Monday, March 5, 2012

De Aarde en haar Volken, Jaargang 1906 - Full Text (In Roemenie)

In Roemenië.


Het stadje Pétrozény.

I.

Van Boeda-Pest naar Pétrozény.—Een stukje geschiedenis.—Het dal van de Jiul.—De Bojaren en de Zigeuners.—De markt van Targa Jiu.—Het klooster Tismana.

“Zijn de heeren ingenieurs?”

“Pardon, mevrouw.”

“Inspecteurs van het boschwezen?”

“Ook dat niet; wij zijn gewone reizigers.”

“Toeristen? Hier in Roemenië, en zonder dat er eenig voordeel van te halen is?”

“Geen ander dan de voldoening, interessante zeden en gebruiken waar te nemen, een mooi land te bewonderen en er aangename herinneringen uit mee te nemen.”

Zoo ongeveer werden wij op een dag ondervraagd door een deftige dame, vrouw van een roemeensch generaal, die op een bekoorlijk plaatsje midden in het bergland van Walachije en villégiature was. Uit het gesprek blijkt wel, dat de toeristen tot nu toe Roemenië nog onbezocht hebben gelaten, en dat noch de Alpenclub, noch de agentschappen van Cook beslag hebben gelegd op de mooie bosschen van de Karpathen en de schilderachtige dalen, die van daar naar de Donau loopen.

Wij deden onze reis in de maand Augustus 1901. Eerst hebben wij het nog primitieve gedeelte van Roemenië doorreisd, dat tot in deze laatste jaren bijna precies gelijk gebleven is, als het twintig eeuwen geleden was en dat te vinden is in de bergstreken van Walachije. Vervolgens hebben wij een bezoek gebracht aan het moderne Roemenië, dat een industrieel land is, tegelijk met het nieuwe régime ontstaan en waarvan Boekarest de ziel is en het middelpunt.

De kunst heeft in Roemenië door de eeuwen heen slechts zeer zwakke sporen achtergelaten. Alle oude herinneringen, die men zou verwachten in een door de Romeinen gekolonizeerd land, zijn vernietigd geworden door den stroom van barbaren, die telkens over deze provinciën werd uitgegoten in de volgende twaalf eeuwen en die alles heeft weggevaagd en meegenomen. Alleen een paar kloosters, die in de Middeleeuwen onder de vorsten of woiwoden gebouwd werden en waarvan dat van Curte de Arges het beroemdste is, trekken tegenwoordig nog de aandacht. Maar de groote aantrekkelijkheid voor den [122] reiziger is gelegen in het landschap, dat dikwijls grootsch en altijd poëtisch is, verder in de originaliteit der kleederdrachten en in de zeden der bewoners.

Wij vertrekken van Boeda-Pesth naar ons doel. Die stad, de heerlijke hoofstad van Hongarije, neemt sedert 1896 een plaats in onder de schoonste steden van Europa. Er werd in dat jaar door een schitterende tentoonstelling en door de inwijding van veel monumentale gebouwen o.a. het Parlementsgebouw feest gevierd ter eere van het duizendjarig bestaan van Hongarije. Het was tien eeuwen geleden, dat de Magyaren onder Arpad het land vermeesterden.

Bij het verlaten van Boeda-Pesth voert de trein ons door de vruchtbare vlakten van Hongarije, tusschen velden van blonde maïs, die eindeloos ver zich uitstrekken. Reusachtige bergen van koren zijn om de boerenhoeven gegroepeerd, waar dorschmachines aan het werk zijn, en waar men groote scharen arbeiders en arbeidsters, in ’t wit gekleed, bezig kan zien. Verderop zagen wij tallooze kudden ossen met groote, wijd uitstaande horens; daarna varkens met lang krullend, zijdeachtig haar, die er onder zulk een vacht allerkoddigst uitzagen en die men, in de verte gezien, voor schapen zou houden.

In die hongaarsche vlakten kregen wij in de buurt van Arad voor de eerste maal tamme buffels onder de oogen. Terwijl de ossen in melancholieke stemming in de wei liepen, waren de buffels met welbehagen bezig, een bad te nemen in het lauwe water der rivier. Die dieren worden op hoogen prijs gesteld in Hongarije en Roemenië. Hun melk is uitstekend; ze zijn gehard tegen vermoeienis, kunnen even goed als ossen worden gespannen voor de karren en wagens der boeren, maar zijn uiterst gevoelig, zoowel voor warmte als voor koude, hebben in den zomer zeer veel noodig en moeten in den winter in speciaal voor hen bestemde stallen een onderkomen vinden. In Transsylvanië en in Roemenië, waar de winters streng zijn, stalt men ze dan ook onder de boerenhuizen in goed beschutte kelders.

Dit gedeelte van Hongarije, het gebied der poeszta’s, is zeer dun bevolkt; maar de grond is er wel vruchtbaar en wordt goed bebouwd. De boerenhoeven zijn niet talrijk, maar er behooren uitgestrektheden land bij. Men doet er aan den grooten landbouw in elken zin des woords.

Maar daar zijn we bij de grenzen van de vlakte: we naderen de wouden van Transsylvanië. Te Piski, waar wij onze eerste indrukken krijgen van de woeste bergbewoners, die wij eenige dagen lang van dichtbij zullen kunnen waarnemen, verlaten wij den grooten weg, om in het echte bergland door te dringen en dat deel der zuidelijke Karpathen te bestijgen, dat in zijn geheele lengte slechts één enkelen natuurlijken doorgang biedt, namelijk de IJzeren Poort. Hoe hooger men komt, des te armoediger zien de boerenhuizen eruit. Het zijn allen huizen van leem, gedekt met wat riet of droge maïsstengels, en gegroepeerd om sjofele kerken, geheel van hout opgetrokken. Weldra verdwijnt ieder spoor van menschelijke woningen, en de weg neemt een echt grootsch karakter aan. Het leek wel een chaos, waar wij doorheen moesten.

De eene tunnel volgde op den anderen, en tegen de hellingen der rotsen waren met groote koenheid wegen in de bergen uitgehouwen. Het is avond geworden, als wij stil houden op enkele schreden afstands van de roemeensche grens in een gebied, waar steenkolen gevonden worden, en waar zich rotsen van 2500 M. verheffen. Wij zijn te Pétrozény. De stad ligt op eenigen afstand van het station. Slechts twee of drie fiacres, die dadelijk bezet zijn, staan er ter beschikking van de reizigers, en als een onbekende niet de buitengewone beleefdheid had gehad, om zeer gracieus zijn rijtuig aan te bieden, zouden wij den weg te voet hebben moeten gaan.

Twintig minuten, in vluggen draf door onze paarden afgelegd, en daar zijn we op het groote plein tegenover het voornaamste hôtel van de plaats, waar een vroolijk concert wordt gegeven ten genoegen van de élite der inwoners.

Tegen twee uur in den morgen worden wij met schrik wakker door geroep en kreten van wanhoop. Een reuzenvlam stijgt boven het groote plein omhoog. Een zigeunertent, tegen het hotel aangebouwd, is aan het branden.

Reeds wordt de achtertrap van het hôtel bedreigd, en het personeel stapelt, zonder er aan te denken, dat de reizigers gewekt moeten worden, de corridors vol met kasten, matrassen en tapijten. Met groote moeite banen wij ons een weg er doorheen, om het binnenplein te bereiken, waar wij veilig zijn voor de hitte van het vuur.

De bevolking van Pétrozény is voor een groot deel roemeensch. Maar daar het een industriëele stad is, zijn een menigte vreemde elementen zich onder de oorspronkelijke bevolking komen mengen. Daarom ziet men er naast de frissche en sierlijke roemeensche kleederdrachten een menigte menschen, wier kleeding van geen bepaalde nationaliteit is.

Het stadje is in ’t minst niet origineel. Huizen van steen en andere, van leem opgetrokken, wisselen met houten huizen af, en uit elken gevel steken palen naar buiten, waaraan allerlei zaken heen en weer schommelen, hier een uithangbord, daar schapenhuiden, braadpannen, worsten, zelfs hemden. Het is een echte étalagewedstrijd.

Pétrozény heeft een onzindelijk voorkomen. De bewoners hebben geen andere coquetterie dan die van hun gesteven wit linnen. Bij de mannen zijn broek en overhemd van verblindende witheid, en de vrouwen dragen onberispelijke jakjes en sluiers. Alleen de Zigeuner veroorlooft zich linnen van twijfelachtige tint, en ik acht het niet onmogelijk, dat hij zijn onderkleêren pas aflegt als zij het afleggen, dat is, als ze in lompen uiteenvallen. Het inwendige der woningen ontbeert alle gerief. Deze menschen kennen zoo weinig behoeften, dat zij volstrekt geen begrip hebben van de rechtmatige eischen der weinige vreemdelingen, die onder hen verzeild raken.

Het marktplein vertoont een zeer eigenaardige soort van drukte. Men krijgt den indruk van op een groote boerderij te zijn. De ganzen en de varkens hebben er burgerschapsrechten; de laatste zijn er in [123] allerlei verscheidenheden. Er zijn witte, zwarte en rossige in allerlei nuances en allerlei grootte, naarmate zij tot het moldavische of servische ras behooren, of moerasvarkens zijn, zooals men zooveel aantreft in de buurt van de Donau. Die belangwekkende dieren leven in vrijheid en zoeken eikels in de naburige eikenbosschen, waarmee de naburige hoogten bedekt zijn.

Volgens de statistische opgaven van het Ministerie van Financiën bestond de bevolking van Roemenië in 1894 uit vier millioen inwoners. Maar de berekeningen van den heer Stoerdza, die, naar men zegt, nauwkeuriger zijn, komen voor dienzelfden tijd tot 6100000 inwoners.

De geschiedenis van het roemeensche volk is die van een ongelukkige natie, die door onderdrukking, oorlogen en lijfeigenschap alle initiatief heeft verloren, een volk, welks verstand en wilskracht afgestompt zijn onder de eeuwenlange heerschappij der Turken.

Het tegenwoordige Roemenië, dat is Walachije, Moldavië en Dobroedsja, neemt de plaats in van het oude Dacië, dat door Trajanus op het eind der eerste eeuw van de christelijke jaartelling veroverd werd. Daar het land zeer dun bevolkt was ten gevolge van de vele oorlogen, bracht Trajanus er romeinsche kolonisten heen, die zich vermengden met de oorspronkelijke bevolking en het nog tegenwoordig bestaande ras der Daco-Romeinen of der Roemenen deden ontstaan. Later trekken Gothen, Hunnen, Bulgaren, Hongaren, Tartaren beurtelings door het oude Dacië, dat zij verwoesten en plunderen, en terwijl veel van die Daco-Romeinen over de Karpathen gaan en in Transsylvanië een schuilplaats vinden, stemt de andere helft van de jonge natie er na een wanhopigen strijd in toe, het terrein, dat zij den anderen niet weer kan afhandig maken, voortaan met hen te deelen.

In de 13de eeuw overvallen de Tartaren Hongarije en Transsylvanië. Vluchtend voor hun barbaarsche horden, besluiten de Daco-Romeinen, die in Transsylvanië een toevlucht hadden gezocht, tot een nieuwen uittocht. Zij trekken opnieuw de Karpathen over en keeren naar hun vroeger vaderland terug. Radu-Negru, dat is Rudolf de Zwarte, hoofd der kolonne van Togaras, vestigt zich te Kampolung en wordt de eerste woiwode van Walachije, terwijl een ander hoofd, Bogdan geheeten, zich laat uitroepen tot woiwode van Moldavië. Zoo ontstonden de beide onafhankelijke romaansche of roemeensche vorstendommen, maar de onafhankelijkheid was niet van langen duur.

In 1393 wordt Walachije en in 1511 Moldavië een vazalstaat van de Turken. In den aanvang worden die provincies geregeerd door inlandsche hoofden onder de suzereiniteit van de sultans in Byzantium; maar in de 18de eeuw zonden dezen er vreemde vorsten heen, gekozen uit de machtige grieksche financiers van Konstantinopel. Dat is de tijd der Fanarioten van 1716 tot 1822. Zij heeten naar Fanar, een wijk van het oude Konstantinopel, waar na de verovering door de Turken de Grieken bleven wonen. Bij hun troonsbestijging moesten de fanariotische vorsten buiten de gewone jaarlijksche schatting nog een belangrijke som aan de Porte opbrengen. Van toen af ging de bevolking gebukt onder zware lasten, en terwijl zij in naam haar vrijheid behield, werd zij op onmenschelijke wijze uitgezogen.

In 1820 echter werd de Roemeniër het juk moede; hij ontwaakte uit zijn dofheid en stond op tegen den sultan, eischend met een geestkracht, waartoe men hem niet in staat zou hebben geacht, zijn eigen inlandsch bestuur terug te erlangen, hetgeen geschiedde. Die vorsten wisten het nationaal gevoel te doen herleven, en na den Krimoorlog verwierven zij voor de roemeensche provinciën een betrekkelijke onafhankelijkheid, gewaarborgd door de mogendheden, die het verdrag van Parijs in 1856 hadden geteekend.

De vereeniging der provinciën werd in 1861 afgekondigd, en kolonel Couza werd tot vorst gekozen onder den naam Alexander-Jan I. Samen met zijn ministers kondigde hij tegelijkertijd de secularisatie van de kloosters af, die een vierde deel van al het grondgebied bezaten, en de afschaffing der slavernij van de boeren. Maar in 1866 werd hij gedwongen, afstand te doen van den troon, en de Kamers riepen, nadat zij tevergeefs een beroep hadden gedaan op Zijne Hoogheid den graaf van Vlaanderen, prins Karel van Hohenzollern tot vorst van Roemenië uit.

Bij zijn troonbestijging moest alles van voren af aan worden opgebouwd. De steden leverden een schouwspel van volslagen armoede op. Overal heerschten omkooping en diefstal. De vorst hield zich dan ook van het begin af bezig met de reorganisatie van de verschillende takken van staatsdienst, en in 1877, tijdens den turksch-russischen oorlog, was Roemenië reeds met groote schreden vooruitgegaan en kon een machtige steun zijn voor Rusland.

Het werd maar kaaltjes beloond voor zijn edelmoedige hulp. Men gaf Dobroedsja met de haven Constanza; maar in ruil moest Roemenië dat deel van Bessarabië afstaan, dat in 1856 verkregen was, en waar Rusland al sinds langen tijd een begeerig oog op hield gevestigd. Het is waar, dat tevens de volledige onafhankelijkheid van Roemenië door de verschillende europeesche staten werd erkend, en in 1881 verkreeg vorst Karel van Hohenzollern den titel van koning van Roemenië.

In dit geschiedverhaal wordt de uittocht van Fogaras door verschillende schrijvers tegengesproken. Zij houden vol, dat Radu-Negru slechts een legendarische persoonlijkheid is. Volgens hen zouden Tugomer Bassarab, die een dynastie in Walachije stichtte en zijn zoon Alexander Bassarab, die het volk van herders in een zelfbewuste, onafhankelijke natie herschiep, de grondleggers van den staat zijn.

Wij betreden Walachije langs den nieuwen weg, die door de Karpathen leidt en te Targu Jiul uitkomt. Daarna, als wij ons successievelijk hebben opgehouden in de kloosters van Tismana, Horezu, Curtea de Arges en Kampolung, begeven we ons naar Boekarest, de hoofdstad van Roemenië, van waar we een bezoek zullen brengen aan het petroleumgebied van Doftana en aan de mijnen van steenzout van Slanic. Wij zullen den tocht besluiten met [124] Sinaïa, de poëtische residentie van Roemenië’s souvereinen.

Tegenwoordig reist men in Roemenië nog per victoria, met twee, drie of vier paarden bespannen. Onder de kap is een ruime bergplaats voor alles, wat men kan noodig hebben onderweg, en er hangt een emmer aan, om den paarden te drinken te geven, want al die dingen kan men onderweg niet krijgen. De zak met maïs, waaruit de paarden gevoerd worden, die maïs in plaats van haver krijgen, bevindt zich naast den koetsier. De laatste neemt ook rijkelijk voorraad mee en is dan eindelijk wel zoo goed, uwe bagage op te laden.


Roemeensch bergbewoner.

De paarden zijn vlug en opgewekt en bestand tegen groote vermoeienis. Zij leggen 80, soms zelfs 100 kilometer per dag af en 10 kilometer per uur. De koetsiers hebben een eigen, bijzondere manier van hen aan te zetten, door de zweepslagen te doen vergezellen door woeste, zeer eigenaardige geluiden.

Voor vijf-en-twintig jaar was de victoria in het land onbekend; men reisde enkel met de birdj, het nationale voertuig, dat nu nog bij de boeren in gebruik is. Het is een kist van houten latten zonder veêren op vier wielen, aan de achterzijde is de onvermijdelijke bak voor berging en een groote huif is er overheen gespannen, ondersteund door breede hoepels. Door een smalle, lage opening stapt men er binnen en heeft daar dan als zitplaats zijn eigen bagage of een hoop hooi.

Het dal der Jiul, dat bij ’t vertrek uit Pétrozény voor ons open ligt, werd langen tijd voor volkomen onbruikbaar gehouden, want zelfs de bergbewoners beschouwden het als onbegaanbaar, en om over dit deel der Karpathen heen te komen, gaven zij nog ondanks de hinderpalen van allerlei aard, de voorkeur aan het ruwe pad over den Vulkaan-pas. Maar door groote en vernuftige werken, voor ’t meerendeel aangelegd door belgische ingenieurs, loopt er thans een der mooiste wegen door en een der veiligste uit de zuidelijke Karpathen.


Roemeensche gala-kleeding.

Men rijdt er door een nauwe spleet, met aan beide zijden hooge bergen, die van boven volkomen kaal zijn en die in de lagere gedeelten met groote, nog niet geëxploiteerde bosschen zijn bedekt, waardoor de bergen een prachtig maar somber aanzien krijgen. Heel in de diepte van de kloof stuwt de hongaarsche Jiul, gevoed met de roemeensche rivier van dien naam, haar onstuimig water tusschen al de hindernissen door, die in de rotsachtige bedding in den weg komen. Nu eens in het nauw gebracht tusschen rotswanden, schuimt en bruist en springt de rivier voort; dan weer breidt zij zich rustig uit te midden van het groen, dat tot het water voortloopt. [125]

Soms is de rivier zoo woedend, dat zij een stuk van den nieuwen, met groote kosten aangelegden weg met zich mee sleurt. Men kan in West-Europa zich geen denkbeeld maken van dat snelle wassen der rivieren, en het komt niet alleen in de lente voor, als de sneeuw op de bergen smelt, maar ook in het hartje van den zomer.

De weg is wel niet te vergelijken bij de wonderschoone wegen in Zwitserland, maar hij roept de herinnering wakker aan de mooiste dalen van Schwarzwald en Jura en heeft nog woester, grootscher karakter.


Verkoopsters op de markt van Targu-Jiul.

Dicht bij den uitgang van het dal staat in een omheinde ruimte het nederige klooster Naïch. Dat witte kloostertje, waarvan het aardige kerkje met de driedeelige vensters van buiten aan alle kanten met mooie fresco’s is versierd, wordt op ’t oogenblik nog door enkele monniken bewoond.

Weldra worden de bergen lager en staan verder uiteen. De Jiul, die niet langer door rotsen beperkt wordt, stroomt door een bedding, die tienmaal te breed is voor haar wateren, en de wouden verdwijnen, om plaats te maken voor gewoon bouwland. Eerst nadat wij dertig kilometer hadden afgelegd, ontdekten wij enkele houten huisjes met puntige daken op zijn Turksch en bedekt met planken van berkenhout. Hoe armoedig ze ook mogen wezen, alle huisjes zijn van elkander afgescheiden en zijn door een schutting omgeven. In Roemenië zijn, evenals in de meeste oostersche landen, levende hagen onbekend. Men maakt afsluitingen van planken of palen, van doode takken of van rijswerk. Die kleine boerenhoeven hebben, al zien ze er ook nog zoo ellendig uit, toch een echte verbetering gebracht in het lot van den Roemeniër. Hij heeft thans een eigen huis, een stal, een maïszolder, een varkenshok, terwijl hij te voren eeuwen lang onder de heerschappij der Bojaren gewoond heeft in holen, die twee meter diep in den grond waren uitgegraven en onder een dak van rijswerk met aardkluiten belegd. Voor elk van deze woningen ligt nu een veranda, waar het gezin des zomers slaapt, omdat de groote hitte het huis van binnen onbewoonbaar maakt. Des avonds worden er matrassen en dekens neergelegd, die ’s morgens weer worden weggenomen.

Oudtijds wilde een vroom gebruik, dat ieder boer vóór de deur van zijn huis een schotel met water plaatste ten gebruike der voorbijgangers en der reizigers; tegenwoordig ziet men vóór elke hoeve een pomp, waarbij ieder naar welgevallen zijn dorst kan lesschen.

De monumentale deur, die de omheining afsluit, is een der sieraden van een roemeensch huis; men vindt zoo’n deur overal, bij de grootste, zoowel als [126] bij de kleinste hoeven, bij de villa’s en bij de kloosters. Die deuren zijn op eigenaardige en soms zeer artistieke wijze uitgesneden.

De Bojarenheerschappij werd eerst in het land gevestigd op het eind der 14de eeuw. Radu of Rudolf XIV kwam, met den steun van den griekschen patriarch Niphon, op het denkbeeld een adelstand in het leven te roepen op het voorbeeld van den byzantijnschen adel en veranderde de hofambten zóó, dat ze recht gaven op adellijke titels.

Dit was de aanleiding tot het ontstaan van den stand der Bojaren. Later kwam onder de Fanarioten een stroom van grieksche avonturiers het land binnen, in het gevolg der vorsten, die hen bij voorkeur tot eereambten riepen. Zoo ontstond er in het land zelf een vreemde aristocratie, een lage, verdorven, winzuchtige klasse, die de inboorlingen onderdrukte en ze onbeschaamd uitmergelde. Die nieuwe adel was erfelijk tot in het tweede geslacht.

Elke Bojarentitel gaf recht op een zeker aantal boeren, die alleen aan hun heer belasting hadden te betalen. Zestig duizend gezinnen werden aldus in den dienst der Bojaren gesteld. Die ongelukkige landbouwers, hoewel niet precies gebonden aan den grond, hadden niet het recht, van heer te veranderen en mochten hun grond alleen verlaten met toestemming van den eigenaar.

“Nog in 1856”, zegt Elisé Reclus, “waren 5 à 6000 Bojaren heeren en meesters van het land en zijn bewoners. Maar er bestond groote ongelijkheid onder hen; de meesten waren slechts kleine grondbezitters, terwijl 70 vazallen in Walachije en 300 in Moldavië met de kloosters bijna al den grond onderling hadden verdeeld.

In 1864 kwam er, met de secularisatie van de kloosters, ook een einde aan de lijfeigenschap der boeren. Elk gezin verkreeg een stuk land, afwisselend tusschen 3 en 6 H.A., naar gelang het één koe hield, twee ossen en een koe, of vier ossen en een koe. De hectare werd hun eigendom tegen den prijs van 60 gulden, betaalbaar aan den staat in vijftien jaarlijksche aflossingen.

Het aantal boeren, dat op die manier land in bezit kreeg, steeg in ’t begin tot 450000, maar in 1880, toen er een nieuwe verdeeling van den grond door den staat plaats had, kwamen er nog 100000 bij.

Ondanks die hervorming behooren de groote bronnen van rijkdom nog aan den staat en de oude Bojaren. De staat exploiteert namelijk zelf de onuitputtelijke zoutmijnen, hij is eigenaar van de petroleumhoudende terreinen; voor het grootste deel zijn de bosschen, die een vijfde van het grondgebied bedekken, in zijn bezit. Wat de Bojaren betreft, zij hebben enorme eigendommen in handen, hun door de woiwoden afgestaan, en waarvan de uitgestrektheid van 4 tot 8000 H.A. bedraagt.

