwe dalen en ravijnen, [287] die den aanschouwer doen duizelen. In duizenden bochten wringt zich onze trein door deze bergklompen heen. De weg gaat ten deele door de diepe ravijnen, tusschen steile, hooge muren, die ons met vernietiging schijnen te dreigen en die veelal ternauwernood ruimte genoeg overlaten om onzen trein te laten passeeren; die ontzaglijke bergklompen geven ons een gevoel van onmacht als we, uit de diepte er naar opziende, slechts zeer, zeer hoog een stuk van den blauwen hemel kunnen bespeuren. Straks weer kruipen we tegen een steile helling op, hoog boven alle omringende lagere toppen uit, om een oogenblik later in razende vaart bergafwaarts te snellen. We rijden over steenvlakten, waar de zonnestralen, door den gloeienden rooden of witten bodem teruggekaatst, ons oog verblinden, en door bosschen, waarin nauwelijks een straal der zon den grond bereikt en waar we in de verkwikkende koelte verademing vinden. Langs hellingen gaat het, waar de noodige ruimte in de steenmassa moest worden uitgehouwen. Aan de eene zijde staat hier de loodrechte, afgehakte bergwand nog op geen meter afstand; aan de andere zijde zien we bijkans loodrecht neer op bosschen, diep onder ons in het dal gelegen. Zóo smal is hier de weg, dat we naast de lijn zelfs geen grond meer bespeuren en we, ons vooroverbuigende, langs de steile helling loodrecht naar beneden blikken.

Op enkele plaatsen wordt de rotswand beneden ons door den Congostroom bespoeld. We bespeuren de helling niet die ons draagt, en schijnen te zweven boven het water, dat diep beneden ons zijn weg naar de zee vervolgt.

Eenige K.M. volgen we den onstuimigen loop van de Lufu, die zich onder ’t vormen van een reeks watervalletjes en stroomversnellingen naar den Congo voortspoedt; behalve den Lufu passeeren we de niet minder snel stroomende Quillo-rivier, beide linker-zijrivieren van den Congo. Vervolgens de Inkissi, waarover te midden eener grootsche wildernis een brug geslagen werd onder bezwaren, die moeielijk te overschatten zijn. Er komt geen eind aan de bochten en draaien in den weg; altijd door gaat het bergop-, bergafwaarts; onophoudelijk gilt de stoomfluit seinen toe aan de negerjongens, die op iederen wagen als remmer dienst doen, om, als het naar beneden gaat den loop te kunnen temperen. Er zijn punten, van waaruit wij de spoorbaan op vijf of zes plaatsen tegelijk in verschillende richtingen kunnen zien, een gevolg van de steile hellingen, plotselinge hoogten of laagten en dergelijke hinderpalen, waardoor de ingenieurs, met den aanleg belast, verplicht waren den weg dikwijls in cirkel- of slangvormige lijn tegen bergen op, of naar omlaag te leiden.

Na den nacht in Thysville doorgebracht te hebben, gaat het den volgenden dag verder, nu wat meer geregeld in dezelfde richting.

Tusschen Tumba en Kinshassa is het terrein minder woest en vertoont vooral over het laatste gedeelte een min of meer afloopende, onafzienbare vlakte, met hier en daar eenige heuvels. Behalve de schaarsche boomgroepen bemerken we, als eenige plantengroei, dor gras, waartusschen de witte zandgrond overal te voorschijn komt. Uren lang rijden we door deze dorre, eenzame streek voort, tot we eindelijk heel in de verte, vóór ons uit, het water van Stanley-Pool in de zon zien blinken en de plek bespeuren, waar Kinshassa ligt. Spoedig komen we voorbij n’Dolo, een der eindstations aan den Pool gelegen en bereiken vervolgens Kinshassa, het doel onzer spoorreis. Een onaanzienlijk houten gebouwtje, zonder eenige andere gebouwen in den omtrek, eenzaam te midden der vlakte gelegen, doet hier dienst als station.

Een groot gedeelte der reizigers, bestemd voor Fransch-Congo, verlaat den trein, om van hieruit de rivier naar Brazzaville over te steken; een ander gedeelte vervolgt de reis tot het eenige K.M. verder gelegen Leopoldville, na Boma de belangrijkste plaats in den Congo-Vrijstaat. Het eigenlijke eindpunt van den spoorweg is n’Dolo; hier en te Kinshassa worden de meeste handelsgoederen, van Matadi aangevoerd, gelost, om in stoombooten overgeladen en verder de rivier op verzonden te worden. Langs dit gedeelte van den Congo liggen dan ook de verschillende factorijen, vertegenwoordigende de Belgische, Hollandsche of Engelsche firma’s, die langs den bovenloop der rivier hunne vestigingen bouwden. Geen wonder dat n’Dolo en Kinshassa, van waar de rivier opwaarts weder over duizenden K.M. bevaarbaar wordt, evenals Matadi, voor den handel belangrijke punten werden. De Staat zag het gewicht van deze plek in en bouwde er zijn hoofdvestiging voor den geheelen Boven-Congo, Leopoldville. Toch was men in de keuze der plaats voor deze nederzetting niet gelukkig. Leopoldville ligt eenige K.M. lager aan de rivier dan Kinshassa en n’Dolo, juist beneden den Stanley-Pool en op het punt, waar de bergketens, die bij den Pool een verbazend wijde kom vormen, van weerszijden naar elkander toekomen. De breedte der rivier, voor Kinshassa ± 4 K.M. bedragende, wordt hierdoor plotseling tot op 1/3 teruggebracht, wat natuurlijk een ongemeen sterken stroom tengevolge heeft. Bovendien hebben de booten—bijna 100 in aantal—die de verbinding van Leopoldville met alle hooger gelegen staatsposten in stand houden, nog de gevaarlijke, onder water liggende rotsen te passeeren, welke juist in deze vernauwing der rivier veelvuldig voorkomen en die ongetwijfeld altijd een ernstigen hinderpaal voor de scheepvaart blijven zullen.

Juist voor Leopoldville bemerken we, midden in de rivier, de eerste der talrijke cataracten, die zich tot Matadi in een bijna onafgebroken reeks uitstrekken. ’t Is dan ook niet vreemd, dat velen zich met verwondering afvragen hoe de staat zijn tweeden belangrijken zetel kon vestigen op een plaats, zóó gevaarlijk en zóó moeilijk te bereiken voor schepen.

Zeker is Leopoldville de moeite van een bezoek wel waard, al hebben we dan ook vanaf Kinshassa een weg van bijna 2 uren gaans af te leggen. De grootsche werken, die men er heeft aangelegd, zijn een bewijs te meer voor de energie, waarmede de Congo-Staat zich in Afrika vestigde en er een geregeld bestuur tracht in te voeren.

Wij vinden er de op Europeesche wijze gebouwde woning van den “Commissaire de district” benevens de huizen voor de tientallen van ambtenaren, op de regeeringsbureaux werkzaam en voor het niet minder talrijke personeel, bij den aanleg van verschillende [288] kunstwerken, voor den bouw van magazijnen, stoombooten enz., benoodigd. Ten koste van schatten gelds legde de Staat een reusachtige kade langs de rivier aan ten behoeve der vele stoombooten, die onophoudelijk te Leopoldville uit alle hooger gelegen streken van den Congo-staat aankomen; men maakte er een sleephelling, waardoor de grootste booten zonder veel moeite op het droge gehaald kunnen worden om de noodige reparatiën te ondergaan. Een machinesmederij is er ingericht benevens een flinke werf, van waar reeds ongeveer 100 booten, die de Staat voor zijn dienst noodig heeft, te water werden gelaten en men bezoekt Leopoldville nooit, zonder dat men er getuige van zijn kan, dat er voortdurend nieuwe vaartuigen, grooter en beter ingericht dan de vorige, op stapel staan. De honderden blanken, die te Leopoldville geregeld verblijf houden, gewoonlijk vermeerderd met tientallen officieren en hoogere of lagere ambtenaren, die voortdurend per boot van “boven” of per spoor van “beneden” aankomen, maken van Leopoldville een bedrijvige plaats. In alles treedt de regeering hier op den voorgrond; op een enkel handelshuis na is alles hier “Staat”. Politie-post, justitie-gebouwen, hospitaal, een groot gebouw ingericht tot eetzaal, waar alle blanken in staatsdienst gezamenlijk den maaltijd gebruiken, postkantoor, kazerne voor de talrijke inlandsche bezetting van Leopoldville, tot zelfs een chemisch laboratorium, werden hier door het bestuur opgericht. Hier, waar alles met de grootste regelmaat toegaat, gevoelt men te zijn in het middenpunt eener machtige organisatie, eener krachtsontwikkeling, die zich tot op duizenden mijlen in het rond gevoelen laat.


Tent voor een blanke in een negerdorp.

In de nog geen 20 jaren, die sedert de oprichting van den onafhankelijken Congo-Staat verloopen zijn, is het dezen gelukt, tot aan de uiterste grenzen van zijn gebied zijn invloed te doen gelden.

Tot uitoefening van het bestuur is het rijk verdeeld in districten, elk met een districtschef aan het hoofd, die onder de onmiddellijke bevelen van de hoogste ambtenaren, de “inspecteurs d’État”, den vice-gouverneur en den gouverneur staan. Elk der districten, die in uitgestrektheid de meeste der Europeesche rijken overtreffen, is onderverdeeld in zônes, met een “chef de zône” aan het hoofd; onder dezen eindelijk staan een groot aantal “chefs de poste”, elk belast met het bestuur van een staatspost, die door het gansche rijk, op alle punten, die eenigszins van belang zijn, werden opgericht. Aan de “chefs de poste” is het directe bestuur over de bevolking in hun gebied toevertrouwd; zij zijn belast met de rechtspraak en hebben voor de naleving der wetten en besluiten te zorgen.

Door het geheele reusachtige Rijk heen werden wegen aangelegd, zoodat het centrale bestuur te Boma en te Leopoldville in geregelde en tamelijk goede verbinding is zelfs met de uiterste posten, die aan de oostgrens tot in het gebied van den Boven-Nijl, aan de zuidgrens tot aan de bronnen van de Zambesi gevonden worden. Met regelmatige tusschenpoozen van ± 2 weken varen goed ingerichte stoomschepen naar Stanley-ville—dat 2000 K.M. hoogerop aan de rivier ligt—en bovendien zijn vele langs den Congo gelegen posten telephonisch met Leopoldville en Boma verbonden. Ten behoeve van den telephoon, die zich welhaast tot Stanley-ville toe uitstrekt, werd door bosschen en over bergen langs de rivier een weg aangelegd, verscheidene meters breed, in lengte den beroemden postweg op Java verre overtreffende. Over deze geheele lengte wonen, op elke 10 K.M. afstand, zwarte beambten die met het onderhoud belast zijn.

Van Stanley-ville opwaarts tot het Lado, het uiterste punt in het N.O., en in Z.O. richting tot voorbij het Tanganyika-meer, zorgen reeksen van posten, langs zijrivieren of aan groote wegen gelegen, voor geregelde cano- of karavaantransporten ten behoeve der reizende staats-ambtenaren en voor den postdienst en het goederenvervoer. De reis, dwars door Afrika, die vroeger met zoo ontzaglijk veel bezwaren gepaard ging, is nu in enkele maanden te maken, nagenoeg zonder ontbering of gevaar en zelfs zonder dat het noodig is, in wildernissen of onbewoonde oorden te overnachten. Van dag tot dag liggen langs de geheele karavaan- of kano-route, van de groote meren tot Stanley-Falls, de staatsposten of de door de regeering opgerichte blokhuizen, die gelegenheid tot logeeren bieden. Van uit Stanley-ville bereikt men in enkele weken Leopoldville met de goed ingerichte staatsbooten, waarvan sommige meer dan 20 hutten tellen. [289]


Brazzaville. Hollandsche factorij.

Naar alle richtingen is het verkeer op dezelfde wijze geregeld. Brieven worden per post overal heen verzonden en niemand is zoo ver verwijderd of brieven uit Europa, via Leopold-ville of Stanley-ville verzonden, kunnen hem bereiken. In twee maanden is een brief, van uit Europa naar Stanley-ville, het hart van Afrika, verzonden, op zijn bestemming en in 2 à 3 maanden meer, na cano- en karavaanreizen, komen de poststukken aan op de punten aan de uiterste grenzen gelegen. Naar Europeesche begrippen is dit wel een verbazend lange tijd, maar men vergete niet, dat het hier betreft het gedeelte der wereld dat voor enkele tientallen van jaren nog zoo goed als onbekend was; waar doorheen te reizen als de moeilijkst uit te voeren en meest gevaarvolle onderneming gold en waar reizen, met de grootste nauwgezetheid en zonder kosten te ontzien, voorbereid, altijd jaren in beslag namen. Als bewijs voor de geregelde verbindingen, die heden ten dage bestaan, diene het volgende:

Een gewone brief, uit Europa verzonden aan iemand, wonend te Kinshassa, ging bij vergissing per Oost-Afrikaansche lijn. De brief kwam aan te Mozambique, aan de oostkust gelegen. Van hieruit reisde hij, dwars door Portugeesch Oost-Afrika, langs het Nyassa-meer en bereikte aan het Tanganyika-meer de eerste staatspost. Van post op post, eerst per karavaan, vervolgens per cano verzonden, kwam hij aan te Stanley-ville en enkele weken later ontving de geadresseerde hem, een weinig gekreukt en bezoedeld wel is waar, doch in ongeschonden toestand. De poststempels, waarmede de enveloppe bedekt was, maakten het mogelijk de route nauwkeurig na te gaan en bewezen, dat voor een brief nauwelijks 6 maanden voldoende waren om geheel alleen van uit Europa de reis dwars door het donkere werelddeel te volbrengen.

Hoe meer we de hedendaagsche toestanden bezien en vergelijken met die van 20 jaren geleden, des te meer staan we verbaasd over en gevoelen we bewondering voor wat in dit betrekkelijk korte tijdsverloop werd tot stand gebracht. Maar—des te meer ook betreuren we het, dat een grootsch werk, goed en flink begonnen en aanvankelijk tot een goed einde gebracht, de inrichting van een geordend bestuur over een streek, waar de meest barbaarsche gewoonten onder de bewoners bestonden, een werk aldus dat tot zegen van millioenen ondernomen werd, bezoedeld is geworden door misdadige handelingen van sommigen, die er aan hadden mede te arbeiden. Dubbel jammer ook dat de staat, hoewel als zoodanig niet in gebreke gebleven om machtsmisbruik, waar dit mogelijk was, te straffen, toch zelf niet geheel vrij te pleiten is van de beschuldiging, niet altijd met de noodige kalmte [290] en zachtheid te zijn opgetreden bij de vestiging en uitoefening van zijn bestuur.

