Monday, March 5, 2012

De Aarde en haar Volken, Jaargang 1906 - Full Text (Een kijkje op de Tentoonstelling te Milaan)

Een kijkje op de Tentoonstelling te Milaan


De hoofdingang van de tentoonstelling te Milaan.

Settimana di gloria!—Wie had vóór eenige weken, toen de geweldenaar aan de golf van Napels dood en verschrikking bracht over het land; toen de Natuur, die Italië zoo mild heeft bedacht, die er zoo veel in schoonheid heeft hersteld en geheeld, wat door den Tijd was getroffen, met wreede hand in weinige uren in een woestenij verkeerde de velden en gaarden die de menschen door jarenlangen noesten arbeid in het zweet huns aanschijns tot vruchtbare landouwen hadden weten te maken; toen 1906 óók voor Italië een rampjaar dreigde te worden,... wie had toen durven denken, dat zóó kort daarop in datzelfde land een week van glorie zou aanbreken als inzet van een jubelfeest ter eere van de overwinning van den mensch op de natuur!?

Maar Italië is altijd het land van scherpe contrasten en snelle overgangen geweest, en geen natie ter wereld die zich zoo spoedig over leed en ellende heenzet als dit lachende volk onder zijn lachenden hemel!

En zóó kwam het, dat, terwijl in het zuiden van het land de nood- en doodsklokken nog luidden en rouwwaden werden gespreid in kerken en huizen, in het noorden al weêr de beiaard jubelklanken deed trillen door de lucht en het rood-wit-groen met het witte kruis van Savoye werd ontplooid ten teeken van nationale vreugde.

Ginds de mensch stil, nietig, verslagen, machteloos tegenover de vreeselijke, ontembare werking der natuurkrachten; hier de trotsche overwinnaar, zich van zijn genie en heerschappij over de stof bewust, met bazuingeschal de gansche wereld toegalmend: Milano a nome d’Italia chiama le genti [210] a le pacifiche gare del lavore; “Milaan roept in naam van Italië de volkeren op tot den vreedzamen wedstrijd van den arbeid”.

Wèl mocht Milaan die eer voor zich opeischen!

Want meer dan in eenige andere stad van Italië treden in deze metropolis de mensch en das Gebild der Menschenhand op den voorgrond. En altijd zal den reiziger die van over de Alpen Italië binnenkomt treffen de tegenstelling tusschen de gewijde stilte en de majesteit van het hooggebergte, waar de Natuur heerschappij voert en de wufte, wereldsche drukte, inhaerent aan den eeredienst van den mensch, in de stad, waar alle groote volkerenstraten, die Noord en Zuid verbinden, hun eindpunt vinden.

In Milaan klopt het hart van het herboren Italië; noemde Plinius de stad, waarover Cicero, de groote redenaar, eens als stedehouder regeerde, reeds “het nieuwe Athene”, thans mag zij de geestelijke en zedelijke hoofdstad van Italië genoemd worden. Na de overwinning der Fransch-Piëmontsche wapenen op de Oostenrijkers bij Magenta in 1859—vereeuwigd in het prachtige ruiterstandbeeld op het reusachtige Domplein, een der schoonste van Europa, dat Victor Emanuel II voorstelt midden in het gevecht, zijn paard inhoudend om bevelen uit te deelen—heeft de stad, bevrijd van het vreemde juk, zich snel ontwikkeld tot een centrum van handel en nijverheid.

Milaan is de werkstad van Italië; drie machtige bondgenooten hebben haar daarbij geholpen om de positie te veroveren, die zij thans onder de eerste steden van het Apenijnsche schiereiland inneemt. Deze “triple alliantie” bestaat uit: het verstand, de werkzaamheid en het geluk.

Aan die drie elementen dankt Milaan zijn enorme uitbreiding en zijn toenemende welvaart.

De stad telt nu meer dan een half millioen inwoners en is het middelpunt van het intellectueele en artistieke leven van dit begaafde volk; de verzamelplaats van tal van zangers, toonkunstenaars en tooneelspelers uit alle landen der wereld; hier is de markt voor impressario’s en operadirecties. Maar boven alles verheugt zich de industrie hier in hoogen bloei. Milaan is het middelpunt van de Lombardijsche zijdeweverijen, die haar grondstof te danken hebben aan de duizenden moerbeiboomen in deze vruchtbaarste laagvlakte van Europa met wier bladeren de zijdewormen zich voeden. Ook fluweel, tapijten, papier en gummi vormen hier belangrijke export-artikelen, terwijl uitgevers als de gebr. Treves en de firma Sonzogno een Europeesche vermaardheid genieten.

Moet men niet toegeven dat alle omstandigheden Milaan hebben voorbeschikt om binnen zijn muren (in letterlijken zin, want de oude wallen met hun trotsche poorten zijn, schoon tot lommerrijke plantsoenen aangelegd, nog in stand gehouden), temidden van zijn eeuwenoude palazza’s, zijn indrukwekkende baselieken en prachtige monumenten, en in de schaduw van zijn machtigen Dom—kostelijkste nalatenschap van de christelijke kunst!—de eerste internationale tentoonstelling aan deze zijde der Alpen te herbergen?...

Trouwens, de aanleiding tot het houden der tentoonstelling knoopt zich onmiddellijk vast aan de commercieele belangen van Milaan.

In 1881 opende het, onder de auspiciën van den beminden Umberto I, de nationale tentoonstelling ter viering van de voltooiing van het reuzenwerk van den St. Gotthard-tunnel en thans, na 25 jaren, is het op nieuw het tooneel van een uitgebreider en grootscher feest van den arbeid, met medewerking van de bevriende natiën tot stand gebracht, ter eere van de opening van den nog belangrijker Simplon-tunnel.

Naast de steden van West-Zwitserland (vooral Genève) zal Milaan toch de meeste vruchten plukken van de totstandkoming van dezen tweeden tunnel tusschen Zwitserland en Italië, want het groote vervoer langs dezen nieuwen en hoogst noodigen verkeersweg, die het spoorwegtraject Parijs–Milaan b.v. met 83 K.M. zal verkorten, zal ten slotte op Milaan uitloopen, zoo goed als het de terminus is van het enorm-drukke vervoer langs den St. Gotthard-spoorweg van alles wat via Basel-Luzern naar het zuiden stroomt.

Het feest van den Simplontunnel mag dan ook het feest van de stad Milaan genoemd worden, maar tevens jubelt Italië, dat van den nieuwen verkeersweg een belangrijke uitbreiding zijner handelsbetrekkingen, vooral met Frankrijk, verwacht, daarmeê ten aanhoore van heel de wereld uit zijn vooruitgang en zijn bloei, zijn gevoel van verjongd leven, zijn geloof in de toekomst onder de bezielende leuze: Sempre avanti l’Italia!



Het tentoonstellingsplan dateert eigenlijk reeds van 1901. De werken van den Simplontunnel, in Augustus 1898 aangevangen, zouden in 5 jaar gereedkomen, dus in begin 1904. Voor een goede voorbereiding was men dan ook niets te vroeg. De ondernemers van den tunnelbouw—omtrent welk werk indertijd een geïllustreerde beschrijving in deze kolommen is opgenomen—de heeren Brand, Brandon en Co., hebben echter met reusachtige moeilijkheden te worstelen gehad, waardoor de arbeid telkens werd vertraagd en de opening herhaaldelijk moest worden uitgesteld.

Het tentoonstellingsplan ondervond daarvan den terugslag en zoo werd het daarmee een ware lijdensgeschiedenis, die het, zoo al niet verschoonbaar, dan toch verklaarbaar maakt, dat er allengs een stadium van verslapping aanbrak, dat zich, toen de solemneele ure naderde, begon te wreken in eindelooze verwarring en hopeloozen achterstand. De uitbarsting van den Vesuvius werd aangegrepen als een welkom voorwendsel om de opening nog een 8 dagen uit te stellen, maar eindelijk begrepen de Italiaansche leiders toch, dat zij er met een: ”Fortuna, e dormi!”, “heb geluk en slaap maar!” niet komen zouden. En zoo zag ik, in die dagen van de barensweeën der tentoonstelling reeds hier aanwezig, bevestigd wat een landgenoot, die hier reeds jaren woont en het volkskarakter uitnemend kent, mij voorspeld had: “In de laatste dagen, als ’t er op aankomt, zult gij de Italianen wonderen zien doen.”

Inderdaad, toen de dag der plechtige opening dáár was, scheen het of goede feeën in de stilte en de [211] duisternis van den nacht rondgezweefd hadden over de terreinen en met tooverstaven in het leven hadden geroepen, wat luierende werklieden die liever in het zonnetje lagen te slapen en soldaten die wel onder tucht werkten maar wier handen verkeerd stonden voor dezen ongewonen arbeid, maar niet klaar konden krijgen, al stonden de commissieleden er ook handenwringend bij.

Het Uitvoerend Comité mocht van geluk spreken, dat het zóó ... den schijn wist te redden!

Trouwens, de kunst om het uiterlijk op te houden verstaan de Italianen uitnemend!

En wie zou niet gaarne veel vergeven aan een volk, dat, bij al zijn gebreken, zoo nauw verband houdend met zijn aard en opvoeding, aan den anderen kant zulke voortreffelijke eigenschappen toont!?...

Want te ontkennen valt het niet dat de tentoonstelling, zooals zij zich daar nu voordoet, getuigt van het scheppingsgenie en den hoog-ontwikkelden smaak der Italianen.

Zoowel in uitgebreidheid als in conceptie maakt de tentoonstelling een grootschen indruk. Indien men voor haar een ligging had kunnen vinden, zoo schilderachtig als de oevers van de Seine in Parijs en van de Maas in Luik, dan ware het panorama van deze tooverstad, marmerwit als het Lipara, dat Couperus’ kunstenaarsoog zag, onder Italië’s diepblauwen hemelkoepel met de intense lichtschittering van de zuidelijke zon onvergelijkelijk heerlijk geweest.

Het oorspronkelijk tentoonstellingsplan omvatte alleen het transportwezen: spoorwegen, scheepvaart, rijwielen en automobielen, luchtballons enz. Maar als gewoonlijk groeide het spoedig den ontwerpers boven het hoofd en kreeg het een omvang als men nimmer had vermoed of bedoeld. Decoratieve kunst, schilder- en beeldhouwkunst, kunstnijverheid, landbouw en vischteelt, telegrafie en telefonie, hygiëne, coöperatie en verzekeringswezen, dat alles werd in het definitieve plan opgenomen, welks uitvoering ruim 12 millioen lire heeft gekost. En naast die permanente tentoonstelling zullen nog tijdelijke tentoonstellingen gedurende de zomermaanden worden gehouden van voedingsmiddelen, chemische en pharmaceutisehe producten, fotografie, muziek-instrumenten, jachtwapenen enz.

Het eenige, wat deze internationale tentoonstelling dan nu ook onderscheidt van een wereld-tentoonstelling, dat is haar niet algemeen karakter; de groot-industrie bv. is tot veler teleurstelling buitengesloten, daar slechts machines van een beperkt aantal paardenkrachten in gebruik bij de kunstnijverheid mochten ingezonden worden, terwijl in eenige afdeelingen, o.a. in die van schilder- en beeldhouwkunst, geen internationale mededinging is toegelaten, een maatregel die de beteekenis dezer sectie niet heeft verhoogd.

In uitgestrektheid doet de Milaansche tentoonstelling echter niet onder voor die van Luik en Düsseldorf, welke wereldtentoonstellingen werden genoemd; zij heeft een grootte van 980,000 M2, terwijl de overdekte hallen tezamen een oppervlakte beslaan van 245,000 M2, verdeeld over 125 groote gebouwen en kleinere paviljoenen.

Teneinde den lezers eenigszins een maatstaf ter vergelijking te geven, wil ik er hier aan herinneren, dat de Luiksche wereldtentoonstelling van 1905 een terrein van 11 H.A. besloeg met een overdekte ruimte van 110,000 M2; het aantal gebouwen en paviljoenen bedroeg in Luik 98.

In een stad, geheel in de vlakte gelegen en met oude vestingmuren omringd, viel het niet gemakkelijk voor een zóó groote tentoonstelling een geschikt terrein te vinden. De ruimte van het binnen de enceinte gelegen Park bood nauwelijks een derde van de oppervlakte die men noodig had. De aandacht viel toen op het buiten de bastions gelegen exercitieterrein van Milaan’s groote garnizoen, de Piazza d’Armi, maar ook dit was nog te klein. Toen kwamen de ingenieurs op het lumineuze denkbeeld om de beide terreinen, door een nieuwe stadswijk van niet geringen omvang van elkander gescheiden, in gebruik te nemen en ze onderling te verbinden door een electrischen spoorweg over een viaduct, bijna lijnrecht loopend van het midden van het eene naar dat van het andere.

Met medewerking van de militaire en burgerlijke autoriteiten slaagde dit plan volkomen. En daaraan is het nu te danken, dat de hoofdingang van de tentoonstelling op nog geen 20 minuten afstands van het centrum der stad is gelegen.

Wanneer men van het Cordusioplein, waar het monumentale Beursgebouw en het paleis van de “Algemeene Verzekerings-Maatschappij” in elliptischen vorm rondgebouwd zijn, en dat vlak achter de noordwestelijke zijde van het Domplein, het centrum der oude stad, gelegen is, de Via Dante ingaat, een der breedste en fraaiste hoofdstraten van Milaan, dan ziet men aan het einde daarvan op het Foro Bonaparte, dat een halven cirkel vormt, recht voor zich het beroemde en indrukwekkende Castello Sforzesca met zijn massieve torens en heerlijke versieringen van Leonardo da Vinci en Bramante, de voormalige woonplaats der Visconti’s, meermalen in den loop der eeuwen verwoest en weer opgebouwd, telkens weer verwaarloosd maar nu weer bijna geheel gerestaureerd tot een grootsch historisch monument en inwendig ingericht tot archeologisch en kunst-museum, verrijzen. Door de hoofdpoort, de Torre del Filarete, het Castello binnentredende en recht overstekende door den eersten en tweeden binnenhof (Piazza d’Armi en Corte Ducale) bereikt men door de tegenoverliggende poort aan de achterzijde het fraai aangelegde Parco, dat geheel beheerscht wordt door den ver op den achtergrond verrijzenden triomfboog met zijn mooie bas-reliefs, de Arco della Pace, oorspronkelijk bestemd om de heldendaden van Napoleon te eeren, maar later gewijd aan een herdenking van de nederlagen van den grooten Keizer, die bekroond wordt door het wonder-mooie werk van den beeldhouwer Sangiorgio, in brons gegoten door de gebroeders Manfredini en voorstellende de godin des vredes staande op haar met zes vurige paarden bespannen zegekar.

In dit park, begrensd door die beide monumenten en omringd door een voornaam kwartier van patricische huizen en villa’s, ligt, schuilgaande grootendeels onder donkere cypressen en ander zwaar geboomte, het eene gedeelte der tentoonstelling en [212] vandaar leidt de electrische spoorweg naar het grootere terrein, dat ruim 20 minuten loopens verder is gelegen.

Links van het Castello, aan het einde van het breede Foro Bonaparte, ligt de hoofdingang der tentoonstelling, een architectonisch goed gelukt bouwwerk, waarvan onze foto een duidelijk beeld geeft.

In dit ranke bouwwerk met zijn zuilengalerij, zijn sprekende versieringen en beelden, hebben de architecten—aan wier hoofd de bekwame Besana staat—veel vergoed van het gemis van een monumentaal hoofdgebouw en een panorama over heel de tentoonstelling. Toch ligt de beteekenis van deze rijke façade die ’s avonds met duizenden gloeilampjes wordt verlicht meer in de beide Simplontunnels, waarvan zij de omlijsting vormt.


De arbeid in den tunnel. Groep van den beeldhouwer Butti.

Aardiger clou ware voor deze tentoonstelling wel niet uit te vinden geweest dan de bezoekers te doen binnengaan door een tunnel, waarmeê op bedriegelijke wijze de Simplontunnel nagebootst is. Dat is dan ook de groote attractie, het nieuwe en wonderbare. Het is dan ook aardig gedaan; de illusie is volkomen. Men schuift het zwarte gordijn even op zij en treedt de onbekende duisternis in; in de verte gloeien kleine lichtjes tegen den van kristallen glinsterenden rotswand; bij hun zwak schijnsel ziet men op den bodem de vage evenwijdige lijnen van de rails. Men hoort het gekletter van water en het snorren en stampen van machines. Het zijn de boormachine en de luchtververschingsinstallatie die hier in werking worden getoond. Door nauwe zijgangen, waarin men de scherven van rotsblokken onder de voeten hoort kraken, komt men in den tweeden tunnel, evenwijdig aan den eersten loopende, die, evenals in de werkelijkheid, met den eersten halverwege een punt van samenkomst heeft. In dezen tweeden tunnel heeft men kans gezien op vernuftige wijze duidelijk te maken, hoeveel last men bij den bouw gehad heeft met het van boven door de aderen in den bergwand doorsijpelende water, dat menigmaal de gangen blank zette. Uit den rotswand springt hier met geweldige kracht het heldere water van den bergstroom dat bruisend en schuimspattend zich neerstort temidden van de rotsblokken, juist zooals men dat in het hooggebergte ziet.

Men behoeft thans niet naar Iselle te reizen om zich een begrip te kunnen vormen van het grootsche werk, dat daar is geschied en welks voltooiing hier wordt gevierd. De kunst van nabootsen tracht de wezenlijke techniek in haar hooge vlucht te achterhalen. Alles toch is zoo natuurgetrouw, dat men werkelijk meent in het hart van de Hoog-Alpen te verkeeren.

Tusschen de beide tunnelingangen heeft de gevierde beeldhouwer Butti een beeldengroep aangebracht, die den moeizamen tunnel-arbeid voorstelt. Een mooi afgietsel in brons van deze sprekende groep is door het Uitvoerend Comité aan Z.M. den Koning als een aandenken aan de plechtige opening aangeboden. [213]

De beide tunnelpoorten worden bekroond door een eleganten toren, dragende een Mercurius-beeld, en welks versieringen de beteekenis van het werk des vredes, door de samenwerking van Zwitserland en Italië tot stand gebracht, symboliseeren.

Aan weerszijden van den hoofdingang sluiten langwerpige vleugels zich aan dit smaakvolle bouwwerk aan. Rechts is de afdeeling “Visscherij”, waarin Duitschland schitterend voor den dag is gekomen, ondergebracht, waarbij zich weer aansluit een zeer interessant aquarium; links vindt men een reeks van ineenloopende zalen, waar bijeengebracht is een hoogst belangwekkende verzameling oudheidkundige voorwerpen die betrekking hebben op het transportwezen te water en te land. Aan de medewerking zoowel van het Quirinaal als van het Vaticaan is het te danken, dat het een waar genot is deze retrospectieve afdeeling te doorwandelen, waaraan bovendien prof. Fumagalli door een methodische groepeering zekere wetenschappelijke waarde gegeven heeft. Men vindt er zoowel de draagstoel van Leopold II, Groot-hertog van Toscane als de staatsiekaros waarmee Paus Pius VII in 1814 zijn intocht hield in Modena; de berlina met koperen paneelen, rijk met zilver beslagen, van Ferdinand II van Bourbon (Corte di Napoli: 1839) als de rijk-gebeeldhouwde gala-koets, die gediend heeft in den begrafenisstoet van Victor Emanuel II in 1878 bij de overbrenging van het stoffelijk overschot van het Quirinaal naar het Panthéon; vergulde kardinaalskarossen en met acht paarden bespannen trouwkoetsen met beschilderde paneelen en van binnen met satijn bekleed van het Huis van Savoye.


De groote feestzaal.

Niet minder de moeite waard zijn de modellen van oude schepen; o.a. van de galjoen, waarmeê Maria de Medici in 1600 van Livorno naar Frankrijk is gevaren.

Ook het “voorheen en thans” op het gebied van de rijwielen wordt in een apart zaaltje vrij volledig te zien gegeven, terwijl de Italiaansche Posterijen en de Duitsche Rijkspost een belangrijke historische inzending hebben samengebracht, bestaande in modellen van oude postkoetsen, uniformen, gereedschappen, documenten enz.

Men kan gerust zeggen, dat deze afdeeling tot de best-geslaagde van de tentoonstelling behoort.

Na deze uitstapjes rechts en links van den hoofdingang gaan we nu het Park in, waarvan de aanleg getuigt van den smaak der Milaneesche tuinbouwkundigen; frisch en fleurig ziet er alles uit en de breed-uitgespreide waaierpalmen en bloeiende camelia’s zouden wij wel zoo naar ons land willen meênemen! De stoomwals heeft de breede wegen geëffend, waarin de zware vrachtwagens diepe voren hadden getrokken; aan den rechterkant krijgen we nu de voornaamste tentoonstellingsgebouwen in het oog; zij rijzen geen [214] van alle hoog op tusschen het geboomte en hun hagelwitte kleur zal bij den fellen Italiaanschen zonnebrand verblindend zijn voor de oogen, al helpt zij de hitte buiten de zalen houden, maar overigens ... wat een superieuren smaak hebben de Italiaansche architecten getoond bij het ontwerpen dezer paleizen en paviljoenen! Schoon ook hier in hoofdzaak het onduurzaam tentoonstellingsmateriaal slechts dienst kon doen, wint Milaan het in dit opzicht verre van Luik en Düsseldorf en wordt Parijs van 1900 naar de kroon gestoken.

De liefde voor de schoone klassieke vormen was hier de leidstar van mannen als Besana, Bongi en Locati, meestere in hun vak. Hier wordt men herinnerd aan het Parthenon met zijn zuilen en bogen, daar aan Romeinsche thermen; ginds aan de Byzantijnsche bouwkunst, elders weer aan het Arabische Alhambra. Aan de Italiaansche en Fransche renaissance wordt recht gedaan; kortom, de historische architectuur viert hier hoogtij! En toch, hoe frisch, hoe oorspronkelijk bleven de ontwerpers daarbij; hoe gelukkig wisten zij in bouworde en versieringen uitdrukking te geven aan de bestemming van de verschillende gebouwen! Zeker, dat alles is klein tegenover dien machtigen kolossus, den Dom, dien de christelijke kunst, als een prediking in marmer, midden in deze stad heeft gebouwd; en te druk tegenover den stroeven ernst der middeleeuwsche kunst die spreekt uit de palazza’s, welke de eeuwen hier hebben nagelaten en die thans de omlijsting vormen van deze onwezenlijke droomstad, waar alles klatergoud en namaak is en die straks weer zal verdwijnen, even spoedig als zij gekomen is.

Maar ... wie ontkomt aan de machtige bekoring die van dit alles uitgaat!? Die mengeling van architectuur en sculptuur, zij is een weelde voor het oog en spreekt tot de verbeelding van oorden, waar de schoonheid godheid is, waar het ideaal triumfeert in marmerwit en kronegoud!

Van het beeldhouwwerk gesproken: Al heeft de Italiaansche plastiek de schoone traditiën van het verleden niet weten hoog te houden, men mocht toch bij deze gelegenheid van de beeldhouwers in het land van Michel Angelo en Canova iets goeds verwachten.

In qualiteit hebben zij dan ook niet teleurgesteld, maar in de quantiteit hadden zij meer matiging kunnen betrachten. Overlading schaadt overal, zelfs op een tentoonstelling. Alle Olympische goden zijn er aan te pas gekomen. Het is of men een concurrentie heeft willen ondernemen met de permanente beelden-uitstalling op het beroemde, maar mij en velen, die onder een andere dan de zuidelijke zon zijn geboren, weinig sympathieke Campo Santo.

Maar zonder nu alles op gezag mooi te vinden, alleen omdat het van kunstenaars als Butti en Brivio, die op dit oogenblik in de gunst staan, afkomstig is, moet ik toch erkennen, dat er kracht en realiteit zit in menig beeld en in meer dan één groep.

Ga natuurlijk zoo’n compositiebeeld niet van nabij bekijken, dan is alle illusie weg! Maar een tentoonstelling hangt nu eenmaal van bedriegelijk decoratief aan elkaar. En niemand zal aan zoo’n Victoria of Mercurius, die straks op een electrisch verlicht voetstuk zullen staan, hooge kunsteischen stellen!

Het is al veel waard, wanneer het gevoel niet wordt gekwetst door groven wansmaak of jammerlijke banaliteit. En daartegen hebben de artistieke en technische leiders der tentoonstelling met veel zorg gewaakt. Binnen die grenzen heeft men echter het eigen initiatief zooveel mogelijk vrijheid gelaten en zoo is er tusschen al die groote paleizen en paviljoenen een aardige afwisseling van Zwitsersche châlets, Schwartzwalder huisjes; Oostersche kiosken enz. Telkens wordt het oog weer geboeid door iets eigens en karakteristieks. Hoe jammer, dat ook Nederland, als te St.-Louis, niet met iets eigens, met een pittigen oud-hollandschen trapjesgevel bv., is kunnen komen! Maar de Milaneesche aannemers vroegen fabelachtige prijzen en de middelen waren gering. Nu heeft het Nederlandsch comité zich tevreden moeten stellen met 800 M2 in de gemengde afdeeling der decoratieve kunst, waar het Japan tot buurman heeft, en 200 M2 elders voor op zichzelf staande inzendingen als die van den baggermolen-fabrikant Smulders uit Schiedam. Het is nu maar te hopen, dat het inwendige (de versiering is bij den heer Kromhout uit Amsterdam zeker in goede handen) en de inzendingen goed zullen maken wat aan het uiterlijk ontbreekt. Maar daarvoor is nog wat geduld noodig. Niet vóór half Juni zal de Nederlandsche afdeeling geopend kunnen worden. Met dit wat achteraf gelegen gebouw schenen de heeren van de bouw-commissie het minste haast te hebben. En toen de gedelegeerde commissaris van Nederland herhaaldelijk aandrong op meer spoed, wijzende op het ergerlijk luieren der Italiaansche werklieden, die, als ’t koud is, zich rond een houtvuurtje gaan warmen en als ’t warm is, in ’t zonnetje liggen te slapen, antwoordde men zoo philosophisch-laconiek als Italianen dat alleen kunnen: “Laat dan Nederlandsche werklieden komen om het gebouw af te maken. Zwitserland heeft ook eigen werklieden ontboden!”

Biedt een tentoonstelling kans van welslagen, al geeft ze ook nog zooveel interessants te zien, waar de leiders dergelijke luchthartige opvattingen koesteren?... De vertegenwoordigers van het buitenland, die ervaring hebben op dit gebied twijfelen er wel eens aan. Maar de Italianen zijn onverbeterlijke optimisten; zij kloppen de mopperaars gemoedelijk op den schouder en zeggen glimlachend: ”Al levar della tende si vedra”, of te wel: als de boel weer afgebroken wordt, zal alles je duidelijk zijn. Een troost!?...

Wij zijn nu in de groote middenlaan van het Park, die dit gedeelte der toonstelling in twee groepen scheidt: rechts wetenschap en kunst; links de vermakelijkheden. Even wippen we binnen in het gebouw der “Schoone Kunsten”. Dat was inwendig het eerst gereed omdat de Koning er doorheen wandelen zou op den openingsdag. Een openbaring is deze zuiver-nationale afdeeling niet; ook zijn vele doeken verkeerd of veel te sterk belicht. Er is in ’t algemeen te veel gelegenheidswerk zoowel van schilders als beeldhouwers.

Eén zaal is geheel gereserveerd voor de productieve familie Ciardi, bestaande uit vader en twee zoons, die 32 werken heeft ingezonden, een andere zaal bevat alleen 28 stukken van den grooten Venetiaanschen [215] meester, Ettore Tito. Ook Carcano heeft een zaal voor zich, terwijl Carlandi, bekend door zijn fijne zeegezichten, 84 aquarellen heeft ingezonden.

Onder het beeldhouwwerk is meer knappe copie dan oorspronkelijk werk. De Unione artisti romani leverde hier het leeuwendeel, o.a. een reusachtige groep van Lazio.

Het paleis van de Belle Arti bestaat uit twee vleugels in hoefijzervorm die samenkomen in een koepelvormige zaal. In deze feestzaal, waarvan wij een reproductie geven, had de plechtige opening der tentoonstelling plaats. Jammer genoeg mochten er toen geen photografische opnamen worden gemaakt—een maatregel die als vele andere verband hield met de veiligheid van den Vorst. Want toen langs alle lijnen electrische lichtjes fonkelden, ook in de lauwerkransen door de engelenfiguurtjes omhoog gehouden, en heel de zaal bezet met schitterende uniformen en galagewaden, waartusschen de bekoorlijkste damestoiletten in teere kleuren,—allen omringend de met bloemenguirlandes versierde estrade, waarop de Vorstelijke stoet had plaats genomen—toen bood dat geheel een betooverend gezicht, hoe weinig indrukwekkend de ceremonie ook overigens was, die onder een geestdriftige ovatie aan het Koninklijk Paar eindigde met een symbolische opening van de tentoonstelling door Koningin Elene, die een rood lint losmaakte, dat de estrade had afgesloten van den uitgang.

Uit den rechtervleugel de feestzaal binnengekomen treden wij nu door den hoofdingang, door zinrijke beeldengroepen geflankeerd, weer naar buiten. Aan de overzijde van de breede allée zien wij, verscholen in het frissche groen, drie kleine gebouwen liggen, evenveel verschillend van stijl als van bestemming; voornaam en mooi is de façade van het kleine paleis der stad Milaan, in Italiaansche renaissancestijl gebouwd, waarin het gemeentebestuur, dat een ruim aandeel genomen heeft in de totstandkoming der tentoonstelling en bij feestelijke gelegenheden de honneurs tegenover de gasten uit den vreemde waarneemt, een volledig overzicht geeft van de inrichting zijner model-bedrijven en van het vele wat Milaan doet op het gebied van onderwijs, armenzorg, hygiène en volkswelvaart. Zij die ook om iets te leeren de tentoonstelling bezoeken zullen hier een nuttig uurtje kunnen vertoeven in deze rustige omgeving.

Van een heel ander karakter is het Zwitsersche paviljoen dat natuurlijk van wege “de onverbrekelijke vriendschapsbanden” op deze tentoonstelling een eereplaats kreeg.

Het is een echt Zwitsersch châlet, in wit rood en bruin geschilderd hout met balcons en een luifeldak en pittig torentje; een juweeltje van dien karakteristieken bouwstijl van het Alpenland. “Een bescheiden huisje” noemde de Zwitsersche commissaris-generaal Siemen het, toen hij er uit naam van de Bondsregeering den Koning van Italië begroette, maar de jonge Vorst die zijn oogen altijd goed den kost geeft had het bij het rechte eind, toen hij den bescheiden Zwitser warme hulde bracht voor dat smaakvol paviljoen, een sieraad van de tentoonstelling.

Natuurlijk is de inhoud van het gebouw grootendeels gewijd aan de werken van St. Gotthard en Simplon, gesymboliseerd in een groot fresco in den voorgevel, en de vermaarde Zwitsersche kunstnijverheid.

Een honderd schreden verder ligt op een heuveltje, gelijk in hoogte aan de viaduct, het Park-station van den electrischen spoorweg, ook een aardig, luchtig gebouwtje, waaraan veel zorg is besteed.

Vóór wij uitstappen echter nog even een kijkje genomen aan het uiterste einde van het Park bij den Vredesboog in het complex van gebouwen, dat gewijd is aan een der belangrijkste afdeelingen van de tentoonstelling: de versieringskunst; het zijn eigenlijk twee reeksen van gebouwen, door binnenhoven met zuilengalerijen, aardige beelden en fonteintjes, onderling met elkaâr in gemeenschap, gescheiden door een smal laantje; het is hier, dat ook Nederland zijn beste beentje voor zal zetten. Maar de strijd zal zwaar zijn. Op dit oogenblik zijn de gebouwen nog nauwelijks onder dak en is de chaotische toestand nergens zoo wanhopig als hier in dit hoekje; van étaleeren kan dus nog geen sprake zijn. Maar de ingenieur die hier de leiding heeft, de heer Gatti-Casazza, weet schitterende dingen van deze afdeeling te vertellen. Na de welgeslaagde proefneming in Turijn met de tentoonstelling van versieringskunst in 1902 zal Italië hier nu eens met 500 van zijn eerste architecten en artisten (grootendeels uit Lombardije) uitkomen; een ruimte van maar eventjes 12000 M2 heeft het daarvoor noodig; Hongarije, dat in de laatste jaren een reusachtige vlucht nam op het gebied der kunstnijverheid, zal 3500 M2 innemen; Engeland 1000; Zwitserland, Japan en Nederland elk 800; Duitschland 500; Turkije 350 en Noorwegen 100. Nederland maakt dus quantitatief geen slecht figuur. Jammer echter, dat onze eerste firma’s op dit gebied geen lust tot deelneming gevoelden.

Frankrijk, Oostenrijk, Rusland en België hebben ook hun afdeeling versieringskunst ondergebracht in hun eigen gebouwen op de Piazza d’Armi. Ofschoon de Commissie van toelating lang niet gemakkelijk is geweest, hebben de aanbiedingen zóó de verwachting overtroffen, dat zij heeft moeten laten varen het denkbeeld om ook een retrospectieve tentoonstelling van de ontwikkeling der toegepaste kunst in den loop der eeuwen te geven. Een eereplaats zal echter gegeven worden aan den vrouwenarbeid, waarvan, onder de auspiciën van de Hertogin Maria Anna Visconti di Modrone Gropallo, presidente van het damescomité, evenals te Luik, veel belangwekkends zal te zien gegeven worden.

Een zware taak wacht de jury maar ook een aangename, want de Koning heeft een eereprijs van 10,000 lire uitgeloofd voor de fraaiste “complete moderne inrichting”.

Aan den anderen kant van het park, nog een groote uitgestrektheid met mooie gazons en waterpartijen, zetelt het Vermaak. Daar kan men een reis naar het hooge noorden maken en zich verbeelden op de ijsberenjacht te zijn, of de geneugten smaken van een montagne russe; daar kan men zich in aardige bars en kiosken door gebronsde zuidelijke schoonen met uitdagende, donkere oogen champagne [216] en vruchtenijs laten bedienen; daar kan men voor een halve lire heel Tyrol of het Berner Oberland doorreizen onder ’t genot van Münchener Hofbräu, Chianti of Capri, Marsala of Vermouth van fratelli Cora; daar kan men ’s avonds tusschen de donkere cypressen in den maneschijn zitten mijmeren bij “American drinks”, zoo echt als in de eerste Broadway-bars; daar kan men zich van een helling in een bootje met duizelingwekkende vaart in een meer laten storten of, wanneer men ’t op dit ondermaansche te benauwd krijgt, hoog in de lucht rondvliegen in een Aëroplan en in jolige pret lachen om dat Castello en dien Dom die daar zoo eigenwijs en roerloos staan te droomen midden in dat wereldsche, lawaaierige Milaan; daar klinken muziek en zang; daar raakt men de zilverstukjes kwijt....