Die eigendommen kunnen niet dan in hun geheel verkocht of vervreemd worden; de wet verbiedt hun verbrokkeling. Buitendien is door art. 7 der grondwet bepaald, dat vreemdelingen geen vaste goederen in Roemenië mogen bezitten. Zij kunnen niettemin van een Roemeniër erven; maar in dat geval heeft de staat het recht, hen te verplichten hun bezittingen te verkoopen, tenzij ze zich laten naturaliseeren. Dat kan geschieden bij Parlementsbesluit na tien jaren verblijf in het land. Er zijn nog andere verzachtingen van de bepalingen, die op vreemdelingen betrekking hebben. Zoo kunnen ze bijvoorbeeld huizen bezitten in de steden, en er bestaat plan, om de verkrijging van vaste goederen mogelijk te maken voor buitenlandsche maatschappijen, in geval de meerderheid der aandeelhouders uit roemeensche burgers bestaat.

De wijze, waarop die groote bezittingen worden geëxploiteerd is nog al eigenaardig. Op een vastgestelden dag roept de burgemeester de gezinnen uit zijn dorp op en verdeelt onder hen, tegen een dikwijls belachelijk laag loon, de gronden, die bebouwd moeten worden. Het loon wordt vooruit betaald, maar de geheele oogst valt toe aan den eigenaar. Behoef ik nog te zeggen, dat de ongelukkige boeren, die vroeger zoo slecht behandeld werden, dat tegenwoordig nog worden? In vele gevallen worden ze lomp bejegend en zelfs wel geslagen.

Verscheiden oude Bojaren, vooral in Moldavië, besturen zelf de landbouwondernemingen op hun goederen en hebben uitgebreide corpsen arbeiders in het werk, terwijl zij tien maanden van het jaar er wonen. Maar in het hartje van den winter gaan ze reizen en gaan hun inkomsten te Boekarest, Weenen en Parijs verteren.

Op den weg van Targu Jiul komen wij groote wagens tegen. Zeven of acht paar ossen, het eene paar achter het andere en bestuurd door in het wit gekleede boeren, trekken landbouwmachines en zware karren met nieuwerwetsche artikelen voor den modernen landbouw. Vroeger ging het dorschen in Roemenië met behulp van ossen, die het koren op den dorschvloer trapten. Tegenwoordig is de dorschmachine er doorgedrongen, en de kleine eigenaars vereenigen zich, om samen stoomdorschmachines te koopen.

Mannen en vrouwen te paard gaan naar de stad; spiernaakte kinderen vluchten bij onze nadering. De dorpen worden grooter; de huizen zijn netter onderhouden, en op de palen van de afsluitingen staan allermerkwaardigste potten en vazen omgekeerd, om uit te lekken en te drogen. Aardewerkfabricatie is inderdaad een der belangwekkendste takken van de roemeensche klein-industrie. Er worden zelfs markten van aardewerk gehouden, en men vraagt zich af, hoe de Roemeniërs zoo’n oneindige verscheidenheid van gebruiksvoorwerpen kunnen aanwenden.

Bij den ingang der stad waren geheele gezinnen aan den wegrand gezeten, in een kring op den grond gehurkt in volkomen sans gêne. Zedigheid is waarschijnlijk niet de hoofddeugd der roemeensche boerinnen; misschien ook bestaan er daar andere begrippen op dat punt dan bij ons, en het is waar, dat hoe meer men het Oosten nadert, des te inschikkelijker wordt men voor het déshabillé.

Wij zijn te Targu Jiul, de eerste belangrijke plaats in Roemenië. Het is een stad van 3000 inwoners, waar een school in aanbouw de aandacht trekt, omdat zij als modelschool aangewezen wordt.

Het hôtel, waar wij afstappen, ziet er zeer goed uit en, hoogst aangename verrassing, de eigenaar [127] spreekt Fransch. Maar wij moeten nu kennis maken met de roemeensche keuken! O, die roemeensche keuken! Zure soepen, waar een half dozijn sardines in drijven. Is dat niet iets, om u op slag den gretigsten eetlust te benemen?... Geen roastbeef, noch biefstuk.... Runderen worden niet geslacht; zij dienen enkel als trekdieren. Varkens loopen op straat rond, maar ze worden evenmin geslacht, in den zomer ten minste niet, onder voorgeven, dat het vleesch maar twee of drie dagen goed blijft. Kippen krijgt men meer dan genoeg, maar die welke ons aan tafel werden voorgezet, zijn magere beestjes, zoo hard gebraden, dat ze bijna geheel uitgedroogd zijn. Schapenvleesch, trossen gekookte maïs en een gerecht, dat koukouroute heet, schijnen de meest aanbevelenswaardige onderdeelen van ’t menu.

In de hôtels eet men met muziek. Als gij een orkest van Zigeuners treft, hoort ge woeste, heftige, hartstochtelijke muziek; hebt ge een roemeensch orkest, dan blijven vuur en gloed achterwege, om plaats te maken voor klacht en melancholie. Het is om te schreien, zoo droevig; ’t is in muziek omgezette smart.

Midden in den nacht worden wij gewekt door een hevig onweêr, zooals er bij ons zelden voorkomen. Het is een opeenvolging van lange, witachtige bliksemstralen, uitgaande van alle punten van den horizon tegelijk en, in éénen door, de markt en de straten der stad met licht overstroomend. Tegelijkertijd storten de watervallen van den hemel op de aarde neer, en de straten worden tot ware rivieren. ’s Morgens waren de straten weer droog, en de lucht was zuiver en geurig.

Niettegenstaande den nachtelijken storm was van vier uur af de markt, die tegenover ons hôtel werd gehouden, buitengewoon druk en levendig. Men kan zich niets aardigers en schilderachtigers denken dan die markten, waar de bewoners uit de naburige dalen samenkomen. Die laatsten komen naar de stad in met een paar ossen bespannen karren, of op den rug van een muilezel, door de vrouwen bereden op dezelfde wijze als door de mannen. Zij hebben vaak een reeks van een vijftiental bijeengebonden kippen bij zich, die er erbarmelijk uitzien. Enkele vrouwen komen op de markt met leêge handen; maar met zeer gevuld jakje. Als ze ter plaatse zijn, steken ze de hand vóór in hun halfgeopend gewaad, dat daar trouwens altijd voor zak dient en halen er, ’t zij een kip, ’t zij een eend uit; ik heb er zelfs gezien, die uit die bergplaats een speenvarkentje voor den dag haalden, dat daarna moederlijk in de armen werd gedragen.

Doch het origineelste zijn zij, die uit de stad terugkeeren met de meest uiteenloopende voorwerpen in haar geïmproviseerden zak. Die hangt dan zwaar omlaag op den boezelaar, en maakt bij elke schrede een rinkelend geluid van aardewerk of men hoort er den triomfkreet van een haan uit opstijgen, die op de markt een koopster heeft gevonden. De vrouwen staan of zitten er langs de trottoirs met haar koopwaar vóór zich. De verkoop van de producten is niet zeer winstgevend. Men betaalt 30 centimes voor een kip, 10 centimes voor vier eieren, en 15 centimes voor vier liter wijn. Toch zien ze er niet uit, of ze gebrek lijden. Ze zijn vroolijk en vriendelijk en gaan naar de markt als naar een feest.

Haar kleeding, van onberispelijke netheid, is tevens niet onelegant. Zij dragen een zeer wijd linnen hemd, versierd met borduursel van blauwe en roode wol. Vóór en achter wappert een boezelaar, de catrinza, van wol met breede strepen. In andere plaatsen hullen ze zich bij wijze van japon in een stuk geweven stof, die zeer stijf is en rijk versierd met motieven in kleuren. De jonge meisjes loopen altijd blootshoofds met een op den rug hangende vlecht. Alleen de getrouwde vrouwen dragen over het hoofd en de schouders een sluier van zeer lichte stof en in enkele steden hebben zij een mannenhoed op, die niet zeer gracieus staat.

De kleeding van de mannen herinnert aan de oude dracht der Daciërs, zooals zij op de Trojanus-zuil is weergegeven. Zij bestaat uit een hemd van grof linnen, om het middel bevestigd met een breeden leêren gordel, die voor zak dient. Onder het hemd wordt de linnen broek gedragen, gewoonlijk sluitend van de knie tot den enkel.

De Roemeniër uit het laagland, vooral de Walach, heeft zwarte oogen, een gebronsde tint en een zacht, sterk sprekend gezicht. Nog in onze dagen vertoont hij de sporen van het droevig lot, dat hij zoo lang heeft moeten dragen. Hij is tegelijk beschroomd, geduldig, bijgeloovig en fatalistisch.

Al vroeg in den morgen wacht onze met drie paarden bespannen victoria aan de deur van het hôtel, en na ons van mondvoorraad voor den dag te hebben voorzien, gaan wij op weg naar Tismana.

Het landschap, waar we door rijden, is zeer schilderachtig. Op dichte groepen hoog eiken hakhout langs den weg volgen de groote wouden, reuzenbosschen, waar de boomen prachtige afmetingen erlangen. De dorpen zijn armoedig en vuil, en het geeft een bedrukkend gevoel, te rijden door die vruchtbare dalen der Karpathen, en te constateeren, dat er alle sporen van werkzaamheid ontbreken. Maar de arme heeft in dit land bijna geen behoeften; hij heeft maïs in huis en uien en brood, een brok zout en kaas, en hieraan heeft hij genoeg. Het bosch levert hem hout en zijn kleêren worden thuis door de vrouwen gesponnen, geweven en genaaid. Elke woning heeft dan ook haar weefgetouw. Van hennep wordt het grove linnen gemaakt, waaruit in hoofdzaak kleederen van mannen zoowel als van vrouwen zijn vervaardigd. Gesponnen wol dient voor het maken der lakensche mantels voor de boeren en voor huishouddekens. Met meekrap of lakmoes gekleurd, dient die wol ook voor het weven van de veelkleurige boezelaars, die de vrouwen dragen en voor de versiering van de linnen hemden met allerlei curieuse en artistieke borduursels.

Ik kan hier nog bijvoegen, dat tot op den leeftijd van zes à zeven jaar de meeste kinderen geheel naakt loopen, wat practisch en zuinig moet heeten. Des avonds alleen trekt men hun een hemdje aan tegen de koude van den nacht.

Vlak bij Tismana ontmoeten wij talrijke groepen, los en vrij op den grond gelegen vóór hun deuren. Als bij instinct staan ze op, als ze ons zien naderen [128] en blijven staan als teeken van eerbied, tot we voorbij zijn. Die groepen zijn voor ’t meerendeel Zigeuners.

De oorsprong van dit eigenaardige ras is lang een punt van strijd gebleven. Het schijnt tegenwoordig vast te staan, dat ze uit Hindostan afkomstig zijn. Oude charters, die te Tismana teruggevonden zijn, spreken al van Zigeuners, die in de 14de eeuw in slavernij naar Walachije werden gekracht.

Werkelijk zijn de Zigeuners in Roemenië eeuwen lang in een toestand van smadelijke dienstbaarheid gehouden, terwijl ze overal elders reeds de vrijheid hadden gekregen. Zij bleven het eigendom van den staat, de Bojaren en de kloosters tot 1827, het jaar van hun bevrijding. Hun aantal is betrekkelijk gering; in heel Roemenië komen er tegenwoordig niet meer dan 260000 voor.


De kleeding der vrouwen in het dal der Olt.

Onder al de wisselvalligheden van hun treurig bestaan hebben de Zigeuners hun type, hun taal en hun gewoonten behouden. Het type is zeer bijzonder en is merkwaardig zuiver door de eeuwen heen bewaard gebleven. De taal, die zij spreken onder elkander, is een hindoesch dialect, dat veel op eenige sanscrietsche tongvallen gelijkt. Eerst sedert hun vrijverklaring komen gemengde huwelijken tusschen hen en Roemeniërs voor. Ze hebben een ovaal gelaat en prachtige, schitterende, zwarte oogen. Het zeer zwarte haar laten zij als een bos groeien en nooit maakt het kennis met een kam. De neus is recht, met een lichte arendswelving; de tanden behouden hun schitterende witheid in alle omstandigheden, zelfs bij het overmatig gebruik van tabak, waaraan mannen en vrouwen zich overgeven.

Velen van hen zijn landbouwers en anderen beoefenen het smids- of het koperslagersbedrijf. Maar ze zijn vooral muzikanten, en zonder eenige theoretische kennis brengen ze met veel gevoel en uitnemend talent de liefelijkste melodieën ten gehoore.

Wij gaan nu door bekoorlijke boschjes, waar aan alle kanten beekjes onder de struiken ritselen, zooals zij neergedaald komen van de naburige hoogten en den stoffigen weg met hun gemurmel begeleiden.

Links van ons wordt het landschap beheerscht door het klooster van Tismana, zooals het daar leunt tegen den dichtbegroeiden berg en op een vooruitspringend gedeelte van de rotsen is aangelegd. Een waterval vloeit schuimend onder het klooster naar beneden en stort zich met één sprong in het dal, waar hij nog trillend van den val in de diepte, zijn loop vervolgt tusschen de donkere boschjes naast ons.

De abdij van Tismana, die vroeger zoo beroemd was, bezit thans geen anderen rijkdom meer dan zijn prachtige ligging en heerlijke omgeving.

Een vijftiental monniken leiden er nog een armoedig bestaan. Sinds de secularisatie van de kloosters in 1864, dat is dus sinds den tijd toen zij beroofd werden van hun bezittingen en kostbaarheden, bepaalt de regeering zich ertoe, aan elken monnik 70 centimes per dag te geven voor hun voeding en 50 francs per jaar voor kleeding. De rijke sieraden en kostbare ikons zijn hun afgenomen en worden thans tentoongesteld in het museum te Boekarest, waar ze hun typische belangrijkheid natuurlijk hebben verloren. Er heerscht dan ook groote ellende in die kloosters, en de cel van een der monniken, waar men ons heen brengt, om van het prachtig uitzicht te genieten over het dal, is een akelig verblijf met geen andere meubels dan een stroozak. [129]


Het stadje Horezu.

Vroeger, in den tijd van hun grootheid, toen herbergen in Roemenië iets onbekends waren, boden de mannen- en de vrouwenkloosters de ruimste gastvrijheid aan, en vriendelijk werd ieder vreemdeling opgenomen, die aan hun deur klopte.


In het dorp Slanic.

Zij waren zelfs het doel geworden voor kortere of langere uitstapjes, en de burgerij uit de steden kwam er samen, om er den zomer te slijten. Er slopen allerlei misbruiken in bij dat leven van wereldsche ledigheid, dat daar langzaam aan binnendrong in het kloosterleven en dat zelfs, naar het schijnt, een der redenen was van de secularisatie der kloostergoederen. Tegenwoordig, nu de monniken het armoedig hebben en zelf alle werkzaamheden op het veld moeten verrichten, zijn de kloosters stil en verlaten geworden. Enkele kalme gezinnen, die de hitte in de vlakte willen ontloopen, komen er nog wel eens rust en koelte zoeken. De monniken verhuren hun kamers, maar zij bieden niet anders aan dan een legerstede in die ruimten. De logés moeten zelf in al hun andere behoeften voorzien.

Men komt het klooster binnen langs een vierkant voorplein, waar men de gebouwen ziet, bestemd voor de vreemdelingen. Er zijn op dit oogenblik twee welgestelde families uit Krajowa, waarvan de dames ons vriendelijk als tolk dienden bij den portier, een prachtigen monnik met lange haren en zwarten baard.

Er is een tafel neergezet in het klooster ten gebruike van de vreemdelingen die hun ontbijt in het klooster wenschen te gebruiken. Maar wij mochten ons inderdaad gelukkig achten, omdat wij er aan gedacht hadden proviand mede te nemen, en niet vertrouwd te hebben op den regel, die al zeer oud is en die de kloosters verplicht vreemdelingen drie dagen lang te herbergen en te voeden. De portier, die ons bediende, had zelfs geen brood ons aan te bieden. Alleen had hij ronde, harde, platte beschuiten als enorme medailles, met een afbeelding van het klooster op den eenen en een van den patroon der abdij Sint Nicodemus op den anderen kant. [130]

De monniken houden zich bezig met de eenvoudigste en meest vermoeiende werkzaamheden; maar zij behouden zelfs bij het nederigste werk een waardigheid, die eerbied afdwingt. Armoede is geen schande.

Zij belijden den orthodox griekschen godsdienst. Tot 1864 was de kerk onderworpen aan het patriarchaat van Konstantinopel; sinds dien werd zij een onafhankelijke, nationale kerk. Haar hoofd is de metropolitaan-primaat van Roemenië, die te Boekarest resideert. De roemeensche geestelijkheid wordt in twee categorieën verdeeld, de monniken van den H. Basilius, die aan het celibaat gebonden zijn, en de wereldlijke priesters, die mogen huwen. Uit de eerste categorie alleen wordt de hooge geestelijkheid gerecruteerd. Zelfs onder het turksche protectoraat zijn de Roemeniërs er in geslaagd, het verdrag te doen eerbiedigen, waarbij het verboden was moskeeën op hun grondgebied te bouwen. Nooit hebben de Turken, het zij tot hun eer gezegd, de minste poging gedaan, om dat verbod te overtreden.

II.

Het klooster van Horezu.—Uitstapje naar Bistritza.—Romnicu en de pas van den Rooden Toren.—Van Curtea de Arges naar Kampolung.—Pas van Dimbo-viciora.

Op 25 K.M. af stands van Targu Jiul ligt het klooster van Horezu, onmiddellijk bij het stadje van denzelfden naam. Daar de weg nog al vermoeiend is, heeft men voor ons gewoon klein rijtuigje vier paarden gespannen, alle vóór elkander. Wij volgen juist de tegenovergestelde richting van die naar Tismava; doch evenals gisteren rijden we langs de hooge bergen van de Karpathen en wij steken dwars over een eindeloos aantal dalen, die van de groote hoofdketen afdwalen, om zich in de roemeensche poeszta te gaan verliezen.

De dalen zelf zien er niet merkwaardig uit, maar bij elke hoogte ontdekken wij ruime vergezichten, die den tempel van dichterlijke melancholie dragen. Nu eens gaan we voorbij prachtige eikenbosschen, die kolossale hoogten bereiken, dan langs verrukkelijke berkenbosschen met zilveren stammen en levend loof. Wij houden halt, soms onder een boschje in de diepe schaduw bij een van die groote putten, wier eenige arm ten hemel wijst en waar onze arme paarden met lange teugen zuiver en kristal-helder water drinken, en dan weer bij een bescheiden dorpsherberg, waar we binnengaan, om ons eens te vertreden en ook om van die dorpsbinnenhuizen een voorstelling te krijgen.

En terwijl in de gelagkamer onze koetsier zijn fleschje tzuica drinkt, of pruimelikeur, die uit zeer kleine fleschjes geschonken wordt, in één teug te ledigen, brengt de waard ons naar de achterkamer, de eerezaal. Wij zien er als voornaamste meubel een divan, die als bed kan dienen en in den vloer is vastgeschroefd. Een mooi gestreept tapijt ligt erover en kussens met allerlei borduursels en roode en witte letters. Tegen de muren hangen chromolithografieën, afwisselend met groote strikken van wit linnen, op dezelfde wijze geborduurd en van initialen en datums voorzien. Er is in het geheele huis geen kast, noch in den muur, noch los in de vertrekken. Daarvoor in de plaats staan er langwerpige houten koffers of kisten naar turksch en servisch gebruik, waar men door elkaâr schoenen en vaatwerk en juweelen in bergt, kortom al wat men bezit.

De middenzaal wordt door het gezin bewoond. Men ziet daar de weefstoelen, dan divans, allerlei aardewerk, heel eenvoudig keukengereedschap en een langwerpige tobbe, in den vorm van een boot in een boomstam uitgehold. Die tobbe, die men in alle huizen terugvindt, bewijst de meest verschillende diensten. Het is de draagbare wieg der kinderen, de waschtobbe van de moeders en de etensbak der beesten.

In het algemeen koken de Roemeniërs bij mooi weêr in de open lucht, ’s Avonds groepeeren zich geheele gezinnen om een vuur, waarop de mammaliga kookt, de nationale schotel, een dikke brij van maïsmeel in zout water gekookt, en tegen den nacht geeft het roode schijnsel van het vuur, dat al die witte gedaanten, die er zich omheen dringen, verlicht, aan het landschap iets sombers en dreigends.

De waard zet ons, na de honneurs van zijn huis te hebben waargenomen, zijn besten wijn voor, die entre nous niet drinkbaar is, daarna brengt hij ons naar de plaats bij zijn huis, waar een soort van rad is opgericht, een russische schommel, hier het Groote Rad van de parijsche tentoonstelling in zijn eenvoudigsten en meest rustieken vorm. Men ziet die raderen nog al eens, zoowel in Moldavië als in Walachije.

De dorpen, die wij door trekken,—de weinige dorpen, zou men moeten zeggen, want het land is dun bevolkt,—lijken alle op elkander. Het zijn altijd dezelfde boerenhuizen, die men er ziet, met planken daken, en waar varkens van allerlei kleuren voor rondloopen met een driehoekigen ijzeren ring door den neus, dan ganzen en eenden en daartusschen naakte kinderen. Uit die hoeven stuiven vaak groote honden te voorschijn, die tegen het rijtuig blaffen en achter ons aan hollen, tot de koetsier met een flinken zweepslag hen tot orde en welvoegelijkheid roept.

De dorpskerken, alle gelijk, zijn in nieuw-byzantijnschen stijl opgetrokken en trekken van verre de aandacht door hun metalen koepels en hun hooge, achthoekige torens met groote boogvensters. Vele zijn van buiten met groote fresco’s versierd, die er een zeer bijzonderen stempel op drukken. De kerkhoven, die meestal afgezonderd liggen te midden van de velden, zijn vol van zware byzantijnsche kruisen, beschilderd en versierd met vrome figuren op gouden fond. Ook langs den weg staan veel kruisen, die niets met graven te maken hebben, kruisen, die als in veel berglanden, door vrome geloovigen zijn opgericht. Zoo ziet men vaak een kruis naast een bron of zelfs wel bij een eenvoudigen put.

Op den middag houden we stil te Podovraj, een aardig plaatsje, middelpunt, van waar uit men verscheiden belangwekkende uitstapjes kan maken. Wij vinden er veel roemeensche familiën, die er hun zomerverblijf hebben opgeslagen. [131]

De Roemeniërs gaan op eenvoudige en goedkoope manier en villégiatura. Zij hebben eigenlijk geen ander koel zomerplaatsje dan Sinaïa, de koninklijke residentie, waar de élite van ’t gezelschapsleven samenkomt; enkele badplaatsen als Slanic in Moldavië en Calimanesti, en een paar deftige lustoorden in de bergen, als Kampolung, Ocna en nog enkele. Daarom gaan families met beperkte middelen, die de brandende hitte der vlakte willen ontvlieden, bij voorkeur naar de dorpen. Daar gaan ze een accoord aan met de eene of andere Zigeunerfamilie, die hun haar woning voor één of twee maanden afstaat. Men installeert zich dan in zoo’n primitief huis en brengt er de vacantie door te midden der bosschen en der woeste Karpathennatuur, gelukkig als er een herberg in de buurt is, van waar ze hun eten kunnen laten komen. In dien tijd kampeeren de Zigeuners hier of daar; die nemen het zoo nauw niet en hebben hun nomadenbloed behouden.

Te Horezu moesten wij de keus van ons logement aan den koetsier overlaten. Hij brengt ons in een soort van hoeve, die volkomen ledig is. Niemand in de herbergzaal, niemand in de kamers, waar wij haastig en tersluiks een blik in werpen. Maar alles ziet er zoo vuil, zoo afschuwelijk vuil uit, dat wij niet kunnen besluiten, er den nacht door te brengen en op de zoek gaan naar een meer passend verblijf. Na veel zoekens vinden wij een minder voorhistorische, zelfs bijna moderne herberg. De waard laat ons kamers zien, waar de bedden wel door divans zijn vervangen op roemeensche manier, maar waar de lakens van een witheid zijn, die een uitstekend voorteeken is.