Zijn machtigen arm te doen eerbiedigen, er desnoods met geweld ontzag voor af te dwingen, en eerst daarna te redeneeren, is, het moet helaas gezegd, dikwijls de stelregel geweest, waarnaar te werk gegaan werd bij de vestiging in nieuwe streken. We kennen verscheidene volksstammen voldoende, om de meening te kunnen uitspreken dat veel geweld achterwege had kunnen blijven, als men van het begin af het vertrouwen der negers door rechtvaardigheid, welwillendheid en het uitroeien alleen van verkeerde gewoonten had trachten te winnen. Zoo men, langzaam voortgaande, met bezadigdheid overal opgetreden was, inplaats van altijd voorop te stellen dat de negerchefs van inmenging van den Staat in hunne gebruiken niets wilden weten, had er zeker meer wederzijdsch vertrouwen blijven bestaan dan thans, nu men eenvoudig zijn wil heeft kenbaar gemaakt en desnoods heeft doen eerbiedigen. Zoo goed als het den eersten reizigers in het Congo-gebied is kunnen gelukken, contracten met negerhoofden af te sluiten, waarbij dezen het recht van vestiging der blanken erkenden, zoo goed had de Staat zich in zeer veel gevallen op minzame wijze kunnen verstaan met de groote prinsen, die een machtigen invloed op de meeste stammen hebben, als men niet steeds zijn macht vooropgesteld had. Krachtig ingrijpen zou, voornamelijk bij hoofden die belang hadden bij den slavenhandel, zeker niet te vermijden geweest zijn, doch dit was dan zelfs nog een daad van humaniteit geweest, waar het gold een einde te maken aan de vele gruwzame gebruiken, die onder de bevolking bestonden. Later, toen de Staat zich eenmaal had doen kennen als de macht die, zoo mogelijk goedschiks, anders met geweld, maar toch in elk geval, zonder omwegen bezit kwam nemen van het land, is gewapend optreden tegen hoofden, die Boele Matadi ongaarne hun gebied zagen naderen, dikwijls noodig geworden.

Dezelfde opmerkingen gelden op het gebied van belasting-inning.

Natuurlijk heeft de regeering inkomsten noodig om hare vele uitgaven te bestrijden; voor een groot deel verkrijgt zij deze uit de opbrengst der producten, ivoor en gom-elastiek, die de verschillende dorpen, elk tot een zeker bedrag, moeten leveren. Het moet erkend worden dat men niet altijd behoorlijke middelen te baat genomen heeft, om deze voortbrengselen te verkrijgen.

In plaats van de dorpen, vooral in het begin, niet te hoog te belasten en de negers, door te wijzen op de betere toestanden die geschapen werden, wat met deze belastingen te verzoenen, is dikwijls bijna het onmogelijke gevergd en zijn er voorbeelden van, dat vrouwen en kinderen opgepakt en weggevoerd, en chefs tot jarenlangen dwangarbeid veroordeeld werden. Met behulp eener uit de inlanders zelf gerecruteerde politie- en troepenmacht dwong men de bewoners van vele streken tot aanmaak van gom-elastiek tot elken prijs; in ontoegankelijke wildernissen, waar de moerassige ondergrond, slangen en viervoetige roofdieren het werken levensgevaarlijk maken, werden en worden helaas duizenden gedwongen, de gomgevende lianen op te zoeken.

Behalve de belastingen en deze verplichte arbeid werkt nog een andere factor mede om de bevolking van groote streken het juk van den Staat te doen haten, en wel, de gedwongen levering van levensmiddelen. De regeering n.l. legt verschillenden hoofden de verplichting op, eene bepaalde hoeveelheid kippen, eieren, manioc (het hoofdvoedsel van vele stammen) etc. op daartoe aangewezen markten te leveren.

Meermalen geen rekening houdende met de draagkracht der streek, en dikwijls evenmin met de woonplaats van hen die deze levensmiddelen moeten aanbrengen, dwingt men zoodoende de bewoners van vele dorpen, ongelooflijke afstanden af te leggen, teneinde ze te verkrijgen, of ter markt te brengen.

Ook werkt men, door de dorpshoofden voor de levering aansprakelijk te stellen, ze desnoods gewapenderhand bij te staan of te dwingen, machtsmisbruik in de hand. Niet zelden veroorzaakt de te hooge druk wanhopige uitbarstingen, altijd weer gevolgd door onderdrukkingen, die door hun ruw geweld wel wrok, maar zeker geen toenadering tot stand brengen.

Zeer te betreuren is het ook, dat de Staat in zijn rechtspleging de lichamelijke straf opnam en zijnen zelfstandigen ambtenaren, als chefs de poste en kapiteins der rivierbooten b.v., het recht geeft deze straffen uit te spreken.

De barbaarsche chicot, een soort zweep van ineengedraaide reepen nijlpaardenhuid vervaardigd, waarmede men de arme slachtoffers, dikwijls na enkele slagen op den blooten rug, bloedend verwondt, werd en wordt helaas nog al te veel gebruikt. Er zijn blanken, die er een soort van genoegen in scheppen, met dat verfoeilijke, niet genoeg te veroordeelen werktuig voortdurend spelenderwijs in de hand te loopen, als teeken misschien hunner macht, of waardigheid wellicht? Wel is het toedienen van lichamelijke straffen, niet uitgesproken door vertegenwoordigers der regeering, strafbaar en worden de bedrijvers, bij een aanklacht ook vervolgd, maar ook de Staat zelf moest ze niet toepassen, doch liever trachten het gruwzaam misdrijf, dat in Afrika een soort burgerrecht verkreeg, met krachtige hand overal uit te roeien. De bewering, dat dergelijke straffen noodig zijn, en men er in vele gevallen niet buiten zou kunnen, wordt in Afrika dikwijls geuit. Zij echter, die van deze meening zijn, missen òf het geduld, òf het rechtvaardigheidsgevoel om te beproeven of men met negers ook op andere wijze kan omgaan; of wel, zij wordt uitgesproken door lieden, die zich nooit de moeite gaven, de zwarten ook maar eenigszins van nabij te leeren kennen. Velen toch veronderstellen maar eenvoudig, dat het wel zoo zijn zal.

Gelukkig dat er anderen gevonden worden, die door hunne manier van optreden deze opinie logenstraffen. Er zijn voorbeelden van maandenlange karavaanreizen, soms door één enkelen blanke, vergezeld van talrijke dragers ondernomen, gedurende welke het niet eenmaal voorkwam, dat het gedrag der zwarten tot eenige ontevredenheid aanleiding gaf. Een weinig tact doet hier wonderen, waarover zij, die zoo spoedig de hand tot slaan opheffen, verbaasd zouden staan.

Gelukkig ook dat de overheid, zoowel in den onafhankelijken Congo-staat als in Fransch Congo, den inboorlingen [291] het vertrouwen gegeven heeft, dat klachten over lichamelijke kastijding met gerustheid voor het gerecht gebracht kunnen worden; de vrees voor straf houdt velen tenminste nu van hunne ruwe manier van optreden terug. Aan den Beneden-Congo, in de omgeving van Boma en Leopoldville en in het Fransche gebied te Brazzaville en omstreken behoort de chicot tamelijk wel tot het verleden. Ten zeerste te hopen is het, dat de regeering ook in de hooger gelegen streken spoedig op afdoende wijze tegen dit ergerlijke misbruik zal kunnen optreden.



Per stoomboot of per kano, het typische inlandsche vervoermiddel te water, verlaten we te Kinshassa het gebied van den Congo-Staat om, na den wijden Stanley-Pool overgestoken te zijn, te Brazzaville de Fransche Colonie te betreden.

Wie voor eenige jaren Brazzaville bezocht, zou door den aanblik der hier en daar verspreid liggende onaanzienlijke gebouwen zeker niet op de gedachte gekomen zijn, dat hij zich bevond in de tweede hoofdplaats der groote Fransche kolonie aan den Congo.

Vooral na een bezoek aan den Congo-Vrijstaat, waar overal de Staat zoo in alle opzichten op den voorgrond treedt, moest het den bezoeker van Brazzaville opvallen, hoe èn het gouvernement èn de handel zich hier met een veel bescheidener plaats vergenoegden, dan dit aan den overkant der rivier het geval was.

Zeker moet bij deze beoordeeling niet uit het oog verloren worden, dat Brazzaville, wat betreft de verbinding met de kust en het verkrijgen van de hulpmiddelen voor den bouw van huizen etc. en voor het onderhoud der blanken benoodigd, in ongunstiger omstandigheden verkeerde, dan het reeds beschouwde gedeelte van den Vrijstaat. In den tijd toen de spoorweg tusschen Matadi en Kinshassa nog niet bestond, was Loango, een plaatsje aan de kust van den Oceaan gelegen, de stapelplaats, waar de meeste goederen, uit Europa aangevoerd, werden opgeslagen en van waaruit ze per karavaan, langs een langen en moeilijken weg, naar Brazzaville vervoerd moesten worden. Wèl waren groote en vele bezwaren aan dit transport verbonden. De reis het binnenland in, nam 20 à 30 dagen in beslag en vooral in den regentijd (van November tot einde Mei ongeveer) waren de moeilijkheden niet licht te achten. Zware regens en niet minder de tornado’s, de van hevige stormen en geweldige slagregens vergezeld gaande onweersbuien, van welker hevigheid men zich in gematigder luchtstreken moeilijk een voorstelling maken kan, belemmerden zeer het geregeld verkeer. De vochtigheid van den bodem, waarop men dikwijls overnachten moest, was bovendien zeer nadeelig voor den gezondheidstoestand der dragers. De eindelooze vlakten zijn in dien tijd des jaars bedekt met welig opschietend gras, dat 3–5 M. hoog wordt; dit harde, scherpe gras, neergeslagen door den wind en den regen, bedekt het smalle voetpad, waarover de dragers achter elkander voortgaan, met een verward kluwen, dat niettemin altijd nog enkele meters hoog is. Men gaat er niet alleen tusschen- maar ook onderdoor; het beneemt aan alle zijden, ook naar boven, het uitzicht; met moeite vindt men hierin zijn weg, en als de zon er op schijnt is de drukkende hitte er bijna ondraaglijk. Op vele plaatsen treft men deze grasvlakten aan. Ook het trekken door de bosschen, waaronder vooral het Mayumba-bosch berucht is, was in dat gedeelte van het jaar eene lastige onderneming. Over berghellingen en door diepe valleien strekt dit bosch zich uit. De hellingen zijn dikwijls zóó steil, dat men er met behulp van lianen, wortels en stronken tegen opklimt of er langs afdaalt; in de diepten is de bodem doorweekt en op vele plaatsen herschapen in een moeras. Het doorwaden der menigvuldige stroompjes, op enkele gedeelten is 10 per dag geen zeldzaamheid, is altijd tijdroovend en lastig, soms gevaarlijk; in den regentijd in dubbele mate.

Zoo voorttrekkende, brachten de negers de 30–35 K.G. zware lasten naar hunne bestemming. Landwaarts ingaande bestonden deze natuurlijk uit alle soorten van handelsgoederen, levensmiddelen en factorij-benoodigdheden; teruggaande bracht de karavaan ivoor en gom-elastiek naar de kust over. Wel was er een kortere weg, n.l. per boot naar Matadi en vandaar over Manyanga langs eene karavaan-route van ± 15 dagen naar Brazzaville, doch door de dikwijls voorkomende twisten tusschen de stammen onderling, vooral in die streken, was deze weg meestal gesloten.

Dat de ontwikkeling van Brazzaville in dien tijd geen hooge vlucht nam, en er integendeel van ontwikkeling nog bijna geen sprake was, kan veilig voor een deel aan de lastige verbinding met de kust toegeschreven worden. Doch slechts voor een deel; een der groote oorzaken was zeker de weinige energie en vooral ook het gebrek aan tact van de regeering.

In den tijd toch toen het gouvernement te Brazzaville slechts een paar armelijke gebouwen had, waarin de enkele ambtenaren nagenoeg zonder meubelen of ander comfort gehuisvest waren, stonden te Leopoldville, waar men toch bijna even groote verkeersmoeilijkheden te overwinnen had, reeds flinke huizen voor de talrijke geëmployeerden van den Staat; had deze er een werf, waarop hij zijne stoombooten bouwde; een inrichting waar verscheidene blanken aan de machinerieën, hiervoor benoodigd, bezig waren e.d.

De karavaan-dienst van af de kust was in den Congo-Vrijstaat ook veel beter geregeld dan in het Fransche gebied. Bijna overal had hier de regeering, toen geen spoorweg nog het verkeer vergemakkelijkte, wegen aangelegd, die behoorlijk van plantengroei gezuiverd en goed onderhouden werden. Over de meeste stroompjes waren bruggen geslagen en over de geheele lengte vond men, op elke 4 of 5 uren afstand, huizen, die tot pleisterplaats voor doortrekkende reizigers dienden. In nagenoeg al deze posten hield een neger in staatsdienst verblijf om te zorgen voor water, hout om vuren aan te leggen, en dergelijke benoodigdheden. De Staat zag verder nauwkeurig toe op de capita’s, d.z. geleiders der karavanen, die aansprakelijk waren voor het aantal dragers waartoe zij zich verbonden hadden en voor de goede overkomst van het transport.

Waar de regeering van de Fransche kolonie zelfs niet bij machte scheen, in den onmiddellijken omtrek van Brazzaville de wegen ook maar eenigszins te doen onderhouden, ligt het voor de hand, dat van toezicht op den langen karavaanweg naar de kust, aan deze zijde der rivier bijna in ’t geheel geen sprake was. [292]

De weg bestond eenvoudig uit het smalle negerpad, dat de dorpen onderling verbond; van bruggen etc. was geen spoor te ontdekken. Ook het toezicht op de karavanen zelf en de contrôle over de goede aankomst liet veel te wenschen over. Wel had ook hier iedere capita een vergunning van het gouvernement noodig en was hij verplicht deze bij vertrek en aankomst op de Fransche posten te vertoonen, waardoor er ook op het aantal dragers eenig toezicht uitgeoefend werd, doch de gelden, die de regeering hierdoor van de handelshuizen, welke deze vergunningen moesten koopen, ontving, werden niet besteed voor verbetering van en toezicht op den weg, die de eenige verbinding met de kust vormde. Het ontbrak niet aan voorschriften en besluiten, doch de Franschen misten gewoonlijk de middelen en dikwijls den ernstigen wil, deze te doen nakomen. Meermalen kwam het b.v. voor, dat sommige lasten, waaronder dan dikwijls onderdeelen van booten en machinerieën, die met ongeduld verwacht werden, niet aankwamen. Bij onderzoek bleek dan meestal dat dergelijke stukken eenvoudig langs den weg weggeworpen waren en de dragers zich naar hunne dorpen begeven hadden, vooral als deze zich eenigszins in de nabijheid der route bevonden. Dikwijls ook vond men balen manufacturen, kisten kralen e.d., die reeds jarenlang vermist waren, toevallig in verschillende dorpen terug en, wat wel eigenaardig is, gewoonlijk waren ze ongeschonden bewaard en ontbrak er niets aan den inhoud.


Brazzaville. Residentie-gebouw.

Vooral de ontwikkeling van den handel in het Fransche gebied kon en kan op verre na niet op één lijn gesteld worden met wat de Staat in dit opzicht bereikte. ’t Is waar, er is heel wat aan te merken op de manier van handeldrijven in den Vrijstaat èn door de particuliere maatschappijen èn door de regeering zelf, en ’t ware zeker te wenschen, dat vooral de gom-elastiek-productie zich wat minder ontwikkeld had en de belangen der negers wat meer in ’t oog gehouden waren; doch hoewel de Franschen zich niet onbetuigd lieten om de wonde plekken hierin te helpen aanwijzen, er is in dit opzicht, waar het Fransch Congo geldt, niet alleen veel maar zelfs weinig minder te zeggen dan waar het betreft den Congo-Vrijstaat.