Het Zwitsersche paviljoen.

Daar mist men alleen Lucas Bols of Wynand Fockink, anders trouwe comparanten op groote tentoonstellingen, die hier met een “Oude Schiedammer” en een jonge Zeeuwsche boerendeern toch zeker al even veel succes zouden hebben als overal elders in de wereld.



Maar het wordt tijd, dat wij het Park verlaten en naar de Piazza d’Armi trekken, waar wij in vogelvlucht hebben te overzien veel dat nog niet àf is en heel weinig dat wèl gereed is. Konden wij maar werkelijk in een luchtballon er over heen zweven! Dan liepen we geen kans overreden te worden door zwaargeladen goederentreinen en in dolle vaart rondsnorrende auto’s, die voor de snelle verplaatsing van comité-leden zorgen als zij lastige reclamanten uit de voeten willen blijven.

Het electrische treintje, comfortabel ingericht—een voorbeeld voor de directie der Italiaansche spoorwegen die, sedert de staatsexploitatie in vollen gang is, nog niet veel gedaan heeft om het spoorwegverkeer uit zijn achterlijkheid te verlossen—brengt ons, hoog over straten en lanen en pleinen, over de ranke en sierlijke viaduct in een paar minuten daar.

Ook deze terminus doet ons kennismaken met een aardig, rustiek station met bloemperken en heesters omgeven; ruim, ongevaarlijk en met zacht-glooiende op- en afgangen. De maatschappij die dat goedkoope lijntje van 5 cent per rit exploiteert heeft eer van haar werk en succes; het aantal abonnés loopt al in de tienduizenden.

Recht voor ons ligt in het midden van het vierkante terrein, dat een omtrek heeft van ruim drie kwartier loopen en doorsneden is van lange rechte lanen, waartusschen nu de vakken tot weelderig plantsoen met rotsen en vijvertjes, fonteinen en bloembedden zijn aangelegd, het groote paleis van het “Transport te water” met den reusachtigen vuurtoren op natuurlijke grootte, die ’s avonds een intens licht over tentoonstelling en stad verspreidt, op den voorgrond. Handelsvloot en passagiersschepen worden in deze afdeeling wel erg op den achtergrond gedrongen door de Marine, die toch eigenlijk slechts in verwijderd verband staat met “transport te water.” Maar hiermeê kon Italië meer geuren dan met zijn scheepvaart, die niet sterk vooruitgaat, hoewel, na de jongste Marine-rapporten, deze tentoonstelling van model-materiaal een bitter bijsmaakje voor de Italianen heeft gekregen.

Ook het buitenland heeft in deze afdeeling acte de présence gegeven. Krupp en Armstrong vervullen u hier met bewondering voor hun werken maar ook met een tikje wrevel; die onheilspellende kanonnen storen de vredes-gedachten, die de ideëele achtergrond vormen van dit jubelfeest van den arbeid, waar de natiën komen getuigen van hun grootheid en hun kracht ... in de werken der beschaving en des vredes.

Enkele modellen van Oceanflyers, van moderne luxe-schepen, van reusachtige vrachtbooten, zeesleepbooten en baggermolens gaan hier bijna verloren voor ’t oog tusschen de vernielingswerktuigen, torpedobooten, torpedo’s, pantsertorens enz.

Trouwens, hier en daar verspreid over het terrein vindt men nog onderdeelen van deze sectie. Zoo heeft de groote Italiaansche Stoomvaart-Maatschappij, die ook de dagelijksche diensten tusschen het vasteland en Sicilië verzorgt, haar eigen, kranig gebouw en is er een zeer bezienswaardige inzending van motorvaartuigen, elegante gondeltjes, waarmeê men lust zou gevoelen zich te laten voortglijden over de smaragden golfjes van de Zwitsersche en Italiaansche bergmeren. [217]


Het paleis van Frankrijk’s decoratieve kunst.

Links van “Marine” ligt het grootste tentoonstellingspaleis, de “Galerij van den Arbeid”, een complex van reusachtige hallen met drie koepelvormige ingangen. In de voornaamste daarvan was een prachtig plaatsje gereserveerd voor een inzending van de Amsterdamsche diamantindustrie, waarop men aanvankelijk scheen te mogen rekenen. Jammer, want die zou hier furore gemaakt hebben! Over de inzendingen in deze afdeeling valt nog zoo goed als niets te zeggen; behalve een paar mooie kleurendrukpersen en een reusachtige rotatiepers, waarop een tentoonstellingsuitgave van het grootste dagblad van Milaan, de uitnemend geredigeerde en snel-ingelichte Corriere della Sera, tot stomme verbazing der toeschouwers wordt gedrukt en gevouwen, staan er slechts rijen van onopengemaakte kisten, waarin de schatten van de machinale kunstnijverheid verborgen zijn. Meer dan een schoone belofte is dit Arbeidspaleis dus nog niet.

Wij naderen nu bekend en bevriend terrein. Een gebouw met frisschen vriendelijken baksteengevel zegt ons terstond, dat wij hier te doen hebben met iets uit gewesten, dichter bij Nederland; het doet zelfs vreemd in deze omgeving van witte paleizen met blauwe koepels en veel verguld. Het verwondert ons dan ook niet uit het dak de Belgische vlag te zien wapperen. Wij zijn thuis; die rustige lijnen van de Vlaamsche renaissance, die symmetrie welke geen oogenblik stijf wordt, zij doen ons Nederlandsch hart goed. Onze naburen zijn hier schitterend voor den dag gekomen, om jaloersch van te worden. Ook de Italianen, die wel eens meenen het monopolie van stijl en smaak te hebben, kunnen hun bewondering niet verbergen.

Inderdaad, dit gebouw—werk van den Brusselschen architect Henry Vaes—is opgericht à la gloire de la patrie, zooals op een gedenksteen in den muur van een der torens is gebeiteld. Maar ... de Belgische regeering, zich dankbaar herinnerend de ruime deelneming van Italië aan de wereldtentoonstelling te Luik, stelde dan ook een bedrag van fr. 300.000 ter beschikking van de commissie van dat land. Met zoo’n sommetje kan men wat beginnen!

Ook de inzendingen der Belgische kunstnijverheid die het gebouw en een daarnaast gelegen hal zullen vullen, beloven het beste te geven wat het nijvere land kan voortbrengen, vooral kant en smedewerk.

Langs de achterzijde van het terrein liggen drie groote gebouwen, die samen één reuzenstation vormen met uitgestrekte overkappingen. [218]

Wij hebben hier te doen met de kern der tentoonstelling, de wortel van de reuzenplant: het spoorwegwezen. Vier landen domineeren hier; Duitschland, Oostenrijk, Hongarije en Italië zelf, dat zeker, al komt het hier met mooie dingen uit, op dit gebied eenige bescheidenheid mag in acht nemen. Reusachtige locomotieven en prachtig-ingerichte slaap- en salonwagens vormen het hoofdbestanddeel dezer afdeeling, terwijl Italië zeer interessante nieuwe uitvindingen op het gebied van seinwezen en veiligheidsinrichtingen in werking te aanschouwen geeft.

Van groot practisch belang voor berglanden zijn o.a. de optische en gehoor-signalen voor tunnels en de nieuwste tandradbaan-locomotieven.

Een zeer sympathieken indruk maakt de iets verder onder hangars geherbergde inzending van het Italiaansche Roode Kruis, waarvan vooral de aandacht verdienen de met veel zorg ingerichte transportwaggons en booten voor gewonden. Ook Duitschland’s Sanitätswesen komt hier schitterend voor den dag met ziekenbarakken, vervoerbare barakken en vriendelijke paviljoentjes.

Van de ziekenverpleging naar de hygiène il n’y a qu’un pas. Hier óók in letterlijken zin. Heerlijk is weer die frontgevel van den architect Bongi, aan het paviljoen, waar Aesculapius’ vriendelijke dochter troont, gegeven. Van het zinnebeeld der gezondheid, de slang, heeft hij bij de versieringen een gelukkig gebruik gemaakt.

Welke schatten Hygieia in haar tempel tentoonspreidt is nog een geheim. Alleen is mij bekend, dat onder de inzenders ook een Nederlander is. Onze consul te Milaan, de ingenieur H.J. Van der Schalk, exposeert er modellen van hygiënisch ingerichte boerenwoningen en veestallen volgens een nieuw systeem.

Uit het gebied waar de godin der gezondheid heerscht, over te gaan naar Caïro is nog al een sprong. De oosterlingen staan gewoonlijk met Hygieia op een gespannen voet. Maar het tentoonstellings-Caïro in miniatuur is nog al onschuldig! ’t Ziet er alles zelfs te onnatuurlijk zindelijk uit, het ruikt er te frisch om de illusie volkomen te doen zijn. Maar aardig is die exotische omgeving voor ons, westerlingen, toch altijd. Hoe verrukkelijk doen die glanzende koepel en die fijne minaret van de Hasinin-moskee tegen het zuidelijk azuur! Hoe schilderachtig zijn die kleine straatjes en de bazar, waar de oosterlingen bezig zijn hun snuisterijen uit te pakken! Nu is ’t nog rustig en leeg hier, maar weldra zal de moslem zijn gebeden prevelen in den toren; zal er vreemdsoortige, lawaaierige muziek klinken bij de Arabische danseres, die de Italianen zal laten genieten van een nerveusen danse du ventre; dan zullen de kooplieden met hun roode fez u met een ”bon marché, monsieur!” naloopen om u hun waren aan te prijzen en bruine jongens op bloote voeten u trachten over te halen om op een witten ezel of een hoogen kameelenrug rond te rijden. En nog lang daarna zal de geur van de rozenolie u herinneren aan die oostersche atmosfeer van de nagebootste Nijlstad hier midden in Lombardije.

Langs Bulgarije, dat zich de weelde van een eigen fraai paviljoen kon veroorloven evenals vorig jaar te Luik, keeren we weer naar Midden- en West-Europa terug. We hebben nu het langwerpige paleis van Frankrijks decoratieve kunst met de 4 smaakvolle ingangen vóór ons liggen. Uitwendig en inwendig viert de Fransche kunst hier weer haar triomfen. Wie kan zich daarmeê meten!? Een glans van voornaamheid ligt over al dat werk.

In een boog om dit gebouw heen liggen drie afdeelingen die, eenmaal gereed, tot de belangrijkste der tentoonstelling zullen behooren. Het zijn: “Automobilisme en Cyclisme”, “Rijtuigfabricage” en “Landbouw”; rococostijl was hier wel de meest aangewezene, maar toch hebben de architecten de bestemming van de gebouwen gelukkig uitgedrukt in attributen, symbolische fresco’s enz.

Over den inhoud valt nog weinig te zeggen; de automobiel-fabricage heeft in Italië groote vlucht genomen en schijnt dan ook kranig te zullen uitkomen, vooral met luxe-auto’s en omnibussen, zooals er hier thans reeds verscheidene in dienst zijn.

De Landbouw beschikt over uitgestrekte hallen van groote wijdte. Juist nu het ideaal van den Koning: “een internationaal Landbouw-instituut te Rome” het eerste stadium van verwezenlijking is ingetreden, wil Italië eens laten zien hoe ver het op dit gebied is. Dat had misschien ook op den weg van Nederland gelegen, maar onze landbouw zal in deze afdeeling slechts vertegenwoordigd worden door een magere inzending van zuivelproducten en ... een Turksche sigarettenfabriek uit Amsterdam. Verkeerde indrukken worden op die wijze wèl bevorderd! Te leeren zal er in deze afdeeling veel zijn, want vooral in Lombardije staat de landbouw op een hoogen trap. De Italiaansche landbouwer is een zorgzaam arbeider; dat kan men, door deze vruchtbare laagvlakte reizende, overal waarnemen.

Wij zijn nu weêr bij het punt van uitgang: het station, teruggekeerd. Overal stilstaan konden wij natuurlijk niet; men zal mij de opsomming van reclame-inzendingen, van azuren grotten en een Afrikaansch dorp, wel willen schenken. Dat alles is schon dagewesen op iedere wereldkermis.

Maar wij mogen toch geen afscheid nemen van de Piazza d’Armi zonder even binnengeloopen te zijn in het mooie, sprekende paviljoen van de latijnsche staten van Zuid-Amerika. Deze staten: Peru, Chili, Uruguay, Guatemala, San Domingo, Brazilië en Argentinië hebben van praktischen zin blijk gegeven. Hoe ook onderling steeds verdeeld, heeft ditmaal een zeker ras-instinct hen er toe gedreven om de handen ineen te slaan tot het verrichten van datgene, waartoe elk op zichzelf niet krachtig genoeg zou zijn. Elke van de regeeringen dezer landsn heeft 6000 francs beschikbaar gesteld voor een collectieve inzending, die er van getuigt, dat men op het zuid-westelijk halfrond nog iets anders verstaat dan staatsgrepen en omwentelingen op touw te zetten.

De in Italië gevestigde consuls van deze staten, aan wie het voornamelijk te danken is, dat Zuid-Amerika hier meer op den voorgrond treedt dan op de laatste wereldtentoonstellingen in Europa, hebben eer van hun werk, zoo goed als de beeldhouwer Laforet, auteur van het standbeeld van Christoforus Columbus in de vestibule van het paviljoen en reeds bekend door het mooie Verdi-monument te Triëst. De 400-jarige sterfdag van den koenen ontdekker van [219] Amerika wordt op 21 Mei bij dat standbeeld plechtig herdacht, o.a. met een redevoering van Edmond de Amicis.


Het Belgisch paviljoen.

Op onzen weg naar den uitgang van het terrein passeeren wij de afdeelingen luchtscheepvaart en meteorologie, die zeker in nauwe betrekking tot elkaar staan, al is het den vernuftigsten en stoutmoedigsten luchtschipper nooit gelukt in letterlijken zin “naar de maan” te gaan. Van tijd tot tijd worden hier op een met tribunes omringd terrein luchtballons opgelaten, zoowel bestuurbare als vrij in het luchtruim zwevende; ook het Duitsche militaire luchtscheepvaartcorps doet daaraan meê met zijn sigaarvormige uitkijkballons; deze zeer vreedzame verkenning van Lombardije vindt bij het publiek wegens de bewonderenswaardige vlugheid en nauwkeurigheid der exercitiën grooten bijval. Geen wonder; de kleine, weinig gespierde Italiaansche officieren en soldaten missen dat stramme en stroeve!



Milaan heeft zijn ”settimana di gloria” gehad! De feesten, waarmede de blijde begroeting van de jong-geborene is gevierd, zijn nu weer voorbij, de Koning en de Koningin naar Rome teruggekeerd; ook de vertegenwoordigers van de buitenlandsche dagbladen en tijdschriften pakken hun koffers; de tentoonstelling wordt verder afgewerkt en Milaan bereidt zich voor op de ontvangst der duizenden vreemdelingen uit het zuiden en van over de Alpen.

Veel reclame in het buitenland maakt het Propaganda-comité van de tentoonstelling niet; het is waarschijnlijk overtuigd, dat de 120 internationale congressen, ingezet met het groote en luidruchtige studentencongres, de automobielen-wedstrijden en gymnastiek-feesten, de wedrennen en andere hippische feesten, de concerten en historische optochten, de vuurwerken en illuminaties, de diner’s en recepties onder de auspiciën van Milaan’s gastvrije en royale vroedschap, genoeg aantrekkingskracht zullen oefenen op de duizenden, die een gelegenheid zoeken om hun zomervacantie aangenaam door te brengen.

“Naar Milaan!” zal het parool zijn van alle toeristen en toeristenbureaux in het komend seizoen.

De lezer make, na mijn indrukken van de eerste levensdagen der tentoonstelling, die ik getracht heb zoo objectief mogelijk weer te geven, gelezen te hebben, voor zichzelf uit of er aanleiding is om aan dat wachtwoord te gehoorzamen ook voor dengene die geen modeslaaf wil zijn.

Maar ik ben er zóó zeker van, dat wie het voorrecht zal hebben deze tentoonstelling in een later stadium van ontwikkeling of wèl, eerlang tot vollen wasdom gekomen, te aanschouwen, hier rijke schatten van leering en genieting zal vergaren, dat ik straks mijn laatsten groet van de toppen der Alpen aan de tegen den horizont vervagende spitsen van den Dom niet zal brengen zonder een: “A rivederci, Milano!

Milaan, Mei 1906.

Een vliegreisje in het Land der Rijzende Zon

Onlangs gaf een mijner collega’s een’ al te enthousiasten aspirant-zeeman den raad: “Als je wat van de wereld wilt zien, ga dan niet naar zee.”

Dit nu klinkt paradoxaal, maar er ligt toch een grond van waarheid in. Weliswaar bezoeken wij vele plaatsen, doch de zeehavens der wereld zijn tot op zekere hoogte allen gelijk.

Eerstens is er altijd een groote categorie van menschen, met wie wij niet in aanraking komen, omdat wij meestal geene introductie hebben. Dan zijn er de kooplui, die, zoowel aan wal als aan boord, den armen zeeman steeds trachten af te zetten, hetgeen hij zich met werkelijk verwonderlijke onverschilligheid laat welgevallen. Verder zijn er de koelie’s, die onder ons toezicht het schip moeten lossen en laden, en evenmin een hoog als een juist denkbeeld geven van het volk waartoe zij behooren. En ten slotte is er de buurt waar de zeeman op de meest ergerlijke wijze wordt geplukt, en die het maar het best is te mijden.


Een Japansche straat.

Bovendien hebben wij vaak weinig tijd en blijft de gelegenheid om aan land iets te zien wat de moeite loont, gewoonlijk beperkt tot des avonds of tot een enkelen vrijen Zondag; juist genoeg om ons te doen wenschen er meer van te kunnen genieten.

Stoomen wij b.v. van Aboji (straat van Simonoseki) naar Kobe door de Binnenzee van Japan, eene reis van één etmaal, dan valt er veel te bewonderen. Het kalme, spiegelgladde water, de honderden groene eilanden en eilandjes, de witte dorpjes, die soms als een vlucht rustende vogels aan den rotswand schijnen te hangen, en ’s avonds het glanzende maanlicht, de blauw-lichtende zee en de ontelbare lichtjes der vreemdsoortig gevormde visschersvaartuigen ... dat alles vormt een bekoorlijk geheel, en wekt in ons het verlangen op, dieper in het onbekende land door te dringen, een verlangen, dat slechts zelden bevredigd wordt en, gevoegd bij de kleine ongemakken, aan ons beroep onvermijdelijk verbonden, een zekere onvoldaanheid teweegbrengt, die aanleiding geeft tot overdreven verzuchtingen. Want hoe vroolijk de zeeman ook aan land moge zijn, aan boord is hij een onverbeterlijke mopperaar.

Slechts aan een geluksvogel, zooals ik was, is het soms gegeven, land en volk beter te leeren kennen.

Ik lag nl. in September j.l. met mijn schip te Kobe. Wij hadden één passagier aan boord, een jongmensch, die voor zijn genoegen een reis met ons meemaakte. Deze wilde eenige dagen in Japan reizen en door de goedheid van den gezagvoerder kreeg ik verlof, met hem mee te gaan. Het schip moest nog naar Yokohama en daarna weer terug naar Kobe. Tot zoolang mocht ik wegblijven.

Door dezen samenloop van omstandigheden ben ik in staat gesteld, mijnen lezers eene beschrijving te geven van mijn reis door Japan, het land, dat door zijn ongekend aanpassingsvermogen de geheele wereld heeft verbaasd en vooral in dezen tijd ieders belangstelling opwekt. Uit den aard der zaak is deze beschrijving vluchtig en onvolkomen; zij maakt volstrekt geen aanspraak op volledigheid, want om een goed denkbeeld te kunnen geven van dit vreemde en unieke land, moet men er veel langer vertoeven.

Wij vertrokken ’s morgens om 8 uur van boord en lieten ons met een bootje naar den wal roeien. Een ambtenaar van de douane visiteerde onze koffers en liet, toen ik mijn kwaliteit bekend maakte, ons met een ongewoon groote hoeveelheid sigaren ongehinderd door.

Kobe is de drukste havenstad van het land en ligt heel mooi tegen de bergen aan. Doch wij konden ons hier niet ophouden, lieten ons per “jinrickisja” naar een kennis brengen, die ons eenige waardevolle inlichtingen verstrekte, en daarna naar het station.

De jinrickisja (letterlijk: man-kracht-rijtuig), kortweg [221] genoemd “ricksja”, is een hoog, tweewielig voertuig, voorzien van een opzetbare kap, dat door een man getrokken wordt met een vrij groote snelheid. Het is het vervoermiddel bij uitnemendheid in Japan, tenminste over niet te groote afstanden, en heeft van hier zijn weg gevonden naar bijna alle plaatsen in Oost-Azië. Wij namen een biljet 1ste klasse naar Tokyo en vertrokken om 10 uur van Kobe.

Het land is over ’t algemeen bergachtig en ziet er vruchtbaar uit. Eigenaardig zijn de vele reclames, op groote borden overal langs den spoorweg geplaatst. Soms zijn het meer dan levensgroote menschenfiguren, dan weer enorme flesschen of theepotten of rijwielen, niet altijd even artistiek, ook ziet men wel hoog tegen de groene bergen geweldig groote, witte Japansche karakters afsteken, die den roem van de eene of andere bier- of theesoort mijlen ver verkondigen. Ten 12.25 verlieten wij te Kyoto den trein. Dat gaat in Japan zeer gemakkelijk: zoo’n biljet is nl. vijf dagen geldig, het te laten afteekenen onnoodig. Ook hebben de reizigers 50 kilo bagage vrij.


Spelende Japanse Meisjes.

Kyoto is een groote stad met ± 350000 inwoners. Bijna elf eeuwen lang was het de hoofdstad van het rijk, totdat in 1869 de zetel der regeering naar Tokyo verlegd werd.

Wij reden, natuurlijk weder per ricksja, de geheele stad door naar het Kyoto-hôtel. Dit is zeer mooi gelegen, en biedt een ruim uitzicht aan over de stad met hare ontelbare, grillig gevormde daken, en met de bergen tot achtergrond.

Na de lunch gingen wij er op uit, om wat van Kyoto te zien. Het eerst naar de Hongan-ji, een Boeddha-tempel.

Het Boeddhisme, in de 6de eeuw uit Voor-Indië via China in Japan ingevoerd, is heden ten dage de meest populaire godsdienst. Het is verdeeld in 12 secten, die tezamen meer dan 70000 tempels bezitten, met 60000 bonzen (priesters).

Een vlucht van drie breede, steenen trappen bracht ons bij den eigenlijken tempel, waaromheen weer kleinere gebouwen zijn, die tezamen eene groote uitgestrektheid beslaan met tuinen er rondom, waarin vijvers, bloemperken, enz. Vóór wij binnengingen, werden ons een paar rood-linnen overschoenen aangetrokken met vervaarlijke punten (zoo ongeveer als de hofnar van Lodewijk XIV moet hebben gehad), en daarna werden we in het binnenste van den tempel toegelaten.

Het daglicht drong slechts getemperd tot hier door en het was er doodstil. Bewonderend keken wij rond. Een altaar, schitterende van goud, zilver, koper en lakwerk in alle kleuren, een prachtige troonhemel voor den opperpriester, groote bronzen stellages met tal van koperen klokjes behangen, vreemdsoortig snij- en lofwerk, nooit geziene muziekinstrumenten ... dat alles bracht ons in verwarring.

Ter zijde van het altaar een groot, koperen beeld [222] van Boeddha, de beenen gekruist onder het lijf en de handen in den schoot met de palmen naar boven en de knokkels tegen elkaar, den indruk gevende van intense, passieve, passielooze rust.

Doch daar werd de stilte verbroken. Een op de hurken zittende bonze sloeg met een stok met dikken knop op een trom van zeer bijzonderen vorm; met dezelfde regelmatigheid als de balans eener machine ging zijn arm op en neer, terwijl hij met eentonige stem uit een voor hem liggend boek half zong, half las. Dof en somber weerklonken de slagen in de hooge gewelven. Wij haalden diep adem toen wij weer buiten kwamen, het contrast was ook zeer groot. Een vroolijk zonnetje scheen, vogels zongen in de boomen en bloemen geurden langs groenomzoomde vijvers, vol dartelende goudvischjes.

In een afzonderlijk gebouw hing een enorme bronzen klok, wegende 60000 kilo’s. Een dikke, horizontale paal, op halver hoogte der klok opgehangen, kan er door middel van een touw tegenaan gerammeid worden. Het geluid moet zeer sterk zijn.

We reden voorts nog door een mooi park en daarna naar het station, teneinde een uitstapje te maken naar Kameoka, een klein plaatsje, een uur sporens van Kyoto gelegen.

De weg was steeds stijgende en we bevonden ons spoedig te midden der bergen. Prachtig was het uitzicht. Langs de spoorlijn stroomde de Hodzu-gawa, een woeste bergstroom, die, vooral waar steenen en rotsblokken zijn weg willen belemmeren, bruisend opstuift en schuimend verder gaat. Achtereenvolgens passeerden we acht tunnels, enkele zeer lang, en een brug over bovengenoemde rivier, die uit een enkele 85 Meter lange spanning bestaat. Ons plan was, van Kameoka met een bootje de Hodzu af te varen, een terecht vermaarde tocht, die geen enkel toerist mag verzuimen.

Om halfzes staken wij van wal in een platboôm-vaartuig, met vier Japs bemand. Twee roeiden langs de meer kalme gedeelten, één stond voorin met een stok, en één achterin, sturende met een riem. In ’t begin was er weinig stroom, maar weldra begonnen de stroomversnellingen, en wanneer wij dan met vliegende vaart langs de overal verspreide rotsblokken schoten, terwijl het water onder ons en om ons kookte en ziedde en spatte, had de stuurman al zijne kalmte en koelbloedigheid noodig, om geen ongelukken te veroorzaken. Soms leek het ons toe, dat er geen uitweg was, als zouden wij te pletter slaan tegen een’ grooten steen, die dreigend den weg versperde. Doch juist op het kritieke moment gaf een duw van den man vóór in de boot, of een behendige draai van den stuurman den steven eene andere wending, dadelijk gevolgd door dezelfde manoeuvre den tegenovergestelden kant uit, en het volgende oogenblik—rakelings langs de scherpe granietmassa’s schietende, terwijl de platte bodem op en neer golfde door de aanraking met de bedding der rivier en het melkwitte schuim ons bespatte—waren wij de gevaarlijke bocht reeds gepasseerd.

Het was heerlijk, een nieuwe, geheel eenige emotie! En bij de kronkelingen van den stroom telkens een ander uitzicht, telkens een nieuw panorama van bergen. In de lente, als de oevers bezaaid zijn met roode azalea’s, moet het bovenal mooi zijn.

Intusschen werd het reeds duister, doch nog geenszins verveelde ons de tocht. En toen spoedig daarna de volle maan boven de bergen rees en met zilveren licht en fluweelen schaduw speelde, werd het tooneel tooverachtig en maakte een diepen indruk op ons.

Eindelijk waren de stroomversnellingen achter den rug en dreven wij over den zich verbreedenden vloed kalm voort. Uit de theehuizen aan den waterkant klonk zang en dans van “geisja’s”, en bootjes vol jongelui voeren ons voorbij met muziek, die zachte, droomerige muziek der Japanners.

Het was zeven uur toen wij te Saga weer aan wal stapten en naar Kyoto terugspoorden. Wij aten in een Japansch restaurant, gelegen op een zeer druk punt, uitgebouwd boven de rivier en verlicht door kleurige lampions, waar wij door jonge meisjes in nationaal kostuum bediend werden—zooals trouwens in alle hôtels, restaurants, logementen en theehuizen in Japan;—daarna wandelden wij de stad eens door.

Indien het mooi weer is—en dat is het bijna altijd in dit bloemenland—heerscht er tot diep in den nacht voortdurend een vroolijke drukte op straat. Alles is uniek en zonderling en oefent eene ongewone bekoring uit op den vreemdeling, die hier voor het eerst komt.

Krijgt men van de koelies aan boord, met hunne half brutale, half bevreesde houding en eene mengeling van arrogantie en nieuwsgierigheid, geen gunstigen indruk, die indruk verdwijnt spoedig, indien men nader met het volk in aanraking komt. Hunne beleefdheid, ook jegens elkander, is spreekwoordelijk; nergens heb ik zóóveel zien buigen; zelfs wanneer twee ricksjakoelies elkander iets mededeelen, gaat zulks met vele strijkages gepaard; en het is werkelijk een typisch gezicht, als men eene familie eenige kennissen van den trein ziet halen. Waarlijk, in dit opzicht kunnen wij met onze westersche beschaving veel van hen leeren. En die beleefdheid gaat hen zoo natuurlijk af, dat men voelt dat zij uit het hart komt.

Het levendige gewoel door de meestal nauwe straten, de vreemde kleeding en typen die men ziet, de rijk voorziene winkels, waar zooveel moois uitgestald wordt dat men in Europa zelden of nooit tegenkomt,... dat alles maakte ons het scheiden moeilijk; eindelijk zochten wij toch ons hôtel op en begaven ons ter ruste.

De tweede dag was bestemd voor een bezoek aan Nara, een aardig stadje, 2 uren sporens van Kyoto. De weg er heen biedt mooie vergezichten aan; men vindt er uitgestrekte theeplantages.

Midden in het stadje is een groote vijver, die wemelt van schildpadden en roode en bruine karpers. Klapt men in de handen, dan komen zij allen aanzwemmen, en werpt men ze brood toe, dan is het een leuk gewemel van pooten en koppen en schilden en vinnen; en ’t is geen ongewoon gezicht, een karper boven op een kluwen van schildpadden te zien spartelen, één voet boven het water. De visschen, met hun grooteren bek, zijn er het best aan toe; men [223] zou dus gevoegelijk van karper-aandeel kunnen spreken. Na hier lang genoeg vertoefd te hebben, lieten wij ons naar den Kasuga-Miya brengen, een Shinto-tempel.

De Shinto-dienst is een inlandsche godsdienst en bestaat in de vereering der keizerlijke voorvaderen, helden of geleerde mannen, die veel voor het rijk opgeofferd hebben. Er zijn bijna 200.000 altaren en tempels, over geheel Japan verspreid, waarin meer dan 800 goden, halfgoden en heroën worden gehuldigd.

Men kan een Shinto-tempel altijd gemakkelijk van een Boeddha-tempel onderscheiden door de “Torii”, een poort van bijzonderen vorm en van hout of steen vervaardigd; terwijl men tot de laatste toegang verkrijgt door de “Sanmon”, een poort van twee verdiepingen. Ook zijn de eerste gewoonlijk veel eenvoudiger van constructie en minder mooi versierd.

Onder de rood-verlakte Torii doorgaande, voert een smalle weg, aan weerskanten beplant met eeuwenoude denneboomen, naar den tempel. Honderden tamme, heilige herten loopen hier vrij rond en eten uit onze hand de koekjes, die in kraampjes te koop worden aangeboden. Overal langs de lanen van het park, waarin deze tempel met nog eenige andere gelegen is, staan ijzeren of steenen lantarens van drie voet tot drie meter hoogte, die tezamen het respectabel aantal van 3000 bereiken, welke ééns per jaar van lampjes voorzien en aangestoken worden, het park herscheppende in een feeëntuin. Verder vindt men er gansche straten van winkels, waarin alleen voorwerpen worden verkocht, vervaardigd uit de geweien der heilige herten.

Geheele scharen bezoekers dwaalden door de kronkelende laantjes en bleven soms voor een of ander altaar staan, ten einde een kort gebed te doen of een handjevol rijst te offeren.

Het merkwaardigste was wel een stal met een heilig paard er in, dat men voor een paar centen een zekere hoeveelheid boonen te eten kon geven, benevens eenige gepoederde dansmeisjes, die, ook al weer voor geld, een heiligen dans uitvoerden.

Vervolgens reden wij naar het eigenlijke doel van den tocht: de Daibutsu of groote Boeddha, die zich bevindt in den tempel genaamd Tōdai-ji, gesticht in de 8ste eeuw. Deze tempel is 50 meter hoog, 90 meter lang en 55 meter breed en bevat weinig meer dan het enorme beeld, het grootste in geheel Japan. Met de beenen gekruist onder het lijf, zit de Boeddha op een lotus-bloem, die eveneens van koper is. In drie jaren tijds is men er, na herhaalde mislukkingen, in geslaagd dit beeld te gieten.

Wederom trof mij die massale rust, die glimlach van absolute onpersoonlijkheid; hier echter is de rechterhand waarschuwend opgeheven. De oogen staren oneindig ver weg, als om aan te duiden, dat de ziel van den Boeddha in het Nirwâna vertoeft.

Overweldigend moet de indruk van het beeld zijn op den eenvoudigen geloovige, die opziet naar zijn Meester. Niet de vrees van den wilden heiden, die slechts aarzelend zijn angstaanjagend afgodsbeeld nadert en door allerlei formules diens toorn en wraak zoekt te bezweren, maar eerbied en bewondering vervullen hem voor den mensch, voor Gautama, den Boeddha, den Indischen prins, die vóór vierentwintig eeuwen vrouw en kind, rijkdom en macht, troon en vaderland verliet om de Waarheid te zoeken, en Haar eindelijk, na lange jaren van lijden en ontbering, twijfel en dwaling, vallen en opstaan, vond in zijn eigen hart....

Niet ver van dezen tempel staat een pagode van vijf verdiepingen (er zijn er wel met tien), waarvan de fraaie lijnen onze bewondering afdwongen. De spits is zeer eigenaardig en doet denken aan een kurketrekker.