Helaas! het voorteeken heeft bedrogen. Den geheelen nacht zijn de springende insecten in de weer. Noch ammonia, noch eau de cologne helpt er iets tegen en slapeloos brengen wij den nacht door.

Het stadje Horezu is bekoorlijk en druk. De huizen, minder op zichzelf staand dan te Targu Jiul, zien er beter uit met hun in de straat naar voren springende balkons. De bewoners, vooral de vrouwen, zien er vroolijker uit, hebben zelfs iets joligs. Des avonds dringen naar het eind van de hoofdstraat, waar wij logeeren, vreemde liederen tot ons door, gezongen door van het werk terugkeerende meisjes. Het zijn turksche melodieën met zeer bijzondere modulaties, en het gezang is werkelijk boeiend, zoo boeiend, dat wij de groepen volgen tot op het oogenblik, dat zij uit ons oog verdwijnen, altijd nog zingend en de echo’s voortstuwend van hun trillers en hun hooge noten.

Op twintig minuten afstands van de stad ligt het klooster van Horezu. Men gaat per rijtuig langs den grooten weg tot aan den heuvel, waarboven de indrukwekkende steenmassa’s van de oude abdij verrijzen. Daar wordt de weg zoo steil en steenachtig, dat wij te voet verder moeten gaan. Halverwege de helling zien we een monnik van gemiddelde grootte, die met ons den lijdensberg bestijgt. Wij gaan schrede voor schrede achter hem aan, zooals hij ons daartoe schijnt uit te noodigen met den vriendelijken glimlach, zich afteekenend onder den fijnen knevel, en spoedig betreden wij na hem het groote binnenplein van het klooster, waar op dit oogenblik veel menschen bijeen zijn. Een leekenbroeder treedt op ons toe, en na een korte samenspraak met den monnik, die ons had binnengeleid, wendt hij zich tot ons en zegt in zeer correct Fransch: “Mevrouw, de overste noodigt u uit in het salon te gaan.” Wij waren grootelijks verrast. Wij wisten niet, dat het klooster van Horezu, dat ten allen tijde een mannenklooster was geweest, een nonnenklooster was geworden, de kleeding en de knevel van de overste hadden ons geheel op een dwaalspoor gebracht. Werkelijk is de kleeding van de nonnen in Roemenië volkomen gelijk aan die der monniken. Zij dragen dezelfde zeer ruime zwarte pij met wijde mouwen met een zwart wollen koord om het middel gesloten. Daaraan hangt de rozenkrans en op het hoofd hebben ze op de kortgeknipte haren hetzelfde stijve, ronde mutsje, iets lager echter dan bij de mannen.

Voor profane menschen, zooals wij, zou de vergissing noodlottig kunnen worden, te meer daar, toen wij de superieure ontmoetten, zij ongesluierd was. De sluier wordt alleen bij plechtige gelegenheden gedragen en bij het zingen in het koor.

Daar zij tegenover ons de plichten der gastvrijheid wil nakomen, gaat zij ons vóór naar de bovenverdieping en brengt ons in een eenvoudig salon, op oostersche wijze gemeubeld, dus langs den geheelen wand voorzien van breede divans. Een jeugdig nonnetje gaat naar turkschen trant rond met een blaadje, waar confituren en glazen ijswater op staan. Na eenige minuten pratens geven wij den wensch te kennen, eenige photografieën te nemen, waarna de overste dadelijk allen om zich verzamelt en wij ze weldra in plechtgewaad vóór den hoofdingang der kerk bijeen vinden.

De abdij van Horezu is een der indrukwekkendste en best in stand gebleven kloosters van Roemenië. Eertijds een mannenklooster, is het nu in een hospitaal veranderd onder leiding van grieksch-orthodoxe zusters. Men moet zich dan ook niet verbazen over den droevigen aanblik, dien op sommige tijden de pleinen en de toegangen van het klooster aanbieden. De menschelijke ellende in haar meest afzichtelijke vormen en van den meest weerzinwekkenden aard komt hier verlichting van haar lijden zoeken. De zusters ontvangen ieder van den staat niet meer dan 35 centimes per dag, terwijl de monniken het dubbele krijgen. De regeering beweert, dat vanwege den van haar gevorderden arbeid zij gemakkelijker in hun behoeften voorzien.

Het klooster van Horezu werd gesticht in de laatste helft der 17de eeuw door Constantin Brancovan, voorlaatsten inlandschen woiwode van Walachije, die in het geheim er naar streefde, zijn land van het turksche juk te bevrijden en door de Bojaren aan den sultan werd overgeleverd. Hij stierf te Konstantinopel den marteldood.

Uit de verte lijkt het klooster een middeleeuwsch kasteel, met zijn grooten toren en de overblijfselen van versterkingen. Maar pas heeft men het binnenplein betreden, of alles verandert van aanzien.

Prachtige boomen werpen er hun schaduw over de gebouwen, welker bovenverdiepingen uitkomen op een rijke zuilengalerij, en naast de vroegere appartementen [132] van den vorst springt een keurig klein paviljoentje naar voren.

De kerk staat, als bij de meeste kloosters hier, midden op het plein. Zij is in zeer zuiveren romaanschen stijl opgetrokken, naar ons wordt verzekerd. Feitelijk is het de byzantijnsche, eenvoudig en streng van aanzien, zonder overlading met versierselen. Het portaal is rijk versierd met schilderwerk op gouden grond. Dit mooie kerkje diende met dat van Curtea de Arges als model voor het roemeensche paviljoen op de laatste parijsche tentoonstelling.

Op den weg naar Romnicu waren verscheiden dorpen feestelijk getooid. Er is iets origineels in die kalme feestelijkheden, in dolce far niente gesleten. De vrouwen groepeeren zich aan den eenen kant van den weg, de mannen aan den anderen. Als de tijd voor dansen daar is, voegen zich de groepen te zamen, en men kan zich moeilijk iets bekoorlijkers voorstellen dan die aardige dorpstooneeltjes. Maar de menschen zijn uiterst beschroomd en verlegen, en als men van hun pleizier getuige wil zijn, moet men de grootste discretie in acht nemen.


Roemeensche uit den Roode-Torenpas.

Wij houden stil in het dorp Tomsani; en omdat het moet, maar ook om de stijfheid uit onze beenen te loopen, leggen wij te voet een visite af in het klooster van Bistritza.

Dat uitstapje, zoo hoog geprezen door onze gidsen, en waarvan het heette, dat er een uur mee gemoeid was, kost ons drie volle uren. Daar wij het midden op den dag waren, in de brandende zon, worden we er haast wanhopig onder.

Maar er is veel schoons in het dal te bewonderen. Hooge, met bosschen bedekte bergen omsluiten den horizon en langs den weg staan boerenhoeven, waarin en waaromheen alles welvaart ademt. Op de rustieke binnenplaatsen zijn in de dichte schaduw vrouwen in haar bijbelsche kleederdracht bezig. Ze hebben volle klossen in de hand en spinnen de voor ’t huisgezin bestemde wol.

Maar de aanblik dier bekoorlijke tooneeltjes stelt mij niet schadeloos voor de vermoeienis, die de slecht gebaande weg mij bezorgt, een weg vol kuilen en zonder eenige schaduw.

De abdij van Bistritza, tegenwoordig in een militaire school herschapen, bezorgt ons een heele ontgoocheling. Bij ’t binnenkomen krijgt men den indruk van een imposant gebouw, doch het is stijlloos en, laat ons het maar zeggen, onbelangrijk. De dienstdoende officier is daarvan zoozeer overtuigd, dat hij zich ertoe bepaalt, ons een bezoek aan den waterval voor te stellen, die in een holte van de rots achter het klooster neerschuimt. Na de teleurstelling, zoo juist ondervonden, lacht ons die tocht niet toe, en wij keeren haastig op onze schreden terug.

Wij ontmoeten een boer, die na wat heen en weer praten erin toestemt, ons zijn karretje te leenen en zijn paard, terwijl zijn buurman ons een pony zal bezorgen, om de zaak volledig te maken. De kar is een soort van birdj; twee planken, aan beide kanten met touwen vastgemaakt, zijn de banken en bij wijze van tapijt hebben we een dik bed van geurig hooi.

Wij rijden hortend en stootend weg. Bij elken modderpoel, en er waren nog al zoo eenige, worden wij door elkander geslingerd, en tot tweemaal toe werd onze koetsier, een kereltje van een jaar of vijftien, buiten den wagen geworpen; maar hij klemt zich vast aan den dissel en springt weer vlug op zijn plaats met een lenigheid als van een eekhoorn. Wat ons aangaat, wij klemmen ons aan de banken vast met het vooruitzicht, ons als geradbraakt te zullen voelen, wanneer we onze plaats van bestemming hebben bereikt.

Plotseling, krak, gaat het, krak! De achterbank is gebroken, daar liggen wij op het hooi onder in den wagen. In dien hopeloozen toestand vindt ons eindelijk onze koetsier van Horezu, die, ongerust over ons lang uitblijven, ons tegemoet gereden was, zoo ver als de slechte toestand van den weg het hem vergunde.

Tusschen Pomsani en Romnicu is het landschap prachtig, vol dichterlijke woestheid. Het is een reusachtige steenwoestijn, waar wij doorheen moeten. De hooge keten der Karpathen blijft ons links op zij, en de voorbijgangers zijn al even zeldzaam als de woningen langs den weg. Zwervende honden loopen er rond, en enkelen zagen wij bezig bij het lijk van een onderweg achtergelaten paard. Er is in het landschap iets [133] sombers en doodsch. Eerst als wij het dal der Olt naderen, begint de streek er anders uit te zien, en de groote kruisen, aan den weg geplant, toonen dat er dorpen in de buurt zijn en dat de woestijn ten einde is.

Bij een dier dorpen houden wij stil vóór een boerenherberg, die er vrij onzindelijk uitziet. Bij den ingang liggen bloedende resten van de slacht, en honden, veel honden zwerven er rond, om zich op die walgelijke prooi te werpen.

Maar in het dal der Olt wordt het landschap vroolijk en vriendelijk, en aan den horizon verrijzen met bosschen bedekte bergen. Boerenwagens, met vurige kleine paardjes bespannen en overhuifd door een grooten kap, komen uit de stad terug en uit de wijde vooropening kijken aardige, kleine, bruine gezichtjes, waar groote, zwarte, intelligente oogen uit lichten. Iets verder toonen zware karren met blokken steenzout, dat wij in de nabijheid der beroemde zoutbergwerken van Ocna zijn. Wij hadden ons voorgesteld, er een bezoek te brengen; maar reeds valt de avond, en om zes uur worden de zoutwerken gesloten. Wij zullen bovendien nog gelegenheid hebben, die van Slanic in Prahova te zien, die, naar het heet, de belangrijkste en mooiste uit Roemenië zijn.


Boerenhoeve uit de buurt van het klooster Bistritza.

Het stadje Ocna, waarvan wij spoedig de eenige en zeer breede straat doorrijden, schijnt wel druk en aantrekkelijk. Mag ik het bekennen? Na het slechte logies van de laatste dagen voelen we ons een beetje treurig, dat wij hier niet bij de geneugten van Ocna kunnen blijven, tusschen die lachende villa’s, waar elegante menschen op de balkons en veranda’s te zien zijn. Wij hebben echter pas onzen spijt onder woorden gebracht, of daar zijn we alweer in het open veld tusschen gescheurde en vuile en gelapte tenten, waaromheen een dichte menigte Zigeuners krioelt. Zij zien er verbazend woest en onheilspellend uit, en hun optreden verschilt veel van de zachtheid en goedmoedigheid der Zigeuners, die wij tot nu toe in Roemenië hebben ontmoet.

Na drie kwartier rijdens komen we in Romnicu. Dat is een echt roemeensche stad. De hôtels met hun galerijen langs de eerste étage, gebouwd om binnenpleinen als echte, oostersche karavanserai’s; de theaters in de open lucht, waar drama’s en vaudevilles worden opgevoerd; de restauraties, waar Turken met reukwerk uit het serail rondgaan; tot de nachtwachts toe, die met geregelde tusschenpoozen een scherp en snijdend gefluit doen hooren, dat in de slapende stad de echo’s wekt juist als ’t geroep der schildwachten in vestingen, dat alles geeft aan Romnicu een zeer bijzonder karakter.

Geleund tegen het gebergte, ziet het stadje de rijke vlakte van de Olt vóór zich uitgespreid met reuzenvelden van tarwe en maïs. Roemenië brengt, naar men weet, in overvloed koren voort en voert jaarlijks een massa daarvan uit. Maar de boeren bebouwen het land slecht; ze verbranden mest en vertrouwen enkel en alleen op de vruchtbaarheid van den grond. Daar zij buitendien in ’t geheel geen begrip hebben [134] van sparen of van zuinigheid, komt er, indien de oogsten door overstrooming, hagel of droogte mislukken, dadelijk hongersnood in het land.

In Servië is bij een wet van 1889 vastgesteld, dat in elke landelijke gemeente gemeenschappelijke voorraadsschuren moeten worden aangelegd, die bestemd zijn de gevolgen van schaarschte aan voedingsmiddelen te voorkomen, en die in geval van oorlog ook moeten dienen voor de behoeften van het leger.

Ieder belastingplichtig Serviër moet jaarlijks 90 K.G. maïs en evenveel kilo’s graan storten. Als een boer door het een of ander ongeval gebrek heeft aan levensmiddelen, ontvangt hij van den gemeenschappelijken voorraad wat hij voor voeding en zaaisel noodig heeft, op voorwaarde, dat hij het volgend jaar teruggeeft, ’t geen hij voor zijn oogenblikkelijke behoeften in voorschot heeft gekregen.

Die instelling bleek van onbetwistbaar nut in den servisch-bulgaarschen oorlog en bij de overstroomingen van 1897, die even noodlottig waren voor Servië als voor Roemenië. Bij de Roemeniërs echter vond men niets van dat alles, en dit gebrek aan voorzorgen plaatst hen op een lager standpunt. Gelukkig is thans een wetsontwerp aangeboden in den geest der servische wet.

Graan is niet het eenige uitvoerartikel uit het district Romnicu. Deze geheele hoek van de Karpathen bezit mineralen in overvloed, goud, zilver, kwikzilver, ijzer, koper, arsenicum en lood; maar tot nu toe worden die schatten bijna niet geëxploiteerd.

Van Romnicu uit wordt meestal het uitstapje gemaakt naar den pas van den Rooden Toren. Die weg is te allen tijde de groote strategische route naar Walachije geweest; hij gaat over de Alpen op de plaats, waar zij hun grootste hoogte bereiken en waar zij den indruk van de grootste woestheid maken. Het is de natuurlijke weg voor invallen in het land, en Trajanus volgde hem, toen hij de Daciërs overwon, evenals de Turken er gebruik van maakten bij de verovering van Hongarije.

Die lange bergpas, waar wij door zullen gaan, is door alle eeuwen der geschiedenis heen telkens getuige geweest van heldhaftigen strijd. Maar van dat verleden vol bloed en vol glorie zijn nu nog maar zeer weinig sporen over.

Vier lustige paardjes, vóór elkander aangespannen, brengen ons in vier-en-een-half uur bij den Rooden Toren, op 64 K.M. afstands van Romnicu. Bij ’t verlaten der stad heeft men een zeer ruim uitzicht over het dal van de Olt, dat op die plek bijzonder breed is. Daarna nadert men snel de donkere Karpathen, en welkom is het oponthoud in het aardige, kleine stadje Calimanesti, bekoorlijk gelegen en met minerale, zwavelhoudende bronnen in de buurt en andere, die staal en jodium bevatten, zoodat ze jaarlijks een groot aantal badgasten lokken.

De kleeding der vrouwen heeft in dit deel van het dal een eigen karakter. Haar castrinza’s zijn met veelkleurige pailletten bestikt en fonkelen daardoor, als de zon erop schijnt, en haar sluiers, altijd van zeer licht en doorschijnend weefsel, vertoonen allerlei tinten; men ziet ze in groen en geel, in rose en bruin.

Dichtbij Cozia wordt het landschap grootsch; vulkanisch gesteente in zware vreemd gevormde rotsen komt tot dichtbij den weg. Wij passeeren het klooster van Cozia, welks kerkje op de rots ter linkerzijde troont, terwijl rechts zich de oude, nu gerestaureerde en in gevangenis herschapen kloosters verheffen. Voorbij Cozia sluiten hooge, steile rotsen den weg al nauwer in, terwijl de Olt ernaast voorbij bruist, zooals zij ons langs den geheelen pas zal blijven vergezellen.

Aan den anderen oever vestigt de koetsier onze aandacht op de nog zeer duidelijke sporen van den grooten, romeinschen weg op een grooten, afzonderlijk liggenden steen, die, van den berg losgeraakt, over de rivier hangt. Het is de Tafel van Trajanus. De legende zegt, dat boven van dien steen af, waar hij zijn tent had opgeslagen, Trajanus toezag op het voorbijtrekken van zijn zegevierende legioenen.

Arenden zweven boven onze hoofden en dalen langzaam op en tusschen de verbrokkelde rotsen om ons heen. Dichte boomen overschaduwen den eenzamen weg, en de zeer in ’t nauw gebrachte Olt bruist en schuimt als een woedende bergstroom.

De weg behoudt dat woeste en grootsche karakter over een afstand van 17 à 18 K.M. Het is altijd de strijd tusschen den stroom, die zich een doortocht banen wil, en de rots, die hem den weg verspert. Vandaar de tallooze bochten en kronkelingen, die wij hebben te volgen in den loop van de rivier.

Daarna treden langzamerhand de bergen weer terug, en armoedige dorpjes krijgen ruimte aan de kalmer geworden Olt. Daar ligt vlak aan de rivier een ruïne van een romeinsch fort, waar een herberg zich geïnstalleerd heeft. Hooger, op den top van een heuvel vindt men de overblijfselen van het kasteel Landskron, van waar het gezicht op het dal buitengewoon prachtig is. Veel kudden ossen, buffels en schapen vinden er uitstekende weiden. Wij komen nu bij de Fogarasbergen, den Surul en den Negoï met scherpe toppen, waarvan de uitgetande vormen somber afsteken tegen een donkeren onweêrshemel. Bij een vernauwing van het dal doen zich, gekleefd aan de rots en over den weg hangend, de ruïnen voor van den Rooden Toren, die zijn naam aan den bergpas heeft gegeven. Volgens de legende was dat fort eenmaal zoo rood van het bloed der Turken, dat de witte muren onder de roode kleur als verdwenen, en ter herinnering aan dien bloedigen dag heeft men de muren helder rood geverfd.

Romnicu is 34 K.M. verwijderd van Curtea de Arges, dat herinnert aan Radu Negru, den eersten woiwode van Walachije, die in 1244 er zijn hof, curtea, aan de rivier de Argis vestigen kwam. Hij is echter niet, zooals de overlevering wil, de stichter van het klooster, dat niet hooger dan tot 1512 opklimt. De kerk, gebouwd door Radu Negru, is de “Biserica Domneasca,” vorstelijke kerk, in het midden der stad gelegen. Zij dreigt in puin te vallen, en daar ze noodzakelijke reparaties moet ondergaan, wordt zij aan alle zijden gestut.

Maar de parel van Curtea is de prachtige, witte kerk, die schittert onder haar vergulde koepels en, een kwartier van de stad verwijderd, op een alleenstaanden heuvel ligt, de kerk namelijk van het klooster en waarvan beweerd is, dat zij alleen de reis naar Roemenië waard was. [135]

De schepper van dit architectonisch kunstwerk, waarin de byzantijnsche kunst iets moois geleverd heeft, met herinneringen aan arabische en perzische bouwwerken, is vorst Neagu Voda Bessaraba, die in 1513 in Walachije regeerde. In zijn jeugd werd hij als gijzelaar mee naar Konstantinopel genomen. De sultan vatte genegenheid voor hem op en liet hem in de bouwkunde onderrichten door een man van talent, Manoli de Niaesia, met wien hij o.a. een der groote moskeeën van Konstantinopel bouwde. In zijn land teruggekeerd, ontwierp hij de kerk van het klooster. Hij gebruikte er een zeer fijnen zandsteen voor uit de in de buurt zijnde groeven van Albesci.

Behalve haar kerken heeft Curtea de Arges weinig aantrekkelijks voor den vreemdeling. Monniken met lange haren en lange baarden ziet men overal loopen. Hun kleeding is onberispelijk en vormt een sterke tegenstelling met het armoedig aanzien van de monniken der andere kloosters. Zij treden echter zeer eenvoudig op, spreken graag met het volk, dat groote achting voor hen schijnt te koesteren en hen met den diepsten eerbied behandelt.

In de eenige straat van de stad wordt op het oogenblik een groote vischmarkt gehouden. Er waren hoopen kolossale karpers onder zware blokken ijs, karpers, die de Donau bij het hooge water van de laatste dagen in haar zijtakken heeft opgestuwd en die toen spoedig in de netten van de visschers zijn geraakt. Die visschen, waarvan het gemiddeld gewicht tien à twintig kilo bedraagt, worden in groote mooten verkocht. Men betaalt 30 centimes per kilo.

Wij moeten nog een tocht maken, voor we te Boekarest komen, namelijk naar Kampolung. Gewoonlijk gaan de reizigers daarheen per spoor over Pitesci en Golesci; maar wij geven de voorkeur aan den rijweg, die afwisselend en eigenaardig moet zijn.

Om half acht ’s morgens zijn we voor de expeditie gereed. Nauwelijks zijn we een uur onderweg, of wij ondervinden een reeks van teleurstellingen. De rivieren, door de laatste regens verbazend gezwollen, zijn niet over te trekken, omdat een paar bruggen zijn weggeslagen, en wij moeten een lastigen omweg maken en toch nog per rijtuig door de bedding van een stroom gaan, waar het water zoo hevig bruist, dat wij kans loopen meegesleurd te worden. Rondom ons is niets dan een zeer armoedige streek, de hoeven en hutten en kapelletjes zijn in den treurigsten staat van verval, en men vraagt zich af, of de een of andere ramp dit stukje aarde geteisterd heeft, waar niets overeind staat en alles aan vernieling schijnt prijs gegeven. Buiten een paar visschers, die naar de rivier zijn afgedaald en groote netten vasthouden, zien wij geen enkelen bewoner. Eerst bij Domnesci begint er weer leven in de omgeving te komen.

Dat is intusschen slechts een arm dorpje, doch bij gelegenheid van den Zondag zijn allen er op hun mooist uitgedost. Zoodra wij onze photografietoestellen voor den dag halen, gaan ze op de vriendelijkste manier om ons heen staan. Wij hebben slechts een wenk te geven, en de brave menschen plaatsen zich in een groepje, blij voor ons te mogen poseeren. Er zijn zelfs enkele jongelui, voor wie het objectief zooveel aantrekkelijks heeft, dat ze ons op den voet volgen, zoodat wij genoodzaakt zijn listen te gebruiken, ten einde hen niet op al onze cliché’s terug te vinden. De dorpskerk, sierlijk overschaduwd door een groep groote boomen, staat op een plein, waartoe een poort van eigenaardigen stijl toegang geeft. Ofschoon die poort bij een ellendig dorpje, verloren in de bergen, behoort, is zij versierd met bekoorlijke engelen-figuurtjes en beelden van heiligen met opschriften en bloemslingers, werkelijk van kunstzin getuigend. Ze zijn afkomstig van rondtrekkende kunstenaars, die, door dezelfde figuren herhaaldelijk te maken, er groote geoefendheid in kregen.

De pope van het dorp stak den weg over en kwam juist bij zijn huis met een brood onder den arm. Hij zag er zeer armoedig uit in zijn verkleurd geestelijk gewaad en met zijn hooge, bruine muts, zoodat wij instinctief onze camera op hem richtten. Maar ’t was of een beschroomde eerbied ons weerhield tegenover die waardige en fiere armoê, die zich voor onze blikken scheen te willen verbergen. Die dorpsgeestelijken zijn brave, waardige menschen, niet geleerd, meestal bemind bij hun medeburgers, wier droevig lot zij deelen, maar op wie zij gewoonlijk weinig invloed hebben.