Eén inrichting te Brazzaville echter—en dit is een bewijs te meer dat de langzame ontwikkeling van de Fransche kolonie niet alleen aan de boven omschreven moeilijkheden geweten kan worden—kon de vergelijking met de beste Europeesche nederzettingen in den Congo-Vrijstaat doorstaan niet alleen, maar zocht er tevergeefs haars gelijke,—de factorij n.l. die hier gebouwd werd door de Nieuwe Afrikaansche Handels-Vennootschap. Deze groote Hollandsche Vennootschap, die haren handel op den Congo dreef reeds vóór de vestiging van den Vrijstaat of de Fransche kolonie, stichtte al jaren geleden hare factorijen langs de rivier; eerst langs het benedengedeelte, doch al spoedig na de reis van Stanley, al dieper en dieper het land ingaande tot aan den Stanley-Pool. Van uit Kinshassa ondernamen de Hollanders reeds hunne tochten naar het binnenland, tot aan Stanley-Falls zelfs, in de allereerste jaren der vestiging van den Vrijstaat, toen er van Franschen invloed aan de overzijde nog nagenoeg niets te bespeuren viel.

In den invloed, dien dit groote handelshuis in den Boven-Congo, vooral door de zeldzame energie van zijn begaafden vertegenwoordiger ter plaatse, steeds meer ontwikkelde, zag de Staat een gevaarlijken factor bij de vestiging van zijn gezag, zoodat na een eindelooze reeks van moeilijkheden de Vennootschap haren hoofdzetel voor het binnenland verplaatste naar de overzijde van den Stanley-Pool, naar Brazzaville.


Cabinda’s. (Koks, waschlui en tafeljongens).

De factorij van het “Maison hollandaise”, zooals het huis bij de blanken, of van “m’fumu n’tangu” (m’fumu = heer, prins, n’tangu = zon, m’tumu n’tangu = prins als de zon, zonneprins, zooals het wijd en zijd van Stanley-Falls tot aan de kust bij de negers bekend is), werd al spoedig een modelinrichting in deze streken. Zoowel wat de uitgestrektheid als wat den aanleg van het terrein en de inrichting der magazijnen en woonhuizen betreft, liet deze factorij alles, wat Brazzaville verder te aanschouwen gaf, in de schaduw. Toen de verbinding van de enkele Fransche handelsinrichtingen met de “Post”—het terrein waar het gouvernement zich gevestigd had—niets was dan een smal pad, dat zelfs nog niet altijd van gras gezuiverd werd, had men op deze factorij wegen aangelegd, honderden M. lang en [293] verscheidene M. breed, aan weerszijden beplant met palmboomen, die men uit den omtrek bijeengebracht had. Men vond er o.a. een keurig aangelegde laan van mango’s, bijna 1 K.M. lang, die, met de velerlei vruchtboomen en de bamboe- en koffieaanplantingen, van de factorij bijna een park vormden en de bewondering wekten van allen, die Brazzaville bezochten. Geen der hier verblijvende blanken, ’t zij vertegenwoordigers der Fransche handelshuizen, ’t zij ambtenaren van het gouvernement, verzuimde dan ook het Hollandsche Huis te bezoeken, en allen maakten gaarne gebruik van de gulle gastvrijheid die er hun steeds geboden werd. Terwijl zelfs de hoogste ambtenaren der regeering zich vergenoegen moesten met een woning van grauwe klei gebouwd en met riet gedekt, waarin de noodigste meubels zelfs ontbraken, waren de Hollanders gehuisvest in goed ingerichte huizen, tamelijk wel gemeubeld, voorzien van houten, witgekalkte daken en tegen de zonnestralen, ook ter zijde, door veranda’s beschut. De factorij had verder een veestapel; men vond er bloemperken, groentetuinen, manioc-aanplantingen voor de negers, die er verblijf hielden en een “oranje-park”, dat sinaasappelen, manderijnen en citroenen leverde. Ondanks de groote bedrijvigheid waarvan men er altijd getuige kon zijn, was de factorij steeds, in tegenstelling met de meeste Fransche nederzettingen, een voorbeeld van de grootste netheid en orde.


Handels-factorij langs den Boven-Congo.

Ook de aanwezigheid der hutten van de honderden zwarten, die er altijd in dienst waren, liet in dit opzicht niets te wenschen. Op verschillende punten der factorij woonden deze zwarte werklieden, eenigszins van de hoofdwegen af, in afzonderlijke dorpen als ’t ware, bijeen. Men vond daar de tamelijk goed gebouwde hutten der Sierra Leona’s en Accra’s, inboorlingen uit de Engelsche bezittingen aan de kust, die zich hier verhuurden als timmerlieden en metselaars. Ze zijn, over ’t algemeen, vooral eerstgenoemden, flinke werklui; spreken goed Engelsch, kunnen meerendeels lezen en schrijven, ontvangen zelfs de in hun vaderland verschijnende couranten per post en zijn bijna zonder uitzondering trotsch op het feit, dat zij bewoners zijn van een Engelsche kolonie en deel uitmaken van het, in hunne schatting, nagenoeg alles omvattende Engelsche rijk. Ook van de kust afkomstig zijn de Whyboys, die reeds in hunne armelijke hutten hunne mindere ontwikkeling toonen. Onder gezag van een headman komen zij, in gezelschappen van 30–60, uit Liberia. Zij zijn zeer gehecht aan hun vaderland en hun blijdschap kent geen grenzen, wanneer zij, na volbrachten diensttijd zich weer naar hun geboorteplaats mogen inschepen. Zij spreken wat gebroken Engelsch en worden in dienst genomen voor allerlei werk aan bootenbouw en in magazijnen, waarvoor zij door hunne groote lichaamskracht, gewoonlijk bijzonder geschikt zijn.

Van een geheel ander type zijn de Loango’s en Cabinda’s, bewoners van de Portugeesche bezittingen aan de kust. De meesten hunner spreken Portugeesch doch hebben van den omgang met blanken meestal niet veel goeds overgenomen. Zij zijn gelukkig, als zij dezen in zijne kleeding kunnen nadoen; loopen, zoodra zij als koks, waschlui of tafeljongens iets [294] verdiend hebben, met hoed en wandelstok, maar zijn dikwijls bekend om hun drankzucht, hun weinige eerlijkheid en hun onbetrouwbaarheid.

Ook uit den omtrek trekt de factorij hare werklieden. Begeerig naar de eenige meters goedkoope katoenen stof, die er maandelijks te verdienen vallen, komen de jongens uit de omliggende Balali- en Bacongo-dorpen dikwijls dagreizen ver loopen om hunne diensten aan te bieden. Na 12 maanden (zij tellen de manen) werk, dat gewoonlijk bestaat in terreinonderhoud, vee hoeden, op eenden en kippen passen, waterdragen etc., keeren zij dan, rijk met hunnen voorraad n’toie naar hunne dorpen terug, om zich meestal na verloop van eenigen tijd opnieuw te komen aanbieden, totdat zij genoeg verdiend hebben om zich in het dorp, als bezitters van een hut, eenige geiten en kippen, naar hun genoegen te kunnen nederzetten.

Bovendien trof men, buiten deze geregelde bevolking der factorij nog een aantal negers aan, van allerlei stammen diep uit de binnenlanden afkomstig, die als houthakkers dienst deden op de booten en hier tijdelijk hunne hutten opsloegen. En voor al deze handen was er altijd werk; nooit stond het bedrijvige leven stil en dikwijls zelfs kwam men arbeidskrachten te kort.

Evenzeer als de regeering had ook dit handelshuis natuurlijk te kampen met de moeilijkheden van het transport. Niettemin dreef men reeds een geregelden handel met de hooger gelegen streken; voortdurend brachten dragers goederen van de kust aan; niet alleen handelsgoederen en levensmiddelen, maar geheele stoombooten. Deze laatste werden in dien tijd, zooveel mogelijk in lasten van 30 K.G. uit elkander genomen, per karavaan aangebracht, waarna ze dan aan den oever der rivier in elkander werden gezet.

Overal in den omtrek was “m’fumu n’tangu” bij de inboorlingen bekend, en zonder twijfel zagen de meeste negerstammen in dit handelshuis machtiger lichaam dan in de administratie der kolonie.

Tot het aanzien, dat het Hollandsche Huis in deze uitgestrekte landstreken genoot, droeg niet weinig bij—’t dient ter eere van zijn chefs en employés gezegd—dat hier steeds streng gewaakt werd tegen machtsmisbruik. Men had natuurlijk geen soldaten of gewapende lieden in zijn dienst om de negers tot levering van de verschillende voortbrengselen te dwingen; men beproefde ook geen dwang, doch zocht slechts overal den vrijen ruilhandel te ontwikkelen, en—het huis bevond er zich goed bij.

Van zeer groot belang was begrijpelijkerwijs het bestaan van dit machtige handelshuis voor de Franschen bij de vestiging van hun gezag aan den Boven-Congo. Ontelbare malen stond het de regeering bij met zijne—voor dien tijd en die streken—rijke hulpmiddelen. Dikwijls voorzagen zijn magazijnen de Fransche posten aan de kust, bij Manyanga, of te Brazzaville, van de noodige handelsgoederen of levensbehoeften, en verscheidene malen bood het te Brazzaville zijn booten aan de regeering aan voor het vervoer naar boven van expedities en goederen; aanbiedingen, die steeds gaarne en dankbaar aanvaard werden. Meerdere beroemd geworden Fransche missies vertrokken zoo op Hollandsche stoombooten, met behulp van Hollandsch personeel naar de plaatsen hunner bestemming.

Meer en meer echter, naarmate de invloed der Franschen in den Congo grooter werd, naarmate de regeering meer ambtenaren en grooter hulpmiddelen kreeg, begon men met leede oogen de groote ontwikkeling van den Hollandschen handel gade te slaan; het duurde niet lang of de Vennootschap ondervond hiervan de gevolgen. Het “La France et ses Colonies pour les Français”, zoo dikwijls door regeeringspersonen en handelaars geuit, vond misschien nergens zoo sterk zijn toepassing als hier. Hoewel men het huis zijn reeds verkregen factorijen niet ontnemen kon, maakte men het den handel op een andere wijze ongeveer onmogelijk. Zonder rekening te houden met reeds verkregen rechten, werden uitgestrekte gedeelten der kolonie in concessie uitgegeven aan uitsluitend Fransche maatschappijen, die enkele jaren geleden, tengevolge van kunstmatig opgewekte belangstelling en overdreven voorstellingen, in grooten getale werden opgericht.

Binnen korten tijd was het recht van handeldrijven met de inboorlingen in bijna het gansche Fransche gebied tot de maatschappijen, die eigenaars werden dezer concessies, beperkt, waardoor nagenoeg de geheele kolonie voor den vrijen handel gesloten was. Vertoogen mochten niet baten. Men beriep zich op de tractaten waarbij de vestiging van Europeesche natiën in de Congo-streken geregeld werd—doch zonder resultaat.

’t Gevolg was, dat voor de Hollandsche vennootschap het bezit harer met moeite verworven factorijen langs de bovenrivieren bijkans waardeloos werd; van handeldrijven toch was geen sprake meer, nu ongeveer al deze factorijen lagen in de concessie van de een of andere in Frankrijk opgerichte maatschappij.

Wel heeft men het Hollandsche element niet kunnen verdrijven en hield het Huis zich, ondanks alle moeilijkheden en tegenwerking, staande door transportdiensten en ’t zoeken van nieuwe handelsverbindingen, doch de vrije ontwikkeling van zijnen handel werd voor goed gefnuikt.

Het resultaat dezer verdeeling in concessies is evenwel nòch voor de regeering, nòch voor den handel gunstig geweest. En geen wonder ook. Door de onbekendheid met de toestanden aan den Congo, onderschatte men al te zeer de moeilijkheden die te overwinnen waren; men stelde zich gouden bergen voor van de opbrengst der uitgestrekte concessies, waar men het recht van alleenhandel hebben zou en dus over de geheele gom-elastiek-productie te beschikken had. De teleurstelling bleef dan ook niet uit. De nieuw opgerichte maatschappijen ondervonden al spoedig dat oude toestanden, vooral in een land als Midden-Afrika, maar niet met éen slag te wijzigen zijn. De vestiging in Brazzaville zonder eerst vasten voet aan de kust te hebben, bracht onvoorziene hindernissen en ongedachte kosten mede. Bovendien, de reis van deze plaats naar de meeste der concessies was op zichzelf reeds bezwaarlijk genoeg; hoeveel te moeilijker en kostbaarder werd het niet, alle benoodigdheden en handelsartikelen naar die verafgelegen streken op te voeren! En dan de handel zelf. Het verkennen der uitgestrekte terreinen, waarvan zelfs geen kaarten bestonden; het uitzoeken der goede punten voor factorijen-bouw; het bekend worden met de eigenaardigheden der bevolking, die dikwijls [295] nog nooit in aanraking geweest was met Europeanen; het juist beoordeelen der artikelen, waaraan door de negers waarde gehecht zou worden, en waarvoor ze hunne producten, zoo deze tenminste in de concessie gevonden werden, wat ook nog niet altijd het geval was, zouden willen inruilen,—het waren even zoovele moeilijkheden, waarop nagenoeg in ’t geheel niet gerekend was.

Vreemd is het dan ook niet, dat de plotseling opgewekte belangstelling voor den Congo-handel in Frankrijk spoedig aanmerkelijk bekoelde. Tal van maatschappijen bereikten nooit eenig resultaat; vele brachten het niet verder dan het opzoeken hunner concessies, doch konden tot den eigenlijken handel maar nooit goed geraken. Andere leidden een kwijnend bestaan en zagen de opbrengst van de met moeite verworven voortbrengselen uit hun gebied, verzwolgen door de verbazend hooge kosten, die de vestiging in deze streken medebrengt; zelfs waren er maatschappijen, die nooit vasten voet kregen in hunne concessie. Enkelen slechts is het gelukt, den handel in hun gebied tot ontwikkeling te brengen.

Het gevolg der geringe ontwikkeling van den handel gevoelde de regeering der kolonie in een voortdurend gebrek aan de noodige geldmiddelen om haar gezag ook maar eenigszins voldoende te kunnen vestigen. Eerst in den laatsten tijd, nu Brazzaville tot zetel der regeering gemaakt is, heeft het gouvernement hier eenige behoorlijke gebouwen; tot voor kort was deze voornaamste vestiging der Franschen aan den Boven-Congo nog niet te vergelijken met vele der posten, die de État Indépendant langs de bijrivieren diep in het binnenland opgericht had. Nog zijn er geheele streken, waar geen regeeringsambtenaar te vinden is; zelfs heeft men toegelaten, dat sommige concessies jarenlang in exploitatie gebracht waren, zonder dat er ook maar eenige regeeringspost bestond in geheel de wijde uitgestrektheid. En zelfs waar men de posten vond, hadden ze zeer dikwijls gebrek aan het noodigste personeel. Van toezicht op de handelingen van hen, wier belang toch medebracht zooveel en zoo goedkoop mogelijk producten te verzamelen, was in sommige streken dan ook geen sprake; van bescherming der inboorlingen tegen willekeurige handelingen, in vele gevallen evenmin.

Het gelukkige voorschrift, waarbij in den Franschen Congo met alle lichamelijke straffen gebroken werd, heeft helaas niet kunnen beletten, dat ook hier vele ergerlijke daden van machtsmisbruik voorgekomen zijn, waaraan in enkele gevallen zelfs regeeringsambtenaren schuldig waren.