Daar hiermede het voornaamste van Nara was gezien, zochten wij een Japansch restaurant op. Hier vroeg men ons, zooals trouwens bijna overal, of wij Amerikanen waren; niet, omdat wij er zoo echt Yankee-achtig uitzagen, maar, naar ik veronderstel, omdat van de touristen de Amerikanen het grootste percentage vormen. Ze kenden echter allen Holland, ook al hadden ze dikwijls nooit van Amsterdam gehoord.

Doch niet alleen uit het Oosten, ook uit het Westen komen jaarlijks vele vreemdelingen Japan bezoeken. Het verwonderde mij daarom, dat wij altijd nog de aandacht trokken. Vaak merkte ik op, dat moeders ons hunnen kinderen aanwezen. Of dat steeds met even vleiende woorden gepaard ging, durf ik betwijfelen. Misschien vertelden zij de kleinen wel, dat dat nu “die blanke barbaren met hunne leelijke, ronde oogen” waren, of dat zoo ongeveer de groote Russen er uitzagen, die van de kleine Japanners zoo leelijk op hun gezicht kregen.

Stonden wij b.v. in een winkel, die veelal over dag aan de straatzijde geheel open is, dan verzamelde zich al spoedig een groepje menschen er voor en keek nieuwsgierig naar ons, maar week beleefd op zijde, als wij weer op straat kwamen. Was de winkelier soms aan het einde van zijn Engelsch gekomen, dan trad gewoonlijk iemand uit het publiek, die zich daartoe bekwaam achtte, naar voren en deed dienst als tolk. Hij glom dan van genoegen, zeker evenveel door het toonen van zijn kennis als het believen van den vreemdeling.

Over het algemeen spreken in Japan de lieden, die met Europeanen in aanraking komen, vrij goed Engelsch en dat is maar goed ook. Want hunne taal leert men niet spoedig, vooral omdat zij vreemde karakters gebruiken. In de havenplaatsen worden op uithangborden, naamplaatjes enz. wel altijd de gewone letters er onder gezet—waarbij soms vermakelijke fouten worden gemaakt—doch in het binnenland ziet men zulks zelden. En met gebarentaal ondervond ik altijd moeilijkheden. Niemand heeft die taal geleerd, hoewel elk haar kent, maar ieder kent blijkbaar een verschillende. Wanneer ik iets duidelijk meende uitgelegd te hebben, zoodat mijns inziens geen vergissing mogelijk was, bleek de andere iets geheel anders te hebben begrepen. En beiden vonden wij het erg dom en onbegrijpelijk van elkaar.

Om half vijf waren wij weer in Kyoto terug en gingen eten in het reeds genoemde restaurant, waar men een zeer goede, europeesche tafel krijgt voor niet veel geld.

Daarna bezochten wij een “Shibai” (theater). Kyoto is de bakermat der Japansche tooneelkunst. [224] Een zijner inwoners verzamelde eeuwen geleden jongens en meisjes, die dansen konden, en deed hen opkomen op een stellage te midden van een grasveld. Vandaar de naam Shibai, d.i. “zittende op het gras”.


Pagode te Nara.

In de zoogenaamde Theater-straat, die men hier in alle groote steden aantreft, is het dag en nacht een vroolijk gewoel, een kleurengewemel van prachtige zijden vlaggen, die, zeer lang en zeer smal, van hooge staken neerhangen of de geheele breedte der straat overkronkelen, en een geschitter van kleurige, papieren lampions, alsof het altijd feest ware.

Aan de gevels ziet men niet onverdienstelijk geschilderde dramatische scène’s of komische tooneelen—de eerste het meest—afgebeeld, en van alle kanten hoort men de tonen der muziek, die voor bioscoop of acrobaten-troep het publiek moeten lokken. Kermisphotografen vindt men er in menigte, waarzeggers eveneens; theehuizen, curiositeitenwinkels en café-chantant’s wisselen elkander af. Hier zitten in een winkel een zestal jonge meisjes met vaardige hand en veel smaak prentbriefkaarten te kleuren; daar is een wassenbeeldenspel, waarin men steeds dezelfde woeste krijgers in oud-nationaal kostuum met korte haarvlecht en wreede gelaatstrekken opmerkt, terwijl vóór den voorhang een kleine doch griezelige groep de aandacht moet trekken; ginds weer hoort men van de bovenzaal van een restaurant de banjo klinken.

En de ricksja’s voeren geen lantarens, maar lampions; de krantenjongens roepen niet, maar hebben een bel rond hun middel gebonden; ieder loopt met een waaier; de vrouwen en meisjes dragen geen hoed, maar hebben allen bloemen in het donkere haar, dat bij de ongetrouwden op een bijzondere manier is opgemaakt, bij de getrouwden glad naar achteren weggestreken; zij dragen, evenals de mannen, klompjes, bestaande uit een plat stuk hout met twee verticale plankjes er onder—hoe vuiler de straat des te hooger de plankjes—, welke klompjes worden vastgehouden door bandjes, die tusschen de van een teen voorziene kous doorgaan. Bij het loopen hoort men een eigenaardig, klapperend geluid.

Wij traden het voornaamste theater binnen en ontvingen een programma, waarop in het Engelsch de naam van het drama en de prijzen der plaatsen vermeld stonden. De rest was geschreven met die kabalistische teekens, die, bij alle onaangename herinneringen aan evenwijdige streepjes, die nooit evenwijdig, en puthaakjes, waarvan er nooit twee gelijk waren, ons toch onszelven gelukkig doen prijzen, dat we geen Japansche schooljongens geweest zijn.

Als men in Japan een theater binnenkomt, merkt men altijd in het portaal, dat de geheele breedte van het gebouw beslaat, een ontzaglijke hoeveelheid klompjes op, die aan den wand hangen, allen genummerd. Behalve de Europeanen gaat n.l. ieder op zijne sokken binnen.

Het geheele gebouw is electrisch verlicht en het zacht glooiende parterre verdeeld in vierkante hokjes, slechts gescheiden door latten en met matten belegd, waarin vier personen kunnen plaats nemen, hetgeen zij doen hurkende of zittende op hunne knieën op een kussen. Het is dus wel werkelijk “par terre”.

Twee gangen—feitelijk breede, onbelegde planken—die iets hooger zijn dan de zitplaatsen, loopen van den achterkant regelrecht naar het tooneel, dat op de gewone wijze is ingericht. Boven, aan den achterkant, zijn de zitplaatsen evenzoo, doch op zijde zijn het een soort van loges met schuifdeuren—alle deuren schuiven in een Japansch huis—en een iets hoogere afscheiding, welke echter nog niet tot de knieën reikt. Dat is de 1ste rang, waarop wij plaats namen, nadat men ons een laag bankje gebracht had. Achter de loges is een gang, van waar men bij de buren in huis of in een zijstraat kijkt.

Het eerste wat opvalt is een ontelbaar aantal waaiers, zoowel door ruwe knuisten als door poezele handjes in beweging gebracht, hetgeen een eigenaardig effect maakt, daar deze, soms schitterend gekleurde, in September hier nog onmisbare instrumenten nu in het licht, dan in de schaduw zijn. Verder is het opmerkelijk hoeveel kleine kinderen met hunne ouders meegaan, en hoe elke familie voorzien is van theeservies, gebak- en vruchtenschaal en aschbakje.

Ook wij bestelden thee—van groene, ongedroogde bladen, waaraan men eerst moet wennen—en bepaalden daarna onze aandacht bij het tooneel. [225]


Het Mausoleum van Iyeyasu te Nikko.

Het drama was reeds in vollen gang; er werd veel gepraat, handen gewrongen en geweend, alles met begeleiding van muziek, maar naar ons oordeel zat er niet veel actie in. Het midden van het tooneel was een draaibare schijf, zoodat onder het spel de mise-en-scène soms geheel veranderde. Na het vallen van het gordijn snelden vele bezoekers naar voren, gluurden er onder door of begaven zich er zelfs achter. Nu en dan kwamen de acteurs en actrices op, niet van achter de coulissen, maar over de zooeven genoemde gang, dus midden uit het publiek.

Wij snapten er natuurlijk niets van. Er was evenwel eene verrassing voor ons weggelegd. Blijkbaar was het een modern stuk, want op een gegeven oogenblik kwam een Europeaan op, een Japansch meisje medevoerende, aan wie hij in een mengelmoes van Engelsch en gebroken Japansch zijne liefde verklaarde op westersche wijze, hetgeen zeer den lachlust scheen op te wekken. Zij wilde echter niets van hem weten, waarop hij, vertoornd, een revolver nam en haar daarmede eenige malen over het tooneel achterna liep, herhaaldelijk uitroepende: ”Stop! I will kill you”. Voor hij evenwel aan zijn voornemen gevolg gaf,—gekund had hij het al lang—verscheen er een krantenjongen op het tooneel, beschermde het meisje en ontrukte den woestaard zijn wapen, die toen z’n jas uittrok en z’n tegenstander te lijf wilde, totdat deze hem in de knie schoot. Daarna kwam een andere Engelschman op. Deze wenkte een ricksja, welks bestuurder in zijn zenuwachtigheid heelemaal den gewonde niet hielp, doch ouder gewoonte eerst ’n voertuig afstofte en, nadat de wonde over alles heen met een zakdoek verbonden was, den snooden belager der onschuld langzaam wegvoerde, terwijl het meisje met haren bevrijder verdween.

Verscheidene blikken wendden zich naar boven om te zien, hoe wij die scène opnamen. Natuurlijk schaterden wij het uit.

Intusschen was het al laat geworden. Wij reden naar het station en namen te kwart na twaalf den nachttrein naar Nagoya.

Daar de beide banken van het rijtuig overlangs stonden en er slechts één passagier was, hadden wij ruimte genoeg. Een trein-beambte trok onze schoenen uit en bracht ons een paar sandalen benevens een waaier, en weldra staken wij de wacht op, n.l. de wacht te kooi, na den man order te hebben gegeven, ons een half uur voor aankomst te “porren”. En terwijl de trein in den helderen maannacht met ons voortsnelde, voorbij Baba, Kusatsu, Osaki en Gifu, sliepen wij gerust.

’s Morgens om 5 uur waren wij te Nagoya, een stad met ongeveer ¼. millioen inwoners en bekend om hare porcelein-fabrieken en zijde-weverijen. Ons eerste bezoek gold het Kasteel, hetwelk dagteekent uit het begin der 17de eeuw. Het bestaat uit vijf verdiepingen, opgetrokken in den interessanten Japanschen [226] bouwstijl, en is omringd door breede, hoewel droge grachten en enorm dikke steenen wallen.

Boven op de nok staan twee gouden dolfijnen, die nog heden ten dage met dezelfde glorieuse pracht in het zonlicht glinsteren als voorheen. Hunne hoogte is 2,5 Meter; zij zijn gemaakt van oude, Japansche goudstukken en worden gezegd eene waarde te vertegenwoordigen van ƒ 4.000.000. Eén er van is in 1873 op de tentoonstelling te Weenen te zien geweest.

Daar wij geen permissie hadden het Kasteel te betreden,—waarvoor eene aanbeveling van den gezant te Tokyo noodig is—moesten wij ons met den buitenkant vergenoegen en onze fantazie te hulp roepen om eene voorstelling te krijgen van de pracht, die er binnen moet heerschen. Het behoort aan de keizerlijke familie.

Vervolgens bezochten wij de vermaarde oudheidwinkel van Asahina. Nooit heb ik zooveel antiquiteiten bij elkaar gezien. Harnassen, maliënkolders, helmen, zwaarden, dolken, speren, pijlen, bogen, lansen, beschermplaten voor paarden, stijgbeugels van wel 10 kilo gewicht, maskers, heidensche goden, altaren, reliquien, potten en pannen,... dat alles lag dooreengestapeld op de beide verdiepingen van het huis, zoodat men zich nauwelijks kon roeren. Afgodsbeelden om van te droomen, vaasjes om te stelen, porceleinen borden om van te watertanden, beschilderde waaiers van eeuwen her, soms half tot stof vergaan, en ik weet niet wat nog al meer. En ze gooien er met honderdtallen van jaren en tientallen van yen’s (1 yen = ± ƒ 1.25), dat men er wee van wordt. Men kan echter afdingen, maar dat is eigenlijk niet eens prettig, want na er b.v. 20% te hebben afgekregen, heeft men per slot van rekening later toch altijd het idée, minstens nog den dubbelen prijs te hebben betaald.

Buiten op het uithangbord staat: 800.000 curios. Of ze dat getal ook met zes verminderd hebben na ons vertrek? Ik denk, dat het altijd wel 800.000 zal blijven.

De ricksja-koelies, die al dien tijd getroost op ons hadden gewacht en zich den tijd gekort met het rooken van een onnoemelijk aantal pijpjes, brachten ons daarna op een plein, alwaar een gedenkteeken staat, opgericht ter eere van de gevallenen in den oorlog met China, 1894/95.

Het oude Japan stichtte tempels en altaren en feestdagen ter nagedachtenis zijner helden; het moderne Japan richt monumenten op, gekroond door een nieuwerwetsch projectiel, dat ’s avonds omgeven wordt door een krans van electrische lampjes.

Het was inmiddels middag geworden, de scholen gingen uit en wij hadden gelegenheid, het jeugdige Nippon eens goed op te nemen. De meisjes, zonder hoed, maar allen gewapend met een zwarte parasol, hadden in zóóverre aan de westersche mode geofferd, dat haar kleeding van boven op een kimono en van onderen meer op een damesrok geleek, die dan bijna altijd donkerrood was. Ook droegen enkelen schoenen.

Bij de jongens kon men de verschillende scholen onderkennen. Sommigen liepen in de nationale kimono, met een grooten hoed op, terwijl van een andere school allen een wit pak aan hadden, met een pet. Er waren verscheidene intelligente gezichten bij.

Na in ons hotel geluncht te hebben, namen wij onze siësta totdat de grootste hitte ietwat geweken zou zijn.

Klokke vijf vond ons staande op de electrische tram, die van het station door de lange, breede en drukke hoofdstraat geheel Nagoya doorkruist en een half uur verder ergens buiten de stad eindigt. De conducteur verstond geen Engelsch en begreep er niets van toen wij, aan den terminus gekomen, slechts van balcon verwisselden en weer mee teruggingen. Het was evenwel een gemakkelijke en prettige manier, het leven in die drukke straat vol winkels, bazaar’s, restaurants en theaters eens goed op te nemen.

Japan is het land der contrasten!

Welk een zonderlingen indruk maakt het niet, wanneer men in een kapperswinkel, slechts door een gordijn van kralen van het trottoir gescheiden, den barbier in zwembroekje en lang hemd het hoofd van een even ongekleeden bezoeker ziet behandelen, edoch met de allernieuwste tondeuse, terwijl de klant bij het electrisch licht in de courant de allerlaatste telegrammen uit de geheele wereld leest en een electrische waaier hem intusschen een heerlijk koeltje toewuift! Of wanneer men in een nauwe straat een warnet van telegraaf- en telefoon-draden ziet, terwijl de huizen van gloeilampjes zijn voorzien en de straatverlichting uit booglampen bestaat! Of ook, als men in een steeg eenige onaanzienlijke winkels binnentreedt en daar verrast wordt door de nieuwste snufjes op elk gebied! En in de haven! Bijna overal zijn het vrouwen, die de schepen met steenkolen beladen. Moeders dragen onder dat werk haar zuigelingen op den rug, en deze blijven rustig doorslapen onder het doorgeven der mandjes kolen. Wordt er even gerust, dan krijgt de kleine de borst, en ondertusschen stopt mama een pijpje en dampt en spuwt er lustig op los.

Daarentegen wordt men b.v. in het post- en telegraafkantoor te Tokyo geholpen door allerliefste jonge dames, die, gekleed naar de voorlaatste Parijsche mode, den vreemdeling vriendelijk en in onberispelijk Engelsch te woord staan.

Een koelie, in meergemeld zwembroekje en met of zonder hemd, trekt een kar voort. Hij rust even uit, vuil en bezweet. Maar in plaats van een roode katoenen zakdoek, neemt hij van zijn kar een keurigen waaier en gebruikt dezen niet geheel zonder gratie.

En zoo zou ik nog veel meer kunnen opnoemen.

Toen het donker werd, gingen wij naar het hôtel terug en gebruikten na het diner de thee op het balcon, waar Sjiso en Nóbo, de dochters van den hôtelhouder, ons gezelschap hielden.

Wij spraken over allerlei dingen, en natuurlijk ook over den oorlog. Tegen de Kussen waren zij bitter gestemd, hetgeen wij des te beter konden begrijpen, toen zij ons vertelden dat een broer van haar in den slag aan de Yaloe gesneuveld was.

Het lawaai der stad klonk als het ruischen eener rusteloos deinende zee in de verte; aan den helderen sterrenhemel straalde de maan, en beneden in den tuin klaagde een banjo....

Dit alles was zeer poëtisch, maar aan alles komt een [227] einde, en vier minuten na middernacht zaten wij weder in den sneltrein naar Tokyo. Sayonara (vaarwel), Nagoya! Sayonara, Sjiso! Sayonara, Nobo!

Wij troffen het minder goed dan den vorigen nacht. De banken waren bijna geheel ingenomen door slapende reizigers, allen in meer of minder bekoorlijk négligé, en wij moesten ons met een zitplaats vergenoegen. Van slapen was dus voor mij geen sprake. Ik deed maar net alsof ik de “hondewacht” had en trachtte rookende en lezende den tijd te dooden.

Spookachtig gleed het landschap ons in het blauwe maanlicht voorbij; soms ging het vlak langs de kust en zagen wij den Grooten Oceaan glinsteren. Mijn reisgenoot was weldra ingeslapen; wat mij betreft, een zachte plank om op te liggen is mij voldoende, doch zittende kan ik niet slapen. Er was wel een slaapwaggon, maar dat was ons te duur.

Mijn buurman, een roode Ier, bood mij zeer vriendelijk eenige malen zijn whisky-flesch aan, met het gezegde: “a small drip in the morning is better than a lot in the day”. Ik bedankte echter en verdacht hem, van ook “a lot in the day” niet afkeerig te zijn. Gelukkig brak om 5 uur de dag aan; het werd levendig in den waggon, van die ongegeneerde levendigheid, welke ontwakenden personen eigen is. Van toilet-maken was evenwel pas sprake toen wij Tokyo naderden.

Japan is dicht bevolkt en volgt daarin op België en Nederland. Wij snelden langs steden en dorpen, over rivieren en door tunnels, voorbij heuvels en valleien, met voortdurend de Fuji-Yama in de blauwe verte, de heilige berg van Japan, 12.400 voet hoog, welke men overal afgebeeld ziet: op waaiers en photo’s, op porcelein en lakwerk, en die, als een oude, trouwe waker, met zijn besneeuwde kruin de wacht schijnt te houden over gansch Nippon, en zoowel de Japansche Zee als den Stillen Oceaan domineert.

Half tien arriveerden wij te Tokyo. De stad heeft ruim 1.400.000 inwoners en beslaat de enorme uitgestrektheid van honderd vierkante mijlen, wat niet te verwonderen is, als men bedenkt dat de huizen over ’t algemeen laag zijn en zelden meer dan ééne verdieping hebben. De ministeries en andere gouvernementsgebouwen, de vreemde legaties en paleizen maken hierop natuurlijk eene uitzondering. Deze zijn alle gebouwd in westerschen stijl.

Het paleis van den Mikado daarentegen is echt Japansch. Het staat in het centrum der stad, omringd door wallen en grachten. Oorspronkelijk was het een fort, de sterkte der Tokagawa-regenten, gebouwd in de 13de eeuw, toen Yeddo nog slechts een klein dorpje was. In 1868 werd deze naam veranderd in Tokyo, hetgeen beteekent: “Oostelijke hoofdstad”, om het te onderscheiden van Saikyo of “Westelijke hoofdstad”, den naam, ter zelfder tijd aan Kyoto gegeven. Verscheidene malen door brand vernield, dateert het tegenwoordige gebouw slechts van 1889.

Wij besloten, voor de curiositeit eens in een Japansch logement te overnachten. Ook voor de deur van zoo’n logement staat het vol klompjes. Binnenshuis draagt de Japanner sandalen van gevlochten stroo, zonder de vroeger vermelde verhoogingen er onder. Het loopen op die klompjes—waarbij wij gevaar zouden loopen onze enkels te verstuiken—is nu juist niet elegant, daar de voeten binnenwaarts gekeerd zijn. Ook geeft het een eenigzins hulpeloos idée, vooral bij vrouwen, ofschoon ze er toch vrij vlug op voort kunnen en het nog een zeer groot verschil maakt met de hulpeloosheid hunner Chineesche zusteren, die zonder steun bijna niet kunnen loopen op haar walgelijk verminkte voetstompjes. Alles wijst er echter op, in den tegenwoordigen tijd, dat China ontwaakt, en zoo is er ook pas eene vereeniging opgericht tegen die gruwelijke misvorming. Les idées marchent!

In het eerste logement, waar wij afstapten, sprak men bijna geen Engelsch, in het tweede kon men ons geen europeesche tafel verstrekken. Bovendien zag de kamer, waarin ik een kijkje nam, na mijne schoenen te hebben uitgetrokken, er wel netjes, maar zeer ongezellig uit, doordat zoowel stoelen als tafel ontbraken. Bedden waren er ook niet; men slaapt op den grond op matten en kussens, en eet op zijn kamer met houten of beenen stokjes, terwijl men daarbij zijne houding voor ’t kiezen heeft. Het leek ons minder aangenaam toe, en ten slotte kwamen wij toch weer in het Hôtel Métropole terecht, alwaar wij onze vermoeide ledematen op een behoorlijk bed uitstrekten en vervolgens lunchten in een vroolijke zaal, uitzicht gevende op de haven, onder tal van slingerende “poenka’s”, door bedienden buiten de zaal in beweging gebracht.

Een kleine lofrede op de hôtels in Japan is hier wellicht op hare plaats. En eene lofrede moet het zijn, want, hetzij onder Europeesch, hetzij onder Japansch beheer, de bediening is er uitstekend, de keuken uitmuntend, het menu uitvoerig en het bed uitlokkend. Ze zijn van de nieuwste gemakken voorzien, het personeel is zeer attent, men behoeft nooit iets tweemaal te vragen en slechts te zinspelen op het een of ander om het te krijgen, als het ten minste mogelijk is.

Na den middag spoorden wij naar Yokohama, waar het schip lag, gingen even aan boord, ontdeden ons van de overtollige bagage en spoorden daarna weer terug naar Tokyo.

In beide steden zag men overal voor openbare gebouwen, legaties, consulaten, hôtels, enz. politie geposteerd, versterkt door soldaten. Het was juist in de historische dagen na het bekend worden der vredesvoorwaarden, die de beruchte troebelen ten gevolge hadden. Opmerkelijk, dat het volk tot gewelddadigheden overging alleen in die plaatsen, waar vele vreemdelingen wonen, n.l. Tokyo, Yokohama, Osaka en Kobé. Toch merkten wij nergens iets van eene anti-vreemdelingen-stemming, niemand veroorzaakte ons ooit eenigen last, integendeel, men kwam ons vaak tegemoet met den Japanschen groet: “Ohayo” (eigenlijk: goeden morgen), en was steeds beleefd en hulpvaardig.

Ook voor ons hôtel in Tokyo was een tent opgeslagen en liep een gewapende schildwacht heen en weer. Toen wij ’s avonds langs de haven wandelden, door haar geringe diepte slechts bereikbaar voor kleine schepen, en door de opening der tent de soldaten zagen rooken en praten bij het flauwe licht [228] van een olielamp, werden onze gedachten als vanzelf gevoerd naar de doodenvelden van Manchourije.

Voor de poort, die toegang gaf tot den tuin, had de schildwacht het geheele bediendenpersoneel om zich heen verzameld, dat aandachtig naar hem luisterde. Waarschijnlijk vertelde hij hen van de slagvelden aan gindsche zijde der Japansche Zee, van den moed der Russen, de nog grootere doodsverachting hunner tegenstanders, en van de overwinningen, die altijd waren aan de zijde van het grootste intellect, den onverzettelijksten wil en de vurigste vaderlandsliefde.

Wij begaven ons vroeg ter ruste, want een lange dag wachtte ons.

Den volgenden morgen zaten wij om 4 uur reeds in de ricksja, daar de trein een uur later van het Uyeno-station vertrok, gelegen aan het andere einde van Tokyo. Het begon pas te schemeren en de stad lag nog in diepe rust. Hier en daar een enkele voetganger, een patrouilleerende agent of soldaat, of een ricksja-koelie, die in zijn voertuig zat te slapen, door een deken beschermd tegen de ochtendkoelte, was het eenige, dat de egale grauwheid van den September-morgen verstoorde. De lage, houten huizen met hunne oploopende dakvorsten staken grijs af tegen de heldere sterrenlucht, die wederom een prachtigen dag beloofde; achter hunne gesloten luiken, van waar geen enkel lichtje uitstraalde, leken zij wel gepantserde blokhuizen.


De Yomei-poort van den Yasu-tempel te Nikko.

En zoo draafden onze koelies door een warnet van straten drie kwartier lang voort, rechts-om, links-om, rechts-om, links-om ... zonder ooit een oogenblik te aarzelen.

Aan het station vroeg ik aan de jonge dame achter het loket—aan de groote stations vindt men hier veel dames-employées—in het Japansch twee kaartjes naar Nikko1, maar dat bekwam mij slecht. Zij vroeg mij op haar beurt iets in dezelfde taal en toen bleek mijne onkunde en moest ik wel terugkrabbelen en Engelsch spreken.

Wij reisden tweede klasse, een zuinigheidsmaatregel, want het geld is in Japan minstens even rond als ergens anders en de winkels zijn er verleidelijker. De tweede klasse is echter zeer netjes; even goed als in Europa.

Vrouwen en meisjes schijnen in Japan tamelijk veel vrijheid te genieten, maar van de galanterie der mannen heb ik geen zeer hoogen dunk. Ten minste, wij zaten naast een echtpaar, waarvan zij last had van de zon. Hij dacht er blijkbaar niet aan, met haar van plaats te verwisselen, en nadat onze pogingen, de jalouzie op te trekken, gefaald hadden, stonden wij haar onze plaats af en kwamen zoodoende tusschen hen in te zitten. De echtgenoot vond zulks waarschijnlijk geheel overbodig, want toen zij een half uur later uitstapten, deed hij zulks zonder boe of ba te zeggen of ons met een blik te verwaardigen, terwijl zij dankend boog. Dit kleine lesje in westersche beleefdheid jegens het schoone geslacht viel schijnbaar niet in goede aarde.

Krijgt een burgerman eenigszins aanzienlijk bezoek, dan zitten vrouw en dochters niet mede aan, doch bedienen en bewaaieren den gastheer en zijne gasten. Na afloop van den maaltijd mogen zij gaan eten. En toch is er te Tokyo eene universiteit voor vrouwen!

Tegenover ons zat eene dame in een keurige kimono. Het zitten op de gewone manier verveelde haar zeker na eenigen tijd, zoodat zij hare sandalen uittrok en met de knieën onder het lichaam plaats nam. Dit bewerkstelligde zij op haar nauwe plaats door eerst met het gezicht naar den wand te gaan zitten, in welke houding zij zich in den korst mogelijken tijd op de kleinst mogelijke ruimte wist om te draaien.

Even later nam zij uit haar wijde, afhangende ondermouw, welke voor zak dient, een keurig zijden doekje en ontrolde dit, waarna te voorschijn kwamen een keurig zijden foudraaltje, waarin een tabakspijpje met klein, koperen kopje, een keurig zijden tabakszakje en een doosje lucifers. Zij stopte het pijpje en stak het aan. Na eenige trekjes was het al leeg; deze manoeuvre nu werd een keer of vier herhaald, waarna alles weer werd opgeborgen. Het maakte een wonderlijk effect.

De weg was eenigszins eentonig: het ging voortdurend door vlak en vruchtbaar bouwland. Doch in de verte vertoonden zich als een belofte de bergen, die wij naderden. Ten 8 uur moesten wij overstappen [229] te Utsunomiya en hadden daar ruim een half uur tijd. Daarna duurde de rit nog zeven kwartier.

Wij hadden eene afdeeling van twee coupé’s geheel voor ons alleen. Weldra begon de weg sterk te stijgen, de natuur veranderde en het duurde niet lang of wij hadden geen oogen genoeg. Wij liepen van ’t eene raampje naar het andere, keken nu voor-, dan achteruit en werden niet moede, elkaar op de prachtige vergezichten opmerkzaam te maken.

Nu eens boeiden ons de trotsche bergen, bedekt met donkergroene pijnboomwouden, afgewisseld door het lichtere groen der eiken; dan weer rustte het oog met niet te beschrijven verrukking op glanzende valleien met blinkende meren; soms werd onze aandacht gevangen door een enkel boschje glinsterende berken, als een fijn grijs-groen getinte schilderij, gevat in bruin-fluweelen omlijsting van beuken, of een idyllisch dorpje, half verscholen achter teer sparregroen; even later omvatte onze blik een golvende vlakte, bekoorlijk door de oneindige kleurschakeeringen van duizenden veldbloemen.


Jaarlijksche processie te Nikko.

En waar af en toe de flanken der bergen elkander naderden en slechts luttele ruimte overlieten voor de ijzeren baan, die door het puffende, achtwielige monster slechts langzaam veroverd werd, den blik begrenzende, de zon verbergende, daar was het uitzicht des te verrassender, als zich wederom de gansche omtrek aan ons oog vertoonde, badende in het gouden zonnelicht, dat de dalen vulde en de bergen streelde, dat de wouden kuste en op de watervlakten danste, dat minnen moest dit zijn land, dit land der zonne, der rijzende zonne.... Het was onvergelijkelijk schoon.

De temperatuur was zeer aangenaam en een heerlijke dennengeur vervulde de lucht. Een prachtige weg, aan weerszijden beplant met eene dubbele rij eeuwenoude dennen, voerde van Utsunomiya naar Nikko en liep het laatste gedeelte vlak langs den spoorweg.

Half elf arriveerden wij op onze bestemmingsplaats, waarvan een Japansch spreekwoord zegt: “Nikko minai uchi wa, kikko to iuna”, hetgeen beteekent: “Totdat gij Nikko gezien hebt, zeg niet kikko”, d.i. magnifiek.

Nikko ligt op eene hoogte van 2000 voet te midden der bergen en wouden, heeft een koel klimaat en is dan ook een druk bezocht zomerverblijf. In den omtrek wemelt het van watervallen, warme bronnen en kopermijnen.

Wij lieten ons naar het prachtig gelegen Kanaya-hôtel brengen, waar nog juist twee kamers disponibel waren. Overigens was het geheel bezet, zeker wel eenigszins het gevolg van de groote, jaarlijksche processie, die den volgenden dag zou gehouden worden.

Wij lunchten in de eetzaal en ik wenschte wel, dat ik daarvan een goed idée kon geven. Het was een ruime, lichte zaal, voorzien van een vroolijk beschilderd plafond en met tal van typische, japansche schilderijen aan den muur. Aan de overal verspreide [230] tafeltjes, bedekt met flonkerend kristal en veelkleurige bloemen, zat een opgewekt, internationaal gezelschap, en daartusschen bewogen zich een twaalftal lieve japansche meisjes met haar eigenaardige dribbelpasjes, gekleed in lichte kimono en kleurige, zijden obi, een breede ceintuur, die eenige malen om de middel gewonden wordt en van achteren zóódanig opgenomen, dat het net lijkt, alsof zij een kussentje op den rug hebben; met een frisschen, door de gezonde berglucht veroorzaakten blos op de wangen, en bloemen in de glanzend zwarte lokken; welke meisjes met sympathieken blik, zachte stem en gracieus gebaar de gasten bedienden.

Rondom de geheele zaal liep een glazen veranda, die een prachtig uitzicht vergunde op de bergen, terwijl beneden in de diepte een wilde bergstroom zijn eeuwigdurend lied zong....

Daar wij den volgenden morgen weer terug moesten, wilden wij dienzelfden dag nog de Kegon-waterval bezoeken, den hoogsten van Nippon. Het is een vrij verre tocht, dien men doet te paard, per ricksja of in een draagstoel. Wij kozen het eerste en stegen om half twee in het zadel. Een groom werd ons meegegeven om den weg te wijzen.

Een hulpbrug bracht ons aan de andere zijde der rivier. De rood-verlakte heilige brug, welke anders daarvoor dienst doet, was kort geleden door de golven meegesleurd, hetgeen bewijst dat voor de elementen niets heilig is. De tocht ging eerst langs de rivierbedding en soms een eind er door. Het landschap was buitengewoon mooi. De weelderige, afwisselende plantengroei op de hellingen der ons aan alle zijden omringende bergreuzen, helaas nog geen sterk geprononceerde herfsttinten vertoonende; de steile rotsen, soms in woeste wanorde langs het pad oprijzende; de overhangende boomen, hun grillige kronkelvormen afteekenende tegen de blauwe lucht; de diepe kloven, waarlangs de paarden met rustige zekerheid voortdraafden; de schitterende bloemen, tegen de met mos en varens begroeide granietwanden opklimmende tot onbereikbare hoogten; het vogelenheir, zingende in het geboomte ... dat alles maakte op ons een onvergetelijken indruk.

Op sommige mooie punten, een magnifieke kiek biedende op een waterval of rotspartij, stonden theehuizen. Wij hadden echter haast en hielden ons nergens op. De weg werd steil en zigzagwijze ging het naar boven. Onze groom was, naar wij meenden, achtergebleven, maar op een zeker punt zagen wij hem in een theehuis zitten rooken en drinken, terwijl hij op ons wachtte. Hij had n.l. het veel kortere, voor paarden onbegaanbare voetpad gevolgd.

Om 4 uur waren wij bij den beroemden waterval, die van eene hoogte van 250 voet naar beneden stort. Wij daalden langs een smal paadje naar beneden en bevonden er ons vlak tegenover, aan den anderen kant van het ravijn, waaruit een fijne mist opsteeg, die den bodem geheel verborg. Het was een grootsch gezicht. Uit het donkere oerbosch te voorschijn snellende viel de breede waterkolom met donderend geraas naar beneden; door een sluier van duizende in het zonlicht glinsterende waterdroppels zagen wij den mozaïekwand der rots, op vreemde manier met scherpe, naar beneden wijzende punten uitgesleten en begroeid met bloemen, varens en rood, bruin en groen mos.

