Sunday, March 4, 2012

De Aarde en haar volken: Jaargang 1877 - Full Text (Reis door Griekenland)

Reis door Griekenland.


De golf van Eleusis.

(Vervolg van bladz. 232).

V.

In de maand October begint in Griekenland de hitte dragelijk te worden; ettelijke regenbuien hebben den grond bevochtigd en verfrischt; de koortsen, die gedurende de maand September zoo vele lagere streken in hooge mate ongezond maken, beginnen te wijken; een tocht door het binnenland wordt dan voor vreemde toeristen mogelijk. Zeker hebben zes maanden droogte het land uitgemergeld en verschroeid, maar dit schaadt niet aan het eigenaardig karakter van zijne schoonheid. Het is reeds meermalen gezegd geworden: men moet de noordelijke landen eigenlijk in den winter bezoeken, en de zuidelijke in den zomer.

De gelegenheid was gunstig voor eene reis door de noordelijke provinciën, waarvan men zich anders meestal door vrees voor de roovers laat terughouden. Sedert drie jaren had de regeering al hare krachten ingespannen, om den smet uit te wisschen, door den moord van Marathon, in 1872, op het land geworpen. Men had met ernst de handen aan het werk geslagen, en, met ijverige medewerking van den pâsja van Thessalië, het zoover gebracht, dat er nu geen roovers meer in Griekenland te vinden waren, en men het land van het noorden naar het zuiden kon doorreizen, zonder gevaar te loopen, neus en ooren te verliezen. Het was geraden, van die ongewone veiligheid, die misschien niet lang stand zou houden, gebruik te maken.

Ik gaf mitsdien aan den minister van binnenlandsche zaken en aan den prefect van policie kennis, dat ik binnen eenige dagen op reis hoopte te gaan naar Thebe, Eubea en Phthiosis, om over Delphi en den Parnessus terug te keeren. Deze kennisgeving was eene bloote formaliteit, maar waaraan het voordeel verbonden was, dat de kommandanten der gendarmerie en de plaatselijke besturen van onze komst werden verwittigd, zoodat wij overal konden rekenen op een nachtverblijf en een maal: twee zaken, waarop de reiziger in dit land anders volstrekt niet altijd rekenen kan.

De grieksche ministers zijn niet bijzonder prachtig gehuisvest, en hebben ook geen drom van kamerdienaars tot hunne beschikking om de al te lastige bezoekers af te weren. In een huis van zeer nederig voorkomen, klimt ge langs een krakenden houten trap naar boven. Wie wil, gaat binnen; er is geen concierge of bode die u tegenhoudt. Door de openstaande deuren ziet ge, in kamers met naakte muren en vensters zonder gordijnen, de ambtenaren zitten op matten stoelen, voor tafels van ongeverwd hout, en onder hun werk sigaartjes rookende. Een man, in een vuile, versleten en gelapte overjas gekleed, wijst u, zonder op te staan, zonder uw naam te vragen of naar het doel uwer komst te onderzoeken, het kabinet van den minister.

Ge kunt zonder kloppen binnentreden; in den hoek van een zeer sober gemeubeld vertrek zit een heer aan eene kleine schrijftafel te werken: dat is de minister. Hij staat op, reikt u de hand, en noodigt u bladzijde 362uit, plaats te nemen. Een oogenblik later komt de smerige kamerdienaar binnen, en presenteert u, op een tinnen blad, te Neurenberg beschilderd, een kop koffie, dien hij in het naburige koffiehuis heeft gehaald.

Die antieke eenvoud heeft eene zekere aantrekkelijkheid voor hen, die zich dikwerf door de aanmatiging en overdreven etiquette, elders gebruikelijk, hebben beleedigd gevoeld. Zij, die hier tijdelijk—doorgaans zeer tijdelijk!—de macht in handen hebben, doen geen pogingen om door zeker prestige te verblinden. En zoo zij het deden, zou de spottende, alles nivelleerende zin van het volk hen spoedig alle lust voor dergelijke proefnemingen benemen. Ieder, die wil, treedt onaangemeld bij den minister binnen, neemt een stoel, en brengt met groote woordenrijkheid en op den meest gemeenzamen toon zijne klacht of zijn verzoek te berde. De minister luistert, spreekt met hem als met zijn gelijke, en belooft dat hij alles zal doen wat in zijn vermogen is om den man te helpen. Zeker is de hoop, om een kiezer of een die het worden kan voor zich te winnen, aan deze handelwijze niet geheel vreemd; maar nog veel meer moet men hier denken aan de traditioneele gewoonten van het Oosten, waar tusschen de verschillende standen, in den dagelijkschen omgang, de meest mogelijke gelijkheid heerscht. Trouwens, dit was ook bij ons vroeger het geval, ondanks het groot verschil van stand, in maatschappelijken en politieken zin; en niets is oppervlakkiger en onjuister, dan te meenen dat de opheffing van dit verschil, de politieke en sociale gelijkmaking van allen, de ware toenadering, den waren geest van gelijkheid en broederschap tusschen de verschillende standen zal bevorderen: veeleer is het tegendeel waar.

Nog maar weinige jaren geleden, moest, wie een tochtje door het binnenland wilde ondernemen, dit te paard doen, en zich daarbij van het noodige voorzien. Dit is thans niet meer noodig: wij verlaten Athene, gezeten in een kales. Dit is misschien minder schilderachtig, maar zeker gemakkelijker. Echter brengen de straatwegen u in Griekenland niet ver; reeds te Thebe, dat slechts tien uren van Athene verwijderd is, zullen wij voor het overige van de reis paarden moeten nemen. Onze gids heeft wel eenige gelijkenis met Quasimodo; hij draagt een lichtkleurige jas en een slappen hoed; hij haspelt, op onverstaanbare manier, twee of drie talen dooreen, waaronder wij nu en dan eenige woorden fransch kunnen onderscheiden. Door eene wreede spotternij van het lot voert hij den naam van Perikles.

Het was ruim vier uren in den morgen, toen wij het hotel verlieten. Achter den berg Hymettus voorspelde een zachte rozengloed aan den hemel de nadering van den dageraad. Enkele kleine koffiehuizen waren reeds geopend; en de aromatische geur van de mokka, vermengd met den doordringenden reuk van de oostersche tabak, verkondigde den aanvang van een nieuwen levensdag in de stad van Pallas-Athene. In de straten heerschte nog de zwoelte van den vorigen dag; ondanks de frischheid van den morgen straalde van de muren der huizen ons nog de warmte tegen.

Gelukkig zijn wij spoedig buiten de stad; welhaast hebben wij de grenzen der beschaafde wereld bereikt:—op vijftien minuten afstands van het koninklijk paleis. Ter linkerzijde van den weg, op twintig el afstands van het station, waar eene brutale locomotief haar vuile rookwolken uitblaast in de dichterlijke attische lucht, stond weleer de Dipylische poort. Daar liepen en loopen nog de twee wegen naar Eleusis en den Piraeus samen: van alle poorten van Athene was dus deze de drukste. Te midden van die wolken van fijn kalkachtig stof, dat destijds zoowel als nu de wegen van Attika bedekte, bewoog zich toen de stroom der vrachtwagens van den Piraeus, der lastdieren, der kooplieden die hunne waren naar de stad brachten, der boeren die met groenten en vruchten ter markt gingen, der slaven die den voorraad voor den dag moesten inkoopen, der wandelaars en leegloopers eindelijk, wier aantal te Athene zeer groot was. Nabij deze poort drongen de soldaten van Sylla, na een bres in den muur gemaakt te hebben, de stad binnen; en de menigte menschenbeenderen, die men bij de jongste opgravingen op die plek gevonden heeft, bewijst dat er hardnekkig gevochten werd. Bij die opgravingen zijn ook enkele der graven ontbloot, die aan den heiligen weg van Eleusis hetzelfde voorkomen moeten gegeven hebben als aan de Via Appia bij Rome. Men vindt hier uitnemend fraaie beeldwerken en merkwaardige inscripties; en hoewel wij met onzen tocht meer ten doel hebben, de levenden te leeren kennen dan de gedenkteekenen der dooden na te sporen, laten wij toch het rijtuig even stilhouden en stappen uit.

Zie hier de tombe van eene jonge syrische vrouw uit Baireuth, gehuwd met een burger van Sunium; daar rust een wapenheraut, verraderlijk omgebracht door de Megarenen, die zich hadden schuldig gemaakt aan het omploegen en bezaaien van den heiligen akker van Eleusis. Daar zijn de graven van krijgslieden, met eer op het slagveld bezweken. Ginds rusten vrouwen met een onzijdigen naam, dat wil zeggen dezulken die, uit hoofde van haar afkomst of haar bedrijf, onwaardig werden geacht, ook taalkundig met de anderen op eene lijn te worden gesteld. De eerlijke, fatsoenlijke buurvrouw heet, bij voorbeeld, Koralia: dan heet deze eenvoudig Koralion. Boven sommige graven ziet men afbeeldingen van dieren, eene meer of minder duidelijke zinspeling op den naam van den overledene. Iemand, die bij voorbeeld Aper heette (een zeer gemeenzame naam bij de ouden), kreeg op zijn graf de levensgroote afbeelding van een wild zwijn, met borstelige haren en dreigende slagtanden.

De weg van Eleusis, dien wij nu volgen, is aan de eene zijde begrensd door eene gasfabriek en aan de andere door pannenbakkerijen, waar groote kerels met snorren bezig zijn met het vervaardigen van reusachtige kruiken en watervaten van geelachtig roode klei. Van de oude graftomben is geen spoor meer over. Ziehier, aan onze linkerhand, den ingang van den Botanischen Tuin. Eene turksche fontein schuilt in de schaduw eener groep van hooge virginische populieren met hunne zilverachtige, gladde stammen. De fontein zwijgt; het steenen bekken, waar het frissche heldere water met welluidend ruischen in nederstroomde, is nu met stof bladzijde 363en dorre bladeren gevuld. De Turken wisten het genot te waardeeren eener springende fontein onder den lommer van groote boomen; zij zijn het, die al de fonteinen, welke wij langs onzen weg ontmoeten zullen, hebben gebouwd; de Grieken, die aan andere dingen te denken hebben, laten deze weldadige bronnen opdrogen en vervallen.

De Botanische Tuin, de eenige in het geheele land, verdient in geen enkel opzicht zijn naam; hij dient letterlijk tot niets dan tot het kweeken van enkele groenten door de bedienden. Gedurende de dertig jaren van zijn bestaan, is er voor dien tuin ruim anderhalf millioen zonder eenig nut weggeworpen. Korten tijd voor den val van koning Otto had men het, onder de leiding van een bekwaam beijersch botanicus, althans zoo ver gebracht, dat de zoogenoemde tuin ook eenigermate op een tuin begon te gelijken. Plantsoenen van jong, met zorg gekozen geboomte, vreemde gewassen, bloembedden, mochten als voorloopers van een gelukkigen omkeer worden begroet; maar de omwenteling van 1861 verdreef den kundigen directeur en benoemde in zijne plaats een dagbladschrijver, die zich hoegenaamd niet bekommerde om de aan zijne zorgen toevertrouwde planten. In de verwaarloosde en verwoeste perken ziet men nog slechts eenige ijzeren stangetjes, waaraan latijnsche opschriften zijn bevestigd: de laatste overblijfselen dezer wetenschappelijke inrichting.

Weldra brengt de weg ons in het beroemde olijvenbosch, door Sophokles verheerlijkt, en dat nog altijd bestaat ondanks Sylla en de Turken. De warme en krachtige toon van het groen der wijngaarden komt te sterker uit tegen het dunne, grijsachtige gebladerte dezer olijfboomen, waarvan enkelen een omtrek hebben van zes el, en meer dan waarschijnlijk een paar duizend jaar oud zijn.

Mannen, wier roode fez levendig afsteekt bij al dit groen, in het wit gekleede vrouwen, half naakte kinderen, zijn bezig met den wijnoogst; langs de kanten der besproeiingskanalen draven kleine grijze ezels, met groote manden vol reusachtige trossen zwarte druiven beladen. Die besproeiingskanalen doorsnijden het bosch in alle richtingen, en voeren het water van den Kephissus door de tweehonderd tuinen, die onder den lommer dezer eeuwenheugende boomen een schuilplaats hebben gezocht tegen het zonnebranden en tegen den noordenwind. De eigenaars dezer tuinen, bijna allen Albaneezen, hebben een bestuur ingesteld, dat voor de behoorlijke verdeeling van het bevloeiingswater moet zorgen en uitspraak doen in de te dezer zake gerezen geschillen. Die uitspraken worden altijd geëerbiedigd; er is geen voorbeeld van, dat iemand zich van de altijd verstandige en verzoenende beslissing van dit bestuur op de rechtbank heeft beroepen. Tweemaal per week wordt iedere tuin regelmatig door het vruchtbaarmakend water bedekt, dat door een lagen aarden dam verhinderd wordt, te spoedig weg te vloeien. Deze smalle strook, langs de vlakte van Attika, levert dan ook een in dit land zeer zeldzamen aanblik op, die te meer treft door de tegenstelling met de omringende landstreek: frisch en welig groen, een altijd vochtige grond, bloeiende boomen en malsche grasperken verheugen en verkwikken het oog, vermoeid van het staren op de grijze en naakte vlakte van Athene.