Zeer gezien is ook in de Fransche kolonie de regeering bij de inboorlingen niet; ook hier is een der hoofdoorzaken het innen van belasting in gom-elastiek. Tengevolge der veelvuldige botsingen hierdoor ontstaan, de dorpen die er voor vernield en de hoofden, die er voor gestraft werden, zijn de oevers der Sangha b.v. langzamerhand ontvolkt en trokken de eertijds in deze uitgestrekte streken wonende stammen al dieper en dieper het land in. In de weinig toegankelijke gebieden vooralsnog tamelijk veilig, leven zij hier voort in voortdurende oneenigheid met het gouvernement; veel inspanning en tijd zal het ongetwijfeld nog kosten, deze en vele andere stammen, die liefst zoo weinig mogelijk met de regeering te doen willen hebben, met den Europeeschen invloed te verzoenen en in de uitgestrekte kolonie een goed geordend bestuur te vestigen, dat aan machtsmisbruik, onderdrukking en verkeerde en wreede gewoonten bij de inlanders zelf, voorgoed een einde maakt.

Een struikelblok voor de regeeringen en ook voor de particuliere ondernemingen in het geheele Congo-gebied is het feit, dat geen blanke zich hier thuis gevoelt en de hieruit voortvloeiende voortdurende wisseling van dezen.

Zoowel zij, die er jarenlang vertoefden als de velen die eerst sedert korteren tijd de beschaafde wereld vaarwel zegden om het eigenaardige, primitieve Congo-leven met zijne vele ontberingen en vermoeienissen voor een tijd mede te maken, zij allen houden het oog gericht, ook onder de toewijding waarmede hier zoowel als elders de taak dikwijls opgevat wordt, op het tijdstip, waarop zij zich zullen inschepen aan boord van het stoomschip, dat hen terugvoeren zal naar de achtergelaten betrekkingen en naar de samenleving, waarvan zij zoolang waren uitgesloten.

En hiervoor bestaat reden. In geen land misschien, op geen hoekje wellicht van den aardbodem gevoelt men zich zoo van de maatschappij uitgesloten als in deze streken. Ongetwijfeld zijn er maar weinige door blanken bewoonde oorden, waar Europeesche invloeden een zoo weinig beteekenende factor zijn als hier.

Hoewel vooral in den Vrijstaat de toestanden reeds zeer veel verschillen met die van een 20-tal jaren geleden, hoewel de spoorweg een groote verbetering bracht in het verkeer met de kust, en brieven zelfs de meest verwijderde streken bereiken, missen de bewoners van alle eenigszins van de kust verwijderde plaatsen bijna allen comfort—de eenvoudigste dingen, waaraan men in Europa zóó gewend is dat men er hun bezit ternauwernood opmerkt, doch welker gemis men in Afrika zoo sterk gevoelt. Lectuur, een onderhoudend gesprek, een eenigszins gezellig verblijf en zoovele andere zaken, vroeger nauwelijks geteld, maar waaraan men, ter ontspanning na de afmattende warme dagen op reis of op de factorijen doorgebracht, hier juist dubbel behoefte gevoelt, ze worden hier gewoonlijk slechts ten deele, dikwijls totaal niet aangetroffen. Wanneer tegen den avond na de verzengende hitte van den dag alles wat verademt en de aangename koelte naar buiten lokt, maakt de zoo spoedig intredende duisternis en bijna overal ’t gebrek aan goede wegen zelfs een wandeling onmogelijk.

Verfrisschende dranken blijven overal in ’t binnenland buiten het bereik der factorij-bewoners, en zelfs te Leopoldville en te Brazzaville kan men er zich door de verbazend hooge prijzen—spuitwater en bier b.v. kosten zooveel als de beste wijnen in Europa—bijna niet van voorzien. Brood en aardappelen, de meest gewone en daardoor moeilijkst te ontberen spijzen—alle blanken, die niet in de nabijheid der kust wonen, moeten ze zich ontzeggen; het brood toch, dat op de factorijen gebakken wordt, verdient [296] meestal nauwelijks dien naam en aardappelen kunnen moeilijk hooger dan tot Leopoldville en Brazzaville opgevoerd worden.

Mag men zich in Europa al eens af vragen: “Vanwaar toch die langzame ontwikkeling, die bestendiging van oorspronkelijke toestanden in een land dat toch reeds meer dan 25 jaren door blanken bezocht en bewoond wordt”,—men behoeft niet lang aan den Congo te vertoeven om het antwoord op deze vragen te vinden. De groote hinderpaal n.l., die een goede ontwikkeling van Midden-Afrika in alle opzichten in den weg staat, is het ongezonde klimaat dezer streken. De koortsen, opgewekt door de uitwasemingen der vele moerassen of overgebracht door de muskieten, de stoornissen in de spijsverteringsorganen en de aandoeningen van lever en milt, waaraan de blanke hier blootstaat, zijn de hoofdoorzaken, die den Congo, en niet ten onrechte, om zijn klimaat berucht maken. Hoewel er ook in dit opzicht veel overdreven wordt, blijft het een uitgemaakte zaak, dat de vele ziektegevallen dikwijls met doodelijken afloop, die onder de blanke bevolking voorkomen, kolonisatie, of ook maar een eenigszins geregelde, meer duurzame vestiging beletten. Het ongunstige klimaat, veel meer dan de groote hitte—hoewel deze ook niet voorbij te zien is, waar reeds te 7 uur in den morgen, een uur na zonsopgang dus, de thermometer 80° aanwijst—maakt, dat de blanke het land, al heeft dit ook zeker zijn bekoring, blijft beschouwen als een tijdelijke verblijfplaats, die hij, zoodra de omstandigheden hem dit veroorloven, gaarne tegen de vroeger bewoonde oorden verwisselt.


Balali-dorp. Een negerdans.

Wanneer men, op de terugreis, per spoor Matadi nadert, kan men er getuige van zijn, hoe ieder met vreugde naar de te dezer plaatse gereedliggende stoomboot heenblikt, zoodra zij zich bij een der laatste bochten van den weg, eensklaps aan het oog vertoont.

Terugreizende na een verblijf van eenige jaren in het binnenland, kregen ook wij op dit gezicht het gevoel van rust, dat iemand ondervindt die, na een lange poos van ingespannen, afmattend werken, zijn doel bereikt en het werk achter den rug weet. Toen we het stevige houten dek der groote boot betraden en de ontelbare dingen terugzagen, waarmede we vroeger zoo vertrouwd waren, doch waaraan we in Afrika ontwenden, gevoelden we ons terug in de maatschappij en deelden we onwillekeurig in de algemeene opgewektheid, waarmede de tehuisreis door alle passagiers ondernomen wordt.

In het Balkanbergland van Bulgarije.


Dans van bulgaarsche boerinnen.

I.

Algemeene beschrijving van het Balkanbergland.—De West-Balkan en de kloven van de Isker.—De Midden-Balkan en de zone der kalkformatie.—Dronovo en zijn houtsnijders.—Trevna.—Radevtsi en de mijnen.—Een schilderachtig steenkolenbekken.—Het groote Balkanwoud.—Kleurrijke dorpstooneelen.—De herberg Boroesjtitsa en het dorschen.—De zuidhelling van den Balkan.—Seltsi.—De ontwouding.—Door de bedding van den stroom.—De aankomst in het dal der rozen.

De Balkan, het oude Hemusgebergte, vormt in zekeren zin Bulgarije’s reden van bestaan, want meer dan in alle zoogenaamde Balkanstaten vindt men daar den eigenlijken Balkan. Dat groote gebergte, dat bijna in een rechte lijn, eigenlijk een zeer flauwe boog, loopt, is als ’t ware de middennerf van het land en scheidt twee vlakten van elkaar. Het is de ruggegraat, waaraan de spieren zijn bevestigd. Geologisch gesproken, is door bewegingen, die van den Balkan uitgingen, het geheele schiereiland ontstaan.

Men moet zich intusschen op grond van de min of meer woeste reputatie, die de Balkan in de geschiedenis heeft gekregen, geen Alpen, zelfs geen Pyreneeën voorstellen. Het Rhodope-gebergte, ook nog in Bulgarije, is vrijwat hooger in het land van Rila en Mies Alla, waar het toppen van 2900 meter heeft. Daarbij zijn de toppen er steiler, houden langer de sneeuw vast en maken met hun granieten steilten meer een alpinen indruk.

De Balkan reikt niet hooger dan 2400 meter, en de kam van het bergland, die voor het meerendeel uit gneiss bestaat, heeft een verweerd aanzien; de zachte hellingen zouden doen denken, dat het bergland ouder is dan in werkelijkheid het geval is. Op een afstand lijkt daardoor de Balkan, gezien uit de vlakte van Sofia, uit Philippopoli of in het noorden vanaf het plateau van Plewna of Tirnovo, op een zacht golvende zee. De schilderachtigheid lijdt er onder, ten minste naar den zin der alpinisten, die slechts van hooge hoogten en diepe laagten droomen; maar de Balkan heeft juist aan die geringe hoogte zijn prachtigen rijkdom aan eeuwenoude bosschen te danken, bosschen, die niet enkel uit dorre dennen bestaan met hun lijkkleurige tint, passend bij een land van sneeuw en nevel, maar waar forsche beuken staan met lichte stammen naast hooge eiken, waardoorheen het zonlicht spelen kan en lichtende plekken tooveren kan op het groen van het heestergewas aan hun voet en op de grijze voetpaden.

Zooals bij zeer veel bergketenen het geval is, zijn ook bij den Balkan de hellingen zeer verschillend, [314] want terwijl aan den noordkant het land langzaam in terrassen afdaalt, wordt de zuidelijke helling plotseling door diepe dalen afgebroken, waarlangs zich een reeks van warme bronnen vertoont.

Voor den geoloog is de Balkan de verheffing van den bodem, die opgeworpen is tegelijk met de Alpenketen tusschen twee vaste kernen, namelijk het plateau van de Donau en van Zuid-Rusland aan de eene, en het Rhodope aan de andere zijde. Zoo vormt de Balkan een voortzetting van de Alpen in Transsylvanië, beginnend bij Orsova aan de Donau met een richting noord-zuid en zich oost-westwaarts ten noorden van Sofia voortzettend, om daarna in noord-oostelijke richting gaande, bij kaap Emineh aan de Zwarte Zee te eindigen. In dat laatste gedeelte, voorbij Slivno, worden de verheffingen lager, er doen zich groote vlakten voor en de kamhoogte neemt langzamerhand af van 800 meter in het westen tot 400 in het oosten. De aardrijkskundigen rekenen gewoonlijk een beperkter terrein tot den Balkan, namelijk van af de Stara Planina tot ten oosten van de kloven der Isker.

Op de kaarten onderscheidt men buitendien in de keten tusschen Vratsa en kaap Emineh een geheele reeks van plaatselijke Balkans, gewoonlijk genoemd naar de naburige stad, waaronder, van het westen naar het oosten gaande de belangrijkste zijn de Balkans van Berkowitza, van Vratsa, van Etropole van Zlatitsa, Veliki Slivno en noordwaarts die van Kodsja en Karnabad.

Ten noorden en ten zuiden bestaan er nog parallelle ketenen, zooals de Balkan van Derbend en in het zuiden die van Toendsja, de Sredna Gora of Karadsja-Dagh, die niet veel meer is dan een hooge heuvel.

Ik kom straks uitvoerig op den centralen Balkan terug, waar ik mijn eerste exploratie in Bulgarije heb gedaan; maar eerst moet ik een denkbeeld geven van den West-Balkan, door dien te volgen langs de hoofdinsnijding, de kloven van de Isker, waar wij een geheel ander landschap krijgen te zien dan in den centralen Balkan van Radevtsi.

Van Sofia naar Plewna en Roestsjoek is de weg, dien wij zullen volgen, als het ware aangegeven door den eigenaardigen doorgang van de rivier de Isker door het bergland. Logisch schijnt het bekken van Sofia zijn natuurlijke afwatering te zullen hebben aan de zuidhelling van den Balkan en in de lengte langs Zlatitsa, Derbend en de Toendsja. Een rij van alluviale gebieden geeft op de kaarten der geologen dien schijnbaar normalen loop aan, waar tegenwoordig verschillende vrij hooge drempels in zijn, zooals te Derbend en te Kalofer, waar de Balkan zich aansluit bij den Sredna Gora en het Rhodope-gebergte. In plaats van zoo te stroomen, gaat de Isker dwars door den Balkan naar de kust, snijdt het bergland nog eens op een plek, waar het 1400 tot 1500 meter hoog is, en moet dus door zeer diepe dalen stroomen, waarna zij uitkomt op de Donau-vlakte ter hoogte van ongeveer tweehonderd meter.

Als men tegenover zulk een verschijnsel staat, dat niet zoo zeldzaam is in bergstreken, vindt men dikwijls dadelijk de verklaring in het feit, dat later in de buurt een groot hoofddal is gevormd, en dat daardoor de oorspronkelijke weg is veranderd en de rivier lager dan haar aanvankelijken loop is gebracht. Op die wijze staan de kloven van Tamina bij Ragatz in Grauwbunderland in verbinding met een oude bedding van den Rijn. De hoofdstroom, die een anderen loop had genomen, heeft verder op een lager niveau gestroomd, en de Tamina heeft zich, om die lagere bedding van den Rijn, dien zij bij Ragatz binnenvalt, te bereiken, langzamerhand al dieper kloven uitgeschuurd.

Met de Isker is dat niet gebeurd, en omdat het bekken van Sofia zijn afwatering vindt naar de Donau, moet men wel denken, dat in den aanvang de natuurlijke helling in die richting liep, dus dat de kom, waarin Sofia lag, een hooger niveau had dan de Balkan, of dat de afscheiding tusschen dat bekken en de Donau zoo weinig beteekende, dat zij voor den aandrang van het water bezweek. Daar de Balkan zeker toen, vóór hij door erosie was afgesleten, veel hooger was dan tegenwoordig, moet men voor het bekken wel een verlaging van duizend meter aannemen, als men den primitieven toestand met den tegenwoordigen vergelijkt. Dat bekken nu heeft geheel het voorkomen van een instortingsbassin, de rechtlijnige en steile grenzen, een gordel van rotsen van eruptieve gesteenten, en langs den geheelen zuidrand een reeks van warme bronnen. Men is dus geneigd te veronderstellen, dat de instorting zich nog in den jongsten tijd weer heeft voorgedaan, nadat de tegenwoordige hydrografische gesteldheid vasten vorm had aangenomen.

Een andere aanwijzing voor die nog jonge beweging zou men in den Balkan van Veliki kunnen vinden, waar er een groot verschil in hoogte is tusschen den kam van het gebergte en de lijn der waterscheiding, terwijl de hevige aardbevingen, waaraan Sofia dikwijls blootstaat, waar toch over het geheel de centrale Balkan zeer stabiel is, een bewijs te meer zijn voor het bestaan van een zwak gebied, dat een algemeene lijn van dislocatie volgt. Hoe het zij, de Isker, die in de vlakte van Sofia niet anders is dan een net van waterwegen, die daar convergeeren, heeft al dat water tot een rivier vereenigd, als zij langs Koemaritsa en Koerilo vloeit, om daarna in de kloven van den Balkan te verdwijnen, en er op verschillende plaatsen een echte geologische doorsnede te maken, die wij thans gaan beschrijven.

De petrografische gesteldheid is hier zeer bijzonder door de aanwezigbeid van steenkoolhoudende lagen en permische gesteenten. Langs de Isker met haar geel water gaan we eerst zigzagsgewijze door roode, bruine, zwarte of violette terreinen, waar de hellingen afgesleten zijn en vol puin liggen, alsof men langs de Aumance, de Cher en de Sioule ging.