Slechts noode verwijderden wij ons van dit schouwspel. Een ritje van 5 minuten bracht ons bij het bergmeer van Chuzenji, 4400 voet boven den zeespiegel gelegen, 12 K.M. lang en 4 K.M. breed. Het voedt den grooten waterval.

Op de brug, die naar het Lake-Side-hôtel voert en waaronder het water slechts langzaam voortstroomt, om echter spoedig te versnellen, bleven wij vol bewondering staan. De zon had zich achter een donkere wolk verborgen, welks gekartelde randen zij gouden kleurde, en hare stralen vielen heel in de verte op het kalme meer, op den achtergrond van bergen en op den 8800 voet hoogen vulkaan Shirane-San.

Het contrast met het even te voren geziene was groot. Hier de liefelijke kalmte der uitgestrekte watervlakte, daar de woeste grootschheid der ontbonden natuurkrachten; hier de zachtkens kabbelende golfjes aan den oever, daar de vrijgelaten bruisende watermassa’s.

Kinderen speelden aan den kant, zwaluwen scheerden langs de oppervlakte, witte zeilen gleden over den vloed en jonge menschen waren aan ’t spelevaren in slanke roeibootjes.

Het was een ideaal plekje, een Eden op aarde!

Wij rustten wat uit in het hôtel, welks uitgestrekte tuin een pracht van lelies en een kleurenweelde van chrysanthen vertoonde, en stegen toen weder te paard.

De lucht betrok en weldra reden wij in een vochtigen nevel, waarin het gebergte dreigende, spookachtige gedaanten aannam. Onder het zware geboomte werd het spoedig duister, zoodat wij stapvoets moesten gaan. De paarden schenen bij voorkeur vlak langs den kant van het ravijn te loopen, waar één misstap den dood beteekende. Doch waar is de jeugd, voor wie het gevaar geen aantrekkingskracht bezit?

Bovendien zijn zij zeer vertrouwd en zóózeer op hun eigen veiligheid bedacht, dat wij ze gewoon hun gang lieten gaan.

Spoedig werd de weg minder steil en konden wij draven. Mijn paard had blijkbaar zwakke voorpooten, het was al een paar malen gestruikeld en juist toen wij in de schemering met flinke snelheid eene helling afgingen, viel het op zijne knieën en wierp mij af. Wat doet ook een zeeman boven op een biek!

Gelukkig had ik mij heelemaal niet bezeerd; erger was evenwel, dat wij ons allebei al zoo ongeveer doorgereden hadden. Of het kwam door het Japansche zadel, of door den hoogen gang der dieren, ik weet het niet, maar het was met opeengeklemde tanden,—hoewel in sierlijken draf, daar wij niet konden vergeten, dat wij in dit cosmopolitisch gezelschap “Nederland” vertegenwoordigden—dat wij om 7 uur voor ons hôtel aankwamen, waarna de marteling van het laatste uur een einde nam.

Aan tafel veroorzaakte het eenige hilariteit, toen ik de lieftallige Hebe, die ons bediende, met gebaren duidelijk maakte, dat ik gaarne een kussen op mijn stoel wenschte te hebben. Mijn reisgenoot versmaadde dit verzachtingsmiddel, doch trok dan ook onder het eten van de soep gezichten, die veel te denken gaven, echter niet omtrent de soep. [231]

Nog lang bleven wij rooken en praten in de heerlijk koele avondlucht, totdat vermoeidheid ons naar bed dreef.

En zoo brak dan de laatste dag van mijn verlof aan, een donkere, trieste morgen. Het motregende af en toe. Wij lieten ons daardoor evenwel niet afschrikken en zaten om half zeven al weer in de ricksja, teneinde nog zooveel mogelijk te kunnen zien. Daar we naar boven moesten, hadden we aan één koelie niet genoeg en kwam er nog een tweede bij, die genoemd wordt “ato-oshi”, d.i.: duwer. Hortend en stootend hobbelden de ricksja’s over den weg, wat in onze omstandigheden nu juist niet bijster aangenaam was.

Millioenen regendruppels schitterden in ontelbare spinnewebben tusschen het lage hout; tegen de bergen lag een blauw waas, waarin de dennen kleurloos stonden, als op het punt van te vervluchtigen. Na een half uur stapten we af bij een theehuis en daarna bracht eene wandeling van tien minuten, nu eens stijgende, dan weer dalende, over een smal pad langs den rand eener kloof ons bij een rustiek bruggetje op den bodem van een ravijn, vlak onder den Urami-waterval, die 50 voet hoog is. Het was een woest brokje natuur.

Wild dooreengeworpen rotsblokken rondom, waaruit overal groote en kleine waterkolommen te voorschijn kwamen, die zich beneden vereenigden en zich daar, bruisend en spattend, een weg baanden over den steenigen bodem; hoog boven ons een stukje grauwe hemel, waarin langzaam overdrijvende nevels van hunnen last afgaven aan de takken der boomen, welke dien weder druppelend op ons deden nederstorten; en nergens eenig teeken van leven te bespeuren. Langs denzelfden weg wandelden wij terug, dronken een kopje thee, kochten als souvenir eenige photo’s en stukken kopererts van de mijnen daar in de buurt, en waren ten 8 uur bij den Yasu-tempel, den mooisten Shinto-tempel van Japan.

Eene beschrijving van dit complex van gebouwen zou boekdeelen vullen, en eveneens de verklaring der beteekenis van al hetgeen men hier ziet. Er is misschien geen enkele Europeaan, die dit laatste zou kunnen.

Wij hadden slechts tijd voor een vluchtig bezoek. Allereerst viel onze aandacht op een stal met een heilig paard, dat opgetuigd was als voor een steekspel en eenige uren later aan den optocht zou deelnemen. In de andere helft van dit gebouwtje zaten twee dansmeisjes in lange roode en witte gewaden, die voor een paar koperen muntstukken een heiligen dans uitvoerden. Met zedig neergeslagen oogen en langzamen cadans bewogen zij zich voor- en achterwaarts en vormden vreemde figuren, in de eene hand een waaier houdende en in de andere een handvat met koperen belletjes. Dan hurkten zij weer neder, bogen ten dank eenige malen diep met het hoofd op den grond, en zaten verder zwijgend en bewegingloos te wachten.

In het mausoleum van Iyeyasu, een beroemden “Shogun”, bewonderden wij het prachtige snijwerk van deuren en plafonds, voorstellingen van beesten, vogels—waarbij de ibis een groote rol speelt—bloemen, vruchten, enz.

Onze schoenen moesten wij buiten de deur uittrekken; binnen heerschte een doodsche stilte en een mystiek halfduister, waarin het goud en koper van altaren en beelden een vreemden glans verkreeg.

Nog meer uitgesneden en beschilderde paneelen, elk weer een andere teekening vertoonende; nog meer begraafplaatsen van vermaarde “Daimyo’s”; nog meer beelden van vroegere oorlogshelden, half naakt en nu eens groen, dan blauw van kleur, met woeste, grijnzende trekken en gespannen boog of getrokken zwaard. In één gebouw hing zelfs een schilderij van een modern slagschip en zat een symbolieke adelaar op den mond van een snelvuurkanon. Is het wonder, dat de Japanner slechts overwinnen of sterven kent, ondanks de leer van Boeddha, die verbiedt te dooden?

En langs de grijze, verweerde steenen trappen, waarop mos van eeuwen her, opklimmende naar weer andere poorten, naar weer fraaie torens, heeft men het oerwoud rondom.

Er waren vele bezoekers en de pleinen en gangen begonnen zich al te vullen met de deelnemers aan de jaarlijksche processie, gehouden ter nagedachtenis van Iyeyasu. Kleurige altaren en banieren, wonderlijke kleedingstukken en hoofddeksels, antieke wapens en wapenrustingen,... het beloofde een interessant schouwspel te zullen geven. Wij konden er helaas niet van genieten, daar de tijd van vertrek naderde. Alras waren wij op weg naar het station, na onze bagage te hebben gehaald van het Kanaya-hôtel, dat ik niet licht zal vergeten.

En dat niet wegens zijn onovertrefbare tomatensoep, niet om zijn overheerlijke zalm uit het bergmeer, noch om zijn delicieus pijnappelijs, zelfs niet wegens de donkere amandel-oogen zijner bekoorlijke, dienende geesten, die der volmaaktheid nabij komen en den onuitgesproken wensch gehoorzamen, maar enkel om het onvergelijkelijk natuurschoon in zijne nabijheid, om den zorgen-bannenden invloed zijner paradijsachtige omgeving.

En gij, globe-trotter, die geluisterd hebt naar het zoet-vloeiende “Dormi o bella” van den gondelier in den Venetiaanschen toovernacht en bij maanlicht den Nijl zijt afgevaren, terwijl uw bootje schuurde langs het papyrus-riet en een bruine gestalte op de voorplecht op zangerigen toon zijnen makkers verhalen deed uit de “Duizend-en-een-nacht”; die evengoed bekend zijt in den Harz als in de Ardennen; die het weemoedvolle lied van de Lorelei gezongen hebt aan den Rijn en de tintelende Marseillaise aan de boorden van de Seine; die gezworven hebt zoowel in de Schotsche hooglanden als in het Zwarte Woud; die de Alpen hebt beklommen en op een drijvend hôtel naar de Nieuwe Wereld zijt overgestoken; die het land der middernachtzon hebt leeren liefhebben en ook uw eigen vaderland hebt leeren waardeeren; die den zonsondergang hebt aanschouwd onder de linie ergens op den Oceaan en den zonsopgang aan het Vierwaldstädtermeer; die Napels hebt gezien zonder te sterven en Monte-Carlo zonder te spelen ... voor u herhaal ik:

“Nikko minai uchi wa, kikko to iuna!”

Ten 11 uur van Nikko vertrekkende, waren wij 4.15 te Tokyo en gingen precies 6 uur door met den nachttrein naar Kobe. We konden dus niets meer zien van Tokyo, zijne straten en paleizen, zijne [232] schouwburgen en bazaars, zijne tempels en museums, zijne parken en vijvers. Dat was wel jammer, doch kon niet verholpen worden. De plicht gebood ons terug te keeren.

Wij hadden trouwens al veel meer ongezien moeten laten, zelfs in de plaatsen die wij bezochten.

In den trein was eene restauratie-wagen, waar men zeer smakelijk kon eten. Overal electrisch licht en dito waaiers.

Wat de spoorwegen aangaat is alles hier uitstekend in orde. Op alle stations vindt men duidelijke aanwijzingen in de Japansche en Engelsche taal aangaande den loop der treinen. Bordjes vermelden het eerstvolgende station aan beide kanten, en den afstand tot begin- en eindpunt der lijn. Nergens behoeft men de rails over te steken, want zelfs op de kleinste stations leidt een ruime brug, geheel overdekt, naar het 2de perron. Blijkbaar zijn de zaken hier van het begin af goed aangepakt en was er een ruime beurs voorhanden. Maar de Japanners konden ook dadelijk van de nieuwste uitvindingen gebruik maken en zoo den langen lijdensweg vermijden, dien men vaak in andere landen bewandelt, waar men, met primitief materiaal begonnen, slechts langzaam en geleidelijk verbeteringen invoert en nieuw materiaal aanschaft.


Op den weg van Utsunomiya naar Nikko.

Rook- en dames-coupé’s mist men hier, maar die zijn eigenlijk ook overbodig; immers de dames rooken ook.

Wat de reden is, dat wij gedurende onzen zesdaagschen tocht geen enkele japansche dame in de 1ste klasse zagen, weet ik niet.

De trein was vrij vol. Maar mij in een flauwe bocht opschietende, kon ik toch heel goed slapen, wat ik dan ook bijna den geheelen nacht deed. Tegenover mij zat een cavalerie-officier, die op een gegeven oogenblik zijn gespoorde laarzen uittrok, zijn sabel afgespte en toen als een kleermaker op de bank ging zitten. En wij vonden het niet eens vreemd meer!

We hadden dezelfde route als op de heenreis, passeerden midden in den nacht Nagoya zonder wakker te worden en kregen, toen het licht werd, af en toe een mooi gezicht op het Bima-meer, nabij Kyoto, dat wij gaarne hadden bezocht.

Gedurende het korte oponthoud te Kyoto maakten de japansche reizigers hun toilet op het perron, waartoe een tiental kranen met bassins gelegenheid gaven. Broederlijk stonden de passagiers der drie klassen naast elkaar, wieschen gelaat en handen en poetsten hunne tanden. Wij echter verkozen de toiletkamer in den trein boven deze openbaarheid.

Weldra ging het weer verder, en het was niet zonder weemoed, dat ik het einde der reis zag naderen, ofschoon toch vol dankbaarheid voor al het genotene.

Eene waarschuwing van mijn reisgenoot maakte een einde aan mijne overpeinzingen; want daar roldonderde reeds de trein het station te Kobe binnen, precies op tijd, 15 uren en 20 minuten na zijn vertrek uit Tokyo, en een half uur later roeide een sampang ons aan boord, alwaar de dienst mij onmiddellijk in beslag nam.

Terwijl ik dit schrijf, ben ik reeds weder duizenden mijlen van Japan verwijderd. Doch nogmaals doorleef ik in den geest die onvergetelijke dagen in het Land der Rijzende Zon, en zie opnieuw dat merkwaardig volk, waarvan Percival Lowell zegt:

“De Japanner is verliefd op de Natuur, en het schijnt bijna alsof Natuur zijn stil gebed hoorde en hem goedgunstig tegenlachte; alsof het liefdelicht aan haar gelaat de verhoogde schoonheid verleende, die het geeft aan dat der vrouw.

“Want nergens ter wereld waarschijnlijk is zij beminnelijker dan in Japan: een klimaat van lange, gelukkige gemiddelden en korte uitersten; maanden van lente en maanden van herfst met slechts weinig weken van winter er tusschen; een land van bloemen, waar de lotus en de kers, de pruim en de wisteria welig groeien zij aan zij; een land, waar het bamboe-gras den ahornboom omstrengelt, waar de pijnboom eindelijk zijn palm gevonden heeft, en de tropische en gematigde zone hun scheidende eenzelvigheid vergeten in een langen, zelfverloochenenden kus”.



1 Spreek uit: Niko.

Reis naar de Nieuwe Hebriden en de Salomons-eilanden.

Naar het Fransch van

Dr. A. Hagen.

Officier van Gezondheid.


Gezicht in Nouméa.

De ontwikkeling van de kolonisatie op het fransche eiland Nieuw-Caledonië heeft er sinds lang den invoer noodzakelijk gemaakt van vreemde arbeiders. De exploitatie der nikkelmijnen, de verbouw van koffie, tabak en maïs dwingen den europeeschen kolonist, gebruik te maken van werkkrachten uit Oceanië.

De reeders uit Nouméa, de hoofdstad van Nieuw-Caledonië rustten dus vaak schepen uit, die naar de Nieuwe Hebriden en de Salomonseilanden gingen, om inboorlingen mee terug te brengen, voor zwaren arbeid geschikt. Ongelukkig hadden er daarbij misbruiken plaats; er werd met geweld opgetreden tegen weerspannige Kanaken, die niet gezind waren, hun geboorteland te verlaten en het dolce far niente op te geven, waaraan ze bij zich te huis waren gewend.

Het werd noodig, orde te stellen op die handelingen van zoogenaamde recruteering. Ik vervulde toen mijn kolonialen diensttijd op Nieuw-Caledonië. De heer Pardon, gouverneur der kolonie, wilde mij wel het toezicht op de genoemde emigratie toevertrouwen en benoemde mij tot regeeringscommissaris aan boord van de Lady Saint Aubyn en de Mary Anderson. Zoo heb ik verschillende reizen door den Stillen Oceaan gedaan en won daarbij allerlei inlichtingen in over de verschillende eilanden, die samen vormen de eilandengroepen der Nieuwe Hebriden en der Salomonseilanden.

Den 4en April 1891 ging ik aan boord van de Lady Saint Aubyn, een zeilschip van 150 ton.

Wij vertrokken op een reis van vele maanden naar weinig bekende landen, die zeer belangwekkend waren, en waarvan de bewoners nog boosaardige, woeste menscheneters heetten, die een zekere beruchtheid hadden gekregen door veel aanvallen op Europeanen. Maar dat zijn gevaren, waaraan men pas gaat denken op den dag, als ze zich juist voordoen; op het oogenblik van ons vertrek kenden we geen andere zorg dan de richting van den wind, want ons scheepje was niet voor stoom ingericht en onze grootste vijand was de tegenwind.

Wat dreigementen van de inboorlingen betreft, daartegen waren wij genoegzaam gewapend; de 200 geweren en 3000 patronen, die de Lady Saint Aubyn meevoerde, zouden ons in staat stellen, het antwoord niet schuldig te blijven, als wij werden aangevallen, en ons leven duur te verkoopen.

Zoodra we uit de haven van Nouméa waren, voeren we vlug voorbij het eilandje Porc-Epic, dat wel zijn naam van Stekelvarkeneiland verdient om de vele [234] pijnboomen, waarmee het bezet is en zetten onzen tocht voort langs het Zuiden der westkust van Nieuw-Caledonië. Er was daar niet veel plantengroei, en het aantal bewoners was gering sedert den opstand van 1878; maar deze kust bezit veel minerale rijkdommen, want nikkel en kobalt vindt men er in groote hoeveelheid, en van het dek van ons schip konden wij sporen ontdekken van oude en van nieuwe ontginningen.

Enkele inboorlingen voeren op zee rond, vroegen ons, waarheen wij gingen en wenschten ons goede reis. Zij kwamen van het Pijneiland met hun dubbele prauwen en waren op weg naar den zendingspost Saint-Louis, waar ze de mis zouden hooren. Vroeger was altijd de piloe-piloe met de gruwelijkste tooneelen van kannibalisme de reden van hunne bijeenkomsten en gaf aan hun feesten zulk een woest en afgrijselijk karakter.

De beschaving heeft hun zeden verzacht; maar dat is gegaan ten koste van het ras, dat meer en meer de neiging vertoont, om uit te sterven. “Er zijn geen Kanaken meer,” zei Pila, een groote, forsche en intelligente inboorling. “Vóór de blanken hier kwamen, hadden wij aardappelen en knollen in overvloed; nu worden wij van ons land verjaagd, of men doodt ons door middel van sterken drank.”

Tegen zes uur ’s avonds kwamen we in de Yré-baai.

De richting van den wind liet niet toe, het kanaal over te steken en in open zee te komen. Wij wierpen het anker in die baai uit, dichtbij het eiland Wen. Het eiland ziet er zeer bijzonder uit, en in de verte lijkt het, alsof het overal met den ploeg is bewerkt van boven tot beneden, ja tot op den top der hoogste heuvels. Doch weldra ziet men, dat niemand lust heeft gehad, daar te zaaien of te oogsten. De prospectors, de goudzoekers, hebben er den grond zoo omgewoeld bij hun zoeken naar nikkel in den bodem. Hoeveel slachtoffers heeft die mijnkoorts al niet op hare rekening, en hoeveel maakt zij er nog steeds, ook nu op Nieuw-Caledonië!

Het schijnt trouwens wel, of het eiland niets anders bevat dan steenen van chroom en kobalt; en men vraagt zich af, hoe de weinige inboorlingen leven, die er heen zijn gedeporteerd ten gevolge van den opstand van 1878. Gelukkig is de zee dichtbij, en de Kanaak is een goed visscher, zoodat de uitstekende visch hem voldoende schadeloos stelt voor ’t gemis van knollen en aardappels.

Op de ankerplaats aan de Yré-baai, toen niemand meer dacht aan de ellende van de zeereis, hadden wij ruimschoots gelegenheid, met elkander kennis te maken. Dus kan ik aan de lezers voorstellen, ten eerste B., onzen kapitein, een ouden zeerot, die al twintig jaren ongeveer in deze wateren vaart, een ervaren zeeman, maar een al te trouw dienaar van Bacchus; ten tweede Mac D., een Engelschman van iersche afkomst. Men kan zijns gelijke niet vinden in het winnen van het vertrouwen der Kanaken; hij kan hun de mooiste voorspiegelingen doen en hun ’t heerlijkst leventje voorspellen, als ze naar Nouméa mee willen gaan. Dat is het Beloofde Land, wordt hun gezegd, waar men nooit werkt en altijd eet, wat voor een inboorling de hoogste zaligheid is.

Ons verblijf op het eiland Wen duurde maar kort, en den volgenden morgen zette de Lady Saint Aubyn koers naar het Havannakanaal. Wij passeerden de Zuiderbaai, waar in zoete rust en in de verzekerdheid van een goede woning en goeden kost eenige honderden dwangarbeiders leefden, voor wie de regeering op moederlijke wijze zorgt. Als houthakkers werden zij aan het werk gezet bij het exploiteeren van de bosschen aan de Pronybaai, en hun arbeid zou den nijd kunnen opwekken van onze boeren uit de bosschen der Vogezen, wier leven zoo moeilijk is, en wier arbeid zoo slecht wordt betaald.

Toch zijn er eenige ontevredenen, en op het eiland Santa-Anna van de groep der Salomonseilanden, zullen wij drie van hen ontmoeten, die op deze afgelegen eilanden een schuilplaats zijn gaan zoeken, om tegen dwangarbeid beveiligd te zijn en voor de straffen van de bewakers. Zij hebben bij den ruil niet gewonnen.

Tegen den middag waren wij buiten den gordel van riffen, die Nieuw-Caledonië omgeeft. Nadat we het eiland Maré, een der Logally-eilanden, hadden verkend, wendden wij den steven naar de Nieuwe Hebriden, waarvan 300 mijlen ons scheidden.

Twee dagen hadden wij noodig, om dien afstand af te leggen; vier dagen na ons vertrek van Nouméa, lagen wij tegenover het eiland Tanna. Het werd ons al in de verte gewezen om zijn vulkaan, welks lichtend schijnsel wij wel 20 mijlen ver op zee konden waarnemen.

Wij gingen aan wal op de oostkust van het eiland. Op eenigen afstand gezien, bood het een zonderlingen aanblik aan. Rondom den vulkaan was de grond dor, volkomen kaal; noch plant, noch gras, noch boom kon men er bespeuren; maar op de noordelijke helft van het eiland groeide een prachtige plantengroei; er werd van alles door de inboorlingen verbouwd, en allerlei edele houtsoorten waren er in ruimen overvloed te vinden.

Onze eerste aanlegplaats moest Port Resolution zijn. Op den vastgestelden tijd, tien uur ’s morgens, ankerden wij bij den ingang der haven; rotsen beletten ons, er binnen te varen, want er was slechts een nauwe doorgang, bijna niet bruikbaar voor zeer kleine vaartuigen. Dit was oudtijds de eenige haven van het eiland; een schip vond er een veilige schuilplaats gedurende hevige stormen of cyclonen, die in den archipel zoo veelvuldig voorkomen in de maanden December, Januari en Februari. Maar in 1878 is ten gevolge van hevige aardbevingen de zeebodem opgehoogd, en de diepte bedraagt nu niet meer dan 1.5 à 2 M., terwijl er acht M. stond, toen Cook er een eeuw ongeveer geleden kwam. Nu kwamen de inboorlingen, die ons op grooten afstand hadden gezien, naar de Lady Saint Aubyn toe, om ons te waarschuwen tegen de gevaren, die elk schip bedreigen, dat zou willen binnenvaren.

Zoodra wij het anker hadden laten vallen, bracht een boot van het schip ons naar den wal; wij konden zien, welke wijzigingen de vulkaan achtereenvolgens aan de kust had teweeggebracht; een moerasje aan den linkerkant der haven was plotseling droog geworden, en wij zagen alleen de bedding; het had nu een zeer duidelijk in ’t oog vallende helling, en al het water was weggevloeid naar de zee. [235]

De inboorlingen, die in Port Resolution wonen, zijn ongeveer 300 in aantal, zij stonden spoedig allen om ons heen en vroegen ons zonder eenige schaamte of verlegenheid dadelijk om tabak en vooral om patronen, daar zij in oorlog zijn met de naburige stammen. Maar niemand van hen had lust, een verbintenis aan te gaan, ten einde in Nouméa te werken. Zij waren trouwens reeds tot het Christendom overgegaan en wel tot het protestantsche geloof, en de engelsche zendeling, die hier resideerde, overreedde hen niet te emigreeren, daar hij zijn kuddeke gaarne bijeen wilde houden.

Die herder was afwezig bij mijn bezoek; hij bracht in Engeland een zesmaandsch verlof door, dus kon ik aan zijn sierlijk woonhuis een bezoek brengen, dat, aan de linkerzijde der haven op een kleinen heuvel gelegen, groot en ruim van steen was opgetrokken en omringd was met een veranda en een grooten tuin, door de schaapjes van de kudde in orde gehouden. Van binnen was het huis deftig en geriefelijk gemeubeld, en ik vond er een welvoorziene bibliotheek, die den leeraar zeker in staat stelde, op amusante wijze zijn vrijen tijd te besteden. In het kort, de installatie liet niets te wenschen over, en ik kon niet laten, vergelijkingen te maken tusschen deze inrichting en die van onze fransche zendelingen, die in inboorlingenhutten wonen en wien het vaak hun prestige kost, dat zij hetzelfde leven moeten leiden als de inboorlingen.

Wij trokken door het Kanakendorp, dat aan den oever lag en wij konden er kennis maken met de zeden en gewoonten der bewoners. Bij onze aankomst lag een van hen op den grond en had zijn hoofd op een klein houten bankje gelegd; hij liet zich het haar vlechten door een anderen inboorling in kleine vlechtjes, die in den nek neerhingen. Dit is een bewerking, die een groote rol speelt in het leven van een inwoner van Tanna; het duurt een eindeloozen tijd en vereischt een geduld, als wij in ons oud Europa alleen aantreffen bij de zeer elegante dames, die zich zoo mooi mogelijk wenschen te maken voor een bal.

Die wilden besteden niet dezelfde zorg aan de bereiding van hun voedsel. Toen ik er was, zag ik hen op heetgemaakte steenen een grooten, achtarmigen zeepoliep braden; maar zonder te wachten, tot hij gaar was geworden, nam één van hen het dier en zette er zijn tanden in, terwijl een ander er ook naar greep, om zijn deel te krijgen; op een gegeven oogenblik scheurden de vijf om het vuur gezeten inboorlingen elkaâr het dier uit de handen en hapten er allen tegelijk in, als honden, die vechten om een been.

Zij eten ook aardknollen en bananen, en ik zag herhaaldelijk vrouwen, met die vruchten beladen, zich begeven naar den rechtschen kant der baai, ze laten de knollen namelijk gaar worden in de heetwaterbronnen, die er in menigte in het naburig gebergte worden aangetroffen, op welks top zich de krater bevindt. Die berg vertoont overal veel spleten, waardoor golven van stoom ontsnappen, gemengd met zwaveldampen. Men moet zeer voorzichtig zijn bij de bestijging; elk oogenblik loopt men gevaar te struikelen en in een dier spleten te vallen in onberekenbare diepte.

Wij gingen met een boot naar de Zwavelbaai, eenige mijlen van onze ankerplaats verwijderd en zoo genoemd naar de groote hoeveelheid zwavel, die men er vindt, en die eenige jaren geleden geleid heeft tot een poging ter ontginning van die terreinen. De baai is gewoonlijk uitgangspunt van de excursionnisten, die den vulkaan willen bestijgen, maar de herhaalde aanvallen van de inboorlingen dringen de toeristen, een talrijk gewapend geleide mee te nemen.

Het was ons niet mogelijk, voor den tocht tijd te vinden en wij stelden ons ermee tevreden, den vulkaan van het dek van ons schip te bewonderen. Op de ankerplaats van Port Resolution gevoelden wij zonder ophouden de schokken door de beving van de zeebedding aan ons anker meegedeeld of liever aan zijn ketting, en gedurende de vaart van Port Resolution naar Wassissi, die wij in één nacht volbrachten, konden we het schitterende licht waarnemen, dat uit den vulkaan uitstraalde en vele mijlen ver zichtbaar was. Ik genoot van een verheven schouwspel, toen ik eenige uren leunende tegen de verschansing, enorme steenen zag uitwerpen, die verscheiden honderden meters hoog werden opgeworpen, terwijl de gesmolten lava in stroomen langs de helling van den berg vloeide. Ik kreeg nog vrij wat stof over van het door den vulkaan uitgeworpen gesteente, en fijne stofdeeltjes drongen zelfs tot in de scheepshut door.

Wij legden te Wassissi aan in de diepte van een kleine, goed tegen den zuidoostenwind beschutte baai; twee honderd-vijftig inboorlingen wonen op deze plaats en leven geheel in wilden toestand. Ofschoon er zich een engelsche zendeling heeft gevestigd, blijven de inboorlingen weerspannig tegen zijn leer en nemen zijn raadgevingen niet aan. Van eenige beschaving is er bij hen nog geen sprake; daarvan is nog niets tot hen doorgedrongen; men bespeurt dat dadelijk, als men hun rudimentaire kleeding ziet, zooals zij naar de heerschende mode daar wordt gedragen. De mannen zijn zoo goed als geheel naakt. De vrouwen hebben enkel een gordel van pandanusbladeren, die om de lenden is geslagen bij de vrouwen, die moeders zijn, en de heupen onbedekt laat bij maagdelijke vrouwen.

Deze inboorlingen, die flink van bouw en zeer sterk zijn, zouden goede modellen zijn voor een beeldhouwer, sierlijkheid van vormen op prijs stellend en plastische schoonheid waardeerend. Men ziet zeer zelden zieken, en lepralijders, zooals er op deze eilanden zooveel voorkomen, treft men bij hen bijna niet aan; allen zijn ze gespierd en lenig.

Ons verblijf viel samen met den bananenoogst; deze is een voorwendsel voor openbare feestelijkheden. Wij vonden hier een mast om in te klimmen, behangen met geschenken, juist als bij nationale feesten in Europa. Men kiest daarvoor een vrij hoogen boom, aan welks takken op verschillende hoogten trossen bananen zijn opgehangen. Ieder inboorling moet tot den top erin klimmen en mag behouden, wat hij mee weet te nemen.

Ook voor het dansen bieden die feesten eene gelegenheid. Ik kon tegenwoordig zijn bij de dansen, waarin de schoone sekse in Tanna zooveel behagen schept. Alle leeftijden nemen er aan deel, van het kleine kind af, dat nog op de heupen der moeder wordt gedragen, tot het tandelooze oudje, dat zich zóó [236] de genoegens harer jeugd herinnert. De dames dragen lappen van alle mogelijke kleuren en vormen een kring, waarbij bij beurten een vrouw zich afzondert. Zij heft een lied aan, en de andere danseressen antwoorden, nu eens op haar toe tredend, dan met sierlijke bewegingen achteruit wijkend. Zoo doen zij een muziek hooren, die ver van harmonieus is, en waar iemand, die ze voor ’t eerst hoort, bijna doof van zou worden.

Ik bleef niet lang in het gezelschap van die nieuw-hebridische schoonheden, en ik begaf mij naar het strand der zee langs een voetpad, dat door de aanplantingen van den stam leidde. De velden waren goed onderhouden; er was geen onkruid te zien, en ze waren door rijen opgehoopte steenen beveiligd tegen de invallen van wilde varkens. Midden in het veld vond ik een kleine hoogte, waar voedingsmiddelen op waren neergelegd, aardappels, knollen, bananen en visschen. Mijn gids vertelde mij, dat die voorraad bestemd was voor de godin Teapolo, die den landbouw beschermde. Elke inboorling zorgt, dat zij hem gunstig is gezind, niet door te bidden, maar door haar geschenken aan te bieden, dan is hij er van verzekerd, dat zijn oogst goed zal zijn.


Port-Vila op het eiland Vaté.

Op het strand aangekomen, ging ik voorbij een klein huis, waarin ik mannen op matten zag liggen; hun heftig schitterende oogen en karakteristiek dronkemansuiterlijk deden mij zien, dat zij te veel hadden genoten van het brouwsel, dat de inboorlingen vervaardigen, de kawa. Elken avond tegen vier uur moet een jongen van ongeveer vijftien jaren de wortels van die plant kauwen; hij spuwt het sap uit in een daarvoor bestemden bak, waar hij het laat gisten. Dat is de inlandsche drank; ieder dorpeling, die den mannelijken leeftijd heeft bereikt, mag uit den voorraad drinken en hij heeft het recht, om in het gemeenschappelijke huis de gevolgen te laten voorbijgaan van dien sterk bedwelmenden drank, die op de Zuidzee-eilanden zoo algemeen wordt gedronken. Om de kawa klaar te maken, kiezen ze bij voorkeur een knaap, wiens gebit volmaakt in orde is; en ik heb hen een allernauwkeurigst onderzoek zien instellen naar zijn kaken, om te zien, of geen zijner tanden was aangestoken.

Te Wassissi heb ik voor de eerste maal gebruik moeten maken van het gezag, dat mij mijn functie als commissaris der regeering verschafte, om het nieuwe reglement, betreffende de emigratie, tot uitvoering te brengen. Ziehier, in welke omstandigheden. De super-cargo van ons schip had twee vrouwen gerecruteerd. Maar pas was ik aan boord teruggekeerd, of een Kanaak kwam een van haar, Yamé genaamd, opeischen. Hij beweerde, dat zij zijn vrouw was, en dat hij haar niet mee wilde laten gaan naar Nouméa, terwijl hij aanbood, den prijs voor haar ontvangen, terug te betalen. Ik ondervroeg Yamé, die mij antwoordde, dat die man haar echtgenoot niet was; zij weigerde categorisch weer aan wal te gaan.

Ondanks de smeekingen van den Kanaak en de tranen, die hij in massa stortte, ondanks de ontroering, die den man overweldigde, bleef Yamé onverbiddelijk en hield hare ontkenning vol. Toch vertrouwde ik haar woorden niet recht en ging informeeren bij de andere Kanaken. Zij vertelden mij, dat zij wèl zijn vrouw was, en dat zij zijn toestemming, om te mogen vertrekken, niet had gevraagd. Ik heb toen haar engagement moeten schrappen en moest haar teruggeven aan haar heer en meester. Ik vrees zeer, dat de ontvangen stokslagen haar niet zullen hebben genezen van haar zucht naar vrijheid en onafhankelijkheid. Maar de meest elementaire voorzichtigheid eischte, dat die vrouw aan haren man werd teruggegeven; maar al te dikwijls hebben de aanvallen op Europeanen tot oorzaak gehad een roof van weggevoerde Kanaken, zonder toestemming van den stam ontvoerd; onze opvolgers aan deze kusten zouden aan [238] weerwraak hebben blootgestaan, en ons gedrag zou die dan hebben uitgelokt.