Op plaatsen waar het water der rivier niet komen kan, of ook wanneer, na een heeten zomer en een regenloozen winter, de bronnen en sprengen zijn uitgedroogd, behelpt men zich met norias, die het water opbrengen van dertig voet beneden den beganen grond. Reeds van verre hoort ge het eigenaardig geknars van die overoude werktuigen. Een mager, half blind paard, voortgedreven door een knaap met groote geestige oogen, brengt een eenvoudig raderwerk in beweging, waardoor kleine aarden potten worden opgevoerd, die een deel van het water onderweg verliezen en het overige uitstorten in een houten goot. Deze aartsvaderlijke toestellen beantwoorden zeker zeer slecht aan den regel der mechanica, dat de som van den arbeid evenredig moet zijn aan die der gebruikte beweegkracht; maar erkend moet het worden, dat zij oneindig veel schilderachtiger zijn dan de bewonderenswaardigste machine, afkomstig van het beroemdste huis van Manchester. Al onze moderne werktuigen zijn, zonder onderscheid, absoluut leelijk; maar van deze norias kan dit in geenen deele gezegd worden. Onder die schoone olijven, met hunne knoestige stammen, met hun schraal gebladerte, waardoor de zon zoo geestig speelt, wat leveren ze een prachtige stoffage, die norias! Laat in de nabijheid een palmboom zijn lange bladeren wiegden; laat een paar cypressen hun sombere kruinen verheffen in die heldere lucht, onder dien weergaloos blauwen hemel; geef aan den knaap, die daar half in de schaduw tegen de witte pilaren van de noria zit, met een lange zweep in de hand, geef hem het roode vest en den korten blauwen broek der landlieden van Attika:—en ge zoudt meenen, een dier wonderschoone schilderijen, waarop Decamps het Oosten zoo dichterlijk trouw heeft afgemaald, voor u te zien.

Een steenen brug voert over een der takken van den Kephissus, waarvan de stoffige, uitgedroogde bedding wel bewijst dat de oeverbewoners geen enkelen droppel verloren laten gaan van het kostbare vocht, door de natuur met zoo karige hand aan Attika toebedeeld. Hier placht, bij haar terugkomst van Eleusis, de groote processie der Panatheneeën stil te houden. Het volk wachtte, gemaskerd, den optocht bij de brug af, en begroette de ingewijden met een stortvloed van scheldwoorden en grove smaadredenen, zelfs de voornaamste en hoogst geplaatste personen aanrandende met eene bandelooze vrijpostigheid, waarvan de atheensche pers de traditie nog niet verloren heeft. De priesters en de ingewijden bleven evenwel niet in gebreke te antwoorden, en niet altijd behield de menigte, in dien zonderlingen tweestrijd, het laatste woord. In later tijd plakte men aan de palen der brug bijtende schotschriften, zoo als op het beeld van Pasquino te Rome.

Al te spoedig hebben wij het olijvenbosch, dat op het breedste punt niet meer dan twee kilometers beslaat, achter ons. De weg rijst door dorre heivelden, met wilde planten en kruiden begroeid, die de lucht met haar geuren vervullen. Nergens een boom, nergens bladzijde 364een droppel water. Langs den weg verheffen zich enkele steenachtige heuvels, waarvan een op zijn top een klein klooster draagt. Dit klooster met zijn witgepleisterde muren heeft, zoo als doorgaans het geval is, de plaats ingenomen van een ouden heidenschen tempel, aan de zon gewijd. De zon heet in het grieksch helios, en langzamerhand is dat woord verbasterd tot den naam van den heiligen Elias, die nu te dezer plaatse vereerd wordt. Die zonderlinge vermenging tusschen de oude goden en de nieuwe heiligen ontmoet ge overal in dit land, waar de oude heidensche grondlaag nog altijd onder de dikwijls vrij oppervlakkige christelijke bedekking is te vinden. De heiligen, die men hier vereert, zijn fantastische wezens, gemetamorphoseerde goden, die in de nieuwe grieksche godsdienst—een mengeling van bijgeloof en rationalisme, die nog geheel het echt helleensche karakter vertoont—zonder veel moeite eene plaats konden innemen.


Archimandriet.

Vijf of zes oude monniken slijten daar op dien heuvel hunne dagen in volstrekte ledigheid en verstomping; zij hebben niets anders te doen, dan elken avond den heuvel af te dalen, om beneden aan den weg een kleine lantaarn aan te steken voor een zwart berookt heiligenbeeld in eene gemetselde nis. Voorts moeten zij, tweemaal in het jaar, aan de geloovigen der omliggende dorpen, tegen eene kleine vergoeding, de gelegenheid geven om een leelijken byzantijnschen Sint-Elias, olijfgroen op gouden grond, te kussen.

Een weinig verder bevinden wij ons op de plek, waar volgens de overlevering de apostel Paulus stil stond, om nog eenmaal een blik te slaan op de stad, die hem uitwierp ter wille zijner fouten tegen de spraakkunst. Van Antiochië, dwars door Klein-Azië, gekomen om het Evangelie te prediken, had hij inderdaad, van de klassieke hoogte van den Areopagus, het woord tot de mannen van Athene gevoerd; maar wat bekommerden die vrijdenkers en spotters zich om den “Onbekenden God”, zij, die reeds zoo vele goden hadden en die goden zoo bitter weinig telden! Wat echter bovenal mishaagde aan dit volk, rijk bedeeld met geest, maar inderdaad arm aan gemoed, was niet zoozeer de leer, die de apostel verkondigde, maar de wijze waarop hij dat deed: zijne nu eens verhevene, dan weder ruwe en onbevallige welsprekendheid, die er meer op aangelegd was om in het geweten te grijpen, dan de zinnen te streelen. Wat dezen dillettanten, aanbidders van den vorm vóór alles, aanstoot gaf, dat waren de fouten van den zinbouw en de onzuiverheid van den stijl. De rhetoren en pedagogen haalden, met een verachtelijken glimlach, de schouders op en wendden zich af; de spotzieke menigte floot hem uit; Paulus moest de stad verlaten, en de Atheners bleven wat zij nog heden zijn: het meest praatzieke en het minst godsdienstige volk der wereld.

Weldra daalt de weg in eene kleine vallei af, ingesloten door twee steile rotswanden, met dennen begroeid, en bij een der krommingen verliezen wij de vlakte van Athene uit het oog. Hier ligt, tusschen de bergen verscholen, het kleine klooster van Daphné, dat door de Benedictijner-monniken van Citeaux om eene oude byzantijnsche kerk werd gebouwd, in de dagen toen een edelman uit Champagne, Otto de la Roche, den titel voerde van hertog van Athene.

Even als alle middeleeuwsche kloosters, is ook dit versterkt: een zware, gekanteelde muur van acht tot tien ellen hoog, omgeeft de gebouwen, binnenhoven en tuinen; van afstand tot afstand springen torens een weinig vooruit, terwijl aan de binnenzijde een op bogen rustende weg gelegenheid gaf de wallen rond te gaan. Het binnenhof is aan drie zijden door gebouwen omringd; op de eerste verdieping bevinden zich de cellen, die op eene houten galerij uitkomen; beneden, onder zware booggangen, zijn de keukens, de voorraadkamers, de eetzalen en andere vertrekken tot allerlei dienst bestemd. De meesten liggen in puin; de anderen worden bewoond door eenige landlieden en schapen. De kerk is eene van de oudste en merkwaardigste van het byzantijnsche tijdvak, en is waarschijnlijk, naar de bouworde te oordeelen, uit de zesde of bladzijde 366zevende eeuw afkomstig. Nevens de kerk verrijst een vierkante toren, door de Benedictijnen gebouwd, zoowel om daarin de klokken op te hangen, als om tot wachttoren en uitkijk te dienen.


Het klooster van Daphné.

Het inwendige der kerk vertoont een zeer opmerkelijk specimen van de mozaïeken, waarmede de byzantijnsche kerken uit dien tijd werden versierd, en die hoogst zeldzaam zijn, dewijl de Grieken hoegenaamd geen zorg hebben gedragen voor het behoud van dezulken onder deze kunstwerken, die aan de ruwe beeldstormerswoede der Turken waren ontsnapt. Ook hebben deze mozaïeken zeer veel geleden; de vochtigheid doet geheele stukken van de kalk van het gewelf afvallen, die op den steenen vloer in stukken springen; de turksche kogels hebben menig beeld geschonden, toen het klooster, tot militairen post ingericht, in al de wisselingen van den onafhankelijkheidsoorlog deelde; eindelijk hebben de vuren der herders, en na de herstelling der orthodoxe eeredienst, de waskaarsen der papas de gewelven met een vuile rooklaag bedekt en op vele plaatsen de kleur bijna onkenbaar gemaakt. Boven in den koepel prijkt nog, geheel ongeschonden, een reusachtige Christuskop op gouden grond. Beneden aan den koepel ziet men de twaalf apostelen, met bijbelsche bijschriften; daaronder, tusschen de vensteropeningen, de profeten; op de bogen der vier pilaren, die den koepel dragen, de Aankondiging, de Geboorte, de Doop en de Verheerlijking.

Er is genoeg gezegd over de stijfheid en onnauwkeurigheid der byzantijnsche mozaïeken; maar wanneer de stralen der avondzon haar slechts met een geheimzinnigen schemerglans verlichten, waarin de onvolkomenheden der techniek bijkans verdwijnen, dan maken die groote hiëratische figuren op gouden grond, die scheppingen eener aan strenge regelen gebonden kunst, toch een indruk van onweerstaanbare, vorstelijke majesteit; dan kunt ge begrijpen, hoezeer de aanschouwing van die bovenaardsche beelden de schare treffen moest, wier godsdienstig gevoel niet bedorven werd door meer of minder wijsneuzige esthetische kritiek.

De kloosters, gedurende de bezetting van Griekenland door de Franschen gesticht, hebben ongelukkig geen kronieken nagelaten, en ook de geschiedschrijvers maken zeer weinig melding van hunne lotgevallen. En toch zou men zoo gaarne, in hun nieuw vaderland, die monniken volgen, die hunne fraaie abdij van Bourgondië verlaten hadden, om in het verre vreemde land de afgedwaalde scheurmakers te onderwijzen, en wat het zwaard der kruisridders begonnen had, door hunne prediking te voltooien. Maar vele van die ridders hadden het witte kruis verruild voor eene kroon, en eene voorzichtige staatkunde gebood hun, jegens hunne nieuwe onderdanen eene gematigheid en verdraagzaamheid in acht te nemen, die soms kwalijk strookte met den vurigen bekeeringsijver der Benedictijnen.

Innocentius III, de groote paus, die de omverwerping van het oostersche rijk door de kruisvaarders niet had goedgekeurd, hield niet op, de veroveraars en de hen vergezellende monniken en geestelijken te vermanen tot zachtmoedigheid, geduld en matiging: de eenige middelen waardoor men mocht hopen, de overwonnen volken weder in den schoot der katholieke Kerk terug te voeren. Er zijn van hem verschillende bewonderenswaardige brieven aan de abten van het vorstendom Morea en het hertogdom Athene, waaruit blijkt dat zelfs de invloed en het gezag van den paus niet altijd voldoende waren om den overdreven godsdienstijver van de latijnsche geestelijkheid te temperen. Ook de Benedictijnen van Daphné stonden niet altijd op den besten voet met hun hertog; en meer dan eenmaal moest de tusschenkomst van den paus worden ingeroepen, om de geschillen bij te leggen en de verhouding te regelen tusschen de burgerlijke overheid en de geestelijke orden, die op bijna volstrekte onafhankelijkheid aanspraak maakten.

Deze worsteling, die toch slechts een klein onderdeel vormt van de geschiedenis der middeleeuwen, geeft ons op nieuw de gelegenheid om den adel van ziel en de grootsche verhevenheid van bedoelingen en inzichten te bewonderen van de acht of tien groote pausen, die destijds het lot van Europa, van de Christenheid, waarvan zij het erkende en geëerbiedigde hoofd waren, in handen hadden en die daarop den heilzaamsten invloed uitoefenden, al ware het slechts daardoor dat zij bij de verschillende volken het innig bewustzijn hunner éénheid, als leden van de groote christelijke familie, als zonen derzelfde heilige Moederkerk, levendig hielden en alzoo een krachtigen dam opwierpen tegon de eenzijdige ontwikkeling van dat nationaal egoïsme, dat zich heden ten dage in al zijne driestheid, in al de onbeschaamdheid zijner toomelooze aanmatiging vertoont en door sommigen als het hoogste, het eenige beginsel van volkenrecht gehuldigd wordt.

De abdij van Daphné was het Saint-Dénis der fransche hertogen van Athene; in een kleinen kelder, onder den voorhof der kerk, heeft men verscheidene hunner graftomben teruggevonden: zware steenen lijkkisten, zonder versierselen of opschriften. Op een dezer kisten is in relief het wapen gebeeldhouwd van Guy II de la Roche, den derden hertog van Athene. Deze Guy gedroeg zich, naar de getuigenis der kronieken, “zooals het een goeden en vromen heere past”; hij werd door zijne onderdanen bemind en won zich een grooten naam in alle koninkrijken. Zoo hervinden wij hier, in deze verwijderde streken, de herinnering aan de schoone, schitterende rol, die de roemruchtige fransche adel eeuwen lang, in en buiten zijn vaderland, in dienst der edelste en schoonste idealen, gespeeld heeft.

VI.

Daphné verlatende daalt men, langs eene vrij steile helling, naar den oever der golf van Eleusis af. Aan den zoom der golf is de weg in de rots uitgehouwen en wordt door muren gedragen, aan wier voet de golven kabbelen. De aanblik van deze ruime, kalme, rustige baai is inderdaad bewonderenswaardig. De fijne en schilderachtige omtrek der bergen teekent zich scherp af tegen den schitterend blauwen hemel, en weerspiegelt in de azuren wateren van den oceaan. Tegenover bladzijde 367ons verrijzen de rossige, vale rotsen van Salamis loodrecht uit de zee; rechts de doorwoelde en doorgraven hellingen van den Parnessus en den Kitheron, in warme, lichtgrijze tonen en tinten gehuld; aan hun voet strekt zich de heilige vlakte van Demeter uit, blakerend in den zonnegloed, en van de blauwe, onbewegelijke zee gescheiden door een smal strand, geheel bezaaid met kleine wit- en rooskleurige marmersteentjes. Dit strand, eene bevallige kromming beschrijvende, voert ons naar Eleusis, waarvan de witte huizen, aan de overzijde der golf, ons tegenblinken. Hooge bergtoppen vormen den achtergrond van het tooneel, naar de zijde van Megara.