Als men de hellingen van het dal van Domnesci bestijgt, bespeurt men bijna op den top van een berg de schitterende koepels van een dorpskerk. Dat is de kerk van Slanic, een net en sierlijk dorpje, dat sterk afsteekt tegen de armoedige en weinig bevolkte streek, die wij pas zijn doorgereden. Dit heele dorpje is een beeld van welvaart en opgewektheid. Groote boerderijen bestaan uit veel gebouwen met flinke binnenpleinen, waar alles goed is onderhouden. Mooie jonge meisjes loopen af en aan, in huishoudelijke drukte, te midden van kippen, eenden en kalkoenen, op ’t oogenblik de eenige aanwezige dieren. Gedurende den geheelen zomer is het groote vee afwezig; het graast in vrijheid op de bergen, ’s Avonds wordt het binnen omheiningen opgeborgen zonder eenige beschutting tegen het weder.

Zoodra wij Slanic achter ons hebben gelaten, begint weer de eenzaamheid. Herders met hun kudden en troepjes arbeiders, die onder boomen liggen te rusten van den zwaren veldarbeid, zijn de eenige levende wezens, die wij onderweg ontmoeten op het laatste traject, dat ons nog van Kampolung scheidt. De weg loopt door een reeks van poëtische dalen op de Karpathenhellingen, en in de verte zien wij de koeien grazen in de schaduw van forsche berken. Links altijd de wazige en blauwe keten der Transsylvanische Alpen. Maar nergens huizen of hutten, en rondom doodelijke stilte. Eindelijk, tegen vier uur in den namiddag, rijden wij Kampolung binnen.

Dat is een aardige plaats, al belangrijk ten tijde van Radu Negru, den stichter van het vorstendom Walachije. Er bestaan nog slechts enkele sporen van het oude vorstelijk paleis, maar het groote klooster, dat hij aan den ingang van de stad liet bouwen, bestaat nog, al heeft het groote veranderingen ondergaan. Een 40 M. hooge en 6 M. breede romaansche toren geeft toegang tot het binnenplein van het klooster. Die imposante toren, welks stijl den invloed van de Longobarden in de herinnering roept, heeft [136] veel karakter. Het is dan ook een der oudste en beroemdste monumenten in Roemenië. De stad is zoo zindelijk, ligt zoo mooi, en de lucht is er zoo opmerkelijk zuiver, dat jaar op jaar veel burgers uit de groote steden er den zomer komen slijten.

Van de hoogten rondom het plaatsje heeft men een prachtig bergpanorama voor oogen. Wij zijn hier zeer dicht bij de Karpathen, en de dalen, die daarvan uitgaan, zijn evenveel aanleidingen voor afwisselende uitstapjes. Het stadje, hoewel niet groot, heeft toch zijn Zigeunerwijk, een heele straat, niet ver van het klooster. Wat dat een zonderlinge straat is, vooral tegen den avond, als alle woningen wijd openstaan en de roode schijnsels van hun smidsvuren naar buiten werpen, waar schoone vrouwen in lompen, maar met prachtige zwarte oogen in het bleeke gelaat en engelachtige halfnaakte babies voor heen en weer loopen. Groote, magere mannen met gebronsd gelaat slaan in de helle verlichting van de vuren het ijzer; anderen bewegen de blaasbalgen. Dit is de werktijd van die paria’s, want hun zware arbeid is niet doenlijk tijdens de hitte van den dag, en eerst tegen het vallen van den avond wordt het levendig in die wijk.

Het uitstapje naar den pas van Dimbo-viciora is de verplichte aanvulling van elk verblijf te Kampolung. Die kloof is een der beroemdste en meest bezochte van dit deel der Karpathen.


Het koninklijk paleis, kasteel Pelesch, te Sinaïa.

Van Kampolung af is het een aanhoudende reeks van prachtige uitzichten, vreemde horizons, waar de bergketenen achter elkander schuiven tot in de verste verte. In het dorp Rocaru rijden wij over de Dimbovitza, die wij naast ons zullen houden op den weg tot aan de grot van Dimbo-viciora. De witte rots, die opstijgt uit de bedding en geheel met groen begroeid is, vormt een aardige omlijsting van dit mooie riviertje met kristalhelder water.

Dan naderen wij snel den hoogen, verweerden muur, die ons al eenigen tijd het uitzicht beneemt en waarin wij den ingang moeten zoeken van de beroemde kloof. Pas zijn wij er binnen getreden, of een wondermooi schouwspel treft ons oog. Torens en spitsen en ruïnen van schoone, lichtrose tint staan om ons heen in de engte der spleet en boven ons hoofd hangen slingers van groen langs de steile wanden.

Bij den uitgang der kloof wordt het landschap rustiger; wij zien er weiden en enkele houten hutten. Bij een dier laatste houden wij stil, en een jonge knaap geleidt ons naar de grot van Dimbo-viciora, weer door een doolhof van rotsen. De opening van de grot ligt in een woeste omgeving, maar de geestdriftige beschrijvingen, die men ervan leest, zijn overdreven en wij vinden haar nauwelijks een bezoek waard. Een paar bergbewoners met dunne kaarsen bieden aan, mee te gaan; men verwacht iets fantastisch en ziet niets dan een hol van 15 à 20 M. diepte, met enkele stalactieten en geelwitte stalagmieten.

Na dit uitstapje, waarvan enkele gedeelten aan de Bastei in Saksisch Zwitserland herinneren, bezoeken wij een klein bescheiden nonnenklooster, de abdij van Namaesci, dat door deze bijzonderheid gekenmerkt wordt dat de kerk geheel is uitgehouwen uit een monolieth. Alleen de toren en een klein voorportaal zijn metselwerk. Al het inwendige is in de rots uitgehouwen, waar men overheen kan loopen en waar men een prachtig panorama vóór zich ziet. Wij zeggen Kampolung vaarwel. Een zijlijn van den spoorweg voert ons naar Golesci, waar wij de groote lijn naar Boekarest terugvinden. [137]


Het inwendige van een zoutmijn te Slanic.

III.

Boekarest, aanzien van de stad.—De zoutmijnen van Slanic.—De petroleumbronnen van Doftana.—Sinaïa, wandeling in het bosch.—Busteni in het kroondomein.

De entrée in Boekarest is voor den vreemdeling een teleurstelling. Van het station zich begevend naar het midden der stad, gaat men door straten, die tot de primitiefste dorpen konden behooren, straten, waar instortende huizen en schunnige winkels aan gelegen zijn en waar de trottoirs onder hoopen vruchten en groenten verborgen zijn. Maar spoedig wordt die indruk weggevaagd. Op die onfrissche voorsteden volgen prachtige straten, waaraan weelderige gebouwen staan, niet onderdoend voor die der grootste europeesche steden.

De Roemeniërs zijn zeer trotsch op hun hoofdstad en roemen graag het comfort, dat men er geniet. Zij vergelijken met een zekeren nationalen trots hun bewonderenswaardig geplaveide straten en hun openbare pleinen met de afschuwelijke straten van Belgrado, waar men na een kwartiertje rijdens in al zijn leden pijn gevoelt. Ze noemen Boekarest dan ook graag het Parijs van het Oosten. Reeds in 1864 zei de heer de Blowitz, toen hij terugkeerde van een oostersche reis: “Ik geloof niet, dat er in de wereld een tweede stad bestaat, die even trouw als Boekarest het land, waarvan zij de hoofdstad is, weerspiegelt.... Boekarest levert thans een levend en merkwaardig beeld van Roemenië. De stad wikkelt zich los uit den chaos van gisteren en haakt naar den luister van morgen. De lompen nemen de kleur van het purper aan; de eerzucht wordt grooter en grooter; dit is de nieuwgeboren hoofdstad van een nieuwgeboren koninkrijk.”

Met niet minder recht zei Carmen Sylva, de koningin van Roemenië, in 1892: “Het oostersche en schilderachtige Boekarest, het Boekarest met kleine, in het groen verscholen huisjes, waar men zei “het huis van den heer Zus of van mevrouw Zoo”, terwijl men de menschen bij hun voornamen noemde, dat Boekarest verdwijnt, om plaats te maken voor een stad als alle andere. Het heeft nog alleen een oostersch karakter voor hen, die pas uit het Westen komen. Zij, die uit Azië naderen, gaan met een zucht van voldoening de Donau over en zeggen: “Gelukkig, nu zijn we in Europa!”

Ons schijnt Boekarest nog heden den hoogmoed en de eerzucht te bezitten van den pas onlangs vrijverklaarde, die door gloednieuwe weelde zijn pas overwonnen staat van dienstbaarheid wil doen vergeten. Vandaar die treffende tegenstellingen, die men telkens in de stad ontmoet, hier lage huizen, echte zwerverskrotten, waar halfnaakte menschen uit te voorschijn komen; daar prachtige paleizen als het Spaarbankgebouw [138] en ’t Postkantoor, rijk versierde café’s, waar de voorname roemeensche wereld samenkomt. Aan den eenen kant winkels van oud roest als in de Leipziger straat, waar de kooplui hun schatten zoo maar op straat uitspreiden, en aan den anderen weelderige magazijnen van den modernsten smaak, die met de mooiste winkels van Parijs kunnen wedijveren.

De verschillende klassen van de maatschappij vertoonen dezelfde tegenstellingen. Hier de lagere volksklasse, die zich nog niet heeft kunnen vrijmaken van de vreesachtige, beschroomde manieren uit den tijd der eindelooze slavernij; daar de klasse der rijken, die, plotseling op den trap der moderne beschaving gekomen, de zeden en de letterkunde uit het buitenland tracht na te doen en daardoor alle eigen karakter mist. Zoodra men de binnenstad betreedt, krijgt men dien indruk van plagiaat van Parijs. Het ideaal is hier Parijs, dat gecopiëerd is in zijn bouwwerken, zijn winkels, de manieren zijner bewoners. Maar al zijn dan de mooiste openbare gebouwen in parijschen stijl gebouwd, de particuliere huizen zijn niet altijd in den zuiversten stijl opgetrokken. De enkele fortuinen zijn niet bijzonder groot, en toch wil ieder graag met iets monumentaals voor den dag komen. Vandaar die oude gebouwen, geheel met een nieuwe pleisterlaag bedekt, die bij de eerste vorstige winterdagen loslaat en voortdurend herstelling behoeft.

Door zijn ligging midden in een groote, aan alle zijden open vlakte heeft Boekarest alle ongemakken te verduren van een klimaat als het siberische. De winter is er zoo lang en zoo streng, dat men er drie maanden alleen per slede het verkeer onderhoudt. In den zomer stijgt de thermometer soms tot 40° C. en de uitersten van temperatuur kunnen soms wel 70 graden verschillen. Mooie boomen zijn er dan ook zeldzaam; die uit het Noorden verdragen de brandende hitte van den zomer niet, en die uit het Zuiden en Oosten bezwijken door de strenge koude van den winter.

De huurrijtuigen, die zeer talrijk zijn en licht en gemakkelijk rijden, worden door twee vlugge, russische of moldavische paardjes getrokken; de koetsiers dragen lange fluweelen jassen met gekleurde gordels om het middel en een platte pet op het hoofd.

Boekarest heeft slechts 250.000 inwoners, en toch is de oppervlakte der stad gelijk aan die van Weenen, 30 K.M2. Als men dan ook van de eene of andere hoogte in de buurt op de stad neerziet, treft het groote aantal tuinen en ledige terreinen, dat zich tusschen de huizen en de straten bevindt. Gebouwen en openbare pleinen nemen slechts een vierde van de ruimte in. Aan den buitenkant der stad liggen armoedige voorsteden; de eigenlijke stad ligt het dichtst bij de Dimbovitza. Op den linkeroever heeft men de ministeries, de paleizen en de handelswijk; op den rechteroever de kerken en de inrichtingen van weldadigheid.

Wij beginnen ons bezoek aan de stad met een van haar oudste kerken, de Metropool, in neo-byzantijnschen stijl en dagteekenend van 1656. Zij ligt op een heuvel op den rechteroever en men heeft er een prachtig uitzicht over een deel der stad. De gebouwen van het oude klooster staan er nog omheen; ze zijn echter gewijzigd en verbouwd, die van links zijn nu de residentie van den metropolitaan, die van rechts het gebouw der volksvertegenwoordiging.

Aan den voet van den heuvel op den voorgrond van het panorama, dat zich vóór ons ontrolt, ligt te midden van bloeiende tuinen de kerk van Domna Balasa, de mooiste en weelderigste der kerken van Boekarest. Die kerk, welke na de kerk van Curtea de Arges voor de merkwaardigste uit Roemenië doorgaat, is een meesterstuk van neo-byzantijnschen stijl.

Domna Balasa is omringd door hospitalen, evenals de kerk gesticht door de dochter van Constantijn Brancovan, den voorlaatsten inlandschen woiwode van Walachije.

Het aantal hospitalen is zeer groot in Boekarest, en ten allen tijde hebben rijke particulieren hun fortuin bij hun dood bestemd voor het onderhoud van die liefdadigheidsinrichtingen, die de glorie van Roemenië zijn. Hun noodzakelijkheid is vooral een uitvloeisel van de aanraking, waarin Roemenië komt met de havens uit het Oosten, van waar zooveel epidemische ziekten worden ingevoerd.

Dichtbij Domna Balasa staat de kerk van Spiritoe Noe, belangrijk om haar groote afmetingen. Dat gebouw, dat van 1858 dagteekent, heeft een oude basiliek vervangen, waar de Fanarvorsten zich lieten kronen bij hun terugkeer uit Konstantinopel.

Buiten die weinige kerkelijke gebouwen biedt de rechteroever van de Dimbovitza niet veel belangrijks aan; om een goede voorstelling van het moderne Boekarest te krijgen, moet men zich naar den hoofdader der stad begeven, de Calea Victoriei, die dien naam kreeg na de russisch-roemeensche zegepraal over Turkije in 1877–78.

Hier concentreert zich alle leven, en in deze eindelooze straat ziet men achtereenvolgens het paleis van den koning, het bisschoppelijk paleis, het Athenaeum, den schouwburg, de ministeries, de gezantschapsgebouwen. De mooiste winkels liggen aan de Calea, en vóór de voornaamste hôtels zitten aan tafeltjes langs de trottoirs de heeren en dames, die ijs en likeuren van de beste qualiteit en de grootste verscheidenheid genieten. Heel aan het einde van de Calea Victoriei begint de beroemde straatweg naar Kisselef.

Die weg, om zoo te zeggen het Bois de Boulogne van Boekarest, is de meest gewilde promenade, en de mondaine wereld is bijna verplicht, er zich te vertoonen. Elken dag in den winter, als de sneeuw dik ligt op den grond, en in de lente, die met snellen overgang op den strengen winter volgt, is er in de breede lanen van twee à vier uren lengte, een ongehoorde weelde te zien van sleden en rijtuigen. In den zomer zijn de wegen geheel verlaten, en de rechte, eenzame lanen zonder schaduw, waar de zon brandt door de magere, krachtelooze boomen brengt den reiziger niet in verrukking.

Bij ’t begin van den weg staat het paleis van den oud-minister Stoerdza, hoofd der liberale partij. Dit kolossale paleis, hoewel wat overladen versierd, is [139] toch een zeer indrukwekkend gebouw. Het staat tegenover den boulevard Coltei, nog onlangs aangelegd, en men ziet er een reeks van nieuwe hôtels, alle wit en van origineelen bouwtrant. De meeste zijn het eigendom van rijke particulieren; maar net als de weg is ook die boulevard verlaten, en de bezitters van die vriendelijke paleizen zijn verspreid over de in Roemenië meest gezochte lustverblijven.

Maar al die nieuwe wijken, hoe verlokkend zij er ook mogen uitzien, hebben niets, wat aan een eigen verleden herinnert, en men moet het wel betreuren, dat de Roemeniërs in hun eerzuchtig streven om Boekarest op één hoogte te brengen met de groote, westersche steden, een ware woede van afbreken aan den dag hebben gelegd, zoodat bijna ieder spoor van vroegere tijden verdwenen is. Wat de oorlogen hebben gespaard, vernielen de menschen steeds nog in hun zucht om hun hoofdstad op te tooien.

Toch is er een juweel van een klein kerkje over, dat trots zijn vervallen voorkomen nog voor den griekschen eeredienst gebruikt wordt; dat is de Straviopolis. Dat gebouw, tweehonderd jaar oud, is opgetrokken in een byzantijnschen bastaardstijl, met een merkwaardigen arabischen voorhof, waarin men drielobbige boogvensters ziet, die aan den moorschen stijl ontleend zijn. Motieven, ontleend aan den arabischen stijl, komen trouwens zeer veelvuldig in Roemenië voor en vormen een der karakteristieke trekken van de roemeensche bouwkunst.

Laat ons het tochtje door de stad besluiten met een bezoek aan de Universiteit, die, buiten de lokalen voor de faculteit der theologie, der medicijnen enz. een groote zaal bevat, bestemd voor de vergaderingen van den roemeenschen Senaat, en dan verschillende musea. In het Oudheidkundig Museum vinden wij de prachtige oude fresco’s uit de kloosters, kostbare handschriften en geborduurde tapijten. De parel van dit museum is de schat van Petrossa, anders gezegd die der Gothen. Die kostbare verzameling bestaat uit tien stukken van massief goud uit de elfde eeuw onzer jaartelling. Zij werd in 1837 ontdekt door werklieden, die haar voor lagen prijs aan voorbijtrekkende Zigeuners verkochten. Die laatsten onderzochten den aard van het metaal door met de bijl verscheiden van de voorwerpen stuk te slaan, o.a. een prachtigen schotel met reliëffiguren, nu nog in ’t museum aanwezig. Onder de stukken, die aan de vernieling ontkwamen, moet genoemd een diadeem, versierd met groote granaten, een beker, met edelgesteenten opgelegd, een massieve ring en een groote lampetkan. De ontdekking van den schat was een belangrijke archaeologische vondst.

Men kan Boekarest niet verlaten, zonder Cotroceni te bezoeken, het eerste paleis van den koning van Roemenië, nu nog residentie van den erfprins Ferdinand van Hohenzollern. Het paleis, omringd door tuinen, ligt een eindje buiten de stad op een boschrijken heuvel.

Het is een oud klooster, in 1679 gesticht door een lid van het grieksche geslacht Cantacuzenos, en ofschoon het huis verbouwd en zeer verfraaid is, heeft het zijn kloosterachtig aanzien behouden; het ziet er nog koud en streng en somber uit. Men treedt er binnen door een groote gewelfde poort, die naar een eerste plein leidt, waar de cellen en kloostervertrekken in bediendenkamers zijn veranderd. Midden op een tweede plein staat de kerk, waarachter het paleis als verborgen is met zijn majolica-versiering van bloemslingers en figuren.

Het inwendige, dat wij tot in détails mochten bezien, is zeer rijk en smaakvol ingericht met alle moderne weelde en comfort. De groote hal vertoont de jachttrofeeën van den vorst, beren, wilde zwijnen, arenden, korhoenders. In de studeerkamer ziet men veel zeekaarten, doorsneden en plannen van schepen, aanwijzingen van den smaak en de bij voorkeur gevolgde studie van den erfgenaam der kroon. Op de eerste verdieping zijn de huiselijke vertrekken, boudoirs en salons, leerkamers der jeugdige prinsen, hun speelkamer met allerlei kostbaar speelgoed. Dat alles is aardig en vriendelijk en vormt een groote tegenstelling met het strenge aanzien van den gevel.

Tusschen Boekarest en Sinaïa ligt Slanic, waar men een der belangrijkste zoutmijnen van Roemenië vindt. Een zijlijn van den spoorweg, op de hoofdlijn geënt, voert er ons rechtstreeks heen.

De lagen steenzout strekken zich in onafgebroken lagen, maar op verschillende hoogten uit langs de geheele moldavische en walachijsche hellingen der Karpathen. Zoo ziet men te Rimnik Sarat in Moldavië een berg van zout in de zon schitteren; in andere streken liggen de zoutlagen op den grond; maar in de meeste gevallen moet men tot tien, twintig, zelfs dertig meter diep graven. Sommige lagen zijn niet dikker dan twee à drie meter; doch de meeste zijn veel dikker.

Het roemeensche zout vormt een der groote rijkdommen van het land, en het zou eeuwen lang in de behoeften van heel Europa kunnen voorzien. Over het algemeen is het zeer wit en doorschijnend, maar de qualiteit is niet overal dezelfde, en men vindt in de beste zoutgroeven aders met zwartblauwe strepen erin. Die strepen wijzen op de aanwezigheid van leem, en het zout uit die groeven is niet voor de consumptie bestemd; het wordt alleen voor den landbouw gebruikt. Soms ook treft men in enkele lagen petroleumhoudende gedeelten aan, die een karakteristieken geur bijzetten aan het zout, een geur, dien men zelfs terugvindt in het brood, waar dat zout in gebakken is.

Sedert 1862 heeft de staat de exploitatie van het steenzout aan zich getrokken; het is een monopolie geworden. Daar de productie in de laatste tijden te overvloedig was, heeft men het werk in de mijnen van Doftana laten rusten. Zij brachten jaarlijks 25000 ton op, maar het zout was blauwer en minder goed dan van Slanic. Dus zijn op ’t oogenblik alleen in exploitatie de groeven van Slanic, van Targul. Ocna en van Ocna-Mare.

De tegenwoordige diepte van de Slanicmijn is 100 M. Bij het dalen van den bak, waarin men wordt neergelaten, ziet men op 20 à 30 M. diepte een eerste galerij, en weldra komt men beneden in de groote zaal, die uitgehouwen is tot een prachtig gewelf van 60 M. hoogte. Men meent in een marmeren [140] kathedraal te zijn, waarvan de wanden schitteren in den bleeken schijn van groote electrische lampen. De muren gelijken verwonderlijk veel op ongepolijst marmer, en als om de illusie volkomen te maken, heeft men langs de enorme zijden der zalen gedeelten uitgespaard en laten vooruitspringen als zware vierkante zuilen.

Driehonderd arbeiders, alle in het wit gekleed, werken in die ruime zaal; enkele hebben alleen een broek aan, want de arbeid is zeer inspannend. Het zout wordt uitgegraven naar beneden uit den bodem, die daardoor steeds lager komt te liggen. Van den wand af tot het smalle paadje in het midden voor de passage van de wagentjes worden met het houweel evenwijdige groeven gemaakt op 60 cM. afstands van elkander, die 20 cM. breed en 50 cM. diep zijn. Daarna maakt men door middel van zware hefboomen, door twee of drie mannen bewogen, groote blokken los, die daarna in stukken van 25 à 50 K.G. worden verdeeld. In de zaal, die wij bezoeken, wordt het werk verricht door vrije mannen; maar in de afzonderlijke galerijen zijn dwangarbeiders bezig. Vóór 1848 mochten die ongelukkigen, als ze eenmaal in de mijn waren neergelaten, niet meer naar het daglicht terug, en zeer weinigen van hen hielden die barbaarsche behandeling meer dan drie of vier jaar uit. Tegenwoordig is hun leven dragelijk geworden, en dagelijks, in den winter na acht en in den zomer na twaalf uren werkens, keeren zij naar de gevangenis terug. Buitendien ontvangen ze een belooning van 60 à 80 bani per dag.


Vorstelijke woning te Sinaïa.

Het zout van Slanic heet het mooiste van Roemenië, en alleen deze groeven leveren dagelijks 300,000 KG. zout. Het wordt in tweeërlei vorm verkocht, òf in groote, vormlooze blokken òf gestampt en in zakken verpakt. Na Servië zijn Bulgarije en Rusland de voornaamste afzetgebieden.

Nauwelijks hebben wij Slanic achter ons gelaten, of we komen in het petroleumgebied. Aan alle stations staan tankwagens, die een akeligen stank verspreiden. Wij zijn in het district Prahova, dat den eersten rang inneemt onder de petroleumdistricten van het rijk.