Bananenfeest op het eiland Tanna.

Na Wassissi te hebben verlaten, voeren wij langs de noordelijke helft der oostkust van Tanna en om kaap Lamtahim heen, die bewoond werd door een onrustigen stam; wij hadden het voornemen, op de westkust het anker te laten vallen bij Sangalli. De invloed van den vulkaan is in dit deel van het eiland minder merkbaar; men bespeurt nog in de verte de wolk van rook, die Tanna steeds bedekt houdt en in niet onbelangrijke mate de meteorologische toestanden er wijzigt; alle voorspellingen der zeelui omtrent het te verwachten weder brengt die rook in de war. Maar het stof, dat uit de opening naar buiten komt, vliegt niet tot deze plek en verbrandt er de planten niet, terwijl de plantengroei er inderdaad vrij weelderig is en den top der heuvels zelfs bedekt.

Aan deze kust waren niet veel menschen; men moet tot aan het Zwarte Strand gaan op de westkust, om eenigszins belangrijke volksstammen te ontmoeten. Ik ging hier aan wal op den oever van een rivier, waar zoet water in overvloed te krijgen was; de gelegenheid was gunstig, om een uitstapje in het binnenland te doen. Een kronkelend pad volgend, dat door den regen van de voorafgaande dagen glibberig was geworden, ging ik door een dicht bosch, waar geen zonnestraal doordrong; de grond was er zeer vruchtbaar en humus was er in een laag van aanmerkelijke diepte afgezet. In een meer of minder ver verwijderde toekomst zal dit plekje een geschikt punt van uitgang zijn voor een proef met een landbouwkolonie; de uitstekende ankerplaats, de betrekkelijke gezondheid van de plaats, het goede rivierwater, dat men er heeft, en eindelijk de rijkdom van het land, al die omstandigheden zijn bij uitstek gunstig voor het welslagen van een europeesche kolonie.

Weldra naderden wij Sangalli, waar wij eenige dagen dachten te blijven. De ankerplaats was er niet uitstekend; van het dek van ons schip konden wij de overblijfselen zien van de engelsche stoomboot Fijian, die in 1887 schipbreuk heeft geleden; de passagiers hebben zich kunnen redden, maar het schip was geheel verloren en de lading werd door de inboorlingen geplunderd. Onze reeder verschaft zich er tegen lage prijzen voorwerpen van europeesch maaksel, als messen, couverts, groote en kleine lantaarns en allerlei levensmiddelen.

Zoodra de Lady Saint Aubyn het anker had uitgeworpen, zagen wij het hoofd Gemmy aankomen, wel bekend bij de kooplieden. Met een in flarden gescheurd hemd aan, zonder broek, met een pijp in den mond en op het hoofd een gibus, stapte hij aan boord, om ons zijn diensten aan te bieden tegen betaling. Het gezicht van een flesch jenever bracht een glimlach op zijn dikke lippen, en ’t ontvangen van een geweer zette zijn blijdschap de kroon op.

Wij hebben ons over zijn gedrag niet te beklagen gehad, en uit zijn stam konden wij enkele arbeiders tot meegaan bewegen. Maar hij had zich ons verblijf ten nutte weten te maken, en de herinnering aan onze goedgeefschheid zal lang levendig bij hem blijven. Zoolang wij daar bleven, werd hij aan onze tafel toegelaten, en hij trok er de aandacht, zoo niet door uitgezochte zindelijkheid, dan toch door een onverzadelijken eetlust en onleschbaren dorst. Hij zag ons met leedwezen vertrekken en gaf ons zelfs de plechtige belofte, schitterend wraak te zullen nemen op een van zijn buren, een aanzienlijk hoofd, Maki geheeten, wiens onverwachte aanval ons haastig tot vertrek had doen besluiten.

Ziehier, wat er gebeurd was. In den namiddag tegen 4 uur, terwijl een onzer walvischsloepen bezig was te recruteeren op de zuidwestkust van het eiland Tanna beneden Sangalli, had de andere sloep zich naar de noordwestkust begeven. Deze laatste was aan land gegaan juist op de plek, waar de Fijian schipbreuk had geleden. Plotseling werden verscheiden geweerschoten gelost door de inboorlingen op het strand; een matroos kreeg een kogel in het linkerbeen, zoodat hij drie dagen later aan tetanus stierf. De boot keerde dadelijk naar boord terug, na eenige geweerschoten te hebben gewisseld met de aanvallers. Ik stelde een onderzoek in. Het hoofd van den vijandelijken stam beweerde, dat een vrouw uit zijn dorp was gevlucht en zich op ons schip had verborgen. Hij was in den morgen er geweest, om haar te zoeken, en toen hij haar niet had kunnen vinden, vertrok hij in de overtuiging, dat wij haar hadden verborgen.

Hij was weer naar den wal gegaan en had ons aangevallen, om zich te wreken over een roof, dien wij niet hadden gepleegd. Overigens werd deze kust altijd als hoogst gevaarlijk aangewezen; de Nouméa, de Télégraphe en nog een schip uit Queensland hadden herhaaldelijk zich over de inboorlingen te beklagen.

Bij zulk een reis ter afsluiting van huurcontracten met inboorlingen is het voorzichtig, zoo gauw mogelijk te vertrekken, als dergelijke gevallen zich voordoen, want dat zijn slechte voorteekenen. Het schijnt, dat er dan dadelijk een teeken wordt gegeven, dat het geheele eiland over wordt verstaan en dat het consigne blijkt, om alle verkeer tusschen de vreemdelingen en den vasten wal te breken.

Wij maakten ons dadelijk zeilklaar en verlieten Tanna, na even Kwamera te hebben aangedaan in het Zuiden van het eiland. De inboorlingen zijn er rustig, en zijn bekeerd tot het protestantisme. Zij doen aan landbouw, dus konden wij er allerlei voorraad opdoen, oranjes en bananen, suikerriet en knollen.

Wij wendden ons naar het eiland Erromango, dat 35 mijlen ongeveer van Tanna was verwijderd. Een krachtige zuidoostenwind bracht ons weldra in het gezicht der westkust, en om elf uur ’s avonds voeren wij de Cooksbaai binnen, na om de Verraderskaap te zijn heengezeild, zoo genoemd door den beroemden engelschen zeevaarder, die er door de inboorlingen werd aangevallen. Wij bleven den geheelen nacht onder zeil; de baai is zeer weinig beschut en men kan er dus enkel bij windstilte landen, terwijl men ieder oogenblik gereed moet zijn, weer zee te kiezen.

Om zeven uur ’s morgens zette een boot ons in de buurt van het dorp aan land; die kust is nog al bevolkt en wij merkten drie stammen op, aan de baai gevestigd. Eertijds waren de bewoners zeer gevaarlijk en zonder op te klimmen tot den aanval, waaraan Cook indertijd blootstond, zou ik kunnen [239] herinneren aan den zendeling Gordon, die er in 1869 gedood werd met knotsslagen, en nog korter geleden aan de bemanning van een engelsch schip, die er in 1875 vermoord en opgegeten werd.

Bij ons bezoek liepen vreemdelingen niet meer zooveel gevaar; de invloed van den zendeling, aan de oostkust gevestigd in de Dillonbaai, heeft zich tot hier doen gevoelen; hij heeft in de dorpen enkele scholen gesticht, en de onderwijzers brengen den inboorlingen beschavingsdenkbeelden bij. Wij kunnen dus onbevreesd aan land gaan en met hen betrekkingen aanknoopen.

Wij kwamen op een Zondag in de Cooksbaai; de inboorlingen, al half bekeerd, hadden hun mooiste kleederen aangetrokken; mannen en vrouwen hadden de nationale kleeding, bestaande uit een lapje of gordel van pandanenbladeren, vaarwel gezegd. Nu dragen beide seksen hemden en broeken, en de jonge dames van Erromango zijn hoogelijk ingenomen met gekleurde jurken, hoeden met veêren en zelfs met het corset. Ik geloof, dat de winkels van Nouméa hier al hun overtolligheden slijten. Zoo dan al het schaamtegevoel bij deze transformatie der zeden heeft gewonnen, in schilderachtigheid zijn die menschen er niet op vooruitgegaan. De originaliteit dezer eilanden gaat langzamerhand te niet, en weldra zal de beschaving den eigenaardigen stempel hebben doen verdwijnen, die hen nog onder de aandacht deed vallen.

Onze werving had er niet veel succes; een enkele inboorling wilde meegaan naar Nouméa; maar hij vroeg, of het schip voor anker wilde blijven liggen, want hij kon geen contract sluiten op Zondag; hij mocht geen betaling aannemen op een dag, die geheel en al moet zijn gewijd aan overdenking en godsdienstoefening.

Weldra verlieten wij deze streken, die reeds al te beschaafd waren, en in de richting van de Dillonbaai varend, volgden wij de noordkust van het eiland en een gedeelte van de westkust.

Erromango zag er meer begroeid uit dan Tanna, het eiland is boschrijker en niet zoo vulkanisch en bergachtig als het andere, er zijn wel enkele heuvels in het binnenland; maar men heeft er ook vlakten waar aan veeteelt zou kunnen worden gedaan. Daarbij is het eiland goed besproeid, en de kust is gemakkelijk toegankelijk.

Als men bij de Dillonbaai komt, ontdekt men aan den oever der rivier de prachtige installatie van den protestantschen zendeling R., die sedert 1872 op het eiland woont; in de buurt is een kerk gebouwd, waar men op een houten bord kan lezen, welke feiten Engelands aandacht op dit eiland hebben gevestigd en het zoo bekend hebben gemaakt. Sedert 1839 zijn vijf anglicaansche zendelingen gedood door inboorlingen uit Erromango.

Langen tijd ging dit eiland door voor het gevaarlijkste van de groep der Nieuwe Hebriden. De Kanaken werden voorgesteld als de bloeddorstigste en gevaarlijkste wilden uit den geheelen archipel. Vijftig jaren geleden ongeveer kwamen op Erromango veel Europeanen; in de Dillonbaai kan men nog de overblijfselen vinden van eene belangrijke vestiging, bestemd voor de exploitatie van sandelhoutaanplantingen. Die werkte er van 1855 tot 1864, en van dien tijd dagteekent de vijandige gezindheid, bij de bewoners opgemerkt, waardoor niet alleen onder de zendelingen, maar ook onder de toevallig aankomende zeevaarders zooveel slachtoffers zijn gemaakt.

Inderdaad werpen de handelingen, door de houtinzamelaars volbracht, om arbeiders te krijgen, hun blijkbaar kwade trouw bij het sluiten van handelsovereenkomsten, de moord op veel inboorlingen voldoende licht op de daden van geweld, door de inboorlingen begaan, en op de weerwraak, door hen genomen op onschuldigen, met hun leven boetend voor de misdaden van anderen.

Aan boord van ons schip luisterde ik naar de mededeelingen van onzen werver F., die vroeger ambtenaar was in een exploitatiezaak van sandelhout, en hij zei tot mij: “Als dit eiland Erromango spreken kon, zou het dingen kunnen vertellen, die iemand de haren zouden doen te berge rijzen”.

Het scheen mij toe, dat de bevolking er minder dicht was dan op Tanna; volgens ter plaatse ingewonnen inlichtingen heeft men er ongeveer 2500 inwoners, waarvan 1200 tot het Christendom bekeerd zijn en 1300 nog heidenen zouden wezen. Maar de vorderingen, die de zendeling R. maakt, zijn niet weg te cijferen, en langzamerhand dringt zijn invloed door tot in de afgelegenste gedeelten van het eiland. Zoo heeft hij drie-en-dertig kleine zendingsposten in ’t leven kunnen roepen, geleid door een dergelijk aantal vermaners, en toen ik er was, had hij reeds 150 kinderen gedoopt.

Ik hoop, dat deze pogingen tot het maken van proselieten volkomen slagen; zij zullen mogelijk de ontvolking van het eiland tegengaan, waar sinds dertig jaren het aantal bewoners van 3000 tot 2000 is gedaald. Ik heb kunnen waarnemen, dat de inboorlingen van Erromango minder forsch zijn dan die uit Tanna. Hun gestalte is kleiner, hun kleur donkerder; ze zijn magerder en hebben een minder gezond gestel dan hun buren; de wapens, die zij gebruiken, als bogen en pijlen en knotsen, zijn kleiner en geheel in overeenstemming met den tengerder lichaamsbouw, die bij alle bewoners valt op te merken.

Uit het oogpunt van het intellect, komt dit ras mij het minst ontwikkeld voor van die, welke ik nog in den archipel heb ontmoet. De inboorlingen beoefenen in ’t geheel geen industrie, en hun verstand is niet ontwikkeld. Men bemerkt, dat zij den invloed niet hebben ondervonden van de Polynesiërs, die op de andere eilanden de autochthone bevolking hebben opgeheven, haar nieuw bloed hebben bijgebracht en haar in alle opzichten hebben vooruitgeholpen. De Kanaak uit Erromango is nog de zuivere Negrito of wel de Papoea, die nog in niets is veranderd, die vrij gebleven is van elken vreemden invloed en een der laagst staande rassen vormt van de groote menschenfamilie.

De gezondheid van ’t klimaat op het eiland is verschillend op de oost- en de westkust; de Cooksbaai lijkt gezond en wel geschikt voor eene europeesche vestiging; maar daarentegen hebben mijn tochten in en om de Dillonbaai mij overtuigd van de ongunstige ligging dier plaats. Het dal is vruchtbaar, en de rivier brengt zoet water aan in overvloed, maar miasmen worden ontwikkeld op de moerassige [240] oevers der rivier, en de baai ligt te zeer beschut voor de heerschende zuidoostenwinden. Het verbaasde mij niet, dat de heer R. en zijn gezin ziek waren tijdens ons bezoek en zich genoodzaakt hadden gezien, tot herstel van gezondheid de australische koloniën op te zoeken.

Van Erromango voeren wij naar het Noordwesten en stevenden naar het eiland Vaté of Sandwich, waarvan wij ongeveer 70 mijlen verwijderd waren. Het deed mij genoegen, dit eiland nogmaals aan te doen; vier jaren geleden was ik er een half jaar gestationneerd geweest met nog een luitenant en vijftig soldaten. Dat was in den tijd, toen Frankrijk den archipel in bezit had genomen en posten had gevestigd te Vaté en te Mallicolo. Maar het verzet van Engeland en van de presbyteriaansche zendelingen leidden tot de ontruiming van het land door onze troepen, en ik had met leedwezen moeten aanzien, hoe onze driekleur er was verdwenen.

Twee dagen, nadat wij Erromango hadden verlaten, verkenden wij het Sandwicheiland. Cook beschouwde het als de parel van de groep der Nieuwe Hebriden en het verdient dien naam, terwijl de beschrijving, die hij ervan geeft, zich niet aan overdrijving schuldig maakt. Dit is het voor den landbouw ’t best geschikte eiland; men vindt er breede, goed besproeide dalen, waar de grond verrassend rijk en vruchtbaar is; de heuvels dragen niet veel bosschen, maar er zijn weidenrijke plateaux, en op veel plaatsen wacht de grond er maar op, in cultuur te worden gebracht, om de overvloedigste oogsten te leveren. De kolonist behoeft hier geen voorbereidenden arbeid te doen, hij vindt een ontgonnen terrein en dadelijk na zijn aankomst kan hij er maïs en koffie gaan planten. De noordwestkust is rijk aan zeer goede, veilige havens; alleen voor de oostkust ligt een gevaarlijke klip, maar die is best te vermijden.


De reede van Franceville of Port-Vila.

Wij voeren de Pangobaai binnen en zouden bij Port Vila voor anker gaan, een haven, zoo ruim, dat er wel een vloot in geborgen kon worden. Het is ’t belangrijkste punt van de groep der Nieuwe Hebriden, bestemd voor eene groote toekomst, en nu reeds neemt het een eerste plaats in, wat handel en landbouw betreft.

Port-Vila is dan ook de hoofdstad der Nieuwe-Hebriden, centrum van de kleine, fransche kolonie, die de natuurlijke schatten van den grond exploiteert en deze eilanden, die zoo rijk en productief zijn, voor Frankrijk wil trachten te winnen. De naam Franceville, die der plaats ook wel wordt gegeven, herinnert aan het moederland en aan de gevoelens, die onze landgenooten koesteren voor Frankrijk, waarvan zij door 6000 à 7000 mijlen land en zee gescheiden zijn.

Ondanks hunne grootere getalsterkte zijn de inboorlingen als verloren onder de blanken, die Port-Vila bewonen; zij zijn voor ’t grootste deel verwezen naar de twee eilanden Vila en Mélé, die wij tijdens ons verblijf alhier nog willen bezoeken.

Vijftig Europeanen ongeveer wonen te Franceville; zij behooren tot verschillende nationaliteiten; men ziet er Franschen, Zweden, Engelschen, Noren, Amerikanen en Duitschers. Allen doen aan landbouw en drijven handel.

Ons eerste bezoek gold den agent van de Compagnie Calédonienne, die te Anabroe woont. Die maatschappij, in 1882 opgericht, heeft veel grondgebied verworven in den Archipel; zij heeft kantoren ingesteld op de verschillende eilanden en houdt zich ernstig bezig met het stichten van landbouwkoloniën.

De vertegenwoordiger van de maatschappij, de heer A., stelde vriendelijk een paard te mijner beschikking, en zoo kon ik een prettig wandelritje doen door de aanplantingen; er gingen verscheiden uren met een rit over de plantages heen. Tegenwoordig zijn reeds 30000 H.A. in cultuur; 120000 koffieboomen geven een jaarlijksche opbrengst van 40 tonnen en 1000 kokospalmen zullen het volgend jaar voor ’t eerst vruchten leveren. [241]


Residentswoning te Franceville op Vaté.

Het was een waar genoegen, het binnenland van Vaté of het Sandwich-eiland in te gaan, dat vroeger geheel aan de inboorlingen was overgelaten en nu bijna uitsluitend door Europeanen is bezet, die de natuurlijke hulpbronnen er exploiteeren; daar zijn er onder hen, die zich met geduld en volharding een zoo niet schitterende, dan toch zeer dragelijke positie hebben veroverd.

Zoo kwamen wij te Freshwater, reden door bananenaanplantingen, die zeer winstgevend zullen zijn, zoodra de kolonisten de vruchten ter markt zullen kunnen brengen te Sydney en te Melbourne en dus met voordeel zullen kunnen wedijveren met de voortbrengers op de Fidsji-eilanden. Na de Freshwaterrivier te zijn overgegaan, bereikten wij het dorp Tagabé, door onze landgenooten bewoond. Zes jaren geleden ongeveer liet een fransche kolonisatie-maatschappij naar Port-Vila een groep kolonisten uitgaan, die lust hadden in landverhuizing en die elders eens hun fortuin wilden beproeven. Sommigen werden al gauw ontmoedigd en keerden naar het moederland terug; anderen, die zich niet lieten afschrikken door tegenspoed en inspanning, bleven en hebben ten laatste het welvarende dorp gesticht, dat er nu is verrezen.

Elk van hen heeft een kleine bezitting, waarop hij een huisje heeft gebouwd met bijgebouwtjes voor varkens en kippen; enkele woningen waren artistiek versierd; er was een engelsche tuin aangelegd met nette paden, grasvelden en keur van bloemperken.

Allen leefden van de opbrengst van hun land; hun koffieaanplantingen, en de bouw van bananen en maïs leverden hun een welstand, die hun in Frankrijk niet zou zijn te beurt gevallen; hun bestaan is vrij en onafhankelijk en kent geen dwang van conventie of mode, waardoor in Europa zooveel individueel initiatief wordt tegengehouden.

Ik kwam te Franceville terug en begaf mij naar de woning van den ouden maire dier plaats, den heer C. De blanken te Port-Vila vormen inderdaad een afzonderlijke groep, met een burgemeester en verdere ambtenaren, die de aangelegenheden van openbaar belang behartigen; de quaesties omtrent de wegen, de reiniging, de haven worden bestudeerd, en binnen korten tijd zal men goede rijwegen te Port-Vila hebben, leidend naar andere centra van kolonisatie.

Er is zelfs sprake van, een weg te leggen naar den anderen kant van het eiland, naar Port-Havannah, en het zal een weg zijn voor allerlei vervoermiddelen geschikt. Zoo vertelt mij de heer C., dien ik reeds had leeren kennen op een vorige reis. Hij noodigde mij uit, zijn bezitting te gaan zien, die in de laatste jaren aanmerkelijk was vergroot, en stelde mij voor, den volgenden dag met hem een uitstapje naar het inlandsche dorp Mélé te maken. Ik nam het aanbod gretig aan, was precies op tijd op de afgesproken plaats, namelijk om zes uur ’s morgens voor den winkel van de Maatschappij der Nieuwe-Hebriden.

Wij deden den tocht te paard. Port-Vila is het eenige punt op de Hebriden, waar men van die beweegkracht gebruik kan maken; er zijn sinds eenige jaren paarden ingevoerd van het eiland Norfolk. Zij bewijzen er groote diensten, want nu kunnen de kolonisten te paard hunne uitgebreide plantages bezoeken. Bij ’t verlaten van Port-Vila kwamen wij in een bosch, waarvan de dichte boomen den mooien weg, die naar het dorp Mélé leidde, heerlijk tegen de brandende zonnestralen beschutten.

Na een half uur verlieten wij het bosch en kwamen uit vlak bij de Pangobaai, waar rustig ons schip, de Lady Saint Aubyn lag. Wij volgden het strand, en na nog een paar plantages te hebben bezichtigd van zweedsche families, die er reeds vijf-en-twintig jaren woonden, kwamen we bij een open ruimte, waar vijf- of zeshonderd inboorlingen schreeuwden [242] en gesticuleerden en zich aan allerlei lichaamsverdraaiingen te buiten gingen.

Dat waren de bewoners van het dorp Mélé, die door hun dansen den aardknollenoogst vierden. In rood en in wit katoen gekleed, met veêren in het haar en een rood en zwart beschilderd gezicht, ieder met een knots en een paar messen gewapend, stonden ze in vier of vijf gelederen en kwamen al zingend naar voren, met de voeten trappend op de maat van inlandsche trommels.

Hun muziekinstrumenten zijn allermerkwaardigst; ’t zijn holle boomstronken, vastgezet in den grond, met gaten er in geboord, die onderling verbonden zijn door verticale spleten; van boven zijn ze versierd met allerlei snijwerk, dat een voorstelling geeft van vogels en andere dieren, schepen enz. Door op die trommels te slaan met stevige stokken, weten ze vrij afwisselende geluiden in de maat voort te brengen.

Die dansen en die muziek zijn zeer gewild bij de inboorlingen der Nieuwe-Hebriden; bij elken stam zijn er, evenals in onze fransche dorpen, enkele jongelui, die den boel aan den gang maken en de feesten geanimeerd houden; zij zijn ongevoelig voor vermoeienis en warmte, en altijd gereed, om opnieuw te beginnen.

Alleen over dag houden zij zich met die genoegens bezig, en een uur na onze aankomst hielden de dansen op en de inboorlingen keerden naar hun hutten terug. De dansen werden telkens aangemoedigd door grijsaards, die op den grond zaten en nu en dan opstonden, om de vermoeiden te laten drinken en de drukst dansenden te complimenteeren.

Zij, die op het eiland Mélé zich met die dansen bezighielden, woonden niet op het hoofdeiland maar op een klein dor eilandje in de baai, waar bijna geen water en geen groen te vinden waren. Daar vertoeven zij en gaan alleen aan wal, om hun velden te bebouwen. Wat zou de oorsprong van dit gebruik zijn? Waarom hebben zij zich afgezonderd? Ik zou het niet kunnen zeggen, en ik denk, dat zij in vroeger tijden in strijd zijn geraakt met de naburige stammen en dat ze zich op het eilandje moesten verschuilen voor de aanvallen van hunne tegenstanders.

Wij volgden hen, en door een bootje overgebracht, gingen we bij hun woningen aan wal. De bevolking van het eiland Mélé schijnt nog niet spoedig te zullen uitsterven; wij werden omringd door kinderen van elken leeftijd, jongens en meisjes, die elkander duwden en stieten, om ons beter te zien. De kleine kinderen waren geheel naakt en betrekkelijk vrij zindelijk, als wij ze vergeleken met de bewoners van Tanna en vooral van Erromango. Overigens verschilt dit ras van dat der andere eilanden, zoodat ik er wel toe geneigd ben, voor waar aan te nemen de traditie, die wil, dat Mélé bevolkt is geworden tachtig jaren geleden door een schip, dat van Nieuw-Zeeland kwam en schipbreuk leed in de Pangobaai. Hun physieke eigenschappen, hun taal en ook hun gewoonten herinneren sterk aan die der Polynesiërs.

Wij verlieten die eilandbewoners en kwamen op het groote eiland terug, waar wij onze paarden terugvonden, rustig grazend onder de hoede van een paar Kanaken. Een vlugge galop bracht ons in anderhalf uur naar Franceville terug.

Zoodra ik aan boord was, maakte ons schip zich voor het vertrek gereed, nadat wij afscheid hadden genomen van de beminnelijke kolonisten van Port-Vila, en de Lady Saint Aubyn zette koers naar Port-Havannah, de belangrijkste plaats van het eiland Vaté na Port-Vila. Wij zeilden met moeite om de Duivelskaap heen, die de noordwestelijke begrenzing van de Pangobaai vormt; het was nog al een gevaarlijk punt vanwege een klip, die ver in zee vooruitstak. Op die klip was kort te voren een schip van de Nieuw-Hebridische Compagnie vergaan.

We voeren voorbij kaap Tu-ku-tu, bewoond door een fransche familie, die een landbouwkolonie bestuurt; koffieboomen en kokospalmen en bananen waren in de laatste jaren daar aangeplant, zoodat die bezitting een der belangrijkste van de Nieuwe-Hebriden belooft te zullen worden. Het is een doel voor uitstapjes van toeristen uit Port-Havannah, die zeker zijn, door den heer H. goed te worden ontvangen.

Uit wat ik hier heb meegedeeld, kan de lezer wel afleiden, dat een reis naar het eiland Vaté niet lastig of moeilijk is; de Europeanen, die er wonen, zijn blij, eens gastvrijheid te kunnen bewijzen aan iemand, die hun een bezoek brengt. De inboorlingen zijn er zachtzinnig en vreedzaam en beschouwen de Europeanen volstrekt niet met een wantrouwend oog. Ongelukkig kan deze beschrijving alleen voor het eiland Vaté gelden. Op de andere eilanden der groep, bij voorbeeld op Tanna en Erromango, ontmoetten wij slechts wilde, gevaarlijke inboorlingen, en men moet dan uiterst voorzichtig zijn bij de betrekkingen, die men wel genoodzaakt is met hen aan te knoopen, want elk oogenblik kan er een moeilijkheid ontstaan, die den reiziger herinnert aan de waarheid, dat deze archipel, dien hij bezoekt, gelegen is aan den anderen kant van de beschaafde wereld.

Zoodra men Tu-ku-tu voorbij is, bemerkt men het eiland, dat het Hoedeiland wordt genoemd naar den vorm, dien het met zijn laag gebergte vertoont, of dat ook wel het Entrée-eiland heet, omdat het den weg aangeeft, welken men heeft te volgen naar Port-Havannah,

Wij voeren de Zuiderstraat of de Groote Straat binnen, en na enkele oogenblikken bemerkten wij aan het kalme water en den getemperden wind, dat we in een goed beschutte haven waren binnengekomen. Port-Havannah was nog niet duidelijk te zien. Wij ontdekten de eilanden Déception en Protection, die aan alle zijden de haven omsluiten, maar de huizen der kolonisten en hun winkels waren nog niet te zien. Die gebouwen werden verborgen door de kaap, die Kaap van het Witte Zand heette. Daar woonde de engelsche presbyteriaansche zendeling Mac., wiens geest zoo weinig evangelisch is gestemd en die een zoo krachtigen haat tegen Frankrijk koestert.

Wij lieten aan stuurboord die kaap liggen, waar de engelsche vlag boven wapperde, en bemerkten weldra de eerste huizen van Port-Havannah. Wij ankerden tegenover de magazijnen van de Caledonische Maatschappij. Ik zag deze plaats met genoegen terug, waar ik zes maanden van mijn leven had gesleten met dappere soldaten, die door moeraskoortsen gekweld werden, maar die trotsch waren, het eerst de driekleur op deze eilanden te hebben geplant.

Onze nationale vlag heeft er echter slechts eenige maanden gewapperd; zij heeft zich moeten terugtrekken [243] voor britsche aanmatiging, en wij hebben het moeten bijwonen, dat de huizen verwoest werden, waar onze matrozen hadden verblijf gehouden. Nu zag ik er geen spoor meer van.

De groote vlakte, waar Port-Havannah was gelegen, zag er niet meer zoo druk en levendig uit als vroeger; de belangrijkheid van het punt was sterk verminderd in de laatste jaren, en de handels- en landbouwinrichtingen zijn nu alle geconcentreerd te Port-Vila.

Toch scheen deze haven eens een groote toekomst te gemoet te gaan. De reede is veilig; de vlakte wordt bespoeld door twee rivieren, die zoet water van uitstekende hoedanigheid leveren; er zijn weiden, die voldoende voedsel geven voor de honderd-vijftig stuks vee, welke er grazen onder de hoede van eenige inboorlingen.

Ik ontmoette te Port-Havannah mijn ouden vriend Mackintosh, hoofd van het Déception-eiland; hij vertelde mij eenige van zijn gouvernementeele rampen. Hij stond oudtijds aan het hoofd van een belangrijken stam, waarover hij een volstrekt en onbeperkt gezag uitoefende; sedert de engelsche zendeling is aangekomen, hebben zijn onderdanen hem langzamerhand in den steek gelaten en ze zijn gaan wonen in het dorp bij het huis van den heer Mac.

Wij konden niet hopen, veel contracten te sluiten met de inboorlingen van Vaté; ze zijn tot het Christendom bekeerd en wel tot de denkbeelden der presbyteriaansche zendelingen; die laatsten beletten hen het landverhuizen en houden het op alle manieren tegen, dat de jonge lieden van daar gaan. Zij vreezen, dat het reizen hen onafhankelijker zal maken en den invloed zal verkleinen van de predikers der christelijke leer. Alleen de bewoners van Lélépa op het Protection-eiland bleven ongevoelig voor de vermaningen van den anglicaanschen zendeling en behielden ondanks alles het geloof hunner voorouders.

Het werk der zendelingen, de invloed der Europeanen en de herhaalde aanraking der inboorlingen met de blanken hebben het moreele en intellectueele peil der bewoners van het Sandwich-eiland doen stijgen. Hun materieele leven is er niet weinig op vooruitgegaan en hun maatschappelijke verhoudingen zijn tevens verbeterd. Toch zien wij hier, evenals op Nieuw-Caledonië, een geleidelijke vermindering van het ras der Kanaken; stammen, die ik in 1887 had ontmoet, bestonden niet meer, en het blijkt maar al te duidelijk, dat deze Zuidzeevolken onvermijdelijk ten ondergang zijn gedoemd. In acht-en-twintig jaren is het bevolkingscijfer van 8000 op 3500 gedaald.

Mijn bezoek bij het hoofd Mackintosh van het Déception-eiland heeft mij in die meening niet weinig versterkt; die vervallen grootheid bracht mij naar de plek, waar zijn stam had gewoond, op den top van den hoogsten heuvel van het eiland. Wij kwamen er langs een lastig voetpad, dat naar een nu verlaten dorp geleidde, waar vroeger een volkrijke vestiging was. We zagen er een twintigtal verlaten en in puin vallende hutten. Een enkel huis had weerstand geboden aan den tijd, en merkwaardig genoeg was dat juist het huis, dat het meest iemand moest interesseeren, begeerig om de zeden der inboorlingen te leeren kennen, nu die zeden en gewoonten langzaam, maar zeker, te loor gaan bij de aanraking met de blanken.

In dit huis toch hadden vroeger de tooneelen plaats, die dit eiland om zijn kannibalisme zoo berucht maakten. Mackintosh diende mij tot gids en wees mij op de balken, die het dak steunden. Zij waren gebeeldhouwd aan hun uiteinde en vertoonden de vormen van vogels, bijlen, messen en andere figuren. Het hoofd vertelde mij, dat aan elk dier figuren de herinnering aan een kannibalenfeest verbonden was.

Sedert de komst der Europeanen zijn die treurige gewoonten geheel verdwenen; maar ik zou bijna durven beweren, dat Mackintosh, zoo afkeerig van vreemden invloed, dien goeden, ouden tijd betreurt en met genoegen den tijd zou zien terugkeeren, toen zijne onderdanen nog niet hun culinaire gewoonten hadden veranderd.

In 1872 werd op het eiland Hinchinbrock, niet ver van het Sandwicheiland, nog een Maleier gedood en opgegeten.

Wij verlieten het Déceptioneiland, om den Lélé-Pastam te bezoeken, die op de zuidelijke punt van het Protectioneiland woont; wij zagen er inboorlingen, die wenschten scheep te gaan bij ons, om het werk van matrozen te verrichten; het zeemansleven behaagde hun zeer, maar zij weigerden hun land te verlaten, om bij den landbouw of bij het werk in de mijnen te worden gebruikt. Men ziet er dus niet velen in Australië of Nieuw-Caledonië.

Zij hebben hun plantages op het Sandwicheiland tegenover het Protectioneiland en drijven handel in aardvruchten met de kolonisten van Port-Vila en Port-Havannah; wij kochten er eenige matten en armbanden van hout en schelpen. De kleeding der bewoners bestond slechts uit een gordel van pandanusbladeren; als versiering droegen ze een varkenstand, met een touwtje om den hals vastgebonden, of ook wel een oesterschelp.

Zij leefden in vrede met de naburige stammen, stonden ons met genoegen de wapens af, die hun voorvaderen hadden gebruikt en verkochten ons een voorraad messen en pijlen met in het vuur geharde punten.