Wij gaan langs twee groote vijvers of plassen, door steenen dammen omzoomd en gevoed door bronnen van zout water, en steken vervolgens de vlakte van Thria over, zoo buitengewoon vruchtbaar, nadat Demeter zelve aan Triptolemos den akkerbouw geleerd had. Van die vruchtbaarheid is thans weinig meer te bespeuren. De zorgeloosheid en nalatigheid der bewoners heeft de afleidingskanalen laten verzanden, en het water heeft voor drie vierde deze alluviaalgronden in bezit genomen, die nog zoo uitnemend geschikt zouden zijn voor bebouwing. Men heeft wel enkele plekken ontgonnen, maar er is niets gedaan, en zelfs nog geen plan ontworpen, om deze vlakte te bevrijden van de geregeld terugkeerende overstroomingen en de daarmede gepaard gaande koortsen. De gemeente is te arm, en het gouvernement denkt aan niets dan aan politiek, aan den strijd tegen de oppositie in de Kamer, aan het behoud van het vluchtig ministerieel leven, aan de omkooping der kiezers. Voor werken van openbaar nut is er noch tijd, noch geld, noch aandacht. Dat zijn trouwens de eigenaardige zegeningen van menige parlementaire regeering!

De landlieden, die wij ontmoeten, zijn rijzig van gestalte; zij hebben een langen, eenigszins platten neus, een wijkend voorhoofd, kleine oogen en een beenig gelaat. De vrouwen zijn groot en sterk gebouwd, maar niet bevallig, ondanks haar blauwe oogen en blonde haren. Het zijn Albaneezen van Elefsina, een ellendig, armoedig dorp, dat wij voorbijtrekken, en dat op de plaats zelve is gebouwd van het oude Eleusis, aan het uiteinde van een steenachtigen heuvel, aan den oever der zee. Van den beroemden tempel van Demeter is niets meer over, dan eenige stukken van den onderbouw, achter hutten verborgen; de fragmenten der propyleeën, uit den romeinschen tijd, liggen in wanorde door elkander in de uitgravingen, door den heer Lenormant hier ondernomen.

Naar Eleusis trok de processie der Panatheneeën, en daar werden die beroemde mysteriën gevierd, waarin de oude natuurdienst der Pelasgiërs de hand reikte aan de vereering van de goden en godinnen van den helleenschen Olympus. Ondanks de halve onthullingen van Diodorus van Sicilië en van Apollodorus bestaat er omtrent de eigenlijke beteekenis dier geheimzinnige plechtigheden nog veel onzekerheid; ik voor mij kan moeielijk gelooven, dat in deze mysteriën de zuivere leer van de eenheid Gods en de onsterfelijkheid der ziel werd verkondigd. Dit is zeker, dat zoowel Sokrates als Diogenes, schoon overigens geen geestverwanten, weigerden, zich in de mysteriën van Eleusis te laten inwijden. Deze geringschatting van de bijgeloovige eeredienst der priesters van Demeter kostte Sokrates het leven.

Voorbij Eleusis verlaat de weg het zeestrand, en wendt zich rechts naar het noorden. Wij komen aan het dorp Mandra, door albaneesche uitgewekenen bewoond. Bij onze nadering omsluieren de vrouwen zich het gelaat; de mannen, voor het eenige koffiehuis van het dorp gegroept, staren ons met nieuwsgierigheid en met niet al te vriendelijke blikken aan. Hun wijkend voorhoofd, hun uitstekende jukbeenderen, hun blonde, rechte, naar tartaarsche manier geknipte knevels, hun kort geknipte haren, die van achteren lang afhangen—dit alles herinnert aan den type der Bulgaren, die toch Slaven zijn, of misschien tot Slaven geworden Hunnen. Overigens rijst schier bij elken voetstap, dien men in het Oosten zet, een of ander ethnografisch raadsel op, waarvan de beantwoording uiterst moeilijk is, en dat in de praktijk dikwijls tot nog grooter bezwaren aanleiding geeft. De Grieken houden stijf en sterk staande, dat zij rechtstreeksche afstammelingen zijn van de Hellenen uit den tijd van Themistokles. Toch is het niet te ontkennen, dat, met uitzondering van Maïna en van enkele eilanden, het tegenwoordige Griekenland bewoond wordt door een ander, nieuw ras, voortgesproten uit de vermenging van de oude bevolking met noordelijk wonende stammen, en vooral met Albaneezen of Skipetaren. Die Albaneezen hebben geheel nieuwe denkbeelden en elementen, eigenaardige zeden en gebruiken medegebracht; zoowel uit een physiek, als uit een moreel oogpunt, hebben zij op het helleensche ras, waarmede zij zich vermengd hebben, een zeer grooten invloed uitgeoefend en den oorspronkelijken aanleg sterk gewijzigd. Ik zal niet ontkennen, dat ook in het tegenwoordige grieksche volk de grondtrekken van het helleensche karakter in menig opzicht meer of minder duidelijk zijn bewaard gebleven; maar evenmin valt, in de vorming der nieuw grieksche nationaliteit, de invloed van andere dan antiek-helleensche elementen te miskennen.

Wij hebben den voet van den Kitheron, dichterlijker gedachtenisse, bereikt; langzamerhand voert de weg door een lommerrijke kloof naar boven. Kromgebogen dennen, doornige gewassen met kleine, harde bladeren, bedekken de steile hellingen van den berg, waar overal de naakte grijze kalkrots te voorschijn treedt. Nergens is eenig spoor van bouwgrond te ontdekken; nergens is water te zien; nergens hoort men gezang of gesjilp van een vogel; overal doodsche, eentonige stilte en eenzaamheid. Wij bespeuren geen andere levende wezens dan een kleine smaragdgroene hagedis met bruinen staart, en een roofvogel, hoog in de lucht zwevende. Omziende, ontdekken wij nog in de verte, achter verschillende bergreeksen, de hooge toppen van den Hymettos en den Pentelikon.

Na eenige uren lang, voortdurend in vollen galop, nu eens tegen de berghellingen te zijn opgeklauterd, dan weder naar de slingerende valleien afgedaald, houden wij eindelijk stil aan een afgelegen, eenzame bladzijde 368 kani (herberg) Pirnari genoemd, waar wij het ontbijt gebruiken. Verderop loopt de weg, tusschen groote steile rotsen door, naar eene woeste, smalle kloof, waarboven zich de indrukwekkende ruïnen van de helleensche vesting Eleutheres verheffen, die den pas tegen de Beotiërs verdedigen moest. Zeven zware vierkante torens, die nog vrij goed bewaard zijn gebleven, rijzen omhoog op den top van een steilen heuvel. Zij vormen een schilderachtig geheel, vooral als men ze van gene zijde van den heuvel, waaromheen de kronkelende weg zich slingert, ziet.


Een grieksche bisschop.

Deze pas is niet de eenige welke over den Parnassus voert, die de natuurlijke grensscheiding vormt tusschen Attika en Beotië. Meer oostwaarts is nog eene andere smalle pas of overgang, die sinds overoude tijden door de beide volken werd gebruikt, en waar de Atheners die beroemde vesting Phylae hadden gebouwd, waarvan Thrasybulus zich bij verrassing meester maakte, en waar hij zich geruimen tijd tegen de aanvallen der Dertig Tirannen staande hield.

Het steile plateau, waarop de citadel van Eleutheres is gebouwd, heeft eene lengte van honderd-zeventig, bij eene breedte van zeventig el, en is slechts van twee kanten, ten oosten en ten zuiden, genaakbaar. De muren zijn uit groote gehouwen steenen, waarvan sommigen de gedaante van een parallelogram vertoonen, opgetrokken; een nog ongeschonden vierkante toren, ten zuidoosten, en een half vernielde ronde toren, ten noordoosten, dienden blijkbaar tot verdediging van de poorten. Aan de westzijde verheft zich een tweede vierkante toren boven een loodrechten rotswand. Van hier overziet de blik de gansche bergstreek tot aan den Hymettus en de vlakte van Athene, waarvan de Akropolis zich in schemerende omtrekken tegen den achtergrond der zee afteekent. Langs de geheele keten van den Parnas waren vestingwerken aangelegd, die dit natuurlijke bolwerk van Attika nog sterker moesten maken. Van die vestingwerken is de citadel van Eleutheres het voornaamste en een der merkwaardigste monumenten van de grieksche militaire architektuur.

Wij begonnen nu de steile hellingen van den Kitheron te beklimmen, tot aan den pas, die de eigenlijke grensscheiding tusschen Attika en Beotië vormt. De hooge bergvlakten en de weg zelf waren als overdekt met kudden schapen, die door de herders werden bijeengedreven om naar de winterweiden te worden geleid; deze winterweiden bevinden zich in de vlakten van Attika en vooral in de omstreken van Vari, tusschen Athene en kaap Sunium. Voorop gingen de vrouwen en de kinderen met een kleinen mageren ezel, die een paar gestreepte dekens, eenige levensmiddelen en een ketel droeg. Nevens de kudden gingen, midden door het struikgewas, de herders met hunne honden, woeste dieren, die met luid geblaf op ons aanstormden en in de wielen van het rijtuig beten. Zoo gaat de tocht langzaam, met kleine dagreizen, voort. Bij de putten houdt men stil om de kudden te drenken en de schapen te laten grazen in het welriekende heidekruid, dat de gansche streek bedekt. Om een afstand van vijftien mijlen af te leggen, hebben deze karavanen even zoo veel dagen noodig. In de lente, wanneer de hitte in de vlakte ondragelijk wordt, wanneer de grond hard wordt als metaal en het gras verdort en verdroogt, wanneer het water in de putten wegzinkt, dan verlaten de herders hunne uit boomtakken gevlochten hutten, om terug te keeren naar de hooge bergvlakten van den Parnassus en den Kitheron.


Herder en vrouwen van Vilia.

Spoedig hadden wij den hoogen bergpas bereikt, waar de blik geheel Beotië overziet. Een prachtig panorama! Voor onze voeten breidt zich de wijde vlakte van Thebe uit, stralende van licht, met de slagvelden van Platea en Leuktra, vanwaar dichte stofwolken oprijzen. Ter linkerhand, de scherpe, uitgetande toppen van den Helikon en den Parnassus, met blinkende sneeuw bedekt; rechts, de witte kruin van den bladzijde 370Ida en de bergen van het eiland Eubea. Voor ons, half omsluierd door de dampen, uit het meer Kopaïs opstijgende, de toppen van den Oeta en den Saromata. De gezichteinder is nevelig; het licht is minder fel, en de opvolgende bergreeksen baden zich in een zachten, lichten nevel. Achter ons, naar de zijde van Attika, straalt de smetteloos blauwe hemel in weergalooze helderheid. De lijnen zijn daar overal scherp en zuiver getrokken, wel niet hard, maar ook zonder dat eigenaardig zachte, weeke en smeltende, dat zoo groote bekoorlijkheid geeft aan dit panorama van Beotië. Zou dat zoo duidelijk merkbare onderscheid in de natuur des lands ook niet van invloed zijn geweest op het karakter en den aanleg der zoo zeer verschillende volksstammen aan deze en aan gene zijde van den Parnassus en den Kitheron? De Atheners, in wier oogen alles wat niet van Athene kwam, bespottelijk was, beschuldigden hunne naburen van domheid en stompzinnige onbevattelijkheid des geestes: eene reputatie, die zij tot heden hebben behouden. Toch is deze beschuldiging volkomen onverdiend. Misten de Beotiërs al den fijnen atheenschen geest, de atheensche vlugheid en levendigheid, zij waren daarentegen ook eenvoudiger en eerlijker; de verfijning der atheensche beschaving bleef hun onbekend, maar zij hadden daarom wel gevoel voor het schoone in kunst en litteratuur en waren verre van onverschillig voor militairen roem. Wij behooren nooit te vergeten dat Pindarus, Hesiodus, Epaminondas, Pelopidas en Plutarchus geboren Beotiërs waren.

De kunstig aangelegde, maar zeer smalle weg daalt met breede kronkelingen langs de kale, steile hellingen van den Kitheron naar de vlakte af. Onze vier magere knollen, met versleten touwen aangespannen, hollen in vollen galop langs dien steilen weg naar beneden, op het gevaar af, ons bij elke kromming in de diepte te doen nederstorten. Eerst toen wij in de vlakte waren gekomen, hield ons span, zweetende en snuivende, schier ademloos stil. Een der wielen van het rijtuig was half ontwricht, en de touwen waren voor een deel gebroken; maar de ijdelheid van onzen koetsier was voldaan: hij en Perikles waren zeer in hun schik over dit onzinnig waagstuk, dat ons zeer gemakkelijk armen en beenen, indien niet het leven, had kunnen kosten.

Wij wilden de nog overschietende uren vóór den avond benuttigen, om het slagveld van Platea te bezoeken. De afstand bedraagt, te paard, slechts een uur; vervolgens kunnen wij in twee uren Thebe bereiken. Ondanks de weinige hulpvaardigheid der inwoners, gelukt het onzen tolk toch, zich in een naburig albaneesch dorp de noodige paarden te verschaffen. Gemakkelijk gezeten op pakzadels, met tapijten belegd, rijden wij over een steenachtigen, hobbeligen weg naar het slagveld, waar veertigduizend Grieken driehonderdduizend Perzen op de vlucht dreven.