Van Campina, waar wij stilhouden, gaan we per rijtuig naar Doftana, om de putten te bezoeken en de raffinaderijen. Als wij dicht bij het dorp komen, verkondigen zware buizen, die langs den weg liggen en een vettig, slijkig vocht uitzweeten, de nabijheid van het industriëele middelpunt aan. Wij moeten uitstappen bij de Doftana, die zoo laag is, dat er een massa rotsachtige eilandjes worden gevormd, waar het water snel tusschen doorstroomt. Een houten brug leidt over den stroom. Om die te bereiken, moeten wij vijf minuten lang loopen op den smallen rand van den muur, die langs de rivier loopt en het water in den tijd van hoogen waterstand tegenhoudt.

Maar ons rijtuig, dat natuurlijk dien acrobatenweg niet kan volgen, moet in de rivier rijden, er de doorwaadbare plaatsen zoeken en langs allerlei kronkelwegen den tegenoverliggenden oever bereiken. Hier zijn wij in het gebied der exploitatie. Rechts en links en aan alle kanten om ons heen wijzen hooge houten boortorens de putten aan, die in werking zijn. De grond is geheel doortrokken met petroleum; de lucht is verzadigd van den damp, en de boomen in de buurt zijn alle bladerloos. Evenals in den Kaukasus en in Amerika geschiedt het boren der putten door middel van den derrick. Men ziet slechts zelden in Roemenië bronnen, die onder den druk der ontwikkelde gassen de vloeistof hoog boven den grond doen opspuiten. Gewoonlijk heeft men hier te doen met onderaardsche verzamelbekkens of met leem- of leilagen, die de aardolie vasthouden bij wijze van een spons. In het laatste geval boort men op verscheiden plaatsen en de petroleum verzamelt zich door uitzweeting onder in een put, gegraven door een zuigpomp.


Boekarest: Boulevard Coltei.—De kerk Spiritoe Noe.—Het nieuwe gedeelte van den Boulevard Coltei.—De Metropolitaankerk.—De Universiteit.—Het paleis van den oud-minister Stoerdza.—Een oud klooster.

[142]

Maar onverschillig of men met een onderaardsch bekken heeft te doen, of dat de petroleum door filtratie samenvloeit in een kunstmatigen put, de wijze van aan het daglicht brengen is dezelfde. Men laat in de boorgaten, die vooraf van buizen voorzien zijn als bij de artesische putten in gebruik zijn, een cylinder van 4 à 5 M. lengte bij 15 à 20 cM. middellijn, voorzien van een klepje aan het ondereind. Die cylinder hangt aan een langen ketting, die om een as op den top van een boortoren is gewonden, neergelaten wordt en bevestigd aan een paal met tegenwicht. Met behulp daarvan kan één werkman het toestel bedienen; hij laat den cylinder in den put neer en brengt hem vervolgens weer naar boven. Dan opent een tweede werkman het klepje, en de olie stort zich in houten goten, die haar naar groote, ondiepe verzamelbekkens voeren.

De petroleum is bij ’t verlaten van den put een dikke vloeistof, die troebel en olieachtig is en bruin-rood van kleur met groenachtigen weerschijn.

Uit de réservoirs, waarin men de olie brengt als ze uit den grond komt, wordt ze door pijpen geleid naar de raffinaderijen in het dal. De natuurlijke helling van den grond zou niet voldoende zijn om de vloeistof, waarin zich allerlei vreemde stoffen bevinden, geregeld af te voeren; ze moet worden voortgestuwd door middel van speciale pompen, die soms verbazend krachtig werken.

In de raffinaderijen wordt de petroleum blootgesteld aan zeer hooge temperaturen, tot wel 270° C. Daarna heeft de destillatie plaats, waardoor naphta, gazoline enz. worden afgescheiden.

De diepte der boorgaten verschilt aanmerkelijk, want de petroleum is door het gansche gebied der Karpathen verdeeld op zeer ongelijke diepten. Tot in het midden der 19de eeuw boorde men meestal niet dieper dan 30 M. om de aardolie te verkrijgen, die eigenlijk niet anders dan als smeerolie werd gebezigd. Tegenwoordig boort men putten, welker diepte tusschen 130 en 400 M. afwisselt, en de productie, die al in 1900 tot 247000 ton was gestegen, is later nog sterk vermeerderd, vooral door de uitbreiding aan de exploitatie gegeven door de Steana Romana, de belangrijkste roemeensche maatschappij van petroleumexploitatie.

Maar de vorderingen zijn toch nog niet evenredig aan de belangrijkheid der petroleumbronnen; en de organisatiefouten in de exploiteerende maatschappijen, het uitblijven van behoorlijke dividenden houden de vreemde kapitalen op een afstand, terwijl ze toch zoo noodig zouden zijn voor Roemenië’s industriëelen vooruitgang.

De rit van Campina naar Sinaïa is een der mooiste, die zich laten denken. Een opeenvolging van prachtige landschappen gaat aan ons oog voorbij onder het gaan door het dal der Prahova. De rivier bespoelt roodachtige rotsen, beneden bedekt met magere weiden; hooger hangen bosschen van zilvergrijze wilgen in grillige schikking langs de bergen. De boerderijen zijn grooter, beter gebouwd, goed onderhouden, en de menschen zien er niet zoo slaafsch en vreesachtig uit als geslagen honden, zooals wij zooveel andere boeren hebben waargenomen.

Een belangrijke cementfabriek heeft een heel dorp van witte woningen om zich heen gegroepeerd, alle met roode daken. Zoo komt er welvaart in het dal, maar daarmee verdwijnt wel tevens de poëzie, als de mooie wegen vuil zullen geworden zijn en alles aangeslagen zal wezen door fabrieksrook.

Onder in het dal stroomt de Prahova, wier tallooze bochten en kronkelingen ten slotte doorloopen tot in de verre vlakten. Het water der rivier, verdeeld over een menigte dunne adertjes, schittert in de zon, en naast het stroompje liggen de beide glinsterende stalen lijnen van den spoorweg. Door woeste bergkloven en langs duistere afgronden komen wij in het woud, dat halverwege op den berg is gelegen en waar de weg doorheen leidt.

Daar, in het hart van het bosch, ligt aan den voet van een enorme rots van 2500 M. Sinaïa.

Sinaïa is een lustoord van nog jongen datum, dat zijn bloei te danken heeft aan het verblijf van den koning en de koningin van Roemenië, die een der sombere dalen van de Prahova uitkozen als zomerresidentie. Rondom hen schaarde zich al spoedig de aristocratie van het koninkrijk, ministers, afgevaardigden, gezanten, hofdignitarissen en hooge officieren. Tegenwoordig brengt al wat in Boekarest iets beteekent, den zomer te Sinaïa door.

Wij komen er langs een breede, heerlijke laan van prachtige villa’s; dan volgt een groote, magnifieke tuin vol bloemen en groote gazons, watervalletjes en velden voor allerlei spelen. De hôtels van Sinaïa liggen in dien tuin. Er zijn er niet genoeg, want ze zijn altijd overvol; het kost ons moeite logies te vinden.

In het hôtel Sinaïa biedt men ons een paar zolderkamertjes aan, en bij onze aarzeling om ze te aanvaarden, wijst men ons een paar kamers in een bijgebouw, waar een gezant zijn intrek heeft genomen. Hier nemen wij genoegen meê.

Het hôtel is goed, maar van een oostersche zindelijkheid, die voor ons niet het rechte is. Men heeft in de vertrekken geen bedden, maar divans, die ’s nachts in legersteden worden veranderd en over dag de gewone diensten bewijzen.

In het restaurant echter meent men te Parijs te zijn. Ieder spreekt Fransch; het menu is geheel fransch, ook in de bereiding; alleen het kleintje koffie na den eten is turksch; dat herinnert den gast, dat hij zich aan de poort van het Oosten bevindt.

De roemeensche wijnen zijn over ’t algemeen zacht en fijn. De witte wijnen van Dragashani en Cotnar zijn dadelijk bij ons in de gunst. Wij kunnen de roode wijnen minder prijzen, hoewel ze hier veel lof inoogsten en men tracht, ze in waarde gelijk te stellen met Bordeauxwijn. Ofschoon de Roemeniërs lofwaardige pogingen in het werk hebben gesteld voor het welzijn van hun wijngaarden, ofschoon ze zelfs uit Frankrijk veel wijnbouwers hebben laten overkomen, om de roode wijnen te bereiden, toch zal de roemeensche wijn nooit met den franschen kunnen wedijveren.

Te Sinaïa is het leven weelderig en duur; trouwens de rijke Roemeniër geeft graag geld uit, hij houdt van mooie kleeding en van pleizier; hij is een beschaafd man in elken zin des woords. [143]

De wereld in dit hôtel is een officiëele wereld. Het is het hôtel der gezanten en ministers. Er zijn hier roemeensche families, die op zeer grooten voet leven en geheel in de mondaine wereld op hun plaats zijn.

De groote namen, die men hoort, doen mij denken aan een eigenaardige bijzonderheid van den roemeenschen burgerlijken stand. Niet dat men de echtheid van hun hooge afkomst behoeft in twijfel te trekken; maar tot in den laatsten tijd bestond nog niet de erfelijkheid der familienamen. Gewoonlijk noemde men zich maar doodeenvoudig Jan, Filipszoon of Philepsco, zooals men in Servië Pavitsj zegt voor den zoon van Paul. Ieder kan naar believen bij zijn voornaam den naam van zijn buurman voegen, of zelfs dien van een vorst of een beroemd generaal en dien tot zijn eigen maken, ook voor zijn erfgenamen die hem wilden behouden. Zoodat die groote namen, die ons aan beroemde personen doen denken, niet het idee moeten wekken, dat we ons in de tegenwoordigheid bevinden van afstammelingen dier grootheden, doch alleen van afstammelingen hunner bewonderaars, die den beroemden naam hebben aangenomen.

Een verschrikkelijke storm met diluviaanschen regen heeft den geheelen nacht onze vensters geschud, en ’s morgens bij het opstaan zien wij de treurig slikkerige wegen gehuld in een niets goeds voorspellenden mist. Wat te doen in Sinaïa, als het regent? Er is geen kurzaal, noch casino, en in de hôtels, die te klein zijn voor het aantal reizigers, dat zich er ophoopt, vindt men slechts een klein lees- en biljartzaaltje. Ondanks den fijnen, aanhoudenden regen besluiten wij een exploratietocht te doen.

Bij het stijgen in de boschjes achter het hôtel komen we al spoedig aan het klooster. In 1695 gesticht door Michaël Cantacuzenos, bestaat het als alle kloosters van eenige beteekenis uit twee pleinen, waar rond omheen de woningen der monniken en de bijgebouwen van het klooster zich groepeeren. Midden op ieder van de beide pleinen staat een klein byzantijnsch kerkje. Een werd op dat oogenblik gerestaureerd, en dank zij der vrijgevigheid van den koning kan de restauratie zeer goed geschieden.

Lang diende het klooster in troebele tijden als schuilplaats voor de bewoners van het laagland, die in de bergen een toevlucht zochten, terwijl het tevens gastvrijheid bood aan reizigers.

Toen koning Karel en koningin Elizabeth, aangetrokken door de machtige bekoring en de vreemde poëzie van het woud te Sinaïa, voor de eerste maal er een deel van den zomer kwamen doorbrengen, namen zij hun intrek in een der bijgebouwen van het klooster.

Eerst na eenige jaarlijksche bezoeken besloten zij in een liefelijk dal achter het klooster een paleisje te bouwen, dat door den kunstzin en den goeden smaak der koningin een der juweeltjes van Roemenië werd. Weldra werd het voorbeeld gevolgd, en midden in het bosch verrezen aan alle kanten sierlijke villa’s en optrekjes. De regeering bouwde een paar hôtels voor reizigers, en het begin van Sinaïa was er.

Het koninklijk paleis, kasteel Pelesch, heet naar den berg waarop het ligt. Uit de verte gezien, treedt het naar voren uit een dicht dennebosch, dat de rooskleurige rotsen van het Bucegi-gebergte kroont. Het prachtige gebouw van steen en hout, waar gothische en byzantijnsche elementen in vereenigd zijn, is een harmonieus geheel, met sierlijke torentjes, mooie balcons en terrassen, een dichterdroom van de kunstenares Carmen Sylva. Inderdaad, wie Sinaïa noemt, roept dadelijk zich het beeld van de vorstin voor oogen, van haar, die dit lustoord in het leven riep. De koningin van Roemenië is, zooals ieder weet, een dier superieure vrouwen, die van kunst, poëzie en melancholie leven. Zij is graag in het woud, kent er alle paden, en om er naar hartelust te kunnen droomen, heeft zij zich een hoog verblijf laten inrichten, een huisje, hangend in de boomen hoog op den top van een der bergen, die Sinaïa omgeven. Het Nestje der Koningin, zoo noemt men hier die plek. Van daar overziet zij den gansenen omtrek.

Eenige jaren geleden zag men haar dikwijls met de dames van haar gevolg gekleed in de nationale kleederdracht, die zoo goed past bij haar hooge, majestueuse gestalte. Maar de poging, om het bekoorlijke costuum weer in eere te brengen onder de deftige dames, heeft niet het succes gehad, die de sierlijke witte, met byzantijnsch borduursel getooide dracht verdiende.

De roemeensche dames, minder dichterlijk van aanleg dan haar souvereine, worden bekoord door de parijsche modes, en men ziet heel zelden de nationale kleeding meer te Sinaïa. Eigenlijk treft men die alleen aan als historische merkwaardigheid en wel vooral op de markt, die des Zondagsmorgens gehouden wordt in de groote laan. Boerinnen spreiden er op het gras langs den weg en op de hekken der tuinen de mooie borduursels uit, doorschijnende sluiers, halsdoekjes en lijfjes met rijke patronen en andere fraaie toiletartikelen. Sinaïa is eigenlijk een wonderlijke badplaats! Men zou er dépendances verwachten van alle groote huizen te Boekarest en winkels, waar de elegante dames al haar luimen konden bevredigen, maar er is niets van dat alles.

Wij hebben het dorp Sinaïa bekeken. Het bestaat enkel uit een kronkelende, sterk hellende straat. Een gewone kruidenierswinkel is er, met een paar winkeltjes van visch en groenten. Te Sinaïa boven vindt ge een kapper, een photograaf en een paar banketbakkers; maar artikelen van dagelijksch gebruik kan men er niet krijgen.

Wat de bijzondere aantrekkelijkheid van de plaats uitmaakt, zijn de verrukkelijke wandelingen, die men in ’t oneindige variëeren kan in de dalen en op de hellingen der bergen. Bij het verlaten van den grooten weg is men dadelijk op goed onderhouden voetpaden, die tot in het diepste van het woud voeren, en hier begrijpt men de koninklijke gril van Carmen Sylva; men kan zich niets woesters en dichterlijkers en idealers denken. Dit is het maagdelijke woud in den besten zin. Boomen van zes meters in omtrek en vijftig meter hoog staan er in grooten getale. Meest zijn het dennen en beuken, die met hun groen de bergen tot groote hoogte bedekken.

De grond is geheel bedekt met heide en mos. Hier en daar blijven omgevallen stammen op den bodem [144] liggen, zooals de storm ze velde. De koning, tot wiens domeingoederen het bosch behoort, wil niet, dat iemand eraan raakt.

Elk voetpad leidt naar een mooi uitzicht. Het toeval voert ons naar de Promenade der H. Anna aan de grenzen van het woud. Boven ons hoofd op een kalen top van rood gesteente, die wel ontoegankelijk lijkt, staat een sierlijk paviljoentje, dat ons schijnt uit te tarten. Maar ’t is al laat, en het weêr is onzeker. Wij durven ons niet verder wagen.

Op regendagen is het stil en somber te Sinaïa; maar als de zon schijnt, hoort men overal muziek in de tuinen, militaire muziek en Zigeunerliederen, die de echo’s wekken van de donkere bergen.


Een der twee binnenplaatsen van het klooster te Sinaïa.

Het kroondomein heeft overal een goeden invloed op de boerenbevolking. Door de vele scholen, die het bestuur der domeinen opricht, ook vak- en landbouwscholen, worden de boeren op de hoogte gebracht van een rationeele manier om den grond te bebouwen en gebruik te maken van machines en andere verbeteringen. Zij krijgen onderricht in de behandeling van het vee en van allerlei aanplantingen. Alle pogingen worden door de kroon in het werk gesteld voor de verheffing van den boerenstand.

In den loop zijner regeering heeft de koning veel wegen laten aanleggen, en hij heeft daarbij dikwijls een beroep gedaan op buitenlandsche ingenieurs, ook voor den aanleg van spoorwegen. Niets wordt verwaarloosd, wat den boer vooruit kan brengen en hem in staat stelt zijn woning gezonder en zijn leven rijker te maken. Maar de slavernij heeft diepe sporen nagelaten, en al zijn sommige streken, vooral die tusschen Predeal en Boekarest, krachtig ontwikkeld, aan de bergachtige randen van Roemenië is de bevolking nog niet veel verder gekomen, dan zij was onder de turksche heerschappij.

Kijkjes in een mooi werk over Chili


De Alameda de las Delicias te Santiago.

Aan de vrouwen van Chili draagt “met waardeering en bewondering van haar uitstekende hoedanigheden van geest en hart” de schrijfster, Marie Robinson Wright van Philadelphia, haar groot werk The Republic Chile op. Het rijk uitgemonsterde en keurig uitgegeven boek is tegelijk te Philadelphia en te Londen verschenen. Het geeft geen reisverhaal, maar behandelt in een reeks van aangenaam geschreven hoofdstukken Chili’s geschiedenis en zijn tegenwoordige regeering, zijn financiëelen toestand en zijn buitenlandschen handel, de hoofdstad Santiago en den heuvel Santa Lucia, de vloot, het leger, het maatschappelijk leven, kerken en liefdadigheid, de universiteit met bibliotheken en musea, het opvoedingssysteem en den stand van schilder- en van beeldhouwkunst. ’t Gewaagt van de drie zones, waarin Chili natuurkundig en dus ook uit het oogpunt van zijn flora en zijn fauna te verdeelen valt, van Valparaiso, Chili’s eerste handelsstad, en van het chileensch Trouville, ’t mooie Vina del Mar; van ’t leven op een hacienda, van de wijnproductie en de warme bronnen; van den rijkdom aan salpeter en de Lota-mijnen; van de opbrengst aan delfstoffen als goud, zilver, ijzer, koper en steenkool; van spoorwegen en stoombooten, landbouw en industrie, en ten slotte van die verre zuidelijke streken in de langgerekte republiek, Patagonië met Punta Arenas, Vuurland en het eenzame Juan Fernandez.

Wellicht zal het den nederlandschen lezer thans in ’t bijzonder interesseeren, nu onze minister van Waterstaat er vertoeft om het land van zijn bekwaamheid als ingenieur te doen profiteeren volgens een reeds vroeger aanvaarde verplichting.

Wij zullen hier en daar een greep doen uit de rijke stof, die door de schrijfster degelijk wordt beheerscht, hetgeen niet behoeft te verwonderen, daar zij vijf jaren aaneen in Zuid-Amerika heeft gereisd en groote tochten ondernam van den Boven-Amazonenstroom tot Vuurland en van den Atlantischen tot den Stillen Oceaan. Driemaal deed zij de spoorreis over de Andes-keten, en Chili trok haar van alle zuid-amerikaansche republieken het meest aan. Daar bracht zij twee jaren door en leerde er land en volk grondig kennen. Beide looft en prijst zij, en het is haar een genoegen, heldere denkbeelden over de interessante republiek en hare hulpmiddelen te mogen helpen verspreiden. [146]

“Het doet mij leed,” schrijft zij, “dat ik, bij de meer uitvoerige behandeling van Chili’s jongste geschiedenis, genoodzaakt ben geweest, de annalen van het roemrijke verleden kort samen te vatten. Daar toch vindt men in overvloed bewijzen van groote dapperheid en opofferende vaderlandsliefde. Dezelfde karakteristieke trekken, die het chileensche volk sterk hebben gemaakt in de verdediging zijner nationale rechten, hebben het ook de geestkracht en den ondernemingslust gegeven, die noodig zijn, om het in handel en industrie tot een flinke hoogte te brengen, en er is thans geen enkel land in Zuid-Amerika, waar de algemeene vooruitgang gestadiger en degelijker is geweest en waar men zijn betrekkingen tot buitenlandsche machten op beter en hechter grondvesten heeft kunnen bouwen. Wat intellectueele beschaving betreft, nemen de Chileenen een eereplaats in onder de meest vooruitstrevende volken, en hun geleerden, schilders en beeldhouwers hebben zich naam gemaakt in de hoogste kringen van Europa en Amerika.”

De vooruitzichten zijn bijzonder gunstig voor den vooruitgang van de republiek, want de twintigste eeuw ziet den handel meer dan ooit vroeger zijn aandacht wijden aan de havens van den Stillen Oceaan.

Aan Santiago valt daarbij een eereplaats ten deel, de mooie stad met haar witte kroon van de Andesketen. De stad ligt in prachtige, schilderachtige omgeving, als een koningin in een reuzenkasteel, haar door de natuur geschonken, waar de muren van het onvergankelijke graniet der Cordillera’s opgetrokken zijn, en torens tot den hemel reiken. Zij ligt open naar het Westen, als wachtte zij van daar de groote toekomst, die in dit land van belofte voor haar is weggelegd. En van de met sneeuw bedekte toppen achter haar, die scherp tegen den blauwen hemel afsteken, ligt zonder eenige begrenzing vóór haar de eindelooze Stille Oceaan, waar geen vreemde mogendheid de uitbreiding van Santiago’s handel kan beperken.

Het is onmogelijk, zich een liefelijker beeld te denken, dan dat, hetwelk Santiago aanbiedt bij zonsondergang, als de stad gehuld is in het purper en het goud, dat op de Andestoppen straalt en hen in warmen gloed zet. Er is iets, dat aan Rome herinnert in deze chileensche hoofdstad met haar mooien heuvel, die als een koepel van een kerk midden uit haar straten oprijst; maar terwijl de heuvel van het Quirinaal de macht en ’t aanzien van het koningschap belichaamt, is Santa Lucia, de tegenhanger in Chili, een symbool van den geest der vrijheid, heerschend in de Nieuwe Wereld. De paleizen van grooten en van souvereinen worden hier vervangen door de schouwburgen en villa’s van een vrij en onafhankelijk volk.

De Alameda is wel genoemd de Via Appia van dit westersch Rome. In de dagen, toen Chili nog een spaansche kolonie was, hielden de spaansche gouverneurs langs dien weg hun luisterrijken intocht. Later, in de opwindende dagen van den vrijheidsoorlog, hadden de overwinnende legers hier het eerst de welkomstgroeten in ontvangst te nemen, die hen later zoo overvloedig op de openbare pleinen der hoofdstad te beurt vielen. Langs dezen weg, die nu de mooiste straat der stad is, treedt ook tegenwoordig de bezoeker Santiago binnen in de schaduw van statige boomen, voorbij fonteinen en standbeelden en prachtige bloemen, bekoord door het fraaie uitzicht op den Santa Lucia met de trotsche toppen der Cordillera’s op den achtergrond.

Die Alameda de las Delicias is bijna drie mijlen lang en driehonderdvijftig voet breed en loopt door de stad van Santa Lucia naar het Centrale Spoorwegstation. Van een eenvoudigen straatweg naar de oude koloniale hoofdstad is het de voornaamste boulevard der moderne metropolis geworden, die zelve zich uit een plaatsje van weinig beteekenis tot een der meest bekoorlijke steden heeft ontwikkeld.

Gelegen in het dal der Mapocho, heeft de stad vroeger veel te lijden gehad van de overstroomingen der rivier, en eerst door de geheele kanalizatie van het rivierbed, die in 1891 werd voltooid, is de tegenwoordige toestand verkregen, waardoor men voor alle invloeden van storm en overstrooming veilig is.