Gedurende onzen terugkeer naar Port-Havannah bezochten wij het Rahni-station. Het was vroeger een belangrijke bezitting, waar veel koffie en maïs werd verbouwd; er waren vruchtboomen geplant en ondanks verwaarloozing gaven ze nog heerlijke vruchten. Het Sandwicheiland is inderdaad in ’t bijzonder bedeeld met natuurschoon, en de grond brengt er mildelijk allerlei tropische producten voort.

Er zou niet veel inspanning worden vereischt, om aan Rahni zijn oorspronkelijken bloei terug te bezorgen; de grond is ontgonnen en men zou zonder veel moeite het huis, dat nu vervallen is, kunnen herstellen; een gezin van jonge, werkkrachtige menschen zou er zich kunnen vestigen en er een landbouwkolonie stichten. Men zou dan het eerste pionierswerk niet meer behoeven te doen, dat het budget van den kolonist vaak al te zeer drukt en geen onmiddellijk voordeel aanbrengt.

Wij gingen de woning van den engelschen zendeling voorbij en bespeurden weldra het huis, dat ik in 1887 bewoonde en dat langen tijd het eenige bewoonde verblijf op het eiland Vaté was. Vroeger waren er geïnstalleerd geweest een familie uit Australië deze menschen wilden beproeven, er katoen en indigo te verbouwen. [244]

Er werden groote werken uitgevoerd en zelfs werden met enorme kosten stoommachines overgebracht uit Sydney. Eenige jaren lang scheen het, of Port-Havannah eene groote toekomst te gemoet ging. Ongelukkig bleek het klimaat te ongezond, en de amerikaansche concurrentie maakte, dat er van de mooie plannen weinig terecht kwam; de onderneming liep op eene liquidatie uit.


Gastmaal van Franschen.

Wij zouden nog wel langer daar hebben willen blijven en een bezoek hebben willen brengen aan den heer G., die op de oostkust de eerste koffieaanplanting heeft aangelegd, niet enkel de eerste op Vaté, maar in den geheelen archipel. Zijn voorbeeld is gevolgd door de andere Europeanen, want spoedig leerden de planters inzien, dat die cultuur zeer winstgevend was vanwege de nabijheid der groote centra Sydney, Melbourne en Adelaïde. De verkoop der koffie is altijd verzekerd in die groote plaatsen en aan den anderen kant vereischt de koffie, als zij eenmaal geplant is, niets dan wat onderhoud en geeft reeds van het vierde jaar af een overvloedigen oogst.

Ons bezoek aan het Sandwicheiland was afgeloopen. Ik was er lang genoeg geweest, om mij te overtuigen van het gewicht, dat Franschen en Engelschen aan het bezit van het eiland hechten. Herhaalde malen was er sprake van een verdeeling van den archipel der Nieuwe-Hebriden tusschen de beide volken, maar altijd werd het eiland Vaté of het Sandwicheiland door beide mogendheden opgeëischt, waarbij Groot-Britannië zijn recht grondde op de aanwezigheid zijner zendelingen, Frankrijk op die zijner kolonisten.

Ik geloof geen onjuistheid te zeggen, als ik beweer, dat mijn landgenooten het meest er toe hebben bijgebracht, om de natuurlijke hulpbronnen van het eiland te ontginnen en dat zij drie vierden van het grondgebied in bezit hebben.


De fransche kolonie te Port-Vila.

De degelijke exploitatie van Vaté dateert pas van den dag, waarop de Nieuw-Caledonische maatschappij, te Nouméa opgericht, haren arbeid begon op de Nieuwe-Hebriden. De zending der kolonisten vanwege die Maatschappij heeft misschien niet al die resultaten opgeleverd, die men het recht had, er van te verwachten met het oog op de opofferingen, die men zich had getroost, maar alles is toch niet verloren moeite geweest, en enkelen van die uitgezonden kolonisten hebben zich tot een aardigen welstand opgewerkt.

Onze belangen dateeren dus van vóór die der Engelschen.

Port-Vila heeft, wat de beteekenis van den handel betreft, Port-Havannah vervangen, maar toch zal dit laatste punt in de toekomst altijd belangrijk zijn om de haven, die groote veiligheid aanbiedt en om de rivieren met zoet water, die men er in de buurt vindt. Of die rivieren ook later als beweegkracht te gebruiken zouden zijn, moet nog nader worden onderzocht.

Van Port-Havannah sloegen wij eene noordwestelijke richting in en verlieten de reede door den nauwen doorgang tusschen het Deception- en het Protectioneiland. Wij waren voornemens, het noordelijk deel van de groep der Nieuwe-Hebriden te bezoeken en stevenden naar het eiland Api. De zuidoostenwind blies voor ons in gunstige richting; de Lady Saint Aubyn legde met gemak acht knoopen in het uur af, en 36 uren na ons vertrek uit Port-Havannah kregen wij het eiland Api in het gezicht. Gedurende dien korten overtocht konden wij op een afstand de eilanden der Twee Heuvels waarnemen, het Maï-eiland, waar drie stammen woonden, die [245] ieder een eigen dialect spraken, en het eiland Muna. Er is daar niet veel te zien; de bevolking vermindert gestadig; de eilanden leveren zoo goed als niets op en ze zijn zoo klein, dat men hun ook geen betere toekomst mag voorspellen.

Wij lieten het anker vallen in de Diamantbaai, aan de zuidwestkust van Api; de engelsche boot Hector, uit Maryborough in Queensland, lag in dezelfde baai voor anker; zij bracht een zeker aantal Kanaken van verschillende eilanden uit den archipel naar hun respectieve woonplaatsen terug. In deze baai moest het schip een inboorling en zijn vrouw afzetten, die drie jaar te voren aangenomen waren bij een stam in het binnenland; het paar had intusschen een baby veroverd, op engelschen grond geboren.

Alle drie gingen aan land, in hun mooiste spullen uitgedost; de man droeg een deftige jas uit een of ander australisch modemagazijn, hij droeg een horloge met vergulden ketting op een smetteloos wit vest; maar hij had bloote voeten. De vrouw liep onder een vuurroode parasol en zag er met haar kanten japon met sleep en strooken uit als een danseres uit een paardenspel, altijd met bloote voeten, wel te verstaan.


Inboorlingen van het eiland Paama.

Maar pas waren ze aan wal gegaan in hun geboorteland, of de inboorlingen aan de kust verzameld, maakten zich meester van hun koffers en deelden den inhoud onder elkander, en binnen eenige minuten waren de stumpers beroofd van de opbrengst van hun arbeid van drie jaren; de australische jas en de roode parasol wekten de begeerigheid op van het hoofd van den stam, die er zich krachtens het recht van den sterkste van meester maakte. Zóó is nu eenmaal de ontvangst, die de inboorlingen wacht, wanneer ze na kortere of langere afwezigheid in hun land terugkeeren. Wat zij hebben overgespaard in den vreemde en de waren, die zij meebrengen, worden aan de plundering van de landgenooten prijs gegeven. Behooren ze tot een stam uit het binnenland, dan moeten ze zich gelukkig achten, wanneer de inboorlingen van de zeekust hun het leven laten en hen rustig laten vertrekken naar hun geboorteland.

De tegenwoordigheid van de Hector was hinderlijk voor onze wervingsbezigheid; wij maakten ons zeilreê, om bij kaap Foreland weer het anker te laten vallen in een door die kaap beschutte baai. Een klein zoetwaterstroompje liep er door een vruchtbaar dal, dat echter nog weinig bebouwd was; de bevolking is er echter vrij talrijk en drijft een drukken handel in kokosnoten met een handelaar uit Jersey, die sinds eenige jaren op het eiland woont; een engelsche zendeling woont er dichtbij en beproeft, maar met slechts matig succes, den inboorlingen zijne geloofsovertuiging bij te brengen.

Wij recruteerden een paar jongelingen en een kleinen jongen van een jaar of zes, die zijn vader en zijn moeder had verloren en opgedragen was aan de zorg van een oom. Deze kon hem niet langer te eten geven en wenschte hem te verhuren voor den [246] arbeid te Nouméa. Het was een goed werk, dat aanbod aan te nemen, want het stond te vreezen, dat die oom, dien het verveelde den knaap te onderhouden, hem op een goeden dag een gewelddadigen dood zou doen sterven.

De kleine Kanakenjongen ging met genoegen mee; zijn vroolijk, intelligent gezichtje straalde van blijdschap, en ieder had plezier in hem. Onze reeder hield hem later bij zich en wilde er een jockey van maken, bestemd te schitteren op de nieuw-caledonische renbaan.

’s Nachts wist een onzer pas aangeworven arbeiders te ontsnappen; hij zwom naar den wal, maar was niet zoo beleefd geweest, ons het handgeld terug te geven. Er zal nauwlettender toezicht moeten worden gehouden, en de inboorlingen zullen bij zonsondergang in het tusschendek worden opgesloten.

Wij zeilden nu naar Pané op dezelfde kust; maar terstond bij aankomst zagen we aan het strand in den grond gestoken palen, taboes, die vrouwen en jongelieden moesten waarschuwen, niet mee te gaan met de schepen der fransche wervers. Ziehier, welke reden ons voor dat verbod of die waarschuwing werd opgegeven. Twee maanden te voren had een engelsch schip Alice and Mary veertig inboorlingen, tot den stam uit Pané behoorend, aangeworven. Het had schipbreuk geleden op de kust van Mallicolo, en de Kanaken waren verdronken. Nu mocht voor een vastgestelden tijd geen inboorling zijn dorp verlaten; zóó hadden het de toovenaars van den stam beslist.

Onmiddellijk zetten wij koers naar de Yémubaai tegenover het eilandje Lamenu; een vrij aardig huis werd zichtbaar aan de kust; het was de woning van een nieuw-caledonischen kleurling, die een belangrijke aanplanting van maïs en koffie had aangelegd. Hij gebruikte als arbeidskrachten Kanaken van de naburige eilanden. Zijn plantages lagen in een zeer vruchtbaar dal, besproeid door een rivier, die steeds voldoende water had.

Mijn tochtjes over het eiland in verschillende richtingen deden mij tot het besluit komen, dat het eiland Api het vruchtbaarste van den archipel was. De grond is er rijk; de humuslaag op den rotsgrond heeft eene aanmerkelijke dikte bereikt, en zoo is er een weelderige plantengroei ontstaan, en de rivieren zetten aan hun oevers een groote hoeveelheid slijk af, die nieuwe vruchtbaarheid brengt. Het eiland Api wordt goed besproeid en heeft vrijwat stroomende watertjes, want eveneens is het gesteld te Foreland, Pané, Yému; maar ongelukkig is er geen enkele haven, wel heeft men aan deze kust bruikbare ankerplaatsen.

De geheele bevolking van het eiland kan op 18.000 zielen worden geschat. Zij zijn tenger en klein, en velen van hen hadden wonden op het lichaam, die zij door bepaalde planten er op te leggen, trachten te genezen. Zij hebben den naam van erg wraakzuchtig te zijn en hebben zich berucht gemaakt door herhaalde aanvallen op Europeanen. Zoo is er bijna geen enkel punt op Api, waar men met vertrouwen kan landen, en men moet de grootste waakzaamheid in acht nemen. Vele nachten heb ik aan den wal geslapen, altijd met revolver en patronen binnen mijn bereik.

In de Yémubaai zag ik de inboorlingen op een dag vereenigd bij gelegenheid van een hunner feesten of sinn-sinn. De mannen hadden om het middel een enkel touw, waaraan een koker van schors was bevestigd; enkelen van hen hadden het tot een wollen hemd of vest gebracht. De vrouwen uit het binnenland hadden niet anders aan of om, dan een gordel van bananenbladeren, maar die van de kust waren in een lap katoen gehuld.

Elke inboorling was gewapend met een knots of met een rond mes. Hoewel de bewoners van Api niet zoo beslist oorlogszuchtig zijn als die van Tanna, voeren ze dikwijls strijd tegen elkander. Het is dan een oorlog met hinderlagen; er worden diepe kuilen in den grond gegraven en een inboorling, door den hoofdman van den stam aangewezen, moet er in gaan liggen en den vijand afwachten, als hij voorbijgaat.

Hun instinct is tot menscheneten maar al te zeer geneigd, en als ze die kannabalistische> neiging kunnen bevredigen, gaan ze daarbij aldus te werk. Van een gevangene wordt de romp aan de jonge lieden afgestaan; de ingewanden zijn bestemd voor de varkens en de honden; de mannen krijgen de ledematen. Vrouwen mogen aan dergelijke barbaarsche maaltijden niet deelnemen.

Altijd gaan die maaltijden met feesten en dansen gepaard. Een koopman, die reeds lange jaren op Api woont, gaf mij een beschrijving van de dansen. Het costuum van het hoofd bestaat dan uit een groote bloem, in ieder oor gestoken, een veêr in de haren, een tak in den gordel, een laag verf op iedere wang en op het puntje van den neus. Hij houdt in zijn linkerhand een zeker aantal lansen vast en in de rechter zwaait hij een knots. Dan loopt hij rondom de inlandsche trommelslagers, en danst en springt, terwijl de muzikanten met behulp van twee stukken hout hun trommels slaan en een helsch rumoer maken.

De hoofden hebben veel autoriteit; het heet, dat zij alleen de kunst verstaan, de pijlpunten te vergiftigen.

Ons verblijf te Yému was nog al gunstig voor onze werving; we konden een tiental Kanaken recruteeren. De Lady Saint Aubyn wendde zich daarna naar de westkust en wij voeren door de straat, die het eiland van Ambryn scheidt. Daar zagen wij een bezitting van een Europeaan, die kort te voren door de bewoners van het eiland Paama vermoord was geworden. Wij ankerden in de Groote Baai.

Onder de stammen van Mangliao, Apwe en Baap hoopten wij velen te werven; maar zoodra wij waren aangekomen, kwam er een boot van den wal, en de inboorlingen, die er in zaten, vertelden ons, dat sedert de komst van de onderwijzers of vermaners, door den zendeling van Foreland gezonden, de stammen van Mangliao en Apwe zich aan zijn gezag hadden onderworpen. Dus hadden ze besloten, geen verbintenissen naar buiten meer aan te gaan, en men gaf ons den raad, zoodra mogelijk den terugtocht te aanvaarden. Toch bleven wij een paar dagen, en het gelukte ons, drie inboorlingen mee te krijgen, afkomstig uit het dorp Baap.

De Groote Baai van Api zou gunstig gelegen zijn voor eene europeesche vestiging; er is een zeer mooie plantengroei; de bosschen hebben veel bruikbaar hout, en de Kanaken hebben reeds goede bananenaanplantingen aangelegd. Wat het klimaat en de [247] gezondheid betreft, deze verschillen naarmate men aan de eene of aan de andere kust van het eiland is. De noordkust en de noordwestkust, blootgesteld aan de uit zee komende winden, schijnen in een uitstekende conditie te verkeeren; maar de zuidkust en die in het Zuidwesten, die de luchtstroomen opvangen, nadat deze gestreken zijn over Paama, Lopévi, May, Tongoa, Shepherd, zouden voor een Europeaan, die er langen tijd moest vertoeven, allerverderfelijkst kunnen worden. Dit is echter slechts mijn persoonlijk gevoelen; de ervaring kan later misschien tot een ander oordeel leiden.

Ons bezoek aan Api was afgeloopen. Wij zouden nu het eiland Paama aandoen en voeren voorbij het eilandje Lopévi, waarvan de suikerbroodvorm zeer opmerkelijk was. Het is van vulkanischen oorsprong en bereikt wel een hoogte van 1650 M.

Van tijd tot tijd kwam er uit den top van den berg rook; maar wij konden in ’t voorbijgaan de omtrekken verder niet nauwkeurig onderscheiden. Het bestaan van dien vulkaan bevestigt een vrij zonderlinge opmerking, die in dit deel van Oceanië is gemaakt, namelijk dat de werkzame vulkanen in een lijn zouden liggen, die, van Tanna uitgaande, een noordwestelijke richting zou inslaan en zich dan zou aansluiten bij Lopévi en Ambrym op de Nieuwe-Hebriden, bij de zwavelbronnen van Vanua-Lava en de kraters van Urépara-pasa en Tinakula op de Bankseilanden. Die lijn zou eene lengte hebben van een duizendtal K.M. ongeveer.

Het oude vulkanische karakter van Lopévi verklaart de weinige vruchtbaarheid van het eilandje; er wonen niet veel menschen. Tachtig à honderd inboorlingen verbouwen een en ander op een kleine landtong in ’t Noordwesten. Zij onderhouden geregelde betrekkingen met de Kanaken van het eiland Api, wier taal zij spreken.

We hadden niet veel tijd noodig, om de westkust van Paama te bereiken en het anker te Liro uit te werpen, een eiland, dat 10 K.M. lang en ongeveer 4 K.M. breed is. Het is dus niet zeer groot, maar wel is het dicht bevolkt; na enkele oogenblikken was het dek van ons schip overstroomd door een massa luidruchtige Kanaken, blij, dat ze ons hun producten konden verkoopen in ruil voor tabak, pijpen en lucifers. Die beleefdheid, ons zoo spoedig te bezoeken, voorspelde wat goeds; zij verdreef onze achterdocht ten opzichte van deze inboorlingen, die in den ganschen archipel geen al te besten naam hebben. Sedert langen tijd kon geen schip Paama naderen, of het werd met geweerschoten ontvangen. Het zou mij misschien gemakkelijk vallen, een verklaring voor die vijandige gezindheid te vinden in het volgende feit. Een tiental jaren geleden beproefden bewoners van het eiland, die met geweld waren aangeworven, hun vrijheid terug te krijgen aan boord van het schip, dat hen meevoerde naar Australië. De bemanning sloot hen toen op in het ruim en doodde hen allen; “ze werden als ratten vermoord”, zei bij gelegenheid van de rechtzaak de advocaat-generaal van Nieuw Zuid-Wales.

Het verbaast mij dus niet, dat er herhaaldelijk aanvallen zijn gedaan door de Kanaken op Europeanen en dat zij zich krachtig verzetten tegen een vaste vestiging van vreemdelingen op hun eiland; oorlogsschepen hebben de dorpen daarbij wel eens gebombardeerd, en bij mijn bezoek heb ik voor een pak tabak een bom kunnen koopen, die afgeschoten was door het fransche adviesjacht D’Estrées. Van een Man oui oui, zei de inboorling, die het voorwerp mij bracht. Wij, Franschen, worden namelijk door de bewoners van de Nieuwe-Hebriden als de Man oui oui aangeduid, en zoo werd mij bekend gemaakt, dat een fransch schip het schot had gelost.

Wij voeren vlug om het eiland heen en bleven op onze hoede, want ieder inboorling is gewapend met zijn Snidersgeweer en zou niet aarzelen, ons een poets te bakken, als onze waakzaamheid ook maar even verflauwde.

Het land was goed bebouwd; aanplantingen liepen tot aan de zee voort, en men zamelde er in grooten getale de vruchten van den broodboom in. Al is er dus een dichte bevolking, gebrek wordt er niet geleden, en deze inboorlingen zijn forsch en krachtig. Het is waarschijnlijk, dat men hier niet veel sympathie zal hebben voor de vreemde koloniën. Geen der inboorlingen wilde tot landverhuizing besluiten; allen bleven bestand tegen de velerlei aanlokking, hun door ons voorgehouden, als ze te Nouméa wilden komen werken.

Wij verlieten het eiland Paama om zeven uur ’s morgens. Terwijl ons schip onder zeil bleef, trachtten de kleine booten de oostkust van Ambrym te naderen bij den stam Pemedial, maar de toestand der zee belette het aan wal gaan; daarbij was de kust steil, en onder den invloed van de heftig blazende zuidoostenwinden sloegen de golven met kracht tegen de loodrechte rotsen. Het was nutteloos, een poging te wagen, om met het land gemeenschap te onderhouden. Wij voeren langs de zuidkust en ankerden daar tegenover het station van Dick A.

Dat personnage is een Engelschman, die al lange jaren in den archipel woont en alle eilanden bereisd heeft. Hij kent uitstekend de havens der Nieuwe-Hebriden en ook die der Salomonseilanden. Daar het ons plan was, aan die laatste groep een bezoek te brengen, was onze kapitein er op gesteld, aan boord van de Lady Saint Aubyn iemand te hebben, die ervaring had van de streek en ons van goeden raad kon dienen. Hij vond dien in den persoon van Dick A., die snel zijn bagage inpakte en met zijn trouwe levensgezellin, een Kanakenvrouw van het Pinkstereiland, aan boord kwam. Zij was door elephantiasis aangetast, miste alle uiterlijk schoon, maar was vol toewijding voor haren meester.

Toen ik naar boord terugkeerde, was ik aan het strand tegenwoordig bij de werving van twee vrouwen, die, zooals zij zeiden, blij waren het eiland te kunnen verlaten, om aan de slechte behandeling van hunne echtgenooten te ontkomen. Die laatsten, verlokt door het gezicht van de goederen, die wij hadden aan te bieden, gaven hunne toestemming, en de beide vrouwen zwommen naar ons schip toe; één van haar nam een kindje van een paar maanden mee; zij verliet haar dorp, zonder zich te laten verteederen door de tranen van hare oudste dochter, die bij haar vertrek tegenwoordig was en haar wilde terughouden.

De inboorlingen van dit eiland zijn klein en welgevormd; [248] zij hebben een opgewekt, vrij intelligent uiterlijk, maar hebben den naam van korte metten te maken met lastige blanken, niet door geweerschoten te lossen, maar door middel van vergif. Ik geef die laatste bewering slechts onder voorbehoud, en geloof dat de vele sterfgevallen aan het klimaat moesten worden toegeschreven en niet aan misdadige handelingen. Hoe het zij, men heeft deze inboorlingen te Nouméa graag als werkkrachten, ze worden uitnemende arbeiders.

Ze wonen hier in kleine dorpen aan het strand der zee of in het binnenland op de berghellingen. Hun woningen zijn nog uiterst primitief, maar toch voldoende om hen te beschermen tegen de ongunst van het weder. Het binnenland is zeer schaars bevolkt, een gevolg van de aanwezigheid van den vulkaan. Op den top van een der bergen heeft men een krater, die rook laat ontsnappen; maar de uitbarstingen zijn niet aanhoudend zooals op Tanna, en ik passeerde het eiland menigmaal, zonder het minste of geringste teeken te bespeuren, dat van de werkzaamheid van het onderaardsche vuur getuigde.


Inboorlingen van het eiland Ambrym vóór hun huis.

De geologische gesteldheid van Ambrym verklaart de geringe vruchtbaarheid; de grond is poreus, zandig en dor, en er is weinig water op het eiland; zoet water is er alleen in gegraven plassen, en er stroomt geen enkele rivier; dus is de plantengroei schraal, gelijkend op dien van Tanna in de buurt van Port Resolution en Wassissi. Toch wonen er nog zeven of acht Europeanen; ik ontmoette hen op de verschillende plaatsen, waar wij stilhielden, bij Malo, Creig Cove, Dip Point, Rhanone; ze dreven allen handel in copra, door middel van schepen die op Nieuw-Caledonië of Australië voeren. Enkelen worden er rijk, en ik hoorde dikwijls spreken van F., die alleen op de noordwestkust woonde en schitterende zaken deed.

Te Dip Point bezocht ik de inrichting van zulk een copramaker, een industrie, zeer algemeen in den archipel der Stille Zuidzee en die wel even nader mag worden beschreven.

Men vindt die copramakers op alle eilanden, maar vooral op Ambrym en Aoba. Waar komen zij vandaan? Dat weten ze vaak zelf niet of ze houden het zorgvuldig geheim. Nu eens is het een Portugees, die er voor altijd van heeft afgezien, ooit naar de oevers van de Taag terug te keeren; dan een voorzichtige Engelschman, wien een bezoek aan de Theems voor altijd is verboden, of wel een Franschman, die het eiland Nou van nabij kent en al te compromitteerende betrekkingen heeft te Nouméa; soms ook is het een gouvernementsambtenaar, die niet snel genoeg carrière heeft gemaakt en uit den dienst is gegaan, en men ziet er ook wel jongelui, die door de familie in den steek zijn gelaten. Voor al dezulken zijn de Nieuwe-Hebriden het beloofde land; ze vinden er geen wetten, geen gezag en geen regeering; gendarmen en politie zijn er nog niet ingevoerd; ieder leeft er zooals het hem behaagt, regelt zelf zijn zaken zooals hij wil, en behoeft zich nooit te ergeren over de langzaamheid van de rechtsspraak.

Levend in een hut, door de inboorlingen gebouwd, koopt zoo iemand alle kokosnoten die hem worden gebracht en zoekt voor de eenzaamheid troost bij de flesch. Veel heeft hij niet te doen; het blijft bij eenig toezicht op de beide Kanaken, die hij gewoonlijk in dienst heeft, om de noten in tweeën te splijten. Elke helft wordt aan de zon blootgesteld of aan de hitte van een vuur en het gedroogde vleesch wordt daarna uit de noot gehaald en heet copra. Dat product wordt naar Marseille vervoerd en doet er dienst bij de zeepfabricatie. [297]


Inboorlingen van het eiland Spiritu Santo.

Vanaf de kust van Ambrym bespeurt men in het Westen een vrij lang, bergachtig eiland, Mallicolo, welbekend op het oogenblik der bezetting, omdat daar een zekere J. woonde, die door de inboorlingen werd gedood. Zijn dood diende tot voorwendsel voor het zenden van soldaten, die de veiligheid van onze landgenooten moesten waarborgen. Er werd te Port Sandwich een post gevestigd. Nu wendden wij ons naar die plaats, na op Ambrym onze taak te hebben volbracht.


Personeel van een planter van Mallicolo.

Dick A. diende ons tot loods en leidde ons zonder aarzeling in de straat, die uitkwam in de ruime baai van Port-Sandwich. Eerst voeren wij langs de Maskelyne-eilanden, ten zuiden van Mallicolo gelegen. Men deed er aan vischvangst, en de Europeanen die er woonden, met name de heer Mac L., vonden daarin zelfs een bestaan. Wie in deze streken vertoeft hoort vaak van den laatste spreken; zijn naam komt telkens weer voor in de gesprekken, niet alleen van blanken, doch ook van Kanaken. Hij is een der laatste vertegenwoordigers van die groep handelaars, die onder de namen van walvischvaarders, sandelhoutinzamelaars, houders van slavenschepen oudtijds in dezen archipel berucht werden en door hun zeeschuimerij en hun willekeurig optreden de vijandige gevoelens tegen de blanken deden ontstaan, die nu nog bij de inboorlingen worden opgemerkt.

Hij was dertig jaren geleden zonder een cent in den archipel gekomen en bezit nu een vermogen van eenige millioenen, verkregen door den handel met de inboorlingen, toen er nog in ’t minst geen regel daarin was gebracht; en gelukkige speculaties met grond hadden het hunne tot zijn fortuin bijgedragen. Uit staatkundig oogpunt was hij een verbitterd vijand van den franschen invloed, en hij streed daartegen al lange jaren met de grootste geestkracht; van zedelijkheidsstandpunt kende hij geen scrupules, zooals gebleken is uit de quaesties, die hij had met de [298] Caledonische Maatschappij. Zóó is de heer Mac L., wiens naam door elken reiziger dadelijk nadat hij aan wal stapt wordt vernomen; ik moest hem wel met een paar woorden teekenen, en ik heb hem dikwijls ontmoet.

Maar om terug te komen op de Maskelyne-eilanden, er zijn er daarvan drie. Oudtijds waren ze bewoond door een talrijke bevolking, maar nu zijn ze zoo goed als verlaten, en we zagen slechts nu en dan eens een boot langs de kust varen. De weinig teergevoelige wervers hebben menigmaal gewapende expedities naar den wal gezonden, die de inboorlingen met geweld meevoerden, de dorpen verbrandden en zelfs vóór hun komst overal schrik en angst verspreidden in de bewoonde oorden. Aan die daden van zeeroof moet de ontvolking van vele eilanden worden toegeschreven.

Wij kwamen te Port-Sandwich en legden aan in een prachtige, goed beschutte haven. Wij waren daar in een betrekkelijk beschaafd land; ’t is de hoofdstad van den archipel, de stad der pretjes op de Nieuwe-Hebriden; daar ontmoeten elkander de coprahandelaars van de naburige eilanden en komen er hun opgespaard geld verteren. Men kan er waarnemen, hoe zakken copra omgezet worden in kisten jenever, tot groot genoegen van die echte drinkers van den Stillen Oceaan.

Wat is Port-Sandwich? Enkele huizen aan weerskanten van de baai, één winkel van de Caledonische Maatschappij, een kolendepôt, een kade, dat is het eenige, wat er nog te zien is in die veiligste haven van de geheele eilandengroep. Maar men moet niet op den schijn afgaan; feitelijk wordt daar veel handel gedreven, schepen van alle nationaliteiten laten er het anker vallen en brengen er leven en beweging; zij laten er koopwaren achter, nemen de producten van het land in en brengen die naar Nouméa, Sydney, Queensland of de Fidsji-eilanden.

Het is ook een centrum der landbouwkolonisatie. Ik ging aan land, om den heer G., agent van de Nieuwe-Hebridenmaatschappij een bezoek te brengen. Hij verheugde zich erin, mij de aanplantingen van maïs en koffie te kunnen vertoonen, door hem in het leven geroepen, in ’t belang der maatschappij die hij vertegenwoordigde. Hij bood mij allervriendelijkst gastvrijheid aan, en in de schaduw van het aardige huis op het strand heb ik prettige oogenblikken gesleten en ik heb er, beter dan mij aan boord mogelijk was, mijn aanteekeningen van de reis kunnen uitwerken.

Er zijn niet veel Kanaken te Port-Sandwich, en men moet naar het binnenland gaan om eenigszins talrijke groepen aan te treffen. Wij zetten dus koers naar de westkust van Mallicolo, passeerden weer de Maskelyne-eilanden en sloegen vervolgens eene noordelijke richting in. De westkust vertoonde een dor, verlaten aanzien. De Nieuwe-Hebriden zijn over ’t algemeen merkwaardig om hun weelderigen plantengroei, om hun prachtige bosschen, zich uitstrekkend tot het strand der zee, en men staat verbaasd over den rijkdom van den grond, bedekt met zoo velerlei planten en zulke reusachtige boomen. Maar in dit gedeelte van Mallicolo is de toestand niet zoo liefelijk; de kust is er steil en wordt gevormd door kale rotsen, verdord er uit ziende en geschroeid door den fellen zonneschijn. Wel ziet men in de diepte een paar groene heuvels, maar men moet vrij ver in het binnenland doordringen, om geschikten bouwgrond aan te treffen. Kokospalmen komen aan het strand weinig voor, en de Kanaken hebben geen enkele aanplanting gewaagd.

In de baai in ’t Zuidwesten, waar wij hadden geankerd, wordt de natuur iets beter, dank zij den drie rivieren, die er zich in zee storten en door nog al vruchtbare dalen stroomen. Zelfs ziet men na ’t passeeren van de rots aan den ingang der baai bouquetten van kokospalmen, die de inlandsche dorpen voor het oog verbergen. Nauwelijks hadden wij op eenige meters afstands van het dorp het anker laten vallen, of wij zagen talrijke booten met inboorlingen op ons afkomen, luidruchtig op de Lady Saint Aubyn aanroeiend. De aanblik van die Kanaken was zonderling; allen hadden ze verbazend puntig toeloopende hoofden, glimmende, met kokosvet ingesmeerde haren en armbanden, van parelen of van varkenstanden gemaakt. Die puntige vorm van den schedel is kenschetsend voor de bewoners van Mallicolo. Dit was het eenige punt, waar ik die eigenaardige misvorming heb aangetroffen, die een gevolg is van bepaalde manipulaties, op de hoofden der kleine kinderen toegepast. Er worden daarvoor banden van boomschors gebezigd, die om de hoofdjes worden gewikkeld, om er den gewenschten vorm aan te geven. In een der booten zag ik een zoo toegetakeld klein kindje.

Ik heb talrijke wapenen aangekocht, want de inboorlingen hier verkochten gereedelijk hun knotsen en pijlen en bogen. De knots is van zeer hard hout gemaakt, en heeft een lengte van ongeveer een meter, op het eind uitloopend in een kraagje, dat tot steun dient voor de hand; de bogen werden gespannen met vezels van bananen.

Deze inboorlingen hebben een groote vaardigheid in het maken van pijlen, en zij kunnen ze, heet het, vergiftigen; die, welke ik heb kunnen koopen, waren opgeborgen in een doos, die de punten verborg, zoodat men zich er niet aan kon verwonden. Zij zijn overtuigd van de werkdadigheid van het gif, maar ik kan zeggen, dat de proeven, met die pijlen genomen, niet konden doen besluiten tot de aanwezigheid van eenig vergif. Hoe het zij, zij passen de volgende methode toe, met het doel de pijlen te vergiftigen. Zij halen uit een bepaalden boom een kleverig sap, waarmee zij de pijlpunt bestrijken; vervolgens nemen ze wat aarde, afkomstig van een ongezonde plek of uit een moeras van wortelboomen en laten de punt daarin eenigen tijd staan. Vervolgens wordt alles in de zon gedroogd.

Die wapens hebben den naam van zeer gevaarlijk te zijn. Toen ik ze uit de doos haalde, om ze te bezien, gingen alle inboorlingen, die in een kring om mij heen stonden, ver uiteen en waarschuwden mij voor het gevaar, dat mij bedreigde, als ik ook maar het geringste wondje kreeg. Toch zou het misschien voorbarig en gevaarlijk zijn, ze als volkomen onschadelijk te beschouwen. De voorbeelden van den commodore Goodenough, van bisschop Patteson en van veel Europeanen, die aan tetanus of spierkramp [299] overleden ten gevolge hunner wonden, zijn nog van te recenten datum, dan dat men de vraag van de al of niet vergiftigheid als opgelost zou kunnen bespeuren.

De inboorlingen van de zuidwestelijke baai hadden juist bezoek gehad van een duitsch werfschip van de Samoa-eilanden; doch niemand van de bewoners had zich willen laten aanwerven wegens de slechte behandeling, die de arbeiders in de werkplaatsen op die eilanden ondervinden.

Bovendien had eenige jaren geleden Duitschland een oorlogsschip gezonden, om den moord van een Duitscher te Mallicolo te wreken; de herinnering aan de kanonkogels had de duitsche vlag niet populair gemaakt bij deze inboorlingen. Zoo althans luidden de inlichtingen, mij verstrekt door een inboorling, die drie jaar op de Samoa-eilanden had gewoond.