De onderlinge twisten en oorlogen der verschillende grieksche staten en stammen verdienen wellicht de aandacht niet, die er doorgaans, dank zij het talent der oude geschiedschrijvers die ze ons eerst verhaalden, aan geschonken wordt. In verre de meeste gevallen waren hierbij slechts kwesties van persoonlijke of nationale ijdelheid en lokaal belang in het spel. Anders is het evenwel met de perzische oorlogen. De heldhaftige weerstand, door dit kleine volk aan de geweldige overmacht der barbaren geboden; de aard en beteekenis van dien strijd; het besef dat de overwinning der Aziaten de ontluikende grieksche beschaving, waaraan de wereld zoo oneindig veel verplicht is, in hare geboorte zou hebben verstikt:—dit alles wekt billijkerwijze onze belangstelling en sympathie op en verdient die ook ten volle.

Nabij het kleine dorp Kikla, aan den voet van den Kitheron, die zijn drie naakte toppen ten hemel beurt, ziet men nog de overblijfselen eener oude citadel, uit groote drie- of veelhoekige steenblokken opgetrokken, en geflankeerd door vierkante torens, waarvan nog slechts enkele sporen zijn te ontdekken. Honderd ellen van daar, verheffen zich tegen de helling van den heuvel, boven eene antieke fontein, groote steenen sarkophagen zonder eenig versiersel. Perikles noemt ze de graven der helden; maar uit niets blijkt dat ze in eenige betrekking staan tot de perzische oorlogen. Op deze hoogte staande, kan men zich eene zeer duidelijke voorstelling maken van het slagveld, en van de strategische bewegingen der beide legers.

Platea verlatende, rijden wij over eene groote, onbebouwde vlakte, door de hitte gespleten, zonder een enkelen boom, dor en akelig. In den winter en in het voorjaar is deze vlakte een groot moeras, en zinkt men haast weg in eene kleiachtige, zwarte aarde, geheel doorweekt door den regen en de beken, die niet geregeld kunnen afvloeien. Toch is deze grond zeer vruchtbaar en voor bebouwing geschikt; enkele, niet moeilijke noch kostbare werken voor den afvoer van het water zouden voldoende zijn om duizenden bunders in kultuur te brengen, en deze dorre heiden te herscheppen in korenakkers en katoenvelden, of in weilanden, waar talrijke kudden vee een overvloedig voedsel zouden vinden. Waarom geschiedt dit niet? Is het uit zorgeloosheid, of uit vrees voor aardbevingen, die zoo menigmaal Beotië geteisterd hebben? Ik weet het niet: zeker is het dat ook hier, als op zoo menige plaats elders in Griekenland, eene bron van nationale welvaart ongebruikt blijft.

De weg voert om een kleinen roodachtigen heuvel, en eensklaps zien wij twee- of driehonderd huizen voor ons, op een klein plateau van ongeveer vijftig ellen hoogte, aan alle zijden van de omringende heuvelen afgezonderd. Dat is de stad Thebe, die wij weldra binnenrijden. De waterleiding, waarlangs de weg loopt, dagteekent uit de middeleeuwen; zij voert het water eener naburige bron naar de stad.

Thebe bestaat eigenlijk slechts uit eene enkele, vrij breede straat, ter wederzijde bezet met kleine smalle huizen, twee verdiepingen hoog, waarvan de benedenverdieping doorgaans tot winkel is ingericht en voorzien van breede planken luifels, op ruwe houten palen rustende. Die luifels volgen elkander geregeld op, en vormen zoo ter wederzijde van de straat eene soort van overdekte galerij, die bij regenachtig weer, hetgeen hier volstrekt geen zeldzaamheid is, eene zeer gewenschte beschutting biedt. Verscheidene huizen, bladzijde 371die door de laatste aardbeving geleden hebben, zijn nog niet hersteld.

Er heerscht groote drukte op straat, want morgen is het een der honderd-tachtig feestdagen van den orthodoxen kalender. De toevloed van boeren uit den omtrek voorspelt ons weinig goeds voor den nacht, als wij dien ten minste moeten doorbrengen in de kani, waaruit een vuile, walgelijke stank ons tegemoet komt. Gelukkig vinden wij, door tusschenkomst van den demarch (burgemeester), logies bij een der burgers van de stad.

Den ganschen nacht woedde een geweldige wind, die ons huis op zijn grondvesten kraken en schudden deed. In de straten en stegen blaatten honderden schapen en lammeren, met allerlei modulatiën van klaagtonen. De in de stad, tot bijna voor onze deur, bijeengedreven kudden werden onrustig en antwoordden op dat geblaat. Somwijlen verhief een herder zijn forsche stem, waarop een oogenblik stilte ontstond, doch om straks weer door hetzelfde concert van blatende, jammerende en loeiende stemmen vervangen te worden.

Wij waren te Thebe gekomen op den laatsten dag van een der vier vastentijden, die telken jare door de Grieken zoo streng worden gehouden. Veertig dagen lang hadden de Thebanen zich uitsluitend gevoed met bittere en gezouten olijven, kaviaar en flauwe, smakelooze groenten; nu maakten zij zich gereed om den terugkeer tot de gewone levenswijze recht feestelijk te vieren. Ieder gezin koopt voor die gelegenheid een lam of schaap, dat hetzij op de binnenplaats der woning, of indien dat niet kan op de straat, geslacht en gebraden wordt. Sedert eenige dagen waren de zwervende herders van den Parnassus en den Helikon afgedaald, ongeveer een duizendtal schapen voor zich uit drijvende, die bestemd waren om geslacht te worden; en des avonds hadden de voornaamste Thebanen reeds de beste en vetste beesten voor den maaltijd uitgezocht.

De vermoeidheid had eindelijk de overhand gekregen over het loeien van den wind, het blaten der kudden, en ook over de scharen van insekten, die langs de muren onzer kamer afdaalden, zoekende wien zij mochten verslinden, en wij waren zoowat in een onrustigen slaap gevallen. Tegen vier uur in den morgen echter, lang voor zonsopgang, werden wij plotseling gewekt door herhaalde geweerschoten, door een dof en aanhoudend gerucht gevolgd.

De Grieken, even als de Bedouïnen der woestijn, zijn groote liefhebbers van schieten. Hetzij er een kind wordt gedoopt of eene bruiloft gevierd, hetzij er een doode wordt begraven, een kandidaat half doodgeslagen of een afgevaardigde eene ovatie gebracht—altijd moet er geschoten worden. Maar al te dikwijls is dit schieten de oorzaak van een min of meer toevalligen moord.

De hoofdstraat was geheel gevuld met eene dichte en schilderachtige menigte. Al de inwoners van Thebe en van den omtrek waren daar bijeen, ieder met een waskaars in de hand, en in plechtigen optocht de priesters volgende, wier gezang boven het dof gemurmel der schare uitklonk. De eentonige litaniën werden zonderling afgewisseld door geweerschoten en wilde kreten, terwijl de klokken der kerk uit alle macht luidden.—Wij hadden hier eene ongedachte, uitnemende gelegenheid om de verschillende typen dezer gemengde bevolking te bestudeeren. Zoodra de dag was aangebroken, mengden wij ons dan ook onder de vroolijke luidruchtige groepen, die op straat en op de omliggende heuvelen bezig waren met het braden van het schapenvleesch, waarvan de geur de lucht vervulde. Wij vinden daar de vertegenwoordigers van al de rassen, die het helleensche ras omringen en zich daarmede vermengd hebben.

Die schoone, krachtig gebouwde jonkman, wiens hooge roode muts met een blauwen doek is omwonden, en wiens lange fustanella bijna verdwijnt onder een ruimen overjas van witte wol, is een Albanees. Zijn gelaat getuigt van kracht en energie, zijn trotsche vurige blik, zijne rijzige gestalte, zijn hoog voorhoofd, zijn arendsneus, zijn fijn geteekende mond, door een zwaren knevel overschaduwd, zijn zoo vele teekenen van zijne afstamming uit het bloed der Epiroten.

Gindsche oude boer, zwijgend neergehurkt, de ellebogen op de knieën en het hoofd in de handen gesteund, zou hij geen bulgaarsch bloed in de aderen hebben? Zijn vierkant gelaat met uitstekende wangbeenderen, zijn breede onderkaak, zijn kleine grijze oogen, zijne korte gedrongen gestalte, alles aan hem kenmerkt den man, die zich meer toelegt op de werken des vredes, dan op krijgsavonturen, den man van eene meer apathische en lijdelijke natuur, maar die het in kalmte, bezadigdheid en volharding van den anderen wint. Hij draagt geen fustanella, maar een wijden turkschen broek van grove bruine wollen stof; voorts een bruin, met blauw afgezet vest, zoo als de Bulgaren langs de boorden der Maritza, en een mantel van dezelfde kleur.

Die twee zoo sterk sprekende en zoo zeer uiteenloopende typen vindt ge overal in noordelijk Griekenland terug. Vooral den eersten treft ge veelvuldig aan. Maar daarbij ontmoet ge soms enkele bijzonderheden, die van den algemeenen type afwijken en misschien de sporen zijn van nog andere stammen, die op verschillende tijden den helleenschen bodem hebben overstroomd. Dat zachte blauwe oog daar ginds, dat bleeke gelaat, door blonde lokken omgeven,—herinneren zij niet aan het Noorden, aan gothisch of frankisch bloed? Eeuwen lang, reeds in overoude tijden, hebben in dezen uithoek van Europa zeer verschillende rassen en stammen elkander ontmoet en gekruist. In het museum Varsaki te Athene ziet men eene collectie van veertig of vijftig marmeren borstbeelden, naar men zegt de authentieke portretten der “rectoren van de Universiteit,” ten tijde van Perikles. Bij de intrede in de zaal, wordt ge dadelijk getroffen door de eigenaardigheid en het groote onderscheid tusschen deze koppen; ge hebt moeite aan de echtheid te gelooven, maar het werk zelf en de opschriften op de voetstukken schijnen die toch boven allen twijfel te verheffen. Ge ziet daar zuiver barbaarsche typen: kroeshair, uitstekende wangbeenderen, platte neuzen, of cilindervormige schedels, kaken als bij de Hunnen, voorhoofden als bij de Gothen. Drie of vier dezer busten bladzijde 372gelijken sprekend op de figuren van gebakken aarde, die in de etrurische graven worden gevonden. Nauwelijks twee of drie vertoonen iets van den klassieken stempel der antieke beeldhouwkunst. Maar bespreking van deze ingewikkelde kwestie zou ons te ver leiden; keeren wij naar het feest terug.

Overal heerschte de grootste drukte, de meest luidruchtige vroolijkheid; en de verscheidenheid der kleederdrachten schonk aan het geheel iets bijzonder schilderachtigs. Onder de vrouwen waren er maar weinigen, die aanspraak mochten maken op schoonheid, en zeker geene enkele, die den lof verdiende door Anakreon en vele anderen na hem aan de vrouwen van Beotië toegezwaaid. Bijna allen die wij hier zien, zijn Albaneeschen, zelfs die van Vilia en de andere dorpen van den Kitheron. Zij behooren allen tot de arme klassen, en vertoonen in haar schralen lichaamsbouw en grove gelaatstrekken eene ruwheid, die zeker veel verschilt van de volle en slanke gestalte en de fijne regelmatige trekken der vrouwen van het antieke Beotië.

Talrijke groepen bewegen zich voortdurend langs de helling van een heuvel, op welks top eene oude kerk verrijst. Wij gaan ook derwaarts, en bevinden ons weldra aan den ingang van het kerkhof, voor het aan Sint-Lukas gewijde heiligdom, dat, naar men zegt, op de plek staat, waar vroeger de tempel van Apollo Ismenios verrees. Het inwendige is bijna opgevuld met brokstukken van smakeloos beeldhouwwerk en met bouwmaterialen, die reeds voor vele jaren werden aangevoerd voor herstellingen, die men sedert weer heeft opgegeven. Er is volstrekt niets te zien, dan eenige ruw bewerkte zuilen. Ter wederzijde van het altaar staan twee wit marmeren sarkophagen, met mos overgroeid, en versierd met opschriften uit later tijd en met ruw bewerkte kronen van bladeren. Een dezer sarkophagen zou, volgens het volksgeloof, de tombe van Sint-Lukas zelven zijn; de vrome bedevaartgangers beijveren zich eenige scherfjes van het marmer mede te nemen, als voorbehoedmiddel tegen de koorts: door dit voortdurend afkrabben zijn er in deze sarkophaag twee breede groeven ontstaan.

Van het kerkhof heeft men een zeer fraai uitzicht. Aan den voet des heuvels strekt zich eene kleine vallei uit, waardoor een beek stroomt, die de Ismenus moet zijn; verder de stad Thebe, gebouwd op de plek waar het oude Kadmea stond: een soort van voorgebergte of schiereiland, aan alle zijden door steile, diepe ravijnen omgeven, behalve aan de zuidzijde, waar een smalle landtong de verbinding vormt met de naburige plateaux. Ter rechterzijde verheft zich een zware frankische toren boven de steile helling, die naar de vlakte van den Asopus afdaalt; links, nabij de Atheensche poort, teekenen zich de bogen eener waterleiding af tegen den neveligen achtergrond der bergen. Door de Turken aangelegd en zorgvuldig onderhouden, om het voor de baden en reinigingen noodige water naar de stad te voeren, vervalt deze waterleiding thans meer en meer door de slordigheid en zorgeloosheid der Grieken, die veel minder dan de muzelmannen op water gesteld zijn. Aan gene zijde der stad en den gordel van tuinen, die haar omringt, begint de woestijn: eene groote, eentonige, bruine vlakte, omzoomd door een prachtige bergketen: den Helikon, vroeger met bosschen bedekt en rijk aan stroomende wateren, nu naakt en droog, maar altijd schoon door zijn vorm; de rots van den Sphinx, als door een reuzenzwaard gespleten, en den met sneeuw bedekten Parnassus.