Het eigenlijke karakter van die bulgaarsche kloven, dat hen vergelijkbaar maakt, niet met de granietdalen van het centraal plateau, maar met de cannons van de Jarn en de Jonte, openbaart zich eerst verder, als het secundaire kalkgesteente met zijn horizontale lagen voor den dag komt en in het landschap zijn tafelvormige banken brengt, die als kleurige terrassen boven elkander zijn gelegen, verbonden door zachte met gras begroeide hellingen. [315]

Daar is de kalk verweerd en verscheurd in de hoogte, beneden vol grotten, en zij vertoont al die vreemde erosieverschijnselen, die verdwijningen en verschijningen van rivieren, al die kloven en afgronden, die bij zulk een gebied behooren. De kleuren van het gesteente loopen van het grijs tot het vermiljoen en het oranje, afgebroken door het bleekgroen van grasvelden, waarop de struiken en boomen donkerder vlekken werpen. Bij mooie lichteffecten kan het er wonderbaarlijk schoon zijn.

De weg slingert zich en kronkelt, en telkens is de aanblik weer anders. Een oogenblik komen kristallijne rotsen voor den dag, die aan het landschap aan de Creuse herinneren; dan volgt weer kalkgesteente, maar nu onderstboven geworpen of opgericht tot verticale wanden en tot door den regen afgesleten kale steilten, die op wonderlijke natuurlijke muren gelijken.

Als wij nu den centralen en oostelijken Balkan willen leeren kennen, kunnen wij ons overgebracht denken naar het oude en merkwaardige stadje Tirnovo, dat het uitgangspunt van onze reis zal zijn. Deze Balkantochten, ondernomen eerst in September 1904, daarna in Mei 1905, hebben achtereenvolgens tweeërlei wetenschappelijk doel gehad, vooreerst de studie van de steenkoolformatie, die een groote uitgebreidheid heeft tusschen Grabovo en Slivno, en dan het zoeken van het hydrologisch verband tusschen den Balkan en het voorland der Dobroedsja. Die studie, waarvan ik hier niet zal behoeven te spreken, heeft mij ertoe gebracht met bijzondere zorg de streek na te gaan, gelegen tusschen Trevna en Seltsi, dan het bergland tusschen Kazanlik en Slivno te volgen tot Kotel, waarbij ik nu de eene, dan de andere helling volgde.


Kaart van het Balkanbergland van Bulgarije.

Andere tochten voerden mij naar het Zuiden door den Sredna Gora naar Nova Zagora, naar het Noorden tot Djoemaïa en Sjoemla, naar het Oosten tot Yamboli en Boergas. Van al die streken ga ik nu een en ander vertellen.

Bij het vertrek van Tirnovo heeft men een goeden weg, waar ook spoedig een spoorweg zal loopen zuidwaarts naar Dronovo, Trevna en Radevtsi, het voornaamste punt waar men tegenwoordig in den Balkan aan steenkoolwinning doet. Na een laatsten blik op de stad Tirnovo, die amphitheatersgewijze boven de Jantra is gebouwd, loopt de weg recht over het plateau, en tot Trevna hebben wij het gewone schouwspel van de voorbalkansche hoogvlakte, verbouw van koren en maïs, waar zich hier mijnbouw bijvoegt.

Als men de bergen nadert, krijgt men aan den zuidkant meer beschutting, en daar het er koeler is, heeft alles in het landschap ook een frisscher aanzien. Daar doet zich aan den kant van den weg een herberg voor, geheel omgeven door hooge bloeiende rozen. Die bloemrijke hagen zouden wij niet hebben kunnen zien bij Plevna of Rasgrad, en nu bespeuren we ook hier reeds de eerste uitloopers der bergen.

Dronovo, waar wij stil houden, is een zeer schilderachtig dorp in oud-turkschen stijl; de bewoners hebben een zekere reputatie in het houtsnijden, en geven er blijk van, dat ze die verdienen, door de wijze waarop zij hun huizen hebben versierd. De donkerbruine balken zijn voorzien van het mooiste beeldhouwwerk, en de omlijstingen van deuren en vensters zijn eveneens sierlijk gegraveerd. In dat opzicht is het ’t allermooiste stadje dat ik in Bulgarije heb gezien, niet banaal, niet modern, maar bestaande uit huizen van zonderling ongelijken stijl, met overhangende daken en luifels en winkels beneden aan de straat als bij een turkschen bazar, die schuil gaan onder afhangende luiken.

Na Dronovo gaat het terrein meer afwisseling in hoogte bieden, en er doen zich bosschen voor, groote wouden van prachtige eiken en beuken, juist als bij de voorbergen van de Pyreneeën. Men passeert Trevna en is dan midden in het bergland. De weg is dan meteen verdwenen. Wij gingen intusschen nog verder langs het stroompje over een pad, dat [316] vroeger een weg was geweest, waarbij van onze vier paarden de helft in de rivier, de andere helft op de helling liep, en zoo komen wij eindelijk te Radevtsi, diep in het dal gelegen, op het punt, waar plotseling de berg voor u staat, die dan enkel maar toegankelijk is met muildieren of paarden.

Men kan te Radevtsi twee dingen duidelijk onderscheiden, een bekoorlijk bulgaarsch dorpje, waar het wemelt van heerlijke schildersmotieven, en twee kilometer verder een steenkolenmijn, waarvan men maar enkele gebouwen ziet en een eindje spoorweg, terwijl al wat er verder bij behoort hoogerop in den berg verscholen ligt achter een zwaar beukenbosch. In het gebouw van de mijndirectie, dat vroeger een veel te prachtig paleis was en nu ongebruikt is en verlaten zonder glasruiten in de vensters, zoodat van alle kanten wind en regen er kunnen binnendringen, installeeren wij ons, om er gedurende enkele dagen ons hoofdkwartier te vestigen.


Dronovo, dorp in oud-turkschen stijl.

De volgende dagen begonnen de tochten rondom Radevtsi naar de verschillende ontginningen der steenkool, die overal zwarte vlekken vormen in het landschap, aan den rand der bosschen, der voetpaden en in de diepe kloven. De bevolking is volkomen goed op de hoogte van haar rijkdom, die met behoorlijke zorg geëxploiteerd wordt in tallooze galerijen en waarvoor geregeld concessies worden uitgegeven.

De voornaamste van die steenkoollagen, die van de concessie van prins Boris, zijn al in 1871, nog ten tijde van de Turken, ontgonnen onder leiding van een oostenrijkschen ingenieur, den heer Schroeckenstein.

Later kwam een Franschman, die in het land was gekomen om er een spoorweg aan te leggen, op het denkbeeld er ontginningen te doen en vormde een fransche maatschappij, die na allerlei wisselende ervaringen de mijnen nog in eigendom heeft. Maar de werken dier maatschappij werden uitgevoerd met te veel pracht en weelde en noodelooze installaties, en het gemis aan practischen zin, zoo dikwijls kenmerkend voor industrieën, die van uit de verte bestuurd worden door een parijschen raad van administratie, met een onbekwamen plaatselijken chef, deed zich ook hier gevoelen. De onvoldoende afzet, dien men wel dadelijk vooruit had kunnen zien, is aanleiding geweest, dat men reeds lang het werk heeft gestaakt, en alleen als de ontworpen spoorweg Tirnovo-Boroesjtitsa gereed zal zijn, zal het kunnen worden hervat.

Buiten die exploitatie, die een echt industriëel karakter heeft gedragen, wordt er in het klein steenkool gewonnen, nu eens aan de oppervlakte, dan in galerijen in den berg. De kool van de oppervlakte wordt zeer gemakkelijk gewonnen, maar het vervoer per muilezelrug langs de bergwegen tot aan de kleine industriestadjes in den Balkan verhoogt zeer den prijs.

Een bezoek aan een steenkolenbekken levert gewoonlijk niets schilderachtigs op, en er zijn weinig landen ter wereld leelijker dan die van de belgische mijnen en die van Noord-Frankrijk en Silezië. Ofschoon het mijnwerkersleven de stof kan leveren voor forsch schilderwerk en mooie onderwerpen kan bieden aan de hand van den beeldhouwer, wanneer een geniaal kunstenaar als Constantin Meunier ze met antieken ernst behandelt, het leven zelf is vuil en treurig en bedroevend, en in het algemeen behoeft men geen mijnwerker te worden, om landschappelijk schoon te kunnen bewonderen. De tegenstelling is veelal groot met een andere soort van mijnen, waar metaal uit den bodem wordt gehaald aan de oppervlakte van de bergen, dikwijls te midden van bosschen, waar in diepe uithollingen als grotten de arbeiders vrij ademhalen en op hun gemak werken, [318] om des avonds in het licht van den ruimen horizon huiswaarts te gaan tot hun tweede leven, dat van kleine landbouwers en hun bescheiden woning, die zij alleen met hun gezin bewonen.


Boeren bij de herberg te Boroesjtitsa.

Maar de steenkolenmijnen in den Balkan hebben alle bekoorlijkheid, die anders eigen is aan metaalmijnen, en onze dagelijksche ritten te paard om ze achtereenvolgens te bezoeken, waren een prettige uitspanning. Elken morgen trokken wij zoo door de prachtige beukenbosschen, langs lichtende voetpaden, langs groene kloven, waarin het water ruischte, naar de verschillende mijnen en naar de hoogten, van waar men het dal overziet. Dan daalden wij daar dikwijls in af en bestegen, over de rivier gaande, den tegenoverliggenden kant. Overal vond men in die bosschen, die men zich als onbegaanbaar en woest zou voorstellen, de heerlijkste wegen, waar men zich in een park zou wanen, en als het ons lustte, ze voor eenige oogenblikken te verlaten, konden we nog altijd te paard door het bosch rijden, zonder voor een van die onaangename verrassingen bang te moeten zijn, die u op eens brengen bij een diepen afgrond, zooals er spoedig een den stoutmoedige zou tegenhouden, in wiens brein het zou opkomen, een dergelijke poging in de Pyreneeën te wagen.

Ik durf niet hopen, dat het mij gelukken zal, door woord of beeld een denkbeeld te geven van de bekoorlijkheid van dit land. Wie heeft wel niet eens gezien, en wie kan zich niet voorstellen een bosch van mooie beuken op een zachte berghelling, met frissche stroompjes in de dalen en kloven? Maar de schoonheid aan de Balkanbergen eigen op hun noordelijke helling en op hun toppen, is de verrassende uitgebreidheid van dit woud, waar men geheele dagen lang op goed geluk door heen kan rijden, in het door ’t gebladerte gefiltreerde licht van een warme oostersche zon, die aan de schaduwen nog haar glans verleent en u toch niet hindert met haar gloed.

Aan den voet der bergen, zooals te Radevtsi, heeft men overal kleine dalen vol planten, die toch niet somber zijn, met heldere beekjes, voortstroomend onder de boomen, te midden van weiden, over beddingen van witte steenen, kabbelende beekjes, molens met watervalletjes en allerliefste dorpen. Hooger, op de eerste terrassen, volgen boomgaarden met appel- en pruimenboomen, de korenvelden op de afgeronde heuvelhellingen, en dan beginnen spoedig de beuken- en eikenwouden, die alle hoogere deelen van het bergland bedekken.

Het zijn dichte bosschen met hier en daar enkele reuzenboomen, een park, waar ons de weg gewezen wordt door een boer met bruine jas en broek en bruine muts, die voor de leus een bijl over den schouder draagt, alsof wij hier op deze gemakkelijke bergen ooit ons een weg zouden hebben te banen.

Het dorp Radevtsi, waar wij bij onze tochten steeds op terugkomen, is een der mooist gelegene en schilderachtigste onder de vele, die in de dalen en op de hellingen van den Noord-Balkan liggen. De leemen huizen zijn met een witte kalklaag bestreken, en onder het overhangend dak, dat op palen rust, is een soort van veranda of terras, op die palen gedragen. Rondom het huis staan de hooioppers en graanhoopen, die gele vlekken vormen in het landschap. Hier en daar zijn ze reeds aan de herfstbezigheid, om het met behulp van paarden en ossen te dorschen. Bij de boerenhuizen staan verder de bakkersoven, de groote kuip voor het koken der pruimen, en de hoopen dorre bladeren en takken, die ’s winters tot ligstroo moeten dienen voor het vee.

Denk u nu boomgaarden op den heuvel, waar de huizen tegenaan zijn gebouwd, let op de heldere kleuren der tomaten op de velden en der ritsen uien, die aan de balken der afdakjes hangen, en gij zult begrijpen, dat een bulgaarsch dorp, waar de vrouwen ten overvloede bonte hoofddoekjes en boezelaars dragen, veel kleurige tooneelen oplevert.

Als bij die genoegelijke tochten door de eindelooze bosschen het uur voor den maaltijd was gekomen, hielden wij stil aan den oever eener beek, maakten een vuur aan van takken en braadden een stukje vleesch of een mager kipje, waaraan de buitenlucht en de vermoeidheid den fijnsten geur verleenden.

Dan gaat het weer verder op den ontdekkingstocht door de groote bosschen, waar wij aan den rand de zon gloeiend zien ondergaan en een langen blik kunnen slaan op de zacht golvende vlakten, die zich tot heel in de verte, tot over de Donau uitstrekken.

Enkele dorpen en schilderachtige hoekjes hebben op die tochten, voortgezet tot op een afstand van vijftien kilometer van Radevtsi, een eigenaardige herinnering bij mij achtergelaten. Zoo bijvoorbeeld dat kleine gehucht Boroesjtitsa, dat binnen korten tijd de eer zal genieten, eindpunt te worden van een spoorweg, waaraan de naam van Transbalkanspoorweg zal toekomen.

Het eerste beeld, dat er mij van is bijgebleven, is dat van het overdekte terras, waar wij des middags zaten in een soort van herberg en waar wij het uitzicht hadden op een prachtig ravijn vol zware boomen. Achter ons waren twee deuren in den witten muur, toegang gevend tot twee donkere ruimten. Daar zaten bulgaarsche boeren op lage taboeretjes te eten en te praten. Op hun hoofd droegen zij de bruine wollen muts in den vorm van een korten cylinder, waaraan men dadelijk den Bulgaar herkent, ook hun buis is bruin, en laat, als het openvalt, het witte hemd zien, de roode ceintuur en de bruine met zwart gesoutacheerde broek. Wij zaten evenals zij om een zeer laag tafeltje, etend uit de met den naam der herberg gemerkte schotels, die de herbergierster gewoonlijk als bruidsgeschenk van haar ouders ontvangt, en deden ons te goed aan het gewone gebraad van rundvleesch, de pasterma.

In de andere kamer, waarin alleen door een zeer klein venster wat licht viel, lagen twee kleine kinderen te slapen en tusschen hen en ons liep de vrouw heen en weer, gekleed in het costuum der streek. Ze droeg het haar in twee lange loshangende vlechten, met een doekje eroverheen geslagen; een donker kleedje met korte mouwen was aan het corsage een weinig uitgesneden en liet het witte hemd zien, terwijl de gekleurde boezelaar en de roode ceintuur beide met een paar groote metalen haken waren vastgehecht.

Op het soort van terrasje hingen overal aan den [319] muur en aan balken zakken van geitevel, ritsen uien, groenten, linnengoed en andere nuttige zaken. Kippen vlogen heen en weer en verdwenen tusschen het donkere latwerk. Het linnen, wat grof van draad, met donkere rechtlijnige figuren, had de eigenaardige originaliteit van al die stoffen, die ontsnapt zijn aan de regelmaat van de machine, een bijzonder karakter, dat men in zooveel oostersche huizen terugvindt, waar de stoffen door de dochters van den huize zijn gesponnen en geweven en tot kleedingstukken vermaakt voor haar uitzet, om dan te worden gebleekt en gedroogd op de naburige weide naast de ellenlange nog onversneden stukken linnen.