Vóór den onafhankelijkheidsoorlog, waardoor op 18 September 1810 de republiek Chili werd geboren, was Santiago niet veel meer dan een spaansch dorp, bestaande uit huizen van één verdieping en met geen andere aantrekkelijkheid dan een paar pleinen en parken en de particuliere patio’s, bekend uit alle spaansche steden. De plaats breidde zich gaandeweg uit, maar altijd naar gewone, traditioneele begrippen, zonder de moderne verbeteringen der steden van den nieuweren tijd. De Alameda de las Delicias was gedurende twee eeuwen na de verovering een gewone weg, belangrijker wordend, naarmate de stad zich uitbreidde, maar toch geen drukke verkeersweg.

Daar zij was aangelegd in de oude bedding van een tak der Mapocho, werd de Almeda met haar moerassigen grond en oneffen bestrating eerder beschouwd als een gebrek dan als een sieraad van de hoofdstad. De mooiste straat in koloniale tijden en de populaire wandelweg was de Paseo de la Piramide, die langs den zuidelijken oever van de Mapocho liep en door treurwilgen werd ingesloten.

Eerst in de laatste helft der 19de eeuw had de verandering plaats, die de hoofdstad maakte tot de tegenwoordige moderne stad met haar welonderhouden parken en pleinen, mooie huizen en breede straten. Tijdens het bestuur van Don Benjamin Vicuna Mackenna werd de stad in 1872 geplaveid en kreeg een betere verlichting, de Alameda werd verbeterd en de Santa-Luciaheuvel werd van een onoogelijke hoogte midden in de stad tot een heerlijk park. Deze verbeteringen waren noodzakelijk geworden met den nieuwen stijl en de sierlijkheid der rijke woonhuizen en der openbare gebouwen van de stad. Het vroegere verouderde voorkomen maakte plaats voor de moderniteit van heden, en de toewijding der bewoners van Santiago aan hun stad bleek uit tal van particuliere bijdragen voor de verfraaiing. Zoo is het geliefde Cousino-park genoemd naar den schenker, den millionair Don Luis Cousino, die den grond aan de gemeente afstond.

Het groote fortuin van de Cousino’s werd een halve eeuw geleden gemaakt, toen de chileensche kapitalist de groote onderneming waagde van de exploitatie [147] der steenkolenmijnen in het Lotadistrict. Lota is nu het bloeiende middelpunt van een nijverheidsgebied en ligt dichtbij Coronel in de provincie Concepcion. De geheele bevolking van 15000 zielen is afhankelijk van de mijnmaatschappij, waarin de familie Cousino den toon aangeeft. Senor Don Matias Cousino kocht in 1852 den grond en begon terstond op energieke wijze de exploitatie.

Bij zijn dood, tien jaren later, ging de bezitting over in handen van zijn zoon Senor Don Luis Cousino, die in 1869 de maatschappij Esplotadora de Lota y Coronel stichtte en ’t grootste getal aandeelen zelf behield. Hij bracht de onderneming tot groote hoogte en veel andere giften aan de gemeenschap getuigen, met het Cousino-park in Santiago, van zijn mildheid. Zijn weduwe Senora Dona Isidora Goyenechea de Cousino kocht alle aandeelen op en werd eenige eigenares van de Lota-maatschappij. Zij was een tijdlang de rijkste vrouw ter wereld, toen haar vermogen op zeventig millioen dollars werd geschat. Eenige malen stak zij den oceaan over, om eenigen tijd in Europa te vertoeven, en in Parijs was zij als de door de fortuin meest begunstigde vrouw bekend, terwijl de Rue Lota naar haar werd genoemd. Met haar eigen schip deed Senora Cousino een reis naar het Oosten, bezocht de Sandwich-eilanden en werd overal als een koninklijke gast gehuldigd. Bij haar dood in 1898 werd de bezitting geërfd door haar zes kinderen, van wie vier, Don Alberto, Don Carlos, Dona Adriana en Dona Loreto, nog in leven zijn.

Het stadje Lota ligt op vijf mijlen afstands van Coronel, waarmee het door den Arauco-spoorweg is verbonden. Het is verdeeld in Lota Alta of de bovenstad en Lota Abajo, de benedenstad aan den voet van den heuvel. De bovenstad behoort aan de Compania Esplotadora de Lota, en men vindt er de kantoren der maatschappij met de woningen der beambten en werklieden, hun kerk en school en hospitaal. In een kleine dagreis per spoor bereikt men Santiago, waar de eigenaars der mijnen resideeren. Maar te Lota hebben zij ook een paleisje met een prachtig park, dat met de grootste zorg wordt onderhouden, in tegenstelling met het huis, dat na den dood van Senora Cousino onbewoond is gebleven.

Maar om op Santiago en de Alameda terug te komen, die rijweg is de bekoorlijkste van alle zuid-amerikaansche paseo’s. Men ziet er niet enkel weelde en mooie equipages, maar tevens is men er als in een museum, in Chili’s Ruhmeshalle, niet besloten binnen vier muren, maar in de open lucht tusschen boomen en bloemen, fonteinen en vijvers, waar de vogels zingen, en de kinderen spelen en waar de geschiedenis, verteld in brons en marmer, de menschen kan opwekken tot moed en vaderlandsliefde. Het edele voorbeeld van de vereeuwigde helden wordt er den jongen menschen voortdurend voor oogen gesteld. Niet alleen als werken van kunst wekken de standbeelden en de monumenten van de Alameda onze bewondering, maar ook als blijken van de nobele gevoelens der natie, die dit middel heeft te baat genomen, om haar dankbaarheid te toonen jegens de helden uit de bevrijdingsoorlogen.

Een trotsch monument herinnert aan den grooten generaal Don José San Martin, te paard voorgesteld met het vrijheidsvaandel in de rechterhand. Het werd onthuld op 5 April 1863, den verjaardag van Maipo. Die slag van 5 April 1818 in de vlakte van Maipo, eenige mijlen ten zuiden van de hoofdstad, was een schitterende overwinning van de republikeinen over het leger van de royalisten, tegen wie de jonge republiek zich telkens weer had te wapenen na haar onafhankelijkheidsverklaring.

Een ander ruiterstandbeeld is er verrezen voor den grootsten chileenschen generaal Bernardo O’Higgins, wiens dapperheid en vaderlandsliefde indrukwekkend gesymbolizeerd zijn in de bronzen figuur, die hem voorstelt, zooals hij Rancagua ontruimt met zijn dappere soldaten en, wijzend op Santiago, uitroept: “Wij geven noch vragen kwartier”. Het standbeeld staat op een voetstuk van wit marmer met basreliefs, die de belangrijkste gevechten weergeven, waarin generaal O’Higgins zich onderscheidde.

De vader van dezen generaal was Ambrosio O’Higgins, die in 1788 door den koning van Spanje tot gouverneur van Chili benoemd was. Hij zocht niet, als zijn voorgangers, onophoudelijk zijn voldoening in den strijd tegen de Araucaniërs, de oorspronkelijke bevolking, maar hij trachtte den vrede te bevestigen en het land tot bloei te brengen. Hij was Ier van geboorte, ging naar Spanje en vestigde zich als koopman in Peru. Hij verloor zijn vermogen, stelde zich in dienst des konings en ging naar Chili. Zijn eerlijkheid en zijn scherp verstand vestigden de aandacht op hem en in een voorspoedige carrière bracht hij het tot het ambt van gouverneur van Chili. De noordelijke provincies, die over ’t geheel verwaarloosd waren, bezocht hij in persoon, deed onderzoekingen in de woestijn van Atocama en keerde over Valparaiso naar Santiago terug.

Als gevolg van die reis kwamen er een groot aantal verbeteringen in den toestand der Indianen, die op het land of in de mijnen werkten, en zijn uitstekend bewind bleek ook uit de wijze, waarop hij tegenover de Araucaniërs handelde. Hij verbood, hen zonder noodzaak aan te vallen of te beleedigen, en ofschoon de troepen ten allen tijde op oorlog voorbereid moesten zijn, mocht geen poging worden verzuimd, om den vrede te handhaven. De uitslag bewees, hoe beleidvol zijn optreden was, want de Indianen, die zagen hoe de Spanjaarden op hun hoede waren, zorgden wel, dat ze geen aanval waagden, en in het veilige gevoel, dat hen geen gevaar dreigde, als zij zich rustig hielden, begonnen ze hun velden ijverig te bebouwen. Aan de openbare wegen liet gouverneur O’Higgins groote zorg besteden, en tegen de overstroomingen der Mapocho beveiligde hij de hoofdstad door doelmatig aangebrachte dammen.

In 1789 vaardigde hij een decreet uit, waarbij alle indiaansche slaven vrij werden verklaard, hoewel hij de landeigenaars daardoor tegen zich in het harnas joeg en zich den haat op den hals haalde van de eigenaars der mijnen, waarin slaven werkten. Het belastingstelsel onderging allerlei verbeteringen en altijd was hij in de weer, den weg te effenen voor handel, industrie en landbouw.

De hoogste positie, die de kroon in die dagen in Zuid-Amerika te vergeven had, viel hem als blijk [148] van de bijzondere tevredenheid des konings in 1795 ten deel, namelijk den post van onderkoning van Peru. Het volgend jaar reisde hij naar Lima, maar hij liet in zijn geliefd Chili zijn zoon Bernardo achter, die bestemd was, zulk een groote rol te spelen in de latere politiek van Chili. Hij toch werd een der helden uit den vrijheidsoorlog, een der stichters van de republiek.


Het paleis der familie Cousino te Lota.

Want door de grootere ontwikkeling in staatkundig en maatschappelijk opzicht, door het betere onderwijs vooral, begonnen de Chilenen het onrecht in te zien van sommige spaansche regeeringsmaatregelen en van het dwangstelsel, dat hen in allerlei richting hinderde in den vooruitgang. Bemoeilijking van den handel, overmatige invloed van de geestelijkheid, verbod van lectuur, gemis aan vrijheid van drukpers en van vereeniging en vergadering, dat alles werd meer en meer als een belemmering gevoeld, vooral na de ontroerende voorbeelden van den vrijheidsoorlog in Noord-Amerika en van de Fransche Revolutie. De begeerte, om meer te weten te komen van de buitenwereld, was een prikkel tot het koopen der verboden lectuur en gaf tevens een verklaring van de populariteit der tertulia’s of avondbijeenkomsten in de salons der personen, die in Europa hadden gereisd en op de hoogte waren der nieuwere vrijheidsbegrippen, en de boeken der bekende fransche schrijvers uit die dagen hadden meegenomen.

Tijdens de regeering van gouverneur Carrasco, van 1808 tot 1810, nam de zucht naar vrijheid een meer definitieven vorm aan; Napoleons verovering van Spanje en de gevangenneming van den spaanschen koning steunden den geest van vrijheid, en op 16 Juni 1810 moest gouverneur Carrasco afstand doen, vooral onder pressie van den cabildo of het stadsbestuur van Santiago.

Er werd een Administratieve Raad gekozen, die de regeeringsmacht zou in handen hebben tot een Nationaal Congres bijeengekomen zou zijn, om den regeeringsvorm vast te stellen. De openbare vergadering van 18 September 1810 besloot tot de instelling van de Junta Gubernativa, de eerste onafhankelijke regeering in Chili. Een dag van glorie was die geboortedag der republiek, de opwinding in de hoofdstad was buitengewoon groot en de straten waren vroolijk en luidruchtig, overstraald door de lichten der illuminatie, omgolfd door de tonen der muziek.

Enkele maanden later kwam het eerste Congres, de vergadering van afgevaardigden des volks bijeen. Onder de allereerst aangenomen wetten was er een tot volkomen afschaffing der slavernij. Tot eer van de jonge natie zij gezegd, dat nu zij zelve als volk haar vrijheid had gewonnen, zij ook begeerde, dat ieder individu op chileenschen grond de rechten van de vrijheid zou genieten. Van de republiek Chili kan evenals van Mexico worden gezegd, dat haar vrije vlag nooit boven slaven heeft gewapperd.

Toen kwam er echter, als zoo dikwijls in dergelijke omstandigheden, persoonlijke eerzucht in het spel, die dreigde, ’t goed begonnen werk te storen, en bij de twisten en oneenigheden tusschen de leiders van het burgerlijk bestuur moest men gedoogen, dat een spaansch leger uit Peru een inval deed, om het land voor Spanje te heroveren.

In Januari 1813 landden de spaansche troepen onder generaal Pareja te Ancud op het eiland Chiloë en spoedig daarna te Valdivia, Talcahuano en Concepcion. In die meer afgelegen provincies waren, als indertijd in de Vendée in Frankrijk, veel royalisten, die zich nu bij de spaansche troepen voegden en op de hoofdstad Santiago aantrokken.

Doch de voortgang van Pareja’s leger werd gestuit te Chillan door het patriottenleger onder generaal Carrera, die al spoedig als bevelhebber plaats maakte voor O’Higgins, wiens talenten de aandacht van de Junta hadden getrokken en die in den strijd veel steun vond bij kolonel Juan Mackenna. Er werd een wapenstilstand gesloten, dat men de legers zou kunnen reorganizeeren, en op 1 October 1814 werd de strijd hervat met het gevecht bij Rancagua, toen het spaansche leger, dat versterking uit Peru had gekregen, onder generaal Osorio tegen O’Higgins optrad met een vijfmaal zoo sterke macht als die der republiek.

Er volgde een noodlottige nederlaag na een tweedaagschen strijd en een heftige verdediging van Rancagua, waarna de spaansche generaal er zijn intocht hield en O’Higgins zijn beroemden terugtocht ondernam.


Het park te Lota.

[149]

Weldra volgde de intocht der Spanjaarden in Santiago en drie jaren lang heerschten zij opnieuw over Chili.

Die jaren waren echter de voorbereiding voor nieuwen strijd, en de beide helden O’Higgins en generaal San Martin wachtten met andere naar Argentinië uitgewekenen den geschikten tijd af. In Januari 1817 begon de marsch over het Andesgebergte door den Uspallata-pas. Het was een lange en moeilijke tocht, maar de uitslag van het op 12 Februari bij Chacabuco geleverde gevecht beloonde de moeite. Daar werd opnieuw voor de vrijheid van Chili met schitterenden uitslag gestreden, en het daar gegeven voorbeeld werkte aanstekelijk in de andere zuid-amerikaansche koloniën van Spanje.


De Plaza de Armas te Santiago.

Nog eenmaal probeerde een spaansch leger de herovering. Generaal San Martin trok het tegemoet, en in de vlakte van Maipo, enkele mijlen ten zuiden van de hoofdstad, had op 5 April 1818 een beslissende slag plaats, die den royalisten alle verdere kansen ontnam.

O’Higgins was tot Opperdirecteur van den Regeeringsraad benoemd en leidde het bestuur in Chili tot 1823. Hij was met dictatoriale macht bekleed en velen verweten hem een te eigenmachtig optreden. De held van Chacabuco moest zijn gezag neerleggen en generaal Ramon Freire nam zijn plaats in. O’Higgins stierf een jaar later. Een praalgraf op het kerkhof van Santiago wijst de plaats aan, waar hij ligt begraven en, zooals wij reeds zagen, op de Alameda van Santiago staat zijn ruiterstandbeeld.

Het eigenlijk middelpunt der hoofdstad is de Plaza de la Independencia of de Plaza de Armas. Bloemen vormen het centrum van dat plein, waaromheen men fraaie gebouwen ziet als de kathedraal en het bisschoppelijk paleis, het postkantoor, ’t gemeentehuis, telegraaf kantoor e.a. Twee der zijden worden door winkels ingenomen, onder hun schilderachtige booggalerijen, de portales. ’s Avonds wandelt er de deftige chileensche wereld, zooals in andere spaansche landen ook de paseo of wandeling op de Plaza een dagelijksch verschijnsel is.

Een droevige gebeurtenis had op het plein plaats in 1863, toen een vreeselijke brand de Compania-kerk verwoestte, bij welke gelegenheid meer dan duizend menschen, voor het meerendeel vrouwen, omkwamen. De stad is meermalen door hevige branden geteisterd. Nog pas, op 27 Februari van dit jaar 1906, brandde de schouwburg van San Martin af, waarbij ook eenige dooden vielen te betreuren en honderden gekwetst werden.

Het nieuwe Congresgebouw, ook aan het plein, werd juist gebouwd, toen de brand der Compania-kerk voorviel; toen het in 1875 voltooid was, besloeg het mee de terreinen, die door den kerkbrand vrijgekomen waren. Het is een der fraaiste openbare gebouwen van Zuid-Amerika. Ook het Caso de Moneda, de Munt, maakt veel indruk, vooral door zijn grootte; het bevat ook de gouvernementszalen voor den ministerraad. De vele patio’s of binnenpleinen, tusschen de afzonderlijke gedeelten, verminderen de strenge somberheid van het zware monumentale gebouw.

Rondom Santiago zijn allerlei aardige plaatsjes gelegen, [150] die men per tram of trein of omnibus bereiken kan. Apoquindo is allerliefelijkst gelegen als in een nestje tusschen heuvels. San Bernardo is een schilderachtig stadje te midden van weiden en dicht genoeg bij de Cordillera’s, om ’t genot te hebben van den koelen bergwind. Ook Santiago, dat bijna twee duizend voet boven het niveau der zee ligt, kan zelfs midden in den zomer koel zijn, want de grootste bekoring van Santiago is niet gelegen in de mooie huizen en de statige openbare gebouwen, ook niet in de aangename omgeving, maar in de onvergelijkelijke atmosfeer. Zoowel de winters als de zomers hebben een prettige temperatuur, ondanks de dichte nabijheid van de Cordillera’s, die vele maanden van het jaar een zwaren mantel van sneeuw dragen en welker hoogste toppen onder eeuwige sneeuw verscholen liggen.

Als een gulden lint omboordt Chili een groot deel van de kust van Zuid-Amerika. Het is een verwonderlijk smal land, bijna drie duizend mijlen lang en minder dan gemiddeld honderd mijlen breed. Uit natuurkundig oogpunt biedt het de grootste verscheidenheid aan. In ’t Noorden de groote, woeste salpeterdistricten, in Midden Chili de prachtige, begroeide berghellingen met wijngaarden en heerlijke oofttuinen, zonnige korenvelden, en in het Zuiden de woeste fjorden aan de straat van Magellaens, met Vuurland en de verlaten eilandenwereld er omheen.

Ook het klimaat van Chili biedt groote verschillen aan, niet enkel doordien het zich over dertig breedtegraden uitstrekt, maar ook door den invloed van de winden der Cordillera’s en de zeestroomingen van den Grooten Oceaan. In het Noorden wisselt de temperatuur het geheele jaar door binnen een verschil van niet meer dan tien graden Celsius. Er valt bijna geen regen ten noorden van 27° Z.B., en in de woestijn bij Tarapaca is de laatste hevige regenval bijna honderd jaar geleden. Door zwaren dauw wordt echter de grond er nu en dan bevochtigd. De koude stroom van den Zuid-Pacifischen Oceaan oefent in den zomer een verkwikkenden invloed uit op de temperatuur, zoodat de hitte nooit buitengewoon groot is.

In Midden-Chili is het klimaat gematigd en heerlijk; men kan juist even de vier jaargetijden onderscheiden, maar groote verschillen merkt men niet. Het regent alleen een weinig in den winter, en sneeuw valt zelden elders dan op de bergen. Zoowel aan de kust als in het binnenland is het land zeer gezond.

In het Zuiden regent het in iedere maand en den grootsten tijd van het jaar is de lucht bewolkt. Vooral geldt dit voor de streek rondom Valdivia en Chiloe; in de Straat van Magellaens sneeuwt het veel in den winter, die van Mei tot Augustus duurt.

Door de geheele lengte van het land strekken zich twee bergketenen uit, het Andesgebergte en het Kustgebergte, met kortere transversale ketenen daartusschen, zoodat als men het groote centrale dal volgt, dat van het Noorden naar het Zuiden loopt, men dat in een aantal kortere dalen gesplitst vindt, terwijl dwarsdalen van de Andes af de zee bereiken. Het resultaat is een groote verscheidenheid van heuvels en dalen.

De Atacama-woestijn in het Noorden is, hoe woest en verlaten ook, niet zonder schilderachtigheid. De kale rotsen en de enkele afgelegen bosschen omgeven de roodbruine vlakte, en in de nauwe kloven en dalen, waar als-het-ware een lint van groen langs de rivieren ligt, treft de frischheid door de tegenstelling met de omringende dorheid.

Slechts twee belangrijke rivieren vindt men in de provincie Tarapaca: de Camarones en de Loa met hun zijtakken, en twee in de provincie Atacama de Huasco en de Copiapo. Het landschap in de bergstreken van Coquimbo is prachtig, en waar de rivieren de Coquimbo, de Limari en de Choapa vloeien, treft men boomgaarden en schoone boerenhofsteden aan. De vruchtbaarheid van deze provincie en de rijkdom aan mineralen maken haar tot een kostbare schatkamer voor de republiek. De valleien van de Huasco en de Elqui zijn beroemd om hun edele druiven, en een groot aantal wijngaarden bedekken er de berghellingen. De provincie Coquimbo heeft voor een deel den aard van het noordelijke gebied en voor een ander deel dien van Centraal Chili, daar zij zoowel minerale producten als landbouwvoortbrengselen oplevert. Het klimaat heeft er sommige eigenaardigheden van de regenlooze streken, ofschoon met eenige wijziging. Drie of vier dagen van regen nu en dan is het allermeeste, wat er valt, en een gansche week van regen is iets ongehoords. Verder naar het Zuiden, te beginnen in de provincie Aconcagua, zoo genoemd naar den hoogsten top der Andesketen, beroemd geworden door de beklimmingen van Sir Martin Conway, den heer Fitzgerald en den heer Rankin, wordt de groote middenvallei breeder en zet zich voort over de geheele lengte van Chili tot bij den Chiloë-archipel.

Sommige geologen meenen, dat de eilanden van den archipel van Patagonië een voortzetting zijn van het kustgebergte, en dat de zee, die ze scheidt van het vaste land, een ondergeloopen voortzetting is van het centrale dal. Dat dal is nergens schooner dan bij zijn begin. Het landschap is er boven alle beschrijving prachtig. In deze provincie ligt het schilderachtige dal Llai-Llai, of “hevige wind”, zooals de indiaansche naam luidt, besproeid door de rivier de Aconcagua, die langs den noordrand vloeit. Deze rivier, die op den berg van denzelfden naam ontspringt, stroomt door een groot deel der provincie. Het is een forsche stroom, snel vlietend door de hoogere Cordillera’s, waar hij bewonderd wordt door alle reizigers, die van Argentinië naar Chili reizen over den Uspallata-pas.

De plantengroei is weelderig in de middenvallei, waar veel aan wijnbouw wordt gedaan en waar men tallooze hacienda’s of landgoederen vindt. Sommige daarvan hebben een groote uitgestrektheid; er wordt aan veeteelt gedaan en men ziet er korenvelden en olijvengaarden, met prachtige lanen van populieren er omheen. Rivieren en meren geven hier afwisseling aan het landschap en zijn voor de vruchtbaarheid van den grond van de grootste beteekenis. Het tegenwoordige besproeiingsstelsel dateert al uit den spaanschen tijd, ja was reeds bij de Indianen in gebruik vóór de verovering. De waarde van een farm wordt berekend niet naar haar grootte, maar naar de hoeveelheid water, die voor irrigatie dienen kan. [151]

De rivier de Maipo besproeit de provincie Santiago en over haar geheele lengte verschaft zij water aan vele der beste landerijen en wijngaarden. De groote hacienda’s Puenta Alto, Santa Ines, Guindos, Buin en Hospital worden door deze rivier besproeid, die bij de kleine haven San Antonia de zee bereikt, even ten zuiden van Valparaiso. De Mapocho, een zijtak van de Maipo, stroomt door Santiago, en is door een aantal mooie bruggen overspannen.


De Elqui-vallei in Coquimbo.