Thebe is beroemd om zijn moestuinen en kweekerijen, die met zeer veel zorg onderhouden worden en allerlei groenten en vruchten opleveren, onder anderen heerlijke meloenen, die kunnen wedijveren met de beroemde meloenen van Kasaba in de provincie van Smyrna. Het frissche groen dezer tuinen en boomgaarden, waardoor zich kleine beken slingeren, is eene verkwikking voor het oog. Nergens ziet men hier het grijze en sombere gebladerte van den olijfboom, die tegen de vrij koude winters van Beotië niet bestand is; maar de paden tusschen de tuinen zijn omzoomd door moerbeziën-, vijgen- en granaatboomen en myrthen.

Aan de overzijde van het diepe ravijn, dat ons van de stad scheidt, ziet men hier en daar eenige brokstukken van oude muren, die waarschijnlijk de plaats aanwijzen der omwalling van het antieke Kadmea; zij dienen tot fondamenten voor de huizen der tegenwoordige stad.—Iets verder staat een vierkante toren, het eenige overblijfsel van het voormalige frankische paleis. Die toren draagt den naam van den toren van San-Omeri, ter herinnering aan Nicolas de Saint-Omer, fransch ridder.

Toen wij de woning van onzen gastheer weer binnentraden om te ontbijten, kwam Perikles ons, met blijkbare verlegenheid, mededeelen, dat de agoyaten (verhuurders van paarden) geweigerd hadden te vertrekken, en dat het onmogelijk zou zijn, een enkelen Griek te bewegen, op dezen feestdag Thebe te verlaten. Het kwam ons voor, dat Perikles zelf grooten lust had om ook hier te blijven; en daar wij ons verzekerd konden houden dat wij, ingeval wij de agoyaten hadden gedwongen te vertrekken, onder weg allerlei moeilijkheden met hen hebben zouden, besloten wij in vredesnaam te blijven.—Er valt te Thebe weinig te zien. Slechts hier en daar vindt men nog brokstukken van zuilen, gebroken kapiteelen, fragmenten van kroonlijsten, maar zeer weinig beeldhouwwerk, en niets van eenig belang. Daarentegen vindt men opschriften in menigte, zoodra men slechts eenigszins in den grond graaft; maar zij zijn allen uit den romeinschen tijd en behelzen doorgaans niet anders dan zekere formulen van lof en vereering jegens den Keizer of den romeinschen landvoogd. Andere herinneringen aan den schitterenden voortijd bezit het hedendaagsche Thebe niet.

VII.

Den volgenden morgen gelukte het aan Perikles, niet zonder moeite, de agoyaten met hunne paarden bijeen te krijgen; en nadat er geruime tijd met het opladen van onze bagage verloopen was, konden wij eindelijk afscheid nemen van onzen gastheer, die nog bladzijde 374maar half wakker was en met dankbaarheid de tien drachmen aannam, welke onze gids hem ter hand stelde. Hij wenschte ons goede reis en staarde ons na tot aan het einde der straat.


Een feest te Thebe.

Wij steken de Ismenus over op de plek waar weleer de poort Praetides moet hebben gestaan, een der zeven poorten waaraan Thebe haar dichterlijken bijnaam dankte, en komen weldra in eene wijde vlakte, slechts hier en daar door eenige golvingen van den grond afgebroken, links begrensd door de grauwe bergen van den Ptoüs, en rechts door de breede naakte hellingen van den Parnassus. Noch boomen, noch struiken, noch dorpen, noch akkers: niets dan een kort, bruin, somber gewas, dat, zoo ver het oog reikte, den toch blijkbaar zeer vruchtbaren grond bedekte. Van menschelijke woningen was geen spoor te ontdekken, evenmin als van menschen zelven. Het vroeger zoo volkrijke en vruchtbare Beotië is vreeselijk geteisterd en verwoest, niet alleen door de herhaalde aardbevingen, maar vooral door de barbaarsche Turken gedurende den onafhankelijkheidsoorlog. Tegenwoordig telt dit gewest hoogstens veertienduizend inwoners, terwijl het met gemak vierhonderdduizend menschen zou kunnen voeden en de korenschuur worden voor geheel Griekenland. Beotië zou een van de rijkste en welvarendste landstreken kunnen zijn, indien slechts de mannen, die in Griekenland de macht in handen hebben, de wezenlijke belangen des lands wilden begrijpen en behartigen, en door verstandige maatregelen de grondbezitters en landbouwers beschermen tegen de afpersingen en knevelarijen van allerlei aard, die nu alle ondernemingszucht uitdooven en iedere ontwikkeling tegenhouden.

Zonder den stoffigen weg te verlaten, naderen wij al meer en meer den Parnassus; de grond wordt al meer en meer kalkachtig, gemakkelijk bebouwbaar, met een veenachtige onderlaag: het terrein is dus uitnemend geschikt voor graanbouw, terwijl de lagere gronden in het midden der vallei konden worden gebruikt voor de kultuur van industriëele gewassen. Hier en daar vertoonen zich enkele schrale strooken, met koren beplant. Wij ontmoeten enkele boeren, die kleine, magere ezels voor zich uit drijven, beladen met een zak met graan: dit is de tiende, die zij naar de gouvernementsmagazijnen brengen;—eene belasting, even slecht verdeeld als willekeurig ingevorderd, en die mede het hare bijdraagt tot den ongelukkigen toestand, waarin de landbouw in Griekenland verkeert. Eerst tegen den middag, na eenige door Albaneezen bewoonde dorpen te zijn doorgetrokken, komen wij te Tanagra. Over eene vrij aanzienlijke uitgestrektheid kan men duidelijk de grondslagen der muren van de oude stad onderkennen, maar vele fragmenten verdwijnen onder de bebouwde gronden en wijngaarden. Binnen dien ruimen omtrek ontdekt men voortdurend groote hoeveelheden aardewerk, en dikwijls ook graftomben, waarin die wonderfraaie beeldjes van gekleurde gebakken aarde geschaard liggen, die de bewondering van alle kenners opwekken. Die beeldjes stellen doorgaans gedrapeerde vrouwen voor, die smaakvol zijn gekapt en een waaier in de hand houden; zij hebben zulk een typisch karakter en realiteit, dat men geneigd zou zijn, ze voor portretten te houden. Als zij uit de tombe, waarin zij sedert meer dan tweeduizend jaar hebben gerust, te voorschijn worden gebracht, schitteren zij nog in al den glans en de frischheid van hun koloriet, maar in de lucht verbleeken zij spoedig. Te Athene worden die beeldjes met goud betaald; en meer dan een dezer figuurtjes, nauwelijks vijftien tot twintig duim hoog, bracht denzelfden prijs op als de schoonste marmeren beelden. Ook als men de overdrijving der mode buiten rekening laat, moet men erkennen dat wij hier eene openbaring van de grieksche kunst voor ons hebben, die ons vroeger zoo goed als onbekend was. Echter zijn de werkelijk fraaie beeldjes zeer zeldzaam.

Niet zonder moeite bestijgen wij den heuvel, waarop de oude stad was gebouwd. In den heuvel was een ruime schouwburg aangelegd, met de voorzijde naar het oosten. Er zijn nog verscheidene gaanderijen en zitplaatsen overgebleven; beneden onderscheidt men nog den onderbouw van het tooneel, en eenige onkenbare fragmenten, die waarschijnlijk vroeger tot zuilen hebben behoord. Verderop verheft de heuvel zich met zeer steile helling boven de valleien ten oosten en ten westen. Daar lag de Akropolis. De blik omvat de hier en daar met olijven beplante vlakte, en rust op de bergketen van Eubea, waarboven de Delphi fier zijn met sneeuw bedekte kruinen verheft.

Zoo wij nog vóór den avond Chalkis wilden bereiken, hadden wij niet veel tijd te verliezen. Na in een der woningen van het dorp een haastig ontbijt te hebben gebruikt, ten aanschouwe eener nieuwsgierige en lastige menigte, stijgen wij onverwijld weder te paard. Wij steken de vlakte over, ter rechterhand het dorp Sikanino latende liggen, waar men drie oude byzantijnsche kerken vindt, en komen weldra aan den Asopus, die in dezen tijd des jaars niet meer is dan een onbeteekenend beekje, dat langzaam voortkronkelt tusschen de zandbanken.

Aan de overzijde rijst de grond langzaam; de weg rijst en daalt tusschen kleine heuvelen, met thym en struikgewas bewassen. Weldra beginnen zich aan onze linkerhand steile rotsen te verheffen, met eiken, wilde olijven en kreupelhout begroeid; de helling van den weg wordt al sterker en sterker, en niet zonder inspanning bereiken wij eindelijk een pas, vanwaar wij de zeeëngte van Euripus overzien, en in de verte de stad Chalkis met hare witte huizen.

Maar de afstand was nog zeer groot, en de avond naderde. De bergen kleurden zich reeds met die warme tinten, die het einde van den dag aankondigen; en in Griekenland duurt de schemering zoo kort, dat binnen weinige minuten volslagen duisternis op den klaren dag volgt. Nog eer wij den voet van den berg hadden bereikt, konden wij den weg niet meer onderscheiden.

Wij reden langs eene wijde, cirkelvormige baai, en hoorden dicht in onze nabijheid, aan onze rechterhand, maar zonder iets te kunnen zien, het zacht geklots der golfjes, die op het strand rolden.

Perikles scheen te midden van die duisternis maar bladzijde 375half op zijn gemak. Van tijd tot tijd schoten geweldige honden met woest geblaf op ons toe, alsof zij ons wilden verscheuren. Groote witte gedaanten vertoonden zich achter de struiken, en ruwe gebiedende stemmen knoopten met onzen gids een gesprek aan, dat somtijds meer op eene vijandelijke uitdaging, dan op een vriendschappelijk onderhoud geleek. De herinnering aan het bloedig drama, dat, nu vier jaren geleden, op eenige uren afstands van hier was opgevoerd, was juist niet geschikt om ons gerust te stellen; en het ware ons aangenamer geweest, op dezen tijd van den dag niet door deze eenzame streken te zwerven. Eindelijk, bij het eerste schijnsel van de maan, die boven Eubea opsteeg, zagen wij een heuvel, met eene citadel op den top; en voor ons, sterk uitkomende op de flikkerende zee, de steenen brug, die het eiland met den vasten wal verbindt en naar de stad Chalkis voert. Wij gaan die brug over, en worden door Perikles geleid naar de nieuwe stad, naar het huis van een rechterlijk ambtenaar, met wien ik te Athene kennis had gemaakt en die mij bij zich had genoodigd.

Van eene met twee groote vijgenboomen beplante binnenplaats, voerde een houten trap naar eene met wijngaardranken omslingerde bovengalerij, waarop de deuren der kamers uitkwamen; deze inrichting is bijkans in alle huizen in Griekenland gebruikelijk, zoowel in de nieuwe als in de oude, ten minste in de provinciën. Het inwendige der woning was eenvoudig en zindelijk; de muren waren wit gepleisterd en de zolderingen versierd met blauwe arabesken, op italiaansche manier.

Overeenkomstig de oostersche gewoonte, die overal in Griekenland is bewaard gebleven, presenteerde men ons confituren en koffie, die wij op de galerij zittende gebruikten, want het was smoorheet.

Wij wilden den volgenden dag naar Achmed-Aga vertrekken, en gingen dus reeds bij het aanbreken van den dag uit, om een ontdekkingstocht te doen. De nieuwe buurt, waarin onze woning stond, ligt ten noorden van de oude stad, die in haar oude muren te weinig ruimte vindt. In deze voorstad heeft zich het leven vooral saamgetrokken. Echter is de handel hier nog zeer onbeteekenend, zoowel als de nijverheid.

In de binnenstad strekken zich tusschen de huizen dikwijls ledige terreinen uit, en zijn de straten niet gelijk gemaakt. Langs de haven vindt men de winkels en de magazijnen der kooplieden; tot aan den voet der muren heeft het water eene aanmerkelijke diepte, zoodat de schepen rechtstreeks aan den oever kunnen aanleggen en hunne lading lossen; maar de baai is niet gedekt tegen de noord-westelijke winden, en ten gevolge der hevige stormvlagen, die zeer dikwijls in het kanaal van Eubea woeden, biedt zij voor de schepen geene veilige ligplaats aan.

De oude stad ziet er akelig en armoedig uit; de meeste huizen vallen in puin; sommigen doen u denken aan de turksche huizen, want er zijn te Chalkis nog enkele muzelmannen, die in zeer goede verstandhouding met de andere inwoners leven; maar wier aantal toch voortdurend afneemt.

In een nog vuiler, smeriger en armoediger buurt dan de andere, woont eene joodsche bevolking, die men anders in Griekenland uiterst zelden aantreft. Natuurlijk drijven al deze Joden een meer of min uitgebreiden handel; en het maakt een zonderlingen indruk, als men deze Joden, in smerige fustanella's, in hunne vuile, duistere, bekrompen winkeltjes ziet staan. Zoo als ik zeide, bleef Griekenland tot hiertoe over het algemeen van Joden bevrijd: wat heeft hen dan juist hierheen, op deze kust van Eubea, gevoerd? Niemand weet het, en de overlevering zegt er niets van.

De stad, op een voorgebergte gebouwd, heeft de gedaante van een driehoek, waarvan de top uitloopt op de brug, die door een oud venetiaansch fort wordt verdedigd.