Mijn wandelingen over het eiland voerden mij een paar keeren naar een dorp, aan den rand van een lagune gelegen, die vrij diep landwaarts in drong; de hutten waren alle van riet en bamboes opgetrokken; maar het huis van het hoofd was gemakkelijk herkenbaar aan de heg er omheen en aan de groote schelpen en onderkaken van varkens, die het dak versierden. Het hoofd heeft ook nog een ander voorrecht; bij zijn dood wordt namelijk zijn lichaam in stroo en in lianen gewikkeld en zoo met klei bestreken en gekleurd met zwarte, roode en blauwe verf, waarna het in een bepaald gebouw wordt geborgen, dat de lijken der stamhoofden bevat.

Ik heb het kunstenaarstalent van deze Kanaken kunnen bewonderen in de koppen van klei of leem, die men in de hutten aantreft, en in de maskers van boomschors met groote, puntige hoeden gekroond, die zij gebruiken bij de groote feesten of sinn-sinn. Maar ik zou niet durven zeggen, dat de vormen of de teekeningen tot modellen konden dienen voor onze europeesche kunstenaars.

Bij mijn omzwervingen door het dorp heb ik weinig vrouwen ontmoet; die ik zag, waren gekleed in een zeer primitief costuum, bestaande uit een gordel van pandanusbladeren, maar ik heb tevens kunnen constateeren, dat ze alle de snijtanden in de bovenkaak misten, een eigenaardige mode op het eiland Mallicolo.

De zuidwestelijke baai is de eenige goede reede aan de kust; wij gingen dus nergens aan wal, behalve met kleinere bootjes. In de Espièglebaai begonnen wij te onderhandelen met enkele inboorlingen, die ons beschroomd naderden. Men bespeurt wel, dat dit deel van het eiland zelden bezoek krijgt. De bewoners keken den Europeaan verbaasd aan, en toen ze een beetje vertrouwd met hem raakten, werd hij betast, alsof ze wilden voelen of hij wel van eenzelfde maaksel was als zij. Een der Kanaken met witte, scherpe tanden voelde mijn armen en kuiten en scheen bij zich zelven iets te overleggen, waarvan ik de strekking ten halve begreep. De kannibalenneiging van de inboorlingen dezer kust is bekend, en mijn vriend taxeerde mij denkelijk eens, om te zien of ik al goed was voor een feestmaal van menscheneters. Bij sommige stammen bepalen ze zich er niet toe, door bewegingen hun gedachten aan te duiden, maar uiten een paar woorden, die “goed om te eten” beduiden en die u doen beseffen, met welke oogen ze uw persoon zoo nauwlettend opnemen.

Mallicolo is niet zeer vruchtbaar in het gedeelte dat wij nu bezochten; er waren weinig plantages en de grond was er dor; hij bestond enkel uit vulkanische rotsen, waarop geen boom of plant groeide. Wij haastten ons, dat ongastvrij oord te verlaten, en wij bereikten al gauw de Bougainvillestraat, die dit eiland van Espiritu Santo scheidt. Door die straat voer Bougainville, toen hij het eiland ontdekte. Langen tijd had men de Nieuwe-Hebriden beschouwd als deel uitmakend van het groote Zuidelijke vastland; maar de fransche zeevaarder bracht de waarheid aan het licht, door aan te toonen, dat zij een eilandengroep vormen, terwijl Cook later de zuidelijke eilanden er van zou ontdekken.

Het zal misschien interessant zijn, den lezer er aan te herinneren, dat bij gelegenheid van deze reis een vrouw voor de eerste maal de reis om de wereld deed. Dat feit werd door Bougainville ontdekt, juist toen hij zich bij Mallicolo bevond. Ziehier, in welke omstandigheden. Het gerucht liep aan boord van de Etoile, dat de bediende van den heer de Commerçon een vrouw was. Die persoon, Baré geheeten, volgde den meester overal heen, had mee de bergen aan de Magellaensstraat bestegen en deinsde voor geen enkelen vermoeienden tocht terug. De bewoners van Tahiti hadden het eerst hare sekse geraden, die door niemand der medepassagiers nog was vermoed; zij gedroeg zich trouwens altijd kalm en behoorlijk als een teruggetrokken, stille jonge man. Bougainville liet haar bij zich komen en zij bekende, dat ze uit droefheid over den dood van haar verloofde mannenkleeren was gaan dragen en zich als knecht had verhuurd.

Wij deden zulk een ontdekking niet aan boord van de Lady Saint Aubyn, maar na een doodkalmen overtocht, die door geen enkel incident werd gekenmerkt, lieten wij het anker vallen bij het eiland Vao, vóór de oostkust van Mallicolo. Al spoedig kregen we hier bezoek van een landgenoot, pater L., een zendeling der Maristen, die sedert twee jaren te Mallicolo woont en de inboorlingen tot het katholieke geloof tracht te bekeeren. Hij heeft niet veel succes, want de bewoners van dit eiland zijn afkeerig van europeeschen invloed; zij leven slechts van roof en plundering en hebben volstrekt geen vreedzame gevoelens tegenover den zendeling, dien zij elk oogenblik met den dood bedreigen.

Ik bewonder den moed van dezen Franschman, wiens handelingen waarlijk wel de vergelijking kunnen doorstaan met die van de engelsche presbyteriaansche zendelingen; geen zucht naar winst doet hem in deze streken blijven en hij tracht ook niet, zich een behagelijk interieur te bezorgen, dat nadeel zou kunnen doen aan de zaak die hij wil dienen. Ik bracht een bezoek aan zijn huis, van riet opgetrokken en met allerprimitiefste meubels; een houten tafel, twee matten stoelen, een bed in een hoek was alle ameublement; zijn voedsel was hoogst eenvoudig en bestond uit knollen en beschuit met hetgeen eenige blikjes opleverden. Ik dronk er echter een uitstekend glas bier, bereid uit een plant van die streek.

Vao is een dichtbevolkt eilandje, maar toen wij [300] het anker er uitwierpen, ontdekten wij geen enkelen inboorling op het strand; alle Kanaken waren inderdaad naar liet groote eiland Mallicolo gegaan, om er op de plantages te werken of om met het geweer in de hand de arbeiders te verdedigen tegen aanvallen van de inboorlingen uit het binnenland.


Booten van het eiland Vao.

Tegen vier uur in den avond zagen wij ze terugkeeren naar hun dorpen op het kleine eiland; enkelen verkochten ons in ’t voorbijgaan hunne aardvruchten en boden mij een plaats aan in hun booten. Zij zetten mij aan het strand af, en ik behoefde maar enkele schreden te doen, om in het dorp te komen. Een troep varkens en honden liep dadelijk om mij heen en wilde mij de nadering beletten; maar de inboorlingen kwamen er op toe en verjoegen de dieren met hun stokken. Ik beloonde mijn redders door pijpen en tabak onder hen uit te deelen; die edelmoedigheid bezorgde mij hun vertrouwen, en zoo kon ik met hen een gesprek beginnen.

Sedert eenige dagen was een der hoofden uit het dorp boos op de blanken, omdat Mac L., van wien ik reeds heb gesproken, hem zijn zoon had ontroofd, die nu te Port-Vila bij dien Engelschman moest werken. Hij ontvouwde mij zijn grieven, en de goudgalons ziende op de mouwen van mijn buis, vroeg hij mij, of ik hem door middel van de oorlogsschepen recht wilde doen weervaren; als belooning zou ik een hermaphroditisch varken ontvangen. Dat was een prachtig cadeau in de oogen der inboorlingen, want voor een hermaphroditisch varken kan men het ver brengen in den stam, zich een hooge positie verschaffen en zelfs een vrouw koopen.

Wij hadden spoedig ons recruteeringswerk op het eiland Vao ten einde gebracht. De nabijheid van de coprahandelaars maakte, dat de menschen hun kokosnoten aan den man konden brengen en dat ze in ruil daarvoor europeesche waren konden erlangen; dus gevoelden zij geen behoefte, om elders hun kostwinning te zoeken en verlieten niet graag hun geboortegrond. Wij vervolgden onze vaart naar het Noorden van den archipel en waren voornemens, het noordelijkste en grootste eiland van de groep te bezoeken, het eiland Spiritu Santo of kortweg Santo.


Kreupelhout op Spiritu Santo.

Wij voeren om de zuidpunt van het eiland Malo [301] heen en konden een fransche driekleur ontdekken, die ons in ’t voorbijgaan groette. Dat was de woning van pater D., een fransch zendeling, die reeds dertig jaren in de Stille Zuidzee verblijf houdt. Hij heeft de eilanders op de Fidsji-eilanden bekeerd, en beproeft thans de inboorlingen van Malo tot het Katholicisme te brengen.

Door een gunstigen wind gedreven, kwam de Lady Saint Aubyn in het Bruatkanaal, dat het eiland Aoré van Malo scheidt en langs Tongoa gaat, waar de dweepzieke Presbyteriaan A. woont, om vervolgens het anker uit te werpen bij kaap Lisburn op de westkust van Spiritu Santo.

Ik heb weinig zulke schilderachtige plaatsen gezien als het dorp Nouvin, tegenover hetwelk wij stilhielden; het was gebouwd op de helling van een heuvel, aan welks voet een bevaarbare rivier stroomde; de oevers waren met boomen en struiken begroeid, waardoor de reizigers beschut waren tegen de felle zonnestralen, en de zandige bedding van den helderen stroom lokte uit tot het nemen van een verfrisschend bad.


Inboorlingen van het eiland Mallicolo.

Maar het komt mij voor, dat de inboorlingen van Nouvin een heiligen schrik hebben voor het heldere water, want ze zijn bedekt met een laag oud vuil, en de lompen, die maar povertjes hun naaktheid bedekken, schijnen al heel zelden met de wasch kennis te hebben gemaakt. Zij maken hun leelijkheid en hun vuilheid nog erger door de verf, die zij op zich smeren; haren en baard bedekken ze met rood oker, en als sieraden droegen ze banden van schelpen om de armen en bloemen in de haren.

Behaagzucht schijnt niet in ’t bijzonder eigen aan de vrouwen, want de mannen toonen zich hier niet minder ijdel, en beide geslachten meenen zich mooi te maken door misvormingen van den neus en de ooren. De haartooi wisselt af naar den smaak der heeren en dames; de eenen droegen zeer korte haren, de anderen waren kaal geschoren en er waren er, die een klein bundeltje hadden laten staan of die het haar hadden laten groeien en het in een vlecht hadden bijeengebracht.

Ik heb in hun handen een wapen opgemerkt, dat in ’t bijzonder aan Santo eigen is, een assegaai van ongeveer 2½ M. lengte, van hout; de bovenkant is belegd met menschenbeenderen over een aanmerkelijke lengte en het wapen loopt uit in drie beenderen als een drietand. De wonden die er door worden gemaakt, zijn zeer gevaarlijk, want die beenderen breken af en blijven in de wond achter, waarvan zij de genezing tegenhouden. Voor een doosje buskruit kon ik verscheidene van die wapens koopen.

Wij maakten ons gereed, om langs de westkust te gaan. Dit deel van het eiland is bergachtig; de dalen zijn zeer smal en niet vruchtbaar. Er is veel overeenkomst tusschen deze westkust van het eiland Santo en de oostkust van Nieuw-Caledonië; sommige mijnontginners hebben dan ook gehoopt, dat het [302] eiland rijk aan mineralen zou wezen en hebben er met dat doel onderzoekingen gedaan. Ik geloof niet, dat hun pogingen met succes bekroond zijn geworden.

Toen wij te Poussey passeerden, sprak een inboorling ons over een blanke, die eenige maanden geleden op de kust was ontscheept en er nu nog aan het graven was. Tot nu toe was het hem nog alleen gelukt, de inboorlingen te verbazen, die, toen ze zagen, dat hij gewicht hechtte aan steenen, hem voor een krankzinnige hielden. Het was een zekere V. een bevrijde gevangene uit Nouméa; hij heeft van zijn tocht niet veel kostbaar gesteente meegebracht, maar wel veel koortsaanvallen.

In de buurt van Poussey kwamen ons veel booten tegen, sommige met varkens, andere met aardvruchten of met suikerriet geladen. Dat punt aan de kust is een plaats, waar veel inlanders uit het binnenland samenkomen met die van de Saint-Philippebaai en Poussey. Die laatste verkoopen, in ruil voor de levensmiddelen, welke hun worden gebracht, het aardewerk dat zij zelf fabriceeren en dat zij alleen kunnen maken op het eiland. Het zijn aarden potten van verschillende grootte, vaak met lijnteekeningen versierd, en vrijwat weerstand biedend aan de hitte; ze worden voor het koken van het voedsel gebruikt.

Het scheen mij, dat de inboorlingen van Santo niet zoo laag stonden als die van de zuidelijker eilanden. Wij kregen te Poussey een man met zijn vrouw aan boord, die wel naar Nouméa wilden meegaan; maar zij stelden als voorwaarde, dat ze in hetzelfde huis en op dezelfde plantage moesten dienen. Ze hielden elkander teeder aan de hand en schenen ware genegenheid voor elkaâr te koesteren. De positie der vrouwen scheen hier over ’t algemeen beter dan in de andere deelen van den archipel.

Buitendien werden de inboorlingen ook intelligenter, hoe verder wij naar het Noorden van den archipel vorderen; ze kregen meer besef ook van zedelijkheid en zorgden vooruit voor wat hun materiëel bestaan kon verbeteren. Zij eten vrij smakelijk, en een van de door ons aangeworvenen kreeg van zijn vrienden een gerecht cadeau, in bananenbladeren gewikkeld, dat heel lekker rook en bestond uit varkensvleesch met aardvruchten en kokosmelk toebereid. Zij gebruikten het òf met houten vorken òf door er balletjes van te rollen en die in den mond te steken.

Ik kreeg een uitnoodiging, om aan het festijn deel te nemen, en ik proefde het inlandsche gerecht, dat niet kwaad smaakte en zeer voedzaam moet zijn.

Onder de inboorlingen, die wij ontmoetten, hadden sommigen een lichte huidskleur, anderen waren donkerder en allen hadden sterker krullende haren dan de bewoners der zuidelijker eilanden en vooral van Erromango. In voorbijgegane eeuwen moeten volken van verschillende afkomst zich hier neergezet, en hebben zich met de autochthone bevolking vermengd; dus is het niet verwonderlijk, dat wij vrij sterke individueele verschillen aantroffen. Maar het gemiddelde type was niet leelijk; het ras van Santo was sterk en gespierd.

De vereeniging van de vele bewoners uit verschillende hoeken van het eiland op de markt te Poussey gaf aanleiding tot feesten en nationale dansen. Het heeft mij zeer gespeten, dat ik eenige dagen te laat kwam, want anders had ik een zonderlinge plechtigheid kunnen bijwonen, eigen alleen aan dit eiland.

Ofschoon ik het zelf niet heb gezien, kan ik den lust niet weerstaan, er van te vertellen naar de beschrijving, die de inboorlingen mij er van hebben gegeven. Het feest wordt geleid door het hoofd van den stam, welke man rood is gekleurd en met bloemen is behangen. Kleine speenvarkentjes worden vastgebonden en ingepakt neergelegd op de markt bij de op den grond gezeten jongelieden. Op een gegeven oogenblik loopen twee mannen naar de jongelieden toe en moeten blijven staan, om van ieder een zweepslag te ontvangen. Vaak bedekken zij hun bovenlijf met schors, om de gevoeligheid der slagen te keeren. Ieder man uit den stam moet aan de plechtigheid deelnemen. Al dien tijd dansen en springen vijf of zes inboorlingen op het feestterrein rond, en op dat oogenblik worden de kleine ingepakte varkentjes hoog in de lucht opgegooid en moeten op het hoofd der dansers terugvallen, die ze moeten vangen of oprapen.

Ik zou graag nog langer te Poussey zijn gebleven, om beter en langer de zeden dier inboorlingen te kunnen bestudeeren; maar ons werven had er geen succes. Wij moesten onzen weg dus vervolgen naar kaap Cumberland, de noordelijkste punt van den archipel. We voeren gemakkelijk er omheen, liepen in de Saint-Philippebaai binnen en ankerden dichtbij een rivier, die den naam van “de Jordaan” droeg. Daar had Quiros zijn Nieuw-Jeruzalem willen stichten, toen hij de eilanden in 1606 ontdekte. Hij hield processies aan den wal, liet het kruis rondom de baai voeren en maakte zich gereed om de fondamenten te leggen van zijn heilige stad, toen zijn metgezellen in opstand kwamen en hem dwongen naar Spanje terug te keeren.

Enkele reizigers hebben beweerd, dat de spaansche zeevaarder zijn plannen wel reeds ten uitvoer had gebracht, dat hij een stad had gesticht met muren er omheen, waarvan de sporen nog over zouden zijn. Maar ik vermoed, dat die inlichtingen alleen in het brein dergenen, die ze heetten te hebben ontvangen, waren ontstaan. Ik heb herhaaldelijk wandelingen op het eiland gedaan, en ik heb niet het minste spoor kunnen ontdekken van een oude stad. Bovendien behoeft men slechts het rapport van Quiros te lezen, om verzekerd te zijn, dat zijn plan niet werd volvoerd; ’t is dus noodelooze moeite naar sporen te zoeken van iets, dat niet heeft bestaan, en het moet iets van een tweede gezicht geweest zijn, als er personen geconstateerd hebben, dat ze muren van Nieuw-Jeruzalem hebben aanschouwd.

Ik zal niet zeggen, dat de plaats slecht gekozen zou zijn; integendeel ben ik er van overtuigd, dat een ernstige poging tot kolonisatie in de Saint-Philippebaai kans van slagen zou hebben. De haven is buitengewoon ruim en heeft talrijke ankerplaatsen, [303] maar zij is ongelukkig niet beschut tegen de noordenwinden. Acht rivieren storten zich uit in de baai en stroomen door diepe, vruchtbare dalen; de kuststrook is met een weelderigen plantengroei bedekt, en op korten afstand ziet men reeds velden met humuslagen, die voor allerlei culturen geschikt zouden zijn.

De bewoners zijn nog al zacht en vreedzaam. De Saint-Philippe baai is een der weinige plaatsen op de Nieuwe-Hebriden, waar nooit aanvallen op Europeanen zijn voorgekomen; de inboorlingen komen ons vriendelijk bezoeken en zijn gelukkig, hun producten te verkoopen tegen kruit en lood. Zij houden veel van de jacht en zijn buitengewoon behendig in het dooden van de talrijke wilde eenden, die rondvliegen aan de oevers van de Jordaan.

Hier trekken, evenals te Mallicolo, de vrouwen zich de beide voortanden uit van de bovenkaak; zij dragen geen andere kleeding dan een gordel om de lendenen. De mannen dragen een band om het middel, waaraan een vlechtwerk hangt, dat de geslachtsorganen verbergt. De beide geslachten houden er van, zich het gelaat rood te verven, en enkelen doorboren zich het tusschenschot van den neus met een stukje koraal.

De Saint-Philippebaai ligt ten noorden van den archipel der Nieuwe-Hebriden; dus moeten wij ons wel weer zuidwaarts begeven, om met de werving op die eilanden voort te gaan, eer we ons tot de groep der Salomonseilanden wenden. De inlichtingen, die wij op reis hadden gekregen, gaven ons hoop, dat we op het eiland Aoba talrijke contracten zouden sluiten; daar, zoo heette het, wenschten de bewoners in Nouméa te werken, wanneer ze in betaling geweren kregen en ammunitie. Wij verlieten onze ankerplaats aan de Jordaan, en na kaap Quiros te zijn omgezeild, wendden wij den steven naar het eiland Aoba.

De zuidoostenwinden, die hevig bliezen, vertraagden onze vaart, en ondanks den geringen afstand tusschen Santo en Aoba deden wij er drie dagen over, eer we op de noordoostkust van laatstgenoemd eiland, te Naboekiriki, landden. We gingen een kleine baai voorbij, die in den laatsten tijd op Nieuw-Caledonië zeer bekend was geworden. Daar woonde namelijk een coprahandelaar van fransche afkomst, de heer M..., wel bekend te Nouméa; enkele weken geleden was hij door de inboorlingen vermoord geworden; zijn lijk werd teruggevonden, in den grond begraven.

Ofschoon zij in beschaving zich boven de andere eilanders verheffen, en ondanks hun nauwe aanraking met de weer hooger staande Polynesiërs, hebben de inboorlingen van Aoba toch niet geheel hun bloeddorstige neigingen overwonnen; ze zijn altijd gevaarlijk en verdienen in ’t geheel geen vertrouwen.

De bewoners van den oever der zee werpen alle verantwoordelijkheid voor zulke misdaden op de Kanaken uit het binnenland of van het bosch; zij zouden bijna van verontwaardiging blozen, als men hen van zulke wandaden beschuldigde, maar het is toch zaak, ook tegenover hen op zijn hoede te zijn.

Toch kan ik geen weerstand bieden van het verlangen, om het dorp Naboekiriki te bezoeken. Het hoofd van den stam is ons komen zien en inviteerde ons, om ten hunnent te verschijnen. Eenmaal aan land, volgden wij een smal pad door het bosch en kwamen weldra op een open plek, een plein, met hutten eromheen, die goed gebouwd waren, met matten uitgespreid op den vloer en zonder al te veel rook. In een hoekje stonden de trommels of liever holle boomstammen, die als muziekinstrumenten werden gebruikt, maar ze lagen op den grond en stonden niet overeind, zooals te Mélé.

Ik zag buiten het dorp een platform; daar troonde het hoofd van den stam op de dagen van sinn-sinn of groote feestelijkheden; zijn taak was het, bij die gelegenheden met zijn pijlen de varkens te dooden, die ieder inwoner moet leveren en die vervolgens worden gebruikt bij de feestmaaltijden van het volk.

Dit dorpshoofd ontving ons zeer vriendelijk; ik ontving een welkomstcadeau van hem, bestaande in een kip en veel bananen; ik gaf hem daarvoor tabak, een flesch jenever en daar ik wist, dat geweven stoffen te Aoba zeer op prijs werden gesteld, deed ik er mijn zijden halsdoek bij, waarmee hij prijken zal op de dagen der groote plechtigheden. De eenige kleeding van deze menschen bestaat in een lap katoen tot bedekking van hun naaktheid; als zij daarvoor geen europeesche weefsels hebben, nemen ze eigen gevlochten matjes, soms niet zonder smaak gefabriceerd.

Zooals ik boven zeide, de bewoners van Aoba verschillen vrijwat van de andere bewoners der Nieuwe Hebriden; dat hangt samen met de ligging van het eiland, die zeer gunstig voor vreemde immigratie is, met name van de Samoa-eilanden. In een betrekkelijk nog niet ver achter ons liggenden tijd moet Aoba Polynesiërs hebben opgenomen, komend van de naburige eilandengroepen. Die hebben zich vermengd met de oorspronkelijke bewoners, en zoo is dat bijzondere ras ontstaan, dat een eigenaardigen lichaamsbouw en eigen gewoonten en zeden kan aanwijzen. In een groep menschen van de Nieuwe-Hebriden zal ik altijd de Kanaken uit Aoba kunnen ontdekken aan hun groote gestalte, hun intelligent gelaat, het niet zeer geaccentueerde prognatisme, de krullende haren en vooral aan de lichte gelaatskleur. Evenals de Polynesiërs wonen deze Kanaken niet in kleine dorpen bijeen, maar vormen groote stammen of volken, wier hoofden eene absolute heerschappij uitoefenen. Hun taal bevat veel bestanddeelen, die aan de dialecten van Tahiti, Tonga en Samoa herinneren. Ik zal niet verder ingaan op de ethnologische verschillen; men zou veel ruimte noodig hebben, om ze nauwkeurig na te gaan. Maar ik ben blij, Aoba te hebben bezocht, want op dat eiland heb ik de ingewikkelde quaestie van de verhuizingen in de Stille Zuidzee kunnen bestudeeren.

Die vermenging met polynesisch bloed verklaart de groote losheid van zeden, die dit eiland kenmerkt; de Papoea is namelijk zeer jaloersch en onttrekt zijn vrouw liefst aan alle onbescheiden blikken; maar de bewoner van Aoba is niet zoo scrupuleus en aarzelt niet, zijn vrouw volle vrijheid te laten. De jonge meisjes zijn ook ver van beschroomd en vluchten niet bij de nadering van een vreemde, zooals op de [304] andere eilanden; met een lapje rood katoen of een parasol wordt haar deugd gemakkelijk op zij gezet.

Ik verliet het dorp Naboekiriki en alle bewoners deden mij uitgeleide tot op het strand. We liepen een groep jonge vrouwen voorbij, die in zee hadden gezwommen en zingend naar het dorp terugkeerden; zij groetten mij lachend en schenen zich vroolijk te maken over den vreemdeling.

Een kleine boot wachtte, om mij naar ons schip terug te brengen, en even later zette de Lady Saint Aubyn naar Walhara koers.

Daarna gingen wij naar Duin-Dui, waar ik een Kanakeninboorling ontmoette, die eigendommen had in Queensland. Hij sprak zuiver Engelsch en had met parelvisscherij in de Torres-straat zich een groot fortuin verworven. Daarna was hij te Brisbane gaan wonen en had een Engelsche getrouwd. Hij was nu een paar maanden in zijn geboorteland komen doorbrengen en was voornemens, spoedig naar Australië terug te keeren. Zijn voorbeeld toont aan, hoe dit ras zich op kan werken en pleit voor de intelligentie der bewoners van Aoba.


Hut met inboorlingen op Spiritu Santo.

Wij passeerden het eiland Aurora, dat kort na ons vertrek een treurige vermaardheid heeft verkregen door een catastrophe, die schrik en ontsteltenis verspreide onder de zeevaarders van den Stillen Oceaan en vooral onder hen, die, als wij, zich met de werving van arbeidskrachten bezighielden.

Wij hadden te Port Havannah een jongen Creool van Mauritius ontmoet, die in den archipel reisde met zijn schip, de Constantine, waarop een fransche kapitein het bevel voerde. Hij liet het anker vallen vóór de kust van Aurora met het plan, er eenige inboorlingen te huren, maar de bewoners van het eiland maakten misbruik van het vertrouwen, dat de Creool in hen stelde, en vermoordden hem en den kapitein met enkelen der bemanning, terwijl het schip in brand werd gestoken.

Alle eilanden van de groep der Nieuwe-Hebriden zijn gevaarlijk; er is er geen enkel, waar men een onbepaald vertrouwen in de inboorlingen kan stellen. Maar Aurora of Maïro verdient speciaal den slechten naam, dien het heeft; men moet daar bij uitstek voorzichtig zijn.

Overigens kan men aan hun gewoonten al gauw merken, met welke soort van menschen men te doen heeft; als een der Kanaken sterft, is het de gewoonte een anderen te dooden, om den doode gezelschap te houden; het is niets ongewoons, dat een moeder haren zoon vraagt om haar te dooden, ten einde een gestorven dochter niet alleen de reis te laten doen.

Geen enkele Europeaan hield ten tijde van ons bezoek op Maïro verblijf, en ik geloof niet, dat er ooit een blanke heeft gewoond. Het gemis aan veiligheid, de afwezigheid van havens houden vreemde schepen op een afstand; de bevolking is er echter talrijk en de plantengroei weelderig; men vindt er vooral veel broodboomen, die er het hoofdvoedsel leveren evenals op Tahiti. Het eiland is goed besproeid, en van het dek der boot konden wij watervallen onderscheiden, die van groote hoogte neervielen en een schilderachtig aanzien aan het eiland gaven.

Daarna verlieten wij den archipel der Nieuwe-Hebriden. Met een gunstigen wind zette ons scheepje koers naar het Noordwesten, en wel naar de Salomonseilanden, waarvan ongeveer 800 mijlen ons scheidden. [305]


Inboorlingenhut op de Salomons-eilanden.

De archipel der Salomons-eilanden werd door Mendana in 1564 ontdekt, en sinds dien tijd is hij alleen bezocht geworden in de 18de eeuw door Surville en d’Entrecasteaux. Ten tijde van zijne expeditie naar het eiland Vanikoro deed Dumont d’Urville deze eilanden aan; maar sinds dien tijd is er nooit een fransch oorlogschip verschenen.

Onze aardrijkskundige litteratuur levert ook in ’t geheel geen documenten over de Salomons-eilanden, al zijn ze belangrijk genoeg ook uit het oogpunt van den reiziger. Hun oppervlakte is tienmaal die van Corsica. De grootste eilanden zijn Bougainville, Choiseul, Isabel, Malaïta, San Cristoval en Guadalcanar; de drie laatste hebben wij bezocht.

Het deed ons allen veel genoegen, die zoo weinig bekende streken te leeren kennen. Honderdmaal had men ons de vijandige gezindheid der bewoners voor oogen gesteld, hun woeste zeden en hun aanvallen op Europeanen.

Welk vertrouwen verdienden die verhalen? Zullen wij ook van dergelijke aanvallen te lijden hebben. De uitkomst zou ons dat alles precies leeren.

Den 30sten September, tegen acht uur’s morgens, werd dus het land met vreugde begroet, en onze oogen trachtten het kleine stipje te herkennen, dat alleen een zeer doordringend oog kon onderscheiden.

Wij naderden de kust bij de oostpunt van de zuidkust op het eiland San-Cristoval.

Maar weldra ging de wind liggen; wij konden niet voort, en eerst om drie uur in den namiddag konden wij er aan denken, aan land te gaan, terwijl ons schip, daar er geen haven was, op twee mijlen afstands van de kust moest blijven.

De beide bij ons schip behoorende booten werden meegenomen, en ik nam er in plaats met de wapens en de ammunitie, om ons te verdedigen, en met de ruilwaren en geschenken, die voor ons de inboorlingen gunstig moeten stemmen.

Wij wendden ons naar het dorp Makira, waarvan de hutten, aan het strand gelegen, aardig tegen het groen uitkwamen en veel geleken op groote bijenkorven. Zij werden overschaduwd door tal van kokospalmen en stonden te midden van een weelderigen plantengroei, herinnerend aan dien der tropische landen. Geen duimbreed gronds, of er hadden zich planten ontwikkeld, en er waren hier en daar dichte bosschen verrezen, waarin licht en lucht slechts met moeite doordrongen.

Onze beide bootjes bleven bijeen, om elkander zoo noodig wederkeerig te beschermen; dat was een eisch van voorzichtigheid, want een verrassing of plotselinge aanval van de zijde der inboorlingen behoorde niet tot de onmogelijkheden. Op eenige meters afstands van het dorp zagen wij de inboorlingen ons te gemoet komen, allen gewapend met assegaaien, knotsen en andere wapens, zoo niet tot den aanval, dan toch ter verdediging geschikt, want zij kenden ook onze bedoelingen niet.

Er werd een gesprek aangeknoopt. Onze hoedanigheid van Franschen en onze komst uit Nouméa scheen de bewoners niet af te schrikken, dus hebben onze voorgangers er geen slechten indruk achtergelaten. Zoodra ze waren gerustgesteld, naderden ze ons; ze vroegen om ’t hardst om tabak, pijpen en lucifers, en hun geestdrift steeg ten top, toen wij hun een geweer en patronen gaven en dat beloofden aan elken inboorling, die te Nouméa wilde komen werken. Dadelijk verklaarden twee sterke, jonge mannen zich bereid om te vertrekken, en zonder op de smeekingen en vertoogen van hunne vrienden te letten, klommen ze in de boot en plantten zich op de achterbank.

De tegenwerpingen van de ouders zonken in het niet voor de betaling, die voor beide verbintenissen werd uitgekeerd; wij gaven hun een Snidergeweer, [306] 20 patronen, 1 K.G. tabak, 20 pijpen, 20 doosjes lucifers, een groot mes en eenig glaswerk, alles misschien ter waarde van ongeveer 30 francs.

Ik kon op mijn gemak deze inboorlingen bekijken, die om ons heen drongen, begeerig om ons wat te verkoopen, armbanden, wapens e.d. In enkele minuten deed ik voor een zeer bescheiden sommetje den aankoop van vele ethnographisch interessante voorwerpen, die een plaats zullen erlangen in ’t museum op het Trocadéro. Ik wachtte tot ik weer aan boord zou zijn, om ze te rangschikken en te onderzoeken wat ze mij zouden kunnen leeren over het karakter van dit ras, dat mij op het eerste gezicht uit verschillende elementen scheen samengesteld, goed van elkander te onderscheiden door kleur, vooruitsteken van de wangbeenderen en soort van haar.

Dadelijk bij onze nadering had mij het groote aantal vrouwen en kinderen getroffen, dat op ons was komen toeloopen en ons met nieuwsgierige blikken bekeek; het was een goed voorteeken, want in geval van vijandige bedoelingen zouden de mannen, om vrijer in hunne bewegingen te zijn, wel hun gezinnen op den achtergrond hebben gehouden.

Die vrouwen kwamen geheel naakt op het strand; ze hadden zelfs niet het vijgenblaadje, dat Eva beroemd heeft gemaakt; ze waren slank gebouwd, en het ontbrak haar niet aan een zekere gratie. Het onbescheiden kijken van de vreemdelingen scheen haar niet te verontrusten en ook niet de jaloezie der mannen gaande te maken.

Zij vroegen vrijmoedig om tabak, en er waren een paar tandelooze oudjes, die een stompje pijp in den mond hadden, ’t welk bij gebrek aan voedsel lang had gerust. Deze kust wordt zeer zelden door vreemde schepen aangedaan, en europeesche waren zijn er schaarsch.

Het was een wedstrijd, wie van haar het snelst haar parelmoeren armbanden en oorringen of neusversierselen zou afdoen, om ze af te staan tegen een doosje lucifers, een pakje tabak of een halssieraad van koralen. De katoenen of andere geweven stoffen hadden hier in ’t geheel geen waarde; die zijn overbodige luxe voor de schoonen van de Salomonseilanden.

De sympathieke ontvangst, die wij genoten, haalde ons over, uit de booten te stappen en het dorp van dichterbij te bezien. Het lag eenige meters van het strand verwijderd, en op den rug van een inboorling gezeten, zette ik voor de eerste maal den voet op den grond der Salomons-eilanden, of eigenlijk raakte mijn voet eerst later den grond. In betaling gaf ik mijn drager een patroon en nam hem als gids aan.