Van de vrij groote meren in de Cordillera’s is het Zwarte Meer of de Laguna Negra het best bekend als de bron der Maipo en omdat het gezien kan worden door de reizigers, die den Cumbrapas overgaan. Andere meren zijn het Yeso-meer in de hoogere Cordillera’s, en het Aculeo-meer aan den voet der kustketen. Het laatste, zestien vierkante mijlen groot, wordt druk bezocht, om de goede vischgelegenheid, die het water aanbiedt, en om de rijke jachtterreinen in den omtrek.

Overal in die middenprovincies Santiago, O’Higgins, Colchagua, Curico, Talca, Maule, Linares en Nuble wordt het landschap verfraaid door heuvels, dikwijls met prachtige bosschen bedekt. Mooi is ook daar de rivier, de Maule, de eenige, die over een vrij groote lengte bevaarbaar is en den Stillen Oceaan bij de haven Constitucion bereikt. De streek, waardoor zij loopt, is een tuin gelijk, en in den zomer is over de geheele lengte van haar dal de oever bedekt met bloeiende boomen en struiken. De monding van de Maule is beroemd om de rotsen en klippen, die hooge zuilen en pilaren vormen, vreemd uitgesleten door de werking van de winden en getijden. De Piedras de las Ventana’s of Vensterrotsen vertoonen de grilligste vormen, en de Iglesia of Kathedraalrots, die op een mijl afstands van de overige staat, ziet er uit als een kerk. Dit verrukkelijk plekje, waar een ruime grot midden in de rots aan het schip der kerk doet denken, is een geliefd oord voor zomeruitstapjes, en men kan het gemakkelijk per spoor of stoomboot bereiken.

Behalve de rivier, de Maule, zijn er in deze buurt een aantal dergelijke stroomen, als de Rupel met haar onstuimigen zijtak, de Cachapoal, vloeiend door de streek der beroemde warme bronnen van Cauquenes; de Mataquito en de Itata, samenkomend dichtbij de badplaats Chillan. Geen land in Zuid-Amerika heeft beter gelegenheid voor verbinding der rivieren door kanalen. De overvloed aan waterkracht, die men met weinig moeite in gebruik zal kunnen stellen, belooft het land een groote toekomst wat zijn industrie betreft. Er worden reeds plannen gemaakt voor de exploitatie van de Laja-watervallen, den Niagara van Chili, zooals men wel zegt. De val is in de provincie Concepcion in een tak van de rivier de Bio Bio.

Die provincie Concepcion is de belangrijkste van Centraal Chili; zij heeft een uitgebreiden handel en verscheiden goede zeehavens. De grootste baaien van Chili, die van Talcahuano en van Arauco, behooren er toe. De grond wordt er voldoende besproeid door de Bio Bio en haar talrijke zijtakken. Ten noorden van het dal der rivier vindt men uitstekende wijnbergen en in het Zuiden der provincie Concepcion leveren de staatsbosschen goede inkomsten. De Bio Bio is bevaarbaar tot 150 mijlen van haar monding; zij komt uit een der bergmeren van het Andesgebergte en vloeit noordwestelijk, besproeit de provincies Malleco en Concepcion op haar weg naar den Stillen Oceaan, en bereikt dat einddoel bij de stad Concepcion. Daar is de rivier bijna twee mijlen breed.

De stroom is behalve om zijn schilderachtige dalen [152] en den weelderigen plantengroei langs zijn oevers ook bekend uit historisch oogpunt, namelijk als de scheidingslijn, die tijdens de verovering en in de koloniale periode de zuidgrens aangaf van de spaansche bezittingen in Chili en het begin van het territorium der Araucaniërs.


Laan van eucalyptussen op Santa-Ines.

Aan de oevers der Bio werden groote gevechten geleverd tegen de Indianen, en haar naam is verbonden met gebeurtenissen uit de krijgsgeschiedenis vanaf den tijd, toen Pedro de Valdivia zijn dood vond in een gevecht met de Indianen in de 16de eeuw, totdat er, nog pas vijftig jaar geleden, een eind kwam aan den strijd tegen de Araucaniërs.

Van Conception af zuidwaarts houden de natuurlijke rijkdommen van het land op, zoo rijkelijk te vloeien, en de provincies Valdivia, Llanquihue en Chiloë vormen den overgang naar het leven aan de Magellaens-straat. De producten veranderen van aard, en in plaats van het zachte klimaat, dat weinig verandert in de vier jaargetijden, heerscht er een lagere gemiddelde temperatuur en worden de winters langer. Nog vindt men er goede graanvelden en rijke veestapels, terwijl de appelboomgaarden van Valdivia bewijzen, dat meer gehard fruit er uitstekend groeit.

De houtopbrengst is in deze zuidelijke provinciën overvloedig, en het landschap is bijzonder mooi, vooral door den rijkdom aan meren. Het Lajameer ligt tusschen twee hooge bergen en in de buurt van den vulkaan Antuco; het vormt de bron van de rivier de Laja met haar prachtigen waterval. Veel vulkanen verrijzen langs de zuidelijke deelen der westkust, ook werkzame, zooals die van Villa Rica. Jammer genoeg zijn de heldere dagen, waarop men de schoonheid van het landschap ten volle kan genieten, weinig in aantal.

Het eigenaardig kenmerk van de streek aan de straat van Magellaens zijn de archipels, de tallooze eilandengroepen die men er vindt en de hooge bergen. Op Vuurland en in een deel der kuststreken vindt men natuurlijk weiden, voor schapenteelt geschikt. Over ’t geheel vertoont het land overeenkomst met de Schotsche hooglanden. Lange reeksen van duinen strekken zich mijlen ver uit, omzoomd door de bosschen meer binnenwaarts, waarachter de hoogere bergen oprijzen. Zeer weinig stoombooten varen tegenwoordig langs de kust aan de binnenzij der eilandengroepen, als zij de reis doen langs het chileensche Patagonië; maar wie in de gelegenheid is geweest, dien tocht te maken, dien gaat hij nooit uit de herinnering. De fjorden van Noorwegen doen in menig opzicht in schoonheid onder voor het Smythkanaal.

Aan de oevers vindt men hier en daar sporen van indiaansche woningen, maar het aantal Indianen vermindert er van jaar tot jaar. De Indiaan uit deze streken draagt niet anders dan het vel van den guanaco of van den otter als kleeding, en hij staat gemakkelijk een kleedingstuk af in ruil van een mes of eenig wapen. Otters zijn er veel bij Vuurland en in de Magellaensstraat; de vellen vormen een hoofdbron van inkomsten voor de streek. Weinig vogels ziet men er; nog ’t meest den albatros en de rotsduif.


De Laja-waterval.

De flora en fauna zijn overigens in de drie deelen van Chili zeer verschillend. De woestijnen van het Noorden vertoonen weinig plantenleven; alleen in de oasen sieren prachtige bloemen het landschap. Het centrale gedeelte heeft een rijke flora; op de helling der Andesketen groeien fuchsia’s in grooten overvloed in het wild, zooals men ze in de bosschen van Midden-Chili overal vindt. Over ’t geheel is de dierenwereld niet sterk vertegenwoordigd; de opmerkelijkste vogel is wel de condor van het Andesgebergte, symbool van macht, en als zoodanig in ’t chileensche wapen opgenomen. [153]


Santiago in vogelvlucht.

Onder de groote handelssteden van Zuid-Amerika kan Chili bogen op ’t bezit van Valparaiso, de belangrijkste zeehaven aan de westkust. Van zee uit gezien, lijkt de stad een groot amphitheater; zij is gebouwd op de helling van een berg, die het smalle strand in een kring omgeeft. Diepe kloven verdeelen den berg in afzonderlijke heuvels of cerro’s, en hier en daar dringen de hoogten zoo dicht naar de zee, dat er bijna geen ruimte overblijft voor een landingsplaats. Men heeft daarom een groot, kunstmatig strand, een breed embankment aangelegd, waardoor de weg langs de baai verbreed wordt, en dat tevens bij ruw weêr de kracht der zware zeeën breekt.

Evenwijdig met het strand loopen de hoofdstraten in de lengte door de stad, talrijker, waar de cerro’s nog al wat ruimte laten, weinig in aantal, waar de heuvels dicht naar de zee dringen en nauwelijks plaats bieden voor de tram, die Valparaiso met zijn voorstad Vina del Mar verbindt. Kabelspoorwegen brengen de gemeenschap tot stand tusschen de benedenstad met de cerro’s, waar een groot deel der bevolking woont.

De naam Valparaiso beteekent Paradijsdal, hij moet echter uit een ver achter ons gelegen verleden afkomstig zijn, want eigenlijk past hij niet bij de drukke metropolis van thans, met haar haven vol schepen uit alle landen en haar straten, waar zich handelslui van elke nationaliteit verdringen. Toch is het een zeer liefelijke stad, zeer gezond en met de aangenaamste vormen van ’t maatschappelijk leven. De koele zeewind maakt het verblijf er ’t heele jaar door prettig.

De stormen, die in de baai woeden, kunnen soms groote schade in Valparaiso aanrichten en maken belangrijke havenwerken noodig, die voortdurend verbeterd en uitgebreid worden en waarvoor ons land zijn minister Kraus, den kundigen ingenieur, voor eenige maanden afstaat aan de chileensche regeering. Zijne Excellentie, die op den 3den Maart jl. ons land verliet, zal den President van advies dienen bij de gunning van de werken voor de haven, door hem in 1901 ontworpen. In 1890 had de heer Kraus de benoeming tot hoogleeraar aan de technische hoogeschool te Santiago aangenomen. Ook aan den bouw van een droogdok in de hoofdstad en aan den aanleg der havenwerken van Talcahuano had hij als ontwerper een groot aandeel.

In den zomer, dat is van Januari tot Maart wordt de zetel van het bestuur van Santiago naar Valparaiso overgebracht; de president en de ministers houden dan verblijf in Vina del Mar, terwijl hun officiëele hoofdkwartieren zich bevinden in de havenwijk van Valparaiso, waar men veel openbare gebouwen aantreft en die nu tevens de drukke handelswijk is, nu bij de uitbreiding der bevolking ook op de cerro’s woonhuizen zijn gebouwd en dikwijls de allerfraaiste en rijkste. Op den Cerro Concepcion en den Cerro Alegre vindt men prachtige huizen en allerliefste châlets, die schilderachtig tusschen boomen en bloemen gelegen zijn. Een vijf minuten rijdens met de spoor, en men is van de benedenstad op de hoogten gekomen, terwijl men op den rit een steeds mooier wordend uitzicht op de haven geniet en op [154] de geheele baai, die met haar vele schepen een prachtig panorama oplevert.

De gezelschappen zijn in Valparaiso echt kosmopolitisch en opmerkelijk is het, hoe de vreemdelingen zich met de stad en hare instellingen vereenzelvigd hebben, hoe zij in hun belangen opgaan. Als er weldadigheid moet worden beoefend, als kerkelijk werk hulp en zorg vereischt, bij nationale feesten en gedenkdagen, altijd zijn alle nationaliteiten erbij betrokken en algemeene sympathie verlicht en veraangenaamt de samenwerking.

De stad was een der eerste steden van Zuid-Amerika, die een uitstekende waterleiding bezaten; de dam, gebouwd in de hooggelegen heuvelstreek ten behoeve der watervoorziening van Valparaiso, dateert al van 1849. Onlangs is weer een groot réservoir voor regenwater te Penuelas gebouwd, omstreeks op tien mijlen afstands, en ter hoogte van duizend voet boven het niveau der zee. Honderd millioen tonnen water worden op die wijze verzameld, genoeg om de stad voor drie jaar te voorzien, als ’t noodig is. De kosten van deze onderneming bedroegen zes millioen dollars.

Valparaiso is allen anderen steden in Zuid-Amerika voorgegaan in ’t gebruik der nieuwe vindingen, die het leven vergemakkelijken en veraangenamen. Het was de eerste spaansch-amerikaansche stad, die telegraaflijnen aanlegde en gas gebruikte in 1856; de eerste, die drijvende dokken had voor het repareeren van schepen in 1860. Hier verschenen de eerste trams in de straten, en de onderhandelingen over den aanleg van den eersten Zuid-Amerikaanschen spoorweg begonnen in deze stad meer dan een halve eeuw geleden. De naam van een Noord-Amerikaan, William Wheelwright, is verbonden aan de inwijding dier lijn van Caldera naar Copiapo. Dezelfde ondernemende Amerikaan organizeerde in 1840 de Pacific Steam Navigation Company, en aan zijn initiatief is Chili veel verplicht voor de ontwikkeling der steenkolenexploitatie, want de eerste nationale steenkool werd door hem gebruikt op de stoombooten van die lijn.

Door Wheelwright’s bemiddeling werden de eerste stappen gedaan voor den aanleg van een spoorweg, die Buenos Aires zou verbinden met Valparaiso dwars over de Andes, een werk, dat nu voltooid is op een kort eind na van den trans-andischen spoorweg, waar deze over den bergpas gaat. De concessie voor de voltooiing van de Trans-andeslijn is verleend aan een new-yorksche firma, die aan de westkust van Zuid-Amerika groote belangen heeft. Oorspronkelijk, en wel sinds 1881, was de firma te Valparaiso gevestigd met vertakkingen in Santiago, Concepcion en Iquique. De naam van den onlangs overleden stichter, Mr. W.R. Grace, zal altijd in Chili in dankbare herinnering blijven als die van een der pioniers van den buitenlandschen handel van Zuid-Amerika aan de kust der Stille Zuidzee. In de toekomst der republieken van de westkust stelde de heer Grace het volste vertrouwen.

De vreemdeling, die engelsche namen ziet op de uithangborden der meeste winkels in Valparaiso, komt op het idee, dat de handelsstand in deze stad bijna geheel uit vreemdelingen bestaat. Maar als hij zich meer met de menschen vertrouwd heeft gemaakt, bespeurt hij, dat zelfs in die inrichtingen, die een onmiskenbaar buitenlandsch karakter dragen, de plaatselijke chefs gewoonlijk Chilenen van geboorte zijn, of menschen, die zoo lang in Chili hebben gewoond, dat zij hun aangenomen vaderland geheel als het hunne beschouwen.

Een halve eeuw geleden, toen de meeste van de nu bloeiende handelshuizen pas begonnen, waren de toestanden zeer verschillend van wat ze nu zijn. De herinneringen van kooplieden uit dien tijd zijn dikwijls onderhoudend, om aan te hooren. Een van die pioniers, wijlen Stephen Williamson, die in 1903 stierf, en die vijftig jaren lang hoofd was van de firma Williamson, Balfour en Co., wist alles, wat samenhing met de geschiedenis van de kustvaart langs den Stillen Oceaan.

“In de vijftig jaren,” zei hij eens, toen hij zich op verzoek van zijn vrienden in herinneringen verdiepte, “zonden wij tarwemeel van Constitucion naar Australië, en als onze schepen terugkeerden, brachten ze betaling in goudstof en muntspecie,” De heer Williamson woonde in Chili, toen groote fortuinen plotseling met de exploitatie der mijnen werden gemaakt, en zijn schepen brachten menigen armen drommel naar Copiapo en Iquique, die er in weinige jaren rijk werd. Kolonel North, de nitraatkoning, had de gelegenheid, waardoor hij zijn grooten rijkdom verwierf, te danken aan een vrijkaartje voor een reis met een van Mr. Williamson’s schepen. Jaren daarna, toen kolonel North millionnair was geworden door zijn welgeslaagde ondernemingen in de Tarapacamijnen, bezocht hij zijn weldoener, om hem nog eens te danken voor die indertijd bewezen gunst.

Het groote aantal Engelschen onder de rijke kooplieden is oorzaak, dat er te Valparaiso zeer veel Engelsch wordt gesproken. Het komt maar zelden voor, dat iemand in een gezelschap die taal niet verstaat. In alle scholen wordt Engelsch onderwezen, en er zijn buiten de spaansche een aantal geheel engelsche scholen.

Elke nationaliteit is intusschen vertegenwoordigd in de clubs van Valparaiso, Engelschen, Duitschers, Franschen, Spanjaarden en Italianen. Vooral de politieke clubs zijn zeer werkzaam, en in den tijd der verkiezingen is aller belangstelling levendig. Dan is er geen dorp, zoo klein of onbeduidend, of het heeft zijn politieke vereeniging. Vrouwenclubs heeft Chili ook, maar in het politiek tournooi spelen de chileensche vrouwen nog slechts een onbeduidende rol. In den salon en in de arbeiderswoning dringen nog slechts weinig vrouwen op gelijkheid van rechten met den man aan. Zij zeggen waarschijnlijk, dat ze liever de meerderen willen blijven, dat ze er niets tegen hebben de superior sex te zijn.

Valparaiso heeft een groote beurs, zeven nationale banken en drie buitenlandsche. De stad is het handelsmiddenpunt van Chili en staat door een netwerk van telegraaflijnen, particuliere en door den staat geëxploiteerde, met alle steden van Chili in gemeenschap. De verbazend drukke zaken tusschen Valparaiso en Santiago hebben verscheiden particuliere telefoonlijnen in ’t leven geroepen, daar alle groote [155] huizen van Valparaiso afdeelingen hebben in Santiago en vice versa. Onderzeesche kabels verbinden de stad met de geheele wereld. De verschillende stoomvaartmaatschappijen, die de steden van Zuid-Amerika’s westkust aandoen, hebben hun hoofdkwartieren in Valparaiso. Als het Panamakanaal eens gereed zal wezen, hoopt men op nog snelleren vooruitgang voor den handel der westkust van Zuid-Amerika, al zijn er pessimisten, die zich de verliezen door den achteruitgang van ’t verkeer om Kaap Hoorn als vrij ernstig voorstellen.

Als de warme zomerzon het plaveisel van de stad gloeiend maakt, en in de mooie parken de boomen en bloemen onder een stoflaag rusten, verlaten de welvarende Chilenen de stad, om aan het strand of in de bergen verkwikking te zoeken. Chili heeft zijn Trouville in het schilderachtig stadje Vina del Mar. Ofschoon het zoo ver verwijderd is van de fashionable centra van West-Europa, weerkaatst het badplaatsje toch de laatste modes in kleeding en gebruiken even trouw als welke europeesche badplaats ook.

De dames zijn keurig gekleed, en dikwijls in parijsche toiletten, voor het Vina del Mar-seizoen besteld. Men geniet in de mooie omgeving, waar groene guirlanden zich slingeren om kleine, groene huisjes en om de stammen van de boomen in de schaduwrijke straten. De lanen hebben druk bebloemde randen en aan het strand der zee worden de rotsen beschuimd en bespat, tot ze fonkelen in een glorie van diamanten. De kleuren van den regenboog zijn ’s avonds alle weer te vinden in ’t gordijn van ’t Westen, waar de zon zich achter ter ruste begeeft; in één woord Vina del Mar is een gezegend plekje gronds.

Het ligt op slechts vijf mijlen afstands van Valparaiso, op het punt waar de baai, zich verwijdend, overgaat in den Oceaan, zoodat het gedeeltelijk beschut is voor de open zee en toch het volle genot heeft van den zeewind. ’t Riviertje, de Quilpué, op welks zuidelijken oever Vina del Mar ligt, bereikt er de zee, terwijl de lage bergen er, in een halven kring geschaard, op neerzien. De straten loopen evenwijdig aan het riviertje en worden verfraaid door veel boomen; een plein vormt het midden van de stad, en eigenaardig genoeg verrijst aan dat plein niet alleen een kerk, maar staat er ook het spoorwegstation met een promenade ervoor langs. Het is de gewoonte in Vina del Mar, zoowel als aan de meeste spoorwegstations van Midden-Chili, dat de jongelui een half uur vóór de aankomst der avondtreinen aan ’t station samenkomen en op het perron heen en weer wandelen. Heele gezinnen nemen dikwijls aan die wandelingen deel, en er zijn evenveel ouden van dagen als jongen bij de groepen, die er slenteren en pratend en lachend zich amuseeren. Als de trein binnenkomt, wordt het tooneel met welkomstgroeten en afscheidswoorden nog verlevendigd. In kleine stadjes heeft dat stationsbezoek bepaald een sociale beteekenis; de mooiste japonnen worden vertoond en de gezelligheid, ook de babbelzucht, viert er hoogtij.

Vina del Mar is niet altijd het pretstadje geweest, dat het nu is, en nog niet zoo heel veel jaren geleden is het tot een afzonderlijke gemeente verheven. Tijdens de eerste dagen na de spaansche verovering was het alleen belangrijk als monding van de Rio de las Minas, de Mijnrivier, nu Quilpué geheeten, die de streek der groote Malga-Malgamijnen besproeide, waaruit zij met een rijken oogst aan goud te voorschijn kwam. De tooneelen, die toen het meest in Vina del Mar werden afgespeeld, waren dikwijls gruwelijk, want de slavernij heerschte in barbaarschen vorm, en de zweep werd ijverig gebruikt, als middel om ’t gezag te handhaven, terwijl elke insubordinatie met een wreeden dood gestraft werd. Wel groot verschil dus met het heden, dat van rust en van levensgenot een beeld geeft.

Toch was de plaats toen een belangrijk bezit, en Pedro de Valdivia, Chili’s veroveraar, beschouwde de toewijzing als een zeer te waardeeren gift, toen hij de rechten en titels van eigenaars schonk aan twee van zijn grootste veldheeren en intiemste vrienden, Don Juan Jufré, eerste alcalde van Santiago, en Don Francisco de Riveros. De traditie schrijft aan den zoon van Riveros de eer toe, den wijngaard te hebben geplant, die den naam aan ’t stadje heeft geschonken, “wijngaard der zee”.

De grond, waarop de jonge de Riveros zijn druiven plantte en waar het deel van Juan Jufré bij werd gevoegd, nadat hij het van de weduwe van zijn vaders deelgenoot gekocht had, werd met groote zorg bebouwd en was weldra een kostbaar bezit. Na den dood van de Riveros kwam hij in handen van de Jezuiëtenzendelingen, toen het hoofd der Valparaiso-zendelingen hem in 1690 kocht. De Jezuiëten bleven er eigenaars van, tot hun orde uit alle spaansche bezittingen in 1767 verbannen werd.

Na hun vertrek werd de bezitting bij openbaren verkoop verdeeld in verschillende kleinere deelen, waaruit zich langzamerhand een stadje ontwikkelde. Een familie van naam, de Carrera’s, bezaten de hacienda van Vina del Mar in de eerste jaren van de 19de eeuw, en zij was toen het tooneel van veel vroolijk en luidruchtig leven. De admiraal Cochrane bezocht met zijn vrouw dikwijls het mooie landgoed, als zij in Chili vertoefden, en zij waren zeer gehecht aan de beminnelijke familie, die uit drie zoons en zeven dochters bestond. In de dagen van den onafhankelijkheidsoorlog was dit patriottisch gezinde huis punt van samenkomst voor de vrijheidsvrienden, en veel plannen van groote politieke beteekenis werden vastgesteld te midden der vonken van geest en vernuft, die op de mooie zomeravonden in dit lustverblijf de hoogte ingingen.

Al vroeg was Vina del Mar bekend om zijn producten van landbouw en veeteelt en door de voordeelen, die het trok uit de nabijheid van Valparaiso. Doch eerst bij de inwijding van den spoorweg tusschen Valparaiso en Santiago in 1855 begon men de stad te zien in het licht van schoone mogelijkheden, en niet vóór 1874, toen de voornaamste eigenaars van den grond Senor Don José Francisco Vergara en zijn vrouw den grond afstonden voor de uitbreiding der stad naar een systematisch plan van straten en openbare gebouwen, werd Vina del Mar een bloeiende en vooruitgaande gemeente.

In de laatste dertig jaren is die vooruitgang geregeld blijven vorderen, dank zij de voortvarendheid [156] van het bestuur der stad, en zoo is het de populaire badplaats van thans geworden, met breede, rechte straten en schaduwrijke lanen, waar allerlei liefelijks te zien is, en keurige villa’s in tuinen vol bloemen geschaard staan.


Jonge dame uit Valparaiso.