De zeeëngte, die Chalkis van de kust van Beotië scheidt, is slechts tachtig el breed. Een klein eilandje, op tien el afstands der wallen gelegen, deelt den zeearm in twee ongelijke helften. Dit eilandje, waarop zich mede eene venetiaansche citadel verheft, is met de stad verbonden door middel van een houten en ijzeren draaibrug, voor eenige jaren gebouwd ter vervanging van de vaste houten brug, die elke gemeenschap tusschen de noordelijke en zuidelijke helft van het kanaal onmogelijk maakte. Dit werk heeft ruim een millioen gekost, maar is van het grootste belang voor Chalkis, dat door de afsluiting der doorvaart zeer benadeeld was. De heilrijke gevolgen doen zich nu reeds gevoelen, in vermeerdering der bevolking en der inkomsten.

De vroeger geheel verlaten haven van Hagios-Minos ligt tegenwoordig vol met groote grieksche booten en barken, die de voortbrengselen van het eiland komen afhalen. Eenmaal per week houdt een stoomboot van de helleensche maatschappij, op haar vaart van Stylida, te Chalkis stil, en brengt daar allerlei europeesche produkten en waren aan, waaraan de inwoners meer en meer behoefte beginnen te gevoelen.

Op de plaats, waar nu de brug is gebouwd, lag in vroeger tijd, naar men zegt, een dam, waarvan het boven vermelde eilandje nog een overblijfsel zou zijn, en die door de strooming in den Euripus zou zijn vernield. Deze geweldige stroom, die eerst van het noorden naar het zuiden loopt, om eenige minuten daarna, met niet minder hevigheid, van het zuiden weer naar het noorden terug te loopen, is tot dusver voor alle geleerden een ondoorgrondelijk raadsel, waarvan niemand de oplossing heeft kunnen vinden. Echter hebben maar weinigen zich dat zoo sterk aangetrokken als Aristoteles, die, volgens de legende, uit spijt dat hij dit zonderling verschijnsel niet verklaren kon, zich in den Euripus verdronk.

Na de brug te zijn overgegaan, bevonden wij ons weder op den weg, waarlangs wij gister avond gekomen waren, en die langs de baai van Vourko loopt. Deze zeer ondiepe baai, die ten noorden door de brug en ten zuiden door twee vooruitstekende landtongen, waartusschen slechts eene kleine opening is gebleven, is ingesloten, schijnt een groot meer zonder uitgang. Aan de overzijde der straat vertoonden zich de donkere oude muren der stad, en daarachter de witte bladzijde 376huizen, door het morgenlicht met rooskleurige en grijsachtige tinten gekleurd, en zich afteekenende tegen de naakte en dorre bergen op den achtergrond.

Maar wij hadden geen tijd meer te verliezen, en keerden naar onze woning terug, waar wij de paarden bereids gereed vonden staan. De lastdieren met onze bagage waren reeds vóór het aanbreken van den dag vertrokken, want wij zouden een langen tocht hebben af te leggen.


De vesting Phylae.

Even voorbij de stad komen wij bij de oude fontein van Arethusa, waar de Romeinen tamme visschen en palingen hielden, die met versche kaas werden gevoed. Tengevolge van eene aardbeving is deze beroemde bron, die de Venetianen nog van water voorzag, zoo spoorloos verdwenen, dat het zelfs niet mogelijk is, de juiste plaats aan te wijzen, waar zij zich bevond.

Na een vermoeienden tocht van eenige uren, bereiken wij eene hoogte, waar eene bron ontspringt en vanwaar wij een prachtig uitzicht hebben. Aan onze voeten kronkelde de zeeëngte, als een breede azuren stroom, tusschen de bochtige, schilderachtige oevers; tegenover ons verhieven de bergen van Beotië, de Helikon, de met sneeuw gekroonde Parnassus, hunne toppen ten hemel; tusschen ons en de zee ontrolde zich een amphitheater van heuvelen, met welriekende dennenboomen, dwergeiken en andere gewassen begroeid.

De hitte was ondragelijk; de zou brandde op onze hoofden, en de weerkaatsing van het felle licht op den weg was verblindend. De weg werd steeds slechter; de hoefijzers der lastdieren, die sedert eeuwen langs dezen weg zijn getogen, hebben in de rots een soort van trappen of ladders uitgehold, waarop onze paarden telkens gevaar loopen de pooten te breken. Van tijd tot tijd wordt de weg afgebroken door een smalle, glibberige spleet, de bedding van een uitgedroogden bergstroom. Somwijlen stonden de paarden, ontmoedigd en uitgeput van vermoeienis, stil; de agoyaten vuren ze met stem en gebaren aan, en drijven hen telkens voort. Eindelijk, na veel tobbens, bereiken wij een hoogen bergpas, van waar onze verbaasde blikken, aan gene zijde van het eiland, den onmetelijken Archipel overzien, tot aan de verre eilanden Skyros, Skopelos en Skiathos; maar een hevige wind belet ons, langen tijd dit inderdaad wonderschoone panorama te genieten. Langs een steil pad, midden door dichte dennenbosschen loopende, dalen wij in noordelijke richting naar beneden, en komen eindelijk in een zwaar begroeid ravijn, waardoor een beek stroomt, en waarboven zich hooge, loodrechte grijsachtig gele rotswanden verheffen. Een geweldige rots, waar de weg omheen loopt, sluit de kloof, die den algemeenen naam van Klisoura voert, bijna geheel af. Boven deze kloof, een der schoonste van Griekenland, toch zoo rijk aan soortgelijke berglandschappen, op bijna ongenaakbare bladzijde 378rotsen onderscheidt men de bouwvallen van eene oude vesting met vierkante torens. Aan drie zijden hangen de muren als het ware boven den gapenden afgrond. Deze burcht beheerschte het gansche dal en sloot den doorgang volkomen af. In dit onbereikbare en onneembare arendsnest leefde in de frankische tijden een edelman met zijn ridders en knapen. Toen Eubea in het bezit was der Kruisvaarders, was het geheele eiland in een groot aantal leenen en heerlijkheden verdeeld, en ieder baron bouwde de noodige burchten en vestingwerken om de bergpassen te bewaken, die toegang gaven naar zijne heerlijkheid. Het eiland is dan ook met ruïnen overdekt; schier geen dorp, geen hoogte van eenige beteekenis, of ge ziet er brokstukken van muren, waarop nog dikwijls de half uitgesleten wapenschilden van sinds lang uitgestorven adellijke familiën zijn te onderkennen. Later, toen de kunstmatig naar het Oosten overgeplante feodale maatschappij van dien haar vreemden bodem weder was verdwenen, en vervangen door de heerschappij der machtige republiek van Venetië, werden deze ridderburchten herschapen in vestingen en militaire posten, die deels de omwonende bevolking in bedwang moesten houden, deels de veiligheid der wegen en van het handelsverkeer verzekeren. De bezettingen in die forten stonden allen onder het kommando van den te Chalkis wonenden militairen opperbevelhebber.


De alona of dorschvloer.

VIII.

Tegen zonsondergang komen wij aan het dorp Achmed-Aga, waarvan de witte, tusschen het groen half verscholen huizen tegen de helling van een heuvel verspreid liggen. Een steile, slecht geplaveide weg voert ons naar de woning van een Engelschman, den heer Noël, waar wij onzen intrek zullen nemen. De heer Noël zelf, die in 1830 in Griekenland was gekomen, was een paar jaar geleden in ruim tachtig-jarigen ouderdom overleden. Wij werden door zijne weduwe ontvangen.

Voor het huis strekt zich een groot voorplein uit, ter wederzijde door ruime pakhuizen omgeven; het huis zelf heeft twee verdiepingen met een houten balkon, en maakt een zeer goeden indruk. Van een klein terras, aan de zijde van het huis, door wijngaardranken omslingerd, overziet men het dorp en de vallei, ten zuiden begrensd door boschrijke bergen en door de hooge toppen van den Delphi, hier en daar met sneeuw bedekt. De avond hulde het schoone landschap reeds in eene zachte schemering; slechts enkele hooge bergtoppen straalden nog in den gloed der ondergaande zon.

Na een eenvoudigen avondmaaltijd, waarbij wij door aardige jonge meisjes werden bediend en de gastvrouw zelve de honneurs waarnam, werden wij naar de voor ons bestemde zindelijke en vroolijke kamers gebracht, waar wij weldra in een gerusten slaap de vermoeienissen van den dag vergaten.

De geheele volgende dag zou gewijd zijn aan het bezoeken van de uitgestrekte bezitting, een van de schoonste en best bebouwde van geheel Eubea. Reeds vroeg in den morgen kwam de intendant, een zeer beschaafde jonge Zwitser, ons afhalen om ons op onzen tocht te vergezellen. Hij bracht ons in de eerste plaats naar een groot ruim gebouw, twaalf jaar geleden, met groote kosten, door den heer Noël gesticht. Dit gebouw, twee verdiepingen hoog, van steenen galerijen voorzien, en met pannen gedekt, bevat van boven de noodige bergplaatsen voor de onderscheidene veldgewassen, en van onderen de stallen voor de paarden en het vee.

Twee thessalische poneys, met vurige oogen en kort afgeknipte manen, als de paarden van Phidias, stonden voor ons gereed, want het landgoed beslaat eene oppervlakte van vele mijlen. Een gedeelte daarvan is bosch, een ander gedeelte bouwland.

De heer Noël, die zijn leven, al zijne krachten en zijn fortuin gewijd heeft aan de ontginning en voortdurende verbetering van dit goed, en aan de praktische opleiding der bewoners van de beide dorpen Achmed-Aga en Drisi, heeft niet veel vruchten van zijn onvermoeiden arbeid mogen zien. Hij is gestorven met het treurige bewustzijn dat zijn werk voor een groot deel vergeefs was geweest; dat het niet zou worden voortgezet en geen voordeel zou opleveren, noch voor zijne familie, noch voor het land, dat voor hem een tweede vaderland geworden was. Ondanks zijne groote bekwaamheid en zijn onuitputtelijk geduld, zijn al zijne pogingen afgestuit, zooals die van vele anderen nog lang zullen afstuiten, op de traagheid, onwetendheid en zorgeloosheid der bevolking, en op den meer of min bedekten tegenstand van de orthodoxe kerk en van den staat.

De Griek is van nature geen landbouwer: zijn vurigste begeerte is, in de stad een kleinen winkel te houden, zaken te doen, en zonder veel inspanning veel geld te verdienen. Die koopmansaard en handelsgeest maakt hem afkeerig van den veldarbeid, met zijne altijd terugkeerende eischen en onzekere uitkomsten. Hij onderwerpt zich daaraan, als het moet, als aan eene gebiedende noodzakelijkheid; maar zijn hart is er niet bij, en hij doet weinig of liever niets om zijn toestand te verbeteren. De boeren zijn onbekend met de allereerste beginselen van degelijken landbouw, en gaan daarbij op inderdaad barbaarsche wijze te werk. Daar zij, bij de weinige dichtheid der bevolking, gemakkelijk over uitgestrekte terreinen kunnen beschikken, bebouwen zij een stuk grond zoo lang achtereen tot het niet meer voortbrengen kan, en gaan dan naar een ander over. Van afwisselende bebouwing geen spoor, evenmin van bemesting. Het is in den letterlijken zin een stelsel van algemeene uitputting en verarming van den grond, een voortdurende roof. Geen wonder, dat het grondbezit steeds meer onproduktief wordt. Toch bekommeren zich noch de grondbezitters, noch de regeering om deze schandelijke, onverantwoordelijke verspilling van den voornaamsten rijkdom des lands, en denken zij er niet aan, daaraan paal en perk te stellen. Bovendien is het eigenlijk nog minder uit onwetendheid, dat de boer niet wil werken en den grond behoorlijk bebouwen, maar voornamelijk uit luiheid; hij is minder dan vele anderen van zijn stand aan den sleur gehecht, en ook volstrekt niet afkeerig van verbeteringen:—maar bladzijde 379een ander moet die voor hem tot stand brengen.

Wilt ge bevloeiingskanalen graven, natte gronden droogleggen, de grieksche boer zal zeer goed het nut dezer werken inzien en er dankbaar gebruik van maken; maar aan zichzelven overgelaten, zal hij hoegenaamd niets doen om die verbeteringen, waarvan hij toch de waarde beseft, nu ook elders in te voeren; even als vroeger, zal hij voortgaan met zijn zaad achteloos uit te werpen in de ter nauwernood omgeploegde voren, en het voorts aan het toeval overlaten wat er van terecht komt; of wel, hij zal rustig toezien dat het water in de lage gronden doordringt, die het vruchtbaarst zijn en de rijkste oogsten konden opleveren. Tot zijne verontschuldiging moet worden gezegd, dat het belastingstelsel—en nog meer de wijze, waarop de roofzuchtige en oneerlijke beambten bij de invordering der drukkende belastingen te werk gaan;—niet geschikt is om den ijver en lust tot arbeid bij den landbouwer op te wekken en aan te moedigen. De grondbelasting wordt door de regeering verpacht, en in natura ingevorderd door beambten, die in de provinciën huishouden als in een veroverd land, en schier geen middelen ontzien om van de belastingschuldigen zooveel af te persen, als maar eenigszins mogelijk is. De oogst moet op het land blijven staan, totdat de ontvanger of zijn gemagtigde tegenwoordig is om de tiende in te vorderen. Dat deel wordt zeer ruim genomen en vast in de zakken gestampt, zoodat hetgeen werkelijk geïnd wordt de volgens de wet verplichte, toch reeds buitensporige hoeveelheid nog aanmerkelijk overtreft. De ongelukkige boer is nu verplicht, zelf zijn aandeel, per ezel, langs de slechtst denkbare wegen, dikwijls mijlen ver, naar de gouvernementspakhuizen te vervoeren.