Het andere kleurige beeld, dat in mijn herinnering is bewaard gebleven van het dorp Boroesjtitsa, is het dorschen van het koren. Het was toen in het midden van September, en de gansche gelende oogst werd onder de harde slagen veranderd in volle zakken tarwe en gerst.

Dat dorschen is altijd een schilderachtig moment in het leven op een boerenhoeve, zelfs in onze noordelijke landen, waar leelijke machines ruw dit werk verrichten onder wolken van stof. Maar in dat gouden stof heerscht algemeene vroolijkheid, want het omhult het resultaat van veel arbeids en is nu gereed, om in goed en klinkend geld te worden omgezet, wat op alle gezichten een vroolijken trek te voorschijn roept. In landen echter, waar wat meer beschaving nog niet is doorgedrongen, is dat barbaarsch vernielingswerk van het graan een nog veel aantrekkelijker schouwspel.

In Bulgarije gebruikt men den dorschvlegel, als men het stroo wil bewaren voor dakbedekking, maar meestal, wanneer men niet bang is, de halmen te breken, laat men er een houten slede over gaan, waaronder rijen van scherpe kiezelsteenen zijn bevestigd, echte steenen messen uit den steentijd. Wij zagen dat werk op alle hoeven aan den gang op den dag van ons verblijf te Boroesjtitsa in het licht van de mooiste herfstzon en in den glans van de heldere kleuren der kleederen van vrouwen en kinderen.

Tusschen de loodsen en schuren lag de buitendeel van hard gestampte aarde, omgeven door leemen wanden, waar de schaduw van allerlei vruchtboomen op viel. De bruine palen van het terrasje, waar wij hadden gezeten, waren eveneens in schaduw afgeteekend op den blinkend gladden grond en rechts zag men allerlei ouderwetsch houten gereedschap van zonderlinge vormen. Daar was het weefgetouw der vrouwen, de slede, waarmee het gezin in den winter zich bewoog over de besneeuwde berghellingen.

Op de heldere vlakte lagen de blinkende halmen uitgespreid, en vlug bewoog er zich het gevaarte overheen, dat met twee ossen was bespannen en door een vrouw met ernstig uiterlijk werd bestuurd. Zij voedde onderwijl haar baby, terwijl op den wagen een meisje zat, om er grootere zwaarte aan te geven. Zij geleek op de godin, die een romeinsche zegekar mende. Soms waren alle jeugdige leden der familie op het voertuig vereenigd en hadden de allergrootste pret. De vrouw en het meisje, met haar zilveren armbanden, haar muntenkettingen om den hals, haar gestreepte rokjes, witte mouwen en vaak met een groote bloem in het haar, maken met het gekleurde doekje op de hangende vlechten een bepaald schitterenden indruk. En altijd wisselen de schaduwen van den stoet over het glanzig gouden graantapijt. Als dan de ossen overal zijn geweest, zamelen vrouwen, kinderen, mannen zelfs, de korrels in en harken het koren te zamen.

Naast den dorschvloer hebben de hooge graanoppers, door de toevallige zonnestralen beschenen, de tinten van meer of minder oud stroo, de mooiste gamma van nuancen, die op de verlichte gedeelten van saffraan tot chroom overgaat, en dan van oker en gebrand sienna tot oranje, terwijl in de schaduw blauw, lila en bruin zijn te herkennen.

Toen wij eindelijk Radevtsi verlieten, om naar de streek ten zuiden van Boroesjtitsa te gaan, en door den Balkan onzen tocht naar Seltsi en Maglisch voort zetten in het dal der Toendsja, ging het weer door het bosch van lichtende beuken over de prachtige, slingerende voetpaden, die zachtjes stegen, tot wij ongemerkt op de zuidhelling van den Balkan waren gekomen.

Voor ons rezen de bergen nog vele honderden meters hoog boven onze hoofden; maar spoedig bemerkten we, dat de beekjes nu in tegenovergestelde richting vloeiden en zich in zuidelijke richting bewogen. Het stroompje, dat wij gingen volgen, liep nu eens rechts dan links door een meer of minder ingesloten dal en ging met ons mee tot Seltsi en Maglisch, om dan zich in de Toendsja te storten, die zelve een zijtak is van de Maritsa en dus naar de Aegeïsche zee vloeit.

Kort voor wij te Seltsi waren, houdt het bosch op, en het land verandert geheel van aanzien, doordat het kalktriasgesteente aan de oppervlakte komt en steile rotsen vormt. Aan den voet der steilten, waarlangs het pad zich in tallooze kronkels beweegt, lag het dorp Seltsi aan het riviertje met weer de zelfde lage en wijd uiteenstaande huisjes, gedekt met steenen of stroo, met groote dorschvloeren, waar haver wordt stuk geslagen, met boomgaarden om de woningen en fel gekleurde oppers, terwijl hier de donkere achtergrond der bergen alles nog veel mooier deed uitkomen.

Als in alle Balkandorpen waren de onderwerpen voor schetsen in den grootsten overvloed voorhanden. Daar was de rivier met haar houten brug, de wilgen aan den oever, de koeien, die wat voedsel zoeken in de steenachtige bedding, de dorschers met de op- en neergaande vlegels, het licht op het witte linnen en het spel der schaduwen, door de donkere terrasjes gespeeld op den witten grond, zonder dat ergens de leelijke rechte lijn zich voordoet, waartoe wij in de beschaafde wereld veroordeeld zijn.

Voorbij Seltsi naar den kant van Maglisch moet er afscheid worden genomen van het bosch; de natuur der rotsen is veranderd, en in plaats van zandsteen, geschikt voor den groei van lage planten en boomen, is gneiss gekomen, dat overal verbrokkeld is en los, verscheurd tot diepe kloven of tot zandige vlakten verpoeierd. Het karakter van het land is nu echt dat van de zuidhelling geworden, dat, waarschijnlijk onder den invloed van de Turken, die vroeger hun gezag veel krachtiger op de zuidhelling lieten gelden, bijna al haar bosschen [320] heeft verloren. Wanneer men gewoon is geraakt aan het rijden tusschen de heerlijkste beukenwouden, bedroeft men zich nog meer dan anders over zulk kaal land, waartegen gelukkig de regeering maatregelen begint te nemen, door het aanleggen van bosschen, nu nog arme kleine boompjes, niet bestand tegen het knagen van de grazende geiten, en dus maar langzaam groeiend.

Tusschen Seltsi en Maglisch zou het stroompje, dat al te nauw door de rotsen wordt ingesloten, geen bruikbaren weg meer voor ons opleveren, dus begonnen wij tegen de begroeide hellingen op te klauteren, waar het vol lag met losse steenen, om iets verder weer in de bedding af te dalen. Daarbij wonnen wij vooreerst een prachtig gezicht op de kloven, als met zaagtanden in de rotsen geslagen, en waar aan den eenen kant alle afloopende terrassen in donkere schaduw liggen, terwijl zich de overkant in een zee van licht baadt. Daarna vertoont zich bij het overtrekken van een bergpas plotseling voor onze oogen een driehoek van schitterend licht, een vlakte, waar door het azuurblauw een zilveren lint zich slingert, en waar men op den achtergrond zich een rij donkere bergen ziet verheffen. Dit is de eerste verschijning op onzen weg van het dal der rozen, een weinig vermooid door den afstand. Het is het dal der Toendsja, door mijn bulgaarsche vrienden, zooals ik maar dadelijk zal zeggen, ofschoon ik hun enthousiasme niet deel, voorgesteld als een hemelsch land van Kanaän.


Het dorschen met ossen.

Om er te komen, moeten wij nog naar beneden. Wij beginnen daartoe, met de droge bedding van het riviertje een oogenblik te volgen onder het dicht gebladerte, als door een mooie laan van fijn zand, die geheel in de schaduw ligt, en waar overal fijn jong beukengroen uit opschiet, net als ook aan de oevers terzijde, terwijl boven ons hoofd de takken der forsche boomen aan weerszijden elkander ontmoetten bij den top der heerlijke boschgewelven.

Daarginds is een terras van stoppelland, zacht-gele overgang tusschen den Balkan en de vlakte, en even later brengt een laatste daling door velden van rozen, die in dit seizoen haar bloementooi hebben verloren, ons naar het Maglischdal.

Dit dal, dat in heel Bulgarije bekend is om zijn rozencultuur, heeft groote aantrekkelijkheid in den bloeitijd der rozen, want de cultuur is er zeer intensief; maar die heerlijke tijd duurt slechts veertien dagen in het jaar, wanneer de rozen bloeien. Daar ik er de eerste maal in September was, en de rozenstruiken er toen als magere heesters uitzagen, ben ik er nog eens weer heengegaan in Mei, enkele dagen te vroeg, om de knoppen ontloken te zien, zoodat ik maar van hooren zeggen mee kan praten over den luisterrijken bloei. Deze omvat echter slechts de smalle zone tusschen de bosschen op de zuidhelling en de vlakte.

De rest van het dal is een groote wijde ruimte van bouwland, nu in den herfst kaal, nu de oogst is binnengehaald, maar in de lente groen en getuigend van welvaart en vruchtbaarheid. Aan den eenen kant verrijzen de kale bergen betrekkelijk steil omhoog, alsof het Apennijnen waren, zooals die zich voordoen ten zuiden van Rome in de Lepini-bergen, aan den anderen kant geeft een lijn van lage, afgeronde heuvels den Sredna Gora aan. [321]


Kudden zwarte buffels in het Toendsjadal.

II.

Maglisch-Haïn Boise en de herinneringen aan den veldtocht van 1878.—Haïnkioe en het huis van den pope.—De bulgaarsche honden.—Tvarditsa.—Het groote wild.—De komst der Turken te Klena.—De Tsjoemernatop.—Werking van den nevel.—De Karakatsjani’s.—De overtocht over de doorwaadbare plaats.—Het turksche dorp Sara Yar.—De boeren van Klena en het vrouwentype aldaar.—Ondergaande zon te Slivno.—De plaats der warme bronnen.—Nova Zagora.—Het mooie bloeiende land aan de Toendsja.—De kloven van Kasan en Kotel.—De vauclusische bronnen te Kotel.

Het stadje Maglisch, een der hoofdcentra van de rozenindustrie, ziet er zoo modern uit, dat men niet laten kan, heimwee te hebben naar de in het groen verborgen Balkandorpen. Toch leveren een riviertje, aan welker oever eenige houten huisjes zijn gelegen, een minaret tusschen de boomen, het gebergte, dat op den achtergrond verrijst met zijn kale toppen, en de wijde vlakte ervoor stof genoeg voor liefelijke kijkjes. Gewoonlijk zijn de huizen ook hier naar landsgebruik laag met vooruitspringend dak en een terrasje of balkon, waar allerlei huishoudelijk goed wordt opgehangen, terwijl op het vrij platte dak afgeronde dakpannen liggen. Aan de balken hangen, behalve de gewone zaken, hier ook tabaksbladen, die niet te zien waren op de noordhelling van den Balkan.

Nadat wij een nacht te Maglisch hadden doorgebracht, zetten wij onzen weg, altijd op de zuidhelling, naar Haïnkioe voort. De aanblik blijft zoowat dezelfde, die van een groot vruchtbaar terrein, met een overvloed van korenvelden, groote uitgestrektheden, met maïs bebouwd, met wijngaarden, boomgaarden, tabaks- en rozenvelden. Die laatste kwamen vooral voor op de berghellingen, die wij op korten afstand passeerden. De hellingen zagen er kaal uit; de vlakte met veel stroohutten, lag doodsch en somber onder een grijzen hemel, die als een oven van hitte dampte.

De eenige opvallende verschijnselen in het landschap bij Haïnkioe waren, behalve de zwarte vlekken der kudden, die cirkelvormige heuvels of tumuli, die men op zooveel plaatsen in Bulgarije ziet. Alleen de rand der vlakte aan den voet van den Balkan, vooral als men dorpen als Lachanli nadert, heeft een bloeiender karakter. Daar aanschouwt men eerst wijngaarden, daarna rozenvelden, waarin men nu en dan tusschen rijen magere boompjes een span witte, door een kind geleide ossen ziet, of wel tabaksvelden, waarvan de wijd uiteenstaande planten in September vol bloemen zitten, en waar dan de vrouwen met groote zorg de bladeren van plukken, of boomgaarden van pruimen en perziken en groote notenboomen tusschen de wijngaarden.

Verwijdert men zich verder van de dorpen of van den Balkanrand, dan houden de boomgaarden op, en men ziet weer niets dan stroohutten, zoo ver het oog reikt, slechts nu en dan afgebroken door enkele eikenbosschen, als dat van Toelova, waar in 1877 beroemde gevechten plaats hadden. Geen hagen breken de eentonigheid der velden, alleen gescheiden door smalle paden. Elke twee of drie kilometer ziet men hier een grooten put met een langen hefboom, waarvan de lengte in overeenstemming is met de diepte van den put, die wel eens tot tien meter gaat. De gneissbergen aan onze linkerhand zijn altoos even verbrokkeld; enkele rivieren, die meest alle volkomen droog zijn, strekken haar ledige steenachtige beddingen soms verscheiden kilometers ver uit.

Daar hebben wij bij toeval eens een rivier, die stroomt, en dicht erbij liggen een veertigtal stukken linnen op de steenen te drogen, nadat ze juist door [322] vrouwen gewasschen zijn. Iets verder is het, of een bosch is gaan wandelen, als in Macbeth, een troep magere ezeltjes zijn beladen met hoopen takkebossen, waaronder ze bijna geheel verdwijnen. Die takken laat men bij de huizen drogen, om van de dorre bladeren strooisel voor het vee te hebben in den winter.

Vóór Haïnkioe komt langs een riviertje de weg van Haïn Boise uit het bergland, die een belangrijke rol gespeeld heeft in den oorlog van 1877, en waarlangs men voornemens was geweest den spoorweg te laten loopen, vóór men westelijker het tracé van Boroesjtitsa nam. Al die herinneringen zijn in de streek nog zeer levendig, en op de plaatsen zelf werden mij episoden uit den vermaarden veldtocht verteld.

Den 7den Juli had generaal Goerko Tirnovo bezet, dat toen onbeschermd was gelaten door Saïd Pacha. Hij verliet de stad weer den 10den, om in een stoutmoedigen tocht den Balkan over te trekken. De Turken bewaakten de beide overgangen, die als het ware klassiek waren, die van de Sjipka in het westen en van Tsjoemerna in het oosten; maar zij hadden in ’t geheel niet gedacht aan al die passen ertusschen in de buurt van Radevtsi, als die van Seltsi, Boroesjtitsa en Haïn Boise, die wel voor ruiters alleen, maar niet voor een geheel leger bruikbaar waren. Een daarvan echter, die welke rechtstreeks van Tirnovo naar Haïnkioe over Voinega en Haïn Boise voert, passeert de waterscheiding zeer noordelijk, op minder dan 700 meter hoogte, om dan geleidelijk en gemakkelijk af te dalen naar den oever der rivier.

Dien weg volgde Goerko; den 12den was hij op de pashoogte en den 14den te Haïnkioe, waar hij bij verrassing een turksch bataljon overviel, dat juist bezig was, zijn soep te koken. Zoo was hij in het Toendsjadal gekomen en terstond daarop wendde hij zich naar het westen langs den weg van Maglisch, dien wij juist hebben afgelegd, en maakte zich den 17den van Kazanlik meester, dus van het zuidelijkste punt van den Sjipkapas, die van de andere zijde aangevallen werd door generaal Radetzky, van Grabovo komend. In die omstandigheden moest de Sjipka het opgeven; den 18den veroverden de Russen den weg met geweld van wapenen en waren aldus meester van de route van Konstantinopel.