De prachtige villa van Senora Dona Blanca Vergara de Errazuriz, dochter van Don Jozé Francisco Vergara en een der schoonste vrouwen uit Chili, ligt bijzonder mooi aan den voet van den cerro; het landgoed heet Quinta Vergana en is zeer uitgestrekt. Prachtige grasvelden en bloemvelden worden door fonteinen besproeid, en schaduwrijke lanen voeren naar donkere boschplekjes, terwijl tegen den heuvel op veel paden kronkelen, omzoomd door een rijke bloemenpracht en leidend naar een uitzichtspunt, waar men den ganschen omtrek en de stad met de baai overziet. De weelderig ingerichte woning, een der rijkste uit Chili, heeft veel interessante gasten geherbergd, en de vreemdelingen van beteekenis, die Chili bezochten, waren er meestal genoodigden. Toen de hertog der Abruzzen in 1903 in Chili was, werd er te zijner eer een groot bal gegeven door Senora Dona Blanca Vergara de Errazuriz.

Veel families uit Santiago en Valparaiso hebben zich elegante zomerwoningen in Vina del Mar laten bouwen, en de gezochtheid der plaats neemt telken jare toe. Het is de gewone zomerresidentie van het diplomatieke corps, en bijna alle hooge staatsambtenaren houden er verblijf gedurende de maanden, waarin de zetel der regeering naar Valparaiso is overgebracht.

De wedrennen vormen steeds een groote aantrekkelijkheid. Zij worden op een groot veld, de Cancha, even buiten de stad gehouden en de toevloed van gasten is dan verbazend. De sportclub van Valparaiso heeft bij die gelegenheden de leiding; zij organiseert de voorjaarsraces in October en November, de herfstrennen in Februari. Geen renbaan ter wereld heeft haar tribunes mooier ingericht met bloemen en klimplanten, en als de uitgaande wereld zich er in haar volle glorie en pracht van toiletten vertoont, krijgt men een onvergetelijk schouwspel te zien.


Vina del Mar.

Na de wedrennen gaat de genotzoekende menigte naar het strand, en een stroom van equipages begeeft zich zeewaarts. Van zes tot zeven uur des avonds gaat ieder van het zonnig strand genieten, en dikwijls blijft men in zijn rijtuig zitten, dat tot dicht aan zee mag rijden. Muziek geeft in dat uurtje afwisseling en dient tot verlevendiging van het tooneel. Men is voornemens, den rijweg langs het strand te verbreeden, om er een corso van te maken; de ruimte tusschen de heuvels en de zee is nu te klein.

Als men zoo langs de playa of het strand rijdt, wordt men getroffen door de groote rotsen, die bijna loodrecht oprijzen en door de blokken van allerlei vorm en grootte, die als in zee zijn gestrooid. Het is altijd het buitenleven, dat men te Vina del Mar geniet, deftige uitgangen zijn er weinig te doen, en de menschen, die gasten zien, geven aan de feesten liefst een zoo weinig mogelijk vormelijk karakter. Golf en lawntennis worden druk beoefend op de Cancha. Het beste seizoen daarvoor is Januari en Februari, ook voetbal is er dan populair en internationale wedstrijden van voetbal en cricket zijn er dikwijls gehouden, waaraan ook de club uit Buenos Aires deelnam.

Midden in ’t seizoen is alles vol en druk in Vina del Mar; de hôtels hebben evenmin ruimte meer als de particuliere woningen en de menigte is steeds talrijk op Cancha, strand en bij ’t lawntennisveld. Het Grand Hôtel, het ideale zomerhôtel, mag men wel zeggen, heeft een sierlijk park, groote tuinen en de uitlokkendste gelegenheid voor tuinpartijen. Ook na het seizoen keert Vina del Mar niet tot stilte en eenzaamheid terug, want als voorstad van Valparaiso heeft het zijn aandeel aan de levendigheid van die handelsplaats. Er ontbreekt alleen een mooie, breede verbindingsweg tusschen beide steden, maar daartoe moeten de rotsen van den cerro springen; zij dringen te ver naar voren naar de zee en zijn tot nu toe een beletsel geweest voor den aanleg van een der schoonste strandpromenades. [157]

Vreemdelingen, die lang genoeg in Chili hebben gewoond, om goed bekend te raken met het land en de menschen, zijn eenstemmig van oordeel, dat de aangenaamste huizen niet in de hoofdstad of in een der andere steden worden gevonden, maar op de groote hacienda’s of plantages, gelegen in de centrale vallei.

De mooiste huizen in Santiago zijn op enkele uitzonderingen na slechts tijdelijke woningen voor de eigenaars, die er verblijf houden, zoolang het uitgaande leven duurt, dus van Mei tot October, wanneer zij er kostbare partijen geven en zich in de opera en bij de races vertoonen, om zoodra de schouwburgen gesloten zijn en de hoofstad haar vroolijkheid begint te verliezen, te vluchten naar den echten hogar of huiselijken haard, op de hacienda, met haar breede lanen en grasvelden, waar het leven zoo genoegelijk is, dat de stad met haar drukke straten en talrijke sociale verplichtingen den rijke een noodzakelijk kwaad moet schijnen.


Strand te Vina del Mar.

De landelijke bezittingen van de rijke chileensche families zijn soms zeer uitgestrekt; er behooren boerderijen bij en bosschen, die een rijke bron van inkomsten leveren, en voor den aesthetischen en sportlievenden smaak wordt gezorgd door bloem- en vruchtentuinen, mooie boschhoekjes, velden voor croquet en lawntennis. Iets eigenaardigs bij die hacienda’s van ’t centrale dal zijn de randen van populieren, waar binnen ze veelal besloten zijn. Er zijn millioenen populieren in Chili, en op sommige der grootste hacienda’s staan ze in dubbele rijen en vormen mooie, schaduwrijke lanen. Het effect, van uit den spoorweg gezien, is alleraardigst, vrij wat aantrekkelijker dan de heiningen van prikkeldraad, die u van de farms in Noord-Amerika dreigend aanstaren. De chileensche eigenaar heeft echter soms ook zijn draadversperring aangebracht, maar dan tegelijk met de populierenlaan, zoodat het nuttige en het aangename samengaan. De landwegen langs den voet der Cordillera’s zijn bijna alle met populieren beplant, en men kan zich geen prettiger uitspanning denken dan een rit te paard door die schaduwrijke lanen.


Jonge dame uit Vina del Mar.

Een typische chileensche hacienda, in uitgestrektheid zoowel als in den aard harer ontwikkeling, is die van Santa Ana te Graneros, bezitting van Senor Don Gregorio Donoso, die er den naam aan gaf van zijn vrouw Anna Foster. Senora Donoso is de dochter van een Amerikaan, den heer Julio M. Foster, die een halve eeuw lang in Chili heeft gewoond en die er trotsch op is, dat zijn schoonzoon op de hacienda de allernieuwste en beste verbeteringen heeft aangebracht. Hij is zeer bemind bij het chileensche volk, trouwde een dame uit Chili en heeft talrijke kinderen en kleinkinderen. Hij houdt van het buitenleven en is nooit gelukkiger dan wanneer hij logeert op de hacienda van Senor Donoso.

Een bezoek aan dit mooie verblijf is een gebeurtenis, die men niet vergeet. Na twee uur rijdens van Santiago zuidwaarts door een uitstekend bebouwde en vruchtbare streek bereikt men het station Graneros, waar een break den bezoeker afhaalt, die dan langs een fraaien, met populieren omzoomden landweg en door het fraaie park van de plaats vóór het bordes van het huis wordt gebracht.

Het huis is een modern landhuis, omgeven door veranda’s en overal een prachtig uitzicht biedend. Maar wat het meest hier treft, is het moderne karakter van alle onderdeelen der landbouwonderneming. De verscheidenheid van producten, die er verbouwd worden, is verrassend. Meer dan twee duizend acres (1 HA. = 2.45 [158] acre) is de Santa-Ana-hacienda groot en men zou een halven dag werk hebben, als men om het landgoed heen wilde wandelen. Van het huis rijdt een tram over een smal spoor ongeveer drie mijlen lang door een breede laan van italiaansche populieren, midden door de bezitting loopend en een mooi uitzicht biedend op de velden links en rechts. Van het spoorlijntje gaan zijtakken naar de verschillende velden, om het transport der producten te vergemakkelijken, en het loopt uit op den oever van een rivier, die door de bezitting vloeit.

De tram of spoor sluit aan bij de staatsspoor en zoo is zij een middel, om de producten der farm naar de plaats van inscheping te brengen. Zij vervoert bovendien de arbeiders ’s avonds en ’s morgens naar hun werk, aldus een uur uitwinnend op den tijd van elken werkman. De tram bedient de voornaamste onderdeelen van het groote landbouwbedrijf. Daartoe behoort bij voorbeeld een groote molen; de stallen zijn keurig ingericht; één heeft o.a. ruimte voor voedering en stalling van veertienhonderd stuks vee.

De silo voor de bewaring van het wintervoêr moet de grootste ter wereld zijn; zij is twintig voet breed, twaalf voet diep en driehonderd-vijftig voet lang. Buiten schapen, varkens en kippen worden op deze hacienda 3000 stuks vee gehouden.

De melkerij is een der belangwekkendste onderdeelen. Zij is gevestigd in een schuur, die ruimte biedt voor duizend koeien. Daar wordt gemolken, en de melkkannen worden door de trams meegenomen naar de boter- en kaasfabrieken, waar het altijd druk en levendig toegaat. Ten behoeve der fabriek is er een ijsmachine, die dagelijks twee tonnen ijs levert, een voldoend bedrag voor de behoeften der hacienda en nog in den zomer voor de liefhebbers uit de stad en de hospitalen aldaar.

De talrijke gebouwen en velerlei reparaties, die telkens noodig zijn, leggen beslag op den arbeid van een timmerwinkel, een houtzaagmolen, en overal waar er machines in gebruik zijn, worden die door electriciteit gedreven. De elektriciteit wordt verkregen door waterkracht op twee mijlen afstands. Ook het huis wordt electrisch verlicht.

Bij feestelijke gelegenheden maakt het prachtige landhuis den indruk van een stadspaleis in een schitterend verlicht park. De vreemdeling, die op school heeft geleerd, dat Chili op sociaal gebied nog weinig beteekent, vindt het bijna ongeloofelijk, dat een boerderij, mijlen ver het land in, zooveel moderne gemakken en nieuwerwetsche vindingen toepast. Senor Donoso is voornemens, de geheele hacienda electrisch te verlichten, zoodat het boerenwerk, zoo noodig, onafgebroken dag en nacht kan voortgaan. Al de gebouwen zijn op dit oogenblik reeds voorzien van geleidingen, zoodat men de electriciteit er kan brengen, als het verlangd wordt.

Melken geschiedt bij electrisch licht en het is belangwekkend op te merken, hoe systematisch alles wordt verricht. Besproeiïng en bemesting van den grond hebben plaats met de grootste zorg en volgens de allernieuwste opvattingen, in de landbouwwetenschap bereikt. Uit alles blijken des eigenaars groote gaven voor den landbouw en zijn helder inzicht in de vooruitzichten, die zulk een hacienda biedt en die in geen ander bedrijf te bereiken zijn.

De pachters, zes en vijftig in getal, hebben het uitstekend; hun huizen zijn geriefelijk ingericht met een acre tuingrond erbij, terwijl buitendien ieder pachter nog twee-en-een-halve acre jaarlijks in gebruik krijgt, om voor eigen gebruik groenten te telen, waarbij de patroon, Senor Donoso, hun gereedschap en paarden ter leen geeft.

De eigenaar is niet altijd heereboer geweest, hij heeft gestudeerd aan de universiteit, verwierf den meesterstitel en is civiel-ingenieur; eenigen tijd is hij minister geweest, maar hij geeft aan het landelijke leven de voorkeur boven een politieke loopbaan en is nooit gelukkiger, dan als hij mag experimenteeren met de nieuwste vindingen in landbouwwerktuigen of de moderne ideeën over cultuur en grondbewerking.

Het landgoed Santa Ana gelijkt zooveel op andere van denzelfden aard, dat een beschrijving een juist algemeen denkbeeld geeft van het leven en werken op een typische chileensche hacienda. Niet alle dagen worden er bij harden arbeid gesleten, en er valt nog wel een andere geschiedenis van te vertellen, dan alleen die van materiëelen voorspoed. In die gelukkige landhuizen kan men tooneelen bijwonen van vroolijkheid en zorgelooze uitgelatenheid, die veel hartelijker gemeend worden opgevoerd dan eenig vermaak of wat ervoor doorgaat in de overvolle deftige salons der stad.

Het mooie landgoed Lo Aguila, dat dichtbij het spoorwegstation van Hospital gelegen is, verwierf zich naam door de prettige partijen, die er van tijd tot tijd uit verren omtrek de menschen samenbrengen. De hacienda van Senor Letelier te Aculeo is een der meest gezegende uit het oogpunt van landschappelijk schoon, en alles is er zoo goed ingericht, dat men haar wel eens de modelhoeve van Chili noemt.

Het is gebruik onder de families van deze landgoederen, samen uitstapjes te paard te maken, dikwijls om van de eene hacienda aan de andere een bezoek te brengen, en menigmaal kan men een vroolijke cavalcade de hekken der plantages zien binnenrijden. De kleeding der heeren heeft iets eigenaardigs; zij dragen namelijk buiten een manta of shawl van heldere kleur, die aan zoo’n gezelschap een levendig aanzien geeft.

Die manta is een echt chileensch kleedingstuk, kleiner en zwaarder dan de poncho uit Argentinië, en in den regel niet van franjes voorzien, zooals de reeds genoemde poncho, maar geboord met lint van een andere kleur. Enkele manta’s worden gemaakt van ongeverfde vigognewol van de vicuna-lama, gesponnen tot een draad, die bijzonder fijn en toch sterk is; andere zijn geweven in vele kleuren met strepen van rood, blauw en geel.

De manta heeft geen naden; er is in ’t midden een opening in voor het hoofd, en het kleedingstuk kan aan den hals nog worden bevestigd met knoopen, ofschoon het meestal zoo gedragen wordt, als het over het hoofd is aangetrokken met een open gedeelte aan den hals.

Vele der manta’s zijn waterdicht, en ze moeten [159] bij het rijden bijzonder gemakkelijk zijn. De administrateur van een groote hacienda kan vaak zijn menschen op grooten afstand aan hun manta’s onderscheiden. Op enkele hacienda’s is het de gewoonte, dat de administrateur op Zondagmorgen de hoofden der verschillende afdeelingen bij elkaâr roept, om hun het noodzakelijke werk voor de volgende week aan te wijzen en ook om nota te nemen van klachten of gewenschte veranderingen of eenige zaak, die met de routine der groote onderneming verband houdt. Nadat aan dien plicht is voldaan, zijn de employé’s vrij en kunnen het overige van den dag doorbrengen, zooals zij willen.

De feestelijkheden van een vrijen dag worden op een hacienda bijna altijd opgeluisterd door den geliefden dans, de Zamacueca. Het groote aantal landgoederen in Centraal Chili van dezen aard bewijst wel, dat de Chileen zijn bronnen van geluk liefst zoekt in de natuur, en het pleit voor het nationale karakter, dat zooveel menschen het buitenleven aantrekkelijk en aangenaam vinden en het grootste deel van het jaar liever op hun landgoed zijn dan in hun huis in de stad.

De streek rondom Santiago, vooral zuidwaarts langs de spoorlijn, die de hoofdstad met Concepcion verbindt, vertoont overal van die mooie landhuizen op waardevolle gronden. Graneros is het spoorwegstation voor vele hacienda’s, gelijkend op die van Senor Gregorio Donoso, en er zijn vele andere in de buurt der tusschenliggende stations, Hospital, Buin, Linderos, Guindos, Nos en San Bernardo.

Het is gewoonte, aan elke hacienda een eigen naam te geven: de omgeving wordt veelal bij dien naam genoemd, eerder dan bij den naam van het spoorwegstation of de nabijgelegen stad. Lo Hermida, het mooie huis van Senor Don Belisario Espinola; Santa Ines, het eigendom van Senor Don Salvador Izquierde; San Isidro, het landgoed van de familie van Senora Dona Maria Luisa Mac-clure de Edwarts; en hacienda Limache, waar Senora Dona Sofia Cox de Eastman haar uitgebreide gronden heeft, zijn namen, die even goed bekend zijn als de meest gewone adressen in de hoofdstad. Hacienda Limache wordt bestuurd door de zoons van Senora Eastman en onderscheidt zich door een melkerij met toebehooren, zoo groot als er geen andere in Chili is, waar alle moderne vindingen worden toegepast, en die dan ook voor een groot deel in de behoeften der stad Valparaiso voorziet.

Die melkerij is een onderneming van Senor Don Tomas Eastman, die een kantoor in Valparaiso heeft met depôts, van waar dagelijks bijna twee duizend gallons melk worden afgeleverd. Het tooneel, dat die hacienda in den vroegen morgen aanbiedt, is bijzonder levendig. Van twee tot zes uur wordt er bij kunstlicht gemolken, en daarna wordt de melk in kannen per spoor vervoerd naar Valparaiso op dertig mijlen afstands, om er door een staf van beambten te worden in ontvangst genomen, die de melk wegen en in de wagentjes en kannen voor de aflevering gereed maken.

Ook boter maakt men op die hacienda, maar melk is hoofdzaak, omdat het gebleken is, dat voor farms dichtbij een dichtbevolkte plaats de melkleverantie het meeste voordeel oplevert. De onderneming neemt nog steeds in bloei toe, en Senor Eastman denkt zijn zaken uit te breiden door de hacienda’s San Isidro en El Cajon de San Pedro, die hij gekocht heeft, ook op dezelfde wijze te exploiteeren. Het is opmerkelijk, dat zooveel rijke menschen in Chili ernstig hun aandacht wijden aan de ontwikkeling van hun landgoederen, en het jongere geslacht vertoont minder neiging tot geldverteren door weelderig buitenlands te leven, dan het geval is in andere landen, waar het geld gemakkelijk is verdiend en van vader op zoon is overgegaan. Senor Tomas Eastman, ofschoon een jongmensch van rijkdom en aanzienlijke familie, die, zoo hij wilde, een leven van nietsdoen en amusement kon leiden, is een der energiekste werkers en tracht niet enkel zijn eigen goederen te verbeteren, maar ook den standaard van landbouw en veeteelt in Chili in ’t algemeen te verheffen.

Bijna elke hacienda heeft haar specialiteit. Op de eene is het de teelt van graangewassen; op een andere de melkerij, en weer op een andere de teelt van mooie koeien en paarden. Op de hacienda’s van Ucuquer en La Pena in de provincie Quillota richtte men in 1879 een farm in voor de productie van Durhamsch vee. De resultaten waren zoo gunstig, dat de tegenwoordige eigenaar van deze bezittingen, Senor Don Carlos Hopfenblatt, aan de verschillende hacienda’s van het land jaarlijks honderden mooie dieren levert, en er bestaat geen enkele reden, om in het buitenland voortaan echt Durhamsch vee te koopen.

Van geheel anderen aard is de specialiteit der zeer uitgestrekte hacienda Santa Ines te Nos, eenige mijlen ten zuiden van Santiago aan den spoorweg. De bezoekers van dit prachtige landgoed stappen uit den trein; een particuliere tram, die bij de hacienda Santa Ines behoort, wacht, om hen naar hun bestemming te brengen op vele mijlen afstands. De tram rijdt door een streek vol afwisseling, langs weiden en langs het riviertje, dat het landgoed van water voorziet; dan door zware lanen van populieren tot vlak bij den ingang van het huis, waar een breede veranda, omhangen met wilden wingerd, aan ideale rust doet denken. Overal valt het oog op groote, hooge boomen, mooie struiken en velerhande bloemen. Door lanen van ceders en dennen brengt men u naar den kweektuin, waar duizenden jonge plantjes staan, gereed om vervoerd te worden, zoodra ze groot genoeg zijn voor de markt. Tuinbouw is hier hoofdzaak en op Santa Ines van Senor Don Salvador Izquierdo wordt groote aandacht gewijd aan wat de wetenschap daaromtrent leert. De hier gekweekte chrysanthemums zijn buitengewoon groot, en men kan er bijna elke bestaande variëteit bewonderen. Rozen, anjelieren, violieren groeien er in overvloed en van de edelste variëteiten.

Het drogen van vruchten is een industrie, die in Chili steeds in omvang toeneemt, en ofschoon in elke streek de methode weer verschilt, toch bewijzen de resultaten, dat het een winstgevende bron van inkomsten is. Op de hacienda’s in het Elqui-dal worden druiven, perziken en andere vruchten machinaal gedroogd, en in het centrale dal, waar de zomers [160] heet en regenloos zijn, worden de vruchten in de zon behandeld en verliezen daardoor haar vochtgehalte.


Zondagsmorgenreunie der Hacienda-chefs.

Het leven is druk op een chileensche hacienda, maar het heeft groote bekoring en aantrekkelijkheid, waartoe het heerlijke klimaat niet weinig meewerkt. De chileensche landheer is een toonbeeld van athletische mannelijkheid; hij rijdt veel paard en zou die sport niet kunnen ontberen. Dikwijls hebben jachtpartijen plaats, die soms een week duren en die in het Andesgebergte, nog ten deele ongeëxploreerd terrein, iets zeer opwekkends hebben. Vaak vergeet men het wild, om de streek zelve te onderzoeken. In het laatst van 1904 ging een jachtgezelschap in de hoogere deelen van de Andesketen een expeditie ondernemen. Men kwam van een der hacienda’s bij Santiago, en na allerlei stoute klimpartijen en ongewone avonturen ontdekte een deel van het gezelschap een meer van twintig mijlen in omtrek; dertien duizend voet ongeveer hoog gelegen, een meer, waar geen enkel aardrijkskundig werk melding van maakt, en dat zich in den krater van een uitgedoofde vulkaan scheen te bevinden. Er was veel wild, ganzen en eenden in overvloed; ook zag men er flamingo’s. Een der heeren nam verscheiden photografieën van de plek, en toen de expeditie huiswaarts keerde, had zij de voldoening van den gelukkigen jager, gevoegd bij die van den met succes werkenden ontdekker.


Het dansen der Cueca.

Op vele der hacienda’s kan men in de riviertjes en meertjes heerlijk visschen en bootje varen; groote zwembassins met moderne geriefelijkheden zijn voor het gebruik der familie ingericht en verschaffen de prettigste gelegenheid voor een koele onderdompeling.

Veel oude spaansche namen treft men aan onder die der eigenaars van hacienda’s, maar eveneens komen buitenlanders er op voor, met name vrij wat Engelschen. Een der rijkste hacienda-bezitsters, Senora Dona Juana Ross de Edwards is de dochter van engelsche ouders. Haar goederen zijn enorm winstgevend; maar een groot deel der opbrengst wordt voor liefdadige doeleinden besteed. Een familie Swinburne, nauw verwant met den engelschen dichter van dien naam, heeft al drie geslachten lang in Chili gewoond, meestal op de hacienda.

Een leger van arbeiders is op zulk een landgoed werkzaam. De administrateur leidt de geheele inrichting, en onder hem staan capataces of opzichters, die toezicht houden op de gewone landarbeiders. De guaso uit Chili is een type, dat veel gelijkt op den gaucho uit Argentinië en den cowboy van Noord-Amerika. De werklieden leven zeer eenvoudig; mote of gekookte maïs is hun hoofdvoedsel; maar op feestdagen nemen zij hun kans waar. Vooral de verjaardag van den patroon wordt luisterrijk gevierd.

Wie van het buitenleven houdt, ziet op zoo’n hacienda een aardige vereeniging van winstgevend werk en gezond levensgenot, en het is onmogelijk, zich een juist denkbeeld te maken van het chileensche volkskarakter, zonder de Chilenen te zien in de meest representatieve van alle chileensche woningen, de hacienda.

De Aarde en haar Volken, Jaargang 1906 - Full Text (Door Oost-Perzie)

No comments:

Post a Comment