De bij die magazijnen aangestelde wachters of oppassers genieten maar een zeer matig inkomen, omstreeks zestig drachmen per maand: natuurlijk trachten zij dus zooveel mogelijk profijt te trekken bij den verkoop van het graan, waarmede zij belast zijn. Het koren wordt of met graan van minder kwaliteit, of wel met zand vermengd; het wordt losjes en luchtigjes in de zakken gestort, en onder de bekwame handen van den pakhuismeester leveren de tien zakken van den boer er zonder moeite twaalf op. Dit noodlottige belastingstelsel ruïneert den grondbezitter, zonder de schatkist te verrijken, die niet de helft ontvangt der werkelijk geïnde waarde. De boeren, van hun kant, hebben er ook geen belang bij, verbeteringen aan te brengen en de opbrengst van hun land te vermeerderen, waarvan toch in de eerste plaats de ontvanger profiteeren zou. Zij trachten veeleer, zoo veel mogelijk, hunne inkomsten verborgen te houden. Zij begraven en verstoppen hun geld, en doen zich zoo arm mogelijk voor, ten einde niet de begeerlijkheid dier onverzadelijke roofvogels op te wekken. Op Eubea zijn zij doorgaans zelven geen grondeigenaars, maar pachters. De landheer ontvangt dan in den regel een derde van de opbrengst, terwijl het overige het eigendom van den boer blijft, die ook de belasting voldoen moet. Zoo handelde ook de heer Noël. Hij heeft voor elk landbouwersgezin eene goede steenen woning met twee verdiepingen en een pannen dak laten zetten; hij verschafte het zaad en leende werktuigen en gereedschappen, die men doorgaans vergat hem terug te geven, omdat men wist dat hij ze in den regel niet terug vroeg.

Verder rijdende, komen wij langs rijke, uiterst vruchtbare alluviaalgronden, waarvan echter de opbrengst, naar ons de intendant verzekert, buiten verhouding gering is: een der voornaamste oorzaken van deze geringe opbrengst is wel het gemis van goede gereedschappen. Overal in Griekenland gebruikt men nog een hoogst primitieven ploeg, een soort van met ijzer beslagen paal, die den grond nauwelijks loswoelt, maar zeer gemakkelijk te besturen en te herstellen is. De heer Noël heeft de proef genomen met engelsche ploegen, die dieper insnijdingen in den grond maken, en de losse aarde omkeeren om ze aan de weldadige werking der lucht bloot te stellen; maar de kleine, verbasterde thessalische paarden waren niet sterk genoeg om die ploegen voort te trekken. Men probeerde het met ossen; maar het rundvee is hier klein van stuk, slecht gevoed en zwak: de uitkomst was al even ongelukkig. Een der ploegen brak, en de smid van het dorp was niet in staat dien te herstellen. De koppige onwil der boeren verijdelde alles. De heer Noël, ontmoedigd en teleurgesteld, gaf het eindelijk op, en de ploegen worden in een schuur geborgen, waar ik ze zag staan, door de roest verteerd.

Toen er eens eene dorschmachine te Achmed-Aga werd aangebracht, verzetten de ontvanger en de plaatselijke autoriteiten zich tegen het gebruik van dit werktuig, beweerende dat men op die wijze wilde trachten een gedeelte van den oogst aan de belasting te onttrekken. Alle redeneeringen, alle bewijzen van het tegendeel baatten niets. De heer Noël moest de tusschenkomst inroepen van den engelschen gezant te Athene, die van den minister eene gunstige beschikking wist te verkrijgen; maar toen de bestemde dag kwam, verbood de burgemeester van het dorp, in het geheim, den pachters, hunne schoven bij den heer Noël te brengen om ze te laten dorschen, en liet des nachts een der wielen van het werktuig stelen. De met groote kosten aangevoerde machine moest dus ongebruikt blijven staan; en men moest zich ook verder, voor het dorschen van het graan, tevreden stellen met de aloude alona, den grooten geplaveiden dorschvloer, dien men bij alle grieksche dorpen aantreft. De schoven worden op dien dorschvloer uitgespreid; vervolgens spant men paarden voor zes of acht smalle, ongeveer vier voet lange planken, die aan het eene einde een weinig omgebogen zijn; boerenjongens plaatsen zich nu op die soort van sleden, en drijven, met groot geschreeuw en veel beweging, in onderlingen wedijver, hunne paarden voort, die in vollen galop steeds nauwer kringen beschrijven, en de halmen, en dikwijls het graan daarbij, verbrijzelen. Het tooneel is zeker zeer schilderachtig, en herinnert u onwillekeurig aan de oude kampstrijden; maar bij dit barbaarsche stelsel gaat stellig een vijfde gedeelte van het graan verloren, en wordt het stroo geheel bedorven. Echter is het tot dusver niet mogelijk geweest, een ander en redelijker stelsel in te voeren.

Het land is door de natuur rijk gezegend, en deze bladzijde 380streek zou inderdaad een der welvarendste gewesten van het koningrijk kunnen worden. Nevens korenakkers, zien wij meekrap- en katoenplantages; in de schaduw van fraaie olijven, tiert welig de wijngaard; maar de ranken worden niet gesnoeid, de plantages worden niet gezuiverd, en uitgestrekte braak liggende gronden zijn de sprekende bewijzen van de zorgeloosheid en traagheid der bevolking. De grieksche boeren zijn zeer matig, maar ook zeer zorgeloos: hoewel zij over weinig middelen te beschikken hebben, nemen zij toch geld op tegen buitensporig hooge rente, en worden zoo de weerlooze prooi van de woekeraars, die een geesel voor het platte land zijn. Een aantal kleine boerderijen worden door de geruïneerde eigenaars zelven, ten bate van de gewetenlooze geldschieters bebouwd. Het is inderdaad niet te verwonderen, dat de arme drommels niet veel hart voor hun werk hebben.

Wij keeren naar de woning terug om te ontbijten. Terwijl wij aan tafel zaten, verhaalde mevrouw Noël ons, hoe haar man eens door eene gewapende bende van zestien roovers was overvallen geworden, die hem ernstig verwondden en eene aanzienlijke geldsom van ettelijke duizenden guldens ontnamen. Ondanks de zeer ernstige vertoogen van den engelschen gezant, werden de schuldigen niet vervolgd; en hoewel de plaatselijke overheden zeker geheel onschuldig waren aan de misdaad, is het toch zeer waarschijnlijk dat zij er niet al te zeer over verontwaardigd waren, en in het geheim de hoop koesterden dat de heer Noël, voor zijne veiligheid bevreesd, het land zou verlaten. Zeide niet de monarch van Eubea zelf: “Wij zijn er niet op gesteld, de vreemdelingen te behouden, maar zien ze liever vertrekken.” Zoowel bij het volk als bij de ambtenaren heerscht dezelfde onwelwillende, om niet te zeggen vijandelijke stemming tegen alle vreemden, die zich in Griekenland willen vestigen; beiden doen wat zij kunnen om hen af te schrikken en van hun voornemen terug te brengen, niettegenstaande het wezenlijke belang des lands daardoor groote schade lijdt. Het is de oude xenolasthia in al hare strengheid. De meeste vreemdelingen, die zich op Eubea of in de andere provinciën gevestigd hadden, hebben dan ook hunne bezittingen weder verkocht en zijn naar hun land teruggekeerd.

Na afloop van het ontbijt, stelt de intendant ons voor, een tocht door de bosschen te maken. Prachtige woudlandschappen, heerlijke vergezichten, ontrollen zich elk oogenblik voor onze blikken; maar overal treffen ons de sporen der vernieling door het vuur. Doorgaans zijn die boschbranden het gevolg van kwaadwilligheid, en nooit gelukt het de schuldigen te ontdekken, die somwijlen door de boschwachters beschermd, indien al niet rechtstreeks geholpen worden. Ook dit behoort tot het stelsel van ontmoediging en intimidatie, dat tegenover de vreemdelingen wordt in praktijk gebracht. Meermalen gebeurt het ook, dat de zwervende, half wilde herders, met opzet, groote uitgestrektheden bosch in brand steken, om op den uitgebranden grond gras te laten groeien ten behoeve hunner kudden. De plaatselijke overheden laten den brand rustig voortwoeden, zonder iets te doen om het vuur te blusschen ofte stuiten, of om een misdrijf te beteugelen, waarop toch de wet de strengste straffen stelt. De Grieken maken overigens weinig werk van hunne bosschen en wouden, en de onkundige en slecht betaalde boschwachters zijn dikwijls, zij het ook uit zorgeloosheid en onwetendheid, de eersten om de aan hunne zorg toevertrouwde bosschen te bederven. De houthak wordt, naar turksche manier, verpacht: dat wil zeggen, voor acht of tien drachmen per maand, wordt vergunning verleend om binnen zekere bepaalde grenzen hout te vellen, naar verkiezing van den pachter. Doorgaans velt hij het geheele perceel en veel meer dan dat, zoodat de berg geheel van boomgewas wordt ontbloot. Men laat hem begaan. Maar heeft men met een vreemden eigenaar te doen, die niet geneigd is den ambtenaren de handen te stoppen, dan wordt de uiterste nauwgezetheid en gestrengheid getoond. De eigenaar mag dan geen enkelen zijner boomen vellen zonder uitdrukkelijke vergunning; en die vergunning wordt, na veel talmens, niet verleend dan tegen zekere vergoeding, waarvan het bedrag eigenmachtig door den opzichter wordt bepaald. De heer Noël had eindelijk van de exploitatie zijner bosschen, zelfs voor eigen gebruik, afgezien. Het klinkt ongeloofelijk, en toch is het waar: hij kon met minder kosten timmerhout uit Syra laten komen, dan het in zijn eigen bosschen vellen!

En toch, wat natuurlijke rijkdom gaat door deze verwaarloozing, en door het gemis van behoorlijke wegen, verloren! Deze bosschen zijn rijk aan prachtige platanen, aan reusachtige wilgen, aan rijzige, krachtige dennen en vele andere houtsoorten van veelzijdig gebruik. Voor den scheepsbouw vooral zouden deze bosschen van de grootste waarde zijn, indien men het hout slechts naar het strand kon vervoeren.

Hoe ruw daar nu ook mede wordt omgesprongen, toch zou het land binnen betrekkelijk korten tijd weder met bosch bedekt zijn, wanneer maar eenige zorg werd gedragen voor het jonge hout en de uitspruitsels. Maar neen: het jonge gewas blijft weerloos overgelaten aan alle kansen van ondergang en verwoesting. De geiten komen met groote scharen opzetten, en vernielen alles wat binnen haar bereik komt. Het zijn bovenal de zwervende herders met hunne kudden, die, meer wellicht dan iets anders, de schuld dragen van de schromelijke verwoesting en den eindelijken ondergang van zoo menige, door de natuur toch zoo kwistig rijk gezegende provincie, in Griekenland zoowel als in Turkije.

Ontsnappen de jonge boomen bij toeval aan de vernielende tanden dezer schadelijke dieren, dan bezwijken zij toch doorgaans onder de ruwe handen der inzamelaars van boomhars, die in de stammen der dennen groote gaten hakken, en met geweld de schors afrukken, om het sap te laten uitvloeien. De aldus verkregen hoeveelheid hars is luttel en de winst zeer gering; bovendien, dank zij deze barbaarsche behandeling, verdroogt en sterft de boom binnen korten tijd.—Ook de kolenbranders dragen het hunne tot de verwoesting bij. Zij leiden een zwervend leven en staan volstrekt niet onder toezicht; tegen het einde van Juni komen zij bij gansche troepen in de bosschen, en hakken en verbranden naar welgevallen, zoodat zij somwijlen gansche berghellingen van houtgewas ontblooten. bladzijde 381


De platanen langs de Eileos.

bladzijde 382

En welke zijn van dit alles de gevolgen? Het regenwater, door niets meer tegengehouden, stroomt met verwoestend geweld over de naakte hellingen, doet de beeken zwellen, overstroomt de lage vlakte, en doet daar, stilstaande, koortsen ontstaan; de temperatuur ondergaat ingrijpende veranderingen; de bronnen drogen in den zomer op. Reeds is er ontzettend veel kwaad gedaan en onberekenbare schade aangericht, en er bestaat nog niet het minste uitzicht, dat hierin verbetering komen zal. De boeren zijn onwetend en lui, en de regeering bekommert zich niet om dergelijke zaken. De houtvesters verkoopen vergunningen tot exploitatie der bosschen, en houden hoegenaamd geen toezicht; van boschkultuur hebbon zij niet het minste begrip. En hoe zou dit anders kunnen zijn, daar ook die ambtenaren met ieder nieuw ministerie aftreden?

Den volgenden morgen, ten zes uur, verlieten wij Achmed-Aga, en vervolgden onze reis in noordoostelijke richting, steeds de oevers van de rivier Eileos volgende, die door een prachtig platanenbosch stroomt, dat onze volle bewondering opwekte. Sommige reusachtige stammen trokken bovenal onze aandacht; onder een dezer kolossale boomen hadden honderd ruiters zonder moeite plaats kunnen vinden.

Weldra komen wij te Mantoudi, een groot dorp, dat er welvarend en zindelijk uitziet en de zetel is van een onderprefect. De inwoners zijn bijna allen uitgewekenen van Hydra, en hebben den eigenaardigen bouwtrant van dat eiland naar herwaarts overgebracht. Mantoudi vertoont dan ook een geheel ander karakter, dan de andere dorpen van Eubea. Wij houden ons echter hier niet op, en bereiken ten tien uur het dorp Hagia-Anna, op eene hoogte gelegen, van waar men een prachtig uitzicht heeft over geheel de omliggende streek en over de blauwe zee, waaruit, aan den horizon, de eilanden Skopelos en Skiathos opdoemen.