Terwijl men mij dit verhaal deed, trokken wij steeds voort door groote gemeenteweiden met kort gras, waar paarden liepen te grazen, en tegen één uur reden wij Haïnkioe binnen, een klein boerendorp, in de vlakte gelegen aan beide zijden van een beekje tusschen boomgaarden, als een oase te midden der woestijn, een plaatsje met de gewone lage huizen en de producten voor de woningen opgehangen.

Wij logeerden te Haïnkioe in het huis van den pope, ook een boerenhoeve met enkele bijgebouwen, in een waarvan onze kamer was, zoo laag, dat ik met mijn hoofd bijna den zolder raakte. Het groote venster werd van binnen met luiken gesloten, en aan de muren hingen veel ikons, een portret van den exarch van Konstantinopel en meer dergelijke afbeeldingen. Er lag een tapijt met kussens eromheen langs de wanden, waar wij onze zit- of liever ligplaatsen moesten vinden, en een witte kachel stond in den hoek. De zoon van den pope, die in München heeft gestudeerd, is tegenwoordig professor in de scheikunde, een zeer moderne mengeling dus van chemie en orthodoxie.

’s Avonds kwam de pope ons zien eten, zonder aan onzen maaltijd deel te nemen, omdat het Woensdag was, een vastendag. Wij zaten bij het trillende licht van een paar kaarsen buiten op het terras, waar nu en dan een groote nachtvlinder, door het schijnsel aangetrokken, verdwaald raakte en om ons hoofd gonsde.

Den eersten dag te Haïnkioe gebruikten wij voor een bergtocht naar Boekovaïa Foïana op een der Balkantoppen, waarbij wij den pas van Haïn Boise links lieten liggen. Na het magere struikgewas van de zuidhelling betraden wij spoedig het groote beukenbosch, waar het volstrekt geen zeldzaamheid is stammen aan te treffen van 80 centimeter, tot een meter in diameter. Onder die prachtige boomen vormden beekjes, die tusschen het groen van steen tot steen al dansend zich voortbewogen, kleine meertjes of vroolijke watervalletjes.

Daar het zoo prettig is, nieuwe herinneringen door vergelijking bij oude te doen aansluiten, moest ik hier telkens denken aan het landschap der Vogezen.

Den volgenden morgen verlieten wij Haïnkioe, om naar Tvarditsa te gaan, van waar wij naar Tsjoemerna omhoog moesten. Eerst hadden we twee uren eentonig vlak land door het dal der Toendsja, altijd tusschen dezelfde kale hellingen met verbrokkeld gneiss en met dezelfde hutjes en boomgaarden, als in de dorpen aan de zuidhelling van den Balkan. Elke twee- of driehonderd meter ontmoetten wij groote noteboomen, en kleine heuveltjes of tumuli waren talrijk. In de verte wierpen kudden schapen kleine, zwarte vlekken op de gele, stoffige vlakte, of langzaam zag men de forsche spannen ossen naderen.

Toen wij Tvarditsa naderden, werden de rozenvelden talrijker. Die plaats ligt aan den uitgang van een zeer druk beganen pas, waar de weg zoo goed is, dat men er bijna met rijtuigen over kan gaan, en die over den Balkan leidt langs Tsjoemerna van Elena naar Eski Zagora. Het is tusschen den Sjipkapas in het westen en den Kasanpas in het oosten de beste weg, om den berg over te gaan, en het is, zooals ik reeds zooeven zei, een der wegen, die een rol hebben gespeeld in den veldtocht van 1877 en 1878.

Tvarditsa, waar ik met acht maanden tusschenruimte weer ben teruggekomen, kwam mij de tweede maal veel schilderachtiger voor in lentedos dan de andere maal in den herfst. Het dorp op zich zelf beteekent niet veel met de lage huizen, die als in den grond schijnen weg te kruipen, maar wat in Tvarditsa aardig is, is de echte bergstroom, neerkomend van de gele hellingen, den voet der reuzenboomen besproeiend en dan wegschietend onder de houten brug, waarover de spannen witte ossen zich voortbewegen, geleid door vrouwen in nationaal costuum, en niet het minst als achtergrond van het landschap de Balkan met de ruwe toppen, waarlangs zich naar den ingang van een pas de smalle witte paden kronkelen, die later tot groote berijdbare wegen zullen worden. [323]

Voor onze paarden was het nu al een zeer goed pad, dat wij in opgewekte stemming volgden. Zoolang men echter op de zuidhelling is, blijft het land dor en kaal, ondanks den mooien zonneschijn en de heldere kleur van het gras; en de schrale plantengroei kon niet hooger komen dan de afknabbelende geiten het lieten worden. Wij stegen nu naar een echten Balkantop, een top van 1540 meter, wat nog niet afschrikkend hoog is, maar de Tsjoemerna en de met bosschen bedekte hoogten, die men thans op grooter afstand ziet dan te Radevtsi, nemen meer het aanzien van bergen aan.

In die bosschen, die al talrijker worden, naarmate men de noordhelling nadert, is overvloed van wild. Daar zijn herten, wilde zwijnen en vossen, en den nacht, voor wij er waren, had men bij een hut de sporen van een beer gezien. De gendarme, die ons vergezelde, was den vorigen winter door een wolf aangevallen, dien hij eerst voor een hond had gehouden, en daar hij den haan van zijn revolver niet kon overhalen, was hij in een boom gevlucht, waar de wolf toch nog gelegenheid had gevonden hem in den voet te bijten. Terwijl de man ons dit verhaal deed, vloog een arend in wijde kringen boven ons hoofd.

Daar is de pas van Tsjoemerna, die in tegenstelling met wat we bij de andere passen, als die in de buurt van Radevtsi, Seltsi etc. hebben gezien, werkelijk den indruk van een bergpas maakt, waar men zich op de hoogte tusschen twee berghellingen op den kam gevoelt. Er is ook een herberg boven op den pas, juist als bij de Alpenpassen, en het is er, evenals daar, steeds druk van allerlei voertuigen.

Toen we weer van daar gingen, des middags om twee uur, was de lucht, die tot nu toe volkomen helder was geweest, eensklaps bedekt geworden; wij betraden het groote beukenbosch, en de zon ging er zeker ook schuil, want wij zagen haar niet meer. Weldra waren we door wolken omringd, en de Balkanbergen, die ik eerst minachtend slechts provinciale bergen noemde, willen ons eens laten zien, dat zij regen en nevel, koude en wind kunnen opleveren, zoo goed als de hoogste Alpentoppen.

De toestand scheen werkelijk zorgwekkend te zullen worden, want wij waren midden in het bosch zonder eenig pad en bij toenemende duisternis in onbekende richting gaande.

Eindelijk treden wij uit het donkere bosch en komen weer in de weide, waar het lichter is, en waar onze acht paarden achter elkaar in een dichten mist voortstappen. Er wordt mij verteld, dat men van hier bij mooi weer een prachtig uitzicht heeft; het heeft wel iets van de schoone zonsondergangen, die iemand altijd worden beloofd op de zwitsersche Alpentoppen, en ik geloof mijn zegsman onvoorwaardelijk, behalve dat ik morgen eens controleeren zal, wat hij mij heeft gezegd.

Voor het oogenblik ben ik alleen bezorgd over het bosch, dat daar weer vóór ons ligt, en in welks duister wij weldra zullen verdwijnen. Gelukkig is het nog niet zoo heel erg als wij verdwalen, want er zijn geen steilten hier, en acht menschen met acht paarden vinden altijd wel gelegenheid om terecht te komen. In het allerergste geval zouden we een nacht buiten om een vuur moeten slijten. Dienzelfden morgen nog hadden wij, als volkomen overbodig, een heel tentenmateriaal teruggezonden, dat we in het begin hadden meegenomen, in de veronderstelling van meer dergelijke avonturen.

Maar het zou niettemin veel aardiger zijn, weer op den goeden weg te komen, en te logeeren in een gesloten en verwarmd huis, waar men op onze komst is voorbereid en bedden voor ons in gereedheid heeft gebracht. Juist op het oogenblik toen die hoop scheen te zullen vervliegen, hoorden wij hondengeblaf, en in den nevel zagen wij mannen naderen in de fustanella, ’t korte rokje van de Grieken. Het waren herders, die Grieksch spraken, en die hier Karakatsjani’s worden genoemd. Dat herderskamp was mij al aangeduid als de welkome vuurtoren, die de haven aanwijst. Inderdaad was het huis van den boschwachter vlak bij met zijn kachel, zijn bedden, zijn keuken, en wij vinden er een aangename schuilplaats, juist op het oogenblik dat buiten de regen in stroomen begint te vallen. Den gansenen nacht bleef het regenen.

De steenkolenlagen van Radevtsi sluiten bij die van Tsjoemerna aan, en daaraan gingen wij nu midden in het bosch een bezoek brengen. Vervolgens daalden we den volgenden dag af naar Bela en Slivno. Naarmate wij lager kwamen, voelden we de warmte sterk toenemen, de wolken verdwenen en zooals veelal in het bergland, vonden we buiten de nevelachtige en koude zone den glansrijksten zonneschijn.

Onderweg stieten we op een interessant kamp van Karakatsjani’s, die daar al ruim twee jaren gevestigd waren, om met hun paarden aan den kost te komen, door het naar beneden brengen van de steenkool naar de vlakte. Op een weide aan de grens van het beukenbosch en boven aan een steile helling waren eenige ronde hutten te zien, geheel met bladeren gedekt, en met een lagen ingang als bij hutten van Laplanders. Ik reed te paard omhoog te midden van een verwoed hondengeblaf en zag daarop een troep vrouwen voor den dag komen, door nieuwsgierigheid gedreven. Ze droegen bruine lijfjes en rokken en hemden, die niet zoo hagelwit waren als die der bulgaarsche vrouwen, maar die daarentegen geborduurd waren met rood en blauw borduursel, zooals men in Griekenland en Roemenië ziet, met groote, eveneens bewerkte mouwen, die zeer wijd van onderen waren.

Bij den spoedig daarop volgenden overtocht over de rivier kruisten wij een troep turksche ruiters en kregen daarbij weer een oosterschen indruk door de ontroering der fijne paarden met hoog opgeheven kop de schitterende tuigen, met blauwe koralen versierd, de gekleurde zadels, de rijke gordels, waarvan het rood zich spiegelt in het water, en het woeste stappen en plassen der paarden door de schuimende rivier.

Inderdaad kwamen wij dan ook kort daarna in een klein turksch dorpje, Sara Yar, een der zeer weinige plaatsen, waar de Turken zich in deze streek gehandhaafd hebben. Interessante en bekende oostersche tooneelen doen zich dus een oogenblik voor, en vervangen de bulgaarsche kleederdrachten, die [324] wel wat al te sober zijn met hun bruine, zwarte en witte tinten, om aan het groen van het landschap veel reliëf te geven.

Ze zijn heel vriendelijk, deze Turken, en daar de paarden wat moeten uitblazen, maak ik een schetsje van de getulbande heeren, zooals zij daar zitten voor een café, in een groen priëeltje. Een van hen, een forsche, groote, glimlachende man met kleine donkere oogen onder een vooruitspringend voorhoofd, en een grooten witten tulband, met een violette veêr, komt, zonder om de voorschriften van Mohammed zich te bekommeren, vragen, of we zijn portret willen maken. Hij is schoolmeester en tegelijk priester in het dorp. Eerst teekende ik hem met de groep mee, maar hij vindt er zich te klein op, en toen liet ik hem alleen voor mij poseeren met de hand aan zijn stok. Hij was er verrukt van.


Rozenvelden bij Tsvarditsa.

Toen wij weer vertrokken waren, hervatten al die brave menschen hun werk van den geheelen dag, het rooken of alleen maar zitten soezen in de schaduw van het groen priëel en het luisteren naar vertellingen onder een kinderlijk gelach. Terwijl de Bulgaar van den morgen tot den avond werkt, zonder café of herberg op te zoeken, nemen zij het leven gemakkelijk op naar oosterschen trant, en alleen als het geld schaarsch wordt, gaan ze weer een paar hout- of steenkoolladingen wegbrengen, om daarna, voldaan dat ze eenige stuivers in den zak hebben, opnieuw met ambitie te gaan rusten. Zoo is langzamerhand alle grond hun ontgaan en in handen van de Christenen gekomen, wat niemand behoeft te verbazen.

Tusschen Sara Yar en Bela gingen wij door een heuvelachtig land, vol groene boschjes, waar van tijd tot tijd een overtocht over een rivier een schilderachtige afwisseling opleverde en den tocht van onze karavaan vertraagde.

Bela, waar we des avonds aankwamen, is een aardig landelijk dorp in den trant van Radevtsi, ofschoon op de zuidhelling, met een stroompje tusschen hooge oevers, begroeid met wilgen. Over het water ligt hier en daar een brugje, bestaande uit een enkelen balk met leuning, en boven het dorp verrijzen tertiaire bergen, waar de roode leembanden in horizontale lagen afwisselen met witte zandsteenvormingen. Ossen, die door het water gaan, en ganzen, vliegend over hen heen, ziedaar weer een schilderijtje.

Er zijn er vele in dit dorp, waar mijn reisgezelschap weinig interessants vindt. De vrouwentypen zouden, als ik ze kon snappen, in mijn schetsjes passen, niet om haar schoonheid, groote Goden! ofschoon een gevoel van ongemotiveerde beschroomdheid ze bij mijn nadering doet wegvluchten, maar om haar leelijkheid juist, die werkelijk heel origineel is.

Het schijnt dat hier, net als te Slivno, een rest woont van den een of anderen aziatischen stam, die nog sterk mongoolsch is, misschien vermengd met negerbloed. Ze maken den indruk van Kalmukken met sterk vooruitspringende jukbeenderen, zeer prominente onderlip en een daarbij passend kapsel, met op het voorhoofd een rij van lange ongekamde haren, die in donker door den een of anderen regimentskapper schijnen te zijn geknipt, terwijl van achteren vier of vijf kleine vlechtjes hangen, ten halve bedekt door een doekje en versierd met een onzinnig [326] groote bloem, bij voorbeeld een pioen of een groote tros seringen. De verloofden voegen daar nog een heelen toren bij van veêren en rozen en gekleurde linten met kettingen van op den rug afhangende munten en verder colliers van penningen, armbanden, ringen, een heelen galanteriewinkel, waardoor ze er echt als wilden uitzien. Maar ze zijn ook halfwild en in verrassende mate onbeschaafd.


Berenleiders te Kotel.

In dit dorp doen de vrouwen als in vele andere in deze streek nog aan allerlei industrieën en op zeer primitieve manier, zoodat het blijkt dat men er nog niets moet hebben van onze moderne machines. Overal ziet men kleine ovens, waarin elk gezin zelf zijn brood bakt, terwijl men voor eigen houtskool zorgt als brandstof en zelf zijn linnen spint en weeft.

Van Bela reden wij naar Slivno met een omweg over de steenkolenontginningen van Katsjarka. Weer overal begroeide heuvels. Wij daalden langs een klein dal, dat te Slivno uitkwam, nu eens de bedding der rivier volgend, dan de hellingen beklimmend, om een bocht af te snijden. Men komt nog al wat menschen tegen, te voet en te paard, maar in het geheel geen huizen, tot bij Slivno, waar op groote onderlinge afstanden molens zich vertoonen, daarna ook fabrieken en grootere gebouwen.