De huizen stonden achter elkander tegen een heuvelhelling aan, die tot het strand doorliep. Om er te komen, moesten wij over groote boomstammen springen, die door den storm gevallen waren, en die door de zorgeloosheid der inboorlingen maar op den weg waren blijven liggen. Overal stonden verder reuzenboomen, die diepe schaduwen wierpen over de lage, primitieve hutten. Men behoeft geen bekwaam bouwmeester te zijn, om in een oogenblik zoo’n huis te verwaardigen, waarin deze menschen wonen met heel hun gezin en hun honden en varkens. Eenige bamboestaken, dicht aaneen in den grond gestoken en door lianen aaneengebonden, een paar palen nog om het stroodak te steunen, een opening aan elken kant en ’t huis is gereed; de grond zelf dient als vloer, een paar steenen als vuurhaard, dorre bladeren als familielegersteden. In den eenen hoek lagen wapens, in een anderen houten drinknappen en eenige matten, dat was alle meubileering. Een deur ontbrak, er was niets te halen voor dieven.

Met de grootste vriendelijkheid lieten de inboorlingen mij binnen in hunne huizen, en ze zouden het zelfs onvriendelijk hebben gevonden, als ik aan hunne uitnoodiging geen gevolg had gegeven. Zij schenen mij iets beters te verdienen dan hun slechten naam, en voorwaar, toen ik in een der hutten was, om naar een zeldzaam wapen te kijken, zou het hun niet moeilijk zijn gevallen mij het leven te benemen.

Daar het al laat was, konden wij niet lang te Makira blijven, en zoo groot en vast was ons vertrouwen nog niet, dat wij den nacht aan den wal durfden doorbrengen. Begeleid door de geheele bevolking, mannen vrouwen en kinderen, bereikten wij weer onze booten, die aan de hoede van enkele matrozen waren overgelaten geweest, en een half uur later waren we aan boord van de Lady Saint Aubyn terug. Verrukt over ons eerste uitstapje en rijk voorzien van ethnographica, namen wij ons voor, zoo dikwijls het ons mogelijk zou wezen, aan land te gaan.

Maar ik was nog niet lang aan boord terug, of ik bespeurde, dat eerlijkheid geen hoofddeugd van deze primitieve wilden was; en de verdwijning van mijn revolver en mijn patronenkoker waarschuwde mij, dat ik voortaan beter het oog zou hebben te houden op hun lange vingers. De talrijke assegaaien, die ik had meegebracht, stelden mij niet schadeloos voor het verlies van mijn eigen wapen; maar sommige ervan waren mooi, wel vier meter lang en uitloopend in punten van been of van ijzer. De behendigheid in het werpen is bij deze inboorlingen verbazingwekkend; op een dertigtal meters afstands missen zij nooit het doel, dat zij zich hebben gesteld.

Wij verlieten dien nacht de kust en wendden ons naar het eiland Santa Anna ten zuiden van San Cristoval; wij meenden er een tolk te zoeken, want zoo iemand kunnen wij niet missen bij onzen arbeid van de werving.

Den volgenden morgen tegen zes uur in den morgen lieten wij, na om kaap Surville heengevaren te zijn, het anker vallen te Uaah, dat is de inlandsche naam van Santa Anna. Dadelijk stak er een boot van wal en voer op ons af, zij bracht het hoofd May naar ons over, een man, die bij de kooplieden welbekend is en die zeer gevreesd is bij de stammen, naar wier dorpen het hem behaagt, zijn oorlogsbooten te zenden. Zijn oorlogzuchtige bedoelingen waren algemeen bekend en zij brachten hem later veel geschenken in vanwege de hoofden der dorpen, die wij langs de kust van San Cristoval bezochten. Hij bood ons namelijk zijn diensten aan als loods en tolk, en wij namen die zonder aarzeling aan.

Hij inviteerde ons, om zijn dorp te bezoeken en bood ons een plaats aan in zijn wankel bootje; maar wij gaven er de voorkeur aan, in de boot van ons schip te gaan, en deze zette ons spoedig aan het [307] strand af in een zandige kleine baai. Nauwelijks aangekomen, werden wij bezocht door een van die geïsoleerde Europeanen op de eilanden van de Stille Zuidzee, die zich zelfs niet meer de plaats hunner geboorte herinneren, en die in hun avontuurlijk leven alle eilanden zoowat hebben bezocht. ’t Was de heer F., een in Finland geboren Rus; hij woont al sinds een tiental jaren op de Salomons-eilanden en wordt er niet bepaald rijk door den coprahandel.

Hij woont er vrij goed in een houten huis met een veranda eromheen, dat hij aardig heeft ingericht en versierd met allerlei inlandsche wapens en veel cosmopolitische chromolithografieën; hij heeft zelfs, wat in dat land het toppunt van deftigheid vertegenwoordigt, een franschen kok.

Maar het schijnt dat die landgenoot er niet naar verlangt, kennis met ons te maken; ik begrijp zijn aarzeling, toen hij eindelijk besloot, zijne opwachting te maken. Wij ontdekten in hem al spoedig een strafgevangene, ontsnapt uit Nieuw-Caledonië. Enkele maanden tevoren waren drie misdadigers ontvlucht uit de zuiderbaai met een klein scheepje, dat hen naar de Loyalty-eilanden had gebracht, een dépendance van onze kolonie. Daar zij meenden, in een onafhankelijken archipel te zijn aangeland, gingen zij vol vertrouwen aan wal, maar ze werden gevangen genomen en voor den administrateur dezer eilanden gebracht. Ze wisten echter opnieuw te ontkomen, en, dezen keer gelukkiger terechtkomend, deden ze het eiland Guadalcanar aan, na een lastigen overtocht. Zij deden zich voor als schipbreukelingen van een fransch schip op weg naar Batavia en werden door de blanken van de Salomons-eilanden goed opgenomen. Ik meende den Rus van Santa Anna maar niet nader te moeten inlichten omtrent de herkomst van zijn kok. Moge deze zich een nieuwe levensbladzijde van maagdelijke moraliteit hebben omgeslagen en aldus zijn vroegere fouten boeten.

Ons bezoek bij den heer F... was van korten duur; ik haastte mij om een toertje te gaan maken in het inlandsche dorp en daar enkele gegevens te verzamelen. Wij konden er onbeschroomd binnengaan en ons vrij onder de Kanaken bewegen; Santa Anna is het beschaafdste eiland van de groep, en kapitein Mac Donald, een ervaren reiziger uit den Stillen Oceaan, heeft er lang gewoond, zonder ooit aan gevaar te zijn blootgesteld.

Onze aankomst werd met een groot geschreeuw begroet; de mannen liepen ons tegemoet, terwijl de vrouwen zich beschroomd en angstig achter in de hutten verscholen en niet voor den dag durfden komen.

De mannen waren vriendelijker; zij liepen met ons mee en brachten ons dadelijk in de hut, waar de oorlogsbooten lagen. Dat huisje was het belangrijkste monument van het geheele eiland; de inboorlingen waren er trotsch op en wilden er gaarne de honneurs van waarnemen voor de vreemdelingen. Het ongeveer 4 M. hooge huis werd gesteund op palen van beeldhouwwerk, die dieren en menschen moesten verbeelden.

Het is de karakteristieke eigenaardigheid van de inboorlingen van Santa Anna, dat zij knap zijn in het maken van booten; men kan het eiland de scheepswerf noemen van den geheelen archipel. Wij zagen er de echte oorlogsjonk van wel 7 à 8 M. lengte, waar 60 à 70 roeiers plaats in vinden; een speciale zitplaats is achterin de boot bestemd voor den leider, die het gevecht regelt. De booten hebben geen steunbladen, zooals de booten der inboorlingen van de Nieuwe-Hebriden en van Nieuw-Caledonië vertoonen.

De vaartuigen hier waren met parelmoer ingelegd, aan beide uiteinden omhooggebogen en van teekeningen voorzien; aan de randen waren gebeeldhouwde dieren aangebracht, als honden en vogels; tusschen bloemguirlanden; de stevigheid is buitengewoon groot en de zeewaardigheid voldoende, om te maken, dat de inboorlingen er 50 à 60 mijlen mee kunnen roeien, want van zeilen maken ze nooit gebruik.

Het gebouw, waarin de booten werden bewaard, stond onder de bescherming van een godheid, aan wie een menschenleven wordt geofferd telkens als er een nieuwe oorlogsboot van stapel loopt. Ook is er een boot speciaal voor den god bestemd, en in een hoek stonden artikelen, als huisraad en allerlei vazen, te zijnen gebruike. Nooit willen de inboorlingen een dier voorwerpen afstaan, hoe hoog de prijs ook zij, die hun ervoor wordt geboden, en ze zouden den vreemdeling niet sparen, die het mocht willen wagen, met hun vooroordeelen en hun bijgeloof te spotten.

Het bezoek aan het dorp Santa Anna hield ons den geheelen morgen bezig. Op den middag verlieten wij het eiland, om ons naar de noordkust van het eiland San Cristoval te begeven. May vergezelde ons en diende ons tot loods, om ons de haven Fanariki te helpen bereiken; wij hoopten er den volgenden morgen vroeg aan te komen.

Gedurende den korten overtocht kon ik een algemeen overzicht krijgen van de eilanden, die het zuidelijk gedeelte van den archipel uitmaken; Malaïta, San Cristoval, Hougué, Santa Catalina en Santa Anna kwamen duidelijk uit, en we konden alle goed herkennen.

De duur van een nacht was voldoende, om de weinige mijlen af te leggen die ons van Fanariki scheidden. Zoodra de Lady Saint Aubyn voor anker lag, gingen wij aan land, om een bezoek te brengen aan het dorpshoofd, dat den naam van Quarter droeg. Allereerst was het bij de recruteering noodig, dat wij de goede gezindheid verwierven van de hoofden. Zij hebben een onbeperkt gezag en besluiten niet om een inboorling te laten vertrekken, als ze niet eerst veel geschenken hebben ontvangen en veel drank hebben genoten. Toen dan ook Quarter van onzen kapitein een flesch jenever en een prachtig Lefaucheux-geweer had ontvangen, beloofde hij ons zijne medewerking en verzekerde ons, dat wij veel verbintenissen zouden kunnen aangaan op zijn grondgebied. Dat laatste beteekent trouwens nog niet veel bij deze koninkjes van de Salomons-eilanden. De inboorlingen vormen namelijk kleine verspreide groepen, en het gezag van een inboorling en hoofd reikt niet verder dan eenige mijlen van de plaats, waar hij woont.

Quarter aarzelde dan ook, ondanks zijn groot gezag in eigen dorp, den voet te zetten op het terrein zijner buren; hij heeft altijd zoo een en ander op zijn geweten, en hij is niet gemakkelijk tegenover de bevolking om hem heen. May, onze loods en [308] Quarter, onze gast, zijn twee beroemde jagers op menschen; zij begrijpen elkander en zijn vereenigd in een vriendschap, die bevestigd is door veel samen vergoten menschenbloed.

De onderdanen van Quarter zijn volstrekt niet veilig, en hij beschikt naar willekeur over leven en goed der zijnen. Hij wou ons zelfs wel eens toonen, hoe weinig hij geeft om een menschenleven meer of minder, en hij zou niet aarzelen, te onzer eer een paar zijner landgenooten te offeren. Maar wij haastten ons hem te zeggen, dat we hem op zijn woord geloofden, en dat we heelemaal geen bewijzen voor zijn bewering verlangden.

Intusschen was zijn houding tegenover Europeanen welwillend, en dank zij zijne bescherming, konden wij in alle gerustheid de omstreken van het dorp bezoeken.

We zagen bij die gelegenheid ook de aanplantingen van de inboorlingen op de helling der bergen. De Kanaken of liever hun vrouwen ontbosschen het terrein door verbranding en planten er daarna hun aardvruchten. Zij eten die taro’s en buitendien veel bananen, hun hoofdvoedsel, dat zij zoowel gekookt als rauw tot zich nemen.


Fetisjen.

Toen we die plantages hadden bekeken, liepen wij die gedeelten van het bosch in, waar de bijl van den mensch nog nooit had gekapt; wij konden oordeelen over de vruchtbaarheid van den grond en bemerken, hoeveel voordeelen die zou kunnen opleveren, als ervaren landbouwers er aan het werk gingen. Onder de reuzenboomen, die men overal ziet, ligt een dikke humuslaag, waaruit bij de warmte en de vochtigheid vaak schadelijke dampen opstijgen; maar als er meer licht en meer lucht in die bosschen werd toegelaten, zou het land gezonder worden en de grond zou er niet minder vruchtbaar om zijn.

Op onze wandeling ontmoetten wij eene groep jonge vrouwen, die gebukt gingen onder den oogst van bananen, voor Fanariki bestemd; zij liepen onder toezicht van een inboorling. Hoewel haar levenswijze niet maakt, dat haar schoonheid lang bewaard blijft, zag ik er toch onder, die er aardig uitzagen, en ze zouden zelfs mooi kunnen heeten, als ze niet tot allerlei dwaze ontsieringen waren overgegaan.

Een van haar had het tusschenschot van den neus doorboord en had er een ring van schildpad aan gehangen; eene andere had het oorlelletje zoo uitgerekt, dat zij er een houten blokje of schijfje had kunnen insteken van 0.05 M. middellijn. Men ziet het, de behaagzucht is nergens de wereld uit. De dames hadden regelmatige trekken, zijdeachtige, niet gekroesde haren als bij negerinnen, en ze waren goed geproportionneerd.

Zoo kwamen wij terug in Fanariki. In onze afwezigheid hadden de onzen veel succes gehad met het werven; vijf inboorlingen gingen mee op ons schip, namelijk Sohima, Toro, Tarimbanne, Tagaro en Soemanson. Zij vonden het aardig, te gaan naar een land van blanken, en onbewust zullen zij meehelpen tot den vooruitgang van de fransche kolonisatie in Nieuw-Caledonië. Het waren knappe, sterke, jonge mannen tusschen 18 en 22 jaar; hen trokken de zucht naar het onbekende en de zin voor avonturen, en zij moeten moed hebben, om weg te gaan, want in hun verbeelding zien ze niet alleen wonderen, maar wel degelijk ook gevaren.

Er wordt gewoonlijk beweerd, dat zij gaan op bevel hunner hoofden of van hun ouders; maar dat is een vergissing; zij moeten integendeel meestal den tegenstand van de ouders overwinnen en den onwil van hun hoofden, die het volstrekt niet prettig vinden, het aantal hunner strijders te zien verminderen.

Door velerlei geschenken moeten wij de smart der scheiding verzachten. Maar zoodra het schip de kust verliet, werden we met geschreeuw uitgeleid, en ik heb wel jonge meisjes zwemmend onze boot zien volgen en pogingen zien aanwenden, om door waarschuwingen en gebeden den broeder terug te houden, die haar misschien voor altijd ging verlaten.

Wij vervolgden onzen weg naar de Wannoni-baai, De pas ingescheepte Kanaken verzochten mij, of ik hen op mijn register wilde inschrijven. Ze wisten, dat die plechtige formaliteit onmisbaar is, als hun contract geldig zal zijn. Het is in hun belang, als de plaats hunner geboorte staat opgeschreven en de duur van hun contract, opdat men hen, als het tijd is, naar huis kunne terugbrengen, namelijk als de drie jaren, waarvoor ze zich verbinden, om zijn.

Ik liet hun een volledig stel kleederen geven en een deken; hoewel ze een lange reis gingen ondernemen, was er geen sprake van bagage, en naakt als wormen trokken ze uit hun dorp weg. Toch zag ik nog, dat ze allen een heel klein gevlochten zakje droegen, en door nieuwsgierigheid gedreven, zag ik na, wat er in was. Het bevatte een beschilderd bamboekokertje met de ingrediënten voor het sirih-kauwen, een paar arekanoten dus, wat tabak en betelbladeren. Ze doen allen aan het betel- of sirih-kauwen, deze inboorlingen, en de gewoonte moet door de Maleiers er zijn ingevoerd. Dit is niet het eenige bewijs van maleischen invloed; men vindt, uit anthropologisch en ethnographisch oogpunt kijkend, er nog zeer veel sporen van.

Wij kwamen te Wannoni aan en ankerden in een ruime baai, tegen de heerschende zuidoostenwinden beschut. De inlichtingen, die wij hadden ingewonnen, leerden ons, dat dit deel der kust zeer bevolkt was, en dat de inboorlingen uit het binnenland er dikwijls kwamen handel drijven. Wij zouden dus die menschen uit de wildernis kunnen aanschouwen, die aanmerkelijk verschillen van de kustbewoners.


Inboorlingen van de Salomons-eilanden.

Ik geef aan elken zeevaarder, die deze eilanden bezoekt, den raad, de Wannoni-baai niet voorbij te gaan; hij zal er in overvloed zoet water kunnen innemen uit twee groote rivieren, die in de baai uitloopen, en als het noodig is kan hij van de [310] inboorlingen proviand koopen, als bananen, suikerriet, aardvruchten en varkens. Wij bereikten een dorp, dat ongeveer 500 inwoners had. De huizen waren gelegen op de oevers van één der rivieren, en wij hielden gemeenschap met de overzijde door onze bootjes; de inboorlingen waren nog niet zoo slim geweest, om de noodzakelijkheid van een brug in te zien.

Wij ontmoetten vrouwen aan hare huiselijke bezigheden, bananen bereidend voor den avondmaaltijd, of visch schoonmakend, en bereikten weldra het voornaamste huis uit het dorp. Bij elken stam heeft men een gemeenschappelijk huis, dat tot plaats van samenkomst dient voor het mannelijk deel der bevolking; de vrouwen mogen er niet binnenkomen, omdat haar maatschappelijke rang te laag is, dan dat zij een woordje zouden mogen meespreken bij de discussies van haar echtgenooten.

Op het platform vóór de hut stonden de mannen dan ook druk te praten over het mooie weêr en de lange dagen en vertelden elkander, wat ze hadden gezien op hun reizen naar Queensland en Nieuw-Caledonië en de Samoa-eilanden. Ze besloten er ook tot komende oorlogsexpedities en kozen de plaatsen uit, die van de kusten in de buurt in aanmerking kwamen voor het zenden van oorlogsbooten.

Onze komst wekte de algemeene nieuwsgierigheid, en, getrouw aan de algemeene bedelachtigheid, begonnen ook zij te vragen naar pijpen en naar tabak. Ik heb tot principe aangenomen, nooit eenig geschenk te geven, waarvoor geen wederdienst wordt bewezen. Eén van hen verdween uit de groep, om uit zijn huis een prachtigen boog met pijlen te halen, en na lange onderhandelingen gaf ik hem er tien rollen tabak voor in betaling. De boog was werkelijk mooi en artistiek gemaakt; hij was aan de rugzijde met parelmoer ingelegd en was gespannen met een zeer stevig koord van gevlochten lianenvezels; zoo’n boog heb ik op mijn latere omzwervingen nergens meer aangetroffen, en het museum op het Trocadéro zal met dit eenig exemplaar worden verrijkt.

De inboorling, die hem mij verkocht, beweerde hem te hebben gekocht van een inboorling uit Malaïta; maar ik vrees, dat dit niet waar is en dat het alleen gezegd wordt, om de waarde van het voorwerp te verhoogen. Deze eilandbewoners gaan immers juist door voor de handigste en bekwaamste.

Ik kon ook een stuk beeldhouwwerk van hout bemachtigen boven van een huis; en ik kocht andere ethnografische voorwerpen, als vazen, borden en ander houten huisraad.

Zooals ieder europeesche natie haar eigen oorlogswapen heeft en een veelgebruikt soort van geweer, zoo vindt men op de groep der Salomons-eilanden knotsen van verschillende soort; ieder eiland heeft er zijn eigene, door de inboorlingen in aanval en in verweer nog liever gebruikt dan de assegaai, waarmee ze zoo uiterst behendig werpen.

De knots van San Cristoval is van zeer hard hout, en heeft den vorm van een sikkel van soms wel 1.50 M. lengte. Het is een geducht wapen in de handen der inboorlingen, en vaak heeft het hun gediend, om Europeanen uit den weg te ruimen. Wie er een slag mee heeft ontvangen staat niet weer op.

Bij gelegenheid van ons bezoek aan het dorp in de Wannoni-baai deden wij een uitstapje in het binnenland en voeren een eind de rivier op; wij kwamen daarbij ook weer in bosschen, nog niet door menschenhanden aangeraakt. Er waren veel vogels, en hun gekweel was de eenige verlevendiging der eenzaamheid; als de inboorlingen er door gaan, houden ze zich zoo stil mogelijk, en trachten hun aanwezigheid te verbergen, uit vrees dat een achter een boom verscholen vijand hen onverhoeds mocht aanvallen en hen berooven van het weinige, dat zij bij zich dragen.

Warmte en vocht zijn de beste hulpmiddelen voor de ontwikkeling van den plantengroei, en die worden op de Salomons-eilanden aangetroffen. Zoo konden wij op die wandeling langs de smalle boschpaden reuzenboomen bewonderen, waaronder veel bananen met groote luchtwortels. Kokospalmen waren er niet veel, die bleven meestal tot het strand beperkt; ze waren minder algemeen dan op de Nieuwe-Hebriden en de Fidsji-eilanden, en de coprahandel, de verkoop van het gedroogde kokosnotenvleesch, is veel minder algemeen hier dan in beide genoemde archipels.

Maar daarentegen komt hier de boom voor, die plantaardig ivoor levert; het is ook een palmsoort, die den wetenschappelijken naam Phytelephas macrocarpus draagt en een eigenaardig voorkomen heeft. De bladeren zitten laag, bijna op den grond en komen voort uit een lagen stronk, die een weinig op een cactusplant gelijkt. Hij brengt zaden voort, die vóór ze rijp zijn, een waterig vocht bevatten, dat later melkachtig van kleur en consistentie wordt en eindelijk een witte kleverige massa vormt. Is het zaad, dat de grootte van een dikke kastanje heeft, volkomen rijp, dan is die massa hard geworden als ivoor en lijkt daar ook precies op. Daar die stof veel duurder is, wordt het plantaardig ivoor er dikwijls voor gebruikt; men maakt er sieraden van en voert de stof in groote hoeveelheid uit van de Salomonseilanden; er wordt 200 francs voor een ton betaald.

Aan de beide rivieroevers vonden wij telkens sporen van kaaimans; die dieren krioelen in de wateren van den archipel, maar ze worden bijna nooit buitgemaakt, altijd zijn ze den inboorlingen te slim af.

Wij hadden geen enkelen inboorling gezien en kregen van dat verschijnsel de verklaring, toen wij in Wannoni terugkwamen en daar hoorden, dat er oorlog was tusschen hen en de stammen in het binnenland.

De aanleiding tot die onderlinge gevechten der naburige stammen is soms de behoefte aan slaven, dan weer de roof eener vrouw, die als een moderne Helena een oorlog van Troje teweegbrengt.

Maar ten tijde van onze komst was men bereid, een wapenstilstand af te kondigen tusschen de beide oorlogvoerende partijen. De inboorlingen van de kust wilden wel toestaan, dat die uit de wildernis met ons handel kwamen drijven. Eenige dagen later werd ons dan ook de komst aangekondigd van de boschmenschen, op de aangeduide plaats verschenen, op neutraal terrein aan de baai. Zij waren driehonderd in getal, mannen van elken leeftijd en vrouwen en kinderen.

Wij gingen aan wal, om de onderhandelingen te beginnen; pas hadden we elkander begroet, of vier jonge mannen sprongen in onze boot en ondanks de smeekingen van hun vrienden verklaarden zij zich bereid, mee naar Nouméa te gaan. De betaling geschiedde [311] terstond, maar daar er meer inboorlingen lust hadden, met ons te gaan, begonnen ze heftig tegen elkander uit te varen, en wij waren genoodzaakt, maar gauw aan boord terug te gaan. Het was gelukkig, dat een tweede gewapende boot bij ons was, om de menschen aan het strand in bedwang te houden, anders zou het ons moeite hebben gekost, de Lady Saint Aubyn weer te bereiken, zonder door assegaaien te worden geraakt.

We spoedden ons haastig van daar weg en ankerden een paar dagen later in de Paola-baai bij Tavaro, de plaats, waar de inboorlingen van het noordelijk deel der kust veel samenkomen, omdat men er beschut is tegen de heerschende zuidoostenwinden, en men er gemakkelijk zoet water kan krijgen uit een breede, snelstroomende rivier.

Nadat we te Tavaro een paar contracten hadden afgesloten, begaven wij ons naar het eiland Hougué en zouden daarna varen langs het eiland Malaïta.

Door gunstigen wind gedreven, naderden wij weldra Hougué, herkenbaar aan zijn ronde gedaante, als een rond stuk koraal op de zee neergelegd. Het is een laag eiland met een weelderigen plantengroei, waaronder de inlandsche hutten aan het strand zich verbergen.

Er wonen ongeveer 800 inboorlingen, echte zeeroovers, wel beveiligd tegen vreemde invallen, omdat ze zelf herhaaldelijk de anderen bedreigen. Ook hier leefde een uit Nieuw-Caledonië ontvluchte Franschman onder de Kanaken en deelde in hun leven; hij heeft het niet noodig geacht, ons met een bezoek te vereeren, maar hij is sedert dien al weer opgepakt en in de gevangenis van Nouméa teruggegebracht.

Wij zetten onzen weg voort, en al spoedig kwam het eiland Malaïta in het gezicht. Er zijn weinig eilanden in de Stille Zuidzee, zoo bekend als Malaïta. Het gaat voor het gevaarlijkste van de Salomonseilanden door, waar de aanvallen op blanken het talrijkst zijn. Toen wij er waren, sprak men nog van een onlangs voorgevallen catastrophe, die schrik had verspreid onder de blanken in de buurt. Een klein schip was de oostkust genaderd boven Port-Adam en was door de inboorlingen aangevallen; de kapitein en de stuurman waren gedood en het scheepje was verbrand, na geplunderd te zijn.

Er moest met de uiterste voorzichtigheid worden opgetreden bij de onderhandelingen, en wij namen aan boord alle mogelijke voorzorgen.

Maar niet alle plekjes op Malaïta zijn even gevaarlijk. Port-Adam, onze eerste aanlegplaats, had vroeger een treurige reputatie, maar sedert eenige jaren is het aan de engelsche zendelingen gelukt, er eenige vermaners of leermeesters te plaatsen, en de geest der inboorlingen is daardoor wezenlijk beter geworden, zoodat vreemdelingen er nu niet meer zooveel gevaar loopen.

Zoo konden wij dus hier leeren kennen de Kanaken, nadat ze een zeer licht tintje van beschaving hebben opgedaan en niet meer die woestheid vertoonen, die zoo kenmerkend is voor het ras. De huizen waren hier beter ingericht dan bij de echte heidenen; we vonden er enkele europeesche waren en een paar godsdienstige boeken, in de taal van het land overgebracht.

Uit Port-Adam krijgt men gewoonlijk de tolken, die bij de werving niet mogen ontbreken. Hoewel ze tot één archipel behooren, hebben de bewoners van bijna alle eilanden een eigen dialect, dat op een naburig eiland niet wordt verstaan, en soms wordt er zelfs een verschillende taal gesproken in dorpen, die 60 à 70 K.M. van elkander zijn verwijderd. Er is wel veel overeenkomst tusschen de verschillende talen; als men een weinig op de hoogte is van het oceanische idioom, bemerkt men spoedig, dat het alles dialecten zijn van de papoea-branche der maleisch-polynesische talen.

Toch kunnen een inboorling van San Cristoval en een van Malaïta elkander niet verstaan of begrijpen; daar heb ik meermalen voorbeelden van gezien.

Port-Adam is de beste haven van Malaïta, gelegen aan een lagune, waardoor men gemakkelijk met niet te groote schepen van den eenen naar den anderen kant van het eiland kan komen.

Wij volgden na Port-Adam de westkust van Malaïta naar Pioe, en onderweg werden allerlei plaatsen aangedaan, waar we talrijke inlichtingen konden krijgen over de inboorlingen en over de fauna en de flora van dit eiland. Het is het minst bekende van de geheele groep, het eenige ook, waar nooit een Europeaan aan den wal heeft vertoefd.

Wij vonden er den broodboom en den amandel, den arecapalm, allerlei lianen, veel Rubiaceeën en Orchideeën; de Hibiscus groeit er in overvloed en, evenals de Olijf in oude tijden, is hij een vredessymbool.

Maar de fauna is minder rijk dan de flora; er waren bijna geen dieren op het eiland. Soms brachten de inboorlingen ons een paar magere kippen, die onzen kok tot wanhoop brachten, en dan weer kregen wij eieren, driemaal zoo groot als gewone; die moeten worden gelegd door een zeer kleine kip, welke ze in het zand legt en ze onder den invloed der zonnestralen laat uitbroeden. Ondanks mijn ijverig zoeken heb ik geen dier vogels kunnen bemachtigen; maar ik heb te dikwijls hun eieren geproefd, die ik niemand kan aanbevelen.

Koning op dit eiland is het varken; men koopt een vrouw voor tien varkens; met een varken betaalt men het contract van een inboorling, en overspel zoowel als moord en alle andere zonden, worden geboet door de aanbieding van één of meer varkens aan het hoofd van den stam.

Zij vormen echter niet het eenige ruilmiddel. Wij zagen vaak vrouwen en mannen, versierd met halssieraden van hondentanden, die ze tot geen prijs wilden afstaan; die tanden vormen de inlandsche muntstukken. Maar slechts twee tanden hebben waarde, dat zijn die, welke onmiddellijk aan de kiezen of maaltanden aansluiten; de andere dienen alleen tot sieraad.

De westkust van het eiland was dicht bevolkt, en de dorpen lagen er idyllisch in de schaduw van kokospalmen; het zou moeilijk zijn, ook maar bij benadering de geheele bevolking van het eiland op te geven, maar zeker is het, dat er nog meer menschen in het binnenland wonen dan aan de kust.

Het gezag van een inlandsch hoofd strekt zich soms uit over 5000 à 6000 onderdanen; zekere hoofden hebben zich vrij groote rijken weten te verwerven, waarover zij als onbeperkte heerschers regeeren; soms hebben ze 700 à 800 krijgers in hun dienst. Dus [312] is het gemakkelijker, de politieke organisatie te bestudeeren op Malaïta dan op San Cristoval.

De waardigheid van dorpshoofd kan erfelijk zijn, of ook wel wordt zij verkregen door rijkdom of door sterk sprekende physieke meerderheid boven de andere inwoners.

Onder hem staat een ander hoofd, die een invloedrijke positie heeft weten te verwerven door zijn moed. Dat is dan de oorlogsleider, waarvan wij een type aantreffen in den persoon van Aio, wel bekend niet enkel op de Salomons-eilanden, maar ook op de Nieuwe-Hebriden en zelfs op Nieuw-Caledonië, waar hij aan den gouverneur is voorgesteld geworden. Aio is begiftigd met een alles te boven gaanden moed, en bij menige gelegenheid heeft hij niet geaarzeld, vreemde booten aan te vallen. Er heeft echter niet altijd zegen op zijn werk gerust, waardoor hij ten laatste een onvrijwillige reis naar Nouméa heeft moeten maken.

Dan was er nog de toovenaar, zooveel als de ta-ka-ta van de stammen op Nieuw-Caledonië. Vaak wezen de inboorlingen ons een lid van hun stam, die, zeiden zij, naar believen regen of mooi weer kan maken.


Het strand te Port-Adam.

Hun geloof raakt niet aan het wankelen, als het beloofde weder uitblijft en de aardvruchten bij gebrek aan regen verdrogen; er is dan blijkbaar altijd een uitlegging gereed, waardoor het gemis aan welslagen aan allerlei andere dingen te wijten is dan aan ’t gemis van bekwaamheid bij hun toovenaar.

Te Pioe zagen wij het grootste aantal inboorlingen op ééne plaats bijeengekomen. De bewoners van de kuststreek en die uit de bosschen van het binnenland waren er vergaderd. Te midden dier menigte, waarbij individuen te vinden waren van elken leeftijd en beide seksen, was het gemakkelijk, twee typen te onderscheiden, die uit physiek oogpunt veel verschilden. Naast den inboorling met Papoea-trekken vonden wij vele inboorlingen, die onmiddellijk den Polynesiër verrieden.

De beide rassen, het papoesche en het maleisch-polynesische, hebben inderdaad den archipel bevolkt. Het schijnt, dat de landverhuizers van maleisch-polynesische afkomst de kust bezetten en de eerste bewoners, die Papoea’s waren, naar het binnenland hebben teruggedrongen.

Toen wij Malaïta verlieten, zouden wij naar het eiland Isabel hebben willen gaan en de baai der Mille-Vaisseaux hebben willen bezoeken, waaraan talrijke fransche herinneringen zijn verbonden. Doch sinds 1885 heeft het noordelijk deel van den archipel de opperhoogheid van Duitschland moeten erkennen, en die mogendheid heeft de werving op haar grondgebied verboden.

Wij hadden slechts vergunning om te werven in het onafhankelijke deel der eilandengroep, en het deed ons leed, zonder er stil te houden, de bewuste baai te moeten voorbij varen aan de zuidkust van het eiland Isabel. Daar legde Dumont d’Urville aan op zijn reis naar de Salomons-eilanden, en de haven van Astrolabe, aan die baai gelegen, werd door fransche officieren zeer nauwkeurig hydrographisch opgenomen, terwijl het te betreuren is, dat ook niet andere punten van de kust zoo goed bekend zijn.

Op het eiland Isabel, waar wij niet veel succes hadden, eindigde ons recruteeringswerk. Wij hadden 112 inboorlingen aan boord, voor wie wij zeker wisten te Nouméa werk te zullen vinden, en nu waren wij verheugd naar Nieuw-Caledonië te kunnen terugkeeren, naar beschaafder streken. Maar wij waren toch voldaan over ons bezoek aan deze eilanden, die zoo weinig bekend en zoo interessant zijn. Het geluk had ons gediend, en wij waren welwillend ontvangen door de inboorlingen, die zulk een slechten naam hebben; ze hadden ons tenminste geen openlijke vijandschap getoond.

Den 17den November om zes uur ’s avonds ankerde de Lady Saint Aubyn in de haven van Nouméa, waar zij te huis was.

De Aarde en haar Volken, Jaargang 1906 - Full Text (Uit Marokko)

No comments:

Post a Comment