Het huis, waar wij ons ontbijt gebruiken, heeft zoo geweldig dikke en zoo stevige muren, dat het wel tegen eene aardbeving bestand zou zijn. Perikles maakt ons ontbijt klaar in eene kamer op de eerste verdieping, waarin het erg naar vochtig leder en sterke boter riekt. Wij haasten ons dus zoo veel mogelijk: te meer daar het heden de feestdag is van Sint-Constantijn, een der meest vereerde heiligen van de orthodoxe Kerk, welke dag ook met openbare vermakelijkheden gevierd wordt. Dit gedeelte des eilands is beroemd om zijne dansen; de dans, die nu door de dorpelingen word uitgevoerd, heet de sirtos, en is, naar ik meen, niet anders dan eene choregrapische voorstelling van de rythmische bewegingen der visschers, als zij het net op den oever trekken.

Aan de spits ging, naar oud gebruik, de dansleider, dan volgden de mannen, dan de vrouwen, dan de jonge meisjes en de kinderen. Men hield elkander niet bij de hand, maar de keten werd gevormd door doeken, die de dansers in de hand hielden: en zoo bewoog de menigte zich, in gelijkmatige beweging, over het plein, op de maat van een zonderling orchest, uit twee Zigeuners bestaande, waarvan de een op de fluit speelde, terwijl de andere op een soort van tamboerijn sloeg. Hun mager, olijfkleurig gelaat, hunne uitstekende wangbeenderen, hun lange, gitzwarte hairen, hunne groote, donkere, diepliggende oogen, soms zoo zonderling stralend—alles getuigde van hun indischen oorsprong.

Dicht bij de kerk stond de papas (pastoor), een grijsaard met langen, witten baard; op zijn stok geleund, zag hij den dans aan, in gezelschap van eenige bejaarde landlieden. Moeilijk zou men zich een vroolijker en levendiger tooneel kunnen denken, dan die lange rij van witte tunika's, rood zijden gordels en voorschoten, van fustanellen en borduursels en galons, heen en weder golvende op het geluid der schelle fluit, en het dof gegons van den tamboerijn; den achtergrond dezer prachtvolle schilderij vormden de donkere bosschen, de dicht begroeide heuvelen en de naakte, kantige, hier en daar met pijnboomen beplante hellingen van den berg Kandili. Overal, op het ruime plein, vormden zich nieuwe groepen tot den dans; de vreugde werd algemeen, en waren wij niet gedwongen geweest met onzen tijd te woekeren, voorzeker zouden wij ons langer hier hebben opgehouden om getuigen te zijn van dit volksfeest, dat een zoo echt nationaal karakter vertoonde. Maar wij moesten voort, en terwijl de dans nog in vollen gang was, draafden wij de steile hellingen op, die zich ten noorden van Hagia-Anna verheffen.

Het landschap was hetzelfde als in den omtrek van Achmed-Aga; wij trokken door een uitgestrekt en prachtig woud, waarin eiken en dennen trotsch oprezen boven dicht struikgewas en eene menigte andere boomen. Overal zagen wij granaatboomen, met hunne bruinroode vruchten en donkergroene bladeren, myrthen met hun schitterend gebladerte, haagdoorns met scharlakenroode vruchten bedekt. Woeste ravijnen, waarin machtige rotsblokken op de grilligste wijze waren opeengestapeld, openden zich langs de hellingen der bergen; nu en dan mochten wij een blik werpen in stille geheimzinnige valleien, wegschuilende in den lommer van breede platanen en eeuwenheugende eiken, terwijl in de schemerende verte, door de saamgestrengelde takken en de slanke stammen der dennen heen, de blauwe zee ons tegenblonk. Hoe hooger wij komen, des te ernstiger en grootscher wordt de natuur om ons heen. Eindelijk, na eene smalle vallei te zijn doorgegaan, waar tallooze watervalletjes de lucht met muziek vervullen, komen wij aan den pas, van waar wij tegelijk de Egeïsche zee, de straat van Negroponte en de golf van Volo, die ten noordwesten diep landwaarts indringt, overzien.

Dergelijke panorama's ontmoet men schier bij elken voetstap in Griekenland, maar men wordt niet moede ze telkens weder te aanschouwen; ongelukkig kan geene beschrijving de schoonheid, de bekoorlijkheid en de verscheidenheid dezer vergezichten wedergeven. Ter linkerhand strekte zich de kast van Lokris en Beotië uit, beheerscht door de trotsche bergketen van den Parnassus, den Kitheron en den Olympus. De voorgebergten, half in een zilveren, doorschijnenden nevel gehuld, verrezen achter en nevens elkander, helder afstekende tegen de effen oppervlakte der zee, glad bladzijde 383en glinsterend als een metalen spiegel. Hier en daar vertoonden zich enkele witte stippen: de zeilen van zacht glijdende vaartuigen. Vóór ons, half in de wolken verloren, zien wij de gescheurde en getande toppen van den Othrys, den Ossa en den Pelion; meer van nabij verhief zich de Olta, waar, volgens de legende, Herakles den brandstapel beklom; daar beneden, tusschen moerassen verscholen, zag men de bergengte van Thermopylae. Ten noorden teekende zich de gansche groep der eilanden boven Eubea, scherp en duidelijk, op de onafzienbaar wijde zee. Verre weg, aan den horizon, vertoonde zich in den nevel een grijze stip met witte punt, iets als een zwevende wolk, verloren in de onmetelijke ruimte: dit was de thessalische Olympus, de verblijfplaats der goden. Welke herinneringen en beelden, deels aan de poëzie, deels aan de historie ontleend, verdrongen zich hier in onzen geest! Maar de brandende, blakerende zonnehitte maakte ons een lang vertoeven op deze plek onmogelijk, en wij vervolgden weldra onze reis.

Nog altijd was het woud even prachtig, en vormde de zee met hare eilanden de wonderschoone omlijsting van de heerlijke schilderij, allengs door het ter kimme neigende licht met nieuwe kleuren en tinten getooid. Ter linkerhand verhieven zich trotsche, soms dreigend overhangende rotswanden; onder de hooge boomen was het fluweelen grastapeet bezaaid met tallooze witte, gele en blauwe bloempjes, door de natuur met kwistige hand tusschen het zacht groene mos gespreid. De lucht was zuiver en geheel doortrokken van balsemrijke geuren; op de takken en tusschen het gebladerte zongen en tjilpten honderden vogels; maar boven die allen klonk de zuivere, welluidende zang van den nachtegaal, die ons den ganschen dag door op onzen tocht vergezelde.

Na eenige oogenblikken gerust te hebben aan een kleine, onder de platanen verscholen kani, waar wij een kop koffie gebruikten, begonnen wij snel te dalen. Gaandeweg werd het bosch dunner; de groote boomen maakten plaats voor kreupelhout en struikgewas; de bergen slonken tot heuvelen; het gansche landschap scheen ons in hooge mate eentonig en naargeestig. Misschien droeg de vermoeidheid na een zoo langen tocht daar ook wel het hare toe bij. Wij trokken over dit heuvelachtig, golvend terrein, onophoudelijk rijzende en dalende, zonder een spoor van menschelijke woning of bebouwing te ontdekken, zonder eenig levend wezen te zien, dan nu en dan een kolenbrander, die ons alles behalve vriendelijk aanzag,—en telkens van den schier onkenbaren weg afdwalende. De zon haastte ten ondergang; en zoo wij door de duisternis werden overvallen, eer wij de vlakte van Oreos hadden bereikt, dan zouden wij genoodzaakt zijn, in het bosch te overnachten of misschien in het armzalige gehucht Kastaniotissa, waarvan wij de ellendige hutten ter linkerhand bespeuren. Onze paarden en lastdieren waren uitgeput van vermoeienis, en ook de agoyaten waren alles behalve in hun schik over eene zoo lange dagreis.

Eindelijk bereikten wij eene laatste hoogte, van waar wij de vlakte en de zee konden overzien. Het was tijd, want de zon was reeds achter de bergen van het vasteland verdwenen, en wij konden den hobbeligen weg, waarop onze paarden telkens struikelden, bijna niet meer onderscheiden. Wij reden langs bebouwde velden, en bij de laatste schemering ontdekten wij de rots van de akropolis van Oreos en de masten der vaartuigen, die boven de daken der huizen van het dorp uitstaken. Wij hadden welhaast bijna twee uren noodig om het strand te bereiken, waarlangs zich eene rij nieuw gebouwde huizen met pannen daken verheft. Sommige dezer woningen hebben twee verdiepingen, waarvan de onderste tot winkel is ingericht. Een twintigtal groote kaïken lagen bij een houten steiger gemeerd, en in de voornaamste straat heerschte vrij veel drukte, vooral bij de nog open herbergen. De grieksche paketboot, die, op haar reis van Athene naar Volo, zes maal per maand Oreos aandoet, was juist dien dag aangekomen; de nieuwstijdingen uit de hoofdstad leverden dus overvloedige stof voor gesprek aan de politici in de koffiehuizen.

Wij stijgen af voor een net en zindelijk huis, toebehoorend aan een rijzigen, krachtig gebouwden Hydrioot, die zich, na den achteruitgang zijner vaderstad, hier had nedergezet. Hij had dit huis gebouwd, en dreef nu een zeer voordeeligen commissiehandel. Een groot aantal Hydrioten hebben zich, even als hij, op Eubea gevestigd, waar zij zich zeer gunstig onderscheiden door hun arbeidzaamheid, hun geest van orde, hun gezond verstand en eenvoudigheid; voor het meerendeel doen zij goede zaken, en men vindt onder hen lieden van zeer aanzienlijk vermogen.

Onze gastheer bracht ons naar den eenvoudigen, maar comfortablen salon. Langs de wanden prijkten de portretten der helden van den griekschen onafhankelijkheidsoorlog: Zaïmis, in zijn lang turksch gewaad, Mauromichalis met zijn donker dreigend uitzicht, Kolokotronis met zijne lange hairen en dien wonderlijken helm, dien hij bij voorkeur droeg. Boven eene mahoniehouten tafeltje hing eene afbeelding van de beroemde brik van den Hydrioot Tombazis, wiens schitterende wapenfeiten in de herinnering van alle Hellenen voortleven; en tusschen de twee ramen zag men een schilderij in olieverf: het portret van den heer des huizes, stijf en houterig als een byzantijnsche heilige, met strak starende oogen, en met een geopenden wissel in de hand. Dat is wel inderdaad de type van den griekschen eilandbewoner: tegelijkertijd held en makelaar, soldaat en schacheraar, bereid zijn bloed te storten en vlammende op eene kleine winst, koopvaardijkapitein en boekhouder, nog heden evenzeer gereed om kaviaar te verkoopen of zich met een ten ondergang bestemden brander tusschen de vijandelijke schepen te wagen;—een wonderlijk mengelmoes van onverschrokkenheid en list, van vermetele dapperheid en berekenend overleg, van ridderlijke toewijding en koopmans egoïsme.

Tien minuten ten zuiden van het dorp verrijst de akropolis, eene groote, alleenstaande, rechthoekige rots, zooals er zoo velen in Griekenland te vinden zijn, en langs welker randen nog overblijfselen van muren te zien zijn. Wij hadden een kwartier noodig om langs bladzijde 384een smal en uitermate steil pad, meer voor geiten dan voor menschen geschikt, naar boven te klauteren. Even als in al die oude vestingen, vinden wij hier een soort van omwalling, waarbij materialen uit de meest verschillende tijdperken zijn gebruikt. De onderste lagen bestaan uit groote onregelmatige steenblokken, blijkbaar uit overouden tijd afkomstig; daarop volgen de zuiver gehouwen en fijn bewerkte steenen van het helleensche tijdperk, de kleinere bouwsteenen der Romeinen, het half uit steen, half uit baksteen bestaande metselwerk der Franken, en eindelijk de vierkante kanteelen der Turken. Ten noorden en ten westen ziet men overblijfselen van torens. In een hoek, onder doornig struikgewas, vinden wij twee ijzeren kogels, en een marmeren tulband, die eenmaal tot een turksch graf heeft behoord.


Eene kani bij Mantoudi.

Onze blik overzag de baai van Artemisium, beroemd door de nederlaag der vloot van Xerxes, en voorts de vlakte, met akkers en plantages bedekt; nergens bruggen, en zeer weinig boomen, behalve moerbeziën en hier en daar eenige wilde olijven. Een aantal landlieden, mannen en vrouwen, waren aan den veldarbeid, en hunne witte wollen kleederen kwamen sprekend uit tegen het tedere groen der katoenplantages. Anderen bereidden de akkers, waarin het wintergraan moest worden gezaaid: met de eene hand bestuurden zij hun aartsvaderlijken ploeg, in de andere hielden zij eene lange lans, waarmede zij de twee zwarte thessalische buffels voortdreven en bestuurden.

Deze geheele streek komt mij voor zeer vruchtbaar en welvarend te zijn; naar men zegt, levert dit deel des eilands de belangrijkste inkomsten voor den staat op, hoofdzakelijk voortvloeiende uit de tienden van den graanoogst. Onze Hydrioot beweerde niettemin dat de landbouw, zoowel hier als in alle verwijderde provinciën, in verval verkeerde, en hij gaf ons, bij die gelegenheid, eene niet zeer vleiende karakterschets van de magistraatspersonen ten beste, wier minste gebreken, volgens hem, hunne onbekwaamheid en onwetendheid waren.

De eparch, het gerechtshof en eenige andere collegiën en besturen zijn te Xerochori gevestigd, eene kleine stad van tweeduizend zeshonderd inwoners, in de vlakte gelegen, twee uren meer oostwaarts, en met Oreos verbonden door een weg, die met eenigen goeden wil voor rijtuigen bruikbaar mag worden genoemd: want twee of drie half ontwrichte, vuile, stoffige berlines, door drie magere paarden getrokken, rijden dagelijks eenmaal tusschen de beide stadjes heen en weder.

( Wordt vervolgd .) bladzijde 385

De Aarde en haar volken: Jaargang 1877 - Full Text (Montenegro)

No comments:

Post a Comment