Het landschap krijgt werkelijk een grootsch karakter; de droge bedding der rivier wordt breeder, heeft kale rotswanden en vertoont een echt berglandaanzien.

Onze karavaan ziet er in dat breede dal vol steenen tusschen de kleine witte wateradertjes en de hooge hellingen, waar geen of weinig plantengroei is, min of meer algerijnsch uit.

Slivno, waarvan de naam beteekent “samenvloeiing”, omdat het aan het punt van samenkomst van drie dalen ligt, is een industriestadje van 24000 zielen, het vijfde van Bulgarije. Er zijn veel lakenfabrieken, een tiental wel in het dal, waardoor wij rijden, en overal zagen wij vrouwen bezig met het uitspreiden, drogen, omkeeren of oprapen van hoopen witte of bruine wol, die op de steenen in de rivier hadden gelegen.

Daar is dan eindelijk het stadje, een indruk van rood tegen een achtergrond van donkere heuvels, en dichterbij gekomen, zien we leelijke, onsmakelijke voorstadjes met lage huizen, een onthoofde minaret, een paar openbare gebouwen in tuinen en, onder veel lage woningen, enkele van wat beter voorkomen.

Twee zijden van Slivno zijn wel aardig, de bovenstad met de Zigeunerwijk en de blauwe rotsen, en dan de benedenstad aan het stroompje, dat zich in de Toendsja stort. Ik ga eerst omhoog, zooals een conscientieus reiziger altijd moet doen, om een overzicht van het geheel van een stad te krijgen.

Aan den noordkant leunt de stad tegen rotsachtige kalkgebergten met een voor Bulgarije ongewoon voorkomen, dat aan Dolomietgebergten doet denken. Ze worden prachtig door de ondergaande zon verlicht, en in de diepten liggen zware donkere schaduwen van blauwe tint, die den naam van Blauwe Bergen verklaren. Aan het andere einde van de stad, meer naar beneden, ziet men in de verte een groote rivier over een breede steenachtige bedding zich spoeden naar een reeks van donkere heuvels aan den overkant van een reuzenvlakte, alsof ze daar de zee vermoedde.

Terwijl ik dit mooie schouwspel voor oogen had onder een dreigenden onweêrshemel met heldergele strepen tusschen de zwarte wolken, werden mijn oogen getrokken naar een druk bewegende menigte in een weide op de berghelling boven de stad. Daar begaf ik mij onmiddellijk heen, om het tooneel van dichtbij te zien. Het was daar een leelijke, armoedige wijk, die de stad ontsierde, en zelfs voor een vreemdeling kan men het geen schilderachtige plaats noemen, maar ze is wel amusant door de verschillende typen en kleederdrachten.

Daar houden zich de Zigeuners op, met zwarte haren en een tint, zoo donker, dat de menschen wel negers lijken, vooral ook door de ver vooruitspringende onderlip en den platten neus. De mannen droegen turksche kleeding, en de vrouwen hadden buitensporig groote bouquetten in het haar van kunstbloemen of natuurlijke bloemen, met veêren en andere sieraden, zooals ik al noemde bij de vrouwen van Bela. De dichte menigte menschen was druk in de weer, schreeuwde, gesticuleerde en scheen de brandende zon in het geheel niet te voelen, want telkens gingen er paren dansen, in een ronden kring, of in lange rijen.

Langs de weide aan den kant stonden lage hutjes van leem, geel en vuil en vensterloos, terwijl de stad op den achtergrond te zien was met pannen daken op de in het groen verscholen huizen. Toen ik er was binnengegaan, vond ik er niet veel bekoorlijks, maar een rij van turksche winkels zorgde toch nog voor de noodige kleur.

Een eind ten zuiden van de stad ligt een warme bron, waar een badplaats bij is ingericht met al wat daarbij behoort, zoodat het niet enkel een gewoon turksch bad is. Van daar uit ben ik op mijn eerste reis naar het station Karamenli gegaan, aan de lijn van Yamboli naar Nova Zagora, om naar Sofia terug te keeren. Maar enkele maanden later arriveerde ik weer te Nova Zagora, om over den Sredna Gora naar Tvarditsa te gaan, dan naar Slivno en verder den Balkan over te trekken langs Kotel naar Djoemaïa. Eenige schetsjes, ontleend aan dat tweede uitstapje, zullen de algemeene voorstelling van den Balkan voltooien, gezien dezen keer niet in den bescheiden tooi van September, maar in het groene kleed van Mei.

Nova Zagora, dat nog al pompeus op de kaarten staat, is slechts een stoffig dorp, groot en somber, waar onze eenige interessante bezigheid hierin bestond, dat wij niet zonder moeite er een rijtuig huurden voor ons uitstapje in den omtrek van de volgende dagen. Daar blijft men in dezelfde eentonige vlakte, die alle centrale laagten van Bulgarije inneemt, en zich voortzet tot de eerste heuvelrijen, hier voorgesteld door de voortzetting van den Sredna Gora.

Maar als men die hoogten over is, en naar de Toendsja afdaalt, is de verrassing groot en alleraardigst. In plaats van een steenachtige bedding, als zooveel rivieren in het Oosten hebben, of een dun waterloopje, vloeit hier een breede stroom van helder water, omzoomd door groote boomen, bezet met kleine eilandjes en met telkens molens aan zijn oevers. Hij beschrijft tal van bochten en gaat zigzagsgewijs [327] gneissheuvels door, die heerlijk begroeid en door de zon verguld zijn.

Waar de weg en de rivier elkaar ontmoeten, is de badplaats, waar wij zullen logeeren, en die door enkele gebouwen wordt aangewezen. Daar rondomheen is een overvloed van groen; veel wilgen en populieren steken hun kruinen helder af tegen het goud van de ondergaande zon op den achtergrond van blauwe heuvels.

Men zou, en dat is geen gering compliment, zeggen, dat het een mooi riviertje van Frankrijk was, iets tusschen de Loir en de Sioule in Auvergne. Het moet voor de Bulgaren een waar genoegen zijn, uit hun warme vlakten van Yamboli, Zagora of Philippopoli zich hierheen te verplaatsen, naar dit coquette badplaatsje, om er de baden te gebruiken en van allerlei kwalen genezen te worden, door in de schaduw te wandelen langs de oevers van het rustige riviertje en des morgens te ontwaken door het gezang der vogels.

Toen wij zelf op die manier wakker werden, was het prachtig helder weêr; de velden waren groen, zoowel weide als bouwland, in deze mooie Meimaand, en overal was het land golvend en door boschjes afgebroken, die hoogerop tot groote eikenbosschen werden. Zoo daalden wij af in het dal der rozen, dat we in het najaar geheel kaal en ledig hadden gevonden, en dat nu herschapen was in een oneindige groene vlakte.

Ongelukkig waren de rozenstruiken van Tvarditsa, wier bloei ons was beloofd, dit jaar ten achteren, ofschoon het al de 17de Mei was, zoodat wij nog maar enkele knoppen geopend zagen. Van Tvarditsa bereikten wij bij Binhos het dal der Toendsja. Het land is niet bepaald heuvelachtig, maar is toch niet zoo eentonig als de vlakte. Het is daarbij van het helderst groen, waartegen de witte koeien in de groote weide sprekend uitkomen, evenals de zwarte buffels en de hier en daar verspreide paarden, die langs de rivier op de weide liepen te grazen.

Als men Slivno achter zich heeft gelaten, volgt de weg naar Kotel nog drie uren lang de vlakte, voor hij begint te stijgen. Altijd hetzelfde vruchtbare en eentonige dal, dat wij nu langzamerhand wel grondig kennen. Eindelijk wenden wij ons naar het Noorden en passeeren eerst een heuvel van een honderd meters, om daarna in het Mokrenidal te dalen. Daar houdt men gewoonlijk rust op het terrasje, waar men het uitzicht heeft op den tuin, en een twintigtal bulgaarsche boeren aan een tafel ziet zitten, met hun bruine mutsen en roode gordels tegenover elkaar gezeten, alsof ze zoo een koor uit een opera zullen gaan zingen.

Na Mokreni volgt de Balkan, die nog niet steil is en waarvan, ten minste tot Kotel, de hellingen ongeloofelijk zacht zijn. Het groote centrale woud van den Balkan bestaat ongelukkig hier niet, en wij moeten ons met het lage eikenhout te vreden stellen, dat door de administratie van het boschwezen angstvallig wordt bewaakt en dat mogelijk eens in den loop der tijden mooie bosschen zal opleveren. Op vijfhonderd meter kregen wij een plateau met prachtig uitzicht; groote blauwe vogels vlogen voor ons op, in de weiden graasden talrijke kudden buffels, waarvan de Turken de haarlok op het voorhoofd met henneh kleuren, juist zooals zij de haren en de nagels hunner vrouwen graag gekleurd zien. Heldere bronnetjes spelen in het groen en vluchten weg onder de wilgen. De roode vlek van een gordel of een fez zorgt voor een fanfare, die de aandacht trekt.

Hoe verder men naar het Noorden komt, des te dichter worden de bosschen en des te meer groote boomen ontmoeten wij erin. Voor Kotel doen zich echte kloven voor tusschen de beboschte hellingen, met witte en grijze kalkrotsen. Overal bloeien in het bosch de seringen, zoodat alle vrouwen, die we op den weg ontmoeten, die bloemen in het haar dragen.

Eindelijk volgt een breed dal, dat tusschen boschrijke heuvels langzaam naar het stadje Kotel opstijgt, zooals het daar op een helling voor ons ligt.

Kotel is een oud, in de historie bekend stadje van den Balkan, een vroeger belangrijk provinciaal hoofdplaatsje, maar nu vrij ongeschikt gelegen in den bergpas. Een tiental jaren geleden is het bijna geheel afgebrand, dat was in 1895; misschien had men goed gedaan, toen van de gelegenheid te profiteeren en de plaats bij den herbouw naar elders te transporteeren. Men maakte er echter een quaestie van patriottische gevoelens van, en een nationale inschrijving werd in geheel Bulgarije geopend met het gevolg, dat ter eere der nationale herinneringen, Kotel op dezelfde plek weer werd opgebouwd, maar als een steenen in plaats van een houten stad. De huizen staan nu alle netjes in de rij, zijn alle banaal en aan elkaar gelijk en geven aan het geheel een schijntje van een industriestad.

Gelukkig bestaan er nog enkele hoekjes van het oude Kotel in de benedenstad, waar aan de rivier veel molens liggen en waar men de fabrieken van bulgaarsche tapijten vindt met hun ouderwetsche weefgetouwen. Des morgens bezochten we die wijk, om daar in de buurt de groote watervallen te zien, die als hun broeders uit Dalmatië, Bosnië en den Karst uit de kalksteenrotsen te voorschijn komen en dan in bruisende vaart diepe kommen vullen en zoo krachtig stroomen, dat de molens er lustig van draaien.

Dit was een aardig uitstapje, vooral omdat de rivier, die door de vallen wordt gevoed, zoo liefelijk door de met boomen beplante weiden stroomt onder houten bruggetjes door en langs de molens, waar de vrouwen aan het keuvelen zijn onder het ontwarren van de wol of het spinnen van het garen.

De echte kam van den Balkan, rijst vlak achter Kotel omhoog en wordt gevormd door die kalkbergen, welker spleten zooveel water absorbeeren en voedsel geven aan rijkvloeiende bronnen. Dit deel van onzen weg was geheel kaal, als de passen op de groote hoogten van de Alpen, waar men boven de grens van den boomgroei is. Beneden in de weiden ontmoetten wij een kamp van Zigeuners, vertooners van apen en beren. De mannen lagen in het gras en amuseerden zich met het oefenen van hun beesten. Hun donkere gezichten, bruine haren met roode vlekken erin en de bonte doeken en lappen, die rondom hingen, leverden een vreemd en boeiend tooneel op. [328]

De Kasanpas is ook kaal met zijn steile kalkrotsen boven mager bosch; maar dan gaat het vlug naar beneden naar Titsja, waarbij geologisch een groote verandering intrad, waardoor ieder moet worden getroffen, ook al kent men er noch de verklaring, noch de ware beteekenis van.

Het is de plotselinge vervanging van het tafelland door het bergland. Hier zijn het horizontale kalklagen, die in de plaats komen van de verbrokkelde bergen, die wij sinds Kotel steeds voor oogen hadden gehad. Bij een rivierovergang kon men die horizontale structuur precies volgen, door de watervallen, die zich van de terrassen stortten. Toen verscheen Titsja aan den oever der rivier met de lage huizen, alle van hout en de kleine moskee.

Even namen wij den tijd, om de paarden te laten uitblazen, en gingen toen weer verder door het kreupelbosch, waar gewapende mannen met het voorkomen van roovers hier en daar de wacht hielden met het oog op den toevloed van menschen, door de groote kermis van Djoemaïa aangetrokken, waar zich de berenleiders en de goochelaars zouden vertoonen. Door de vlakheid der terreinen scheen het altijd, of wij de treden van een trap op of afgingen, want het geheele land had het karakter van een tafelland aangenomen, zooals ook eigen is aan het groote voorbalkansche plateau tot de Donau toe.


Doorwaadbare plaats in de rivier bij Titsja.

Osman Bazar ligt op een hooge vlakte met zijn roodgedaakte huizen, die op zijn turksch zeer laag zijn, en met vier of vijf minarets. Wij hielden stil op een groot, leêg plein tegenover een vierkanten toren, waarop een klokkentoren van hout, en waarnaast rechts een rij van lage huizen is te zien, terwijl links een oud bouwvallig bouwwerk waarschijnschijnlijk een overblijfsel is van een turksch bad. Er ging een weg omhoog naast onze herberg naar een grooten put met langen hefboom, een bewijs, dat we uit het gebied der bronnen zijn gekomen in dat van den eigenlijken Balkan.

Op het plein speelden kinderen vroolijk allerlei spelletjes, turksche kinderen met roode fez, roode of witte tulbanden en roode, paarse of oranje kieltjes.

Na Osman Bazar begon terstond een bosch van groote eiken, het eerste echte woud in dit deel van het gebergte, en vervolgens doet zich het land voor als een groene, golvende vlakte, met hagen en boomen in het veld en veel stroomend water.

Eindelijk gaan wij door den Dewentpas, een bergplooi in het tafelland, die een eigenaardig bergland vormt, verbrokkelde rotsen en door erosie uitgespoelde terreinen, naast steile bergen en diepe kloven.

In die kloven werden de bosschen en het kreupelhout weer bewaakt door gewapende Turken of Bulgaren, die op roovers geleken. Bloeiende seringen gaven aan de boschjes een lila tint. Daar zijn we eindelijk weer in de vlakte, volgend op het bergland, zooals dat laatste op het plateau was gevolgd. Het is, of wij van een hoog terras naar beneden zijn gedaald, en met ons doen dat de ontelbare stroompjes en wateradertjes, die door de bergen zijn gefiltreerd.

Nog enkele kilometers, en de Balkan verwijdert zich al verder van ons; tegen het vallen van den avond komen wij het volkrijk stadje Djoemaïa binnen, en treffen er de schilderachtige tooneelen, eigen aan die groote turksche markten of kermissen, die gedurende enkele dagen uit verren omtrek de menschen doen toestroomen als naar een geïmproviseerden bazar.

De Aarde en haar Volken, Jaargang 1906 - Full Text (Malta en de Maltazer Orde)

No comments:

Post a Comment